terug  begin  verderprepost
[p. 95]

VI. Begin van romantische reactie.

De Van Lenneps.

Ofschoon het Classicisme sedert anderhalve eeuw in onze dichterwereld onbeperkt den scepter gezwaaid had en in de eerste dertig jaren onzer eeuw nog uitsluitend den toon aangaf in onze Kunst en in onze opvoeding1), doen zich eindelijk kenteekenen op van reactie en romantische richting. Jacob Van Lennep, ontegenzeggelijk in menig opzicht geestverwant van Bilderdijk en Da Costa, en in zekeren zin tot de school van den meester te rekenen, daar hij althans in zijn studententijd een ‘volbloed Bilderdijkiaan’ was2), terwijl hij in den voorzang tot Jacoba en Bertha (bl. 8) verklaarde, dat in Bilderdijk

 
‘Vondel zelf was uit het graf herboren’,

was toch de eerste, wiens poëzie van een anderen geest, dien van het Romantisme, doortrokken was.

Zoo ooit een Letterkundige onder een gelukkig gesternte geboren werd, dan was het Jacob Van Lennep3). Van nature met den gelukkigsten aanleg bedeeld, bewoog hij zich van der jeugd af aan in een kring, die in beschaving en ontwikkeling zijn

[p. 96]

weerga misschien niet had1). Zijn vader was de beroemde Amsterdamsche Hoogleeraar David Jacobus Van Lennep (1774-1853), die als Geleerde en Latijnsch Dichter hoog staat aangeschreven, en ook als beoefenaar der vaderlandsche poëzie zich

[p. 97]

onverwelkbare lauwers heeft verworven; die verzen heeft geschreven, volgens Da Costa,

 
‘Met daavrend handgeklap sints vijftig jaar ontvangen’,

en die vooral in de herinnering zal blijven leven door dien Hollandschen Duinzang, die met het beste onzer verzen kan wedijveren1).

De zoon werd in het begin van 1802 te Amsterdam geboren, waar hij als Rijksadvocaat zijn leven doorbracht, totdat de dood hem den 25en Augustus 1868 uit ons midden wegnam. Hij was er trotsch op, dat zijne familie door aanhuwelijking onder de Patricische geslachten was opgenomen, ja hij vermeldt met zekere ijdelheid, dat zijne voorouders ‘tot den adel gerekend werden’: hun wapen komt ‘onder de wapens der Ridderlijke geslachten van den Borgondischen Kreis’ voor. Toch moet hij erkennen, dat zijn overgrootvader ‘tot de nieuwbakken aristokraten’ behoorde2). Hij

[p. 98]

was werkelijk, wat Beets hem noemde1), ‘gedurende weinig minder dan eene halve eeuw de lust en de liefde der Nederlandsche natie, overal bekend, overal toegejuicht.’ Dit was een natuurlijk gevolg van zijn talent en van zijne persoonlijkheid.

Welwillend en goedhartig van karakter, vrij van aanmatiging, gemakkelijk in den omgang, vroolijk als een kind, en geestig zooals slechts Huygens geestig was, moest hij wel overal een aangenamen indruk achterlaten. Maar niet minder verwekte zijn talent als dichter en proza-schrijver hem vrienden en bewonderaars.

Hij was vroeg ontwikkeld. Als kind ‘vrij bevattelijk en veel leerlust aan den dag leggend’, zoodat hij op zijn derde jaar, dank zij het onderwijs zijner moeder, reeds kon lezen2). Hij maakte al spoedig van die gave gebruik: op zijn vierde jaar had hij het eerste deel van De Perponcher's Onderwijs voor kinderen van drie tot zeven jaar (3 deelen, 1782) ‘reeds verslonden’, en ‘geen boek, onverschillig wat de inhoud ware of [hij] maakte er [zich] meester van’3). Als kind van negen jaar ‘kende [hij] Corneille, Racine, Voltaire, Boileau half van buiten: en Lafontaine geheel’4). En wat de Nederlandsche letteren betreft, kon hij getuigen: ‘De Hollandsche poëeten van eenigen naam, van Hooft en Coster af, tot aan de modernen toe, had ik wel vijftigmaal doorgelezen, en mij, zoo uit den trouwring van Cats als uit van Merkens David, zoo uit de Treurspelen van Vondel als uit de liedtjens van Poot, zoo uit de minnedichtjens van Jonctijs als uit de kluchten van Langendijk, vrij wat perioden in 't hoofd geprent.’ De Grieksche tragici had hij uit vertalingen leeren kennen, en Shakespeare ‘met het grootste genoegen’ gelezen en herlezen. - ‘Hoogduitsche werken kwamen toen bij ons niet over de vloer: ik geloof dat men in Nederland toen over 't algemeen even weinig van de Hoogduitsche litteratuur afwist als heden aldaar van de Nederlandsche.’

En ook het Engelsch was niet in de mode: eerst verscheiden jaren later leerde hij Byron kennen ‘nog maar uit eene Fransche vertaling’5).

[p. 99]

Zoo vormde hij zich tot den letterkundige, dichter en romanschrijver, die hij geworden is.

Als Poëet staat Jacob Van Lennep, ook naar eigen schatting, beneden zijn vader. Zijne eigen verzen noemde hij ‘'t vieren van een minder zanggodin’1). Hij steigert niet als een genie van den eersten rang in de wolken, maar zijne gave lag, naar de juiste waardeering van Beets, in ‘het bevallige, aangename, gevoelige, met wendingen van luim en trekken van geest en goede satyre, in de bekoorlijke schildering, de uitlokkende vertelling, de gezellige scherts’2).

Hij wist zeer goed, dat hij niet tot de dichterlijke genieën behoorde. In den Voorzang tot de Legenden van 1828 heet het (bl. 8):

 
‘Neen, niet aan my heeft fiere Kallioop,
 
Heeft Melpomeen haar milde gunst geschonken.
 
My voegt een plaats by d' ongewijden hoop,
 
Die slechts van ver de Muzen mag belonken.’

Waarom dan toch gezongen? vraagt hij: omdat hij niet anders kon.

 
‘Dus, vraag niet meer, wat my tot zingen drijft:
 
't Is dat geheim en wonderbaar vermogen,
 
Dat ieders ziel met kracht beheerschen blijft,
 
Schoon de oorzaak wordt onttrokken aan onze oogen.
 
't Ontstaat wellicht met d' eersten levensaêm,
 
En breidt zich uit en vordert met het leven,
 
Smelt met gevoel en wil en neiging saam,
 
Ja, wordt geheel ons aanzijn ingeweven;
 
Of, 't is gewoonte, in d' eersten levensdag
 
Gevolgd, omhelsd, en eindlijk onontwenbaar;
 
Doch, hoe 't ontsproot, dat onbepaald gezach
 
Blijft, spijt verstand en rede en smaak, onschendbaar.’

Door onverdroten oefening was hij den vorm zoo goed meester als Bilderdijk zelf, en bewoog hij zich met, zelfs voor kunstgenooten, benijdbare gemakkelijkheid in rijm en maat. Reeds in zijne vroegste jeugd had hij ‘zulk een juist oor voor de vaersmaat dat [hij] niet geloof[de] daartegen ooit gezondigd te hebben’3).

[p. 100]

De inhoud is niet altijd even oorspronkelijk: Braga verweet hem dat op eene niet malsche wijze, en hij erkende later zelf lachende: ‘Sedert byna veertig jaren heb ik voornamelijk geleefd van roof en diefstal’1). Inderdaad, dikwerf heeft hij zich toegeëigend wat hem beviel; maar steeds gaf hij het terug, gestempeld met het merk zijner persoonlijkheid.

Ondanks zijne classieke opvoeding en neiging heeft hij in Nederland de vaan van het Romantisme geplant: Byron en Walter Scott waren zijne voornaamste leidslieden, ofschoon hij steeds groote ingenomenheid voor Bilderdijk koesterde, en eene innige vereering van Vondel aan den dag legde.

In 1826 gaf hij zijne Academische Idyllen uit, waardoor hij meer verwondering dan bewondering gewekt had; en dit bevreemdt ons niet, want zoo hij daarin onmiskenbare blijken van dichterlijk talent gaf, vooral in zijne landschapsbeschrijvingen, de studenten, die hij ‘tot hoofdpersonen koos’, voldeden weinig aan wat hij zelf als het eigenaardige van hun ‘toon, denkwijze, onderhoud en omgang’ had aangegeven: ‘eenvoudigheid, gulheid, hartelijkheid en ongeveinsdheid.’ Herinnert men zich daarbij Klikspaan's misschien wat al te ongedwongen toon, dan ziet men, hoe weinig het deftige vers geschikt was om vorm en inhoud bij dit onderwerp harmonisch te doen samensmelten. Vergelijkt men Van Lennep's losse, vroolijke verhalen van later tijd, dan ontwaart men, hoe de ongedwongen schrijftrant zich gaandeweg ontwikkeld heeft; en hoeveel invloed dit op de schildering der tafereelen moest hebben, leert de kennismaking met de ‘Dorstige Pleïaden’ in Klaasje Zevenster. Ik geef ten voorbeeld dit staaltje van voorstelling uit den (‘Student-) dichter’ (XII):

 
‘'k Zal slechts een korte poos op 's aardrijks treurtooneel
 
De nare en somb're rol vervullen die ik speel.
 
Met my zal ook mijn naam en glans en luister derven:
 
Mijn oud en eerlijk huis voor eeuwig met my sterven.
 
Geen gaê, die op mijn graf haar treurgebeden stort,
 
Geen minlijk kroost waarin mijn beeld hervonden wordt.
 
Slechts zij die ik bemin, zij die my werd ontnomen,
 
Zal om mijn aak'lig lot haar tranen nog zien stroomen.
[p. 101]
 
Slechts 't dierbaar broed'rental, dat, met my, zaal'ger tijd
 
Aan vriend- en wetenschap en deugden heeft gewijd,
 
Zal heilige offers aan mijn nagedacht'nis brengen,
 
En mede een' stille traan op 't koud gebeente plengen.’

Wie zou hierin den Van Lennep van later dagen herkennen?

Zijn naam vestigde hij met de kort daarop aangevangen en bij tusschenpoozen voortgezette uitgave zijner Nederlandsche Legenden. Hij heeft daarenboven nog eenige bundels gedichten het licht doen zien, eene reeks van vertalingen, een uitvoerig leerdicht (De Bouwkunst) en verschillende gelegenheids-tooneelstukken uitgegeven; maar als Dichter heeft hij zijn naam vooral aan de Legenden te danken. Hij erkent zelf, dat ze hem ‘eenigen naam’ gaven1); en wie zijne herinneringen kan raadplegen, weet, met hoeveel ingenomenheid ze werden begroet. De oorzaak was waarschijnlijk daarin gelegen, dat zoowel het genre als de wijze van behandeling nieuw waren, en Beeloo heeft geen ongelijk, als hij zegt: ‘Het publiek, vermoeid door de niet zelden langgerekte gedichten, waarin de een of andere maatschappelijke of christelijke deugd, de handel, de nijverheid en dergelijke, in deftige Alexandrijnen bezongen werden, vond eene aangename afwisseling en verpoozing in het lezen dier verhalen, welke spraken tot gevoel en verbeelding’2). Thans moet dat eenigermate verwonderen. De eerste Legenden dragen reeds den stempel van hetgeen Van Lennep ook in later dagen bleef. 't Zijn verhalen, met veel gemak berijmd, maar zonder psychologische diepte; met veel beweging, ofschoon zeker niet in de ware historische kleur. Vooral Adegild heeft de pretentie de Geschiedenis te verduidelijken; maar hoe onwaar is de schildering, en hoe ongunstig steekt, ook in dit opzicht, deze legende af bij Tegnèr's Frithiofs Saga, die enkele jaren vroeger (1825) het licht had gezien! Hier en daar zijn de Legenden, zooals Jacoba en Bertha, zonder innerlijke waarde, alleen aanspraak hebbend op uiterlijke schildering en aantrekkelijkheid van vorm, waarbij de inhoud wel eens tot plat proza afdaalt.

Maar enkele deelen, sommige zangen vooral, zijn uitmuntend

[p. 102]

geslaagd: ik wijs slechts op den Tooverzang van het witte wijf (bl. 123)1) en den aanhef van den zesden zang van Adegild, dien ik mij niet weerhouden kan over te nemen (bl. 262):

 
‘Geen lentetijd, vertierd met rozelaren,
 
Geen zomermaand, gehuld in warmen gloed,
 
Kan 't nasaisoen in schoonheid evenaren:
 
De najaarslucht is voor mijn boezem goed.
 
Hoe lieflijk is 't, langs bosch en beemd te dwalen,
 
Als de ochtenddamp, die 't aardrijk hield bedekt,
 
Voor d' ademzucht van 't zuiden opwaarts trekt:
 
Als de eerste kracht van flaauwer zonnestralen,
 
Op braamstruweel en rimplig elzengroen,
 
In drop by drop, den nachtrijm smelten doen:
 
Als weêr de borst, beklemd van 't zomerbranden,
 
Verlichting smaakt en vrijer ademhaalt:
 
Als 't lief tooneel der blijde lustwaranden
 
Met weidsche pracht van duizend kleuren praalt:
 
Als 't voog'lenheir, het kille noord ontweken
 
Voor 't zacht genot van zoeler zuiderstreken,
 
Op vlugge wiek, in d' overhaasten vlucht,
 
Zijn afscheidsgroet ons toezingt uit de lucht.
 
 
 
Wat heb ik vaak, in Leyduins groene dreven,
 
Met dank'bre ziel, dat zalig heil gesmaakt:
 
Die kalme vreugd, slechts door natuur gegeven,
 
Die 't hart verrukt, den boezem ruimer maakt!
 
Wat heb ik vaak, als 't glinstr'end morgenglooren
 
Met schuinschen blik door 't nevelkleed kwam booren,
 
Heromgedoold in zoete mijmery!
 
Dan was mijn geest van bange zorgen vrij:
 
Geen kommer kwam die zielsgenieting stooren:
 
Ik ademde.... en mijn zucht was poëzy:
 
Ja, poëzy en heilig zinverrukken;
 
Maar ach! te rijk, te grootsch om uit te drukken:
 
'k Gevoelde dan, hoe hooggestemd van geest,
 
Natuur, uw schoon; maar ach! mijn onmacht meest.’
[p. 103]

Wat den vorm en op verschillende plaatsen ook den inhoud betreft, herinneren de Legenden sterk aan zijne Engelsche modellen: maar in klimmende mate vermochten zij het publiek door vaderlandschen inhoud en steeds toenemende dichterlijke inkleeding te boeien.

De latere, b.v. Eduard van Gelre, die eerst na een tusschentijd van zestien jaren het licht zag, toonen duidelijk, dat gaandeweg de eischen, die men aan de Poëzie stelde, gewijzigd waren, en dat de dichter zich daarvan bewust was. Hij erkende, ‘dat het samenstellen van eenen zang van [dit gedicht hem] driemalen zooveel tijd kostte als vroeger dat van eenen der zangen van den Strijd van Vlaanderen.’ Maar hoeveel degelijker is ook het werk!

Wat de Engelsche modellen betreft, die hij al vroeg bestudeerde, hij gaf ze ook in goed gelukte vertalingen aan het Nederlandsche publiek te lezen. In 1818 reeds had hij Pope's Lierzang op St. Cecilia's dag gegeven, in 1826 verscheen Byron's De Abydeensche Verloofde, in 1831 diens Beleg van Corinthe, in 1833 Tasso's Weeklacht en later Beppo en Moore's De Vuuraanbidders, benevens enkele kleinere en grootere gedichten van Scott.

Zijne gedichten onderscheiden zich alle door eene groote losheid en gemakkelijkheid van trant: zelden loopt hij aan den leiband van het knellend rijm. Hoe hij meester was van de taal, en er meê kon stoeien en dartelen, leert zijn overbekend gedicht Hoe loopt de Dusse langs het hol van Neander? ofschoon het geen aanspraak op oorspronkelijkheid heeft, maar eene navolging is. Als proeve van zijn gemakkelijken verhaaltrant mag Het sterfbed in de Hut genoemd worden.

Als staaltje van zijn humor geef ik het korte stukje:

 
‘Zaagt ge immermeer, op d' Oceaan gevaren,
 
Als de avondzon in 't koelend nat verzonk,
 
De Zeemeirmin zich wieglen op de baren,
 
Wijl 't deinend goud haar groene vlecht doorblonk?
 
Zaagt ge immermeer, in 't somber woud verloren,
 
Een droeven geest, die, 't stille graf ontsneld,
 
Aan berg en bosch haar weegeklag deed hooren,
 
Zoolang de nacht haar schaduw spreidde op 't veld?
 
Zaagt ge immermeer, als nevels de aard omhingen,
 
Het elvenheir langs braambosch en struweel
 
Met zoet geluid op vlindervlerken springen?
 
Zaagt gy dit al? - dan zaagt gy bliksems veel.’ -
[p. 104]

Of wel

Winternacht.
 
‘Als 't bald'rend windenheir, ontslagen van zijn banden,
 
Het zeevlak overgiert by duistre winternacht,
 
En 't hulploos vaartuig zweept naar de ongastvrije stranden,
 
Waar slechts verderf en dood de veege manschap wacht:
 
Wanneer met elke stond de nood al hooger steigert,
 
En, bruischend, golf bij golf in 't lekke scheepshol dringt,
 
De mast verbrijzeld stort, de pomp haar diensten weigert,
 
En alles kermt en bidt en zucht en handen wringt, -
 
Dan is het grootsch en schoon voor fiergestemde harten,
 
Gelaten, onvervaard by 't woeden der natuur,
 
En dood en doodsgevaar op d' Oceaan te tarten; -
 
Maar ik zit liever t'huis by 't vuur.’

Eindelijk dient hier Van Lennep's tooneelwerk nog vermeld, ofschoon hij op dit gebied geene bijzonder glansrijke rol heeft gespeeld. Zijne aandacht werd al vroeg op de dramatische kunst gevestigd en zijne liefhebberij er voor opgewekt. Zijn vader was mede-commissaris over den Schouwburg, tot groot genoegen van den zoon, zooals hijzelf verklaart1), dewijl hij daardoor gelegenheid had om dikwijls aldaar, met of zonder verlof, een uurtje te gaan doorbrengen, en om een tal van tooneelstukken, over wier vertooning de vader te beslissen had, en waarvan de boekjes bij dezen aan huis gezonden werden, te lezen en er zijne kleine boekerij mede te verrijken.

Reeds op dertienjarigen leeftijd (1815) debuteerde hij als tooneelschrijver, en wel ter gelegenheid van het huwelijk van Mejuffrouw Van Winter met Jhr. W. Van Loon, ‘hoewel dan maar met een Harlekijnsballet’2).

De ‘eerstelingen (z)ijner jeugd’ waren Marino Faliëro en Fiesko, naar Byron en Schiller: het eerste, naar de classieke regels van eenheid van plaats gewijzigd3) en met veranderd slot, werd in 1821, in zijn studententijd geschreven: het tweede, kort daarop met gebruikmaking van nog twee andere stukken omstreeks denzelfden tijd vervaardigd, en in 1825 vertoond.

[p. 105]

Dan volgt (1828) De Staatsman bij toeval, naar het Fransch. Het jaar 1830 gaf aanleiding tot allerlei gelegenheidsstukken. Het, dorp aan de grenzen, dat hij zelf eene ‘klucht’ noemde, maar dat ondanks zijne overdrijvingen toch opgang maakte en in vijf maanden vijf drukken beleefde. Het had intusschen de verdienste, door den schrijver zelf aangewezen1), van geschreven te zijn in ‘een lossen en vrolijken dialoog, geheel afwijkende van den onnatuurlijken schoolmeesters-stijl, waarin de meeste prozastukken van die dagen geschreven werden.’ Daarop volgden in 1831 de Hulde aan Van Speyk en Het dorp over de grenzen, dat ofschoon beter samengesteld dan het eerste stuk toch geen succes had2). Voorts De roem van twintig eeuwen, ‘in October 1831 bij gelegenheid van het eerste bezoek, na den tiendaagschen veldtocht door het Koninklijk gezin te Amsterdam afgelegd, en achtereenvolgends twee-en-twintig malen opgevoerd.’

Hij was zelf verwonderd over zijne bedrijvigheid: ‘vier stukken in tien maanden tijds!’

Ik noem nog slechts Stoffel en zijn Broêrs, vervaardigd voor het vijf-en-twintigjarig jubilé van den Balletmeester A.P. Voitus van Hamme; Een Amsterdamsche winteravond in 1632, van Januari 1832. Verder eenige zangspelen, als Haarlems verlossiug (1833), Saffo (1834), Harald de onversaagde, Soliman de Tweede, De Bergwerkers (1841), naar Körner; afgewisseld door Vondels droom, vertoond ter gelegenheid van het tweede eeuwfeest van den Schouwburg; Ruwaardes Geertruida, Rembrandt van Rijn, Een droom van Californië (1848), Wie was de verdrukte? (1849); De betooverde viool en het Bloemen-oproer, Drama-ballet, naar het Engelsen.

In 1852 gaf hij eene ‘wat ingekorte’ bewerking van Shakespeare's Romeo en Julia, in 1854 van Otello. In 1858 volgde De stichting van Batavia, verder in 1859, Een Amsterdamsche jongen of het buskruit-verraad in 1622; en Het verheugd Amsterdam, bij het bezoek van den Prins van Oranje; De Zeekapitein naar E. Bulwer Lytton; Lastige lieden van 1864, en eindelijk in 1867, Een dichter aan de bank van leening.

Men ziet, dat de meeste dezer tooneelwerken gelegenheids-

[p. 106]

stukken waren, die dan ook niet langer geleefd hebben dan de aanleiding, die ze in het leven geroepen had, in 't geheugen bleef.

 

Ten slotte zij nog herinnerd, dat Van Lennep's onbegrensde werkzaamheid hem insgelijks op het gebied van geschiedenis, taalen oudheidkunde bracht. Daar ligt evenwel zeker zijne kracht niet. Ook op den arbeid, dien hij aan de uitgave van Vondel besteedde, zijn aanmerkingen van verschillenden aard te maken. De voornaamste is, dat de tekst onnauwkeurig en oncritisch, en daardoor uit een wetenschappelijk oogpunt ‘zeer slecht’ is, terwijl de chronologische rangschikking der gedichten soms nog al te wenschcn overlaat1), en eindelijk de aesthetische, maar vooral de taalkundige aanteekeningen vaak zeer onvoldoende zijn. Desniettegenstaande heeft Van Lennep zich ook door die uitgave een blijvend monument gesticht: want nu eerst kan men Vondel geheel leeren kennen, nu Van Lennep ons in de gelegenheid stelde des grooten Dichters werken in verband te beschouwen met zijn leven en zijn tijd.

Een der merkwaardigste en aantrekkelijkste boeken van Van Lennep is zijne beschrijving, in vier deelen, van het leven zijns vaders en grootvaders, waarin ons niet alleen een hoogst belangrijk tafereel van de levenswijs eens aanzienlijken burgers van het laatst der vorige eeuw wordt geschetst, maar tevens de belangrijkste wenken voorkomen over de ontwikkeling van den Schrijver zelf.

Wij hebben nog het belangrijkste uit Van Lennep's leven te vermelden: zijn streven als romanschrijver, waardoor hij zich eigenlijk een blijvenden naam en de grootste populariteit verworven heeft; maar wij besparen dit voor een afzonderlijk hoofdstuk.

1)Verg. Geschiedenis der Nederl. Letterkunde in de twee laatste eeuwen, I, bl. 340.
2)Mr. J. Van Lennep, Het Leven van C. en D.J. Van Lennep, II, bl. VIII.
3)Van hem vooral geldt, wat Falck in Nov. 1816 aan zijn vader schreef omtrent diens kinderen: ‘Zij zijn onder een gunstig gesternte geboren; de natuur heeft veel voor hen gedaan; uw voorbeeld en lessen zullen het overige doen.’ Mr. J. Van Lennep, Het Leven van C. en D.J. Van Lennep, IV, bl. 82.
1)Zie daarover Mr. J. Van Lennep, Het Leven van C. en D.J. Van Lennep, III, bl. 297-298. Onder het Keizerrijk ‘ging D.J. Van Lennep niet, gelijk men 't noemt, in de waereld, wat hem by zijn aanhoudende bezigheden een te kostbaren tijd ontroofd zou hebben; maar toch stelde hij er prijs op, enkele malen een klein maar uitgezocht getal gasten aan zijn disch te hebben, nu eens uit zijn meest beschaafde en bekwame studenten bestaande, dan eens uit innig vertrouwde vrienden. Mij waren die vereenigingen, vooral die der laatstgenoemden, ware feestmalen en niet minder zoet die, welke ik, als ik met mijn ouders op Voorland logeerde, aldaar mocht bijwonen. Immers de dochters van P. Van Winter - zijn zoon was inmiddels getrouwd - hadden zoo wel de gastvrijheid van haar vader als zijn smaak voor poëzy en fraaie kunsten geërfd en elken Saturdag kon men zeker zijn, aan heur disch, behalve de naaste maagschap, mannen aan te treffen, hun gezelschap dubbel waardig. Hoe beschaafd, zonder stijfheid, zonder scherpte, hoe vrolijk, zonder uitspatting, waren de gesprekken, alsdan gevoerd, en met wat ingespannen aandacht zat ik te luisteren. En nu nog zie ik ze voor my, die gastvrienden, zoo degelijk en zoo vernuftig tevens. De Bosch, met zijn groote paruik, zijn blijmoedig gelaat en zijn open blik, De Bosch, even hooggeschat om zijn geleerdheid als bemind om zijn zachtzinnigen en gullen aart: en Elout, sints lange jaren gastvriend op Voorland als op 't Manpad, Elout, die, als Ulysses, veler menschen zeden en landen gezien hebbende, onuitputbaar was in vernuftige opmerkingen, belangrijke reisverhalen en vermakelijke anekdoten, en die aan al wat hij zeide of vertelde nog een dubbelen geur wist te geven door originaliteit van houding en gebaren: den bekwamen en goedhartigen Oud-Pensionaris van Leyden Frederik Willem Boers, van ouds reeds een boezemvriend van P. Van Winter, hem, die mede op veelvuldige reizen een schat van kunde had opgedaan, en zich door smaak en belezenheid gelijk door kinderlijken aart by reeds gevorderden leeftijd onderscheidde: Kemper, die, al woonde hy te Leyden, Amsterdam daarom niet vergat; Kemper, wiens ronde, welluidende stem den indruk der goede dingen welke hy zeide zoo zeer wist te verhoogen: Frederik van de Poll, die als volle neef en jachtgenoot van D.J. Van Lennep en als gehuwd met de volle nicht van diens vrouw, door dubbele banden aan hem verbonden was, en die zich als voortreffelijk rechtsgeleerde en welsprekend pleitbezorger een naam begon te maken: - Collot d'Escury, den schrijver van ‘Hollands Roem’, zoo beschaafd van vormen, zoo rijk in belezenheid, - en, want ik kan allen hier niet noemen, last not least, als de Engelschen zeggen, Falck, die sedert de inlijving aan alle politieke betrekking vaarwel gezegd hebbende, zich te Amsterdam als advokaat was komen vestigen. Van dezen laatste behoef ik naauwlijks te zeggen, dat hij in den omgang was gelijk hij zich in zijn brieven aan ons voordoet, altijd even helder van hoofd en hart; zijn gedachten in den cierlijksten vorm openbarende en zijn gesprekken telkens opluisterende met de stralen van zijn schitterend vernuft, met aanhaling uit oude en nieuwe dichters, altijd even gelukkig en op het juiste tijdstip te pas gebracht. Geen wonder dan ook, dat bij personen van elken ouderdom en kunne, die niet geheel van smaak misdeeld waren, zijn gezelschap op prijs gesteld werd, dat wie hem eens gezien en gehoord had hem niet weder vergat, en dat, toen in 1857 zijne brieven in 't licht kwamen, nog menige Amsterdamsche matrone zich die aanschafte om den man weder in zijne schriften te hooren, naar wiens woorden zij omtrent eene halve eeuw te voren met zoo veel genoegen geluisterd had.’ - Zie ook de voorrede tot Marino Faliero in het I D. der Treur- en Blijspelen, bl. 9-10; en Poëtische Werken, VIII, bl. 10.
1)Dit gedicht werd het eerst in Augustus 1826 in eene openbare zitting van de Tweede Klasse van het Instituut voorgelezen. ‘Hoe algemeen en diep de indruk daarbij was, moge onder anderen blijken uit de omstandigheid, dat een van 's Dichters medeleden in de Klasse, de beroemde prozaschrijver Jacobus Koning, er zich tot dichten door genoopt voelde en (een)... extempore aan D.J. v. L. toezond.’ Mr. J. Van Lennep, Het Leven van C. en D.J. van Lennep, IV, bl. 240. Zie: Penon, Nederl. Dicht- en Prozawerken, V, bl. 395.
2)Zie Het Leven van C. en D.J. van Lennep, II, bl. 20, 21, 31, 40; III, bl. 2; IV, bl. 296. Zie het portret van zijn grootvader, een in ieder opzicht ontwikkeld man en gentleman, aldaar, II, bl. 32 en 292; en dat zijner grootmoeder, IV, bl. 246.
1)Verscheidenheden, IV, bl. 3.
2)Het Leven van C. en D.J. van Lennep, III, bl. 260.
3)Aldaar, bl. 231.
4)Poëtische Werken, VIII, bl. 13.
5)Treur- en Blijspelen, I, bl. 20.
1)Nederlandsche Legenden, II, bl. 8.
2)Verscheidenheden, IV, bl. 5.
3)Dichtkundige Werken, VIII, bl. 15.
1)Bericht voor den derden druk van het Eerste deel der Nederlandsche Legenden (1859).
1)Zie het voorbericht van Het Dorp aan de grenzen, in zijne Treur- en Blijspelen, I, bl. 265.
2)Levensberichten der Maatsch. der Ned. Letterkunde, 1869, bl. 45.
1)Wat Van Lennep in Adegild het ‘witte wijf’ in den mond legt, is grootendeels ontleend aan Scott's Pirate. Zie Beets, Verscheidenheden, IV, bl. 11 en Ten Brink, Geschiedenis der Noord-Nederlandsche Letteren in de XIX eeuw, I, bl. 173.
1)Het Leven van C. en D.J. van Lennep, IV, bl. 18.
2)Het Lezen van C. en D.J. van Lennep, IV, bl. 57.
3)Zie Treur- en Blijspelen, I, bl. 23.
1)Dichtwerken, VIII, bl. 319.
2)Zie Treur- en Blijspelen, II, bl. 70.
1)Zie Dr. G. Penon, Historische en Bibliografische Beschouwing van Vondels Hekeldichten, bl. 155-156, 159.
prepostterug  begin  verder