begin  verderprepost
[p. 1]

[Voorwoord door Prof. Mr. H. de la Fontaine Verwey]

Bibliografische werken kan men een noodzakelijk kwaad noemen. Immers, is er afschrikwekkender lectuur te bedenken dan eindeloze reeksen van boektitels, waarbij dus de signalementen van duizenden boeken, die men tòch niet lezen kan, opgestapeld worden? Van ‘lectuur’ kan eigenlijk nauwelijks sprake zijn, want wie beschikt over voldoende aandacht of uithoudingsvermogen om dergelijke werken geheel door te lezen?

Dit neemt niet weg, dat bibliografieën noodzakelijk zijn. Zij geven een zo volledig mogelijke opsomming van de geschriften, die in een bepaald land, een bepaalde taal, een bepaalde periode of over een bepaald onderwerp het licht gezien hebben. Zij zijn dus onmisbare hulpmiddelen voor wie concrete inlichtingen over boeken wenst, maar ook voor wie zich oriënteren wil over een bepaald facet van het letterkundig leven in ruime zin. Maar iets anders dan een min of meer gebrekkig hulpmiddel kan een bibliografie niet zijn, ook al omdat het gewoonlijk meer op de volledigheid der geboden gegevens aankomt dan op de critische bewerking ervan. Bovendien zullen dergelijke werken, vooral de nationale bibliografieën, d.w.z. de opsommingen van alle boeken in een bepaald land verschenen, dikwijls van zo grote omvang worden, dat het practisch onmogelijk is van deze werken een ander gebruik te maken dan voor het beantwoorden van concrete vragen. Een enkele maal heeft men getracht een bibliografie leesbaar te maken door het inlassen van amusante opmerkingen, maar dit is tenslotte een vervalsing van het genre. Werkelijk leesbaar is een bibliografie slechts in een hoogst zeldzaam geval. Dit is bij uitzondering mogelijk wanneer het gaat om een reeks van titels, die alleen door hun vermelding en door hun onderlinge samenhang reeds zonder commentaar een duidelijk beeld oproepen van een bepaalde cultuurperiode of een geestelijke activiteit.

[p. 2]

Het werk van de Heer de Jong, dat hierbij geboden wordt, is zulk een zeldzame vogel in de bibliografische volière. In wezen is het een stukje nationale bibliografie, maar wie het ter hand neemt, zal tot zijn verwondering bemerken, dat in deze simpele, op 't eerste gezicht misschien afschrikwekkende vorm een uiterst boeiend beeld geboden wordt van het Nederlandse geestesleven tijdens de bezetting. Een stukje nationale bibliografie: immers, hier vindt men met de grootste zorg bijeengegaard de volledige gegevens omtrent alle werken van letterkundige aard, die niet in de ‘officiële’ bibliografie van die dagen vermeld staan: de boeken in het verborgene gedrukt. De opsporing en de beschrijving van deze categorie van boeken, uit welke periode of welk land ook, zij het uit de hervormingstijd of de Franse revolutie, geldt van oudsher als de hogeschool van de bibliografische voltigeerkunst. In tegenstelling tot de speurders naar clandestiene drukken uit vervlogen perioden heeft de samensteller van deze bibliografie het voorrecht gehad, dat hij de beschreven periode zelf als ‘boekenman’ en bibliograaf actief heeft meegemaakt. De nasporingen, toen begonnen, heeft hij na de bevrijding terstond voortgezet. Over de hoeveelheid speurzin en geduld, die nodig geweest is om dit resultaat te bereiken, moet men niet gering denken. Niemand anders dan de Heer de Jong was tot deze arbeid in staat en voor deze uiterst welkome aanvulling op onze nationale bibliografie (men zou dit boek kunnen noemen ‘wat niet in Brinkman staat’) moeten wij hem uiterst dankbaar zijn.

Doch zoals gezegd, ondanks de strenge beperking tot zuiver bibliografische gegevens geeft dit boek nog veel meer. Het weerspiegelt getrouw en in al zijn facetten het nationale letterkundige leven tijdens de bezetting, toen de vrije Nederlandse schrijvers zich, ondanks het optreden van de bezetter en zijn handlangers, uiten wilden, toen de vrije Nederlander zelf zijn lectuur wilde kiezen en vindingrijke geesten ervoor zorgden, dat die lectuur gedrukt werd. Er is in onze letterkundige geschiedenis wellicht geen periode aan te wijzen, waarin de litteratuur zulk een even brede als diepe werking gehad heeft. Men kan zelfs zeggen, dat de letterkunde een der krachten geweest is, die het volk weerbaar gemaakt en tot verzet gebracht hebben. Niet in directe zin: slechts een klein gedeelte van de hier beschreven boeken zijn van opstandige aard en staan in rechtstreeks verband met het verzet; ook niet in nationale zin: juist in die dagen

[p. 3]

greep men gaarne naar wat kwam van over andere grenzen dan die in het Oosten; zelfs niet in actuele zin: immers, de klassieke en exotische litteraturen zijn hier ruimschoots vertegenwoordigd. Desondanks moet getuigd worden, dat nooit tevoren de letterkunde zo opstandig, zo nationaal en zo actueel geweest is als tijdens de jaren van de bezetting; dat de kracht van de poëzie als menselijke levensuiting zelden zo sterk gevoeld is als in die jaren toen niet alleen de jongeren, die haar tot dusver nauwelijks kenden, in kerker en kluis actief haar bevrijdende werking beleefden, maar ook aan talloos velen, voor wie zij een gesloten boek gebleven was, haar betekenis geopenbaard werd. Misschien mag men zeggen, dat de Duitse occupatie nuttig geweest is om ons Nederlanders duidelijk te maken, dat de litteratuur ‘une occupation inutile’ en daarom van onschatbare waarde is.

 

H. de la Fontaine Verwey

prepost  begin  verder