Tot lering en vermaak


auteur: E. de Jongh


editeur: Jan Baptist Bedaux, P.A. Hecht, Jeroen Stumpel, Rik Vos en Jochen Becker


bron: E. de Jongh, Tot lering en vermaak. Betekenissen van Hollandse genrevoorstellingen uit de zeventiende eeuw. Rijksmuseum, Amsterdam 1976  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 72]



illustratie

[p. 73]

12 Pieter Codde
Amsterdam 1599-1678 Amsterdam

Gesprek over de kunst
Paneel, 43 × 56,5 cm
Parijs, Fondation Custodia (verzameling F. Lugt), Institut Néerlandais

Dit schilderij is geïnterpreteerd als de weergave van een gesprek in een atelier tussen een schilder-tekenaar en een kunstliefhebber, dat handelt over de overeenkomst tussen natuur en kunst en over de juiste proporties in de kunst. Diverse elementen in de voorstelling horen zonder meer in een atelier thuis, zoals de tekenboeken en schetsbladen, de panelen en kleine beeldhouwwerken.1 Op de tafel liggen echter ook een viool en een luit en dat zijn voorwerpen die uiteindelijk buiten de directe benodigdheden van de beeldende kunstenaar vallen. Deze muziekinstrumenten hebben hier dan ook een overdrachtelijke betekenis.2

Bovengenoemde interpretatie berust op de veronderstelling dat de begrippen ‘overeenkomst tussen natuur en kunst’ en ‘juiste proportie’ respectievelijk door de viool en de luit worden vertegenwoordigd. De vraag rijst echter of er in deze zin mag worden gespecificeerd. Een klemmende reden om dit te doen ontbreekt in elk geval. Daar staat tegenover dat de 17de eeuw wel van een meer abstracte, globale relatie tussen de beide kunsten uitging. Zo waren theoretici, onder wie Karel van Mander, gewoon vergelijkingen te trekken tussen de harmonie van de muziek enerzijds en met

illustratie

12a Jan van Swieten, Luit spelende schilder. Leiden, Museum De Lakenhal


[p. 74]



illustratie

12b Gabriël Metsu, Kunstenaar, die een cello spelende vrouw schildert. Londen, kunsthandel 1949


name de compositie in de beeldende kunst (en bouwkunst) anderzijds.3 Ook Pieter Codde zal de luit en viool die op de tafel vóór de kunstenaar liggen, stellig met het oog op de zo noodzakelijk geachte harmonie in diens werk in beeld hebben gebracht.

Evenals de cello en de viola da gamba komen de luit en viool veelvuldig voor op ateliervoorstellingen.4 Soms hanteert de schilder, zittend voor zijn ezel, een muziekinstrument in plaats van zijn penseel, zoals bijvoorbeeld op een werk van Jan van Swieten (afb. 12a). Soms is het model van de kunstenaar met een strijkinstrument uitgerust, zoals op een schilderij van Gabriël Metsu waarop een vrouw, vermoedelijk Metsu's echtgenote, een cello bespeelt (afb. 12b).5 Dankzij Ripa's Iconologia kunnen we concluderen dat hier in

illustratie

12c Illustratie uit: Cesare Ripa, Iconologia of uytbeeldingen des verstands, Amsterdam 1644


wezen de Harmonie in eigen persoon is weergegeven (afb. 12c).6

Vanzelfsprekend waren er schilders die in werkelijkheid musiceerden. Bekend is ook de muzikale schilder uit de kunstenaarsbiografie, maar daarin blijft onduidelijk of we met waarheidsgetrouwe informatie of met een anecdotische omzetting van de theoretische overeenkomst tussen beide kunsten te doen hebben. Houbraken vertelt dat Gerard Lairesse het schilderen placht af te wisselen met vioolspel, suggererend dat het strijken, wat wij zouden noemen: de inspiratie ten goede kwam.7 Veel later zou de Zwitserse schilder Arnold Böcklin (1827-1901) zijn musiceren op vergelijkbare manier motiveren: hij onderbrak zijn werk regelmatig met fluitspel teneinde nieuwe invallen te krijgen.8