Maar het wordt tijd den Dichter in den rijkdom zijner lyrische ontboezemingen nader te leeren kennen en waardeeren.
Na hetgeen reeds gezegd is, zal men begrijpen, dat hij het levendigste belang stelde in al wat er grootsch of treffelijks gebeurde, vooral in zijn vaderland en de stad zijner inwoning, zijn geliefd Amsterdam. En als een echt Dichter had hij er behoefte aan, wat in zijn binnenste omging in zangen uit te storten, niet slechts voor zichzelf, maar voor geheel zijn volk.
De staatkundige gebeurtenissen ontlokten hem nog andere verzen dan hekeldichten. Ik wijs slechts op die, waarmee hij hulde bracht aan Frederik Hendrik: het Prince-lied (II, 298) of zijne Begroetenis van hem, bij wiens aanvaarding van 't bewind (1625) hij jubelde:
Dit gedicht bevat reeds veel schoons, en is geschreven in eene taal, tot op dat oogenblik in de Hollandsche poëzie ongehoord.
Als proeve veroorlove men mij vooreerst dit tafereel uit den slag van Nieuwpoort, volgens den tekst van 1644 (bl. 80):
Zulke herinneringen gaven moed voor de toekomst:
Geheel in harmonie met het geheele gedicht is het slot:
Kort daarop luidde hij de Geboorte-klock van Willem II (II, 531), die ‘ook Vondels verheffing tot Prins der Nederduitsche zangers’ inluidde (Van Lennep); want wat men ook over den aanleg zeggen moge, of over 't misbruik der allegorie in dit gedicht, het munt uit door veelheid en pracht van details en door volslagen meesterschap over de taal. Ik kan mij niet weerhouden daaruit althans één tafereel af te schrijven: dat, waarin de indruk, door de geboorte van Willem ten platten lande gemaakt, geschilderd wordt1).
De heldenfeiten onzer legers bleven ook niet onbezongen, zoolang Vondel sympathie voelde voor den strijd. Zoo vierde hij de Verovering van Grol (III, 613), in statige Alexandrijnen, met een minimum van heidendom, in epische breedte geschilderd; zoo
zong hij een warmen Zegesang op het bedwingen van Den Bosch (III, 9) en op de inneming van Maastricht (III, 150).
Dat onze zeehelden niet werden vergeten, spreekt vanzelf. En hoe krachtig is niet het gedicht De Vrije Zee-vaart, ter eere van Tromp (VI, 142, of in den tekst van 1660, II D., bl. 243)!
Men oordeele:
Hoe echt dichterlijk is de Scheepskroon voor Van Galen (VI, 147, of uitg. van 1660, II D., bl. 246), die aldus luidt:
Hoe fier jubelt de dichter daar in den volkstoon! En niet minder treffend, krachtig en vloeiend is de Uitvaart van Tromp (VI, 154, en Uitgave van 1660, II D., bl. 263):
Gedoogde de ruimte het, ik gaf ook nog het lied, waarmee hij den vierdaagschen Zeetriomf van 1666 vierde (X, 576).
Al de gedichten op onze roemrijke admiraals zijn geheel onheidensch, en blijkbaar uit het hart geweld. Maar waar zou het heen, wilden wij al zijne zegezangen vermelden! De rijkdom onzer lauwers dwingt hier tot zelfbeperking. Verwijlen wij daarom voor een poos bij de overwinningen des vredes, waarvoor hij zoo dikwijls zijne lier heeft besnaard.
Reeds in 1612 zong hij dien levendigen Hymnus op de Scheepvaert (I, 132), door wier zegen
En hoe groot zijne belangstelling in die bronaar onzer welvaart was, blijkt, als hij elf jaar later nogmaals (II, 168) den Lof der Zeevaert verkondigt.
In het eerste dier gedichten schildert hij de wording en den aanwas van handelsvloot en scheepvaart: in het tweede wijst hij ons op de onbestendige lotgevallen van een enkel schip. De vergelijking dier beide stukken, met bijna gelijke stof, toont, hoe zich Vondel's talent had ontwikkeld en zijn smaak gezuiverd was.
De inwijding der Doorluchtige School te Amsterdam werd in een fraai gedicht (III, 135) door hem bezongen, evenzeer als die van het nieuwe Stadhuis (VI, 661), welk laatste uitvoerig, half beschrijvend, half lyrisch ‘schitterend gedicht’ (Van Lennep), hem de gelegenheid schonk om den luister van de stad in verschillende richting te boekstaven. Ik geef een paar proeven. Vooreerst de reden van 't bestaan van 't Stadhuis. (Uitgave van 1660, II D., bl. 289)1):
Of de beschrijving van de Beurs en de bedrijvigheid op den Dam, vs. 476 vlgg. t.a. pl., bl. 300:
Men weet niet, wat hier meer te bewonderen, of het schilderachtige der voorstelling of den schoonen bouw der verzen.
Eindelijk vermelden wij nog het gedicht op het Zeemagazijn (VII, 641, of uitg. van 1660, II, 467), volgens Van Lennep ‘een der treffelijkste onder zijne meesterstukken.’ Tot eene kleine proeve der levendigheid van voorstelling strekke de schildering der handelsdrukte (bl. 651 of 476):
Als tegenhanger van die vreugd over aanbouw en aanwas leze men de schoone Klaghte over den brand der Nieuwe Kerk (IV, 422; uitg. 1650, bl. 411), met den dichterlijken aanhef:
of die diep gevoelde ‘Jammerklaght over de gruwsame verwoestinge van Londen’ in 1666 (X, 666):
Maar ook voor zoetere aandoeningen had Vondel oog en oor. Hoe echt poëtisch is niet het kleine gedicht op de droog gemaakte Beemster (IV, 366; uitgave van 1650, bl. 514), en hoe luide spreekt daarin zijn natuurzin. Men luistere: