terug  begin  verder
[p. 281]

[XXV]

Maar de jong moedige stemming van dit rustuur was niet bestand tegen de zenuwprikkelingen van den middag.

Eugénie verscheen aan de koffietafel, bleek, klagend over hoofdpijn, gewapend met een arsenaal dier wondende toespelingen, dier hatelijke allusies. die zij ook in de meest gewone gezegden wist te leggen, en die als giftige dolken sluipmoordend in het huisgezin den vrede en de vreugde verwoesten zonder zelfs hun slachtoffers gelegenheid te geven om zich in eerlijken kamp te verdedigen.

Na den lunch waren Hilda en Corry naar het strand gereden, waar zij mevrouw Vermaezen zouden vinden. Iedereen was er, en Rooselaar was hen komen aanspreken en Corry had zacht en teeder met hem gepraat, de naieve blauwe oogen onschuldig tot hem opgeheven, het kindermondje glimlachend om elk zijner woorden. En Hilda had er bij gezeten in machtelooze drift om het verraad van dit blonde engelenkopje en de blindheid van dien man, en toen hij eindelijk was weggegaan had kort daarop von Görtzen zijn plaats ingenomen en was hetzelfde spel vertoond.

‘Geloof je dat von Görtzen je vragen zal?’ zeide Hilda onder het naar huis rijden.

‘Nous verrons, nous verrons.’ Corry lachte even, verwonderd over Hilda's toon van ter verantwoording roepen. ‘Ik geloof het wel, maar men weet het eigenlijk nooit .... Ik had gedacht dat ie 't al lang gedaan zou hebben’.

‘Waarom ben je dan nog zoo lief tegen Rooselaar?’

‘Wel, ten eerste, omdat ik hem heusch heel aardig vind, ten tweede omdat flirten altijd amusant is en ten derde .... In October word ik al vier en twintig! Als Görtzen me niet vraagt, dan neem ik Rooselaar. Ik bedank er voor om

[p. 282]

zooals Eus oud te worden en te zitten grienen, omdat ze zoo zachtjes aan het succes ziet verminderen, of in philantropie te gaan scharrelen, zooals Willy en Betsy en al die anderen.’

Corry lag makkelijk achterover in het rijtuig, en mooi kleurde het donkere goud van haar hoofd tegen het teer mauve van den parasol, dien ze achter zich hield. Heel stellig en eenvoudig had ze het gezegd, zooal iemand die vertelt langs welke route zij haar plezierreisje zal nemen en met 'n zonderlingen, strak energieken blik, die vreemd stond in het kindergezicht, zag ze voor zich uit. Hilda bleef sprakeloos bij het kille cynisme uit die rose lipjes.

Zwijgend reden zij naar huis, en toen langzamerhand kwam de oplossing klaar voor Hilda's oogen van het raadsel, waarover zij zoo dikwijls had nagedacht, waarom toch aan de vrouw zoo bitter in vroegere en latere tijden is verweten, dat haar wezen valsch en bedriegelijk is. Zij had er telkens van gelezen: kerkvaders en oude schrijvers, philosofen en philosoofjes hebben het elkander steeds nagezegd, tot in couranten-feuilletons vindt men er de echo van. Zij had er zich dikwijls over verwonderd, geërgerd; maar van middag had ze het begrepen. Duizende kooplieden, bankiers, diplomaten, notarissen, makelaars, advocaten, politieke leiders en journalisten mogen dagelijks hun beroepsonwaarheden zeggen, alle Don Juans en avonturiers mogen de schandelijkste leugens gebruiken, hun bedrog heeft nooit heel het mannelijk geslacht als valsch verdacht gemaakt. Maar is het een mooi vrouwenmondje, vol zoete weeldewoordjes, en kinderlijke lachjes dat in bedrog en leugen heeft gesproken, dan ligt daarin iets zoo stuitends, zoo alle geloof in waarheid schokkends dat als

[p. 283]

van zelf de gedachte schijnt op te rijzen: zoo zullen zij wel allen zijn, alle vrouwen moeten valsch zijn, nu deze heeft kunnen bedriegen! Vele anders toch zoo scherpzinnige mannen hebben zich tot het onrecht van die uitspraak laten verleiden, ook al behoorden zij beter te hebben geweten, dat waarheid een groote en moeielijke deugd is, die alleen bij de edelsten van beiderlei geslacht kan gevonden worden! Maar zoo was het nu eenmaal en als straks von Görtzen zich gedeclareerd zou hebben en Rooselaar zou hebben begrepen hoe Corry met hem gespeeld had, dan zou ook hij weer alle vrouwen gaan aanklagen en haar allen verdenken en bitter over haar spreken om dit eéne mooie kind.

terug  begin  verder