terug  begin  verder

[XXX]

Hilda was te kort geleden haar eigen worstel-periode ingetreden om zich lang te verdiepen in Eugénie's klagelijken toestand, maar toch voelde ze er de terugwerking van en het maakte haar lusteloosheid nog grooter.

Vreeselijk terneer gedrukt zette ze zich op den rand van haar bed en een lange rij van vage mistroostige gedachten begon zich te ontspinnen, van onduidelijke plannen om naar vrienden in Amerika te gaan, of om diacones te worden, ofschoon ze voelde dat ze er de ware roeping voor miste, allerlei phantastische plannen, die ze eén voor

[p. 317]

eén zuchtend verwierp, tot ze eindelijk ziek was van verveling en weltschmertz.

Toen kwam Corona; met haar lichten vrouwenstap was ze onhoorbaar de trap opgekomen en op eens stond ze voor haar, de kamer vullend met een atmosfeer van moreele kracht en goedheid, die vreemd verkwikkend op Hilda inwerkte na haar week gepeins.

‘Wel klein meisje, wat zit je daar? Verzen aan 't maken of aan 't treuren over de zonden der menschheid? Schaam je je niet 'n klein beetje, op een dag dat de zon zoo mooi schijnt en dat er zooveel goeds in de wereld te doen is?’

Hilda stond op en trachtte vroolijk te zien, maar op eens, juist toen ze zich voelde lachen, kwam er een droefheid over haar, die ze niet meester was. Zij sloeg beide armen om Corona's hals en bleef even tegen haar aanliggen, terwijl een paar groote tranen langzaam opwelden en toen zwaar neervielen als eerste groote druppels van een onweersbui.

‘Wat is er landje, verdriet?’

‘Nee Corona, eigenlijk niet; ik geloof dat ik maar 'n beetje uit m'n humeur ben.’

‘Dat bestaat niet, Huldy. Dat is 'n woord zonder zin. Als je je naar voelt is er òf een physieke reden, en dan zal ik als doktores met je spreken, òf een moreele reden en die moeten we dan zien weg te ruimen. Wat is het, denk je?’

Hilda zuchtte. ‘Het is moreel, denk ik,’ zeide ze aarzelend. ‘Het is omdat ik wee ben van me zelf en m'n tegenwoordig leven. Ik word er slecht en zwak door; ik weet zeker dat mijn vader, als ie zien kon hoe ik nou leef, meer als 'n kapel eigenlijk dan als een mensch, diep bedroefd zou zijn. Hij heeft me zoo heel anders

[p. 318]

opgevoed, en ik heb het altijd in me gevoeld het verlangen, om mijn leven te gebruiken, om er iets moois van te maken, en ik weet niet hoe ik dat hier bereiken kan.’

‘Is dat alles?’ zeide Corona.

Hilda knikte, en ging voort, blij in woorden te kunnen brengen wat ze al zoo lang gevoeld had en sinds eergisterenavond in bange klaarheid had begrepen.

‘Ik walg van me zelf en van al de anderen. Kun je me niet helpen, om hier weg te komen? Al de meisjes haast, die ik ken, zijn òf zenuwziek van verveling en teleurstelling en onbevredigde verlangens, òf ze hebben geen vermoeden zelfs hoe leeg en armzalig, eigenlijk onwaardig haar leven is. Het maakt me wanhopend, Corona, dat alles bij te wonen en mee te maken. Ik ben nu twee en twintig, mij dunkt dat het kinderleven nou uit moet zijn, Ik wil nu een vrouw zijn, Corona, een mensch, een willend, levend, werkend mensch. Kun je me niet helpen?’

Hijgend, in volle jonge opwinding, terwijl het bloed in donkeren gloed langs haar slapen opbruischte, stond ze voor Corona, die met een brijen lach geluisterd had. Elk van Hilda's woorden had een vreugdetrilling in haar hart gewekt,

‘Ja zeker wil ik je helpen. Ik wachtte al lang dat je het me vragen zou.’

‘Hoe meen je dat?’

Corona nam haar handje en streelde het. ‘Dacht je dat ik niet dadelijk begrepen had dat jij je ten minste niet rustig zoudt neerleggen en vrede vinden bij het gewone meisjesbestaan? Ik heb het dadelijk gevoeld, toen ik je zag, maar ik moest wachten tot je uit je eigen ontwaakte. O! de maatschappij is zoo arm, zoo slecht, zoo leelijk!

[p. 319]

Ze heeft zoo hoog noodig menschen die zich met volle liefde aan haar wijden, op welke manier dan ook, en ik heb altijd gehoopt en geloofd dat jij tot het kleine leger zoudt willen behooren van hen die hun hartebloed geven om de wereld 'n klein beetje mooier en beter te maken. Is het niet zoo?’

Hilda beefde van opwinding, Corona's blijde emotie ging in eens in haar over en opgezweept door jong genereus enthousiasme, was het haar of er plotseling een stroom van kracht door haar heen ging.

‘Wat moet ik doen?’ zeide ze fluisterend.

Corona dacht even na. Morgen is het Zondag. Dan maak ik altijd zoo min mogelijk rijke visites en ga alleen enkele armen bezoeken, die me speciaal interesseeren. Als het je ernst is om het eigenlijke leven te beginnen ga dan met me mee. Je zult veel groote ellende zien, het lijkt haast wreed om je zoo in direkte aanraking met het wezenlijke leed te brengen, maar de waarheid leeren zien is toch het eerste wat we doen moeten als we willen helpen. Wat geeft het of we in vage theorieën en melancholieke droomerijen medelijden voelen en zuchten om verbetering, als we de menschen en de toestanden niet eerst zelf hebben gezien?’ - Zij stond op - ‘Wil je komen, morgen om tien uur?’

‘Ik zal komen,’ zeide Hilda bijna plechtig, maar toen, in eens, in kinderlijke onstuimigheid, pakte ze Corona beet en omhelsde haar. ‘Zeker zal ik komen!’ en zij glimlachte, maar in haar oogen was reeds iets van den mysterieusen ernst van een nieuwe toekomst.

terug  begin  verder