In alle dichtvormen heeft Vondel zijn talent beproefd: zoowel in de epische en dramatische als de lyrische poëzie. In deze laatste soort vooral heeft hij uitgeblonken als geen ander.
Op episch gebied heeft hij niets tot stand gebracht, ofschoon hij meermalen van heldendichten zwanger ging, waarvan één half voldragen was. Wij laten Johannes de Boetgezant buiten rekening, 'tgeen wel een episch verhaal, eene dichterlijke levensbeschrijving, maar geen eigenlijk Epos is. Nog minder staan wij stil bij de leerdichten, welke niets dan den Alexandrijn met het Epos gemeen hebben.
Toen hij nagenoeg het toppunt van vermaardheid bereikt had, omstreeks 1632, wenschte hij het voetspoor te volgen der groote dichters van Homerus af tot Tasso toe, en zette een heldendicht op touw, dat den tocht van Constantijn den Grooten zou bezingen. Aangemoedigd door Huig De Groot, werkte hij er vlijtig aan voort. In 1634 was het vijfde boek voltooid, dat hij op het Muider slot ging voorlezen1). Het geheel zou ‘ses paer boeken’ omvatten2). Weinige maanden later, in Februari - volgens Unger in Januari - 1635, stierf zijne echtgenoot; en ofschoon ook haar schim hem scheen toe te roepen: ga voort,
toch had zijn ‘couragie eenen krak gekregen,’ zooals hij -
waarschijnlijk in 1635 - aan De Groot schreef1); en, het ‘heldenwerck’ bleef liggen, zoolang totdat hij met het afgewerkte gedeelte geen vrede meer had, en het - hoe veel tijds er ook aan ten koste was gelegd - verscheurde2).
Het valt te betwijfelen, of dit een wezenlijk verlies voor de Kunst geweest is, daar alles ons leert, dat zelfs bij Vondel's beschrijvende poëzie het lyrisch element den boventoon had. Hoe dit ook zij, later, in 1660, schijnt hem op nieuw, ondanks zijne hooge jaren, het plan tot een heldendicht te hebben voorgezweefd, dat den strijd tusschen Civilis en de Romeinen zou bezingen, maar waarin geheel het roemrijk tafereel van Neerland's geschiedenis, bij wijze van voorspelling, zou zijn ontrold3). Dat er niets van kwam, zal niet verwonderen, als men overweegt, wat sedert aan zijne pen ontvloeide.
Den geheelen rijkdom van zijn dichterlijken geest leert men het best kennen uit die lange reeks van lyrische ontboezemingen, zoo veelzijdig van inhoud als verscheiden van vorm, die van zijne
jeugd tot aan zijn graf, meestendeels zoowel uit zijn hart als uit zijne pen zijn gevloeid.
Aan al wie dien schat ook maar vluchtig beschouwd heeft, moet het wel met onweerstaanbare kracht in het oog springen, dat wij met een waarachtigen dichter te doen hebben, met welk voorbehoud men dien lof ook meene te moeten beperken.
Staan wij in de eerste plaats bij dit voorbehoud stil, en hooren wij vóór de heiligverklaring ook des Duivels advocaat.
Een dichter, die zooveel geschreven heeft als Vondel, kan zich onmogelijk overal gelijk zijn gebleven. Niet zelden heeft hij zeker de pen alleen opgevat, omdat zijne maatschappelijke stelling dit meebracht; ook wel omdat hij 't gepast rekende hulde te brengen aan een dier aardsche ‘Goden’, wier bescherming dichters en dichtkunst in die dagen zoo vaak behoefden; of omdat het gebruik bij bruiloft en uitvaart een vers eischte, en men het oog bij voorkeur op hem sloeg1); soms misschien ook als een vers hem besteld en betaald werd.
De laatste veronderstelling heeft niets beleedigends in: het was eene gebruikelijke zaak. De meest gevierde dichters hebben er zich niet aan gestooten: Barlaeus ontving zoowel als Jan Vos voor sommige gedichten een ‘reëel compliment;’ en we weten buitendien, dat Vondel voor zijn werk soms niet alleen een vereerend geschenk ontving2). Is het dan ongerijmd te veronderstellen, dat dit meermalen geschiedde?
Waar een gedicht op die wijze ontstond, laat het ons niet zelden koud, gelijk de Dichter zelf zeker koud bleef. Maar waar oprechte geestdrift hem naar de lier deed grijpen, waar zijn hart sprak, en innerlijke aandrang hem tot zingen noopte, daar zet hij ook ons in vuur, sleept ons mee, en dwingt ons sympathie en bewondering af.
De stukken, welke ons het minst aandoen, zijn doorgaans die, waarin hij zijn eigen gebrek aan warmte onder de herinneringen aan het classieke heidendom tracht te verbergen. Hij sloeg dien toon meestal aan, waar hij het woord richtte tot die voorname personages, voor wie hij als Amsterdamsch burgerman een slaafschen eerbied koesterde, dien hij in de practijk nooit heeft afgelegd, hoe hoog hem de vrije borst ook klopte, als hij in het afgetrokkene over de verhouding van den kleinen man tot de ‘Grooten’ mijmerde1).
Hoe koud laat ons b.v. niet dat statige, heidensche bruiloftsvers
bij het tweede huwelijk van Hooft, waarin hij o.a. Venus laat zeggen (II, 642):
Maar Hooft was ook de voorname Burgemeesterszoon, de statige, aristocratische Drost; en zoo iemand vrijde of trouwde niet als een gewoon mensch: zelfs
En hoe haalt men de schouders op bij 't bruiloftsdicht op Ridder Adam Van Lockhorst (IV, 32), of bij dat, ter eere van Jonker Jan Van Waveren, zoo vol deftige mythologische onnatuur (VII, 658), en bij zoovele anderen.
Tegenover dergelijke personen moest hij hoogst fatsoenlijk zijn, en daarom spreekt hij hen op hun eigen trant aan,
En waar hij dien burgemeesterlijken klinkklank ter zijde laat, geeft hij, onder gelijke omstandigheden, bij gebrek aan vuur, vaak niets anders dan berijmd proza. (Weet iemand b.v. iets platters dan het bruiloftsgedicht voor Joan Van de Pol (III, 294)? Dat dit ook het geval is, waar de Dichter verzen gesmeed heeft op alledaagsche voorwerpen, spreekt vanzelf. Men leze bij voorbeeld slechts het gedicht op eene tafel met mozaïeken rand (XI, 626).
Leidt gebrek aan inspiratie soms tot platheid, niet zelden ook tot opgeblazen bombast, die bovendien een gevolg is van te weinig ontwikkelden smaak. Concetti waren te Vondel's tijde in de mode, en hij heeft ook daaraan toegegeven, b.v. in dezen regel (IX, 402):
Valsche smaak is het, als hij in een der koren van de Maeghden van de bloeddroppelen der martelaren zegt
of als hij in de opdracht van Peter en Pauwels de bladen van 't Martelaarsboek noemt:
Dat valsch vernuft gaf hem ook dezen regel in de pen bij de uitvaart zijner kleindochter Maria:
Volmaakte bombast, of, wil men 't met Van Lennep liever ‘hyperbolisch’ noemen, is dit couplet uit het gedicht op de Beurs van Amsterdam (IV, 25):
Zonderling klinkt zeker ook deze plaats uit de Inwydinghe van 't Stadhuis (VI, 662):
Of in het gedicht op den Zeetriomf van 1666:
Ik durf daarbij de woorden voegen, die in den Jeptha de Hofpriester tot den Levyt richt:
voorts het bekende
uit den Gysbrecht, hetgeen misschien de (minder juiste) poëtische inkleeding moet zijn van de platte gedachte, die Vondel voor den geest zweefde, en die hij in de Leeuwendalers dus weergeeft:
Ja, ik vrees zelfs er het altijd zoo hooggeroemde vers uit den Lucifer onder te moeten rangschikken:
Mij geeft het althans geen denkbeeld van Gods grootheid, dat hij noch door den tijd, noch door de eeuwigheid bepaald is (gesteld al, de eeuwigheid ware een maatstaf); dat hij dus noch tijdelijk, noch eeuwig is. En Vondel had wel gelijk, toen hij elders zei1):
Zou de dichter zich bij dergelijke klinkende maar zinledige woorden, die hem nu en dan ontsnappen, niet moeten rangschikken onder hen, die, naar zijne eigen woorden, ‘kunstig zwetsen, doch.... met woorden van anderhalven voet lang, of een doorgaande bravade en louter blaeskaeckerye?’ En denkt men, als men ziet, hoe velen dit fraai en verheven vinden, niet noodwendig aan hetgeen hij er op volgen laat: ‘Aldus winnen ze gunst by den slechten hoop, die den mont vergeet toe te doen, en gelijck naer hemelval gaept’2)?
Uit die neiging tot het hoogdravende is het te verklaren, dat Vondel in zijne treurspelen dikwijls de fout begaat van al te dichterlijke uitdrukkingen en beelden te leggen in een mond, waarin die geheel misplaatst zijn. De poëtische vergelijkingen van
den bode in den Gysbrecht zijn een ieder bekend; maar wij vinden ze overal. Reeds in het Pascha wijzen wij op het weegeklag van den Egyptenaar in 't begin van het vierde bedrijf; voorts op de beschrijving van Ursul door Juliaan in de Maeghden; op de eerste tirade der Levyten in het vijfde bedrijf der Gebroeders, of de rei der Staatjofferen in het tweede van Maria Stuart, of de kunstrijke beelden in den mond der Pisaners in het derde van Salmoneus, en meer anderen.
Tegenover het al te hoogdravende steekt het platte sterk af, dat, in ons oog althans, de gedichten van Vondel dikwijls ontsiert. In een gedicht op het portret van Jonkvrouw Van Rijn leest men:
Van Lennep schreef daarbij deze noot (VII, 24): ‘zulk een val van 't verhevene in 't platte treft men zelden of nooit bij Vondel aan.’ Dit is evenwel eene verblindheid, alleen te verklaren uit al te groote ingenomenheid met een onfeilbaar genie; want op platheden stuit men te midden der meest dichterlijke wendingen zoo dikwerf, dat het moeilijk valt zich tot weinig voorbeelden te bepalen. Ik geef er enkelen op den tast:
In het schoone gedicht op de inwijding van 't Stadhuis, betreurt men regels als deze (VI, 695):
Elders (VII, 606) heet het:
Of wel (XI, 28):
Dergelijke voorbeelden zouden zeer te vermeerderen zijn; vooral wanneer men ze ook uit de treurspelen trok, die van platte uitdrukkingen krielen.
In het Pascha zegt Pharao tot Moses en zijn broeder:
Ik haal deze plaats bij voorkeur aan, omdat eene aanteekening van Van Lennep aangaande die regels ons de gelegenheid zal geven liet rechte standpunt aan te wijzen, waarop de Critiek zich behoort te plaatsen. Hij zegt: 't zijn ‘alle beelden uit het dagelijksche burgerlijke leven gegrepen, en even treffend als aanschouwelijk.’ (I, 125). Maar is dit voldoende om ze te prijzen? Hij erkent zelf, dat die beelden ‘niet tragisch noch koninklijk zijn, maar de kenmerken dragende van Vondel's subjectiviteit als Nederlander, als “zoon des volks.” ’
En dit behoort men niet over 't hoofd te zien. Vondel was in merg en been de Nederlander, de Amsterdammer der zeventiende eeuw; en wat ons soms plat en gemeen voorkomt, was toen, ook in de deftigste kringen, geoorloofd.
Ik spreek nu nog niet eens van het platte, vieze en gemeene, dat niet slechts in de guitige stukjes van Roemer Visscher werd gevonden en dat ook den dichters van eene halve eeuw later nog aankleeft. Ik zou anders ruimschoots gelegenheid hebben om op het in ons oog aanstootelijke te wijzen in vele van Huygens' Sneldichten, of op het allerplatste realisme in de Klucht van dezen hoveling, waarvoor ook de minst kiesche moet terugdeinzen. Geen wonder dan ook, dat de kluchten, voor den gemeenen man geschreven, dikwerf alleen aantrekkelijk waren door de walgelijkste smerigheden in voorstelling en uitdrukking, waarvan men zich nauwelijks een denkbeeld kan maken.
Ik bepaal mij thans tot een ander soort van onhebbelijkheden, die den maatstaf geven van de weinig gevorderde vormelijke be-
schaving van die dagen. Tal van voorbeelden zijn daar om dit te bewijzen. Ik ontleen ze niet aan de werken van Bredero of Coster, maar aan die van den aartsdeftigen Ridder Rodenburg. In zijne Hertoginne Celia ontboezemt een meisje, in een lied, hare zucht om door haars minnaars kussen ‘getroeteld’ te worden, en zij, gebruikt daarbij o.a. deze woorden:
Uit de Jalourse Studenten hebben wij1) reeds eene plaats aangehaald, waarin eene jonkvrouw zich al vrij gewaagd uitlaat over het kussen en de gevolgen van dien. Wij behoeven die niet op nieuw af te drukken; en wij onthouden ons van het bijbrengen van meer voorbeelden van dien aard.
Zoo spraken toen de kuische maagden, en men zag er geen kwaad in. Maar ook metterdaad waren zij zeer vrij, althans op het tooneel. Zelfs in onze dagen zou men de tooneelaanwijzing uit het Mays-spel kunnen uitvoeren, die ons toont: ‘Emilia legghende in haer bedde, ontwaeckende uyt haer slaep.’ Maar zou men ook nog liet volgende letterlijk kunnen vertoonen? - ‘Zy vlieght van 't bedde in haer hembt.’ Trouwens, er werd toen nog vrij wat anders te zien gegeven; men denke aan het tooneel uit de Lucelle, waarvan wij vroeger gewaagden2).
Het zonderlingste staaltje der halve beschaving van die dagen levert misschien de Sigismund en Manuella, dat zelfs de naïefste onkieschheden der middeleeuwen verre achter zich laat.
Manuella is ongesteld: zij heeft twee minnaars, die zich beiden in de ziekenkamer bevinden. De een, Sigismund, heeft slechts toegang verkregen door zich voor een geneesheer uit te geven. Men lette nu op 't geen in dat tooneel geschiedt:
Hoe gemakkelijk de fatsoenlijkste heeren en vrouwen zelfs zich door drift lieten vervoeren tot taal en handelingen van een vischwijf, leert nagenoeg ieder stuk. Ik zal mij tot één enkel staaltje bepalen, dat ook nog om eene andere reden merkwaardig genoeg is om hier te worden aangevoerd.
Het is ontleend aan Rodenburg's Trouwen Batavier. Jonkvrouw Margriet heeft Warnaer's liefde met ontrouw beloond. In het vierde tooneel van het tweede bedrijf ontmoet hij ze, en doet haar nu de bitterste verwijten over hare wuftheid; ja, hij scheldt haar zelfs ‘vervloeckte Griet’, ‘snoode pry’, en ‘arghe teef.’ Hij wil de trouwelooze voor hare geveinsheid straffen en haar teekenen. Hij grijpt ze bij 't haar. Zij tracht hem eerst door zoete woorden te paaien, en als dat niet helpt, ontstaat er eene kijfpartij, die voor de kennis der zeden van den tijd karakteristiek is.
Na eenige worsteling ontvlucht zij, maar met achterlating van haar valsch kapsel in zijne knuisten, 't geen hem aanleiding geeft tot deze vermakelijke bespiegeling:
Ook op andere wijze komt het ongepolijste der zeden aan den dag. In het Wraeck-gierigers treur-spel b.v. geeft de jonkvrouw Castiza den bode, die haar namens des Vorsten zoon van liefde komt spreken, een klap om de ooren, zeggende: ‘Daer's uw loon!’
Men denke voorts aan de heftige tooneelen in Coster's treurspelen, b.v. in de Polyxena, waar Hecuba Polyxena de oogen uitplukt, hetgeen trouwens ook elders als een geoorloofd sterk aangrijpend tooneelmiddel beschouwd werd. Shakespeare b.v. deinst er niet voor terug in zijn Richard III; en dat het in het spraakgebruik was opgenomen, blijkt b.v. uit zijn Rape of Lucrece, waar Lucretia van Helena sprekend zegt:
En in Measure for measure zegt Isabella in het vierde bedrijf:
Dit alles werd toegejuicht, want het was niets anders dan de afspiegeling van hetgeen in het werkelijke leven plaats greep. Wil men een sterk sprekend staaltje ten bewijze hoeveel er nog aan de levensvormen, ook in de hofkringen in Den Haag, ontbrak, men zie, wat Alexander Van der Capellen in zijne Gedenkschriften (I D., bl. 67) op het jaar 1622 boekt:
‘Omtrent deze tyt is in den Haghe questie ontstaen tussen de Gravinne van Nassou Anna Sophia, Gemaelinne van Graef Ernst Casimir, ende d' Ambassatrice van Engelant over 't voorgaen, willende de voorn. Ambassatrice gaen voor myn Vrouw van Nassou, waer over sy van haer Genade te rugge getrocken, ende gesouf-fletteerd is geworden.’
Waar in den hofkring zoo werd gehandeld1), daar zal men er niet van opkijken, dat den eenvoudigen burgerman wel eens een
onvertogen woord ontvalt; te minder, daar de voorname lui ook in beelden en gedachten niet al te kiesch waren1).
En Vondel was een burgerman en schaamde zich, ondanks zijne betrekking tot zoovele Patriciërs, noch zijn stand noch zijne nering Zoo schertste hij in 1638, toen een zoon van den beroemden Blaeu een blaauwtje geloopen had (III, 461):
De ontwikkeling der eeuw en de omgeving des mans geven ons den sleutel tot menig beeld en menige uitdrukking, die ons nu aanstootelijk toeschijnen, en wij wijten daarom minder aan Vondel dan aan zijn tijd de menigvuldige plat- en onkieschheden zelfs, die men ook in zijne beste gedichten aantreft.
Zoo iets, dan gaven ten onzent bruiloften niet zelden aanleiding tot dubbelzinnige aardigheden, weinig kiesche kwinkslagen, toespelingen en gelegenheidsverzen. Zoo dat in later tijd nog niet geheel had opgehouden, ook in vrij beschaafde kringen, dan kan men zich voorstellen, hoe het daarbij in vroeger eeuw toeging. Het is daarom niet vreemd, dat men zich heeft afgevraagd, hoe Vondel, die een groot aantal bruiloftsverzen gedicht heeft, zich, met opzicht tot de kieschheid, van deze taak gekweten heeft. Hij is soms te hard, dus ‘onbillijk’, beoordeeld, als hij op dit gebied ‘vooral onkiesch’ werd genoemd; ofschoon zij, die zich daarover ergerden, niet genoeg gelet hebben op de toevoeging ‘naar onze [hedendaagsche] opvatting’2). Als men rekening houdt
met den tijd, dan moet men zich veeleer verwonderen over de ingetogenheid, waarmee Vondel zijn onderwerp veelal behandelt, al kan men ook de meeste dier gedichten thans niet in handen van onze jongejuffrouwen geven. Immers op zeer vele is de regel uit een dier verzen toepasselijk:
terwijl er anderen zijn, ‘waarin onkiesche uitdrukkingen voorkomen en die het plat-werkelijke al te zeer op den voorgrond plaatsen,’ zooals een groot voorstander dier gedichten moet toegeven1). Intusschen zal men omtrent vele dier gedichten kunnen instemmen met Potgieter's lofspraak, waar hij ze karakteriseert2) als ‘zangen der liefde, vol gloed, het is waar, mits ge vol gezonden gloed zegt; weelderig, ik geef het u toe, maar zooals weelderige naturen het zijn in den bloei harer kracht. Lofliederen van den echt, in één woord, zooals een volk er gaarne zingen hoorde, en zingen mocht, dat zich voor het zinnelijke van den band niet schaamde, dewijl het voor al het zedelijke van dien band eerbied had. Vondel was ook de dichter van ‘d'oprechtste Trouw.’
Zonder voorbehoud, met het oog op onze begrippen van kieschheid, is deze hulde niet: dit verlieze men niet uit het oog.
Ten einde allen misverstand uit te sluiten, meen ik hier ook in het algemeen mijn oordeel over de aesthetische waarde dezer gedichten te moeten uitspreken. Zij is zeer ongelijk. Ik heb bl. 158- 160) de oorzaak aangestipt, waarom wij in sommige
missen; maar er zijn er ook, die liefelijk, schoon en dichterlijk klinken, zooals men van een genie als Vondel mag verwachten. Het minst geslaagd zijn, behoudens enkele uitzonderingen, als b.v. het vers op Jan De Witt, de deftige stukken in statige versmaat; doch waar de lyrische vorm wordt gebezigd, en de heilwensch als
lied schatert, daar komt de heerlijke gave van den lierzanger aan den dag. Hoe schoon is niet het gedicht op Aernout Hooft, of dat op Cornelis Bakker, met dien innigen aanhef:
Liefelijk is de Bede aen het Westewindeke voor P. Van Buren; allerliefst het gedicht op Ventidius Riccen (1658); schoon en vloeiend De Leeuw aen bandt voor David Leeuw (1651), en weinig minder aantrekkelijk de Hooghtijdt van Marten Looten (1653), of het Lantgezangh aan Reinier Van Esvelt (1659). Uitmuntend is dat op Jakob Linnich (1658), waarvan ik gaarne met Stellwagen zeg: ‘Er ligt een dichterlijk waas over van den reinsten levenslust en het teerste gevoel; - het is echt menschelijk en, om zoo te spreken, voor ieders bruiloft, voor ieder bloeiend paar gezongen.’ Ik geef het, als proeve, in zijn geheel:
Dat was het lied van een man van een-en-zeventig jaar! Hoe frisch die ouderdom was, blijkt uit menig lied ook van nog later tijd. En op zijn ouden dag kwam hij tot het inzicht, dat de Olympische Goden, waarmede hij te veel bralt, zoowel als
en daarom riep hij in 1666 Fr. Van Imstenraedt toe:
Ik besluit met des Dichters eigen verontschuldiging over toon en inhoud dier zangen:
Dat Vondel overigens nu en dan ook wel onkiesche, ja, soms vieze beelden gebruikt, valt niet te ontkennen; maar ik herhaal het, bij de beoordeeling van 't een en 't ander verlieze men zijn tijd niet uit het oog.
Niet onjuist is de opmerking van Bakhuizen1): ‘Schoon wij geenszins willen beweren dat onze eerste dichter altoos de wetten van goeden smaak en kieschheid hebbe geëerbiedigd, aarzelen wij dáár, waar Vondels geest tot het platte en walgelijke afdaalt, zulks toe te schrijven aan gebrek aan zin voor hetgeen wezenlijk edel, rein en welluidend is. Hij heeft hierin veeleer, onzes inziens, òf de bedorvenheid zijns tijds gehuldigd òf [in zijne hekeldichten b.v.] de reeds op zich zelve scherp gepunte pijlen moedwillig in zwaveldamp en vuilnisstank gestoken, om de wonden, welke hij toebragt, bovendien nog walgelijk te maken. Want, waar hij kiesch moest zijn, wist Vondel zoo zeer als iemand reinheid van woorden en gedachten te paren. Gij herinnert u zijne beschrijving van Eva [in den Lucifer].’
Maar wat ook ter verontschuldiging van zekere uitdrukkingen of wendingen kan worden aangevoerd, dit belet niet, dat waar de platheid tevens een prozaïsche dissonant te midden der Poëzie is, de blaam geheel voor rekening van den dichter blijft. En dien blaam heeft hij meer dan eens verdiend.
Wij hadden reeds herhaaldelijk gelegenheid op te merken, dat de Amsterdamsche tooneeldichters, in de voorstelling van tragische personages zich niet van de burgerlijke toestanden, die de werkelijkheid aanbood, hebben losgemaakt. Ook Vondel niet. Maar hetgeen bij hen, althans voor een deel, eene bewuste fout was, schijnt bij Vondel eene volkomen onbewuste afspiegeling geweest te zijn van den kring, waarin hij zich gewoonlijk bewoog.
Van Lennep heeft er op gewezen, hoe in den Adonias, ‘het onderhoud tusschen den Oosterschen Prins en de Odaliske, hier en daar een weinig zweemt naar een morgenkout tusschen een
Amsterdamschen burgemeesterszoon en eene welopgevoede koopmansdochter’ (IX D,; bl. 315). Daar kan niemand iets tegen hebben. Oostersche zeden in de XVIIe eeuw op een Hollandsch tooneel gebracht, zouden weinig aantrekkelijks hebben gehad. Buitendien moet men bij deze waardeering ook die van Bakhuizen (Studiën en Schetsen, II, bl. 40) niet vergeten, die met zooveel lof van dit tooneel gewaagt. Maar erger is het, als Vondel aan de platheid van het dagelijksch leven eene plaats inruimt; als b.v. in den Noah deze met zijne zonen een gesprek voert, dat, volgens Van Lennep (XI D., bl. 82), ‘zeer natuurlijk moge zijn, en misschien werkelijk gevoerd tusschen een schipper die naar Oost-indien ging en zijne passagiers, zoodat Vondel het afgeluisterd en teruggegeven heeft;’ maar waarvan gij moet erkennen: ‘het klinkt hier te beuzelachtig.’
Ik geef nog een paar voorbeelden.
Als in Jeptha de radelooze moeder na den dood van hare dochter t'huis komt, laat de hofpriester het schavot wegbreken en zegt:
En als zij van uitputting en aandoening nederzijgt:
Als Grysbrecht op het eind van 't stuk, zich in wanhoop weer in 't gevecht wil storten, roept Badeloch hem toe:
Was Witsen Geysbeek wel ver van de waarheid, toen hij bij dit tooneel aanteekende: ‘Dit is immers eene volslagen parodie van den treurspelstijl’1).
Mij dunkt, het valt niet te loochenen, dat de kleinburgerlijke omgeving, waarin de Dichter leefde, zich soms in zijne beelden, in zijne uitdrukkingen weerspiegelt; en doorgaans veroorzaakt dit vlekken in zijne poëzie. Maar laat ons niet al te voornaam uit de hoogte neerzien op dat burgerlijke bloed, dat zoo forsch in Vondel's aderen bruischte; want juist dat heeft hem voor volslagen onnatuur bewaard, en aan zoovele zijner gedichten dien eenvoud en dat poëtisch waas gelaten, die ons zoozeer aantrekken.
En hij moest veel zelfstandigheid en waarachtige poëzie bezitten om zijne naïeveteit en zijne liefde voor natuur en natuurlijkheid te bewaren. In de oogen der Renaissance-mannen vond alleen het deftige, hoogdravende en gemaniëreerde genade; en het is stellig aan die eigenschappen, dat de burgerlijke glazenmaker Jan Vos hunne toejuiching te danken had. 't Versmaden daarvan was juist, wat zij in Vondel vaak misprezen.
De Dichter heeft in 't belang van zijn handel twee reizen naar Denemarken gedaan. Op de eerste schreef hij twee rijmbrieven aan Hooft1); de eene is in den smaak der litteraire Aristocratie, en loopt deftig op stelten; de andere daarentegen blijft veel lager bij den weg, maar is bevallig van vorm en natuurlijk van toon, vol warmte en liefde voor huiselijk leven en natuur. Maar dat juist dit mishaagde, is niet onduidelijk op te maken uit het oordeel, dat Huygens velde over die twee gedichten, welke Hooft hem toegezonden had: ‘Van dier gedichten waerde oft onwaerde hebb ick niet te seggen: Vondelens geschriften rekene ick onder de dinghen daervan niet wel te oordeelen is. Sy duncken my oneenparigh ende haer selven hier ende daer beschamende. Soo valt er in 't gros weinigh van hem te verklaren’2).
Hoeveel dank en hoeveel bewondering is men niet aan Vondel schuldig, dat hij weerstand heeft geboden, dat hij zich niet altijd door den smaak of wansmaak der ‘Heeren’ liet meesleepen en dikwijls burgerlijk-eenvoudig en natuurlijk bleef!