Toen Hilda de kamer was uitgeslopen, bleef ze een oogenblik besluiteloos in den gang staan. Wat moest ze doen? Het was nog te vroeg om naar huis te gaan; ze was pas aan het uitzoeken begonnen! Maar als ze naar de bibliotheek ging zou ze er misschien Bernard vinden en hij zou denken dat ze voor hem kwam .... Toen werd er een deur geopend, achter in de gang en met een plotselinge angst, dat men haar daar betrappen zou, alsof ze stond te luisteren, vloog ze den trap op, naar boven, naar de bibliotheek, die ze tot hare groote geruststelling leeg vond.
‘O! wat een trouble en gezeur allemaal!’
Met een langen zucht wierp ze zich in een der armstoelen, maar ze was te opgewonden om te kunnen blijven zitten, en een paar keer ging ze de kamer op en neer, langs de boekenrijen, werktuigelijk de titels der banden lezend, zonder iets van den zin te begrijpen. Het boek waarin mevrouw Cranz had zitten lezen, - een engelsche brochure die veel opgang had gemaakt over den arbeid van fabrieksinspectrices, - lag geopend op de tafel. Hilda nam het op, en bleef er een poosje in kijken,
maar toen ze op het einde der pagina was gekomen, merkte ze dat ze geen woord had begrepen.
Heele fragmenten van haar gesprek met Bertha kwamen haar telkens voor den geest, woordelijk en met een helderheid die haar buiten staat maakte iets anders in zich op te nemen. En telkens vond ze nieuwe argumenten tegen Bertha's bezwaren en het maakte haar wanhopend dat zij daar straks niet aan gedacht had. ‘Arm schepseltje, wat zal ze nou gaan doen? Hoe kan Moisette toch zoo bekrompen zijn! Ik hoop dat mevrouw het hem es flink zegt....’ Maar toen kreeg ze toch weer medelijden met hem: misschien kon hij niet anders dan zoo denken. Er zijn planten die van zon en andere die van schaduw houden, misschien zijn er ook menschen die zich van zelf getrokken voelen tot het nieuwe licht, en anderen die liever leven in den schemer van verouderde gedachten.
Weer liep ze doelloos rond, heel zenuwachtig en stond voor het raam, in zich zelf brieven opstellend, die ze aan Bertha schrijven wou. Toen, in eens, hoorde ze in de stilte van de kamer het tergend rustige tikken van de pendule. Ze keek om, het moest wel 'n half uur zijn sinds ze hier wachtte! Maar de klok tikte onverschillig haar antwoord dat pas tien minuten waren voorbij gegaan.
Daar viel haar blik op de schrijftafel, waar postpapier gereed lag; bijna zonder te beseffen wat ze deed, ging ze er heen en schreef:
Lieve Corona!
Ken je de geschiedenis van Bertha Wendelings? Ik ben er dezen morgen zoozeer van vervuld, dat ik bij wijze van veiligheidsklep mijn emotie even
praat, maar weet je wat me in dit gesprek telkens heeft gefrappeerd? Dat wij eigenlijk tegen twee stroomingen tegelijkertijd hebben te worstelen! Aan den eenen kant staan zij die ons inferieur rekenen aan den man, en bij elken stap ons toeroepen: ‘onvrouwelijk! want dit werk is te hoog voor u!’ Aan den anderen kant staan onze vereerders, bij elk onzer bewegingen klagend: ‘onvrouwelijk! Gij staat te hoog voor dezen arbeid! En het groote publiek schermt met de argumenten der beide partijen tegelijk! Maar beide deze stroomingen zullen we overwinnen, Cora, en dan zal de tijd dáár zijn dat we vrij en onbeperkt werkzaam zullen kunnen wezen op alle gebied, al naar onze individueele gaven en krachten! niet boven of onder den man, maar naast hem!
Adieu lieve, vergeef mijn slordig schrift.
Je Hilda.
Langzaam vouwde ze het briefje samen, toen de deur zachtjes geopend werd. Ze zag niet op, maar boog zich kleurend dieper over de enveloppe; ze voelde dat het Bernard zijn moest.
‘O! Pardon, freule, ik wist niet .... ik stoor u toch niet?’
‘Volstrekt niet, mijnheer Cranz, ik heb hier maar even gewacht, omdat uw mama iets met dominee Moisette te bespreken had.’
‘Ja, zijn WelEerwaarde schijnt het vandaag erg verbruid te hebben!’ zeide hij met een leelijken lach.
Hilda voelde het onedelmoedige, het leedvermaak dat in zijn woorden lag, en het ontstemde haar.
‘Het is geen wonder,’ zeide ze koel, ‘in dezen tijd, dat op alle gebied de nieuwe idees tegen de ouwe indruischen, dat men het niet altijd eens is,
al is verder de sympathie ook nog zoo groot! Trouwens hun onderwerp is belangrijk genoeg om er 'n beetje over te discussieeren!’
‘O ja, de emancipatie, nietwaar?’ - Hij zeide het met zijn glimlach van voorname ironie, die haar zoo dikwijls had geërgerd. - ‘Ik was straks even in de kamer daarnaast en ik hoorde ze redeneeren, alsof hun leven er van afhing, over vrouwenarbeid en hongerloonen en ik weet al niet wat! Mijn God, freule, ik moet u bekennen, de vrouw zelf vind ik 'n heel belangrijk onderwerp van gesprek, dat blijft altijd hoogst interessant, al praat je er ook nog zooveel over! maar haar arbeid en rechten .... ik moet u zeggen .... dat lijkt me al heel weinig aantrekkelijk! Maar nou vindt u me zeker afschuwelijk ouderwetsch?’
‘U spreekt zeker liever over de toiletten en de chronique scandaleuse der dames? Dat kan ik me best begrijpen, dat is ook veel pikanter!’ Ze zeide het scherp, even kleurend onder den prikkel van haar vinnigheid, waar ze zich half over schaamde, en half in genoot. Toen opstaande: ‘Maar wie weet hoe lang uw mama nog over die “weinig aantrekkelijke” kwesties zal blijven praten! Wilt u haar zeggen dat ik morgen terug zal komen, maar nu maar naar huis ben gegaan, omdat ik nog wat te doen had?’
‘O! maar blijft u toch nog een oogenblikje!’ zeide hij in eens heel zacht, met dien warmen vleiklank in zijn stem, die hij wist dat bekorend op vrouwenzenuwen werkte. ‘Mama zal wel zóó klaar zijn en ze zou 't zeker naar vinden als ze u niet meer gezien had.’
Hij stond vlak voor haar nu, en zijn oogen zochten de hare. Al haar koelheid en scherpe
woorden hadden nooit indruk op hem gemaakt; hij had ze eenvoudig voor eén van die ondoorgrondelijke vrouwengrillen gehouden, waarmee je je hoofd maar niet te veel breken moet. Misschien ook was ze 'n beetje koket en wilde ze hem vóór de overgave nog even laten voelen, dat haar conquête zoo makkelijk niet was. ‘Jonge meisjes hebben dikwijls van die prikkelbaarheden en kunstjes! maar dat ze werkelijk iets tegen hem had, had ze hem geen minuut kunnen wijsmaken .... en toch.....’
Een wild verlangen kwam plotseling in hem op om het trotsche mondje met kussen te bedekken, om de hoog opgerichte houding van haar lichaam te breken in den druk van zijn armen, om haar week en schuchter te maken door de aanraking van zijn hartstocht. Hij wilde een einde maken aan de stil knagende onrust die hem niettegenstaande al zijn zelfvertrouwen toch onverwachts altijd weer bekroop. Waarom zou hij het haar nu ook niet zeggen? Ze waren alleen en ongestoord. Maar Hilda, als bij intuitie, voelde hoe plotseling het begeeren in hem wakker werd. Een oogenblik vervulde het haar met verlammenden schrik, toen, met een lichte, schuwvogeltjes beweging gleed ze langs hem heen tot aan de deur.
‘Nee, heusch, mijnheer Cranz, 't is beter dat ik nou maar naar huis ga. Wilt u veel groeten aan mevrouw doen?’
Zonder hem aan te zien, gejaagd, en vóór hij iets kon antwoorden, holde ze de trap af, tot aan de voordeur. Maar buiten bleef ze een oogenblik staan, huiverend niettegenstaande de zomermiddaghitte, die in de straat was, haar verzengend tegemoet kwam. Het was even, of de opwinding haar de kracht tot gaan ontnomen had, maar de
angst dat Bernard haar misschien zou nazien dreef haar toch dadelijk voort.
En thuiskomend wierp ze zich moe achterover op haar bed, inzinkend een oogenblik onder de reactie van dien langen morgen vol zenuwspanning, maar zonderling, toch was er iets als vroolijkheid in haar voelen. Voor het eerst sinds lang had ze met hartstocht ergens in belang gesteld, met warmte iets bestreden, iets verdedigd en de ongewone geestesinspanning had een trilling van levenslust in haar gewekt. Misschien was ze wat al te heftig geweest, maar evenwicht bewaren was ook zoo moeielijk .... De emoties met Cranz en Moisette waren ook wel pijnlijk geweest, maar nu ze Bernard's declaratie had weten te voorkomen, zou ze hem immers verder ook wel op een afstand kunnen houden? En terwijl ze neerlag, heerlijk rustend, en de herinneringen van dien morgen aan haar voorbijtrokken, onder de 'n klein beetje romantische verlichting harer verbeelding, voelde ze op eenmaal hoe jong en krachtig ze was en dat ze veel met haar leven wilde doen. Een kleine prettige tinteling van energie werkte na uit de opwinding van haar gesprekken en ze glimlachte met gesloten oogen, blij in dit ontwakensgevoel na al die maanden van doelloos alledaagsch bestaan.