terug  begin  verder
[p. 323]

[Tweede deel]

[XXXI]

Corona stapte haastig in haar coupétje, bang zich door het gesprek met Hilda wat verlaat te hebben; ze wist dat verscheiden patienten thuis nog op haar wachtten.

Edward stond voor het salonraam met zijn vriend Stephaan van Brehnen en zij zagen haar gaan.

‘'n mooie vrouw toch, die juf-doctores,’ zeide Stephaan, te vergeefs trachtend zijn bewondering weg te huichelen onder den spottenden vorm.

Edward knikte en wond langzaam, met onbeschrijfelijk fatuiteit zijn mooien rossen knevel omhoog. ‘Ja, gek, dat ze nog geen man heeft kunnen vinden, maar niemand schijnt er aan te durven. 't Is tegenwoordig niet makkelijk voor meisjes om beet te krijgen!’

Beiden lachten den naief hoovaardigen lach van heel jonge ijdelheid. Het is zoo streelend zich het doel van alle meisjesdroomen te voelen en toch vast van plan te zijn om ‘er niet in te loopen.’

‘Zeg jij maar niks, kereltje,’ plaagde van Brehnen, jij zult gauw genoeg ingepalmd zijn door Betty de Mureaux's lieve blikjes.’

Maar Edward schudde heftig het hoofd en fluisterde zijn vriend iets in het oor, waarop zij beiden schaterlachend de kamer inliepen.

En terwijl reed Corona naar huis, het hoofd

[p. 324]

duizelend vol gedachten. De komst van het onbekende kindje, het kindje van Frank, Hilda's ontwaken en de geheime hoop die zij daarop bouwde, Marietje Roerade en haar arme kleine baby, en haar eigen groote levensproblemen, pijnlijk dwarrelde het dooreen in haar moeë hoofd. Een oogenblik hield zij de handen voor de oogen, worstelend om kracht. O! God hoe zwaar was het leven! Maar thuis, onder de lange rij patienten, die zij dien middag ontving, was er geen die den storm achter het reine voorhoofd bemerkte. Zoo gaan vele vrouwen daarhenen met kalmen glimlach en rustige trekken, en de wereld, die spottend vraagt waarom zij niet getrouwd zijn, heeft zelfs geen vermoeden van den geweldigen strijd die daar plaats heeft gehad in de harten dier stil voorbijgaande figuren.

terug  begin  verder