terug  begin  verder
[p. 358]

[XXXV]

Worstelend om haar tranen te bedwingen waarvoor ze zich, als voor een zwakheid, tegenover Corona's sombere kalmte, schaamde, reed Hilda een poos zwijgend naast haar voort.

Toen vatte de jonge doktores haar hand en met een scherpen blik van onderzoek op haar bleek gezichtje, zeide ze zacht:

‘Is het niet te veel voor je geweest, lieveling? Ik wou dat je 'n sterken indruk zoudt ontvangen vanmorgen van wat er geleden wordt, maar het toeval is haast al te gedienstig geweest, die ontmoeting met dien armen, half dronken vader had ik je nou wel willen sparen.’

Hilda durfde niet antwoorden, haar keel was heet en gezwollen van tranen, die ze met geweld neerhield, en weer reden zij een oogenblik zwijgend voort. Toen hervatte Corona meer tot zich zelf dan tot Hilda:

‘En dan te denken, dat er schatten besteed worden om Mahomedanen te bekeeren! Is het niet om te lachen, bitter te lachen, dat men zich hier ongerust maakt over de bigamie der Oosterlingen, terwijl bij duizenden hier, in ons z.g. Christelijk Europa, door in Christus' naam gedoopten, zulke slachtoffers worden gemaakt! De Mahomedaan onderhoudt tenminste de vrouw die hij liefheeft, en zijn kind brengt hij groot! Maar hier noemen ze haar gevallenen, de arme schepseltjes als Marietje, in plaats van neergeworpenen! Neergeworpenen door de zinnelijke zelfzucht van den man, of liever door het gehuichel van onze maatschappij, die met twee maten meet! en voor den man met 'n glimlachje spreekt van vergefelijke jeugdzonden, en voor de vrouw met een wreedheidsgrijns van verloren gaan en onteerd zijn!

O! Hildy. dit is vrouwenemancipatie, dat al de

[p. 359]

Marietjes van de heele wereld, met haar arme Christientjes niet langer meer liefdeloos zullen worden uitgestooten, terwijl de vader van het kind trotsch en geëerd door de wereld gaat!’

Hilda antwoordde niet. De gedachten dwarrelden haar door het hoofd, zij trachtte te begrijpen, maar ze kon aan niets anders denken dan aan Marietje's vermagerd kindergezichtje, zoo droevig jong met den vroegwijzen blik van veel doorstane wanhoop. Eindelijk vroeg ze aarzelend:

‘Maar is er dan geen wet die de verleiding van minderjarige kinderen straft? Ik dacht dat ik Edward verleden zoo iets had hooren zeggen!’

‘Ja zeker,’ zeide Corona, ‘meisjes beneden de zestien jaar worden door de wet beschermd, maar Marietje is net zeventien geworden, en dan zijn zij vogelvrij verklaard. En als je bedenkt wat een kinderen het nog zijn! En toch vindt de wet, dat zij op dien leeftijd maar voor zich zelf verantwoordelijk zijn moeten! Is het niet het toppunt van inconsequentie? Ons wetboek stelt de getrouwde vrouw onder de curateele van haar man en overal waar het maar kan, verklaart het de vrouw onmondig ongeschikt om haar burgerrechten te bezitten, maar van het meisje van zestien jaar veronderstelt het, niettegenstaande al de gevaren van verleiding, armoede, verlatenheid en onkunde, dat het sterk genoeg, ik zou in vele gevallen willen zeggen: heldhaftig genoeg zij, om weerstand te bieden aan alle verzoeking!

O! ik weet wel, dat al die treurige dingen in onze wetten, min of meer historisch kunnen verklaard worden en dat Napoleon er veel van op zijn geweten heeft, maar soms vraagt men zich toch af of de mannen die het wetboek hebben samengesteld en vooral die het kalm onveranderd

[p. 360]

hebben gelaten, geen van allen vaders zijn geweest om niet te beseffen wat het voor 'n meisje is, om op zestien jaren te worden prijsgegeven aan wie maar misbruik van haar maken wil. Zij mag verleid, bedrogen, onteerd, moreel vermoord worden, door elken ellendeling; eerst als ze in razende angst voor de schande die alleen op haar neerkomt een wanhoopsmisdaad heeft bedreven bemoeit zich de gerechtigheid(?!) met haar! Maar .... alleen om haar te straffen! Zou men soms niet denken, dat onze wetgevers vrouwenhaters zijn geweest? Maar als men dan rondkijkt in de wereld en ziet hoe onze lieve zachte deugdzame dames al even wreed zijn in haar verachting voor de zondares, en eindeloos geduldig in haar vergeven van den zondaar, dan merkt men opeens hoe wanhopig diep het vooroordeel en het onrecht nog zijn ingeworteld!

Zoolang de vrouw zelf niet beseft, dat het aan haar is om de rechtvaardigheid in zedelijke kwesties, die zoo lang verkracht is, te herstellen, zoolang zij niet, waar zij toornt tegen haar onreine zuster, precies denzelfden toorn tegen haar onreinen broeder uitspreekt, en waar ze haar broeder uit het slijk opheft, dezelfde, precies dezelfde hand aan haar zuster toesteekt, zoolang zal ons wetboek vol van zedelijk onrecht blijven en zullen Marietje Roerade's lotgenooten hopeloos gesteenigd worden. Maar wij moeten meehelpen, Hilda, om die toestanden te veranderen, niet waar? En we zullen er voor vechten op leven en dood!’

terug  begin  verder