Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 6: De twee laatste eeuwen (2)


auteur: W.J.A. Jonckbloet


editeur: C. Honigh


bron: W.J.A. Jonckbloet, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 6: de twee laatste eeuwen (2). J.B. Wolters, Groningen 1892 (vierde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

De Nederlandsche letterkunde in de twee laatste eeuwen.
Tweede boek.

De negentiende eeuw: Jaren van kwijning. Vervolg.

[p. 3]

IV. Bilderdijk.

Men kan in twijfel staan over de plaats, waar Bilderdijk in de geschiedenis onzer Letteren moet worden behandeld. Hij begon immers zijne dichterlijke werkzaamheid omstreeks 1770, en in de laatste twintig jaren der achttiende eeuw mocht hij zich reeds in eene groote mate van bekendheid en zelfs van beroemdheid verheugen. Bovendien heeft hij zich nooit van den deftigen toon van dat tijdperk losgemaakt1). Bedenkt men evenwel, dat de meeste en de voornaamste zijner werken in de negentiende eeuw zijn opgesteld, en dat zijn invloed op de Nederlandsche dichtkunst eerst van het tweede vierendeel van dat tijdperk dagteekent, dan begrijpt men, dat hij onder de dichters van onzen tijd gerangschikt moet worden. En dat hij onder hen eene buitengewone eereplaats inneemt, zullen wij weldra zien.

Terwijl de uitspraak over de beteekenis van Bilderdijk als dichter eenparig en zeer gunstig is, loopen de beschouwingen over zijne waardij als mensch nog al uiteen. Naar mate ons meer bescheiden, die licht over zijn leven, vooral zijn zieleleven, verspreiden, ten dienste staan, is men in staat gesteld een juister oordeel over den mensch Bilderdijk te vellen; en in dat zuiverder historisch licht beschouwd, heeft zijn beeld veel van den stralenkrans verloren, waarmeê zijne vereerders hem plachten te omgeven. Wij zullen intusschen niet dan na rijpe overweging ons laatste woord in dezen spreken, en ons bevlijtigen de rechtvaardige Geschiedenis een onpartijdig vonnis te doen vellen.

[p. 4]

Is het doorgaans moeilijk strikt rechtvaardig te zijn omtrent eene persoonlijkheid, die zich boven het gewone peil verheft, met dubbele bezwaren heeft men te kampen, waar het een man geldt, geplaatst in zoo buitengewone tijds- en levensomstandigheden, een man van zoo ongemeene geestesgaven, een man vooral van ‘het eigenaardig karakter van den in alles zonderlingen Bilderdijk’1). Ternauwernood is hij met de gewone maat te meten, die van zichzelf getuigde2), dat hij werd

 
‘Gehaat, vervolgd, veracht, van Kerk- en Staatsverstoorderen,
 
Van andren opgetild tot boven 't firmament’,

omdat hij èn als Mensch, èn als Dichter, zich in ongewone proportiën aan ons voordoet. Hij was, als Oldenbarnevelt, ‘een man, singulier in alles’.

Reeds zijne prilste jeugd was niet die van een gewoon menschenkind, en waarschijnlijk hebben de eigenaardigheden zijner eerste levensjaren een overwegenden invloed gehad op de vorming van zijn talent zoowel als van zijn gemoed. Bij een waar Dichter zijn de Mensch en de Kunstenaar een: wij moeten daarom wat langer stilstaan bij het maatschappelijk leven en gemoedsbestaan eens mans, die eene zoo belangrijke plaats in onze letterkundige wereld inneemt.

Willem Bilderdijk werd den 7en September 1756 te Amsterdam geboren. Hij was de zoon van Dr. Izaak Bilderdijk en Sibilla Duyzenddaalders. Ziehier zijne voorouders. In 1684 leefde te Leiden zekere Izaak Bilderdijk, die den 4en April van dat jaar als herbergier gepatenteerd werd, maar reeds in het volgende bankroet ging, waarbij zijn inboedel voor de geringe som van vijftien gulden, achttien stuivers en acht penningen in het openbaar verkocht werd3). Dit was de overgrootvader4) van den Dichter Bilderdijk, wiens

[p. 5]

geslachtsboom niet hooger dan het begin der 17e eeuw of het einde der 16e eeuw schijnt op te klimmen, en wiens afkomst dan ook niet zoo glansrijk was als hij zichzelven en de wereld wel wilde wijs maken. Van dien overgrootvader is weinig meer bekend: hij schijnt eerst naar Rotterdam verhuisd te zijn, en later misschien naar Amsterdam, waar althans zijne weduwe, Suzanna Vrolijk, lang daarna op de Botermarkt woonde. Zij werd den 9en April 1729 in de Zuiderkerk begraven.

Deze echtelingen hadden vier kinderen: twee dochters en twee zonen. De oudste zoon, Johannes, schijnt te Amsterdam in beter doen te zijn geraakt. Hij was gehuwd met eene Duitsche Luthersche predikants-dochter, Anna Dorothea Ludeke, en woonde, althans op 't eind van zijn leven, in de Halvemaansteeg, bij de Botermarkt. Wij weten uit zijn kleinzoons mededeeling, dat hij ‘een eenvoudig vroom man was van den ouden tijd’, ‘ongeletterd, alhoewel vol van liefhebberijen, en natuurlijken genie’; en dat hij verzen maakte, ‘maar jammerlijk’1). Meer is mij niet van hem bekend; alleen, dat hij twee kinderen had: eene dochter, Suzanna, in November 1764 ongehuwd overleden, en een zoon,

[p. 6]

Izaak, die den 7en September 1720 geboren en den volgenden dag in de Luthersche kerk gedoopt werd.

Ik weet niet, of de Dichter zich ooit over zijn overgrootvader heeft uitgelaten: destemeer had hij op met verder verwijderde voorzaten, of die hij althans daarvoor wilde doen doorgaan. Aan Prof. Tydeman gaf hij, op de vraag, of zijn overgrootvaders overgrootvader ook Bilderdijk heette, ten antwoord1): ‘Mijn grootvader koomt zelden onder een anderen naam voor dan die van Philips Corneliszoon. Men noemde hem uit hoofde van 't zinnebeeld, waarmeê hij, en zijn vader reeds, zegelde, Boom ('t was een dadelboom). Zoo staat hij bekend in de regeeringslijst van Alkmaar, waar hij in 't beleg Burgemeester wierd. Hoe in de sententien van Alva, weet ik niet, - maar ik geloof, ook zoo, op de regeeringslijst van Amsterdam, waar hij, na de Hervorming in 1578, door Willem I gezonden, om de regeering te aanvaarden, de eerste Hervormde Burgemeester wierd’. In denzelfden brief gewaagt hij ook van Ds. Laurentius, en voegt er bij: ‘Uit dezen stamme ik ook, en van hem heb ik nog het familiegraf in de Oude Kerk te Amsterdam.... op welk graf de wapens en quartieren van Boom en Laurentius plachten te staan’. Dr. Wap legt hem nog deze woorden in den mond: ‘Philip Cornellissen had slechts ééne dochter, die aan den vermaarden Predikant Jacobus Laurentius, eersten Prediker der Hervorming te Amsterdam, huwde, uit wien mijne moederlijke familie is, en wiens grafstede in de Nieuwe, of Oude Kerk, te Amsterdam, door een Laurierboom op de zerk kenlijk, ons eigendom gebleven is’1).

‘Met die voorouders dweepte Bilderdijk zeer’, zegt Wap; en 't is bekend, dat hij in menig vers op die verwantschap pocht. Zoo b.v. roept hij in zijn Afscheid van Leyden in 1827 (Dichtw., XII, bl. 340:

 
‘Zie neêr, ô Amstels Burgervader,
 
Wiens bloed ook door het mijne vliet,
 
Oranjes vreê- en oorlogsrader,
 
En hoofdsteun van heur stadsgebied!
[p. 7]
 
En gij, Laurentius, zie neder,
 
Wiens guldenmond en fenixveder
 
Het wangeloof van 't Y verdreef!’

En in de aanteekeningen (aldaar bl. 462) verklaarde hij den eersten regel aldus: ‘Mijn Meer-bet-oud-overgrootvader Filip Kornelissen, een tijd lang Ondergouverneur van Noordholland en in de regeeringloosheid der Hervormingsomwenteling te Amsterdam, aldaar Gouverneur wegens Prins Willem den Eerste, en vervolgens Burgemeester dier stad’. Betrekkelijk Laurentius heet het: ‘Eerste predikant der Hervorming te Amsterdam, uit wien ik desgelijks afdale, en in wiens grafstede, met zijn wapenteeken gebijteld, mijne ouders van geslacht tot geslacht regelmatig begraven zijn’. Zoo er werkelijk verwantschap bestond, dan was het alleen van moeders zijde. Bovendien zijn 's Dichters mededeelingen omtrent de personen niet bijzonder te vertrouwen. Hij noemt den eenen Philip Cornellissen, en dat was geen verschrijving, zooals de uitgever van den brief dacht; want een-en-twintig jaar later geeft Bilderdijk hem denzelfden naam1), evenals in de zoo straks vermelde aanteekening. In de Geschiedenis van Amsterdam komt geen Philip, wel Pieter Corneliszen Boom voor2), en deze werd niet in 1578 Burgemeester van Amsterdam, maar volle tien jaar later, blijkens de regeeringslijsten bij Wagenaar. Philip Corneliszen, die in Alkmaar eene rol gespeeld heeft, voert daarentegen nergens den toenaam Boom. En wat Laurentius betreft, niet hij, maar wel Jan Arendszoon was de eerste Reformatieprediker te Amsterdam. Laurentius was waarschijnlijk eerst geboren in 1584, en werd niet vóór 1621 te Amsterdam beroepen, waar hij in 1644 overleden is.

Laten wij deze twijfelachtige voorouders rusten om tot 's Dichters vader, Izaak Bilderdijk terug te keeren. Deze studeerde te Leiden in de geneeskunst, ‘schijnt daar’, naar des zoons zeggen3), ‘vrij losjens geleefd’, en er weinig grondige wetenschap geput te hebben. Evenwel hij toonde zich bijzonder vlug, ‘was in de

[p. 8]

disputen zoo geducht als met den degen, en verkreeg zich een aanzien bij Professoren zoo wel als Studenten, dat vleiende was’. Na zijne promotie zette hij zich te Amsterdam neder en ‘praktiseerde gelukkig’. Hij was een man van ‘zeer veel algemeene kundigheden,.... voegde daarbij dat vertrouwen op zich zelven, dat anderen een soort van ontzag inboezemt; en hij sprak veellicht beter dan iemand van zijn tijd’. Hij was niet alleen vermaard om zijn declameeren van verzen, maar hij was zelf poëet; ja, volgens zijn zoon, had hij ‘een waarachtigen genie voor de dichtkunst’, en in zijne verzen vond men ‘een oorspronkelijkheid van geest en een' zekeren toon, die ze van die van anderen onderscheidde door stoutheid, nadruk en zwier’1). Hij heeft ook eenige tooneelspelen vertaald, als het blijspel Het Valsche Vooroordeel of de Triompherende Vrouw, 1762, en een jaar later het treurspel Tomyris of de dood van Cyrus2). Hij schijnt eindelijk zekeren aanleg voor de tooneelspeelkunst gehad te hebben, en op een liefhebberijtooneel speelde hij ‘de rollen van statigheid en waardigheid’. Maar boven alles was hij arts, en dat ‘met geheel zijne ziel’. Met slechts beoefende hij zijn beroep met grooten ijver en zeldzame toewijding3), maar hij hield er van, over de geneeskunde te spreken, en zijn zoon erkent het, dat hij uit die gesprekken ‘een waarachtige lust en zucht voor de geneeskunde geput’ heeft. Latere gedichten leveren daarvan de duidelijke sporen.

Doctor Bilderdijk, altijd volgens zijn zoon, ‘uit den aart gemaakt om waar hij in den bloei zijns levens verscheen, te glinsteren’, wist zich daardoor, ofschoon hij een eenvoudig burgermans kind was, en alles behalve ‘een man van geboorte’, waarvoor zijn zoon hem wil doen doorgaan4), - wist zich de genegenheid te ver-

[p. 9]

werven eener dochter uit eene zeer deftige, eene patricische familie. Den 9en Juli 1753 huwde hij de twee-en-twintig-jarige Sibilla, dochter van Willem Duyzenddaalders en Isabella Pelgrom de Bie1). Uit dit huwelijk werd den 7en September 1756 onze Dichter geboren.

Hoe schoon de vooruitzichten van den Doctor ook schenen, zij begonnen weldra te tanen. Na 1748 stonden in Amsterdam de staatspartijen scherp tegenover elkander met eene heftigheid, die op het dagelijksche leven terugwerkte. Doctor Bilderdijk bemoeide zich wel niet opzettelijk met de staatkunde, maar hij stond bekend als een zeer warm Oranjeman. Wel bleef hij vrij van persoonlijke beleedigingen, die onder de partijen alles behalve zeldzaam waren, en hij kwam gelukkig ‘de lagen die van tijd tot tijd hem gelegd werden’ te boven; ‘maar’, zegt ons zijn zoon, ‘zijn ziel werd verbitterd, zijn zacht, zijn weldadig en altijd hulpvaardig karakter verhard: eene zekere mate van menschenhaat scheen in zijne sombere luimen als door te stralen, hij onttrok zich der samenleving, behield weinige, zeer weinige vrienden, uit zijne oude betrekkingen.... En allengs verdween al die aangenaamheid, al dat schitterende van zijn' omgang, waardoor hij beroemd en geliefd placht te zijn’2).

Ik laat daar, of die sterke ommekeer werkelijk moet verklaard worden uit den staatkundigen toestand, dan of hij was te wijten aan die bijzondere omstandigheden, waarop de zoon in dezer voege wijst: ‘Daar kwam bij, dat zijn toen zoo bloeiende praktijk als Doctor verminderde en, zoo het zich aan liet zien, gants te niet dreigde te loopen. Het uitzicht, dat hij zich dus vormde, was zeker bedrieglijk. Had hij, onverwrikt als hij deed, maar zonder eenig blijk van zijn' ondergang te gemoet te zien, voortgevaren in de bij hem aangenomen levenswijze, die niet kwistig, maar nederig burgerlijk was, de vlaag des vooroordeels ware overgewaaid, en zijn eens gevestigd aanzien in een zoo gelukkige en door alle klassen des Burgerstaats evenzeer verspreide praktijk, zou hem

[p. 10]

altijd het hoofd boven gehouden en weldra hersteld, ja na eene voorbijgaande afneming, dubbelen aanwas van inkomst verschaft hebben.... Hij besloot [integendeel] zijn rijtuig eensklaps af te schaffen, met alles wat eenigszins ontbeerbaar was. Maar dit juist deed hem dat aanzien verliezen, 't geen men bij ons met den naam van krediet bestempelt, zijn praktijk verliep dubbeld, en welhaast was hij tot die weinige lieden bepaald, wien een ten eenemaal met hem vooringenomen vertrouwen 't ondoenlijk maakte, in de kundigheid van een' ander' arts te berusten. En dat was ongenoegzaam om een man van fatsoen met zijn vrouw en kind een bestaan op te leveren’.

In dien toestand deed, omtrent het begin van 1757, de Prinses-Gouvernante hem het ambt aanbieden van Controleur of Inspecteur der belastingen. De beslommeringen en verdrietelijkheden aan die betrekking, waarvoor hij weinig geschikt was, eigen; de voortdurende aanraking met allerlei dom of ruw en slecht volk, dat hij moest besturen en in toom houden; ‘dit eindeloos wroeten in een zoo ondankbaren en hatelijken arbeid als dat ambt in die tijden opleverde,.... kon niet anders dan meer en meer stroefheid, somberheid, en een afschrikkend uiterlijk te weeg brengen, die vroeger of later in een soort van onhandelbaarheid eindigen moest, die zijn huis en kinderen voor altijd alle vatbaarheid voor genoegen ontrooven moest’.

Zoo teekent hem de zoon, maar eveneens vinden wij hem voorgesteld door Bilderdijk's vriend Jeronimo de Vries, die den ouden heer gekend had. ‘Hij was’, zegt hij, ‘een klein, zwart, deftig man; had een donker, ongevallig, terugstootend voorkomen met zijne lange zwartgrijze overhangende wenkbraauwbogen, ook den zoon eigen.... Het was een man om bang voor te worden’1).

Maar die sombere stemming des vaders werd misschien getemperd door de liefelijkheid zijner gade? Hooren wij, hoe de zoon zich over zijne moeder uitlaat: ‘De moeilijke of, mag ik het dus uitdrukken, de netelige stemming van geest [mijns vaders] vermeerderde van een' anderen kant. Het verval van den Doctoralen praktijk, de inkrimpingen van de huishouding, 't afschaffen van 't rijtuig en van alle verlustigingen, waar mijne Moeder prijs op

[p. 11]

stelde, kon niet missen haar op hare wijze te grieven. Zij was wel verkuischt met een ampt, waar zij in haar kring een vermeerderd aanzien en tevens een meerdere ruimte in vond, maar dat ampt gaf haar de eerste vrolijke levenswijze niet weêr; het verbond mijnen Vader in huis, en 't bracht door 't Kantoor van het zegel, dat daar aan verknocht was, haar buiten de mooglijkheid om die ond-Amsterdamsche puntlijke netheid, die men maltantigheid noemt, en waarin zij opgevoed was en geheel en al leefde, in huis te bewaren: en het was hier door, dat het haar desgelijks tot een geopenden bronwel van aanhoudend verdriet wierd, dat haar van elders driftig en licht ontvlammend gestel met een onverdraaglijken wrevel vervulde, die zich weinig bedwingen kon, mijn Vader zoo zeer als haar-zelve het leven verbitterde, en mij vooral mijn geheele leven, vooral van mijn vijfde jaar af, tot een vloek maakte’.

De overdrijving van de slotperiode daargelaten, zal men moeten toestemmen, dat dit portret zijner moeder met alles behalve liefderijke hand gepenseeld is1); en de vraag rijst, of de man, die zich zóó over zijne moeder uitlaat, en haar verder in geen enkel zijner verzen herdenkt - zij is eerst in 1789 overleden - met de juiste maat gemeten wordt, wanneer men zich van zoodanig feit afmaakt met den uitroep2): ‘Beklagenswaardige zoon! arme Dichter!’ Liet zich die moeder in 't geheel niet aan hem gelegen liggen? 't Is hoogst onwaarschijnlijk: immers Messchert, die 't denkelijk van Jeronimo de Vries had, welke haar goed gekend heeft, verzekert ons3), dat zij ‘zich zeer ingenomen betoonde met haren oudsten zoon, wiens bijzondere en zich zoo vroegtijdig ontwikkelende talenten haar roem waren’.

Is nu de houding van dien zoon tegenover haar niet iets ergers

[p. 12]

dan eene ‘zonderlinge onverschilligheid’, zooals Dr. Wap zich uitdrukt?1) Ik kan daarin slechts een bewijs te meer zien van die verregaande zelfzucht, dat volslagen gebrek aan behoefte of drang om anderen lief te hebben, dat deze karakterstudie als treurig kenmerk van den man zal in het licht stellen.

Kon het anders, of het karakter van het kind van zoodanige ouders moest menige onaangename plooi aannemen?2) Was het niet natuurlijk, dat hij leerde toegeven aan de heftigheid van zijn gestel? De knaap, die eene zoo weinig vroolijke jeugd had, werd in zichzelf gekeerd en somber,

 
‘Meer mijmerziek dan speelsgezind’.

Denken en leeren was, wil men hemzelf gelooven, reeds in zijn tweede levensjaar zijne hoofdbezigheid3). Het is moeilijk te zeggen,

[p. 13]

in hoeverre hier waarheid en verdichting vermengd zijn; maar men mag veilig aannemen, dat hij al heel vroeg ‘letters at als een vraat’, totdat ‘natuur bezweek’1), en hij in eene kwijnende ziekte viel, waardoor lezen nu zijn eenig tijdverdrijf kon zijn. Dit werd levensregel, toen hij, op zijn vijfde jaar, ten gevolge van een trap op den voet, door een buurknaap gegeven, zoodanig gekwetst werd, dat hij gedurende een twaalftal jaren aan de ziekenkamer werd gekluisterd2), en eerst op zijn achttiende jaar, met een verminkten voet en een ondermijnd gestel, weer onder menschen kwam. Men had hem voortdurend zooveel bloed afgetapt, dat zijne gezondheid er voor goed door geknakt werd. Is het vreemd, dat hij later, in 1816, in wat hij zijne Biografie noemde, uitriep3): ‘Het leven is mij, van zoo lang mij heugt, pijnlijk, lastig, en ledig gevallen.... Ik heb altijd lichamelijk, zedelijk en verstandelijk veel geleden, en hierop komt alles neêr.... Een oogenblik van tevredenheid met mijn gevoel, herinner ik mij niet, en geloof ik ook niet ooit gehad te hebben’. Dat hier groote overdrijving heerscht, lijdt geen twijfel; maar allengs was die sombere voorstelling, die altijd over ziekte, hersenzwakte en een vroegtijdigen dood weeklaagde, karakteristiek geworden voor den hypochonderen man, ‘wien het jammeren tot eene gewoonte, het klagen tot eene behoefte, en het morren tot eene hebbelijkheid was geworden’, zooals een zijner warme veroerders niet kon nalaten te getuigen4). ‘Die toestand van ingebeelde of wezenlijke - maar altijd zeker onmatig vergroote - ellende nam zoodanig toe, dat de Dichter, in 1810, den Koning verzocht om eene plaats in een of ander verzekerhuis, waar hij van de wereld niets meer kon vernemen, en zijne weinige dagen mogt afleven ‘met God voor den geest, en den Koning, die daarvan door zijne weldaden het beeld is’’5).

En van den anderen kant had die eenzelvige jeugd zeer meê-gewerkt om hem in de gewone maatschappij tot den meest onprac-

[p. 14]

tischen mensch te maken. Hij erkent dat, waar hij zichzelven schildert1) als ‘iemand die in alle zaken van het gemeene leven stupide, dom, onbedreven, onwetend is, niet weet wat ieder weet, en dit gevoelende, daardoor dubbel onbekwaam;.... die door een totaal gemis aan opvoeding, het zotste, ellendigste, en jammerlijkste figuur maakte;.... die nooit zijn geest aan die van anderen getoetst, geschaafd of afgewreven hebbende, alles op eene andere wijze ziet en gevoelt dan ieder doet; en met een woord eene geheel andere wareld heeft daar hy in leeft’. Evenzoo getuigt Wap, die hem van nabij kende: ‘Hij ging de maat van de gewone levensopvatting steeds te buiten, en de hartstogt maakte hem in zijn overdreven uitdrukkingen over dagelijksche dingen eer belachelijk dan waar’2). Of men dit gebrek aan zelfbeheersching wel verklaart of vergoêlijkt met te zeggen: ‘Echter, dat was een aanwendsel, waar hij als mee geboren scheen’, mag worden betwijfeld.

Maar de leergierigheid van den armen knaap kende geene grenzen, en men kan zich nauwelijks voorstellen, in hoeveel vakken van wetenschap hij zich gedurende die ziekte bekwaamde3), hetgeen later aan zijne verzen dien klem en die diepte gaf, bij zijne tijdgenooten zoo ongewoon.

Ook de dichtkunst begon hij in dien tijd te beoefenen. De Beschouwing der vijf tafereelen van Josephs leven, in 1771 uitgegeven, maar een paar jaar vroeger4) geschreven, moge nog ‘de alledaagschheid zelve’ zijn, toch waren er reeds enkele trekken in te bespeuren, die den toekomstigen Dichter aankondigden5).

[p. 15]

Op zijn twintigste jaar bekroonde het Leidsche Genootschap Kunst wordt door arbeid verkregen zijn gedicht over den Invlod der Dichtkunst op het Staetsbestuur, zoo vol ‘schoone beloften’; en een jaar later behaalde hij eene nieuwe overwinning met De liefde tot het Vaderland. In 1779 gaf hij eene eerste proeve van zijne studie der Oudheid in de vertaling van Sofokles' Koning Edipus, die tien jaar later door den Dood van Edipus, naar denzelfden dichter, gevolgd werd. Reeds in de eerste dier studiën treffen ons het meesterschap over den vorm en de onopgesmukte eenvoud der navolging.

Tot 1780 was hij op het kantoor zijns vaders werkzaam; maar die werkkring stuitte hem tegen de borst. Ja, de gedachte aan een ambt ontlokte hem de heftigste verwensching1). Hij achtte zich daartoe te voornaam, evenals hij 't verre beneden iemand van zijn stand rekende door werken aan den kost te komen2). Hij toog dan naar de Leidsche Hoogeschool om zich aan de studie der Rechten te wijden. Hij kwam daar ‘als eene reeds erkende celebriteit’ (Da Costa), en bracht er twee jaren door, gewaardeerd of aangestaard door wie met hem in aanraking kwam. Hij promoveerde in October 1782.

[p. 16]

Even voor zijn studietijd gaf hij (1779) Mijne Verlustiging uit1), en tijdens zijne studentenjaren schreef hij de meeste stukjes, die in Bloemtjens, in 1785 gedrukt, voorkomen. 't Zijn minnedichten vol van de meest uitgelaten dartelheid, deels oorspronkelijk, deels naar de Ouden, met eigenaardig talent, gevolgd2). Hier viert hij zijn lust bot in ‘het door [hem] altijd geliefkoosd vak der Erotiques3).

[p. 17]

Na zijne promotie vestigde Bilderdijk zich als advocaat in Den Haag, en huwde den 21en Juni 1785 Catharina Rebecca Woesthoven1), eene halve wees, die in Den Haag werd opgevoed2). Ofschoon zij eene begaafde en flinke vrouw was, werd dat huwelijk, ‘waartoe bovenal zijne zinnelijke drift hem vervoerd had’3), voor beiden al spoedig eene bron van verdriet. Hoe zorgeloos hij zijne geldmiddelen bestuurde, en zich door uiterlijken praal in schulden stak4); hoe slecht hij zijne vrouw soms behandelde, heeft de uitgave geleerd der hoogstbelangrijke brieven, die in 1873, onder den titel Mr. W. Bilderdijk's Eerste Huwelijk, het licht zagen.

De jonge rechtsgeleerde verwierf zich weldra naam als pleitbezorger; vooral door de verdediging van de vervolgden ter zake van Stadhoudersgezinde demonstratiën in de jaren onmiddellijk aan 1787 voorafgaande. Bekend vooral is de zaak van de beruchte Kaat Mossel te Rotterdam, die hij te midden der bedreigingen van de opgewonden vrijcorps-mannen met glans bepleitte.

Na 1787 bleef hij de vurig Oranjegezinde advocaat en de vriend van Willem V: natuurlijk dan ook, dat 1795 in hem geen voorstander of bewonderaar vond. Intusschen verkeerde hij meer op zijne studeerkamer dan in de wereld, en verdeelde zijn tijd tusschen Wetenschap, Kunst en Poëzie. Omstreeks dienzelfden tijd (1785) gaf hij met Feith eene omwerking van Van Haren's Geuzen uit; maar de merkwaardigste vrucht van zijn dichterlijk streven in die dagen was de Romance van Elius, van 1785, ‘een romance in zeven zangen, en den omvang van een Epicum’, waar zijne vrouw ‘veel, en oneindig veel’ meê op had, gelijk hij vertelt, en die hijzelf achtte ‘(z)ijn beste werk te zijn’5). Een tweede druk verscheen drie jaar later ‘met keurige door den dichter zelven geëtste

[p. 18]

vignette van de pers’1); misschien wel had de vrees, dat ‘alles zou ridicul worden gemaakt’, hem eerst van eene uitgave voor het groote publiek teruggehouden.

Terecht zegt Da Costa, dat ‘weinige vakken van poëzie door Bilderdijk met zoo uitnemende voorliefde behandeld zijn geworden, als dat der Romance’; want ‘van den eersten opgang zijner jeugd tot op den avond van zijnen ouderdom’ heeft hij daarvan proeven gegeven. Reeds in de Bloemtjens (1785) vindt men die van Olinde en Theodoor, zoo geheel in sentimenteel-romantischen trant, dat zij aan Julia doet denken2). Of hij intusschen, gelijk zijn ‘apologeet’ wil, door eene ‘gelukkige beoefening van dit genre’ uitmuntte, blijft de vraag; en juister schijnt het oordeel van S. Gorter3), dat Bilderdijk ‘in deze dichtsoort zeker niet het gelukkigst geslaagd is’. Zijne Romance voldoet zelfs niet aan zijn eigen eisch4):

 
‘Dit vak laat woordenpraal noch opgeblazen zwelling,
 
Maar enkle waarheid toe; doch, zoo ze een Dichter ziet!
 
't Eischt schildring en gevoel bij d' eenvoud der vertelling,
 
Maar schildring, los van trek, en vlak van koloriet’.

Trouwens, naïveteit, hier een eerste vereischte, behoorde niet tot Bilderdijk's natuur; frischheid van opvatting achtte hij onbestaanbaar met dit genre5), en zijn gevoel, hoe levendig, krachtig en diep ook, was toch blijkbaar niet fijn genoeg, om aan de Romance die trekken te geven, welke haren indruk verzekeren. Daarbij komt, dat hij hier meestal lang en gerekt is. Daar waar de ‘losse trek’ in het comische overgaat, houdt het dichtstuk op eene

[p. 19]

Romance te zijn, als b.v. in De Vloek; of het wordt eene wanstaltige, vaak platte parodie, zooals Radagys, Robbert de Vries, en dergelijken. Maar altijd springt meesterschap over taal en versificatie in de oogen.

De Elius kan zeer zeker bogen op ‘tallooze schoonheden van détail.’ Ik geef als proeve den aanhef van den tweeden zang (Dichtwerken I, bl. 21):

 
‘Aan d'inham, daar de breede stroom,
 
In 't schuren van de wallen,
 
Een' houten' voorburg omgeleid,
 
Zijn meeste slib liet vallen;
 
 
 
Daar schuilde, in schaaûw van wilgenblaân
 
En hooggeschoten rieten,
 
De schoonste stroom- en vijverzwaan
 
Van alle watervlieten.
 
 
 
Die vogel had zich sins voorlang
 
In deze vrije plassen
 
Een donzig pluimennest bereid,
 
Met teder wier bewassen....
 
 
 
Daar plag hy de opgezette borst
 
Te spieglen in de baren,
 
En met een' trotsgebogen' hals
 
Den landstroom op te varen:
 
 
 
Daar was hy Heiles zoetst vermaak
 
Door 't schittren van zijn pluimen:
 
Daar voedde hem heur blanke hand
 
Met keur van tarwekruimen.
 
 
 
Maar thands, in haar' ontroostbren rouw,
 
Van dag tot dag vergeten,
 
Thands aasde hy op 't enkle kroos,
 
En lisch, en waterbeeten.
 
 
 
Dus weidend tusschen 't dichte wier,
 
Bij 't riet op één gekrompen,
 
Ontdekt en bijt hy in (e)en ring,
 
Vast drijvende op de plompen.
[p. 20]
 
Hy bijt, en drukt zich 't kantig goud
 
Door 't al te vinnig bijten
 
Onachtzaam in de harde sneb,
 
Dat vlies en beenders splijten.
 
 
 
Flux schudt hy kop, en hals, en sneb,
 
En trapt en klept door 't water,
 
En schreeuwt zijn pijn al wringende uit,
 
Met ijsselijk geschater.
 
 
 
Hy krimpt; hy duikt; hy tuimelt om,
 
En rept de breede vlerken;
 
Maar al zijn woelen is onnut
 
Om 't kleinood los te werken.
 
 
 
Daar springt hy woedende op den wal!
 
Nu stort hy zich ten gronde;
 
En strooit den stroom met vlokken dons,
 
Bezoedeld van zijn wonde.
 
 
 
Hy spart en staart en wieken uit,
 
En heft zich naar den hoogen:
 
Ploft neêr, en schept in 't spattend nat
 
Een paar van regenboogen:
 
 
 
Rijst weêr, met opgestoken' kop
 
En uitgebreide pennen,
 
En kneedt en klieft de dunne lucht,
 
En - is niet meer te kennen.’

Als geheel is het evenwel een zonderling gedicht, hoofdzakelijk bestemd ter verheerlijking van des Dichters eigen persoon en hoogadellijke afkomst1). Dat hij waarheid schreef in den regel:

 
‘Van kindsbeen vestte zich mijn aandacht op my zelven’,

leeren zijne verzen, die van zijn persoon vervuld zijn. Ik laat daar, of dat ‘zondige zelfverheffing’ dan wel ‘geoorloofde zelf-

[p. 21]

bewustheid’ was, zelfs als hij niet aarzelt zich onder hen te scharen, aan wie ‘Hollands poëzy’ haar ‘hoogsten bloei, zoo glansrijk, is verschuldigd’1); maar als de Amsterdamsche burgerjongen bij herhaling er op stoft, dat hij met de Nassau's en de Keurvorsten van Brandenburg minstens op ééne lijn staat; dat hij uit het Grafelijk Huis van Teisterbant afstamt2), welks glorie hij in den Elius verkondigt; als hij zich daarin zelf aanduidt als dat ‘jeugdig hoofd’,

 
‘Ook in den tabbaard strijdbaar’,

dat des zwaanridders naam zou ‘waardig zijn’3), dan plooit onwillekeurig een glimlach mij den mond, op het gevaar af van gerekend te worden onder dat burgerlijk

 
‘Geboefte, met den paddestoel
 
Uit vuile mest geteeld,
 
Onvatbaar voor het zielsgevoel,
 
Dat edel bloed doorspeelt’4).

Wij zullen gelegenheid hebben op dezen en andere karaktertrekken des Dichters terug te komen: volgen wij hem thans op zijne levensbaan.

[p. 22]

De omwenteling van 1795 brak uit, en de staatsstorm woei hem aan den grond, gelijk hij zei1). Toen de Stadhouder naar Engeland geweken en een revolutionair bewind opgetreden was, meende Bilderdijk zijn beroep als advocaat niet te kunnen aanhouden: hij dacht er een oogenblik aan, door het etsen van platen en het vertalen van ‘werken van smaak, wetenschap, kunst of geleerdheid, zoo uit de geleerde als hedendaagsche talen’ (‘van welke ik geene uitzonder’, schreef hij) in zijn onderhoud te voorzien2). Terwijl hij nog weifelde, eischte de nieuwe Regeering, dat allen, die bij het aanvaarden hunner betrekking gewoonlijk een eed deden, de ‘onvervreemdbare rechten van den Mensch en Burger’ en de volkssouvereiniteit zouden erkennen en bezweren. Daar kwam Bilderdijk tegen op, bij een adres, waarin hij den eisch absurd noemde en den eed weigerde3). Toen werd hem den 24sten Maart 1795 gelast binnen vier-en-twintig uren Den Haag, en binnen acnt dagen het land te ruimen.

Hij vertrok Donderdag den 26sten: eerst over Groningen naar Hamburg, waar hij den 13en Mei 1795 aankwam; voorts in Augustus naar Engeland4), en later - in het midden van 1797 -naar Brunswijk. Hij was eerst van meening, dat zijne ballingschap niet lang zou duren, dat het Stadhouderlijk gezag weldra zou hersteld zijn, en het dus slechts ‘om een kwade drie maanden te

[p. 23]

doen’ was1). Hij liet dan ook zijne vrouw achter. Er bestaat geene enkele reden om aan te nemen, dat zij weigerde hem te volgen, zooals hijzelf later uitgestrooid heeft2). Integendeel schijnt hij zelf zijne uitzetting geprovoceerd te hebben om van haar en tevens van zijne schuldeischers af te komen3). Trouwens, die scheiding was zeker voor beiden eene gewenschte uitkomst. En zoo hij later al een paar maal het verlangen naar haar ‘wederbezit’ uitdrukt, b.v. in een brief van 7 September 1797, en haar verzekert, dat in allen gevalle ‘(z)ijn hart (haar) te gemoet (zou) vliegen’4), was dit niets anders dan verregaande huichelarij, zooals weldra zal blijken.

Hij had namelijk in Londen de kennis hernieuwd met zijn ouden buurman, den schilder Schweickhardt, die in 1786 het verblijf van Den Haag met dat van Engeland's hoofdstad had verwisseld. Deze had twee dochters, waarvan de oudste, de negentien-jarige Katharina Wilhelmina, weldra Bilderdijk's geliefde leerling werd, die hij in taal en poëzie onderwees. Ondanks zijn ‘zoo vroeg vergrijsde hoofd’ maakte hij op deze een onweerstaanbaren indruk, en zelf vatte hij voor haar eene sterke neiging op, die eerst als vaderlijk gevoel ontkiemde, maar weldra tot den blakendsten hartstocht oversloeg5).

[p. 24]

Dat hij de vrouw, die hij in 1785 gehuwd had, ofschoon de moeder zijner kinderen, aan welke hij tien jaar later op haar verjaardag, uit oude gewoonte misschien, nog toeriep:

 
‘Gy, al mijn lust en troost alleen!’

aan welke hij toen nog zwoer:

 
‘Neen nooit zult ge uit dees boezem wijken,
 
Mijn liefdegloed zal nooit bezwijken’1);

maar van welke Da Costa beweerde, dat er ‘eene kloof, wijder en dieper dan de wateren der Noordzee, tusschen die beide harten, gestellen2) en richtingen bestond’, - dat hij die vrouw vergat,

[p. 25]

was op zichzelf al niet lofwaardig; maar dat hij daarbij handelde zooals hij deed, stelt hem als Mensch in een treurig licht. Moge men zich al onthouden den steen op hem te werpen als hg zich laat wegslepen, minder wellicht nog door de schoonheid, dan door de uitnemende geestesgaven en het sympathische gemoed der jonge Dichteres1); dat hij tot haar, ofschoon zijn eerste huwelijk nog niet ontbonden was, in de intiemste betrekking trad, en met het oog daarop, den 18en Mei 1797, in zijn huisbijbel durfde aanteekenen: ‘uxorem accepi’ (ik heb eene vrouw genomen), - dat was eene daad, die de strenge zedelijkheid niet anders dan al eene gewetenlooze verleiding mag brandmerken, hoe geneigd ook het mededoogen moge wezen om het harde oordeel te temperen2) over den man, die in dergelijke omstandigheden voor den hartstocht bezweek! En welken naam verdient hij, die kort daarop naar Brunswijk getogen, daar den 20en Juli zijne nieuwe gade aan het harte prangt3) en eene maand later zijne vrouw uitnoodigt met haar zoontje Elius tot hem te komen, onder betuiging dat zij ‘met open armen en een open hart’ zou worden ontvangen4)?

[p. 26]

Moet die brief verklaard worden uit de verzen van Aristus en Ismeene, in het eerste deel der Dichtwerken, bl. 365, voorkomende, dan wordt de schrijver nog afschuwelijker, daar hij dan geneigd blijkt nu zijn nieuw slachtoffer aan zijne gewetensknagingen op te offeren1).

De sluier, die zoolang over dat quasi-tweede huwelijk heeft gehangen, is eindelijk opgeheven. De omstandigheden, waarmede het gepaard ging, zoowel als Bilderdijk's onvergeeflijke dubbel-hartigheid jegens een Leidsch meisje, even vóór zijn eersten echt, doen ons den man in al zijne schijnheiligheid en karakterloosheid kennen2).

Het duurde tot in 1802, voordat de eerste huwelijksband wettig ontbonden werd, en pas van toen af kon de vrouw, die zich onder den naam van Mevrouw Van Heusden had moeten verbergen, openlijk dien van Mevrouw Bilderdijk aannemen, ofschoon uit niets blijkt, dat hij ooit een wettig huwelijk met haar heeft aangegaan.

Maar hoe het zij, in Katharina Wilhelmina erlangde hij eene levensgezellin, die door den rijkdom der gaven van haar geest en haar gemoed, door hare innige liefde en volkomen zelfopoffering haar echtgenoot een hemel op aarde had moeten doen smaken, zoo 's mans karakter hem voor onvermengd geluk ontvankelijk had gemaakt. Aandoenlijk is de schildering, die hijzelf van de voortreffelijkheid als vrouw en moeder gegeven heeft van haar, die werkelijk de goede genius zijns levens is geweest3).

[p. 27]

De Hertog van Brunswijk had den Hollandschen balling, met wien hij reeds in 1787 in aanraking was gekomen1), welwillend ontvangen en hem een pensioen toegelegd, dat hem echter, die de waarde van 't geld niet kende, natuurlijk niet voldoende was. Bilderdijk moest dus, ‘om in vreemdelingschap het schaarsche brood te verdienen’2), tot les geven zijne toevlucht nemen; en men verbaast zich over de vele en uiteenloopende vakken, waarin hij daar ‘collegiën’ gaf3). Dit liet hem evenwel nog tijd genoeg, om eene reeks van dichtbundels in het licht te geven, niettegenstaande hij ook hier met velerlei huiselijke wederwaardigheden te kampen had.

Vooreerst voelde hij zich in Duitschland ongelukkig: het klimaat en de inspanning maakten hem ziek4). Trouwens, het behoorde,

[p. 28]

gelijk wij zagen, tot zijne eigenaardigheden om zich te beklagen, dat hij bijna van zijne wieg af lichamelijk geleden had: deels door ‘kwaadsappigheid’, deels als ‘uitwerksel van vermoeienis en uitgeputheid’1). Dat daar evenwel wat hypochondrie onder speelde,, kon hijzelf niet geheel ontkennen2).

In zijne soms ingebeelde en vaak werkelijke ongesteldheden was de Poëzie zijn troost en tijdverdrijf. In de voorrede van de Najaarsbladen (1808) verontschuldigt hij zich aldus over de vele dichtbundels, die hij in het licht zond: ‘Wijt het den armen kranke niet, die, daar hem geene andere troost in zijn lijden overschiet, hier meê zijne slaaplooze nachten en eindlooze dagen verkort, die het hem toch niet vrij staat, krachtdadiger af te snijden.’

Zoo was het mede gedurende zijn verblijf in Duitschland, waar dan ook de dichtbundels elkander met eene buitengewone snelheid opvolgden3), waarover men zich misschien niet minder verwondert dan over de ‘rijke verscheidenheid van vakken’, die er in behandeld zijn.

[p. 29]

Inmiddels verlieten veel Hollandsche uitgewekenen Brunswijk, waardoor Bilderdijk's lessen inkrompen en het hem moeilijker werd in zijn levensonderhoud te voorzien1). Voeg daarbij het verlies van verscheiden kinderen, en de ziekte, die hem naar lichaam en ziel neerdrukte, en men zal begrijpen, dat hij door een onweerstaanbaar heimwee werd aangegrepen2), dat hij snakte naar verlossing uit de Brunswijksche lucht.

Gelukkig, dat men omstreeks dezen tijd, de lente van 1805, in Holland zich zijner aantrok. Een onbekend vereerder, die later bleek Jeronimo De Vries te zijn, met 's Dichters lot bewogen, stelde zich tot hem in betrekking, ten einde met hem te overleggen, op welke wijze hij weer naar het vaderland zou zijn over te plaatsen. Die briefwisseling had van de zijde van dien ‘onvermoeibaren vriend, voorstander en weldoener des verstotenen ballings’3), eene poging ten gevolge om te bewerken, dat Bilderdijk te Franeker tot Hoogleeraar in de Rechten benoemd werd. Dit plan stuitte af op veler vrees, om aan een man van zijne richting een professoraat in Natuur- en Staatsrecht toe te vertrouwen. Toen deed De Vries met Maurits Cornelis Van Hall pogingen, hem tot ‘lector in de Nederduitsche taal, welsprekendheid en Dichtkunde’ bij de Bataafsche Maatschappij van Taal- en Dichtkunde aan te stellen; maar ook daarvan kwam niets.

Intusschen was de balling met zijn gezin naar Holland teruggekeerd, waartoe verscheiden zijner hoogschatters eene aanzienlijke som hadden bijeengebracht4). Oude vrienden, in de eerste plaats

[p. 30]

Johan Valckenaer,1) trokken zich zijner aan. De Raadpensionaris R.J. Schimmelpenninck was bereid hunne pogingen te steunen; maar deze moest juist plaats maken voor Koning Lodewijk, welke Vorst zich gelukkig een warm voorstander van Wetenschap en Kunst, en in 't bijzonder de beschermer van een zoo uitstekend man als Bilderdijk toonde.

De Dichter zou den Koning onderwijs in de taal zijns volks geven, en werd tot zijn Bibliothecaris aangesteld, welke betrekking hij evenwel spoedig neerlei. De Vorst bleef hem zijne genegenheid toonen; hij benoemde hem niet slechts tot Secretaris van het onlangs opgerichte Koninklijke Nederlandsche Instituut; maar ‘een pensioen, telkens even rijkelijk als gratieus vermeerderd, woningen, buitenverblijven, allerlei gemak... werd tot zijne beschikking gesteld’, erkent Da Costa (bl. 184). Weinig pleit het voor den beweldadigde, dat zijn levensbeschrijver er bij moest voegen: ‘meer dan den dichter, ook om de ongestadigheid van zijn gezondheid en het gevoelige van zijn gestel, veelal lief was.’ De nukkige Dichter nam die weldaden niet altijd even ‘gratieus’ op. Toch bleef 's Konings welwillendheid onuitputtelijk.

Het tijdperk der regeering van dezen Vorst was vooral voor Bilderdijk, die ‘op eene wijs (door hem) onderscheiden werd die in 't oog stak’2), een gouden tijdperk: hij vond achting en sympathie bij mannen als de gebroeders De Vries, de Tydeman's, Valckenaer, Hinlopen, Bosscha, Brugmans, François, terwijl 's Konings bescherming hem aanzien en rust gaf. ‘Een rijke stroom van zangen en geschriften’ kenmerkte ook weder dezen tijd3); en wederom was de inhoud verbazend van verscheidenheid; ja, bij de vroeger behandelde dichtsoorten kwam nu het treurspel en ook het

[p. 31]

heldendicht. Want zoo De Ondergang der eerste Wareld eerst in 1820 het licht zag, het plan tot het gedicht werd reeds in 1809 ontworpen en kort daarop zijn ook de vijf zangen geschreven, waarbij het bleef1).

Men ziet, dat Bilderdijk ruimschoots zijn aandeel had aan die ‘algemeen bedoelde herlevendiging (of, wil men, herschepping) van den Nationalen geest en Letteren, Kunsten, en Wetenschap, den blijden morgenkreet van een nieuwen dag’, dien hij in de voorrede tot zijn Epos zoo jubelend begroet.

Toen ‘de algemeene overweldiger ons, met den weldadigen en kunstlievenden Lodewijk.... met alle welvaart, hoop en uitzicht tevens geheel ons volksbestaan ontnam’, bleef er, schrijft Bilderdijk, voor hem ‘geen gevoel overig, met het voortzetten van zulk een Dichtarbeid [als zijn Epos] bestaanbaar’, waarvoor hij zelf wel wist, dat hij eigenlijk den aanleg miste2). Hij voelde er zich te minder toe opgewekt, omdat hij tevens in de diepste huiselijke ellende gestort werd.

Het gewone pensioen bleef nu uit, en hij had het meer dan ooit broodnoodig, vooral daar in de droevige tijdsomstandigheden zijne vrienden hem nauwelijks konden helpen. Tot de geldelijke ongelegenheid, waarin hij zich bevond, hadden allerlei omstandigheden gevoerd. Vooreerst zijne herhaalde verhuizingen: van Leiden naar Amsterdam, weer terug naar Leiden en op nieuw naar de Hoofdstad; voorts de ziekten, waarmede hij, naar gewoonte. in

[p. 32]

de laatste jaren had te worstelen gehad; maar bovenal een levenstrant boven zijn vermogen, veroorzaakt door wat Da Costa noemt: de ‘natuurlijke neiging van den grand seigneur in hem’, en die zeker ook deel had aan zijne onberedeneerde weldadigheid. Zijne hoogmoedige verachting van geld en goed1) had teweeggebracht, dat hij ‘met een pensioen, opgeklommen ten slotte tot eene som van zes duizend gulden, misschien niet zonder tusschen ingekomen gratificatiën of kleine baten uit letterkundigen arbeid daar te boven, zich in de lente van 1810 in een zoo volstrekte finantiëele ellende heeft bevonden, dat zijn boedel aan de Kamer is gekomen’2). Ja, er was soms ‘geen drie stuivers in huis’3).

Dat ‘vlagen van wanhoop, die steeds langduriger en vooral heviger (werden), en steeds dichter op elkander volgden’, zijne ziel bedwelmden, zal niemand verwonderen4): hij dacht aan zelfmoord5), maar werd gelukkig bewaard

 
‘Voor Filozofen deugd en Filozofen moed’,

zooals hij het noemde.

[p. 33]

Herhaaldelijk vroeg Bilderdijk in zijn nood vorstelijke personen om onderstand.

Den 19en Mei 1795 b.v. wendt hij zich uit Hamburg tot Prins Willem, en ‘roept 's Vorsten goedheid in over zijne verarmde, verlaten kinderen, en vraagt voor zich-zelven een emplooi, onverschillig waar, wat en hoe, zelfs - wil men het - in krijgsdienst’1). Het is niet bekend, welk gevolg dit had; maar toen hij zich in het volgende jaar te Londen ‘dans une extrémité vraiment désespérante’ bevond, wendde hij zich tot de Prinses, die hem toen ‘d'une manière gracieuse’ hielp2). Wij wezen op de gevolgen, die het verlies van het pensioen, hem door Koning Lodewijk toegekend, had. In 1811 wendde Bilderdijk zich tot Napoleon met verzoek om ‘wederom in het bezit gesteld te worden van het hem geschonken, doch, tegen verdubbeling van zijn jaarlijksch tractement, afgestane huis te Utrecht, met bijbetaling van het jaar huur (ƒ 300), dat er inmiddels voor was getrokken, of, zoo niet, hem alsdan op nieuw in het genot van zijn vroeger jaarwedde te herstellen’3). Ofschoon daarop gunstig werd gerapporteerd, schijnt er niets van gekomen te zijn.

Gelukkig kwam er verademing. Hij kreeg eindelijk eene ‘kleine toelage’ van de nieuwe Regeering en behield zijne bezoldiging als Secretaris van het Instituut; daarbij arbeidde hij ‘onvermoeid en onverpoosd om de bete dagelijksch brood.’ Wekelijks kwamen ‘eenige dicht- en taalliefhebbers bij (hem) om (hem) over de taal te hooren’, hetgeen hij te eer ‘ter hand had geslagen om ten minste iets te verdienen’4). Toen werd het plan opgevat tot eene Geschiedenis van het Vaderland, dat evenwel eerst later werd verwezenlijkt. Maar vooral moest 's Dichters gevoel zich uitstorten in Poëzie5), en men kan zeggen, dat Bilderdijk's Muze op dat

[p. 34]

oogenblik hare grootste hoogte had bereikt, vooral ook in ongeevenaard meesterschap over den vorm.

Eindelijk brak de dag van Neêrland's verlossing aan; en 't behoeft geen betoog, dat de terugkomst van het Huis van Oranje door Bilderdijk met geestdrift werd begroet. Persoonlijk zou hij evenwel bij dien omkeer van zaken niet die voordeelen of gunsten verwerven, waarop zijne vrienden meenden, dat hij recht had. Toch was de Prins hem niet ongenegen.

Reeds in zijne ballingschap ondersteunde hij den Dichter1), en als Souverein Vorst zond hij hem in 1814 ‘een allervleyendsten brief’ en een geschenk van vijfhonderd gulden2) voor een gedicht. Een jaar later kwam hij hem weer ‘met eene gift van ƒ 275 te gemoet’3), en voegde er de toezegging bij ‘van een bestendig matig inkomen’4). Dat pensioen, 't welk hem weldra verleend werd, bedroeg de toen vooral aanzienlijke som van ƒ 18005). Bilderdijk noemde dat in zijne eigenaardige dankbaarheid, een ‘bedelbrok’6). Daarbij kwam het Secretariaat van het Instituut, dat hem eerst vijf, later zevenhonderd gulden opbracht’7). Dit belette hem niet te klagen en gebrek te lijden. En geen wonder, in 1816 schreef hij: ‘Ik moet in deze hel (Amsterdam) voortleven; waar ik, schoon ik ƒ 20.000 inkomen had, nog altijd gebrek aan brood en verschooning zou moeten hebben’8).

‘Men heeft zich verwonderd’, zegt Da Costa (bl. 288), ‘dat aan

[p. 35]

den getrouwen, aan den tot ballingschap toe getrouwen Oranjevriend niet dadelijk vanwege de herstelde Oranjeregeering eene betrekking, zijner waardig, is toegekend, of liever aangeboden geworden.’ Maar had Bilderdijk door zijne grillen, zijne onbuigzaamheid, zijne verachting voor ambten, zijn strijd tegen eene wereld, waarin hijzelf verklaarde ‘niet t'huis te zijn’, zelf zich den weg daartoe niet gesloten? Vergeet men niet, dat hijzelf zich beroemde: ‘Voor niemand te wijken, voor geen wederstand te buigen, ieders gunst of welwillen zoo openlijk te versmaden als ik ze innerlijk verachtte, en tegen te druischen, waar alles plooide, zie daar mijn geheele leven’1).

En toch heeft Koning Willem I, niettegenstaande hij wellicht enkele familiegrieven tegen Bilderdijk kon doen gelden, niet geaarzeld hem een jaarlijksch pensioen toe te leggen; en dat was, al meene men, dat daaraan ‘niet zoo zeer betoon van hulde of hoogschatting, maar alleenlijk zekere consideratie van meêwarigheid ten grond lag’ - dat was toch veel, vooral als men in aanmerking neemt, dat, volgens Da Costa (bl. 294), ‘de hoedanigheid van dichter nimmer iets geweest is, dat, sedert de dagen van Keizer Adolf van Nassau of Graaf Guillaume d'Orange, het edele Stamhuis bijzonder aangetrokken heeft’, en dat ‘de nieuwe Souvereine Vorst, meer gevormd tot het verwekken van dichterlijke geestdrift, dan tot het waardeeren juist van de vruchten dier geest-verrukking, ook in dit opzicht naar zijne Vaderen aartte.’

Of het verwijt evenwel geheel verdiend was? Want men weet, dat, ofschoon 's Vorsten raadslieden niet hard voor den Dichter in de bres sprongen, zelfs Falck en Kemper niet, de Koning geen aandrang spaarde om Bilderdijk, die niets vuriger wenschte, benoemd te zien tot Hoogleeraar in de Vaderlandsche Letteren en Geschiedenis aan het Amsterdamsche Athenaeum. Daar was al sprake van geweest2) in 1807, maar 't mocht nu evenmin als toen gelukken; en de diep gekrenkte Dichter verliet deswegen in 1817 zijne vaderstad, ‘dat voddig Amsterdam3), waarvan hij niet meer

[p. 36]

wilde hooren spreken1), om zich, naar den wensch van Prof. Tydeman2), op nieuw te Leiden te vestigen, ‘het geruste, hemelsche Leiden’, zooals hij het in 1807 genoemd had3).

De verbittering, die dit bij hem achterliet, spreekt duidelijk uit zijne verdere geschriften, en is zeker niet vreemd aan den toon, dien hij aansloeg in het privaatcollege, 't welk hij in Leiden aan eene schaar van uitgelezen jongelieden gaf, zooals uit de later gedrukte Geschiedenis des Vaderlands blijkt, die den leiddraad van dat college uitmaakte4).

Ook op taalkundig gebied was des Dichters werkzaamheid in dit tijdperk zijns levens groot: getuigen de Verhandeling over het letterschrift, de acht deelen Taal- en Dichtkundige Verscheidenheden, de Geslachtlijst der naamwoorden en de Nederduitsche Spraakleer5). Voorts zijne volksuitgaven van Hooft, Huygens en Antonides. Taalstudie was zijne liefhebberij; maar het valt niet te loochenen, dat hij, ondanks zijne taalkennis, evenwel op het gebied van taal-verklaring maar al te vaak den bal missloeg6). Toch heeft hem geniale intuïtie ook dikwerf doen raden, wat toen nog op geen wetenschappelijken grondslag rustte. En zijne zucht om niet met de

[p. 37]

geijkte sleur mede te gaan, heeft ook hier veel goeds gewrocht1).

Verder heeft hij in deze periode op theologisch gebied heel wat geschreven, en wel in den toon en den geest van onverdraagzame rechtzinnigheid. Ook met toepassing van de beelden der Apocalypsis op zijn tijd hield hij zich nu en vroeger drok bezig: hij was een ijverig Chiliast2).

Maar bovenal ontschoten tal van dichtwerken aan des Dichters gemoed3), die in de eerste jaren (1815-19) met gedichten zijner

[p. 38]

echtgenoot vermengd het licht zagen. Hij moest nu eenmaal zingen, ja de rijmdrift wies bijna tot eene ziekte aan. Hij verontschuldigde zich eens schertsend over die ‘verzen zonder einde’: waar, zegt hij1),

 
‘Waar ik thands mijne aandacht wende,
 
Wat verstand of wil gebied',
 
Wat er in of door mag stormen,
 
Alles voegt zich in die vormen:
 
Anders denken kan ik niet.’

En elders roept hij een vriend toe2):

 
‘Roem mijn werkzaam schrijven niet
 
Dat my slechts de borst ontschiet;
 
'k Hou niets van iets op te vijzelen.
 
Die my van een toren stiet,
 
Zou me in gruizels doen verbrijzelen,
 
Maar dat gruis, naar allen schijn,
 
Zou gebroken verzen zijn.’3).

Zal men zich evenwel verwonderen, dat die verzenbundels, die meer en meer een geest ademden, in strijd met den geest des tijds, het groote publiek koud en onverschillig lieten, en ter nauwernood een uitgever konden vinden?4) Ja, die onverschilligheid ging niet zelden tot onwil, bitterheid en vijandschap over, toen men vreesde, dat Bilderdijk's lessen bij die uitstekende jongelingen, waaronder zijne karakteristieke voordracht jongeren en

[p. 39]

kampvechters had opgewekt, denkbeelden voortplantten, die men voor Kerk en Staat bedenkelijk achtte1).

Kan men het der openbare meening van die dagen wel misduiden, dat zij zoo dacht? Had men zoo geheel ongelijk? Da Costa noemt den geest dier lessen ‘beslist monarchaal, warm Oranje-gezind, anti-revolutionair, anti-Barneveltsch, anti-Loevesteinsch, anti-liberalistisch’ (bl. 328). Diende niet anti-revolutionair door contra-revolutionair2) en het laatste woord door anti-liberaal te worden vervangen? En was de ‘afkeer van die bloote klanken (?) van vrij, en vrijzinnig en verdraagzaam en wat des meer is’, die volgens denzelfden, Bilderdijk's voordracht kenmerkte, niet volkomen in strijd met het streven en de overtuiging van de besten zijner tijdgenooten?3) Huldigde hij niet, zoowel op staatkundig

[p. 40]

als kerkelijk gebied, den regel: ‘In afhankelijkheid stel ik alle geluk, in individueele vrijheid het grootste jammer voor den mensch, en voor alle schepsel’1)? En had hij voor die leer zijn leven lang niet gestreden op de meest hartstochtelijke wijs?

Velen zijner leerlingen, die later een sieraad der maatschappij zijn geworden, uitblinkend door degelijkheid van kennis en eerbiedwaardigheid van karakter, hebben evenwel getoond, hoe uitsluitend de geest was, dien zij van Bilderdijk hadden ingezogen, toen zij eene leer hielpen verbreiden, die strekt om den Staat onder de voogdij der Kerk te brengen, en dus de vrije ontwikkeling, misschien van beide, althans van den eersten, in den weg staat2).

Moge aanvankelijk zijn laatste verblijf te Leiden zich gekenmerkt hebben door betrekkelijke rust en tevredenheid3), men begrijpt, dat ten slotte door de heerschende stemming te zijnen opzichte zijn leven niet veraangenaamd en zijn karakter niet verdraagzamer werd.

Daarbij kwam, dat eene hevige ziekte zijner zoo innig geliefde vrouw in 1826 hem dermate schokte, dat hij sedert in een somberen zelfstrijd verviel4). Eindelijk kon hij het te Leiden niet meer

[p. 41]

houden en verhuisde in 1827 naar Haarlem. Daar trof hem eindelijk in 1830 de verpletterende slag, dat hem zijne trouwe levensgezellin ontviel, - en daarmeê was de vierenzeventig-jarige, reeds zeer verzwakte grijsaard1) voor goed geknakt2). Zijne dichtader droogde op, zijne luit verstomde, en alle veerkracht verdween. ‘Zijn leven was een soort van wakend droomen geworden’3), waarin hij het aanzijn voortsleepte, tot ook hij den 18den December 1831 ‘vreedzaam en zacht ontsliep.’

 

Een van Neerland's grootste geesten, een van zijne meest ontwikkelde zonen, een man van zeer eigenaardige en zelfstandige persoonlijkheid, was van de aarde weggenomen. Da Costa wijst er weemoedig op, dat hij grafwaarts werd gedragen zonder dat 's Lands Regeering of eenig ander bestuur een enkel blijk van deelneming bij die gelegenheid gaf4); en als tegenstelling herinnert hij aan de hulde, die weinige maanden later te Weimar aan Goethe's stoffelijk overblijfsel te beurt viel. Maar hebben de Nederlandsche bewindslieden, zoowel die uit den tijd van Vondel als uit de dagen van Bilderdijk en later, wel ooit anders dan uit de hoogte neergezien, zoo al niet op Kunst en Letteren, dan toch op Kunstenaars, Geletterden en Geleerden? En is niet juist hier de maxime: Kunst is geen Regeeringszaak uitgevonden?

[p. 42]

Maar hoe dat zij, zeker is het, dat toen Bilderdijk ten grave daalde, zijn roem als Dichter zeer geleden had onder den weerzin, dien zijne gevoelens en denkbeelden, maar meer nog de heftige en hooghartige wijze, waarop hij er voor kampte, hadden opgewekt.

Zien we eerst, wat er van zijne verdienste als Dichter zij, om dan ons rekenschap te geven van de geringe sympathie, die hij verworven heeft.

Gedurende dat lange dichterleven heeft Bilderdijk's dichtader, gelijk wij reeds zagen, gevloeid met eene rijkelijkheid, die ons verbaast. De uitstorting van zijn gevoel in verzen was hem eene behoefte,

 
‘Was ontlasting van 't gemoed.’

Hij dacht bij de vervaardiging niet aan lezers, en had ‘geenerlei ander doel dan 't eenvoudige vermaak der bewerking’1). Die behoefte groeide soms tot onweerstaanbaren drang2), tot ‘een soort van delirium’ aan. En hoe de verzen dan stroomden, blijkt uit deze mededeeling van zijne hand: ‘Ik heb mijne vrouw, met verzen uit mijnen mond op te schrijven, derwijze afgemat, dat zij geen arm verroeren kan’3).

[p. 43]

En er is geen vak van poëzie, waarin hij zijne krachten niet beproefd heeft. Bij voorkeur was hij evenwel lyrisch dichter: dit lag geheel in zijn aanleg en zijne ontwikkeling1). Op dat gebied heeft hij zijne schoonste triomfen gevierd. De herlezing der grootsche Ode, Napoleon getiteld (Dichtw., IX, bl. 17), moge ons den indruk dier Poëzie verlevendigen; dier Ode, die meer nog eene eerzuil voor Bilderdijk zelf dan voor den revolutiedwingenden en ten slotte vredebrengenden, veroverenden Keizer bedoelt2), en volkomen zijn trant uitdrukt.

[p. 44]
 
‘Neen, Dichtkunst, 't is te lang gezwegen;
 
Wat toeft gy? grijp, ô grijp de Luit!
 
't Heelal zij 't erfdeel van den degen,
 
De roem is de edelste oorlogsbuit.
 
Laat de ijdle Faam uit duizend monden
 
De daden van een' Held verkonden,
 
Zy schenkt de ware glorie niet:
 
De onsterflijkheid der aardsche Goden,
 
En 't ambrozijn, hun aangeboden,
 
Is de adem van 't betoovrend lied.
 
 
 
Doch wacht u, onbedachte vingeren,
 
Der Goden dischlier aan te slaan!
 
Ontziet u, bliksems uit te slingeren
 
Die wat hen aanroert doen vergaan!
 
Jupijn beschrij' des Arends vleugel,
 
Hy siddert voor den zonneteugel;
 
En Fredrik op den Koningsthroon
 
Moge aarde en hemeltrans verwonderen;
 
Omstraald van bliksemen en donderen
 
Bezwijkt hy voor den Heldentoon.
 
 
 
Van hier, ô gy, vermeetle slaven,
 
Die nabootst wat gy niet gevoelt!
 
Die meent, ten wolken op te draven,
 
Terwijl ge in slijk en modder woelt!
 
Wat zoudt gy Heldendaden zingen,
 
Die 't Heldenhart niet door kunt dringen?
 
Die niet van eigen vlammen blaakt?
 
Neen, d'aardschen dampkring uitgeschoten,
 
Het aardrijk met den voet te stooten,
 
Zie daar, het geen den Dichter maakt!
 
 
 
Zal 's Aadlaars borst van wellust zwellen
 
In 't midden van zijn steile vlucht,
 
Zoo 't zwermend kroost der waterwellen
 
Zijn lof durft brommen door de lucht?
 
Neen, durft met hem gelijke pennen
 
De zon in 't brandend aanschijn rennen,
 
En dan, verheft u in zijn' kring!
 
Gy, Stichters van ontzachtbre Rijken,
 
Waar is hy, die u kan gelijken?
 
Dien voegt het, dat hy u bezing'.
[p. 45]
 
Wie durft, door 't bruischend hart gedreven,
 
Op Pindarus verheven baan,
 
Door stormen en orkanen zweven,
 
En lachen val en afgrond aan? -
 
Op 't klappren van zijn zwanenschachten
 
Het aardrijk onder zich verachten,
 
Verzinken zien in 't peilloos niet;
 
En, fier op eeuwige lauwrieren,
 
Den eerkrans door een hand versieren,
 
Die geen verwelkbre bloemen biedt?
 
 
 
Napoleon! diens borst kan gloeien;
 
Zy voelt zich 't recht op heerschappy:
 
Zy vordert, waar heur zangen vloeien,
 
Des aardrijks eerbied af als gy.
 
Hy nader', die haar durv' braveeren!
 
Hy valt met 's warelds opperheeren
 
Verpletterd, suizlend, in het stof;
 
Napoleon! zie daar uw' Dichter!
 
Die zinge u, schrikbre Rijkenstichter!
 
Die borst heeft adem voor uw lof.
 
 
 
't Olympisch Piza drijv' zijn rossen
 
Jupijn ter eer' door 't stuivend zand:
 
De Gauler sloop' de wapentrossen,
 
Op 't eeuwig Kapitool geplant:
 
Wie ziet in 't ledig ruim der hemelen
 
Het deinzend licht der starren wemelen,
 
Wanneer de God des daags verschijnt?
 
Napoleon! Gy treft mijne oogen,
 
En al wat groot heet, is vervlogen!
 
Gy schittert, en 't Heelal verdwijnt!
 
 
 
Maar leer me, ô Zon, uw licht te malen
 
Dat de oogen blindt en nederslaat: -
 
Dat 's Dichters scheppende Idealen
 
Als zwarte dampen achterlaat!
 
Natuur, aanbid, aanbid haar luister,
 
En sidder van het heilloos duister
 
Des woesten baaierts, dat zy brak! -
 
Van 't stof doorwriemlend slangenbroedsel,
 
Dat, zelf elkanders roof en voedsel,
 
Zijn angels in uw' boezem stak!
[p. 46]
 
Natuur! ô welk een dag van glorie
 
Na zulk een nacht vol ramp en nood!
 
Hier valt de veder der Historie
 
De grijze Fabel in den schoot!
 
Hier ziet men 's aardrijks woesten reuzen
 
Op nieuw de bekkeneelen kneuzen,
 
En Jupiter ten troon hersteld!
 
Juich, aardrijk! juicht, ô stervelingen!
 
Hier moogt gy 't gloeiend Péan zingen,
 
De gruwbre Python ligt geveld!
 
 
 
Wat kronkelt hy in blaauwe kringen
 
Van Noordmeir tot Tyrrheensche zee,
 
Wat klemt en sleept hy in zijn ringen
 
't Gestarnte van den hemel mêe!
 
Één Febus (klinkt, ô Heldensnaren!)
 
Één Febus steigert uit de baren:
 
De wraakboog flikkert in zijn vuist,
 
En 't monster ligt in bloed en etter
 
Voor 's jonglings fieren voet te pletter,
 
Door éénen bliksempijl vergruisd.
 
 
 
Waar zijn wy? By Sabéaas stammen,
 
Met geurige kaneel omscheld?
 
Wat rook van uitgeblaakte vlammen
 
Doorwalmt het amberaâmend veld!
 
Wat Fenix stijgt van deze altaren,
 
Wat Fenix rijst na duizend jaren
 
Uit grooten Karels heilige asch!
 
Stijgt eerbiedvol, ja stijgt, mijn klanken!
 
Herrijs met Hem, ô throon der Franken,
 
Maar, grooter dan ooit zetel was!
 
 
 
Gebergten, boort door lucht en wolken!
 
Beschanst uw kruin met eeuwig ijs!
 
Verheft u, saamgespannen volken!
 
En gy, ô vlam des afgronds, rijs!
 
Vergeefs 't Heelal in bloed gedompeld,
 
Met dood en slachting overrompeld!
 
Vergeefs! De ontembre Held houdt stand.
 
Hy spreekt, en de aarde schokt haar throonen!
 
Hy spreekt, en 't regent Vorstenkroonen!
 
En 't Noodlot vliegt hem van de hand.
[p. 47]
 
De Nijlgod rolt bebloede stroomen:
 
De Kison wentelt bloedig zand:
 
De Donau lekt bebloede zoomen:
 
De Po, de Tyber ligt aan band.
 
Zal de Oder thands den loop bepalen
 
Dier meer dan dertig zegepralen? -
 
Dier vlam, die alles overmag? -
 
Vloeit sneller, vloeit, ja vloeit, mijn zangen!
 
Reeds heeft hy 't Frankisch juk ontfangen,
 
En de Oostzee draagt de Keizersvlag!
 
 
 
Wat buigt ge u neêr, ô roekeloozen
 
Die 't vlammend krijgslot tegenstreeft!
 
Bezwijken kan hy zonder blozen
 
Die zonder wroeging strijdt en sneeft.
 
Maar neen, verkrompen van zijn roede,
 
Verspilt ge u-zelv' in ijdle woede,
 
Geslingerd door berouw en spijt;
 
Als de adder, in 't gebloemt' vertreden,
 
Die nog, met platgekneusde leden,
 
Den wandlaar naar de hielen bijt.
 
 
 
Zie aardrijk, zie uw scepters duiken!
 
De ontzachlijke Aadlaar is niet meer:
 
Een nieuwe tijdkring gaat ontluiken:
 
Reeds daalt hy uit de wolken neêr!
 
Gy, Vorsten, op den throon geboren,
 
Doorziet wat de Almacht heeft beschoren!
 
Aanbidt, en treedt uw zetels af!
 
Doet de aarde met u nederknielen;
 
Of - sterft als vrijgeboren zielen,
 
En bonst met kroon en rijk in 't graf!
 
 
 
Reeds schittert in een' gloed van stralen
 
Een scepterstaf van meer dan goud!
 
Geen aardkreits kan zijn' glans bepalen,
 
Geen arm van aardomzwalpend zout!
 
Is 't waar, herrijst na zoo veel eeuwen
 
Het eeuwig Godsrijk der Hebreeuwen,
 
En krimpt de Maan haar horens in?
 
Verschijnt de middagzon in 't Oosten,
 
Om Hagars zwervend zaad te troosten
 
Van d'overmoed der Muslamin?
[p. 48]
 
Verbeelding, sta! en gy, valt open,
 
Gy, poorten! die de toekomst sluit!
 
Een aard, met zoo veel bloed bedropen,
 
Schiet palmen en olijven uit!
 
Het zwaard, gekromd op menschenschonken,
 
De spies, van 't bloed der Helden dronken,
 
Doorklieven 't land als ploeg en spâ;
 
En 't klateren der schriktrompetten
 
Verkondigt blijde vredewetten,
 
En 't eind van 's Hemels ongenâ!
 
 
 
Spoedt aan, ô heuchelijke dagen,
 
Ten koste van wat bloed het zij!
 
Spoedt aan in 's Hemels welbehagen!
 
Herstelt des aardrijks Monarchy!
 
Ja, moeten wy door stroomen waden;
 
In zeën van ellenden baden,
 
Tot dat die groote dag verschijn';
 
Wy lijden, dragen, hopen, zwijgen!
 
Hy zal, hy zal ter kimme stijgen,
 
En 't menschdom zal gelukkig zijn.’

Als episch en dramatisch Dichter daarentegen heeft hij, onzes inziens, den lof niet verdiend, die hem zoo bovenmate is toegezwaaid: zijne natuur was te subjectief om zich geheel in andere persoonlijkheden in te denken1). Hij voelde zich in de wereld niet t' huis en had een afkeer van menschen: hoe zou hij karakters en hartstochten in hunne concrete verschijning hebben geschilderd?

In den beginne twijfelde Bilderdijk dan ook zelf aan zijne ‘bekwaamheid om (z)ijnen Landgenoten in den treurrol eenig gepast en nuttig vermaak te kunnen verschaffen’2). ‘Mijn gestel’, zei hij nog in 1817, ‘is niet dramatiek’3). In het jaar 1808 evenwel verklaarde hij zijne onthouding op dit gebied met te zeggen:

 
‘Ik, nietig handgeklap aan grove hersens vergen,
 
Door de echte kunst, den smaak, 't gezond verstand, te tergen!
 
Of, heel een' schouwburg zien, verwend van 't ware schoon,
 
Die geeuwend om zich ziet, of inslaapt by mijn toon?’4).
[p. 49]

Daartoe rekende hij zich in dit ‘Beotie’ te goed. En toch, het duurde nauwelijks een half jaar, of hij

 
‘Bedacht zich, greep de pen, en stelde een Treurspel op.’

De kennisneming van een slecht drama had dien omkeer bewerkt, en

 
‘(Hij) stampte uit innig harteleed
 
Wel driemaal op den grond en - had (z)ijn Treurspel vaardig
 
Eer (hij) of iemand 't wist’1).

Elders zegt hij, dat hij het ‘als met een tooverslag in het aanzijn riep’; en hij had recht zoo te spreken, want het stuk, de Floris de Vijfde, bestemd om bij 's Konings intrede in Amsterdam te worden vertoond, was ‘in driemaal vier en twintig uren ontworpen en opgesteld.’ Maar de vertooning bleef achterwege2). De inspanning des Dichters was geweldig geweest als een ‘electrike schok’; en, zegt hij, ‘'t kon niet anders, of dat treurspel moest van een tweede, en dit van een derde gevolgd worden, en zoo ontstonden, en de Willem van Holland en de Kormak: vruchten eener wreede slapeloosheid, die zy zalfden en veellicht tevens aanzetteden, en medegedenkteekenen van de jammerlijkste maand mijns levens, op en voor mijn krankbed onder woedende folteringen doorgebracht’3).

Bilderdijk had niet veel op met de tooneelstukken van zijn tijd, ook niet met die van 't buitenland4). Zelfs op ‘Shakespears kindergrillen’ zag hij laag neer: toch moest hij in hem den meester erkennen in

[p. 50]
 
‘Karakterschets; gesprek; het menschlijk hart te ontwinden;
 
Der driften schildring in haar vorming, aanwas, kracht1).

Maar in de toepassing den grooten meester te volgen, dat vermocht hij niet.

De Floris V is wel de zwakste tragedie, die men zich denken kan2). De Graaf, nagenoeg als een Heilige voorgesteld, wordt verraden en gedood door een hoop aterlingen, die niet veel beter zijn dan gewone struikroovers. Zelfs Bilderdijk's ‘apologeet’ moet erkennen, dat dit treurspel ‘minder schitterend was van poëzie of zelfs kunst van zamenstel, dan wel belangwekkend door de levendigheid van den dialoog, en de treffende schildering der karakters’3). Het eerste deel dier uitspraak is volkomen waar: tegen het tweede gedeelte mag men opkomen. Het stuk is niet slechts hoogst gebrekkig van samenstel, maar daaraan ontbreekt al wat tragische belangstelling zou kunnen opwekken. Geen enkel personage is waar, en van 't begin tot het einde spreekt de Dichter: nooit de figuur, die hij ons wil voorstellen. Da Costa wijst op ‘het bitter ijverzuchtige (karakter) van Gerard van Velzen, het hatelijk hooge van Herman van Woerden, het schuldig weifelende van Gijsbrecht van Amstel, het ridderlijk koene van Kuik, het aandoenlijk trouwe van den Edelknaap, boven alles het edele, groothartige en argelooze van den ongelukkigen Floris.’ Is die beschouwing niet even oppervlakkig als de conceptie dier karakters? Het vereischt toch geene diepe studie om in te zien, dat Kuik slechts eene ijdele schijnvertooning van ridderlijkheid geeft; dat het ‘hatelijk hooge’ van Woerden's aard in het oog van den modernen toeschouwer in 't geheel niet gewettigd is door de hier en daar aangeheven klacht, dat de Adel door den Graaf miskend werd. En welke reden heeft

[p. 51]

Velzen tot zijne ‘bittere ijverzucht?’ Maar Floris, zal men zeggen, is toch eene edele figuur, verre verheven boven den held van Hooft's Geeraerdt van Velzen1): zijn ongeluk vervult ons hart met medelijden, hij is de waardige hoofdpersoon der tragedie! - Is dat oordeel wel de vrucht van ernstig onderzoek?

Neen: zoo Hooft's tragedie mislukte, omdat hij zich te veel aan de overlevering gebonden rekende, Bilderdijk's held wekt geen belangstelling, omdat hij geheel buiten de werkelijke wereld geplaatst werd. Gesteld, de Dichter had ons eene schildering van de maatschappij gegeven, die de figuur van Woerden verklaarbaar maakte, zou ons dan tevens niet duidelijk zijn geworden, dat de ‘edele’ maar ‘argelooze’, de ‘groothartige’ maar steeds lijdelijke, hartstochtelooze Graaf in dien tijd en in die maatschappij niet paste? Is die argeloosheid geen zwakte, en is de weigering b.v. om zich te laten waarschuwen tegen verraders, die hun inborst nooit sterk bedekt hebben (zie 't IV Bed., III tooneel), niet even schuldig als onverklaarbaar in een Regent? 't Is met Floris als met de overige personen van het stuk: geen hunner heeft vleesch en bloed; het zijn schimmen en abstracties, niet veel beter dan de allegorische figuren in Hooft's Geeraerdt. De eenige indruk, dien men meêdraagt, is deze: hoe jammer, dat zoo'n Brave Hendrik in zoo'n tijd leefde en zoo akelig omkwam; en men wrijft zich in de handen bij de herinnering van de sage, die den hoofdschuldige in een vat met spijkers doet rollen. Maar is dat eene echt tragische uitwerking?

De Willem van Holland is een dialogisch, wil men, een dramatisch gedicht; maar wat den naam van treurspel zou wettigen, waarmede het prijkt, is niet duidelijk. Dat ook hier de Dichter door den mond, of liever in de plaats zijner personages spreekt, heeft reeds Gorter opgemerkt2). In Kormak wordt ons de bekende episode uit de Odyssee voor oogen gesteld, waar Ulysses de vrijers van Penelope overwint en doodt. Het is niet duidelijk, waarom Bilderdijk verkozen heeft het tooneel der handeling naar Brittanje over te brengen; maar in allen gevalle is hij er ook hier niet in geslaagd een hartroerend treurspel te schrijven. Omtrent dit stuk gelden geheel de aanmerkingen op het vorige gemaakt.

[p. 52]

Van het eerste en het laatste dezer stukken gaf Schimmel eene uitvoerige beoordeeling1). Ofschoon niet ongeneigd om den Kormak te loven, vindt hij zich toch genoopt te verklaren (bl. 367): ‘Wij hebben geen oogenblik belang kunnen stellen in eenige der ons voorgestelde personen. Daar waait ons een ijskoude adem uit de geheele schepping tegen; het is niet die des levens maar des doods ..... (bl. 368). Als wij de figuren in den Kormak gadeslaan, dan zien wij geen menschen, ook geen half-Goden of Goden, zooals de Grieksche tragedie die doet kennen, dan zien wij slechts met vleesch bekleede dichterlijke idealen, die echter bij de vleeschwording veel van de oorspronkelijke idealiteit verloren hebben.’

En wat den Floris aangaat, heet het, bl. 370: ‘Wie een der vertooningen bijwoonde, zal ons niet bestrijden indien wij beweren.... dat het hart koud bleef en het verstand des hoorders, niet door de inwerking van aandoening en gewaarwording belemmerd, bij het einde vrij en rustig hulde kon brengen aan de schoone verzen, welke dan ook voortreffelijk zijn.’

Bij het bespreken der karakters weifelt hij - blijkbaar door bescheidenheid en vereering van den grooten dichter in de uiting zijner meening belemmerd - in de qualificatie, en een oppervlakkig lezer zou allicht meenen, dat Schimmel's oordeel het mijne te niet deed. Ik zie mij daarom, in het belang van een juist begrip, verplicht, een oogenblik stil te staan bij hetgeen Schimmel over de karakterteekening in dit treurspel gezegd heeft.

Hij spreekt als zijne meening uit (bl. 371), dat ‘de charakters goed zijn aangelegd.’ Men lette hierbij goed op de gebezigde uitdrukking: aanleggen is hier gebruikt in den zin van het aanleggen eener schilderij, d.i. het aanbrengen der eerste flauwe tinten, welke doodverf eerst moet worden opgeschilderd, zal eenmaal de schilderij het leven teruggeven. Daarom zegt hij ook elders (bl. 374), dat de karakters ‘goed bedoeld zijn.’ Het moet daarom ook verwonderen, dat hij zijn denkbeeld heeft omschreven met de woorden: ‘Men ziet de verschillende fijne schakeeringen in de figuren van Velzen en Woerden.’ En waarin bestaat nu die fijne schakeering? ‘Bij genen is minnenijd het roersel tot opstand, bij dezen ligt de grond dieper, is het de politiek.’ Kan

[p. 53]

iemand het fijne dier schakeering vatten? Is hier iets meer dan aanleg in doodverf?

Als het verder heet, dat ‘de charakters te herkennen zijn en eenige daarvan zelfs met meesterhand geschetst’, dan drukke men vooral op het laatste woord. - Schimmel heeft inderdaad zijn lof van de karakterteekening geheel prijs gegeven door te erkennen - zooals van ziin helderen aesthetischen blik te verwachten was, - dat ‘de gantsche schepping als verstijfd schijnt’,...... en ‘bij de aanschouwelijke voorstelling u zal doen huiveren van koude en niet lang de aandacht kunnen bepalen.’ En waarom? ‘Al de figuren bewegen zich alleen in officieelen kring; het zijn historie-menschen, geen menschen uit onzen kring.’ Had Bilderdijk de eischen gekend, ‘welke de stoffe aan hem mocht doen’, zijn ‘tafereel zoude in staat zijn het menschelijke in zijne fijnste tinten weêr te geven (bl. 372);.... maar dan moest men juist het huiselijk leven der historie-menschen indringen, hun kleine zwakheden in de binnenkamer - de sleutel tot de grootere daar buiten - bespieden.’ Wil dat niet met andere woorden zeggen, dat de karakterschildering hoogst oppervlakkig, hoogst onvolkomen is? Ik zie dus ook door het oordeel van dezen meester het mijne bevestigd.

 

En nu ‘Bilderdijk's Epos.’ Hij had vroeger (1808) reeds aan sommige onderwerpen, als Aelius (Aëtius?)1) of Karel den Grooten, gedacht, toen hij zich eindelijk bepaalde tot een greep ‘uit de ontzachlijke sfeeren, waaraan de Zondvloed een einde maakte’. (Da Costa). Het zou ‘een zeer uitgebreid Dichtstuk’ worden, maar is, gelijk wij zagen, met den vijfden zang gestaakt. Die fragmenten kunnen, naar 's Dichters eigen meening, ‘aan niemand den gang van het plan verraden, even weinig als de menigte van Epizodes of byverdichtsels die het insluiten moest, en wier naauwe aaneenschakeling eerst volmaakt in de geheele samenvloeiing mag blijken’2).

[p. 54]

Uit de op bl. 31 bijgebrachte plaatsen zou haast mogen worden afgeleid, dat hetgeen volgen moest hem niet zeer duidelijk voor den geest stond. Eene beoordeeling van het dichtstuk in zijn geheel is daardoor afgesneden: toch kan men naar die vijf zangen afmeten, in hoeverre Bilderdijk de gave van epische schepping bezat.

Van zijn vroegsten leeftijd ‘altijd met de Eerste Wareld en hare bevolking zoo wel als met haar verband tot een hoogere, bezig, hing (hem) steeds de bekende plaats uit het boek der Schepping (Gen. VI, 2, 4) aan, waar de kinderen Gods gezegd worden zich met de dochteren der menschen vermengd, en uit haar de machtigen, de geweldhebbers der aarde, voortgebracht te hebben, die men Reuzen noemde. Al dra vond (hij) deze plaats, 't zij by sommige Kerkvaderen, 't zij Rabbijnen, verstaan van onsterflijk kroost van onzen eersten Vader, door hem, vóór zijn jammerlijken afval, in Eden geteeld; en het denkbeeld dat dezen, als Erfgenamen van den zaligen lusthof door de uitgebannene Aartsvaders verbeurd, aan hun Nageslacht deel in die zaligheid wenschten, kwam (hem) eene even natuurlijke onderstelling voor, als eene poging van deze Geweldigen-zelven, zoo fier op hunne Vaderlijke afkomst als op hunne meerderheid van krachten en moed, om het ook voor hun gesloten paradijs te herwinnen. Met één woord, (hij) vond er de Heidensche Fabel der Hemelbestormeren in, en niets was natuurlijker, dan dat zich met de uitdelging van geheel een menschdom, dat zich dezen verwaten aterlingen onderworpen had, de vernieling des vroegeren aardbodems en de losmaking van het zalig Eden, daar eerst mee verbonden, onderling als tot een enkel tafereel voor (hem) vereenigde’1).

Ziedaar de stof, die hij zich voorstelde te bewerken. Het onderwerp was bij uitstek grootsch, en zijne opvatting veroorloofde hem het gebruik van ‘de machine, de inwerking namelijk van boven-natuurlijke wezens’, die hij rekende ‘ziel en beginsel’ van het Epos te zijn. Hij had ‘verscheidenheid van wezens in overvloed’ te zijner beschikking: ‘menschen, van gewone, en tevens van buitengewone natuur en voorrechten; goede en kwade Engelen; en bovenal, een geslacht van onvervallen Paradijsmenschen in Adams staat vóór den val, en nog in die verhevene stand en

[p. 55]

eigenschappen, waar hy uit verviel.... en deze allen door de naauwste betrekkingen aan elkander verbonden.’

Had hij het grootsche plan kunnen afwerken, zooals het zich, zij het ook maar in ruwe omtrekken, in zijne ziel gevormd had, en waren wij getuigen geworden van ‘de algeheele verwikkeling, die van oogenblik tot oogenblik groeien moet, en hare ontknoping in eens bereikt, als het oogenblik der verdelging daar is, waarvan het ontzettende met eene duidelijkheid van voorstelling gepaard moet gaan, die geheel de vorming der aarde tot grond heeft, in wier gantsche wording de lezer vooraf moet ingelijfd worden’,1) - misschien ware het gedicht werkelijk een kunstgewrocht geworden, ‘waarby alles wat na de Ilias op helden-dichterlijk grondgebied een naam heeft, verbleekt ware’2); want zeker, hier kon de Dichter toonen, dat hij zong onder den invloed dier onbedwingbare macht, dier poëtische aanblazing, wier kracht hij zoo treffend schilderde op het eind van den vierden zang van de Ziekte der Geleerden3), waardoor

 
‘'t Ydel niet neemt lichaam en bestaan,
 
't Onzichtbre doet voor 't oog het zichtbre stofkleed aan,
 
En zweeft, in kleuren die geene Iris uit kan drukken, -
 
In bloemfestoenen, die betoovren, die verrukken, -
 
In zonneglansen, of in bliksemstralen uit,
 
En lacht of siddert, naar den toonval van uw luit.
 
Wat is, verdwijnt! wat was, herteelt zich! 't ongeboren
 
Springt, op uw wenken, als een watersprong, te voren!
 
't Heelal bezielt zich door uw' adem; voelt met u;
 
En de eindlooze Eeuwigheid smelt in 't ondeelbre nu.

Wij waagden het aan de volkomenheid van het voltooide dicht-

[p. 56]

stuk stuk te twijfelen, omdat er, ondanks de meesterlijke behandeling der détails, ondanks die wegslepende schilderingen of beschrijvingen, in het afgewerkt gedeelte veel is, dat ons onbevredigd laat. 't Is niet omdat, zooals de Dichter meende, ‘noch onze leeftijd, noch zelfs onze Natie, dichterlijk genoeg is, om in een Heldendicht, ja zelfs in den toon daarvan, smaak te vinden’1); maar omdat wezenlijk onoverkomelijke bezwaren zich tegen een geheel bevredigenden indruk verzetten.

Ik wil niet vragen, of die ‘wareldmengeling van door één zwevende wezens van geheel verschillenden aart2)’ wel geschikt is ons, voor wie toch het zuiver menschelijke alleen bevattelijk en aantrekkelijk blijft, op den duur te boeien. Ik wensch er niet op te drukken, dat de Dichter, bij gebrek aan meesterschap over die bovenmenschelijke toestanden, hier en daar ook min gelukkig is in zijne voorstelling, en die ‘duidelijkheid’ mist, die hij zelf eischte; dat dan zijne woordvoeging stroef en moeilijk te volgen wordt; dat enkele malen zelfs klanken in de plaats van gedachten treden. Maar wat vooral den indruk schaadt, 't is zijne machteloosheid om objectief zijne handelende personen te scheppen, die zich hier evenzeer openbaart als in zijne treurspelen.

Zeer juist is het reeds door S. Gorter opgemerkt3): ‘het zijn hier geen menschen uit de voorwereld, maar uit Bilderdijk's tijd, liever uit Bilderdijk's verbeelding, die aan 't woord zijn. Zij hebben niets van hetgeen Homerus' personen onsterfelijk maakt, mengeling van kinderlijke naïveteit, half barbaarsche ruwheid soms, met adel des gemoeds, met helder, klassiek gezond verstand - natuur en waarheid met één woord.’ En wilt ge er aan herinnerd worden, dat ook hier niet altijd menschen van vleesch en been optreden, overweeg deze woorden uit hetzelfde meesterlijke opstel: ‘Vergelijk eens in de Koning Hendrik de IVde het afscheid van Percy Hotspur van zijne Kate met dat van Segol en Zilfa: de toestanden staan bijna gelijk, in beide gevallen is er van weêrskanten hartstocht: Bilderdijk's verzen stroomen uit Segol's en

[p. 57]

Zilfa's mond met gloeiende vaart: nogtans, bij Shakespere spreken de menschen, bij Bilderdijk spreekt de situatie.’

 

Daarentegen is zuiver beschrijvende poëzie ‘zijn kracht en hoogste glorie.’ En dat hij daarbij elken toon kon aanslaan, ziet men b.v. in zijne schildering van den Dorpsschoolmeester uit zijn tijd in Het Buitenleven (Dichtwerken, VI, bl. 292).

 
‘Hier zit hy! In zijn stap, zijn uitgestreken wezen,
 
Is 't geen hy op zijn staat zich inbeeldt, klaar te lezen.
 
't Vertrouwen op zich-zelv', en op de meerderheid,
 
Waar mede, 't geen hy weet, zijn kleinen hoogmoed vleit.
 
Ook is hy reedlijk verr' in 't lezen, schrijven, rekenen:
 
Hy kent in d' Almanach planeet- en hemelteekenen:
 
Hy zingt de Kerkgemeent' met ernst en stichting voor;
 
En worstelt, jaar aan jaar, den Catechismus door.
 
Hy disputeert met moed, en zonder los te laten,
 
En, schoon hy 't ook verliest, hy weet er door te praten.
 
Let op, wanneer hy spreekt, op wat geleerden trant
 
Hy elke sylbe rekt, en ieder muskel spant!
 
Wat moeite hy zich geeft, om met het naauwst geweten
 
Ons elke letter juist in de uitspraak toe te meten!
 
Hy rijmt: indien 't hem lust, trots.... en Datheen,
 
En declineert getrouw door alle casus heen.
 
Ook weet hy 't noodigst zelfs van Staats- en Kerkhistorie,
 
En kent en Lodestein en Sluiter by memorie.
 
't Heelal, het gansche dorp, staat van den man verstomd,
 
En weet niet hoe één hoofd aan zoo veel wijsheid komt.
 
Voor 't oovrig ziet hy scherp op 't nietigste overtreden,
 
En wordt door zucht of traan bewogen noch verbeden.
 
Verschijnt hy, in zijn blik (den aanblik van een God!)
 
Leest heel het kindervolk hun onherroeplijk lot.
 
Hy wil 't; men gaat uit een: hy wenkt; men zet zich neder:
 
Hy glimlacht; alles juicht: hy fronst; men siddert weder.
 
Hy dreigt, beloont, kastijdt, met d' eigen toon van stem;
 
En, in zijn afzijn zelfs, is ieder bang voor hem.
 
Hy ziet, hy hoort, hy weet, wat elders werd misdreven:
 
Hy vindt het de arme jeugd voor 't voorhoofd aangeschreven.
 
Hy raadt, wie lacht, wie snapt, wie luiert, en wie slaapt
 
Wie anderen partjens speelt, of onder 't bidden gaapt.
 
De berk ligt nevens hem: die roê, wier vreeslijk knellen
 
Den moedwil, met een wenk, den teugel weet te stellen,
[p. 58]
 
Der traagheid sporen geeft, 't ontzag in werking houdt,
 
En d' ijsselijken plak als naasten buur beschouwt.’
 
 
 
‘De Dionys van 't dorp is kenbaar aan dees trekken.’

Of wilt ge hem andere tooneelen zien malen, beschouwt dan dit landelijk tafereel, dat weinige bladzijden verder voorkomt (Dichtw. III, bl. 296), en dat hij met ‘Ostades rijk penceel’ trachtte te schilderen:

 
‘Hier hebt ge een praatparty van drinkende oude liên.
 
Dees haalt zijn marschen op, of laat zijn wonden zien,
 
Die hy voor d' ouden Prins in Berg' op Zoom behaalde,
 
En zegt: Oranje in 't hart, schoon Frankrijk zegepraalde!
 
Die, praat van 't geen zijn jeugd, in andere tijden, zag,
 
Toen England eerbied vroeg aan de oude Statenvlag. -
 
Ginds ziet ge een bolle meid, op 't slingrend touw geheven,
 
Zich schomm'len door de lucht en op de winden zweven.
 
De dartle Zéfir speelt met onderkleed en schort,
 
Dat om haar kniën golft, met zilvren lint gegord;
 
En de arglooze onschuld lacht, wanneer de schalke boeren
 
Haar, met een dubblen zet, den hemel nader voeren -
 
Wat verder zien we een baan, waarin.de forsche hand
 
(Een koningslust weleer, nu balling op het land!)
 
Den kaatsbal, door de lucht elkander toegedreven,
 
In zeekre richting jaagt, en heen en weêr laat streven;
 
De spelers wringen 't lijf aan alle kanten heen,
 
En voegen 't vuur der drift by de afgerichte leên.
 
Hun boezem jaagt en klopt by 't beurtelings verwachten,
 
En dubbelt t' elkenmaal behendigheid en krachten.
 
In 't eind, het toeval spreekt: een holle kreet gaat op,
 
En vlecht den stoutsten gast den lauwer om den kop. -
 
Hier weder, zien we een bal, die uit de hand geschoten,
 
't Geschaarde kegelspel al rollende om moet stooten.
 
Daar vliegt hy, snelt, en werpt, in onbesuisde vaart,
 
Van 't houten batailjon een vleugelman ter aard'.
 
Somwijlen, of 't mocht zijn, van tuimelzucht bevangen,
 
Doorloopt hy 't heel en al, en wandelt door de rangen.
 
Besluitloos, aarzelt hy, bedreigt hen beurt om beurt,
 
Onzeker, wien hy 't meest zijn aanval waardig keurt.
 
Nog staan ze en houden post, in fiere moedvertoomng!
 
Doch eindlijk, hy besluit, en 't noodlot treft den koning.
 
 
 
‘Maar hier by d' ouden Olm, die honderd jaren heugt,
 
Verzamelt zich de bloei en 't schoonste van de jeugd.
[p. 59]
 
De Boersche vedel klinkt, en ieder maakt zijn paartjen.
 
De vreugde blinkt in 't oog, de hoed staat op een haartjen.
 
Men springt, men danst, men schokt, men huppelt in het rond,
 
En vat zijn meisj' in d' arm, en heft haar van den grond.
 
Het jonge hartjen klopt, by 't teder vingrennijpen
 
En Liefde koomt in 't spel, om in den hoop te grijpen.
 
't Genoegen lacht alom, gezondheid krijgt een blos;
 
De geest wordt opgebeurd; de leden worden los;
 
De steeds gerekte boog herstelt zich door 't ontspannen;
 
En zucht om leêg te zijn blijft uit het dorp verbannen.’

Dat talent van beschrijven blijkt vooral uit het meesterlijk leerdicht, dat ten titel draagt: De Ziekte der Geleerden. Hier toont hij zich Dichter bij uitnemendheid.

Hij moge ons al in den vierden zang toeroepen:

 
‘O Gij, die 't oor schenkt aan mijn lied,
 
De zangstof lokke u uit, mijn schorre gorgel niet’,

't is de stof niet, die ons hier aantrekt, want schijnbaar is er geene minder dichterlijk dan deze. Maar Bilderdijk heeft haar met zijn tooverstaf aangeraakt, en hij sleept ons mee.

De reden daarvan is niet ver te zoeken. Bilderdijk was Dichter, en die Dichter was zijne stof volkomen meester. Dat hij de kwaal, die hij bezong en bekampte, kende, wie twijfelt er aan, die geen vreemdeling in 's mans leven is; wie twijfelt er aan, die niet zonder huivering de schildering leest, welke hij in den vierden zang van 't Dichtstuk geeft van zijn voortdurend lijden als gevolg van hersen-in- en overspanning?

En om die stof te kneden, om er gloed en leven aan bij te zetten, had hij maar te putten uit den rijkdom zijner kennis. Hij was diep doordrongen van de noodzakelijkheid voor den Dichter van grondige wetenschap: ‘zoo van taal-, oudheid- als menschenen zakenkennis’1); en daarin muntte hij uit. Dat had hij met Vondel gemeen, en die ‘algemeene, diepe, uitgebreide kennis’ gaf aan zijne poëzie dat heldere, grondige, bepaalde en fijne’, dat haar zoo treffend maakt2).

[p. 60]

Ook in De Ziekte der Geleerden komt dat uit, niemand zal dit ontkennen. En daarin ligt nog iets meer dan de bloote ‘verdienste der overwonnen moeyelijkheid.’ Het is volkomen waar, wat Bilderdijk in het nabericht op Het Buitenleven zegt: ‘Een dichtstuk zou door stof en inhoud belangrijk en zelfs aantrekkelijk kunnen zijn, en echter als dichtstuk vrij licht; en de dichter dus een bekwaam, kundig, en verstandig schrijver, zonder dichterlijke bekwaamheden zijn kunnen.’ Maar het omgekeerde is evenzeer waar: een ‘wederspannig of dor’ onderwerp zal door een waar Dichter met de ‘bezielende, alles adelende, alles met zich assimileerende kracht der poëzy’ tot een aantrekkelijk kunstproduct worden omgeschapen1). En dat kon Bilderdijk doen: dat heeft hij gedaan.

 

Waar zijne subjectiviteit op den voorgrond mag treden, daar blinkt hij uit als Dichter. Geen wonder, dat hij zich als zoodanig vooral doet kennen in dien schat van lyrische zangen, die hij in allerlei vorm, als ode, lied, lierdicht, ontboezeming, toespraak, klacht, verzuchting, vervloeking, gebed, heeft uitgestort. Hoor die diepgevoelde voorafspraak van het schoon gedicht Leydens Ramp (Dichtw., IX, bl. 32):

 
‘Geen dartle trek, geen ijdle roembehaling,
 
Is 't geen my drijft, het wit waarop ik doel;
 
Maar plichtbesef, maar zucht tot schuldbetaling,
 
Beweegt mijn hart, vervult mijn zielsgevoel.
 
Ik span geen Luit: ik week haar met mijn tranen;
 
Wat is my kunst? ik zing niet, maar ik ween:
 
Het nokkend hart, door 't jammren, lucht te banen
 
Is al mijn wensch, en, al mijn wensch alleen.
 
Geen lauwer wast op deze steengruishoopen,
 
Die voor mijn oog zich opdoen, waar het wei';
 
En, wee de kruin, die Leyden kon zien sloopen
 
En lauwers zocht in 't snikkend noodgeschrei!
 
Barbaar! die hier met zwier en kuustgeest schildert,
 
Bevallig toetst, en toon en trekken kiest! -
 
Dien heeft geen smart het lijdend brein verwilderd.
 
Hy heeft geen hart, die hier geen hart verliest!
[p. 61]
 
Mijn Vrienden, neen! brengt elders kunstgrâge ooren!
 
Zoekt elders lust in vleiend stemgestreel!
 
Hy ween met my, die mijn geween wil hooren,
 
En neem voor zang het hikken van de keel.
 
Een ander ding' naar juichend handenklappen
 
My streelt de zucht die met mijn zuchten paart:
 
Van dien verzeld, den grafkuil in te stappen,
 
Is thands voor my het eenigst goed op aard.
 
Dien zult ge my, ô dierbaar Leyden, geven:
 
Dien heeft aan u geen Zang, maar 't Hollandsch hart verdiend;
 
En, mocht dit uur mijn tong aan 't dor verhemelt' kleven,
 
Gy zult dien zelfden zucht na mijn voleindigd sneven
 
Niet weigren aan den zerk van Leydens teêrsten vriend.’

En wat zou hier niet aan te halen zijn om zijn meesterschap te doen uitkomen! Hoe gaarne zouden wij nog menige proeve leveren, b.v. een groot deel afschrijven van die ontboezeming op 8 Maart ('s Prinsen verjaardag) in Londen, 1796, met dien treffenden aanhef:

 
‘Omzwervende in Uitheemsche palen
 
Met een in ballingschap door rouw benepen hart,
 
Het Lied van Sion op te halen,
 
Verlaten Jacob, welk een smart!
 
 
 
Ach! kunt gy 't minste toontjen slaken,
 
Dat u den boezem niet verscheurt
 
Die steeds de Vaderlandsche daken.
 
Den Vaderlandschen grond betreurt?
 
 
 
In schralen wilgenschaâuw gezeten
 
Met losse vlecht en hangend hoofd;
 
De raauwe wangen opgereten;
 
Het licht in de oogen uitgedoofd;....
 
 
 
Wanhopend, redloos, en bezweken
 
Op d'uitgedorden worteltronk,
 
Zijn tranen, die uw oog ontbreken,
 
Uw eenigste, uw gewenschte dronk!
 
 
 
En zoudt ge in zulk een' toestand zingen?
 
Den feestgalm van uw' Maagdenrei
 
Uit d'afgeklaagden gorgel wringen?
 
Neen! neen, bedrukte! zwijg en schrei!...
[p. 62]
 
Met oogen, die in tranen zwemmen,
 
Met lippen, van hun stroomen, nat,
 
In de angsten, die ons hart beklemmen,
 
Den blijden Jubeltoon te stemmen!
 
Hoe ongelijkbaar hard is dat!’ enz.

Hoe die Profetenklacht ons in de ziel grijpt! En dat krachtig werkende vindt men in de meesten van dergelijke stukken, tengevolge van ‘dat oorspronkelijke, onopzettelijke, onmiddelijke, het uit het hart tot het hart voelbaar.’ Ik kan mij niet weerhouden ten minsten nog eene aanhaling te doen. Ik zou het geheele gedicht, Afscheid getiteld, wel willen uitschrijven, in Januari 1811 in de Amsterdamsche afdeeling der Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen en Kunsten voorgedragen, en waarin hij in zoo schoone verzen een blik werpt op zijn eigen leven, dat hij als geëindigd beschouwde, en op den loop van Neerland's Dichtkunst. Volkomen in harmonie met de algemeene stemming was die aandoenlijk sombere rouwklacht, waarmee de toespraak scheen te eindigen:

 
‘Des noodlots ijzren doem
 
Klonk door de ruimte, en sprak: ‘Zij Hollands naam verdwenen!’
 
Wat bleef my sints dat uur, wat kon ik meer dan weenen!
 
De naam van 't Vaderland, van Holland is geweest.
 
Zie daar mijn' laatsten snik; met dien geve ik den geest!’

Hoe moet de vergadering geëlectriseerd zijn geweest, toen hij daarop door een meestergreep deze profetische jubelkreet liet volgen:

 
‘Waar Meanders zilvren water door zijn kronkelbochten schiet,
 
Groet de Zwaan haar stervensstonde met een zacht en kwelend lied.
 
Dan, dan zuizen lucht noch stroomen; alles luistert, alles zwijgt,
 
(Zelfs het lied der filomelen), waar die toon ten hemel stijgt.
 
Maar wat zingt gy, veege zangzwaan, in uw kabblend stroomgebied?
 
Ach, gy dankt de zuivre plassen, waar zijn volle kruik van vliet!
 
Ach, gy dankt de groene boorden, in wier dons gy rusten mocht,
 
En de loverrijke bosschen, waar gy 's middags schaduw zocht!
 
Wis, gy zingt den frisschen stroomen 't teêr, 't aandoenlijk afscheid toe;
 
En gy doet, geliefde zanger, wat ik op uw voorbeeld doe!
 
Moog, als u het westewindtjen op uw blaauwe waterbaan,
[p. 63]
 
My een zachte dood verrassen, in mijn jongste cytherslaan!
 
Roemen u de stroomnajaden van uw' spiegelheldren plas!
 
Slechts één traan in Hollandsche oogen zegg' van my: de Dichter was!
 
Maar gy, broeders,
 
Gy, behoeders
 
Van den Vaderlandschen roem!
 
Mijn verscheien
 
Eischt u schreien,
 
Lijkmuzyk, noch offerbloem.
 
 
 
Uit die rustplaats,
 
Uit die lustplaats,
 
Waar mijn ziel de dood ontvliedt,
 
Ziet zy teder
 
Op u neder,
 
By het stemmen van uw lied:
 
 
 
Leent zy de ooren
 
Aan uw choren,
 
Als gy liefde zingt en echt;
 
Als uw tonen
 
Deugden kronen,
 
Waarheid staven, godsdienst, recht:
 
 
 
Als ze in 't lijden
 
't Wee bestrijden
 
En verduren doen aan 't hart;
 
Moed ontsteken,
 
Helden kweken,
 
Die niet zwichten voor hun smart.
 
 
 
Ach, de dagen
 
Onzer plagen,
 
Lieve broeders, gaan voorby.
 
Uit dit duister
 
Rijst de luister
 
Van een nieuwe heerschappy.
 
 
 
'k Zie de kimmen
 
Reeds ontglimmen
 
Van een nieuw, een Godlijk licht!
 
Op de randen
[p. 64]
 
Dezer stranden
 
Straalt zijn glans my in 't gezicht.
 
 
 
Op de randen
 
Van de stranden
 
Van dien onafzienbren vloed,
 
Die dit leven
 
Houdt omgeven,
 
En reeds omzwalpt om mijn' voet.
 
 
 
'k Heb het vallen
 
Van uw wallen,
 
Hollands Ilium, voorspeld;
 
'k Zag het blaken
 
Van uw daken,
 
En uw Hektors neêrgeveld:
 
 
 
De ingewanden
 
Voelde ik branden
 
En verteeren van die vlam:
 
'k Riep, ik weende,
 
Ja, 'k versteende;
 
Maar de dag des jammers kwam.
 
 
 
Doch verduren
 
Wy deze uren!
 
ô! De toekomst brengt ons troost.
 
Trojes vallen
 
Schiep de wallen
 
Van oud Romes heldenkroost.
 
 
 
Wat verschijne,
 
Wat verdwijne,
 
't Hangt niet aan een los geval.
 
In 't voorleden
 
Ligt het heden;
 
In het nu, wat worden zal.
 
 
 
Opgaan, blinken,
 
En verzinken,
 
Is het lot van ieder dag:
 
En wy allen
 
Moeten vallen,
 
Wie zijn licht bestralen mag.
[p. 65]
 
Of de kronen
 
Luister toonen,
 
Volken, Staten, bloeiend staan,
 
Langer stonde
 
Duurt hun ronde,
 
Maar hun avond spoedt toch aan.
 
 
 
Doch de dampen
 
Dezer rampen,
 
Doch de nevels dezer nacht,
 
Zullen breken
 
By 't ontsteken
 
Van den dag waarop zy wacht.
 
 
 
Mocht mijn' lippen
 
Dat ontglippen
 
Wat mijn brekend oog hier ziet!
 
Mocht ik 't zingen,
 
En mij dringen
 
Door dit wemelend verschiet!
 
 
 
Ja, zij zullen
 
Zich vervullen,
 
Deze tijden van geluk!
 
Dees ellenden
 
Gaan volenden;
 
En, verpletterd wordt het juk.
 
 
 
Holland leeft weêr,
 
Holland streeft weer,
 
Met zijn afgelegde vlag,
 
Door de boorden
 
Van het Noorden
 
Naar den ongeboren' dag.
 
 
 
Holland groeit weêr!
 
Holland bloeit weêr!
 
Hollands naam is weêr hersteld!
 
Holland, uit zijn stof verrezen,
 
Zal op nieuw ons Holland wezen,
 
Stervend heb ik 't u gemeld.
 
 
 
Stervend zong ik,
 
Stervend wrong ik
[p. 66]
 
Deze heilvoorspelling uit!
 
't Sterflot wenkt my:
 
Gy, herdenkt my
 
Als u 't juichensuur ontspruit!’

Erkent men niet, bij het lezen, dat het volkomen waar is, wat de straks aangehaalde beoordeelaar schrijft1): ‘Tusschen den dichter en zijn lezer - zoo deze hem komt vinden, want hij zoekt hem niet - heeft geen angstig sylbentellen, geen pijnlijk zoeken naar woord of denkbeeld, geen likken of schikken zich ingedrongen. De dichterlijke gedachte heeft zich van de ziel meester gemaakt, houdt haar vast, houdt haar bezig, rust niet eer zij - soms na dagen zoekens, soms als bij het licht van één bliksemslag en in één oogenblik in al hare vertakkingen doordacht is en dan - bij de uitstorting - vangen de denkbeelden in het blinkend gewaad der beeldspraak, met lichtgeschoeiden voet van zelf haar sierlijken kringdans aan, en de woorden komen gedienstig aangevlogen als waren zij reeds lang van te voren met zorg gekozen en juist voor die plaats besteld, die zij thans innemen. Er ligt iets waarlijk tooverachtigs in die volstrekte gehoorzaamheid, die onbegrensde plooibaarheid, zoodra Bilderdijk maar beveelt, der voor ons vaak zoo stugge woorden.’

Ik geef nog slechts een enkel staaltje, maar dat volkomen het gezegde bewijst. 't Is zijne beschrijving van de taal zelve, in het dichtstuk De Dieren (Dichtw., V, bl. 129):

 
‘ô Vloeibre klanken, waar, met d'adem uitgegoten,
 
De ziel (als Godlijk licht, in stralen afgeschoten,)
 
Zich-zelve in meêdeelt! Maar dan licht of melody;
 
Maar schepsel van 't gevoel in de engste harmony
 
Die 't stofloos met het stof vereenigt en vermengelt!
 
Door wie zich 't hart ontlast, verademt, en verengelt!
 
Gy, band der wezens; en geen ijdel kunstgewrocht,
 
Door arbeidzaam verstand met moeite en vlijt gezocht,
 
Maar goddelijke gift, met de ademtocht van 't leven,
 
Aan 't schepsel ingestort zoo verr' er geesten zweven;
 
En, tevens met zijn val, vervallen en ontaard!
 
Wat waart ge, als Adams hand zijn scepter had aanvaard!
[p. 67]
 
Nog doet ge ons door uw kracht het stroomgeruisch der wateren,
 
't Geplasch van 't klettrend nat, 't geklak der beekjens klateren,
 
Des afgronds joelen op 't gedonder van de lucht,
 
En 't stormgebulder van den noodstorm als hy zucht -,
 
Nog 't zacht geritsel van het lover, 't aaklig loeien
 
Des woudstiers naar zijn prooi, door luistrende ooren vloeien,
 
En 't tjilpend piepen der gepluimde burgerschap
 
Met krakend raafgekras of knettrend uilgeknap
 
Verwisslen, - liefde en haat met onderscheid van klanken
 
Bezielen; 't spartlen zelfs der dartle wijngaardranken
 
Erkennen, en den toon waarmeê de braambosch schudt,
 
Of de olm het hoofd beweegt, wen hy zijn weêrhelft stut.
 
Nog rukt ge 't hart om hoog, of weet het door uw galmen
 
Met sombren weemoed, als een mistdamp, te overwalmen;
 
Stort vreugde en droefheid, stort den hemel voor ons uit,
 
Of 't siddren van de hel, vermogend spraakgeluid!
 
ô Schildring zonder verf, door loutre luchtpenceelen!
 
ô Mocht ge een oogenblik het sterflijk zintuig streelen
 
Als toen ge in Edens hof der Serafijnen lied
 
Aan 's menschen adem huwde, en aarde en bosch en vliet,
 
Van hemelweelde stom, den weêrgalm op deed vangen,
 
Waarby de praalzucht krijscht van onze kunstgezangen;
 
En elk der woorden, vol van echten wijsheidsschat,
 
Meer uitdrukte aan 't verstand, dan heel onze aard bevat!’

Ja, wel ligt er iets tooverachtigs in, en men staat verpletterd bij die heerschappij over de taal, dat volkomen meesterschap over iederen dichtvorm, dat spelen met rhythmus en rijm.

Hij wist en voelde dat zelf. Het proza kon hij niet bemachtigen, het was in strijd met zijne natuur. Nog in 1824 schreef hij1): ‘'t Proze is een moeilijk ding, en steeds moeilijker voor my. Waarlijk de taal is poëzy, en onze ziel voor niets anders recht vatbaar.’ Daarom verzen! ‘Dan zeg ik wat ik meen, wat ik wil, wat ik denk, wat ik gevoel; dan volgt mij de taal, dan staat zij mij ten dienst, en alles vliegt op mijn wenken en schaart zich als een welgeordend leger, op zijn hoefslag’2).

Wat den vorm betreft, weten wij dan ook, dat de Dichter zich onbegrijpelijke moeite getroost heeft om het instrument, dat hij

[p. 68]

zou bespelen, geheel in zijne macht te krijgen. Vooral door vertalen had hij zich geoefend, en soms twintigmaal eenzelfde stuk op nieuw uit eene vreemde taal in Hollandsche verzen overgebracht. En aan de studie der versificatie was niet minder zorg door hem ten koste gelegd1). Hij had het dan ook zoover gebracht, dat hij zelfs de moeilijkste onderwerpen kon neerschrijven en doen drukken ‘zonder eenige verandering, byvoeging, afdoening, of al wat men beschaving noemt, zoo, gelijk het (hem) uit de ziel was gevloeid’2).

Het eenige, dat men hem kan verwijten, is ‘die meer of min stijve, of eerder stroeve vorm, aan de achttiende eeuw in het leven als in de dichtkunst eigen, die meer of min ouderwetsche, aan den tijd en het hof van Lodewijk den Veertienden herinnerende statigheid, welke onze Dichter nog in later tijd in zijn prosa, maar vooral ook in het maatschappelijk leven onderscheidde3).’

[p. 69]

Da Costa zegt wel, dat dit met den aanvang der negentiende eeuw ‘uit zijne poëzy ten eenen maal verdwijnt’; maar die ‘zekere conventioneele deftigheid in uitdrukking, in spraakwending, in de overgangen vooral’ (Gorter) heeft hem nooit geheel begeven, althans niet in ernstiger, breeder stukken.

 

Hoe komt het, dat ondanks dat meesterschap over den vorm, ondanks die diepte van gedachte, dien rijkdom van gemoed, die weelderigheid van fantazie, welke dezen Dichter als zoodanig stempelen, toch zijn werk bij den tijdgenoot niet populair was, en het ook niet spoedig zal worden bij de nakomelingschap?

Vindt dat, wat Da Costa de ‘miskenning van Bilderdijks grootheid’ noemt, bloot zijn grond ‘in de vooroordeelen zijner natie’? Trok hij niet aan, alleen omdat ‘men hier niet gediend is met hetgeen al te hoog uitsteekt’?1) Geheel onverdiend is het verwijt wellicht niet; maar men schat toch ook het uitstekende vaak te laag, omdat men het niet bevat. Dat is de reden, waarom er waarheid schuilt in de klacht, dat onder ons de Poëzie niet gaarne ‘zoo hoog noch zoo diep’ heeft. Ja, ‘zelfs de meest populaire Dichter kan ophouden populair te zijn, wanneer hij (waarlijk bezield en geboren dichter) ophoudt binnen het bereik van de menigte te blijven’; en Bilderdijk neemt soms eene vlucht, of kiest een vorm, die hem buiten het bereik zelfs van ‘meer beschaafde kringen’ deed vallen2).

Evenwel, daaruit alleen laat zich toch zijne voortdurende impopulariteit niet verklaren, ook bij de meer ontwikkelden. De hoofdoorzaak van het doorgaand gemis van sympathie voor zijne zangen

[p. 70]

was zijne persoonlijkheid: zijn karakter en zijne denkwijs. Hoeveel bewondering men ook voor den Dichter mocht koesteren om zijne buitengewone poëtische gave en zijn ongeëvenaard talent, den Mensch liefhebben kon men niet; ja, de heftigheid van zijn strijd tegen al wat den meesten onzer lief en heilig is, wekte onwil en weerzin.

Als een echt Kunstenaar leeft Bilderdijk geheel in zijne verzen. Niemand heeft dat beter aanschouwelijk gemaakt dan S. Gorter in zijne uitmuntende studie, eerst in De Gids geplaatst1). En naarmate Bilderdijk minder in overeenstemming is met den grondtoon van zijn tijd, komt zijne persoonlijkheid scherper uit. Zeker niet tegen zijne bedoeling; want ‘voor Bilderdijk bestond er in deze wereld maar één middelpunt, en dat middelpunt was een ik, een wil; en dat ik was Bilderdijk ..... en van nature was zijn zelfgevoel heftig, heerschzuchtig, jaloersch, onverdraagzaam’2). Dat hij ijdel en hoogmoedig was, hebben wij reeds gezien; ook als Dichter was zijn zelfgevoel hoog gespannen, en hij aarzelde niet Bilderdijk boven Vondel te plaatsen3). Zijne zelf- en heerschzucht komt het best uit in zijn gedicht Het Echtgeluk (Dichtw.,

[p. 71]

XII, bl. 28). Dat geluk zal volkomen zijn, roept hij zijner vrouw toe,

 
‘Zoo wy nooit verscheiden denken;
 
Altijd leven in elkaâr.’

En dat was gemakkelijk: mits zij maar verdrage, als hij haar toegrauwt, mits zij buige

 
‘Als de rietscheut voor den wind’;

mits zij zwijge en hem altoos te wille zij; mits zij gehoorzame aan het gebod

 
‘Leer uw eigen wil vernederen
 
Voor uws Egaâs grilligheên!....
 
Stel zijn luimen u tot wetten....
 
Beter, aan zijn voet, slavinne,
 
Dan verheven Koninginne
 
Op des aardrijks hoogsten throon.
 
 
 
Hou uw meening nimmer staande
 
Tegen dien van uw Gemaal.’

Heb bij dit alles steeds een opgeruimd humeur; en de zaligheid, die daarbij uw deel is,

 
‘Draag ze sprekend op 't gelaat.’

Onder die voorwaarden had hij ook vrede kunnen hebben met de wereld en de menschen, waar boven hij zich verre verheven rekende1).

[p. 72]

Dien hoogmoed, die heerschzucht heeft hij, zoowel als zoo menige andere verkeerdheid zijns gemoeds, trachten te bekampen door Christelijken deemoed1); maar te zelden droeg hij den palm der overwinning weg, en doorgaans triomfeerde de booze lust, de hartstocht, de heftigheid, die de bronaar was van al zijne levenssmart2), en die zoo gaarne met ongekende bitsheid weerklank vond in zijne verzen. Want ondanks zijn vurig geloof ontbrak hem het hoofdkenmerk van het Christendom: de liefde. Zijne geloofsovertuiging was bij hem meer zaak van het verstand, dan van het hart.

Op het punt van dat geloof stond hij pal; en het was juist zijn exclusivisme op dit gebied, zijne hyper-orthodoxie, die hem met de wereld in strijd bracht. Van zijne opvatting van het Christendom waren zijne werken vol: natuurlijk, want het ‘waar en oorspronkelijk doel’ der Dichtkunst was in zijn oog ‘godsdienstige uitboezeming’3); en hij moest zelf erkennen, dat ‘een

[p. 73]

groot aantal stukken in de tegenwoordige manier van denken omtrent den Godsdienst hors de saison en tegen l'esprit du jour zijn’1).

Bovendien had hij omtrent allerlei hoofdvragen der negentiende eeuw zeer eigenaardige begrippen: vooral in het staatkundige. Met één woord, hij was en voelde zich volkomen in strijd met ‘den Tijdgeest’, met de denkbeelden, het streven van zijn tijd en zijn volk.

Hij stoorde zich daar niet aan en ging zijn weg; zooals hij dat in 1822 uitdrukte2): ‘De oude sukkel laat honden blaffen, en exters snateren, en stoort er zich thands nog even min aan, als door zijn geheele leven.’

En in de dichterlijke Voorafspraak van den bundel, welks prozavoorrede wij hier aanhaalden, de Krekelzangen, heet het:

 
‘Die 't gesprokkel niet versmaadde,
 
Neme ook Grijsheids teelt voor lief,
 
Vindt die stemtoon slechts genade
 
Die zich uit het hart verhief.
[p. 74]
 
'k Weet wel, 't zijn thands nieuwe wetten
 
Die de fraaie Tijdgeest schept,
 
Maar de Grijsheid om te zetten,
 
Is een' doove voorgeklept.
 
 
 
Rammel', tier', en vloek' m'er tegen,
 
Smijt men 't onkruid in het vuur!
 
'k Ben om lofspraak niet verlegen:
 
Neen, die waar is gants niet duur.
 
Die zich lijdzaam aan laat spannen
 
In het blinkend ezelsjuk,
 
Telt by de allergrootste mannen,
 
Mits hy voor zijn minder bukk'.
 
 
 
Ieder valt het zoet, te prijzen
 
Die wat minder zijn dan hy!
 
Dat is eigen lof bewijzen,
 
Rechterschap en heerschappy.
 
Maar nooit telde ik by die Helden,
 
Door malkander hoog getild;
 
En mijn lof was nooit vergelden,
 
Nooit de bentkreet van een Gild.
 
 
 
Vindt de Oprechte by mijn Zangen
 
Zielsgenot of hartentroost;
 
De Almacht moog den dank ontfangen
 
Die mijn leed daarmêe verpoost;
 
Maar voor opgeworpen dwazen
 
Op hun trotschen Midasstoel,
 
Slanggebies, of ganzenblazen,
 
Heb ik ooren noch gevoel.’

Men ziet, de toon, waarop de tegenstanders worden toegesproken, is niet malsch. En soms maakt hij 't nog erger. Wie zijne staatsleer niet huldigen, grauwt hij aldus aan1):

 
‘Gij gruweldrijvers (met) uw God- en plichtverzaken,
 
Uw Staatsberoeren, uw vervalschen van Geschicht-
 
En Rechts- en Redenleer.....
[p. 75]
 
Gaat, Vorstbestrijders! gaat, afvallig wangeslacht,
 
Dat Vaderland beroert en plicht en recht verkracht,
 
Draaft met uw duizenden verwaatnen en misleiden
 
In dronken woede voort, met gift en moord te spreiden,
 
Roemt, roemt uw Borgers, roemt uw Kinkers, en dat soort -
 
Dat, uwer waardig, van de Fichtsche Heltoorts gloort;
 
Verwaten misteelt, dat God-zelf in 't aanzicht lastert,
 
Uit apen voortgebroed, tot apen weêr verbasterd....’

Evenzoo leest men in den Feestzang der Vrijheid en Verdraagzaamheid (Dichtw., XIII, bl. 278):

 
‘Triomf dan, edel kroost der apen,
 
Tot 's warelds onderricht geschapen,
 
Dat niemand langer voort laat slapen
 
In d' ouden soes!’

En waar het theologische tegenstanders geldt, aarzelt hij niet de fiolen van Gods toorn over hun schuldig hoofd uit te storten.

Was het vroeger reeds erg genoeg, in de verbittering, die hem na 1817 beving, in de dagen, toen de grijsaard door zijne vrienden niet zonder rilling kon worden aangezien, als hij de borstelige wenkbrauwen over de sombere oogen neertrok, - toen werd de toon steeds heftiger en vlijmender. Men oordeele:

Neerlands zielzucht.
 
‘Zie neder, God der Wraak! ô Gy ontzachlijk Wreker,
 
Zie in erbarming neêr op dezen gruwelpoel!
 
Geen leven meer, geen goed, geen eer of recht bleef zeker,
 
De Duivel vestte op aard zijn trotschen Wareldstoel.
 
't Gevloekte Frankrijk, uit Italië eerst verbasterd,
 
Steeds smisse en broeinest van de op aard verplante Hel,
 
Dat, zelfs in d' ademtocht Uw God-, Uw grootheid lastert,
 
En volk by volk verlokt door dartlend guichelspel -:
 
Dat Frankrijk, dat Egypte, en aller euvlen voedster,
 
Van moord, van list, bedrog, en bloed-, en Sodomsschuld,
 
Herrezen uit zijn val den throon van d' Alverwoester,
 
Heeft alles uit zijn krocht met ijslijkheid vervuld.
 
En wy -! wy, dronken van heur giftwijn, zuislen, tuimlen,
 
By 't eindloos feestlied dat U uitdaagt tot de straf,
 
Vertrappen 't dierbaar brood, en hongren naar de kruimelen
 
Van Duitsche zemelbast en Fransche verkensdraf.
[p. 76]
 
De pest grijpt om zich, als een vuurvlam, niet te teugelen,
 
En 't heiligste is onteerd, ontheiligd, en vertreên:
 
De Helgeest overdekt heel 't aardrijk met zijn vleugelen,
 
En liefde en menschlijkheid verkeerde in marmersteen.
 
Behoed, behoed uw kudde, ô Herder! ruk Uw schapen
 
Den wolfsmuil uit! Ja, vlieg ter redding: hy greep ze aan.
 
De wachters van uw kooi verstrooien zich of slapen;
 
Ontwaak in dezen storm, ô Heiland, wy vergaan!
 
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
 
Ja, Heer, voltrek uw werk; ons blikt uw toekomst tegen.
 
De wareldrazerny voer d' afval tot den top;
 
Wy, in de stille hoop verwachtend neêrgezegen,
 
Wy zien naar de aanbraak van uw morgenschemer op.’ enz.

Zijne sombere gemoedsstemming vergalde hem ieder genot en deed hem zelfs de ‘groeiende natuur’ met bitterheid beschouwen. Zoo schreef hij aan Tydeman1) ‘dat de Natuur aan mijn oog niets dan 't akelig besef van een vervallen en van Gods schepping verbasterd werkstuk aanbiedt, en mij altijd met de diepste neêrslachtigheid vervult.’ Zoo zong hij (1827) in 't Akkerleven (Dichtw., VIII, bl. 304):

 
‘Is het waar, geroemde Poot,
 
Zeker, van den geest ontbloot;
 
Is by 't planten, zaaien, ploegen,
 
Zulk een overgroot genoegen
 
In het lijfvermoeiend zwoegen
 
Om den schralen mondvol brood?
 
 
 
'k Gun het u en elk wien 't smaakt;
 
Waarom schuldloos zoet gewraakt?
 
Doch voor my is daar geen zegen
 
Van den Hemel in gelegen;
 
Maar - wanneer Hy 't door zijn regen,
 
Zon en daauwdrop vruchtbaar maakt.
[p. 77]
 
Ach, zoo 't zoete zelfgenot
 
Tot vertroosting van ons lot,
 
Aan het land- en akkerleven,
 
Door den Hemel werd gegeven,
 
't Doet my steeds den boezem beven
 
Als Gods pijnlijk strafgebod....
 
 
 
Maar, als 't gras den grond bekleedt,
 
En de voet op bloemen treedt,
 
Boom en struik en heester bloeien,
 
'k Zie er Abels bloed nog vloeien,
 
En 't verstikkend zonnegloeien
 
Wordt my zevendubbel heet.
 
 
 
'k Hoor den diepen zondenval
 
Ook in 't meest aanlokkend dal
 
Schrikbaar ruischen door 't geblader;
 
'k Denk te rug aan d'eersten vader,
 
En mijn bloed verstokt in de ader
 
Als by 't schrikbaarst moordgeschal....
 
 
 
Neen, mijn hart, hoe licht verstrikt,
 
Wordt door 't landheil niet verkwikt;
 
'k Zocht het nooit, noch leerde 't minnen;
 
In geen streeling van de zinnen;
 
Maar in 't geestgenot van binnen,
 
Als het tot zijn Oorsprong blikt....
 
 
 
Stervling, wend het hart niet af,
 
En verkeer des Wrekers straf
 
In geen ijdle vreugdbeseffen:
 
Voel, waar u zijn slagen treffen,
 
Dat Hy ze eenmaal op moog heffen
 
Voed u met geen ledig kaf!’....

Verwondert men zich, dat, terwijl M.C. Van Hall klaagde:

 
‘Ach! waarom klinkt zoo bits uw hooggestemde lier!’

die bitse toon een even scherpen echo moest wekken bij de Kritiek? Kon men een gewillig oor, kon men sympathie verwachten bij die maatschappij, die zoo hevig werd beschuldigd, terwijl daarenboven de deugd van den zedemeester alles behalve onfeilbaar was gebleken?

[p. 78]

Neen, dat was onmogelijk: de tegenzin was te algemeen1). Voor de lagere rangen der maatschappij schreef Bilderdijk te hoog, te onverstaanbaar; voor de middenklasse te grievend hartstochtelijk. Alleen de hoogste stand bleef buiten het debat, om de eenvoudige reden, dat hij daar nauwelijks bekend werd. Da Costa heeft er terecht over geklaagd2), dat terwijl in 't buitenland de Aristocratie ‘door ingenomenheid in de eerste en hoogste plaats met eigen nationale taal, wederkeerig op nationale taal- en letterkunde een zoo machtigen invloed oefent’, de onze dit ‘van ouds’ beneden zich heeft gerekend en zich heeft gekenmerkt door ‘hare ingenomenheid van jongs af met het buitenland.’

Men herinnert zich, hoe Jonkvr. De Lannoy verbaasd was, dat een Bylandt hare verzen las en verstond, en hoe scherp-waar zij schreef3):

 
‘Ik had ons goed Bataafsch die eer niet toegeschreeven....
 
Een Graaf! een Heer van 't Hof, die duitsche vaerzen leest!
 
Dat Neêrduitsch, naar mij dunkt, mogt zich gelukkig schatten
 
Indien gij 't zonder moeite in proza kondt bevatten.’

En is het thans beter geworden? Laat de Nederlandsche Aristocratie van onze dagen zich aan Neerland's Letterkunde gelegen liggen? Da Costa meende zich te mogen verheugen, dat ‘onder de gezegende of weldadige uitwerkselen der herleving van Evangelie en Geloof by een deel onzer hoogere klassen, eene meerdere waardeering ook van Nederlandsche taal en poëzy gerekend mag worden; en hoe, om slechts eenige uitnemendheden te noemen, de verzen èn van Beets èn van Ten Kate èn van Bilderdijk in deze laatste jaren in die kringen by name ingang en eere gevonden hebben.’

Ik wenschte, dat ik de waardeering juist kon noemen! Maar ik mag de onderstelling niet verhelen, dat het meer de personen van Beets en Ten Kate zijn, die in sommige kringen worden gevierd, dan dat men er smaak vindt in de Hollandsche Poëzie;

[p. 79]

en dat zij daar meer achting genieten, als rechtzinnige Predikanten dan als Nederlandsche Dichters.

Wat Bilderdijk betreft, de eenmaal gemaakte indruk is niet uit te wisschen, zoolang er eene klove van beginselen zal liggen tusschen den Dichter en zijn Volk. Populair zal Bilderdijk nooit worden; ja, het laat zich aanzien, dat S. Gorter waarheid sprak, toen hij de overtuiging neerschreef1), ‘dat deze man met zijn grooten geest, maar zijn door blinde hartstochten verscheurd, ja verwoest gemoed, op het voetstuk zijner dichtersgrootheid nooit met wezenlijken eerbied zal worden aangestaard.’

Maar wij willen trachten billijk te zijn; en, gedachtig aan des grijsaards woord tot Hoffmann Ton Fallersleben2): ‘Ben ik wat wonderlijk, denk, hy heeft veel geleden, en is oud en afgeleefd’, onze beschouwing over dezen grooten Dichter besluiten met onverdeelde instemming met Gorter's woorden3): ‘Wij voor ons, als onder het lezen van Bilderdijk's correspondentie, te midden van honderd overdrijvingen, dwaasheden zelfs en duizend dingen, waartegen ons oordeel in opstand komt, de flitsen van dat wonderbaar doordringend verstand, dat scherpe oordeel ons schokken als electieke vonken en de uitgebreidheid dier kennis ons verbaasd doet staan: als hij op de breede, zilveren stroomen zijner poëzie ook onze boot voortdraagt naar een tooverland vol bloemengeur en vogelenlied, tusschen groene eilanden, donkere, overhangende wouden en ontzagwekkende bergen door; als dan in ons gemoed door de openstaande poort der bewondering ook vereering, ook mededoogen, ook zucht om mee te leven en te lijden willen binnengaan, wij zullen met geweld die deuren niet sluiten. Wij willen ons herinneren, welke rampen dien Dichter hebben overstelpt, hoe vreemd zijn lot en hoe dubbel zwaar de strijd om goed te zijn juist voor zijn karakter is geweest.’