|
|
|
| |
Het jaar 1933
Groeiend verzet; interpellatie De Dreu
Commentaar op mijn radiorede lag voor de hand. In het algemeen werd deze wel gewaardeerd, zoowel in Indië als in Nederland, maar wat betreft mijne bedoeling om de gemoederen wat te kalmeeren was het succes niet groot. 1 Januari was dan ook de verhoogde salariskorting ingegaan! Bij het leger veroorzaakte dit hier en daar ongeregeldheden. Zoo vielen er nog al wat straffen en veel indruk maakte ook het feit, dat twee leden van het N.I.O.G. op 5 Jan. werden gearresteerd en preventief gesteld wegens spreekdelict op het hiervóór genoemde Kerstcongres229. Soldatenvereenigingen werden in verschillende garnizoenen opgericht; tegen het inlandsche vereenigingsleven moest herhaaldelijk worden opgetreden. Op 6 Jan. zonden het N.I.O.G. en de Ind. Soc. Dem. Partij een telegram naar de S.D.A.P. in Nederland: ‘Vestigen aandacht groote onrust burgerlijke en militaire kringen benevens inheemsche beweging stop twee onderwijzers preventief meerdere onder-officieren gestraft’. Partijgenoot De Dreu vond het noodig in den Volksraad te interpelleeren en o.a. aan de Reg. te vragen of zij niet het gevaar onderkende, dat in tijden van groote spanning en algemeene ontevredenheid door het onderdrukken van protesten in woorden protesten in daden zouden worden uitgelokt, en of het de Reg. niet bekend was, dat de preventiefstelling van de beide van een spreekdelict verdachte N.I.O.G.-leden in breede kringen der bevolking, zoowel van Indonesië als van Nederland, groote verontwaardiging had gewekt en tenslotte of de Reg. niet met steller der vragen van meening was, dat het door hem afgekeurde optreden het gevaar versterkte, dat uit de economische crisis een
politieke crisis zou worden geboren230. Om ons nu
| | | | maar te bepalen tot het antwoord op de laatste vraag, zag de Reg. in het door den geachten interpellant aangeduide optreden geen enkel gevaar voor welke crisis ook231.
Den 9en Jan. kreeg ik bericht van ongeregeldheden in het garnizoen van Mr. Cornelis; bij die gelegenheid waren 35 Amboneezen gedrost. In Bandoeng was een opruiend plakkaat gevonden: ‘Kameraden, moeten wij ons laten vertrappen?... Verlaat het leger. Hijsch de roode vlag... als dat niet helpt: de roode haan!’.
Een dag of veertien later werd het K.B. van 21 Januari bekend, waarbij de verhoogde salariskorting ook op de Marine werd toegepast. Aangezien de verhoogde korting per 1 Jan. niet voor de Zeemacht gegolden had, meende zij daaraan te ontkomen. Dubbel was de teleurstelling, toen het tegendeel waar bleek en voor de bonden gaf dit natuurlijk aanleiding tot hevige actie.
De Heer Monod de Froideville bracht intusschen de nieuwe salariskorting in den Volksraad ter sprake. En met wat een vragen! No. 1 luidde: ‘Heeft de Reg. er zich rekenschap van gegeven, dat de met 1 Jan. ingevoerde nieuwe salariskortingen... tal van ambtenaren... in grooten nood brengt?’ en no. 2: ‘Kan de Reg. het inzicht deelen, dat het wenschelijk ware geweest bij de doorvoering van bedoelde salariskortingen te vermijden, dat de indruk werd gewekt alsof de Reg. bij Hare bezuinigingsmaatregelen immer opnieuw de lijn van geringsten weerstand volgt?’. Er volgden nog 5 andere vragen, al even onbenullig of onbeschaamd, al naar gelang men ze wil opvatten232. Toch heeft hij nog een beleefd antwoord gehad!233
Maar het drama, dat zich aan het afspelen was, begon zijn eindstadium te naderen, al zagen wij dat toen nog niet.
Den 27en had een besloten vergadering van 600 man marinepersoneel naar aanleiding van de salariskorting te Soerabaja plaats. Na afloop reden korporaals en minderen in autobussen door de stad, waarbij ook het bondslied werd gezongen. Als gevolg hiervan verbood de Vlootvoogd234 alle vergaderingen van marineschepelingen, die op hun beurt daarover het Bondsbestuur in Holland seinden. Den 28en hadden eenige ongeregeldheden plaats; de politie van de Marine patrouilleerde Zaterdagnacht en ook Zondag, den 29en. Om 2 uur 's nachts ontving de plaatselijke militaire commandant van Malang telefonisch het verzoek om 400 man naar Soerabaja te zenden. Een uur later vertrokken daarheen een compagnie Menadoneezen en een compagnie maré-chaussée. Bij het ochtend-appèl om 6.30 van den 30en weigerden de Europeesche korporaals en minderen op de ‘Java’, de ‘Evertsen’ en de ‘Piet Hein’ om aan te treden. Ongeveer 40 man werden in arrest gesteld en naar Malang
| | | | gevoerd. Daarna voeren de schepen uit en de toestand scheen tot rust te zijn gekomen.
Het was een geluk, dat ons plan was om 1 Febr. naar Batavia te gaan, zoodat ik daar was toen de volgende gebeurtenissen plaats grepen.
Op 3 Febr. had bij het ochtend-appèl op de schepen en marine-inrichtingen te Soerabaja een dienstweigering plaats door inlandsche schepelingen op gelijke wijze als de dienstweigering door de Europeesche schepelingen op 30 Jan.; 425 man werden gearresteerd en ondergebracht in pestbarakken op Madoera235.
| |
‘Zeven Provinciën’
En toen kwam Zondag, 5 Febr., het ontstellende bericht, dat den vorigen avond muiterij was uitgebroken op de ‘Zeven Provinciën’, liggende op de reede van Olehleh, terwijl de commandant236 met 15 officieren en ongeveer 100 onderofficieren en manschappen aan wal waren237. Naar verluidde hadden de inlandsche schepelingen om ongeveer 10 uur 's avonds zich van wapenen meester gemaakt, de aan boord gebleven officieren overmand, daarna het anker gelicht en om 2 uur 's nachts de reede van Olehleh verlaten in Westelijke richting. De commandant en een gedeelte van de officieren en bemanning hadden zich terstond ingescheept op de ‘Aldebaran’, een schip van de Gouvernementsmarine, teneinde het muitende schip te volgen en zoo mogelijk dit weer in bezit te nemen.
Die dag van Zondag, 5 Febr., was vol spanning, een zenuwachtige dag vol telefoons en telegrammen. Waar ging het schip heen? Zouden wij de schande moeten beleven van een aandoen van Penang of Singapore? Wat er gebeurd was, was al erg genoeg: een dolle hond was los gebroken en maakte de zeeën onveilig. Alle autoriteiten en scheepvaartmaatschappijen moesten aanstonds gewaarschuwd worden. Gelukkig bleek al spoedig, dat het schip om de Noordpunt van Sumatra heen voer en langs de Westkust verder koerste. Dat gaf even tijd om zich te beraden. Maandagmorgen had ik tot dit doel een onderhoud met den Vlootvoogd. Deze wilde het schip attaqueeren vóór Padang met vliegtuigen. Toen hij weg was, dacht ik de zaak nog eens door en vond zijn plan niet doeltreffend. Ik liet toen dadelijk een auto voorkomen en ging
| | | | zelf naar het Dept. van Marine. Ik twijfelde aan de mogelijkheid van een doeltreffenden aanval, dus alleen attaqueeren in geval van noodzaak, te weten, als het schip Padang zou willen aandoen, wat allerminst gewenscht werd geacht. Mijn twijfel werd in zoover bewaarheid, dat van de 3 uitgezonden vliegtuigen slechts 1 Padang bereikte. En dit behoefde gelukkig niet op te treden, omdat het schip Padang voorbij voer. In dat geval, had ik met Osten afgesproken, zouden wij het laten varen tot Straat Soenda, waar het per se zou worden opgevangen. In dien tusschentijd konden wij onze strijdkrachten daar geconcentreerd hebben om er een eind aan te maken. Vergeten mocht niet worden, dat de ‘Zeven Provinciën’ 28 cm geschut aan boord had, terwijl de ‘Java’ niet meer dan 15 cm geschut voerde. Wij moesten bovendien werken met vliegtuigen, die slechts 6 uren in de lucht konden blijven (men kan het zich tegenwoordig bijkans niet voorstellen!), zoodat de aanval moest plaats hebben niet te ver van de basis Telokbetong. Bovendien verkreeg ik het voordeel, dat er gedurende enkele dagen kans bleef bestaan, dat men tot bezinning zou komen en de officieren weer meester van het schip zouden worden.
Zo gauw als ik het hierover met Marine eens was geworden, seinde ik naar Holland: zoo doe ik het. Ik gevoelde de absolute noodzakelijkheid de zaak geheel in eigen hand te houden en niet afhankelijk te worden van instructies, gegeven of gesuggereerd door hen, die voor een groot deel verantwoordelijk waren voor het feit, dat Indië met een roode vloot zat opgescheept en die toen zeer gemakkelijk hun gloeiende verontwaardiging en ontembare vaderlandsliefde konden uiten, terwijl wij in Indië het vuiltje hadden op te knappen.238
Ik heb nimmer betreurd, dat ik mijn wil om de ‘Zeven Provinciën’ pas in Straat Soenda aan te pakken heb doorgezet. Maar de dagen, die aldus verloopen moesten, waren wel vol spanning en zenuwsloopend. Om het schip zelf waren wij niet zoo erg ongerust. Het zond den 6en Febr. ‘aan de wereld- | | | | pers’ (!) het volgende communiqué uit in het Engelsch en het Hollandsch: ‘De Zeven Provinciën is in handen der bemanning. Wij zijn van plan naar Soerabaja te varen en hebben geen geweld in den zin. Wij zullen een dag vóór Soerabaja officieel het commando overgeven aan den commandant. Ons doel is te protesteeren tegen de onrechtvaardige salarisvermindering en het in hechtenis nemen van menschen, die er tegen protesteerden. Er zijn geen gewonden aan boord, alles is wel.’
Maar wat wel reden tot groote spanning gaf, was de vraag hoe de andere gezagsapparaten zich zouden houden, of de infectie zou doorwerken, welke maatregelen in verband met de mogelijkheid daarvan nog genomen moesten worden en hoe de reactie in het algemeen zou zijn, niet alleen in Indië, maar ook in het Moederland en het buitenland.
De buitenlandsche pers, die zich algemeen met het geval bemoeide, was weinig vriendelijk. De Irish Independent van 10 Febr. gaf de volgende juiste omschrijving: ‘The seizure of a Dutch battleship by mutineers has been the cause of much illconcealed merriment on the part of other nations. It is not difficult to see the humorous side of the affair, for the theft of a battleship is something entirely new in the modern world. To Holland, however, it is a very serious business; she has been made an object of ridicule before the world and her prestige has suffered accordingly’.
Na de bom werd de toon behoorlijker: de Engelsche vloot werd in 1931 niet op gelijke wijze tot gehoorzaamheid gebracht239.
In Nederland en Indië maakte de muiterij zeer diepen indruk. We kregen natuurlijk aanstonds een interpellatie in de Tweede Kamer, waarbij de houding van socialisten en communisten ergerlijk was240, al spanden de uitlatingen van Ir. Cramer in een protestvergadering van de S.D.A.P. te Amsterdam de kroon!241 Hiertegenover stonden gelukkig tal van bewijzen van diepe
| | | | verontwaardiging en groote loyaliteit, maar ik was toch blij, dat ik mijn standpunt bepaald had toen ik hoorde, dat ook Colijn van leer getrokken had en het schip aanstonds getorpedeerd wenschte te zien242.
In Indië waren het zeer zenuwachtige dagen, die toen volgden. Iedereen wond zich op over dat muiterschip, dat maar rustig en ongemoeid verder ging; het was wel moeilijk kalm te blijven en pal te blijven staan. Van alle kanten kwamen loyaliteitstelegrammen binnen en betoogingen werden op verschillende plaatsen gehouden. Het was zooals Zentgraaff opmerkte in de Java-Bode van 11 Febr.: ‘Wij gelooven niet, dat wij in een lange journalistieke loopbaan in Indië ooit een gebeurtenis meemaakten, welke zóó diep in hart en hoofd van het gansche publiek sloeg als deze’.
Op 7 Febr. was het de beurt van Batavia. Een groote loyaliteitsbetooging werd georganiseerd op het Waterlooplein, waar in den avond verschillende sprekers het woord voerden. En vandaar ging het naar het paleis. Het was een opgewonden, joelende duizendkoppige menigte, die daar het voorerf van het paleis opstroomde. Het plan van de politie om haar op het grasveld te houden mislukte volkomen; pas aan den voet van de groote trap kon zij tot staan worden gebracht. Een comité werkte zich los en kwam op de voorgalerij, waar wij verzameld waren. Een zekere heer Hoekstra243 hield een korte toespraak, waarna ik van het bordes tot de menigte gesproken heb.
Het was een merkwaardig oogenblik. Geprepareerd had ik niets; ik wist niet vooruit wat er gebeuren zou. Maar er waren toen twee dingen in mijn bewustzijn: laat ze begrijpen, dat het uitstel van executie opzettelijk is en tracht de groeiende stemming tegen den Inlander te kalmeeren. Vooral voor dit laatste was ik werkelijk beducht; men schreef toen nog de geheele muiterij aan de inlandsche schepelingen toe en wist nog niet, dat ook Europeanen daaraan een werkzaam aandeel hadden genomen. Bij de verschillende uitingen van loyaliteit viel al meer en meer een anti-inlandsche stemming waar te nemen. Het mankeerde er nog maar aan, dat zulk een opgewonden menigte in dit opzicht zich aan daden zou te buiten gaan!
Ik sprak ongeveer als volgt na bedankt te hebben voor de betooging: ‘Wat gebeurd is, is ernstig, zeer ernstig. Maar wij gelooven er op te mogen vertrouwen, dat deze misdadige en roekelooze onderneming tot mislukking gedoemd is en tot niets zal leiden. Alle maatregelen zijn getroffen en zullen ten
| | | | uitvoer worden gebracht op het oogenblik, dat der Regeering juist voorkomt.
Wat gebeurd is, is treurig, zeer treurig. Maar wij mogen niet vergeten wat er aan vooraf gegaan is. Veertig Hollandsche jongens moesten door maréchaussées naar Malang gebracht worden. Hollandsche jongens, die het goede voorbeeld hadden moeten geven, maar het tegendeel gedaan hebben!
En daarom is het noodig, dat wij de hand in eigen boezem steken.
Eén voordeel hebben gebeurtenissen als deze nochtans: zij openen de oogen en roepen het verantwoordelijkheidsbesef wakker, dat rust in ieder, die behoort tot de natie, welke groot is geworden onder de leuze: Ik zal handhaven.
Dat zit in ons bloed en dat kunnen wij niet verloochenen.
Wel zijn er onder U, die zeggen: ‘De Regeering is onze vijand’, ‘maar dat is niet het geval. Zij is er om te handhaven.
Ook gij wilt handhaven, zonder onderscheid van ras of stand, wat hier in 300 jaren is tot stand gebracht; handhaven de samenleving, die hier is opgebouwd en waarin gij Uw brood verdient. In tijden van voorspoed, maar bovenal in tijden van tegenspoed wilt gij handhaven.
Juist dan gevoelt gij de reactie en zegt de man, die zijn inkomsten ziet verminderen, ‘ik zal handhaven’ en dat zegt ook de man, wiens salaris is teruggebracht, en zelfs de man, die werkloos is geworden, roept: ‘denk je, datje mij klein krijgt? Neen, ik zal handhaven’.
‘In U allen is dat gevoel wakker geworden en daarom zijt gij hier. Laat ons dat gevoel bezegelen door met mij uit te roepen: Leve de Koningin.’
Deze woorden schijnen wel indruk gemaakt te hebben. Zeker is het, dat bij het uitspreken daarvan die duizenden opgewonden menschen muisstil waren; zij, die op den weg stonden, konden mij over het voorplein heen woord voor woord verstaan. Ritman schreef in het Bat. Nieuwsblad van 8 Febr.: ‘Hoog boven de beteekenis van de bijeenkomst op het Waterlooplein zien wij de demonstratie voor het Paleis en het in de geschiedenis van Indië tot gisteren onbekende feit, dat de vertegenwoordiger van de Koningin het woord rechtstreeks richtte tot “de burgerij”, op het voorplein van zijn paleis verzameld, en dat deed in een woord, dat in eenvoudige rechtuitheid van hart tot hart ging.’
Op 8 Febr. had ik een vergadering van den Raad van N.I. belegd ter bespreking van den toestand. Ik deelde mede hetgeen met den Vlootvoogd was overeengekomen, nl. dat het schip bij Straat Soenda zou worden aangepakt. Daarna vroeg ik aan Legercommandant244 en Procureur-Generaal245 of deze gevaar zagen voor sympathiebetuigingen te land. Voor leger en politie werd ingestaan, maar niettemin drong ik op uiterste waakzaamheid aan. De Proc. Gen., Mr. Verheyen, kondigde daarop aan een voorstel om alle politieke actie te verbieden aan de gezagsapparaten: politie, leger en vloot. Daarover ontspon zich een langdurige discussie, waaraan twijfel ten grondslag
| | | | lag of een zóó drastische maatregel reeds noodig geacht moest worden246.
Intusschen naderde het schip Straat Soenda, waar de maritieme strijdkrachten toen geconcentreerd waren.
Om 9 uur 's morgens van den 10en Febr. had de ontmoeting plaats!
De vliegtuigen gaven een sommatiesein af, luidende: ‘Geeft U onvoorwaardelijk over of geweld zal worden gebruikt; stoppen en witte vlag hijschen’, waarop werd geantwoord: ‘De bemanning heeft absoluut geen communistische neiging en geen geweld in zin doch protesteeren tegen salariskortingen en de gevangenneming van de protesteerende marinemenschen; ons niet hinderen; alles wel aan boord.’
Om 9.15 werd de bom geworpen, die het schip trof.
Tot bij zessen heeft het dien dag geduurd, voordat ik bericht heb kunnen krijgen wat de gevolgen waren. Bekend was, dat het schip zich dadelijk had overgegeven; ook, dat er slachtoffers waren, maar niet hoeveel en wie. Tenslotte bleek de bom wondergoed te zijn neergekomen; vooraan te midden van de muiters, van wie 23 werden gedood, 3 Europeanen en 20 Inlanders. De consternatie was allerwege ontzettend, maar toch, men gevoelde ook de opluchting.
| | | |
De gevolgen waren wel heel erg; de klap was wel zeer hard aangekomen. De vraag rees dan ook dadelijk of de bom wel een waarschuwingsbom was geweest, zooals volgens de instructie geworpen had moeten worden vóór den boeg van het schip om dan pas met de tweede bom het schip te raken.
Men kan van meening zijn, dat na de sommatie van geen waarschuwingsbom meer sprake kon zijn, of dat de bom, hoe ook bedoeld, haar werk in ieder geval doeltreffend had gedaan, maar een feit was, dat opdracht was gegeven tot het plaatsen eerst van een waarschuwingsbom vóór het schip en daarna pas van een treffer op het schip. Was aan die opdracht voldaan? Het was een punt van belang, vooral voor Holland, waar te verwachten was, dat de Reg. heel wat over het geval te hooren zou krijgen. In de vergadering van den Raad van N.I. op 15 Febr. werd de geheele situatie nog eens overzien en ook speciaal dit punt besproken. Op mijn kort gestelde vraag of we nu met een raak-, dan wel met een misschot te doen hadden, beweerde de Vlootvoogd, dat het een misschot geweest was; de order was: zoo dicht mogelijk vóór den boeg, omdat het laten vallen van een bom op grooten afstand natuurlijk geen indruk zou hebben gemaakt. Van een hoogte van 1200 meter kan men de plaats van neerkomen niet volstrekt nauwkeurig bepalen, zoodat in dit geval de bom op het schip in plaats van vlak daarvóór is terecht gekomen. In de Notulen van die vergadering staat, dat het mij verheugde zulks te hooren; dat ik dus constateeren kon, dat de gegeven instructie in overeenstemming was geweest met hetgeen tusschen Vlootvoogd en mij was afgesproken247.
| | | |
Achteraf is echter gebleken, dat het een raakschot en geen misschot is geweest. Hierdoor is de Regeering in een onaangename positie gekomen. Men heeft, ook in Nederland, steeds het werpen van de bom zonder omwegen verdedigd, maar heeft altijd volgehouden, dat de bedoeling was geweest een waarschuwingsbom vooraf te doen gaan. De Marine heeft de Regeering steeds in dien waan gelaten. Maar toen dit standpunt bestrijding vond, die niet tot zwijgen was te brengen, heeft eerst de volgende Vlootvoogd, Van Dulm248, de waarheid aan het licht weten te brengen. En deze was anders dan de Regeering meende. Hiermede kom ik aan twee punten, die ik de Marine zeer kwalijk genomen heb: 1e. een uitdrukkelijk gegeven instructie bleek zelfs in een militaire organisatie als de Marine niet te zijn doorgedrongen tot hem, die op een gegeven oogenblik de instructie moest uitvoeren, en 2e. de Marine heeft geruimen tijd de Regeering in een waan gelaten, waarmede men wist, dat de werkelijkheid niet overeenstemde.
Wat het eerste punt betreft, zat de zaak zoo, dat ter opvanging en bestrijding van het muitende schip onze vliegtuigen werden geconcentreerd te Telokbetong. Den avond vóór den aanval deelde de commandant (Carel van Asbeck)249 aan zijn mannen mede wat de bedoeling was, dus: eerste bom vóór het schip als waarschuwing en dat overigens bij den aanval de staat van oorlog moest geacht worden te zijn ingegaan. Het ongeluk wilde, dat bij die bespreking één van de piloten ontbrak. Ik acht het een fout van den commandant, ook al is hij overigens mijn hooggeachte neef, dat hij niet gezorgd heeft ook dien man op de hoogte te stellen. Zooals het nu geloopen is, hoorde deze man van zijn kameraden wat er gedaan moest worden. En laat nu het ongeluk willen, dat den volgenden dag 4 of 5 van de 9 vliegtuigen uitvielen en juist die niet behoorlijk geïnstrueerde man voor de taak kwam te staan om de eerste bom te werpen! En was het wonder, dat die man toen bij zichzelf ging overleggen: staat van oorlog en waarschuwingsbom, dat gaat toch niet samen!? En kan men hem kwalijk nemen, dat hij tot de conclusie kwam het schip werkelijk te moeten raken, daartoe vóór het schip, dat in beweging was, mikte, zoodoende het schip trof en aldus een pracht roos schoot?
Immers neen, maar onvergeeflijk was, dat, hoe dan ook, een van hooger hand gegeven instructie bij de Marine niet tot uitvoering was gekomen en dat
| | | | daarna de ware gang van zaken voor de Reg. verdoezeld is, doordat men haar in den waan heeft gelaten, dat een waarschuwingsbom was geworpen op grond van het feit, dat vóór het schip was gemikt, hetgeen op zichzelf juist was, terwijl de bedoeling en ook het resultaat een voltreffer was geweest. De Regeering heeft dan ook later moeten erkennen een verkeerde voorstelling van zaken te hebben gegeven, wat nooit aangenaam is, maar vooral pijnlijk was in een zaak als deze250.
Nog een ander hoogst onaangenaam gevolg heeft deze zaak gehad. Hoewel geheel ten onrechte schijnt de officier-vlieger Coppers251, die de bom had geworpen, daarvan nadeel ondervonden te hebben. Hij kreeg het idee, dat men hem daarop aanzag en hem deswege ‘zocht’; dit schijnt zich tot een complex ontwikkeld te hebben en zoo werd hij inderdaad ongeschikt voor bevordering, weshalve hij vóórtijdig met pensioen is gegaan. Vlak voor zijn vertrek liet hij zich interviewen, waarbij ook de geschiedenis met de bom ter sprake kwam. Op grond hiervan werd hij in Febr. 1936 door de Marine-autoriteit van het vertrekkende schip gehaald om zich terzake disciplinair te verantwoorden252. Het geval Coppers was wel een heel onverkwikkelijk en onverdiend fin de carrière voor dezen man.
Onverdiend, want het kan niet ontkend worden, dat de bom zuiverend heeft gewerkt en nuttig effect heeft gehad. Er bleef nog wel weerstand en verzet in de samenleving, maar gebroken was de algemeenheid daarvan; de beklemmende sfeer van onwil was verbeterd en het was of men weer ruimer kon ademhalen. De vergadering van den Volksraad op 20 Febr. was ten deze typisch. De Vlootvoogd gaf daarin een uiteenzetting van het gebeurde253 en
| | | | toen zijn stemmen gehoord, zooals ik nog niet had medegemaakt. Men durfde zich weer loyaal te noemen en het was aardig daarbij te hooren hoe de Inlandsche leden hun waardeering uitspraken voor het woord van den Landvoogd bij gelegenheid van de loyaliteitsdemonstratie, die de schuld niet alleen had gezocht bij de inlandsche schepelingen, maar ook had gewaagd van het steken van de hand in eigen boezem254.
Er bleef nog verzet en weerstand in de samenleving. Voor mij althans was de roe nog niet van de billen. Juist in dien tijd kwam er nog al critiek los. In Holland was men daarmee zelfs kwistig. In het Voorloopig Verslag van de Tweede Kamer nopens de Indische begrooting werd mij gebrek aan tact tegenover particulieren en ambtenaren verweten en werd ik gekenschetst als een vreemdeling in de Indische politieke zaken255. De Nieuwe Rotterdamsche Courant van 18 Januari voegde daaraan nog allerlei beschouwingen toe: ik maakte den indruk van passiviteit en vermoeidheid in de politieke sfeer; het had den schijn of ik mij alleen maar chef gevoelde van een bezuinigingsapparaat en niet besefte dat 60 millioen Aziaten de opperste leiding van mij verwachtten; ik miste psychologisch inzicht, gaf mij geen rekenschap van den nieuwen geest en mijn houding tegenover den Volksraad deugde dan ook niet. In de Indische pers werd dergelijke critiek wel opgevangen in den geest van: ‘Je blijft met jouw pooten van mijn landvoogd af’, maar toch werden ook daar mij verwijten gemaakt, in het bijzonder naar aanleiding van het standje aan Van Mook en Wiranata Koesoema in verband met het verwerpen van de onderwijsbegrooting256 en wegens mijn veranderde houding in de wildescholen-quaestie257.
Aan critiek bleef het dus niet ontbreken. Toch bleven nog verdere maatregelen tot handhaving van het gezag noodig. Er was nog geen tijd aangebroken van politieke rust. Groote waakzaamheid bleef geboden en van dezen tijd af ben ik de gezagshandhaving meer stelselmatig gaan toepassen. Maar daarover later meer. Hier worde volstaan met de vermelding van de toepassing van den persbreidel258 op de West-Java Courant, orgaan van het Verbond van Vereenigingen van Overheidsdienaren (V.V.O.)259, een stookblad van het ergste soort, bij Gouvernementsbesluit van 14 Febr. 1933 no. 1 Z.260
| | | |
Het was een goed ding, dat wij toen de versterking van de oliehavens ter hand konden nemen. Dat gaf wat afleiding aan leger en vloot. Tot deze versterking was besloten in verband met het meer op den voorgrond treden van het Chineesch-Japansche conflict als gevolg van de uitspraak van den Volkenbond, welke, naar men toen reeds verwachtte, Japan zou doen uittreden261. Ik schreef den Minister in verband hiermede op 7 Maart: ‘De Japansche Gezant te Uwent heeft anders wel zeer geruststellende verklaringen afgelegd262. Ik zou er haast toe komen onze maatregelen zooveel mogelijk te bespoedigen’. Ik was blij, dat dit werk tot uitvoering kwam. Balikpapan en Tarakan lagen voor iederen aanval open en nu was ik toenmaals niet beducht voor oorlog met Japan - Hirota263 leek mij een goed willend man -, maar wel voor een daad van agressie door een of anderen brutalen commandant, die, zelfs al had hij tegen de instructies van de Japansche Regeering gehandeld, toch waarschijnlijk niet gedésavoueerd zou worden. Zoo'n daad van agressie was ten opzichte van de oliehavens wel heel gemakkelijk en daardoor veel te aantrekkelijk. Dat was nu gelukkig uit.
| |
Schilderijen van H.M. de Koningin
Ons warm en spannend verblijf te Batavia eindigde vreedzamer dan het begonnen was. De Heer Van Kesteren264 was in Indië aangekomen met een
| | | | heele collectie schilderijen van H.M. de Koningin, die ten toon gesteld zouden worden ten bate van de crisisslachtoffers. Dit was niet zoo eenvoudig als het leek. Het moest natuurlijk een succes zijn en van de Indische pers is men nooit zeker. Ik zou openen met een rede, maar dat mocht weer niet rechtstreeks worden gevraagd. Nu moet men mij niet over kunst laten redevoeren, zoodat ik werkelijk gezweet heb om bij deze gelegenheid geen dwaasheden te zeggen. Het beste was nog, dat ik de schilderijen werkelijk goed vond; ik had mijn hart vastgehouden; ik had nooit eenig werk van de Koningin gezien, maar ik moet erkennen, dat, ook al mag men het groen in Haar landschappen wat erg groen vinden, het meesterschap ook voor den leek duidelijk was en men dus niet alleen uit beleefdheid behoefde te bewonderen en waardeeren. Den 23en had de plechtigheid plaats in den namiddag om 6 uur, nadat ik tevoren een telefonisch gesprek had gehad met den Gouverneur-Generaal van de Philippijnen, Th. Roosevelt, ter gelegenheid van de opening van de telefonische verbinding met Manilla en daarvóór een bezoek had gehad van den Heer Fraccaroli van de Corrière de la Sera.
Zóó waren de dagen te Batavia gevuld en ik was dan ook blij den 24en naar Buitenzorg te kunnen terugkeeren om 1 Maart door te gaan naar Tjipanas, waar wij allen noodig weer wat op krachten moesten komen.
| |
P. Kerstens
Het regende er veel, maar het deed goed weer eens te rillen. Lang zijn wij er niet gebleven, een dag of veertien. Vermeldenswaard is een onderhoud met den Heer Kerstens!265 Hij was toen bij het onderwijs en stond op de voordracht om Inspecteur Mulo te worden. Maar dit heer had zich, als zoo velen in dien tijd, te buiten gegaan aan critiek op de Regeering; hij was Indisch correspondent van de Maasbode en had daarin een artikel geschreven, waarin voor kwam, dat de Regeering het zachtzinnigste volk van de wereld tot razende opstandigheid bracht266. Dat was mij wel wat bar voor een onderwijsinspecteur, zoodat ik de voordracht niet volgde en van zijne benoeming afzag. Toen was Holland in last! Hij kwam natuurlijk praten en erkende daarbij zijn fout. Dan is men al gauw geneigd tot vergeving, maar ik zat met het geval Reens-Vrijburg, de twee N.I.O.G.-onderwijzers, die wegens onbetamelijkheid vervolgd werden met groote kans op veroordeeling en ontslag uit den dienst267 en nu kon ik toch niet tegelijkertijd een anderen onbehoorlijken onderwijzer in een hooge functie brengen. Toen Kerstens zag, dat een deemoedige houding niet gaf, begon hij te dreigen: ik moest dan maar weten wat ik deed, maar hij zou zorgen, dat ik de Katholieke fractie in Holland tegen
| | | | mij kreeg. Dat viel echter niet mee, want ik onderbrak hem met de woorden: ‘voordat U verdere dwaasheden zegt, wil ik U de verzekering geven, dat U géén Inspecteur Mulo wordt’, en daarmede was het onderhoud afgeloopen268. Later zijn wij niettemin goede vrienden geworden; ik mocht hem wel; zeer actief, goed hoofd, strijdlustig en fel Katholiek, een man, die nog wel een rol zou spelen, maar die moest weten wie de baas is. Hij was een van de weinigen, die mij periodiek bezochten om van gedachten te wisselen. Daarbij hebben wij menig aardig gesprek gehad en was hij soms van groot nut als ik iets van de Katholieke fractie gedaan wilde krijgen.
| |
Sultans Oostkust ter verantwoording
In den loop van de maand hebben wij dan eindelijk de boosdoeners van de Oostkust op het stoepje gehad. Zooals reeds vermeld, hadden de Sultans van Deli, Serdang en Asahan, tegen mijn uitdrukkelijken wensch in, geweigerd een automobielbelasting te aanvaarden, waarbij slechts aan hun nabestaanden tot den 4en graad vrijstelling werd verleend269. Die houding was voor een deel zeker toe te schrijven aan de stugge manieren van Gouverneur Ezerman, maar ik kon het er toch niet bij laten zitten en ik had ze dus laten oproepen naar Buitenzorg. Den 27en Maart waren zij dan ter plaatse. Opgesteld in de conferentiekamer naast mijn werkkamer, liet ik ze een poos wachten alvorens met den Gouverneur en den Algemeenen Secretaris binnen te komen. Koele ontvangst, plaats nemen aan de conferentietafel, en toen begon ik met mijn spijt te betuigen, dat ik hen op deze wijze moest ontvangen, wat ik gaarne anders had gedaan. Ik wees er op dat hun houding mij volkomen onbegrijpelijk was. Er zijn van die beginselen, welke algemeen worden aanvaard; zoo het beginsel, dat de opbrengst der belastingen niet alleen aan den vorst, maar in de eerste plaats aan het volk ten goede behoort te komen. Met de instelling van de Landschapskassen270 is dat beginsel door U allen aanvaard. Er zijn meer van die algemeene beginselen. Wilt ge die niet aanvaarden, ga dan een
| | | | sultanaat oprichten in Nieuw Guinea; daar kan men wellicht nog enkele jaren een achterlijk standpunt innemen, maar dat kan men niet ter Oostkust van Sumatra, dat aan den grooten verbindingsweg van het moderne leven ligt. Zoo dient ge ook het beginsel te erkennen dat de belasting door allen betaald moet worden, waarover klaagt ge nu eigenlijk? Over het feit dat het Indische Gouvernement zoo tegemoetkomend is geweest om vrijstelling te verleenen tot den 4en graad? Bedenk dan eens, dat in Holland alleen de Koningin vrijstelling van automobielbelasting heeft; noch de Koningin-Moeder, noch de Prins-Gemaal, noch de Kroonprinses hebben vrijstelling. En nu dunkt mij toch, dat wat in Holland geldt voor het Koninklijk Huis, goed genoeg zou geweest zijn voor de Sultans van Deli, Serdang en Asahan.
Hierna stonden ze een voor een op om te verklaren, dat zij zich onvoorwaardelijk bij de genomen beslissing zouden neerleggen. Als direct gevolg veranderde mijn houding aanstonds; er werd verder gemoedelijk gepraat over hun bezwaren en den last, dien zij van al die nabestaanden hadden; ik kwam hun nog eenigermate tegemoet door de inwerkingtreding eenige maanden te verschuiven en ze werden toen pas voor de lunch uitgenoodigd, die zeer opgewekt verliep en waarbij de oude Deli soms zat te schudden van het lachen over de grappen in goed Maleisch van Jan en Civile.
| |
Proces Reens en Vrijburg
Op denzelfden dag, waarop de Zelfbestuurders van de Oostkust bij mij waren, ving voor den Raad van Justitie te Batavia de procedure aan tegen de beide socialistische onderwijzers Reens en Vrijburg, die beschuldigd werden van het uiten van woorden van ‘haat en vijandschap’ tegen de Regeering. Over de inhechtenisneming en preventiefstelling was al heel wat te doen geweest. Het proces was een vrij armzalig slot van al dit lawaai. In een artikel van 19 April wees Zentgraaff terecht op de misselijke houding van de betrokkenen, die niet rondweg voor hun woorden uitkwamen, maar ‘er was geen listigheidje, geen kleine streek of truc, geen verloochening van zichzelf... of men heeft haar toegepast’. De veroordeeling volgde niettemin en dus ook het ontslag uit den dienst. Groote pressie is toen op mij uitgeoefend om ze pensioen of onderstand toe te kennen. Ik ben niet verder willen gaan dan 5 jaren onderstand. Dat was nog 2 te veel; ik had zeer wel met 3 jaren kunnen volstaan.
In die maanden van Maart en April was het zeer druk en tal van lastige quaesties moesten tot oplossing gebracht worden; verder was het altijd maar bezuinigen ter voorbereiding van de begrooting 1934, het economische werkplan271, de theerestrictie272 en allerlei Nivas-quaesties, waarbij kwamen tal- | | | | looze audiënties en ontvangsten, ook van buitenlanders. Van hen noem ik hier alleen den Heer Th. Roosevelt, afgetreden Gouverneur van de Philippijnen, neef van den nieuwen President, maar een politiek tegenstander, die dus toen zijn ambt moest nederleggen. Een zonderling heer, had geen oog hoegenaamd voor de mooie natuur, maar sprak en dacht alleen over de politiek. Hij was het geheel met mij eens toen ik hem zei: ‘jullie hebt natuurlijk gelijk dat je aandringt op betaling der schulden; dat is immers je recht, maar ik begrijp niet, dat je geen hersens genoeg hebt om in te zien, dat diezelfde betaling je de keel afsnijdt.’
| |
Wisseling vice-pres. Raad van N.I. (Bodenhausen-Meyer Ranneft)
Van de in dien tijd zich voordoende personalia was wel het belangrijkste de aftreding van Bodenhausen als vice-president en de benoeming als zoodanig van Meyer Ranneft, den Voorzitter van den Volksraad. Reeds lang hing het weggaan van Bodenhausen in de lucht en ik heb heel wat met den Minister moeten correspondeeren voor wij het eindelijk over Meyer Ranneft eens zijn geworden273. Hij trok mij niet aan, maar mijn hoofdmotief was het algemeen
| | | | vertrouwen dat hij genoot, waarvan ik in de gegeven omstandigheden wel wat naar den kant van de Regeering wilde brengen. Zoowel in Nederland als in Indië had zijn benoeming dan ook een goede pers. De Raad zelf was er tegen en Bodenhausen zelfs in het bijzonder. Een succes is Meyer Ranneft als vicepresident niet geweest. Hij was ongetwijfeld bekwaam, eerlijk, toegewijd, maar zijn blik was te breed en zijn inzicht te diep. Die breede blik en dat diepe inzicht verschaften hem een grooten naam in dien moeilijken tijd, maar wij hebben daaraan toch niet veel gehad; hij stelde steeds problemen, maar loste ze niet op. Zentgraaff drukte het zoo typisch uit: hij is een kip, die altijd eieren legt, maar ze nooit uitbroedt. Hij was daarbij een stugge figuur, streng en weinig plooibaar, wat misschien zijn voordeel had in den Volksraad en dat College
| | | | in toom hield, maar in den Raad tot het ongewenscht gevolg leidde, dat ik bijna nimmer meer een unaniem advies kreeg zooals onder Bo denhausen haast altijd het geval was geweest. Voor den G.G. was dat zeer ona angenaam; deze had nu rekening te houden met grootst mogelijke minderh eden en kleinst mogelijke meerderheden, ja zelfs waren individueele adviezen van de leden geen zeldzaamheid. Het teekende den man, dat hij op een gegeven oogenblik een lange nota inzond met voorstellen en suggesties tot redding van de gemeenschap274. Ik wist werkelijk niet wat ik met dat stuk moest aanvangen en zond het zonder meer aan den Raad om advies. Op de Secretarie was men verwonderd, dat ik het had laten passeeren zonder eenige kantteekening dan alleen een bijna onzichtbare nummering, waarvan men de beteekenis niet begreep. Daarnaar gevraagd, legde ik uit, dat die cijfers correspondeerden met het aantal malen, dat het woord ‘doelbewust’ was gebruikt; 72 maal in 20 bladzijden. Nu, dan begrijpt ge wel hoe het stuk was. Veel later kreeg ik het desbetreffende advies van den Raad. Ik moet erkennen, dat het college, veel latende zwemmen, er nog wat van gemaakt heeft275.
Een ander maal kreeg ik plotseling een officieel initiatiefvoorstel van den Raad op mijn dak, betreffende de devaluatie van den gulden. Van Indisch standpunt bezien, heeft Colijn zeker te lang vastgehouden aan den gouden gulden, maar zoo lang de Nederlandsche Regeering dat deed, mocht Indië haar in geen geval ondergraven, zoodat dit voorstel min of meer pijnlijk was. Daar ik nog nimmer zulk een initiatief-voorstel te behandelen had gehad, bladerde ik eens in de Staatsregeling en vond daar art. 25, dat mij verplichtte bij niet-instemming met het voorstel daarvan kennis te geven aan den Minister onder mededeeling daarvan aan den Raad. Ik begreep natuurlijk best, dat dit de bedoeling van de heeren niet was geweest, maar dan hadden zijzelf aan art. 25 moeten denken en moeten begrijpen, dat een debat terzake in de gegeven omstandigheden volstrekt nutteloos zou zijn geweest. Zij verdienden dus wel een kleine reprimande dewelke Colijn hun dan ook prompt deed toekomen276.
| |
| | | |
Begrooting 1934
Zoo had men tenslotte aan Meyer Ranneft met al zijn goede hoedanigheden niet veel; hij was althans in veel minder mate dan Bodenhausen een hulp en steun. Toch was het goed, dat deze laatste wegging. Bij het steeds slechter worden van den toestand ging hij al te veel op in het louter financieele deel van het op te lossen vraagstuk. Dit leidde tot een nog al warme discussie in de laatste Raadsvergadering met hem op 20 April, aan het einde waarvan ik hem niettemin hartelijk kon toespreken en oprecht kon bedanken voor alles wat hij gepraesteerd had. Het is niet onaardig de notulen van die vergadering nog eens na te lezen. Wij bespraken de begrooting voor 1934 aan de hand van een nota van de Begrootingscommissie van 14 April, het zgn. ‘testament’ van Bodenhausen. Dat was geen vroolijk stuk. Scherp werd daarin naar voren gebracht hoe veel slechter de toestand weer geworden was sinds het najaar. Was toen reeds gebleken, dat de inkomsten niet hooger te stellen waren dan ƒ 275 mill., in April '33 kon men niet hooger ramen dan ƒ 252 mill.! Als dit bedrag dan werd vermeerderd met ƒ 43 mill. nieuwe middelen in plaats van de voorgenomen ƒ 25 mill., kwam men toch nog niet aan de ƒ 300 mill. en bereikte men slechts ƒ 295 mill. Bij een uitgavenniveau van ƒ 415 mill. zou aldus een tekort van ƒ 120 mill. ontstaan. Laat men daarvan ongedekt even veel als de aflossing op de schuld bedraagt, te weten ongeveer ƒ 50 mill., dan zou toch nog ƒ 70 mill. door bezuiniging gevonden moeten worden. Een harde, diep ingrijpende lijst van maatregelen was bij de stukken gevoegd, maar ook bij opvolging daarvan kon men het gewenschte resultaat niet verkrijgen zonder opnieuw leger en vloot aan te tasten. Daartegen maakte
ik bezwaar, waartegenover Bodenhausen sterk stond door te wijzen op het feit, dat de gezagsorganen alleen ƒ 150 mill. vereischten, pensioenen en schuldenlast nog eens ƒ 150 mill., zoodat men hiermede reeds ƒ 300 mill. aan uitgaven had. Men moest dus ook op die posten bezuinigen, wilde de Staat ook nog voor andere doeleinden geld beschikbaar stellen.
Toen ben ik de zaak wat meer algemeen gaan beschouwen. Ik citeer uit de notulen: ‘Wanneer men de thans ter tafel liggende staten der Begrootings- | | | | commissie leest, dan valt daaruit maar één conclusie te trekken, namelijk, dat wij feitelijk voor een onmogelijke taak staan. De 300 mill. basis van den Minister is niet te bereiken. Wanneer wij op het oogenblik nog ƒ 120 mill. tekort komen, dan wil dat zeggen, dat wij het leger en de vloot en onze schuldverplichtingen niet kunnen betalen. Aanvaarden wij dit standpunt, dan kunnen wij feitelijk ons bewind hier als afgeloopen beschouwen en weggaan, aangezien het uitgesloten is op dezen voet het Nederlandsche bewind hier nog verder te handhaven. Dit moeten wij ons zeer goed realiseeren. Nu kan men twee standpunten innemen: of men bekent eerlijk, dat het Nederlandsche gezag het hier niet langer kan bolwerken en geen kans ziet om de zaak hier nog behoorlijk te drijven, of men kan, om het zoo maar te zeggen, de moeilijkheden “wegblaffen”. Ongetwijfeld moet er zeer ernstig bezuinigd worden, maar wij zijn in zoover verder gekomen, dat wij verleden jaar niet wisten waar wij naar toe gingen en nu een basis hebben, waarop wij kunnen trachten te stabiliseeren. Die basis zal moeten zijn het bedrag, dat wordt verkregen na aanbrenging van alle reëel nog mogelijke bezuinigingen’. Ik stelde dit bedrag op ƒ 365 mill., waarschuwde er voor in de Begrootingsvergadering te komen met een wanhoopsstandpunt en meende op wat hoogere inkomsten te mogen rekenen in verband met verschillende door mij opgesomde omstandigheden. Ik erkende, dat in mijn standpunt een zeker speculatief element zat, maar verklaarde de verantwoordelijkheid daarvoor op mij te willen nemen,
‘want’, zeide ik in mijn slotwoord: ‘per slot van rekening is het beter te leven zonder een behoorlijk fundament, dan zelfmoord te plegen op een solide basis’.
Het lag voor de hand, dat hierop nog al wat discussie volgde. Maar hoe het zij, in de groote Begrootingsvergadering op 10 Mei ging men toch uit van een basis van ƒ 365 mill. Tot mijn spijt kon ik die vergadering niet zelf presideeren, daar ik van 9-20 Mei weer opgeknapt werd met een aanval van wondroos. Meyer Ranneft, inmiddels als vice-president Bodenhausen opgevolgd, leidde de vergadering in mijn plaats en zette in den aanvang uiteen, dat de begrooting 1934 op dat oogenblik aldus was opgesteld: zuivere gewone uitgaven ƒ 401 mill., inkomsten ƒ 284 mill., tekort ƒ 117 mill., waarvan ongedekt te laten het bedrag der aflossingen ad ƒ 49 mill. zoodat te voorzien was in een tekort van ƒ 68 mill., waartoe in ieder geval getracht moest worden de uitgaven van ƒ 401 mill. terug te brengen tot ƒ 365 mill., waarna dan ongedekt zou blijven rond ƒ 30 mill.
En toen is men aan de hand van de ontwerpen aan het wringen, persen en drukken gegaan. Als men het verslag van de vergadering leest, wordt men er nog misselijk van. Menschen, die hun volle medewerking hadden geschonken, moesten nog verder gedreven worden; in verschillende gevallen weigerden Directeuren om de voorstellen te aanvaarden en eischten zij, dat de gevorderde bezuiniging hun opgelegd zou worden. Dat werd dan gereserveerd voor den G.G., die zoo de aangename taak kreeg medewerking af te dwingen. In een lange en pijnlijke zitting kwam men eindelijk tot de conclusie, dat het
| | | | uitgavenniveau teruggebracht kon worden tot ƒ 368 mill. en de inkomsten gesteld konden worden op ƒ 288 mill., latende een tekort van ƒ 80 mill., waarvan af te trekken het bedrag der aflossingen ad ƒ 50 mill., zoodat toch een niet toelaatbaar tekort van ƒ 30 mill. overbleef.
In de eindopstelling van de begrooting zijn die cijfers ongeveer behouden. Bij de opening van den Volksraad wees ik in mijn rede op de zeer beduidende resultaten van het bezuinigingswerk, waardoor de uitgaven van ƒ 524 mill. in 1930 teruggebracht hadden kunnen worden tot een raming van ƒ 369 mill in de ontwerpbegrooting voor 1934, maar ook op den ontstellenden teruggang van de inkomsten, welke in 1929 nog ƒ 524 mill. bedroegen en, op dezelfde wijze berekend, voor 1934 niet hooger te stellen waren dan ƒ 214 mill., een teruggang dus van 60%. ‘Hiertegen is geen bezuinigingsarbeid opgewassen, noch kan verzwaring van lasten afdoende helpen. Tegenover de geraamde uitgaven van ƒ 369 mill. kan dan ook niet meer dan ƒ 285 mill. aan inkomsten voor 1934 worden gesteld, latende een tekort van ƒ 84 mill. Wil men er mede rekening houden, dat van deze ƒ 84 mill. ongeveer ƒ 50 mill. bestemd is voor aflossing van schuld, dus onze schuldenlast niet verzwaart en uit dien hoofde als gedekt kan worden beschouwd, dan nog blijft een bedrag van ƒ 34 mill. als ongedekt tekort’277.
Het zag er dus in het voorjaar van 1933 financieel al heel slecht uit. Dat was natuurlijk de schuld van de Regeering, die al weer niet met een sluitende begrooting kwam, niet diep genoeg ingreep, de lasten maar steeds verzwaarde, de werkloosheid niet bestreed en geld weg smeet (artikel in Java-Bode naar aanleiding van 3 maanden gratificatie aan Kapitein Cramwinckel bij zijn tusschentijdsch ontslag als Intendant278, waarbij de door dit ontslag verkregen bezuiniging voorbij gezien werd, terwijl bij ontslag uit Gouvernementsdienst veel ruimere gratificaties werden toegekend. Maar de Landvoogd had het altijd gedaan!).
Ook de economische toestand was ellendig; de geldschaarschte steeds nijpender; gouden sieraden waren uit de inlandsche samenleving zoo goed als verdwenen; in dezen tijd werd ernstig gedacht aan de invoering van de ¼cent, daar de ½cent voor vele transacties te hoog was279. Dat in die omstandigheden
| | | | de Directeur B.B., de brave socialist Mühlenfeld, kon beweren, dat een Inlander zich voeden kon voor één gobang (2½ cent) per dag, was meer ontactvol (daarover is heel wat te doen geweest!) dan onjuist280.
Een en ander leidde tot hernieuwde spanning op politiek gebied, maar alvorens daarop in te gaan, verdienen enkele gebeurtenissen afzonderlijke vermelding.
| |
Willem de Zwijger-herdenking; Patjal-werken
Den 24sten April werd het vierde eeuwfeest der geboorte van Willem de Zwijger gevierd. Den vorigen avond had de nieuwe vice-president, Meyer Ranneft, een herdenkingsrede uitgesproken op het Waterlooplein, hetgeen tot een grootsche betooging was geworden. Den volgenden dag kregen wij een aubade en kerkdienst te Buitenzorg en een versierde optocht en galaavond in den Schouwburg te Batavia, waar Mr. Schrieke, de Directeur van Justitie, een rede hield281. Het was alles inderdaad zeer spontaan en oprecht en men kon zelfs verbaasd zijn over de groote opgewektheid, waarmede dit feest werd gevierd. Toch vermeld ik deze herdenking niet zoo zeer om haar zelfs wil als wel wegens een typisch Indisch verschijnsel, dat er mede gepaard ging. Het toen nog zeer levendige en later gelukkig veel minder geworden ‘adderen’ en verdacht maken vond plotseling een prooi in de leden van den Raad van N.I., die, naar men beweerde, niet aanwezig waren geweest bij de demonstratie op het Waterlooplein. Hoewel deze demonstratie geenerlei officieel karakter had gedragen, vond de pers aanleiding daaraan scherpe critiek te wijden, ja zelfs werden terzake in den Volksraad vragen aan de Regeering gesteld!282 Van een mannetje als Fruin283 laat zich dat nog begrijpen - die moest het van zulke relletjes hebben - maar niet van iemand als Feuilletau de Bruyn284, al was ook deze wandelende encyclopaedie een eigenaardige figuur. Maar hoe het zij, zij vroegen, na op de persberichten gewezen te hebben:
‘In verband hiermede zouden stellers gaarne vernemen of ook de Regeering de afwezigheid van bedoelde functionarissen bij deze groot opgezette herdenking van Willem den Zwijger... betreurt’.
Op zulke vragen had men te antwoorden!
Ik deed het als volgt: ‘Bij loyaliteitsdemonstraties of nationale betoogingen,
| | | | zooals door stellers der vraag bedoeld, behoort men zich te bepalen tot hartelijke waardeering van de deelneming daaraan en van de gevoelens, welke daarbij tot uiting komen. Met een oordeel over de afwezigheid van sommigen, omtrent wier gevoelens overigens geen twijfel bestaat, in een geval als de herdenking van Willem den Zwijger kan men slechts te kort doen aan den verheffenden indruk, welke deze herdenking heeft achter gelaten. De Regeering is mitsdien niet bereid tot het uitspreken van zoodanig oordeel, hetwelk ook overigens geenszins op Haar weg ligt’285.
Dit antwoord werd uiteraard onbevredigend gevonden, maar men had het lesje gehad.
Een gebeurtenis, die niet tot zulk nakaarten aanleiding gaf, was de opening van de Patj al-werken286. Daartoe begaf ik mij den 25en naar Batavia, waarvandaan ik mij den volgenden morgen vroeg met de eendaagsche naar Soerabaja begaf. Te Djocja en Solo zeer hartelijke ontmoeting met Sultan en Soenan en bij aankomst te Soerabaja een spontaan gejuich uit het publiek. Logeeren bij Gouverneur De Man287, die niet lang meer in functie zou zijn, daar hij kort daarna werd vervangen door den Resident te Bandoeng, Kuneman288. Den 27en was het weer vroeg op en na 2½ uur rijden, bereikten wij over Grissee en Bodjonegoro ons doel. Het voltooide werk bestond hoofdzakelijk uit een stuwdam van 35 meter hoogte en 95 meter lengte, samengesteld uit opgestapelde kalksteenen, aan de waterzijde afgedekt door een zwaren betonplaat. Het was voor Indië een nieuwe constructie, die nog slechts in Amerika toepassing had gevonden. Een heel ravijn werd zoo tot reservoir gemaakt, waarvan de wanden en bodem, bestaande uit kalkmergel, een speciale bewerking hadden ondergaan om ze waterdicht te maken, nl. het injecteeren van cementmelk onder druk, welk procédé tot goede resultaten had geleid. Technisch was het dus een niet onbelangrijk werk, maar ook
economisch was het van groot belang, aangezien het de bevloeiing mogelijk maakte van 14.000 H.A., waarop een oogstvermeerdering van 45% werd verwacht, terwijl ook verbouw van tweede gewassen mogelijk zou worden. Een en ander werd in het licht gesteld in redevoeringen van den Directeur B.O.W.289, den Gouverneur en van mij. Dien avond aten wij zeer genoegelijk in ‘Modderlust’290 om den volgenden dag per vliegtuig terug te keeren.
| |
| | | |
Colijn Premier en Minister van Koloniën
Eind Mei trad het nieuwe Kabinet in Nederland op met Colijn als formateur en premier, tevens Minister van Koloniën. Dat gaf de eigenaardige figuur, dat wij weer aan elkaar vast zaten. Hij seinde: ‘Ik houd mij voor een hartelijke samenwerking aanbevolen’; ik antwoordde: ‘Wees verzekerd van een even hartelijke samenwerking als vroeger’. Overigens was het Kabinet een zonderling mengsel: De Graeff291, Buitenlandsche Zaken; De Wilde292, Binnenlandsche Zaken; Oud293, Financiën; Van Schaik294, Justitie; Marchant295, Onderwijs; Verschuur296, Economische Zaken; Slotemaker de Bruïne297, Sociale Zaken (nieuw); Kalff298, Waterstaat, en Deckers299, Defensie, een zeer heterogeen gezelschap.
| |
Herleving onrust; miltpunctie; actie Vaderlandsche Club
Gewaardeerd werd in Indië, dat Colijn de portefeuille van Koloniën had genomen, maar overigens maakte het nieuwe Kabinet weinig indruk en zeker hielp het niet om de politieke onrust te verminderen. Na de ‘Zeven Provinciën’ hadden wij een poos wat rust gehad, maar dat was al weer lang voorbij. De financieele en economische toestand vormde een vruchtbaren bodem voor agitatie. Reeds begin April hield de Heer Thamrin een interpellatie over het verscherpt politioneel optreden tegenover pers en openbare sprekers.300 Dat verscherpte optreden had inderdaad plaats; het was noodig; agitatie bij een zoo precairen welvaartstoestand kon niet worden toegelaten. Daarbij kwam al heel ongelukkig een ernstige pestepidemie in de Preanger en bij de bestrijding daarvan was het noodzakelijk de miltpunctie op de overledenen toe te passen. Dit stuitte op ernstig verzet bij de Mohammedaansche bevolking op godsdienstige gronden en ook hiervan werd door agitators gebruik gemaakt voor politieke doeleinden301. Het gaf allemaal veel onrust en moeilijkheden.
| | | |
In die omstandigheden was het wel een hoogst onverantwoordelijke zet van de Vaderlandsche Club om officieel tegen de Regeering in oppositie te gaan. Onder leiding van den staatsman Fruin geschiedde dat in de op 28 Mei te Djocja gehouden algemeene vergadering. Zie hier de considerans: ‘De klimmende ontevredenheid over den gang van zaken hier te lande, het uitblijven van maatregelen tot afdoende bestrijding van den nood der schatkist, de steeds zwaardere druk van de op de burgerij rustende lasten, terwijl een staatsbankroet nog onverminderd dreigt, de sabotage der bezuiniging en daarnaast de gezagsschemering, het uitblijven van maatregelen, welke aan het extremisme en daarmede aan de pogingen tot bederf van een over het algemeen goed willende bevolking een afdoend einde maken, de roode penetratie, welke ongestoord doorgaat, dit alles en nog veel meer maken het noodzakelijk, dat allen, die het wel meenen met dit land, als één man optrekken ten einde te bereiken, dat dit Regeeringsbeleid, verlamd door adviezen en contra-adviezen, mede beïnvloed door hyper-ethische adviseurs, onmachtig om misstanden in het ambtelijk bestel te doen verdwijnen, en evenmin in staat tot uitroeiing van het extremisme, zich omzet in een beleid van besluiten en daden’302.
Zou je ze niet?! En dat gebral vond nog instemming ook! In een snertblad als de Volksstem moest ik de opmerking vinden: ‘Maar wat heeft de Regeering eigenlijk misdaan? Zij heeft opgetreden waar noodig, gezag gehandhaafd waar noodig, kortom geheel in geest V.C. gehandeld, alleen... op eigen houtje en niet na Mr. Fruin om raad te hebben gevraagd. Zit daar misschien de kneep?’303 Een goed artikel over het onverantwoordelijke van deze houding der rechtsche groep, zoowel tegenover het binnenlandsch extremisme als tegenover het buitenland, verscheen in hetZondagochtendblad van 11 Juni304.
| |
| | | |
Opening Volksraad; wisseling R.G.A.Z. (Kiewiet de Jonge-Peekema)
En zoo ging het weer op de opening van den Volksraad aan in een algemeene sfeer van onrust en ontevredenheid. Het samenstellen van mijn rede kostte mij veel moeite. Er was eigenlijk niets anders te zeggen dan dat het beroerd was en mijn contact met Colijn was nog slechts uiterst summier geweest, zoodat ik zijn standpunt op allerlei gebied niet kende en dus niet wist wat ik zeggen kon en wat ik zwijgen moest. Ik stond toen wel zeer erg alleen. Maar één ding stond voor mij vast, dat, hoe begrijpelijk ook bij de achter ons liggende financieele ineenstorting, de bezuiniging niet meer zoo op den voorgrond mocht staan als tot toen het geval was geweest en dat meer aandacht ook aan den economischen toestand geschonken diende te worden. De denkbeelden daaromtrent begonnen meer en meer vasten vorm te krijgen; het zou niet zoozeer gaan om welvaartsbevordering in het algemeen als om economisch verweer; wij zouden moeten strijden om ons economisch bestaan. In dit verband waren reeds belangrijke maatregelen genomen, zooals de suikerregeling, de theerestrictie en het invoerverbod van rijst en aankoop daarvan door het Gouvernement305. Voor verschillende minder belangrijke, maar daarom nog niet te verwaarloozen voorzieningen was men bezig aan een economisch werkplan306, aan welks samenstelling Kiewiet de Jonge307 een werkzaam aandeel nam. In verband daarmede vond ik het wenschelijk hem te ontheffen van zijn functie van R.G.A.Z.; hij kon zich dan geheel aan deze taak wijden en ik kreeg de gelegenheid eens iemand anders voor den Volksraad te brengen, hetgeen noodig was, omdat het langzamerhand min of meer oneigenlijk werd mijn uiteraard meer en meer persoonlijk wordend beleid langer te doen verdedigen door denzelfden man, die onder De Graeff als R.G.A.Z. fungeerde. Hij heeft zijn positie-verandering niet lang overleefd; 29 Juli vond men hem te Bandoeng dood in bed; ieder dacht aan zelfmoord, maar er bestond geen zekerheid. Wel bleek, dat hij diep in de schulden zat en hij schijnt zich zijn ontslag als R.G.A.Z. wel aangetrokken te hebben308.
| | | |
Tot zijn opvolger heb ik Mr. Peekema309 van de Alg. Secretarie benoemd. Niet iedereen was met die keuze ingenomen, vooral de Volksraad niet, die het een kaakslag aan het verheven college vond om zulk een jong en onbekend man daartegenover te stellen. Mr. Spit310, die Meyer Ranneft als voorzitter was opgevolgd, vond het noodig de Alg. Secretaris te waarschuwen311. Het leek er inderdaad op of men den G.G. de vrijheid wilde ontzeggen om zelf uit te maken wie in den Volksraad zijn persoonlijk beleid zou verdedigen! Hoe het zij, Peekema heeft dat voortreffelijk gedaan; uitstekend stylist, goed spreker, zeer belezen en intelligent, wist hij van de beantwoording der algemeene beschouwingen altijd iets goeds te maken, ernst en humor mengend, steeds tintelend van geest en op hoog niveau blijvend.
Mijn openingsrede312 ving aan met een gelukwensch aan den Volksraad met het kort tevoren herdachte 15-jarig bestaan; een welkomstwoord tot den Voorzitter, waaraan vastgeknoopt een waarschuwing voor de toeneming van het werk, dat voor den Volksraad gedaan moest worden, terwijl de regeeringsorganen aan steeds voortschrijdende versobering onderworpen waren313. Dan een beschouwing over de financiën en daarna een bespreking van den economischen toestand, waarbij een speciale paragraaf was gewijd aan de werkloosheid. In dat verband werd met lof genoemd het werk van Centraal Steuncomité314, Leger des Heils en A.M.V.J., terwijl de totstandkoming van
| | | | het Suikerfonds315 werd vermeld dank zij de bereidheid van de industrie om gedurende 3 jaar jaarlijks 5 ton bij te dragen. Aan het slot van dit deel werd een economisch werkplan aangekondigd. Hierop volgde de politieke toestand, waarbij ik constateerde, dat de benarde omstandigheden een goeden voedingsbodem vormden voor onrust en dat daarvan, jammer genoeg, misbruik werd gemaakt om politieke doeleinden na te jagen. Bij twee uitingen van verzet, welke bijzonder de aandacht trokken, nl. die in verband met de wilde-scholen-ordonnantie en die wegens de miltpuncite316 meende ik echter met een te eerbiedigen overtuiging te doen te hebben, zoodat de Regeering daarbij zoo veel tegemoetkoming had getoond als met haar plicht was overeen te brengen. Daarna wees ik op den wel zeer ernstigen aard van het gebeurde met de ‘Zeven Provinciën’, waarin ik niet zooals sommigen een quaestie van rassentegenstelling zag, ook niet een zuivere Marine-zaak, maar veeleer een uitvloeisel van een algemeene verslapping en ontaarding van ambtelijk plichtsbesef en discipline, welke reeds tevoren tot uiting was gekomen. Aan genoemd verschijnsel behoorde paal en perk te worden gesteld. De Regeering mag en moet van Hare ambtenaren eischen onder alle omstandigheden, ook bij hun onaangename maatregelen of bij verschil van inzicht, een loyale houding, terwijl men als ambtenaar moet begrijpen, dat er geen plaats is in 's lands dienst voor hen, die samenwerking met de Regeering weigeren, hetzij door actief tegen Haar te ageeren of door passief Haar hun trouw en toewijding te onthouden. (Deze passus was bedoeld
als inleiding op maatregelen, die weldra genomen zouden worden.) Daarna memoreerde ik de betuigingen van loyaliteit na de muiterij, ook gedurende de debatten in den Volksraad op 20 Febr., en de opgewekte viering van den 400sten geboortedag van Prins Willem van Oranje om te eindigen met de woorden: ‘Ook thans zijn de tijden vol dreiging en gevaar, maar ook thans staan wij onder leiding van een Oranje, die met even groote gaven van hoofd en hart gesteund wordt door eenzelfde geloofsovertuiging. Waarom zouden wij dan mismoedig zijn of opzien tegen de nieuwe taak, die ons wacht? Onder Haar leiding, in goede en vruchtbare samenwerking en met God's hulp zal het mogelijk zijn ook thans te overwinnen.’
De commentaren op de rede waren vrijwel eensluidend: teleurstellend; onmacht van de Regeering om een sluitend budget te verkrijgen; uitzicht op nieuwe lasten; steeds grootere afhankelijkheid van Holland. Neen, opwekkend was het niet en het was goed, dat wij den dag na de opening naar Tjipanas gingen. Wij hadden het allen noodig; al geruimen tijd zat ik vol rooden hond en ik was moe.
Gedurende mijn verblijf aldaar besliste zich de benoeming van Wellen- | | | | stein317 tot Directeur van Landbouw. Den 12en Juni hadden wij Bernard uitgegeten; het was goed, dat hij wegging; een braaf man en zeker niet onbekwaam, maar niet opgewassen tegen de taak, die op het Departement kwam te rusten. Wellenstein was uit ander hout gesneden; scherp, cynisch, energiek tot roekeloos toe. Hij heeft het Departement omgevormd tot een krachtig en actief wapen bij het economisch verweer. Hij begreep, dat de oude beginselen van open deur en vrijen handel in de toenmalige omstandigheden niet gehandhaafd konden worden en plaats moesten maken voor een geleide economie, waarbij door ordening en herordening van het bedrijfsleven een loonende basis voor het grootbedrijf moest worden teruggevonden, de inheemsche landbouw en nijverheid moesten worden beschermd en vernieling van den bestaanden invoer- en tusschenhandel moest worden voorkomen. Tijdens een reis naar Holland ter bespreking van hangende aangelegenheden is hij op 4 Aug. 1934 gestorven. Indië leed hierdoor een groot verlies; in het jaar van zijn werkzaamheid heeft hij de grondslagen gelegd, waarop zijn opvolger, Mr. Hart318, heeft kunnen voortbouwen.
| |
Circulaires: verhouding Europ. en Inl. Bestuur, landsdienaren en politieke vereenigingen, werk voor den Volksraad
Het eerste dat nu noodig was bestond in het gevolg geven aan hetgeen in mijn openingsrede was aangekondigd. Zoo verscheen 22 Juni een circulaire, waarin de verhouding tusschen Europeesche en Inlandsche bestuursambtenaren werd behandeld319. In dien tijd was er nog al wrijving en het Volksraadlid Soetardjo blies dat vuurtje ijverig aan. Het was niet te verwonderen, dat hier en daar nog wat haperde; de taakverdeeling was van nog jongen datum en niet iedereen kon zich daaraan dadelijk aanpassen. Er was dus aanleiding om die aanpassing nog eens als den uitdrukkelijken wensch van den Landvoogd op den voorgrond te plaatsen320.
| | | |
Bij besluit van 27 Juni werd bepaald, dat geen landsdienaar lid mocht zijn van een vereeniging, die actie voerde, welke schadelijk te achten was voor de discipline of den goeden geest in het corps landsdienaren of zich actief dan wel passief tegen het wettig gezag richt321. Toegestaan werd het lid zijn of blijven van een vakvereeniging, in welker bestuur tenminste één landsdienaar zitting had, en het zitting hebben in het bestuur van een vakvereeniging, mits een bepaalde verklaring was afgelegd. Voor mij zat de waarde van dit besluit niet in het verbod aan ambtenaren om lid te zijn van een deloyale vereeniging; dat zijn er niet zoo veel. Maar wel was de toestemming om lid en bestuurslid van een vakvereeniging te zijn van beteekenis. Mijn medewerkers begrepen dit niet goed; men verweet mij, dat één ambtenaar-lid in het bestuur geen invloed genoeg kon uitoefenen, maar men vergat, dat, als het bestuur van een vakvereeniging den verkeerden kant opging, het ambtelijk lid uit eigen beweging ingevolge de door hem geteekende verklaring moest uittreden of anders ontslag uit den dienst kreeg, in beide gevallen geen ambtenaar meer in het bestuur zat en dus de vereeniging voor ambtenaren verboden werd. Dit gaf een zeer scherpe contrôle op vereenigingen als Marine-bonden, N.I.O.G.322, V.V.O.323 enz. en was van groot belang, omdat in die vereenigingen talrijke ambtenaren, ook goed gezinde, waren saamgebracht en daardoor het werk van
deloyale bestuurders zoo veel meer te vreezen was.
Van denzelfden datum was een circulaire over beperking van arbeid ten behoeve van den Volksraad324. Had ik in de openingsrede gewezen op het gevaar van de voortdurende toeneming van dien arbeid, zoo lag het voor de hand, dat aan alle hoofden van departementen en diensthoofden instructie werd gegeven dien arbeid zoo veel mogelijk te beperken door kortheid en soberheid in de stukken en mondelinge antwoorden (waaraan inderdaad veel ontbrak). Van belang was het niet en het resultaat was nihil, maar het was een gelegenheid om de uitgesproken waarschuwing nog eens te onderstreepen.
| |
| | | |
‘Indonesiër’
Een paar dagen later viel de beslissing op het verzoek van den Bond van Inlandsche Bestuursambtenaren om de benaming ‘Inlander’ in wetten en van de Regeering en lagere overheidsorganen uitgaande officieele bescheiden te vervangen door het woord ‘Indonesiër’. Het verzoek werd afgewezen, omdat er in het gebruik van het woord Inlander niets vernederends ligt, aangezien het in de wetgeving een juridische beteekenis heeft in verband met de geldigheid van bepaalde rechtsvoorschriften op bepaalde personen. Er werd tevens op gewezen, dat aan het woord Indonesiër een politieke beteekenis was gehecht, die met de wettelijke juridische beteekenis van het woord Inlander in geenerlei verband stond en dat het eerste woord ook geografischethnologisch met het tweede woord niet overeenkwam325.
Toen was het al weer tijd om naar Buitenzorg terug te keeren, wat wij op 4 Juli deden. Dat was nooit een prettige sensatie, als men de Poentjak was afgekomen, de Chineesche kampong was doorgereden en de Kenarilaan was ingeslagen om met een sierlijken zwaai door den paleisdoorgang heen voor den hoofdtrap stil te houden, dan weer die kleffe warmte op je te voelen vallen.
Maar er wachtte genoeg werk! In die maand Juli hadden wij bovendien weer een soldatenfeest, een lunch met Generaal Pabst326, onzen Gezant te Tokio, en de overdracht van het Koningin Wilhelmina Instituut aan het Land. Bij het jongste jubileum van de Koningin was uit breede lagen der bevolking geld bijeengebracht en H.M. had dat bestemd voor den bouw van een wetenschappelijke instelling tot bestrijding van de volksziekten. De Medische Hoogeschool bezat niet de noodige hulpmiddelen voor bactereologie en hygiëne. Daarin werd nu voorzien door een gebouw, waarin collegezaal, museum, werkkamers en groote en kleinere laboratoria met afdeeling voor proefdieren en een paar kamers voor de bestudeering van de pest.
| |
Vertrek Cramwinckel; eigen financiën
Voor ons persoonlijk was eigenlijk het belangrijkst het heengaan van de familie Cramwinckel. Iedereen was blij, dat het zoo ver was; als Intendant was hij geen succes; de door zijn vertrek verkregen bezuiniging was reëel - hij was gedetacheerd officier van het Nederlandsche leger -, maar ook voorwendsel; zijn vrouw was een lief mensch, maar hijzelf, hoewel niet stom, was niet aangenaam; zocht zichzelf te veel, was ijdel en hooghartig tegenover ondergeschikten. Hij meende een eigen koninkrijkje te hebben, waarin hij alleen de baas was. Zo wilde hij mij wijs maken, dat ik niets met de financiën te
| | | | maken had en over mijn traktement door hem werd beschikt. Dat heb ik hem natuurlijk anders geleerd en iedere maand liet ik mij de boeken voorleggen om de uitgaven te controleeren en mijn eigen boek bij te houden. En dat was noodig ook, want met al die kortingen en verhoogde belastingen hield het er maar aan, dat het inkomen voldoende was. Nominaal was dat: ƒ 80.000 traktement en ƒ 100.000 ambtstoelage, maar dat heb ik nooit genoten, want bij mijn optreden in 1931 lag er al een korting op van 5%, die opklom tot 17% en wel zgn. vrijwillig was, maar het ging natuurlijk niet aan, dat ik mij zou onttrekken aan de kortingen, die voor alle ambtenaren golden. Gedurende de volle jaren in Indië heb ik aldus genoten:
| 1932 |
ƒ 162.000 |
| 1933 |
ƒ 149.000 |
| 1934 |
ƒ 140.000 |
| 1935 |
ƒ 140.000 |
wat beteekende, dat ik gedurende mijn bestuursperiode ruim ƒ 150.000 gederfd heb. Juist de spaarpot! Maar dat was niet erg, als ik het er tenslotte maar van kon doen. De voornaamste uitgaven bedroegen in die jaren in duizendtallen guldens:
|
1932 |
1933 |
1934 |
1935 |
| Huishouden |
33,6 |
34,8 |
30,4 |
30,1 |
| Dienstpersoneel |
19, - |
19,3 |
16,1 |
13,4 |
| Gas, Licht, Water |
4, - |
4, - |
3,4 |
3,5 |
| Giften |
12,8 |
11,4 |
15,3 |
15,5 |
| Abonn. en Contr. |
2,6 |
3, - |
3,5 |
3,2 |
| Auto's |
6,9 |
6, - |
4,9 |
4,1 |
| Diversen |
7,3 |
7,9 |
7,8 |
8,7 |
| |
_____ |
_____ |
_____ |
_____ |
| |
86,2 |
86,4 |
81,4 |
78,5 |
| Ind. Belastingen |
22,1 |
28,2 |
30,8 |
28,6 |
| |
_____ |
_____ |
_____ |
_____ |
| |
108,3 |
114,6 |
112,2 |
107,1 |
Er was dus een zekere marge, maar daaruit moesten de meer privé uitgaven bekostigd worden, zooals de kosten van de kinderen, kleeding, cadeaux enz. Door overleg en toezicht, en zeker niet het minst door eerlijk en doeltreffend beleid van den hofmeester Van Dreumel, konden wij per slot van rekening een behoorlijken staat voeren, al waren in verband met de tijdsomstandigheden verschillende bezuinigingsmaatregelen ingevoerd, die in normale omstandigheden waarschijnlijk achterwege zouden zijn gebleven.
| |
| | | |
Voortduring onrust; beperking recht van vereeniging en vergadering; interpellatie Thamrin
Den 1 en Augustus verhuisden wij weer naar Batavia, waar politieke moeilijkheden mij wachtten. Het was overal nog onrustig; ongunstige berichten bereikten mij van Gouverneur Kuneman uit Oost-Java en van Gouverneur Schnitzler uit West-Java. De in de openingsrede aangekondigde en reeds begonnen campagne tegen deze actie diende te worden voortgezet. De tijd was er rijp voor; bij de gespannen crisisverhoudingen konden wij politiek gestook allerminst verdragen. En deze actie werd op steeds brutaler wijze gevoerd; de extremistische vereenigingen hadden sinds eenigen tijd een systeem van vergaderen ingevoerd - meer vergaderingen op dezelfde plaats en op hetzelfde uur - waarbij de politie geen behoorlijke contrôle meer kon uitoefenen. Er zat dus niets anders op dan het vergaderrecht van de ergste, de Partindo of P.I. en de P.N.I., te beperken en den leider van de Partindo, Ir. Soekarno, te arresteeren327. Dit laatste geschiedde in den nacht van 31 Juli/1 Augustus, vóór het erf van Thamrin. Het maakte grooten indruk; de pers stond algemeen aan de zijde van de Regeering; men erkende de noodzakelijkheid van den maatregel328; de Java-Bode schreef329, dat het niet
meer een quaestie van beleid, maar van macht was geworden. Er moest paal en perk aan de agitatie worden gesteld; Thamrin zelf had in de vergadering van den Volksraad van 26 Juli gezegd, dat hij het naar een gewelddadige botsing zag toegaan;330 dit te voorkomen was plicht van de Regeering; zij heeft op het juiste oogenblik ingegrepen.
Soekarno kwam uit het huis van Thamrin; vóór diens erf werd hij gegrepen. Zouden wij Thamrin ook nog eens krijgen? Hij was de ergste van allen, bekwaam en handig; ik mocht hem wel, maar had hem toch gaarne op Banda of ergens anders opgeborgen. Het heeft niet mogen zijn; hij heeft mij de kans niet gegeven.
| | | |
Een interpellatie-Thamrin over het geval liet niet lang op zich wachten; 13 vragen werden aan de Regeering gesteld, waarop 14 Augustus werd geantwoord onder mededeeling tevens dat de Regeering niet bereid was tot een debat, aangezien zij daarvan geen nut verwachtte331. Op grond hiervan stelde Thamrin een motie van afkeuring voor, welke de Volksraad verwierp332. Het was curieus, dat toenmaals het recht van de Regeering om een interpellatie te weigeren niet in discussie kwam; men keurde de houding van de Regeering algemeen goed. Pas later zou de strijd over het recht van interpellatie ontbranden333.
| |
Sociale verplichtingen
Ter eere van den verjaardag van de Koningin-Moeder hebben wij vooravondreceptie gehouden voor het publiek in het algemeen, waarbij ik ongeveer 40 menschen aansprak! Het antwoordtelegram van H.M. op mijn gelukwenschen had weer die kleine toevoeging welke aan de formeele dankbetuiging waarde geeft. Aan deze was als slot toegevoegd: ‘Wees van innig medeleven met Indië overtuigd’. Dat kwam niet van een particulier secretaris, die de felicitatietelegrammen afdoet.
Verder heeft de maand Augustus vooral gestaan in het teeken van sociale plichten, waarvoor een verblijf te Batavia dan ook hoofdzakelijk dient. Het was goed, dat mijn vrouw allerlei instellingen bezocht, hetgeen den indruk wegnam, dat zij alleen in dierenbescherming belang stelde. De kinderen legden bezoeken af bij de vrouwen van de leden van de Raad van N.I. en Directeuren. Ikzelf bracht een afscheidsbezoek aan den ouden Djajadiningrat, die eind Juli als lid van den Raad was afgetreden toen gebleken was, dat geen blijvend herstel te verwachten was van zijn plotselinge ineenstorting. 9 Augustus diner van Raad van N.I. en Directeuren. Er is sprake van geweest dergelijke feesten niet te laten doorgaan wegens de moeilijke tijden; er werd zooveel over geldverspilling geklaagd; er stonden daarover zulke gemeene stukken in de dagbladen, dat men geneigd was elke niet strikt noodige uitgaaf achterwege te laten. Maar toen ging men aanstonds uitrekenen hoeveel ik dan wel van mijn ambtstoelage zou overhouden! Dan maar beter den gewonen gang van zaken naar eigen redelijk inzicht zooveel mogelijk te volgen; gescholden werd er toch.
16 Augustus na-avondreceptie voor den Volksraad; 17 Augustus feest ten
| | | | behoeve van de werkloozen ten huize van den Gouverneur van West-Java. Ik kende huis en erf niet en vond het aardig dit mooie pand aan de andere zijde van het Koningsplein eens te bezoeken. Men had er een aantrekkelijk geheel van gemaakt, lampions in de mooie oude boomen, zitjes buiten, kraampjes, verkoopsters, buffetten enz. Eén van de clou's was de Fransche caricaturist Fabrès, die voor het goede doel teekende334. Den volgenden dag lunchte hij ten paleize met zijn vrouw, een stevige Hollandsche dame, en den Franschen consul Gérardin335 en echtgenoote, beiden aardige, rustige menschen, die wij graag mochten.
22 Augustus bezoek aan de Topografische Inrichting en daarna aan den Chinees Kan, zoogenaamd om zijn orchideeën te zien, daar anders tal van lieden zich gepasseerd zouden hebben gevoeld. Kan was een curieuse persoonlijkheid, volkomen Westersch bijgewerkt en een trouw onderdaan van de Koningin, al had hij grooten invloed in de Chineesche wereld in Indië en goede relaties in China zelf336. Hij was vermogend en bewoonde een groot huis, waar toch nog geregeld aan de voorouders geofferd werd. Als lid van den Volksraad was hij als regel gouvernementeel; hij bezocht mij geregeld; ik mocht hem gaarne; menig lang en aardig gesprek hebben wij gehad.
25 Augustus kwam de nieuwe Japansche consul-generaal337 zijn opwachting maken. Van zijn voorganger, Myake338, die naar Calcutta was overgeplaatst, had ik met een lunch op 10 Januari afscheid genomen. Van hem herinner ik mij niet veel meer, maar van Koshida wel. Hij was een fatsoenlijk man en hij heeft in de moeilijke jaren, die volgden, veel bijgedragen om de verhouding niet onnoodig te verscherpen. Bij ons gesprek kwam natuurlijk ook de Japansche penetratie en expansie in Indië ter sprake, waarbij ik hem den raad gaf: ‘don't overdo it’. Ik wees hem tevens op verschillende gevallen, waarin men bezig was die fout te maken en op de noodzakelijkheid, welke dergelijke gevallen in het leven riepen, om tegenmaatregelen te nemen. Onze oogen waren toen reeds wijd geopend voor het toenemende gevaar, dat zich hier voordeed. Speciaal ook om dit gevaar te keeren diende de nieuwe Crisis-Invoerordonnantie, die een stelsel van contingenteering mogelijk maakte en een krachtig wapen werd bij het economisch verweer339. Aan den anderen
| | | | kant viel niet te ontkennen, dat wij toen zeer geholpen werden door den goedkoopen Japanschen invoer. Deze invoer en de goede oogsten van die jaren waren de beide kurken, waarop de inheemsche bevolking dreef.
26 Augustus bracht ik een bezoek aan het Indisch Bronbeek340 en de Carpentier Alting-school341.
29 Augustus avondbezoek aan de Pasar Gambir, die ook dat jaar zeer smaakvol was. Ik mocht den architect, den ouden Heer Antonisse, bij deze gelegenheid zijn decoratie mededeelen.
| |
31 Augustus
En zoo was het den 30en weer Concordia-avond en den 31en het gewone program: parade, dit maal met Jan als adjudant342 in onze koets in groot tenue der Rijders, ontvangst der vreemde consuls en Openbaar Gehoor in Paleis Rijswijk.
Ditmaal stond Meyer Ranneft als vice-president met mij op het podium en sprak zijn opvolger, Mr. Spit, als voorzitter van den Volksraad mij toe. In mijn antwoord wees ik er op hoe men in de toenmalige moeilijke omstandigheden, waarin zoo veel ons ontviel, de waarde besefte van wat wij in onze Koningin bezitten. In tegenstelling met zooveel andere landen mochten wij ons onder Haar bestuur verheugen in rust en orde, de allereerste vereischten om aan de moeilijkheden het hoofd te bieden en noodzakelijke basis voor nieuwe welvaart. Aan handhaving daarvan moest dan ook alles ondergeschikt zijn. Wat noodig was, was het gemeenschappelijk streven naar hetzelfde doel: economisch verweer naar binnen en naar buiten en financieele stabiliteit. De Regeering was zich van hare primaire taak bewust; zij zou het gezag handhaven zonder zich naar links of naar rechts te laten trekken, met geduld, met
| | | | beleid en, zoo noodig, met kracht. Het was een verheugend feit, dat zij daarbij in toenemende mate steun ondervond, het aanpassingsproces vorderingen maakte en men de noodzakelijkheid van bezuiniging niet alleen voor zijn buurman, maar ook voor zich zelf, begon in te zien. Uitingen van loyaliteit als naar aanleiding van de ‘Zeven Provinciën’, zoowel van het publiek als in den Volksraad, en bij de Willem de Zwijger-herdenking, gaven aan de woorden van den Voorzitter van den Volksraad een bijzondere beteekenis, waardoor zij vormden een vasten grond voor het heden en een hoopvolle belofte voor de toekomst.
| |
Reis Zuid-Sumatra
Op 2 Sept. ondernam ik een korte reis naar Zuid-Sumatra, meer in het bijzonder om een bezoek te brengen aan de streek, die 2 maanden tevoren getroffen was door een ernstige aardbeving. Er was veel schade aangericht en 500 slachtoffers waren omgekomen. Aangezien de streek moeilijk te bereiken was en het eenige middel was om van Benkoelen af van een schip van de Marine gebruik te maken, bleef de familie thuis en ging ik met Kiveron in plaats van Gerke, die ziek was, en den adjudant Van Bemmelen343. Wij gingen per vliegtuig naar Palembang, waar wij om kwart vóór 9 reeds arriveerden. Ontvangst op het vliegveld door Resident Steinbuch344 en andere autoriteiten; naar diens woning, waar weer ontvangst, eerecompagnie, volkshoofden, uitvoering dansen door meisjes in nationaal costuum; 10 uur rondrit door de stad met burgemeester Van de Wetering345, ontvangst ten stadhuize en daarna audiënties, waaronder een onderwijzer, die Idaagde, dat hij van het verminderd salaris zijn gezin niet meer kon onderhouden en daarvan het Gouvernement een verwijt maakte. Op mijn vraag of hij vond, dat het Gouvernement er voor moest zorgen, dat hij niet alleen zijn gezin, maar ook twee gescheiden vrouwen (zooals i.c. het geval was) kon onderhouden, bleef hij het antwoord schuldig.
's Middags bezoek aan de oliebedrijven, eerst aan Soengei Gerong van de Koloniale, waar Herry van Karnebeek346 ons aan dezen kantvan de rivier ontving om ons naar den overkant te begeleiden, waar Elliott347, de manager, de honneurs waarnam. Na een koelen dronk op het mooie grasveld van het woonemplacement temidden van de employé's en hunne dames ging het weer per schip naar Pladjoe van de B.P.M., waar wij ten huize van den administrateur Van Diermen348 de thee gebruikten. Ik herkende het oude gedeelte van Pladjoe nog zeer wel en herinnerde mij hoe Van Tienen mij in 1919 in datzelfde huis
| | | | ontving349. Op de rivier waren inmiddels versierde prauwen met roeiers zeer actief. Toen nog om 7 uur receptie en om 8.30 diner met gasten, dus veel aanspreken, en dat alles in moordende hitte; de dag was lang genoeg geweest.
Op reis heeft men reeds vóór het ontbijt meestal een serie huldebetuigingen te verwerken. Den tweeden dag was het slechts een kinderaubade, want om half 8 vertrokken wij al van de residentiewoning naar Kertapati, waar de auto's ons wachtten voor den doorsteek naar Benkoelen, dien ik ook in 1919 maakte. Na ongeveer 200 K.M. kwamen wij te Tandjong Enim en stapten wij af ten huize van Ir. Ziegler350, bedrijfsleider van de Boekit Asem mijnen. 's Middags door naar Lahat, waar gelogeerd bij assistent resident Haga351. Prachtig gelegen woning met schitterend uitzicht op de rivier Lematang, dat slechts korten tijd bedorven werd door huldebetuigingen en fakkeloptocht. Dat uitzicht bij volle maan, zooals wij toen zagen, was eenig. Den 4en Sept. om 7 uur vertrek naar Kepahiang, waar geluncht ten huize van controleur Van Zwol352 en 's middags door naar Benkoelen, een schitterend mooi stuk weg. Te Benkoelen natuurlijk weer officieele ontvangst ten huize van Resident Groeneveldt353, opwachting Inlandsche hoofden, aubade schoolkinderen, rondrit door de stad en omgeving (men bracht mij speciaal bij bloeiende Vanda Hookeriana in plassen daar in de buurt), receptie, diner met gasten en om 11.30 embarkeeren op de ‘Java’, die wij bij het naderen van Benkoelen van de hoogte af al op de reede hadden zien liggen. Aankomst te Kroë bij daglicht den volgenden morgen. Na rondrit in de geteisterde streek gingen wij om 11.15 weer aan boord. Het was hier in de buurt van het Ranaumeer, dat de verwoesting het ergst was; overal nog ingestorte huizen, die van de neuten waren afgegleden, scheuren in de wegen, grondverschuivingen over
de sawahs heen. Den volgenden morgen kwamen wij te Kota Agoeng; een rit van 20 K.M. ten Westen daarvan voerde ons weer door getroffen gebied. Aan het eind van den weg, te Banding, waren de hoofden verzameld en hielden wij even rust in een fraaie tent, terwijl dansen werden uitgevoerd. Terug en naar de Giesting, de kolonisatieterreinen voor Indo's354 waar De Hoog355 ons ont- | | | | ving en een lunch was toebereid door de zorg van tal van Indo-dames. In den middag naar de Javanenkolonisatie Gedong Tataan356. Toen door naar Telokbetong, waar diner met gasten ten huize van Resident Rookmaaker357. Dit huis ligt op een heuvel van ongeveer 40 meter hoog en men wijst U nog aan de
landzijde daarvan een oude scheepsketel van een schip, dat door de Krakatau-vloedgolf358 over dien heuvel heen geworpen is.
Den zesden dag, 7 Sept., begonnen wij maar weer eens met een kinderaubade. Daarna naar Natar, waar wij de triplex- en touwfabrieken van Gebr. Sijnja bezochten. Het leek mij, dat daar een goed product vervaardigd werd; de Marine bestelde er dan ook haar trossen. Vandaar ging het naar de Javanenkolonisatie Soekadana te Gedongdalem359. Van die Javanenkolonisatie kreeg ik geen slechten indruk. Nu men eenmaal een kern had, was de geleidelijke uitbreiding verzekerd. Ieder jaar voerde men niet meer nieuwelingen aan dan door de reeds gevestigden konden worden opgenomen. Na een jaar hadden ze genoeg verdiend en waren ze voldoende gewend om zichzelf te vestigen en op hun beurt nieuwelingen op te nemen. De verleiding om ten deze te overhaasten is groot en menigmaal heb ik daartegen moeten waarschuwen. Na de lunch bij den controleur te Soekadana360 terug naar Telokbetong (104 K.M.), waar te 7 uur receptie ten residentshuize en afscheid. Het diner gebruikten wij aan boord. Daar het de laatste avond was, bedankte ik aan tafel voor de genoten gastvrijheid, waaraan ik nog eenige beschouwingen heb toegevoegd in verband met de omstandigheden. Na de ‘Zeven Provinciën’ mocht de Marine wel een kleine opbeuring hebben. Ook vond ik het prettig den eskadercommandant Van Dulm nader te leeren kennen, daar hij bestemd was om Osten als Vlootvoogd op te volgen. 8 Sept. kwamen wij vroeg te Priok aan, waar ik weer door het geheele ontvangstceremonieel heen moest, maar ik was toch vroeg genoeg voor het algemeen gehoor ten paleize Koningsplein, waar de
gedecoreerden konden komen bedanken. Het was een zonderlinge samenloop, dat ikzelf daar een decoratie vond, nl. het Grootkruis van de Kroonorde van België.
| |
| | | |
Decoraties
Mijn eerste lint; nu had ik tenminste iets om op het ambtscostuum te dragen, waarbij het past. Er volgden nog de Kroonorde van Italië en de Briljanten Jade van China. Mijn geheele bestuursperiode heb ik dus met een vreemd lint moeten loopen; pas bij mijn aftreden kreeg ik de Oranje Nassau. Waarom eigenlijk? Wat had ik er toen nog aan? Het ding ligt in een la zonder dat ik er iets aan heb en wat zou het niet van nut geweest zijn gedurende mijn Indische jaren: in den Volksraad, tegenover de Zelfbestuurders, bij ontvangst van vreemdelingen en alle mogelijke officieele plechtigheden. Het hoort toch bij je uitrusting; in een Oostersch land vooral heb je die dingen noodig; naar buiten moet blijken van het vertrouwen, datje eigen Regeering in je stelt; dat is veel betere politiek dan de critiek die 5 jaren lang in de Staten-Generaal op den Landvoogd wordt uitgeoefend door leden, die meenen dat te moeten doen op grond van uit de Indische pers bijeen geharkte schandaalberichtjes. Maar het is dan toch een onderscheiding bij je aftreden! Een onderscheiding? Het is traditie; iedere Landvoogd ontvangt deze onderscheiding bij zijn aftreden. Juist omdat het hier eigenlijk niet om een onderscheiding gaat, zou men even goed en met veel meer nuttig effect de verleening van het Grootkruis Oranje-Nassau kunnen verbinden aan de benoeming en niet aan het aftreden van den Landvoogd.
Wat weten wij decoraties slecht te hanteeren! De Franschen doen dat beter; met hun verschillende koloniale orden bestrijken zij elk gewenscht terrein. Wat maakte Reynaud een hoop menschen in Indië gelukkig met zijn Etoile noire de Bénin! Zij hebben ook nog zoo iets als een Millioen Olifanten onder een witte Parasol! Hoe kom je op het idée! Maar zoo gek kan het niet zijn of het is bruikbaar. Hoe zitten wij ieder jaar te tobben om in een land als Indië te blijven binnen het traditioneele rantsoen van Leeuwen en Oranje Nassau's. Wat had ik niet graag royaler kunnen zijn in een tijd toen er zooveel van de menschen gevergd werd. Terwijl in Holland de tuinman van een antirevolutionair Kamerlid en de keukenmeid van een christelijk-historischen partijman decoraties kregen, moesten residenten worden uitgesteld en verdienstelijke ambtenaren worden voorbij gegaan. En dat werd erger naar mate de inlandsche wereld begon mee te praten. Voor Inlanders bestond een door den G.G. toe te kennen onderscheiding: de bronzen, zilveren en gouden sterren. Verdienstelijke regenten verkregen b.v. de laatste. Maar al spoedig deden zich gevallen voor, dat ook Nederlandsche decoraties werden verleend, zooals aan inheemsche Volksraadleden en zoo lag het voor de hand, dat langzamerhand de sterren in aanzien gingen dalen, vooral in het oog der ‘intellectueelen’, en men ze ging beschouwen als ‘slechts’ voor Inlanders.
Een en ander heeft mij er toe gebracht aan het einde van mijn bestuursperiode een voorstel te doen tot instelling van een Indische orde, waarvan de hoogere rangen door de Koningin, de lagere door den G.G. namens de Ko- | | | | ningin zouden worden toegekend. De G.G. zou ex officio het Grootkruis dragen. De orde was gedacht als uitbouw van het in Indië reeds bestaande; de sterren waren er dus in opgenomen en daarboven was een kop geconstrueerd, zoodat het geheel een volwaardige orde zou zijn met de Koningin als Grootmeesteres. Voorgesteld was tot de instelling over te gaan bij een belangrijke gebeurtenis, zooals b.v. het huwelijk van de Prinses.
Het had een aardige oplossing kunnen zijn; het in discrediet raken van de sterren ware voorkomen; het had ruimte gegeven om in een land als Indië wat royaler te zijn; de Leeuwen en Oranje Nassau's zouden précieus gebleven zijn; men zou ook een vreemdeling eens wat hebben kunnen geven; de G.G. zou van zijn optreden af een passend lint ter beschikking hebben gehad, maar het heeft niet mogen zijn. Naar ik gehoord heb, zag men in het voorstel een uiting van ‘los van Holland’-gevoelens.
Maar genoeg hierover. Den dag na mijn thuiskomst zijn we naar Tjipanas gegaan om bij te komen van de warme en drukke Augustusmaand in Batavia en de nog warmer en vermoeiender reis. We bleven tot 30 Sept. Zij, die op audiëntie kwamen, bleven meestal lunchen; het is altijd 2½ uur in de auto van Batavia! Ook hadden wij te gast den Sultan van Selangor met zoon en toegevoegden Britschen resident, Mr. Adams. De Sultan verstond niet veel Engelsch, zoodat ik moeilijk met hem praten kon, maar Jan en Civile deden weer hun best, zoodat de oude heer van 70 jaar soms zat te schudden van het lachen. Interessanter was de Heer Van Schreven361, onze zaakgelastigde te Bangkok, een aardige intelligente jonge man. Dan was er de Sultan van Langkat, die in Batavia was ter regeling van zijn schulden; voor de heeren van de Oostkust een niet ongewoon verschijnsel.
| |
Java-reis; tegenbezoek aan Zelfbestuurders; Regentenconferenties
Na onzen terugkeer te Buitenzorg moesten wij er al gauw weer op uit voor de Java-reis teneinde het officieele tegenbezoek te brengen aan de Zelfbestuurders van Solo en Djocja en de tweede regentenconferentie te houden in Midden- en Oost-Java362.
De reis was een groot succes; de ontvangst te Solo en Djocja liet niets te wenschen over; te Malang en Magelang, waar de regentenconferenties werden gehouden, was de stemming buitengewoon hartelijk.
Op 16 Oct. vertrokken wij per vliegtuig naar Semarang (ik laat nu vermelding van alle eerewachten, commissies van ontvangst enz. maar achterwege) en vandaar per extra-trein naar Solo. Ceremonieele ontvangst aan het station door Gouverneur363 en Soenan met groot gevolg: alles in groot gala. In
| | | | plechtigen optocht begeleidt de Soenan dan den G.G. in gouden koets naar het Gouverneurshuis, waar in de troonzaal afscheid wordt genomen. 's Middags naar het buitenverblijf Karangpandan, waarde Mangkoenegoro en Ratoe Timoer een thee aanboden; terug naar Solo voor diner en receptie ten Gouverneurshuize.
Den volgenden morgen maakten achtereenvolgens de Mangkoenegoro en de Soenan hun opwachting, waarbij ‘condities’364 werden ingesteld; om 11.30 vertrokken wij om deze bezoeken terug te brengen, waarbij weer ‘condities’ werden ingesteld. Het ceremonieel is bij die gelegenheden precies geregeld: zoo mag b.v. de G.G. den Soenan niet verder tegemoet gaan dan tot aan den rand van het kleed, waarop hij staat. 's Middags bezoek aan twee ziekenhuizen en 's avonds de groote ontvangst in den Kraton. Dat was wel heel schitterend; de heele Kraton in een zee van licht, overal troepen en bedienden, onzen weg bestrooid met bloemblaadjes en afgezet met allerlei officials. Het was een zgn. loopend diner, d.w.z. men kreeg kleine tafeltjes voor zich, terwijl bedojo- en serimpidansen365 werden uitgevoerd en andere voorstellingen werden gegeven. Ik kreeg ook den traditioneelen wandelstok, wat ik beantwoordde met portret in zilveren lijst, waarop ons wapen in goud en émail. Van den stok werd gezegd, dat hij van een bijzonder soort hout is, afkomstig van een gebroken lans, waarvan de stukken al meer dan 100 jaren in den Kraton werden bewaard.
Den 18en Oct. kwam het geheele zaakje al weer vroeg ten Gouverneurshuize om ons naar het station te begeleiden. En zoo gingen wij hetzelfde spel te Djocja nog eens herhalen. Geheel hetzelfde was het niet; Solo is rijker, maar poeniger; Djocja is minder uitbundig, maar waardiger en verfijnder. De Soenan, die zijn dikke lijf op bespottelijke wijze met decoraties behing, kon wat distinctie en hoffelijkheid betreft niet tegen den Sultan op. Maar het verloop van de ontvangst was dezelfde. Als tweede man fungeerde alleen niet de Mangkoenegoro, maar de Pakoe Alam en de Sultan kwam niet den volgenden dag zijn opwachting maken, doch dienzelfden middag, daar in den morgen van den tweeden dag plaats gemaakt moest worden voor bijwoning van de bijzondere vergadering van het waterschap ‘Opak Progo’366.
Dit waterschap vervulde een zeer nuttige functie in de Vorstenlanden. Terwijl vroeger tusschen suikerindustrie en bevolking voortdurend moeilijkheden waren over de waterverdeeling, heeft dit waterschap daarvoor in de plaats gesteld een gemeenschappelijke behartiging van tegenstrijdige belangen. De inkrimping van de suikerindustrie gaf ook hier aanleiding tot be- | | | |

In de kraton van Djokjakarta, 18 oktober 1933
| | | | zwaren, waarop in de rede van den Voorzitter367 werd gewezen. Met mijn antwoord daarop was de plechtigheid afgeloopen en kon ik het contrabezoek gaan brengen aan den Pakoe Alam en Sultan. In den middag verdeelde het gezelschap zich weer voor het bezoeken van verschillende sociale instellingen; ik bewaar goede herinnering aan het Seminarie368, een dier vele uitstekende R.K. instellingen in Indië.
's Avonds groot gala-diner in den Kraton. We zaten hier aan tafel in de groote eetzaal met, naar ik meen, 120 gasten. Ik zat natuurlijk naast den Sultan, en toen kwam mij in gedachten, dat een poos tevoren de Directeuren van Landbouw en Binnenl. Bestuur, Wellenstein en Van Lith, bij mij geweest waren om te spreken over de grondhuurcontracten in de Vorstenlanden. Deze konden bij den ernstigen toestand, waarin de suikerindustrie zich bevond, niet gehandhaafd worden. De heeren zouden toen zelf naar Djocja gaan om daarover te spreken, daar zij groote moeilijkheden verwachtten, en met het oog daarop stelden zij mij van tevoren op de hoogte. Toen ik nu naast den Sultan aan tafel zat, dacht ik daaraan en wilde de mentaliteit eens peilen. Ik begon daarom een praatje over de moeilijke tijdsomstandigheden, wees er op, dat de Regeering daardoor dikwijls gedwongen werd harde maatregelen te nemen, maar, zeide ik, nu ik het voorrecht heb U persoonlijk te spreken, wil ik toch uitdrukkelijk verklaren, dat, als zulke maatregelen de Zelfbesturen betreffen, ik ze niet overlaat aan ondergeschikte ambtenaren, maar altijd zelf daaraan mijn volle aandacht geef. De Sultan antwoordde niet en bleef dooreten. Ik dacht al, dat het schot mis was geweest en zeide ook niets meer. Toen ineens draaide de Sultan zich naar mij toe en zeide, dat ik hem met niets grooter plezier had kunnen doen dan met hetgeen ik zooeven had gezegd, en beloofde, dat hij van zijn kant zooveel als in zijn vermogen was zou medewerken. Het gesprek liep daarna weer en kabbelde over onverschillige dingen voort.
Maar het aardige was, dat, toen de Directeuren eenige weken later in Djocja hun voorstellen ter tafel brachten, zij geen tegenstand ontmoetten en de voor de Zelfbestuurders nadeelige wijziging van de grondhuurcontracten werd aanvaard.
Vrijdag, 20 October, waren te 8.45 's morgens Pakoe Alam en Sultan al weer ten huize van Gouverneur De Cock369 voor het afscheid. Per auto vertrokken wij om 9 uur naar Magelang; onderweg stopten wij te Salam, waar in den Kawedanan370 Dr. Stehn371 van den Vulkanologischen dienst een interessante lezing hield over de Merapi en Ir. Van Batenburg372 over het bandjirgevaar,
| | | | waarbij men niet naliet te wijzen op het funeste van de voorgenomen opheffing van genoemden dienst373. Toen ging het verder naar Mendoet, waar bezoek aan het onderwijsinstituut van de Zusters Franciscanessen en een vluchtige bezichtiging van den tempel, om tenslotte den Boroboedoer te bereiken.
Al had ik dit bouwwerk al in 1919 gezien, de indruk is toch altijd geweldig. Wij lunchten in het hotel en vertrokken daarna naar Magelang, waar wij ten huize van Resident Linck374 wat konden uitblazen. Om 5 uur rondrit door de stad; daarna receptie, diner enz.
Den 21 October bracht ik om 8.30 een bezoek aan den Gemeenteraad, waarbij toespraak en antwoord en daarna regentenconferentie in de kaboepaten van den regent van Magelang375. Bij de besprekingen had ik dat jaar de politieke verhoudingen op den voorgrond gesteld. Er was veel op dat gebied gebeurd en ik wilde dat nog eens belichten. Ik toonde aan hoe de maatregelen van de Regeering een gevolg waren geweest van de toenemende onrust; ten onrechte zagen sommigen daarin de hand van den sterken man in Holland; zij werden geheel zelfstandig genomen. Zij mochten ook niet leiden tot het verwijt van reactionaire politiek; de Regeering ging niet verder dan strikt noodig was en was zoozeer overtuigd van de zwaarte der tijden voor zeer velen, dat zij eer geneigd was te veel door de vingers te zien dan te scherp op te treden. Zoo was ook onverdiend het verwijt dat de Regeering er op uit was om de Inlandsche beweging dood te drukken, maar men moest niet van mij verwachten, dat ik aandacht zou schenken aan een politieke vereeniging, die onafhankelijkheid in haar program had opgenomen. Immers H.M. de Koningin had mij niet uitgezonden om daarover te onderhandelen, maar om ons gezag hier te handhaven. Bovendien verdiende hetgeen men op politieke vergaderingen te hooren kreeg geen aandacht. Het was niet veel meer dan ‘gebral’ over onderwerpen, zooals kapitalisme en imperialisme, waarvan noch de spreker, noch de toehoorders iets begrijpen. De ware inlandsche beweging was die, welke door de regenten wordt geleid met het doel de welvaart te vergrooten en de ontwikkeling van de bevolking te bevorderen. Bij de bespreking van de financieel-economische situatie wees ik op de groote schuldvermeerdering in de laatste
jaren en naaste toekomst en op de noodzakelijkheid van het economisch verweer met de daaraan verbonden maatregelen.
In den namiddag bezochten wij het groote krankzinnigengesticht;376 een diner met gasten besloot den dag.
Zondag, 22 October, begon met een kerkdienst, waarna vertrek naar Djocja
| | | | en van hier per trein naar Malang. Na de ceremonieele ontvangst vonden wij rust ten huize van Resident Kool377.
Den volgenden morgen militair défilé, gevolgd door ontvangst op het Gemeentehuis, waar burgemeester Lakeman378 mij toesprak en ik antwoordde. Een gemeente, die niet klaagde en zich financieel nog redden kon! Een en ander had zich zoo vroeg afgespeeld, dat ik om 9 uur de regentenconferentie in het huis van den regent van Malang379 kon openen. Tijdens de besprekingen bleek wel heel duidelijk wat de suikerindustrie speciaal voor Oost-Java beteekende. De groote inkrimping nam de voornaamste gelegenheid voor de bevolking om een goed loon te verdienen weg; daarbij kwam de lage prijs van alle producten, zoodat een ongekende geldschaarschte heerschte, al was de voedseltoestand niet onbevredigend. Een bijzondere politieke moeilijkheid ondervond men met de Roekoen-Tani380, die de afwikkeling van de grondhuurcontracten voortdurend dwarsboomden. Men was het er niet over eens of hier politieke oogmerken achter zaten, dan wel of men slechts te doen had met een zuiver streven om de belangen van de bevolking te behartigen.
Om half 5 verleende ik audiëntie, terwijl de rest van het gezin allerlei instellingen bezocht, wat ook in den ochtend gedaan was tijdens de regentenconferentie. Daarna een receptie ten Gemeentehuize, een diner met gasten en wij eindigden den dag in de sociëteit Concordia, waar groot gala-bal was.
Den 24en, onzen laatsten dag in Malang, bezochten wij 's morgens het Tuindorp van de A.M.V.J.381 Aan het hoofd hiervan stond Carel van Asbeck382, die zijn carrière geofferd had om dit werk ten behoeve van de crisisslachtoffers tot stand te brengen en daarna de leiding van deze heterogene elementen op zich te nemen. Het was een merkwaardig geval, dat ik hem voor dit doel uit den dienst heb kunnen los krijgen, maar nog merkwaardiger was, dat ik hem later weer in dienst heb kunnen terugbrengen toen de zaak liep en ik het jammer ging vinden, dat een veel belovende carrière gebroken zou blijven, ook als bepaald klemmende redenen daarvoor niet bestonden.
Na nog verschillende andere bezoeken vertrokken wij tenslotte om 4 uur per auto naar Soerabaja. Malang had ons bijzonder hartelijk ontvangen, maar wij van onzen kant hadden ook ons best gedaan en dat was zeer gewaardeerd. Te
| | | | Soerabaja kregen wij 's avonds na het diner ten huize van Gouverneur Kuneman nog eens de marine-taptoe te hooren. Het klonk een beetje hard onder de overkapte voorgalerij met inrit; wat verder af in den tropennacht met onzeker fakkellicht doet beter. Den 25en per vliegtuig naar huis. Dienzelfden dag nog om 6 uur ontving ik Meyer Ranneft om verschillende zaken te bespreken. Uit vrees om tegen mijn inzicht te handelen had hij eenige dingen aangehouden. Ik had dus niet te klagen over gebrek aan medewerking van dezen ‘sterken’ man.
28 October dies natalis van de Rechtshoogeschool. Wij werden getracteerd op een redevoering van Prof. Djajadiningrat over Maleische pantoens, een versvorm383. De vraag rees even bij mij of wij in dien tijd zulke verhandelingen en zulke proffen wel noodig hadden.
| |
Van Mook
Los hiervan stond een andere proffen-quaestie. 30 October kwam Prof. Van Kan bij mij als president-curator van de Rechtshoogeschool om te pleiten voor de benoeming van Van Mook als opvolger van Prof. Logemann. Aan laatstgenoemde was de plaats aangeboden van Prof. Van Vollenhoven te Leiden, die kort geleden overleden was; hij was bereid een benoeming te aanvaarden onder voorwaarde dat Van Mook hem te Batavia zou opvolgen. Ik maakte bezwaar. Van Mook als vooraanstaand Stuwman en overtuigd aanhanger van de Leidsche richting vond ik al niet bijzonder geschikt om jonge menschen voor den Indischen dienst te vormen; zijn denkbeelden, neergelegd b.v. in zijn brochure ‘Reorganisatie van den top’384, vond ik onrijp en oppervlakkig, maar bovendien vreesde ik van hem als professor veel last te zullen hebben. Van Mook was een man, dien men 24 uur van de 24 moest laten werken; zoo iemand is goed als men hem een taak geeft, waarin hij zich kan uitleven. Maar maak hem geen hoogleeraar met, zeg 10, lesuren in de week; dan is het leed niet te overzien. dan schrijft hij alle dag- en weekbladen vol met artikels om aan te toonen, dat de Regeering er niets van weet of begrijpt en totaal verkeerd handelt. Gegeven de mentaliteit van Volksraad en Staten-Generaal, die al wat een Prof. zegt als evangelie aanvaardt en zich daarop beroept, liet zich begrijpen wat van een benoeming van Van Mook te verwachten was. Ik weigerde dus. Kort daarna vroeg Prof. Logemann audiëntie aan; niet zeer behoorlijk, daar ik de zaak met den
president-curator behandeld had. Maar men weigert aan iemand van zijn positie geen audiëntie
| | | | en zoo verscheen hij op 2 November: Wat of ik mij eigenlijk in mijn hoofd haalde om in deze quaestie een oordeel te hebben; of ik mijzelf dan competent daartoe achtte; of ik Van Mook's werken kende, enz.? Zeer bescheiden antwoordde ik, dat ik in ieder geval ook jurist was, zoodat ik meende een oordeel te mogen hebben en dat ik zeker niet al Van Mook's werken gelezen had, maar dat wat ik daarvan gelezen had, mij in hem niet den aangewezen man deed zien, wat niet wegnam, dat ik zijn bekwaamheid hoog aansloeg, maar dat ik hem ongeschikt voor een professoraat achtte. Toen werd mij nog met grooten nadruk gevraagd of ik wel besefte, dat niet alleen de faculteit, maar ook het curatorium, ja zelfs de faculteit te Leiden hem daar wèl geschikt voor achtten, waarop ik moeilijk anders kon antwoorden dan dat mijn opinie daardoor niet veranderde. Zoo werd Van Mook niet benoemd en bleef Logemann te Batavia385.
Maar er zit nog een staart aan dit verhaal. Een poos later kwam Wellenstein bij mij met het verzoek over te willen gaan tot de vervulling van de vacature, die ontstaan was doordat Colijn ons Prof. Van Gelderen afhandig had ge- | | | | maakt*386. Deze was hoofdambtenaar voor Economische zaken, als hoedanig hij op uitnemende wijze in dien moeilijken tijd werkzaam was. Naar Nederland gegaan voor besprekingen werd hij daar vastgehouden en moest ik niettegenstaande mijn uitdrukkelijke bezwaren, van hem afzien. Colijn kon in dien tijd wel schelden op Indië, maar hij ontnam ons tegelijk een van de weinige goede krachten, die wij daar hadden. Hoe het zij, Van Gelderen's plaats moest dan vervuld worden en ik vroeg of Wellenstein daarvoor iemand wist. Ja, antwoordde hij, maar dien zal U niet willen. Wie dan? Van Mook. Maar, man, ge hebt hem; ik heb niets tegen Van Mook; ik acht hem zelfs zeer geschikt voor deze plaats; ik heb hem alleen niet als prof. willen hebben. Zoo is Van Mook in een positie gekomen, waar hij volkomen tot zijn recht kwam. Onder Hart heeft hij veel en nuttig werk gedaan en is dezen later als vanzelf opgevolgd als Directeur van Economische Zaken. Uitgeweken voor de Japansche invasie387, is hij te Londen Minister van
Koloniën geworden. Het is wel merkwaardig, dat de beide heeren, met wie ik in conflict ben geweest, Van Mook en Kerstens, het te Londen tot Minister hebben gebracht388.
Ik zeide zooeven, dat Colijn in dien tijd wel kon schelden op Indië, maar ons tegelijk de weinige goede krachten ontnam, waarover wij konden beschikken. De toon van zijn brieven was toen inderdaad niet aangenaam. Hij was toen de groote man met het diepe inzicht, den breeden blik en de sterke hand, die de boel wel eens even recht zou zetten. In Holland lag men voor hem op de knieën en Indië, dat niettegenstaande het ijverig streven van een blijkbaar onmachtige regeering te gronde ging, zou hij op slag redden.
Het was heel goed, dat gedurende dat eerste jaar van zijn regeering ik tusschen hem en Indië zat. Ik was vast van plan om mij zooveel mogelijk te voegen en met hem samen te werken, maar ik kende hem te goed om mij te laten intimideeren en zoo heb ik heel wat opgevangen, dat anders in Indië misschien veel kwaad zou hebben gedaan.
| |
Eerste correspondentie met Minister Colijn
Reeds 3 Juni kreeg ik een brief, waarin gewezen werd op het in Indië niet geheel onbekende feit, dat de primaire diensten plus schuld en pensioenen meer
| | | | vorderden dan ons inkomen bedroeg, zoodat voor onderwijs,volksgezondheid enz. niets overbleef, terwijl het rondweg verbijsterend genoemd werd, dat in het vierde crisisjaar de commissie-Bodenhausen nog moest constateeren, dat nog niet overal was doorgedrongen, dat alleen strikt noodzakelijke uitgaven mochten worden gedaan. Zoo'n Indië toch! Hoe was zoo weinig begrip van den toestand toch mogelijk!389
Dat begrip moest ons dus bijgebracht worden. Ik kreeg dan ook op 15 Augustus een beschouwing over den internationalen economischen toestand, waaruit bleek, dat Colijn overtuigd was, ‘dat wij voor fundamenteele structuurveranderingen gesteld zijn geworden, die in beteekenis niet achterstaan bij de economische omwenteling, die het gevolg was van de uitvinding en toepassing der machinale industrie. Met name de Industrialisatie van het Oosten en van sommige Z. Amerikaansche staten is een volstrekt novum voor Europa, dat nu gedwongen wordt tot terugkeer van zijn overindustrialisatie. En dat kan het slechts door toepassing van steeds scherper protectie. Die toestand is van blijvenden invloed op Indië... Op meer dan ƒ 300 mill. durf ik voor een lange reeks van jaren niet te rekenen... Hoe eerder men die realiteit onder de oogen ziet, hoe beter. Die eisch brengt mee, dat men den moed hebbe terug te keeren tot eenvoudiger tijd, tot den tijd van vóór den oorlog. Als ik terugdenk aan de jaren toen ik adviseur voor de Buitenbezittingen was en zie wat het Manusje-van-alles: de ambtenaar B.B. toen deed, dan wil ik wel gelooven, dat thans alles veel meer geperfectionneerd is, maar ook toen kwam de zon geregeld om 6 uur op en ging om 6 uur onder. Ik reisde toen in Zuid-Sumatra in een kar door een os getrokken en verder te paard en te voet. Naar dien eenvoud van vroeger moet men weer terug. Anders komt men er niet.’
Dat is nu alles heel aardig en men kan woorden als ‘moet’ en ‘niet’ dik onderstreepen, maar een feit was, dat Colijn in zijn ossenwagen reed in 1900 en wij toen 1933 schreven. In dien tijd is er in Indië heel wat gebeurd en de gevolgen van de in dien tusschentijd gevoerde politiek, of men die goedkeurt of niet, waren er en daarvan kon men zich niet ontdoen als van een jas, dien men aflegt. Of zou het wenschelijk zijn geweest, dat de B.B.-ambtenaar zijn auto in de garage had laten staan en met een ossenwagen den mooien asphaltweg had bereden, een vollen dag gebruikend voor wat hij met zijn auto in een uur had kunnen doen?
Nu wil ik wel gelooven, dat het hier om een boutade ging. Colijn eindigde zijn brief: ‘Ik heb nu mijn hart eens gelucht. Gij wilt dit wel nemen zooals het bedoeld is, nl. om U te steunen’, maar ik kon er toch geen steun in zien voor een Landvoogd, die al 2½ jaar hard bezuinigingswerk achter den rug had en wat anders behoefde dan volstrekt onmogelijke suggesties390.
| | | |
Een brief van 17 September drong weer aan op afbraak. ‘Ik ben overtuigd, dat ge veel kunt opruimen indien ge iemand met ijzeren wil opdraagt te doen wat van Heutsz mij placht op te dragen. En het dan laat uitvoeren.’391 Ook de samenstelling van sommige commissies, die zich met dien arbeid bezig hielden, leek Colijn niet juist. Hij verwees naar een man, dien hij pas ontmoet had, als geschikt voor dit werk... Ir. Vreede392. Alsof wij dien niet kennen, een braaf en prettig mensch, een man om mee uit visschen te gaan, maar niet om Indië te redden! Dan kreeg ik een verdere beschouwing over de fundamenteele veranderingen in de wereldeconomie en naar zijn meening van toen sprak de agrarische omvorming nog sterker dan de industrialisatie van voorheen niet geïndustrialiseerde landen. Duitschland, vroeger een der grootste graanimporteurs, was nagenoeg self-containing geworden; Frankrijk was juist als graanexporteur op de markt gekomen. Oostenrijk verdertienvoudigde zijn bietencultuur; ook in Amerika meer bieten; in Britsch-Indië meer riet enz. Java kreeg toen niet meer dan 40% tegen vroeger 50, van zijn normale productie toegedacht. Het streven naar agrarische autarkie en de daarmede verband houdende verarming van de wereld zou ook voor
| | | | Indië voor een lange reeks van jaren van beslissende gevolgen zijn. Men kon als de kat om de heete brei heen blijven springen, maar men zou er toch eenmaal doodelijken ernst mee moeten maken. Daarom op zijn gunstigst een uitgavenniveau van ƒ 300 mill., wat niet dadelijk te bereiken zou zijn, maar voor 1935 zou toch op niet meer dan ƒ 340 mill. gerekend mogen worden.
Wij wisten dus nu, dat wij in geen jaren op meer dan ƒ 300 mill. zouden kunnen rekenen. Maar daarmede waren de uitgaven nog niet aanstonds tot dat niveau teruggebracht en ten opzichte hiervan hadden wij nog zeer weinig doeltreffends gehoord. Nu was dat vanuit Den Haag ook niet te verwachten; ten deze moest de Indische Regeering het werk doen en zij had dan ook inderdaad niet stil gezeten. In die omstandigheden ‘neemt’ men niet een brief als ik op 22 October van Colijn ontving. Hij begon met eenige mededeelingen over de salarisherziening, die hij met Van Buuren (inmiddels belast met de herziening van de B.B.L.)393 besproken had, toonde zich over de verkregen resultaten maar matig tevreden en weet dan den onbevredigenden stand van zaken aan een fout, die reeds meer dan een kwart eeuw oud was en hierin bestond, dat men bij de bepaling der salarissen veel te veel in de lijn van de import-salarissen was gebleven.
Dat was werkelijk niets nieuws. De beslissing daaromtrent was onder Idenburg gevallen394. Het was zooals Colijn schreef: ‘Denk eens in, dat men hier in Nederland eiken hulponderwijzer een salaris aan 4 à 5000 gulden moest toekennen in een maatschappij met een gemiddeld gezinsinkomen van ƒ 1600 à ƒ 1800.’ Na beschouwingen over dit punt gaat hij voort: ‘Mijn ooren tuiten overigens van de klachten, die dagelijks binnen komen over overdadige personeelsbezetting over nagenoeg de geheele linie. Ik kan dit niet beoordeelen en voor U persoonlijk is het al weinig minder moeilijk dan voor mij. Maar mijn indruk is, dat de klacht juist is... Ik ben overtuigd, dat er behoorlijk gewerkt wordt. Maar dat is het niet waarop het aankomt. De vraag is: hoe veel van den arbeid, die nu verricht wordt, is onvermijdelijk... Gij schreeft onlangs: de maatschappij is niet meer die van vóór den oorlog; zij heeft zich vervormd. Dat is juist, maar het tast mijn eisch van een sluitend budget niet aan. Die eisch moet alles domineeren. Om de zeer eenvoudige reden, dat er om te regeeren geld moet zijn en Nederland niet tot het oneindige in de tekorten van Indië kan blijven voorzien...
Van de laatste leening van 200 mill. werd door het publiek slechts 77 mill. genomen (de rest kwam uit de fondsen). Als
| | | | één der redenen voor de mislukking werd genoemd, dat men in Indië in de hoogste kringen al “liebaugelde” met repudiatie van de schuld; dat Holland dan ter wille van zijn internationale positie zou moeten inspringen, maar dat dàn de gulden niet zou zijn te houden. Ik heb dit tegengesproken, niet kunnende vermoeden, dat ik een paar dagen later een advies van den Raad van Indië onder de oogen zou krijgen, waarin metterdaad deze gedachte tot uitdrukking kwam395. De Amsterdamsche beurs had dus (vermoedelijk telegrafisch) wel goede informaties gehad...396 Zulke dingen kunnen eerst in overweging worden genomen nadat alle andere mogelijkheden uitgeput zijn. En
| | | | zoo ver is men in Indië nog lang niet. Ook zal het U moeite kosten te blijven werken met zulke defaitistische elementen. Ruim ze op! Zet er mannen neer, die willen en kunnen. Ik dek U voor 100 percent.
Het zou toch te mal zijn indien ik mijn onmacht zou moeten belijden om de uitgaven van Indië van 400 mill. tot 300 mill. terug te doen brengen. Ik ben opgetreden met de verzekering, dat ik (in ongeveer 4 jaren) de Financiën van Nederland èn van Indië in orde zou brengen. Ge begrijpt natuurlijk, dat eenige “oude heeren” te Batavia niet in staat kunnen zijn dit voornemen te verijdelen. Ik wensch geen lawaai, geen onnoodige drukte, maar ik sluit ook niets van tevoren uit. Wat de Regeering noodig oordeelt moet gebeuren.
Als ik een klein griefje tegen Uzelf heb, is het dat gij te bescheiden zijt in Uwe houding tegenover de ambtelijke organen. Uw Directeur Wellenstein schrijft en spreekt alsof hij verantwoordelijk Minister was in stede van ambtenaar, die Uwe bevelen heeft uit te voeren. - (N.B. Wellenstein!, de eenige Directeur, die verzocht twee maal in de maand een spreekuur te mogen hebben teneinde bij zijn diep ingrijpend werk nauwer contact met mij te kunnen houden). - De eenige verantwoordelijke bestuurder is de G.G. Alle anderen zijn uitvoerders van zijn wil. Mijn indruk groeit met den dag, dat de medewerking, die gij ondervindt, ongenoegzaam is. In elk geval “not dogged enough”. Het blijkt mij uit gesprekken zoowel als uit brieven. Men leeft nog te veel in de hoop, dat de zaken weldra wel beter zullen gaan.’397
Het was mijn recht op dezen brief een ondubbelzinnig antwoord te geven. Ik deed het als volgt op 12 November:
‘Amice, het is wel zeer te waardeeren, dat gij bij Uwe zóó drukke bezigheden Uzelf berooft van de enkele rustige oogenblikken, welke de Zondag biedt, om mij een brief te schrijven als dien van 22 October jl. Laat ik hem op den voet mogen volgen.
Uwe beschouwingen omtrent de Indische salarissen onderschrijf ik geheel. De fout is inderdaad reeds lang geleden gemaakt. Ik herinner mij het geval in 1921 op het kantoor van de B.P.M., toen gij naar Londen waart overgegaan en daardoor bij mij werd gebracht de eerste te Delft afgestudeerde inheemsche technoloog, die voor een betrekking bij de Mij. solliciteerde.
Ik zei hem, dat ik niet wist of er plaats voor hem was, maar dat ik hem in ieder geval aannam, omdat ik waardeerde, dat hij, als eersteling in zijn soort, zich bij de B.P.M. had aangemeld. Echter, voegde ik er aan toe, onder voorwaarde, dat U niet hetzelfde traktement krijgt als onze uitgezonden ingenieurs. Groote verontwaardiging; de wetenschap is toch dezelfde enz. Zeker
| | | | de wetenschap is dezelfde; daarom zult U krijgen geen cent minder dan een ingenieur bij Stork of Werkspoor, zelfs meer, maar geen importtraktement. De man trok zijn sollicitatie in... en is nu nijverheidsconsulent op eenige malen het traktement van een ingenieur in Holland! Welk land kan dit betalen?
Met de Indo's staat het niet veel anders. Onlangs heb ik het den Heer de Hoog nog afgevraagd: zeg mij, waarom moeten Uwe middelbare technische krachten veel meer verdienen dan de volledige Delftsche ingenieur in Holland; waarom evenveel, zoo niet meer, dan de professor in Delft? Tevens wees ik hem op de fout in zijn houding: bij scheepsladingen gaan de importkrachten thans terug naar Holland; die komen niet weer uit en laten een ruim terrein open voor de hier geborenen... mits deze niet eischen een importtraktement. Niettemin verkondigen zij, dat een verlof naar Holland om de 6 jaar een natuurlijk recht is!
Wanneer dan nog Uw ooren tuiten van de klachten, die U bereiken over overdadige personeelsbezetting, ziet de zaak er inderdaad somber uit. Ik zou U echter toch wel zeer ernstig willen waarschuwen tegen dergelijke klachten van menschen, die zóó héél makkelijk critiek kunnen oefenen, zelf veelal medeverantwoordelijk zijn voor den toestand zooals die geworden is en nu met ijver verwijten maken aan die Indische Regeering, die dan toch ook nooit eens krachtig ingrijpt. Het is zoo goedkoop! Laat U liever voorleggen de aan het Volksraadlid Kan verstrekte opgaaf van verleende ontslagen en opwachtgeldstellingen398. Duizenden! Laat de cijfers spreken. Ik ontken natuurlijk niet dat nog niet verder gegaan kan worden, maar daarmede zijn wij steeds bezig. Elke klacht, elke aanwijzing wordt onderzocht. Wij hebben pas binnen het fameuze rapport van de Vaderlandsche club; die zouden het nu eens zeggen! Volkomen onbeteekenend!
Ge moogt ook niet voorbij zien, dat het werk overweldigend is; dat is bij U natuurlijk net zoo; alles is tegelijk aan de orde en tevens zaken van de grootste beteekenis. Dan het aantal individueele gevallen, dat bij zulk ingrijpen als tegenwoordig ontstaat en onderzocht moet worden. Laat U verder eens 1 jaar Volksraadstukken voorleggen!
Wat ge omtrent de verdere bezuiniging zegt, doet mij leed. Het is niet juist en niet fair. Wanneer ge zegt: alle andere mogelijkheden moeten zijn uitgeput alvorens aan schuldverzaking kan worden gedacht, ga ik geheel accoord en een dienovereenkomstige houding neem ik hier steeds aan. Maar als ge zegt: zoo ver is men in Indië nog lang niet, hebt ge ongelijk. Men benadert dat punt in Indië al heel aardig. Als ge wilt nagaan welke vaste lasten op het Indische budget drukken en dan ziet op welk bedrag, zonder schuldverzaking, de verdere bezuiniging alleen nog maar gevonden kan worden, dan zult ge dit moeten toegeven. Als ge dan hen, die daarop wijzen, ‘defaitistische ele- | | | | menten’ noemt en mij aanraadt ze op te ruimen, dan laat ik deze woorden gaarne voor wat ze zijn, maar stel U alleen deze practische vraag: hebt ge anderen en beteren voor mij? Hier zijn ze niet; voor thesaurier-generaal trachtten wij indertijd Uw tegenwoordigen collega Oud te krijgen - we zagen heel goed in wat we noodig hadden! - maar hij bedankte voor de eer en de Indische dienst wordt er niet aantrekkelijker op!
Dat ge zijt opgetreden met de verzekering, dat ge in 4 jaren de financiën van Nederland èn van Indië recht zoudt zetten, weet ik, dat ge derhalve de Indische uitgaven van 400 mill. wilt terugdringen tot 300 mill., begrijp ik, maar ge moet in dit verband niet zeggen, dat het toch al te mal zou zijn als ge onmacht zoudt moeten belijden en dat eenige oude heeren te Batavia niet in staat kunnen zijn om Uw voornemens te verijdelen. Onmacht erkennen hebt ge al eer moeten doen, èn naar aanleiding van Genève, èn na Londen. Voorwaar niet Uw schuld, maar dezelfde oorzaken, die toen werkten, werken ook nu nog.
En wat die oude heeren te Batavia betreft, die hebben de Indische begrooting voorshands van ƒ 524 tot ƒ 400 mill. teruggebracht. Heeft men in Holland zoo veel meer gedaan? Ook maar de gedachte aan onwil mag niet bestaan, wanneer men hier geen kans ziet het ƒ 300 mill. niveau te bereiken.
Als ge dit nu maar goed weet, moogt ge verder wat mij betreft doen wat ge noodig acht. Gij schrijft: Ik wensch geen lawaai, geen onnoodige drukte, maar sluit ook niets van tevoren uit. Eén ding is hierbij slechts eisch, n.l. dat ge, als de zaken hier niet naar Uw zin gaan, geen kleine griefjes tegen mij formuleert, maar mij tenvolle aansprakelijk stelt; ge zegt het een paar regels verder zoo juist: de eenige verantwoordelijke bestuurder is de G.G. Meent ge, dat een ander het beter kan, by all means, grijp in. Ge hebt b.v. Welter bij de hand; een prachtfiguur voor de omstandigheden; hoogst bekwaam, fiere blik en de vuist op tafel! Werkelijk, ge zult mij persoonlijk geen leed doen; het ambt is niet zoo aantrekkelijk en, al ware het zoo, de zaak gaat voor. Ik ben echter overtuigd, dat hier heelemaal geen vuisten op tafel noodig zijn om medewerking te verkrijgen. Die is er en twijfel daaraan kan alleen bestaan bij volkomen onderschatting van de moeilijkheden, waarvoor wij hier staan.
Laat die twijfel niet ontstaan door geruchten of courantenberichten. Natuurlijk komen ook nu nog wel ‘gevallen’ voor (veelal van vele jaren terug), waarop men dan voortborduurt, alsof er niets gebeurt en alles wordt gesaboteerd. Gij zult begrijpen, dat als ik het gevoel krijg, dat gij daaraan waarde hecht en daarop Uw meening omtrent ons werk gaat baseeren, het voortzetten daarvan onmogelijk wordt.’
Ik kreeg daarop antwoord op 25 en 26 November399; een kort briefje, waarvan het voornaamste was: ‘Ik begeer niets anders dan hartelijk met U saam te werken. Laat er dus niets persoonlijks tusschen ons zijn’, en een langen
| | | | brief, waarin o.a. gereageerd werd op mijn brief door toe te geven, dat hij te Genève en te Londen zijn onmacht had moeten bekennen, ‘maar daar was men afhankelijk van den wil van andere landen, andere regeeringen. In Nederlandsch-Indië kunnen wij bevelen’. Ja, als het dàt alleen maar was geweest, zou het heel eenvoudig geweest zijn. Maar ik heb regeeren en bevelen nooit als synoniemen beschouwd. K. ter Laan zeide eens tegen mij: ‘Maar, Excellentie, U hebt toch maar te bevelen’. Zoo iets kan men van hem verwachten, maar niet van een man als Colijn; die weet beter.
Maar het meest frappante in den brief was, dat nu bleek, dat hij voor zijn ƒ 300 mill. niveau slechts een plan vroeg. Wij behoefden er ons niet dik over te maken of dat plan werkelijk verwezenlijkt kon worden, maar hij wilde zulk een plan aan de Kamer voorleggen en haar de keuze laten tusschen: ‘a. terug naar de eenvoudige voorzieningen van vroeger met al de politieke risico's daaraan verbonden, of b. behoud van een meer weelderigen levensvoet, maar dan zal Nederland moeten opdokken’.
Ik had tegen dit denkbeeld uiteraard geen bezwaar; alleen stelde ik in mijn antwoord van 18 December400 aanstonds vast: ‘Ik wensch dat plan anders te behandelen dan wij tot nog toe met bezuinigingsvoorstellen deden; ik wil theoretische en reëele bezuinigingen niet door elkaar mengen. De Directeuren en diensthoofden moeten er van doordrongen blijven, dat wat zij voorstellen ook uitgevoerd moet worden. Welternota's zijn veelal knap opgezet en geven dan een weg aan, die inderdaad gevolgd zou kunnen worden, maar toch bieden zij zelden een werkelijke werkbasis voor hen, die de verantwoordelijkheid hebben te dragen.’
Het is jammer, dat ik van de toenmalige en latere correspondentie met den Minister niet alles kan citeeren; zij is de moeite van herlezing wel waard; men zie hierover den bundel ‘Correspondentie met den Minister’401. Voor het oogenblik was de kou wel uit de lucht. Colijn's denkbeeld, dat hij Indië wel eens even recht zou zetten, waarvan wij in den eersten tijd van zijn ministerschap, zooals hiervóór bleek, den onaangenamen terugslag ondervonden, vond zijn natuurlijken dood. Een laatste uiting er van was nog zijn plan om naar Indië te komen per vliegtuig, maar daarover later.
| |
Begrooting 1935
Uit de correspondentie was in ieder geval gebleken (brief van 17 September), dat de Minister wilde aansturen op een uitgavenniveau voor 1935 van ongeveer ƒ 340 mill. (het juiste bedrag was te stellen op ƒ 342 mill.), hetgeen bij een inkomstenniveau van ƒ 300 mill. schuldvermeerdering zou vermijden, aangezien het verschil gelijk stond met de aflossing op de schuld. Op 4 Oc- | | | | tober had ik daarover een vergadering met den Raad van N.I., waarbij zich een verschil van gevoelen tusschen mij en den Raad met Begr. Commissie afteekende in dien zin, dat zij financieringsmaatregelen als verzaken van schuld sterk op den voorgrond brachten (hierover was Colijn zoo boos in zijn brief van 22 October), terwijl ik dat als ultimum remedium eerst voor 1936 in beschouwing wilde nemen. Men vond mijn standpunt niet Indisch, maar hun standpunt was de ontkenning van het feit, dat juist in de toenmalige omstandigheden de deelen van het Rijk niet te scheiden waren.
Om toen aan den gestelden eisch te kunnen voldoen moest nog heel wat gebeuren. De ontwerp-begrooting 1934 stond na de laatste correcties op een uitgavenniveau van ƒ 377 mill.* Daarvan moest dus nog ƒ 35 mill. af. Wij rekenden daarbij op conversie, die ƒ 9 mill. zou opleveren en op bezuiniging op defensie, door den Minister getaxeerd op ƒ 15 mill., maar niet dadelijk realiseerbaar, zoodat hiervan niet meer dan ƒ 6 mill. in aanmerking kwam voor 1935, tezamen dus ƒ 15 mill., latende om alsnog gevonden te worden ƒ 20 mill. In dien zin waren opdrachten gegeven aan Directeuren en Diensthoofden en de stukken voor de vergadering van 14 December waren daarop gebaseerd.
Maar nu was inmiddels gebleken, dat, hoewel Colijn zelf de conversie en de bezuiniging op defensie had aangegeven als posten waarmede gerekend kon worden, dit in eens niet meer mocht, omdat door schuldvermeerdering en consolidatie van vlottende schuld de rentelast met ongeveer ƒ 8,5 mill. zou toenemen, wat opgevangen moest worden door de conversie en omdat de Minister niet wist of de bezuiniging op defensie gehaald zou kunnen worden en, zoo dit wel het geval was, het bezuinigde bedrag in ieder geval noodig zou zijn om goed te maken wat aan de inkomsten - toen niet hooger te stellen dan ƒ 289 mill. - ontbrak om het ƒ 300 mill. niveau te bereiken.
Het gevolg was, dat wij ƒ 35 mill. moesten vinden in plaats van ƒ 20 mill. en dit stempelde weer de vergadering van 14 December tot zoo'n stukje ‘sordid business’ van drukken, trekken en plukken. Het bleek, dat zeer ongewenschte maatregelen genomen zouden moeten worden, maar bij het einde der vergadering stond de mogelijkheid wel vast.
| |
Persbreidel op Ind. Courant; maatregelen tot gezagshandhaving
Ik had inmiddels nog een heel ander appeltje met den Raad te schillen gehad. Ik wees er reeds op hoe de Indische Pers weer aan het stoken was gegaan, nadat de indruk van de ‘Zeven Provinciën’ was vervaagd. Het was weer een ongelukkige ambtenares hier, een gratificatie daar, welke aanleiding gaven tot de grofste critiek. Ritman schreef weer van de Regeering, die haar ambtenaren op een hoop dreef (Bat. Nieuwsblad van 24 October) en zoo ver- | | | | scheen in de Indische Courant402 van denzelfden datum een bijdrage ‘Spanningen’403, waarin werd gewag gemaakt van ‘hondsch brutale sabotage der imperatieve bepalingen’ en ‘tartende uitdagingen aan het adres der samenleving’. Dit artikel kwam ook voor in het Semarangsche Alg. Handelsblad en in het Bat. Nieuwsblad, maar zonder de scherpste uitdrukkingen. In de toenmalige omstandigheden - ik wees er reeds op welke uitwerking zulk geschrijf in Holland, zelfs op een man als Colijn, gehad had - achtten Mr. Verheyen en ik het noodig daar nu eens iets tegen te doen en zoo deed de Procureur-Generaal het voorstel om op de betrokken bladen den persbreidel toe te passen. De persbreidel op een groote Europeesche krant als de Indische Courant! Dat zou wat geven! Op 4 November convoceerde ik een Raadsvergadering ter behandeling van deze aangelegenheid. Mijn zwakke punt was, dat ik de instemming van den Raad moest verkrijgen voor den maatregel zelf en dat de Raad de opvatting moest deelen, dat wij nog in tijden van spanning verkeerden, aan welke omstandigheid de toepassing van den persbreidel gebonden was.
Met het oog hierop besloot ik de zaak in breed verband te behandelen. De notulen terzake zijn het lezen waard. In het kort kwam mijn betoog op het volgende neer: Het voorstel van den P.G. moet niet gezien worden als een incidenteel geval, maar in verband met de maatregelen, welke de overheid verplicht was geweest tot dusver te treffen, en met die, welke nog getroffen zullen moeten worden. In de Raadsvergadering van 4 Februari tijdens de gebeurtenissen op de ‘Zeven Provinciën’ werd een nota besproken, waarin werden aangegeven de maatregelen, welke in buitengewone omstandigheden genomen kunnen worden, zooals verklaring van staat van oorlog of beleg. Later werd een nota opgesteld, waarin werd aangegeven wat de Regeering van plan was om te doen, teneinde een herhaling van dergelijke voorvallen te voorkomen. Een uitvloeisel daarvan waren de maatregelen ter verbetering van de ambtelijke discipline404, de toepassing van den persbreidel op tal van Inlandsche bladen405, de beperking van het vergaderrecht en laatstelijk de arrestatie van Ir. Soekarno406. De aanvankelijke hoop, dat hiermede zou kunnen worden volstaan, is echter ijdel gebleken. Het gestook en gescheld in de couranten bleef aanhouden. Toen heb ik een bespreking met Dr. de Kat Angelino407 gehouden en hem opgedragen om, naast de maatregelen, die genomen waren en zouden genomen kunnen worden, in beschouwing te nemen hetgeen alsnog behoorde te geschieden om aan de Overheid de noodige bevoegdheden te geven ter verdediging van de
| | | | openbare orde. In zijn lijvige Nota onderscheidt Dr. de Kat drie phasen: Staat van oorlog of beleg, Tijden van spanning en Als normaal aan te merken omstandigheden. Een regeling voor den staat van oorlog of beleg is reeds door de Commissie-Harthoorn ontworpen408. Voor de tweede phase is onderhanden een ordonnantie tot instelling van een censuur op vervoersdiensten en op drukpers409. Voor de beide eerste phasen zijn dus de noodige voorbereidingen getroffen. Maar voor de derde phase geeft Dr. de Kat Angelino nog verschillende maatregelen aan, die getroffen zouden moeten worden. Deze zijn: 1e toepasbaarheid van den persbreidel in normale omstandigheden, zoodat men niet meer afhangt van subjectieve opvattingen omtrent het al of niet bestaan van spanning; 2e wijziging van de interneeringsprocedure. Het bezwaar van thans is, dat bij recidive na ontslag de geheele procedure opnieuw moet volgen. Om dit te voorkomen zou men de aangewezen verblijfplaats kunnen wijzigen en zelfs de woonplaats als verblijfplaats kunnen aanwijzen. Bij recidive behoeft dan geen nieuwe procedure te worden aangevangen; 3e overbrenging van Hooggerechtshof op G.G. van de bevoegdheid om een
vereeniging in strijd met de openbare orde te verklaren; 4e niet alleen openbare maar ook besloten vergaderingen van staatkundigen aard onder beperking van het vergaderrecht te brengen; 5e instituut van verboden sprekers instellen; 6e verbod van deelneming aan politieke actie van alle leerlingen van openbare en particuliere lagere scholen; 7e aan banden leggen van politieke actie van studenten aan hoogescholen.
Als men den maatregel in dit verband ziet, krijgt hij zijne beteekenis. Waar de Overheid er op uit is zoodanige maatregelen te nemen, dat zij de openbare orde zal kunnen handhaven, staat zij machteloos tegenover de Europeesche pers, die een funeste rol speelt, veel kwaad sticht en in vele gevallen erger is dan veel sprekers in de Inlandsche beweging en agitatoren op openbare vergaderingen. Nu zegt men wel, dat die pers tenslotte toch loyaal is - Dr. De Kat brengt dat ook weer naar voren - maar die loyaliteit is dan toch van bedenkelijk allooi en zal zich hebben te wijzigen. Principieel moet de vraag gesteld of dit kwaad maar moet voortgaan.
Min of meer omstandig heb ik hier medegedeeld wat in die Raadsvergadering gesproken werd, omdat dit een overzicht geeft van hetgeen op het gebied van de gezagshandhaving is geschied sinds de ‘Zeven Provinciën’.
Omtrent de zaak zelf kan ik kort zijn. De tegenstand van den Raad was grooter dan uit de notulen blijkt; vooral Meyer Ranneft had groot bezwaar
| | | | tegen toepassing van den persbreidel op een groot Europeesch dagblad. Maar tenslotte ging men accoord, alleen niet ten aanzien van het Bat. Nieuwsblad. Nu had dit ook niet de ergste uitdrukkingen opgenomen en ik was trouwens tevreden met een toezegging van den Raad, dat men mee zou gaan als Ritman zich nog ééns schuldig maakte aan onbehoorlijk geschrijf. Ik had daaraan genoeg, omdat het mij de gelegenheid gaf Ritman bij mij te laten komen en hem dat eens persoonlijk te vertellen (28 November), waarbij ik hem tevens mededeelde hoe ik dacht over de houding van de Europeesche pers. Ik wees er toen op hoe haar geschrijf het vertrouwen van Holland (ook van den Minister-president) in de Indische Regeering had vernield; hoe zij van ieder onbenullig geval een verhaal maakte om te bewijzen, dat de Indische Regeering voortging geld te verspillen en geen besef van bezuiniging had; hoe zulke artikeltjes stof leverden om luid te schreeuwen over de Indische Regeering, die maar niets deed, terwijl het toch zoo eenvoudig was om krachtig in te grijpen, diensten op te heffen enz., want men had immers maar te bevelen; hoe men in de Tweede Kamer zelfs voorgesteld had om een commissie te benoemen om in Holland uit te maken hoe in Indië bezuinigd zou moeten worden410 en hoe in de Eerste Kamer den Minister gevraagd was er nu de Indische Regeering toch eindelijk eens van te willen doordringen, dat er bezuinigd moest worden, omdat uit de daden van die Regeering niet zou blijken, dat zij die noodzakelijkheid besefte!411
Ritman had hiermede zijn beurt gehad. Hij was dan ook boos op mij; hij vertelde te Batavia dat de Landvoogd hem had behandeld als een kwajongen. Ik heb hem rustig een paar maanden laten boudeeren en het toen weer goed met hem gemaakt. Met Zentgraaff moest ik nog een scène hebben412, maar tenslotte is de pers veel beter geworden en heb ik veel steun van haar ondervonden. Wel gaf de toepassing van den persbreidel op de Indische Courant413 aanleiding tot verontwaardiging, maar de waarschuwing werd begrepen.
| | | |
Het was wel merkwaardig, dat toen in 1939 de Heer Visman, toenmaals lid van den Raad van N.I. met verlof wegens gezondheid, bij ons op ‘de Beele’ lunchte, hij één ding speciaal van mij wenschte te vernemen, n.l. hoe ik het toch aangelegd had om zooveel invloed uit te oefenen op de pers!
| |
Economische toestand; Conferenties; Japansche activiteit; Hoofden Gewestelijk Bestuur
Maar ik was met den Raad nog niet klaar. De vice-president had al lang aangedrongen op een bespreking ook van de economische situatie in haar geheel. Het was mij niet erg duidelijk wat hij eigenlijk wilde en daarom heeft de Raad in een vóórvergadering een soort van program opgesteld, hetwelk wij in een vergadering op 25 November behandeld hebben. Aan de hand van dit program werd eerst de handelspolitiek besproken, waarbij werd gewezen op het nadeel van de tractaten met Engeland en op de wenschelijkheid van wijziging daarvan. Wat de richting van de handelspolitiek betreft, wenschte men het niet te zoeken in aansluiting bij een bepaald economisch blok, maar gaf men aan zelfstandigheid de voorkeur, waarbij beseft werd, dat import en export toch altijd met elkaar verband houden en bij onderhandelingen dus daarmede rekening gehouden moet worden, al zijn drie- of vierhoeksfiguren mogelijk. Dan werd de vraag besproken of met rechtenheffing wat was uit te richten en wat men kon doen met de contingenteeringen. Deze laatste bleken vooral urgent om de Europeesche importhuizen in stand te houden. Ook op het gebied van scheepvaart diende contingenteering toegepast te worden. Nog verschillende andere onderwerpen werden ter sprake gebracht, zooals de waardeverandering van het geld, waarbij de wensch naar devaluatie werd uitgesproken. De notulen teekenen dan aan: ‘Z.E. sluit het debat en stelt aan de orde de aanpassing aan de deflatie’!
De vergadering had ongetwijfeld haar nut, maar was toch in hoofdzaak een beschouwing van hetgeen reeds geschiedde of in overweging was.
Eindelijk had ik nog een vergadering met den Raad op 7 December, maar daarvóór moet ik melding maken van andere conferenties.
6 November had ik een conferentie ten paleize met den Legercommandant414, den Vlootvoogd415, Directeur Wellenstein, Dr. De Kat Angelino en den Adviseur voor Aziatische Zaken Mouw416. Het ging om de instelling van een bewakingsdienst op de Japansche activiteit in Indië. Die activiteit nam zienderoogen toe en het kwam er dus op aan den aard daarvan te onderkennen, haar te bewaken en zoo noodig te weerstaan. De aard was zonder twijfel in hoofdzaak economisch, maar er is geen Japansche activiteit, welke niet een militairen kant heeft. Dat was ook de reden waarom Balikpapan en Tarakan
| | | | in orde werden gemaakt, al was toen in dat opzicht geen gevaar aantoonbaar. De situatie was overigens niet zoo heel gemakkelijk, omdat de goedkoope Japansche invoer voor ons een groot voordeel was. Wij mochten dat niet verwaarloozen, maar aan den anderen kant ging het niet aan eigen industrieën dood te laten drukken. Daarvoor dienden de contingenteeringen, maar die waren Japan natuurlijk niet naar den zin en den machtigen nabuur moesten wij liever niet ontstemmen. Er was dus ook een politieke kant, waarop gelet moest worden. Dat men over een en ander eens opzettelijk beraadslaagde, kon zeker geen kwaad. Maar we zouden later heel wat meer met Japan te doen krijgen!
14 November was er te Buitenzorg regentenconferentie voor West-Java, waar dezelfde onderwerpen behandeld werden als in Midden- en Oost-Java417. Ook hier kwam de bevrediging naar voren, welke de genomen ordemaatregelen gegeven hadden. Wij ontvingen de regenten en raden-ajoes weer op een na-avondreceptie.
22 November had ten paleize Koningsplein een conferentie plaats met de Hoofden van Gewestelijk Bestuur der Buitengewesten. Aan zulke conferenties zijn uiteraard bezwaren verbonden; men haalt de menschen voor geruimen tijd uit hun werk en er zijn nog al kosten aan verbonden, maar aan den anderen kant is het zeer nuttig, dat de heeren zoo nu en dan het contact met de centrale regeering onderhouden en ook voor de Regeering is het van belang hun meening te vernemen over hangende quaesties. Zoo was toen van belang te hooren hoe de politieke toestand in de verschillende deelen van Indië zich laatstelijk had ontwikkeld en hoe de economische positie van de bevolking zich had gehouden onder de voortdurende en toenemende depressie. In mijn openingswoord zette ik het regeeringsstandpunt uiteen, dat niet, zooals wel gezegd werd, reactionair was en nooit verder was gegaan dan beslist noodzakelijk was. Na de ‘Zeven Provinciën’ diende echter krachtiger te worden ingegrepen en nu was het van belang eens te hooren of de genomen maatregelen doeltreffend waren geweest, of ze nog noodig waren en of soms andere maatregelen gewenscht werden. Over het algemeen was men over den politieken toestand tevreden; wie de gedetailleerde beschouwingen wil lezen, vindt ze in de notulen der conferentie. Als achtergrond voor de economische besprekingen schetste ik toen den financieelen toestand, besluitend met een aansporing om ook bij het gewestelijk bestuur de grootst mogelijke zuinigheid te betrachten. Daarna den economischen toestand ter sprake brengend, wees ik op de nadeelen, die Indië toen ondervond van het zijn van een exportland, waardoor de Regeering genoopt werd tot een krachtig economisch verweer, zoowel naar binnen (restricties) als naar buiten
(contingenteeringen). Bij de restricties maakte ik melding van pas uit Holland ontvangen stukken omtrent rubberrestrictie, waarover de betrokken Hoofden van Gewestelijk Bestuur zouden worden gehoord. De contingenteeringen waren in hoofdzaak
| | | | tegen Japan gericht, waarbij echter niet vergeten mocht worden, dat de goedkoope Japansche invoer ons van groot nut was; daarop en op de goede oogsten van die jaren leefde de bevolking. Wij mochten dankbaar erkennen, dat de voedselpositie bijna overal goed was. Een scherpe bewaking van deze positie was de taak van het gewestelijk bestuur, waarop ik nog eens den bijzonderen nadruk legde.
Bij de beschouwingen, die volgden, kon men het algemeen oordeel over den economischen toestand aldus samenvatten: arm, maar niet verontrustend; gebrek aan geld was overal nijpend.
's Avonds kregen de heeren een fraai diner op het paleis en na nog een paar dagen voor allerlei besprekingen gingen ze opgefrischt weer naar hun posten terug.
| |
Rubberrestrictie
Ik maakte zooeven melding van uit Holland ontvangen stukken omtrent de rubberrestrictie. Hierover zouden wij toen tot een beslissing moeten komen. Reeds lang hing deze quaestie; er was reeds ernstig sprake van bij mijn optreden; bij mijn uitreis was dit het punt van groote belangstelling te Colombo418; hetzelfde bij aankomst in Indië. Er is toen niet van gekomen419, maar men is blijven onderhandelen, Engelsche en Nederlandsche belanghebbenden, en nu was het zoo ver, dat de Indische Regeering zich moest uitspreken420. In
| | | | verband hiermede had ik op 7 December een vergadering met den Raad van N.I. Wij hadden te doen met een zeer moeilijk en gecompliceerd onderwerp. Speciaal Nederlandsch-Indië bood hier groote moeilijkheid; men had daar toch te doen met een vrijwel ongelimiteerde productiecapaciteit. Deze was vooral ontstaan door onze niet-aansluiting bij het Engelsche Stevenson-schema (1 Nov. '22-31 Oct. '28)421. De hooge rubberprijzen, welke daarvan het gevolg waren en de aanmoediging van de Regeering om de rubbercultuur uit te breiden hadden niet alleen geleid tot meer aanplant bij de ondernemingen, maar ook tot enorme uitbreiding door de bevolking. Dit laatste ging niet zoozeer door aanleg van meer tuinen, maar, als een ladang422 verlaten werd, strooide men wat rubberzaad uit en, vermengd met anderen opslag, ontstonden daaruit uitgestrekte rubberbosschen423.
Deze ongelimiteerde potentieele capaciteit was een voortdurende bedrei- | | | | ging; elke prijsverbetering zou zichzelf weer vermoorden. De prijs per ½ K.G. was gezakt van 54 ct. in 1929 tot 8½ ct. in 1932. Op dat niveau zou de inlandsche tapper, die er van moest leven, kunnen blijven produceeren, maar voor de ondernemingen zou het den ondergang beteekenen. Om dit te voorkomen zou restrictie dus gewenscht zijn, maar nooit een restrictie, die zich een zoo hoog mogelijken prijs ten doel stelde - wat bij Engeland voorzat - doch slechts een restrictie, die niet scherper zou worden gesteld dan noodig was om een redelijken prijs te bereiken. Voor ons was te verkiezen een zoo groot mogelijke uitvoer tegen redelijken prijs boven een geringen uitvoer tegen hoogeren prijs. Wij stelden dus een prijslimiet van 4 pence gold tegenover den van Engelschen zijde beoogden prijs van 6 pence gold. Wij waren dus in principe bereid tot restrictie, gingen accoord met een periode van 5 jaar, hadden geen bezwaar tegen de voorgestelde basisquota, noch tegen de instelling van den Internationalen Rubberraad, maar verzetten ons zeer bepaaldelijk tegen elke gedachte van prijsopdrijving.
Toen wij het hierover eens waren, kwamen de moeilijke interne quaesties aan de orde: 1e. hoe het toegewezen quotum te verdeelen tusschen ondernemers en bevolking en 2e. welk stelsel van restrictie te volgen? Wat het eerste punt betreft, eischten de ondernemers een verhouding van 100-71½%, zooals deze was in 1929. Waarom wij daarmede accoord gingen, is te vinden in mijn betoog op blz. 10 en 11 van de notulen der vergadering424.
| | | |
De grootste moeilijkheid leverde het te volgen stelsel op. Men had de keuze tusschen individueele restrictie volgens een licentiestelsel en een algemeene restrictie als gevolg van te heffen uitvoerrecht, hetzij in geld, hetzij in natura. De Raad was voor het eerste. Het lag voor de hand, dat in theorie dit stelsel het beste was. Er waren echter groote bezwaren verbonden aan de practische toepassing. Zoo lang men te doen had met georganiseerde en overzichtelijke ondernemingen of tuinen deden die bezwaren zich niet gevoelen; het stelsel is dan ook toegepast op de ondernemingen en op Java en eenige andere eilanden, waar, evenals op Malakka, men met geregelde tuinen te doen had. Maar onbruikbaar was het voor het onbegrensde en niet te schatten rubber-areaal in de eigenlijke rubbergewesten wegens de enorme kosten, administratieven omslag en tijdsduur, welke verbonden zouden zijn aan een telling en registratie der boomen. En zelfs als men tegen deze bezwaren niet zou opzien, deed dit andere zich voor, dat door zoodanige telling en registratie uitgestrekte gebieden, die toen sliepen, wakker gemaakt zouden worden en mede hun aandeel in het toegewezen quotum zouden opeischen, zoodat voor de bevolking, die in den rubbertap een bestaan vond, het aandeel wel zeer gering zou worden. Daarom werd het uitvoerrecht in geld dan ook voorgestaan door den Directeur van Landbouw425 en de meeste hoofden van gewestelijk bestuur. Ook daaraan waren echter ernstige bezwaren verbonden en wel in de eerste plaats, dat men een ongelijke behandeling verkreeg van ondernemings- en bevolkingsrubber, hetgeen politiek ongewenscht werd geacht en vooral zou gaan klemmen bij oploopenden wereldprijs en daaruit volgende verhooging van uitvoerrecht. Dit bezwaar was zoo
groot, dat ik persoonlijk aanvankelijk vóór het uitvoerrecht in natura was. Ik vond het een onsympathieke figuur om gereed product in welken vorm ook te vernietigen, maar achtte haar voor de bevolking het meest begrijpelijk. Bij de bespreking bleek evenwel, dat in
| | | | de practijk de vernietiging van het product niet zoo eenvoudig zou zijn. Besloten werd mitsdien voorshands het uitvoerrecht in geld, als biedende de minste bezwaren, te aanvaarden en onderwijl naar een ander en beter stelsel te blijven zoeken.
Aangeteekend wordt hier, dat uit het voorgaande blijkt - men leze ten overvloede de notulen van de vergadering - dat bij de overweging van de restrictie en van het toe te passen stelsel geen oogenblik gedacht is aan de financieele voordeelen, die met het uitvoerrecht in geld verkregen zouden kunnen worden. Dat stijving van 's lands kas de primaire opzet van het uitvoerrecht vormde, is dan ook een aperte leugen en vuile insinuatie in het boekje ‘Neerlands nieuwe Eereschuld aan Indië (blz. 55 noot en elders) van Jhr. Van Suchtelen, oud-Gouverneur van Sumatra's Oostkust426.
Na al die vergaderingen en conferenties dienen nog enkele andere gebeurtenissen vermeld te worden. 13 November ontvingen wij voor de lunch Pangeran Hadiwidjojo en een regent van den Soloschen kraton ter aanbieding van een groot, naar een photo geschilderd, portret van mij (afschuwelijk) en van een fraaien doos, inhoudende een album met photo's van ons bezoek aan den Soenan.
21 November hadden wij ten afscheid Gouverneur Neys427 en Mevrouw op de lunch. Ik had hem gaarne nog wat gehouden; er gingen in dien tijd vele goede krachten heen en er kwam geen nieuwe aanvoer. 2 December hadden wij weer een soldatenavond; ditmaal voor de Menadoneezencompagnie; 3 December Dr. Schürmann428, gewezen ambassadeur van Amerika te Berlijn en in China, op de lunch; 13 December de Sultan van Djocja op de lunch. Hij was te Buitenzorg voor een bezoek aan Gerke en daarvan maakte ik gebruik om hem uit te noodigen, ook om hem te bedanken voor de houding van het Zelfbestuur inzake de ontbinding van de loopende grondhuurcontracten. Tevens kon hij nu zelf aanbieden een fraaie kist met photoalbum betreffende ons bezoek en zijn portret in zilveren lijst. Van 15-31 December op Tjipanas, waar wij den 24en de Heeren De Iongh429, Directeur van Gouvernements Bedrijven en Caron430, Gouverneur der Molukken, met hunne dames ten afscheid op de lunch hadden.
Aan het eind van het jaar kwamen nog twee dingen voor, die de algemeene aandacht hadden: de pensioenkorting en de Kerstvlucht van de Pelikaan.
Colijn heeft een heelen strijd moeten leveren om de korting op de Indische pensioenen er door te krijgen. Hierbij heeft hij voor het eerst het Indische
| | | | bezuinigingswerk geprezen431. Dat kwam toen natuurlijk in zijn kraam te pas, maar ongetwijfeld heeft de vrij scherpe correspondentie, die wij hadden gehad, ook invloed gehad; ik herkende in zijn redevoeringen stukken uit mijn brieven. Hij zal wel gevoeld hebben, dat wij niet ten onrechte gegriefd waren.
| |
Kerstvlucht Pelikaan
Maar overheerschend was toch, zoowel in Indië als in Holland, het enthousiasme over de Kerstvlucht van de Pelikaan. Voor die vlucht was een speciaal vliegtuig, de ‘Postjager’, aangewezen. Dat bleef steken in Italië. Toen zou de ‘Zilvermeeuw’ van de K.L.M. gaan, maar bij het starten raakte ook dit onklaar. Een gewoon lijnvliegtuig, de ‘Pelikaan’, werd toen direct ingezet, dat 18 December van Schiphol vertrok en 22 December te Tjililitan aankwam, na de post van de andere vliegtuigen te hebben overgenomen. Ook de terugreis is goed verloopen; vóór Nieuwjaar was het weer in het Moederland terug. Dat was voor dien tijd werkelijk een zeer bijzondere praestatie432, die aan het einde van 1933 meer dan iets anders de gedachten van de menschen vervulde. |
229De gearresteerden waren G.P. Vrijburg en H. Reens. Zie verder p. 171 en 173.
230Volksraad 1932-1933, bijl. ond. 126, stuk 1.
231Handel. Volksraad 1932-1933, p.2004 (reg. gemachtigde G. Vonk).
232Volksraad 1932-1933, bijl., ond. 127, stuk 1.
233Handel. Volksraad 1932-1933, p. 2032 (reg. gemachtigde J.A.M. van Buuren).
234Vice-admiraal J.F. Osten.
235Zie over de ongeregeldheden bij de Koninklijke Marine in jan. 1933 het witboek De ongeregeldheden bij de Koninklijke Marine in Nederlandsch-Indië in den aanvang van 1933, 's-Gravenhage, Alg. Landsdrukkerij 1934, p.30 e.v.
Voor een beschouwing van de sociale en politieke achtergrond van de dienstweigering en de muiterij bij de Koninklijke Marine ook: J.C. Mollema, Rondom de muiterij op ‘ De Zeven Provinciën’, Haarlem 1934.
236Kapt. lt. ter zee P. Eikenboom.
237Zie over de muiterij op Hr Ms ‘De Zeven Provinciën’ het in noot 4 aangehaalde witboek, p.49 e.v. en J.C. Mollema, t.a.p.
238Op 6 febr. beantwoordde de gouv. gen. het volgende telegram van minister De Graaff: ‘Wil onverwijld inlichtingen seinen naar aanleiding Anetabericht betreffende Zeven Provinciën’. (K.A. Vb. 7 febr. 1933 Lt. H2).
In zijn antwoord (Lt. E.) waarbij de eerste inlichtingen over de muiterij werden doorgegeven deelde de gouv. gen. voorts mede: ‘Bedoeling Osten schip blijvend begeleiden in verwachting moreel geleidelijk inzakkend waardoor hernemen leiding wellicht zonder geweld mogelijk. Intusschen wordt eskader voorts schepen en vliegtuigen uit Soerabaja westwaarts aangetrokken voor begeleiding en bewaking.’
Hierna seinde de gouv. gen. eveneens op 6 febr. het volgende: (Lt. F.) ‘In overleg met mij heeft Osten thans volgende gedragslijn vastgesteld: toegang Emma-haven dient aan Zeven Provinciën ontzegd. Bij onopvolging van door vliegtuig te geven bevel moet deze bommen werpen, bij opvolging bevel schip ongemoeid laten. Hierdoor verkrijgt bemanning nog eenige dagen om tot bezinning te komen. Bij straat Soenda zal bevel tot overgave gegeven worden. Lijkt onaanvaardbaar te wachten tot muiters uit eigen beweging schip overgeven bij Soerabaja als wordt gezegd in voornemen te liggen.’ (K.A. Vb. 7 febr. 1933 Lt. G2.)
239Uit ontevredenheid over salariskortingen weigerden de matrozen van de Engelse vloot, die op manoeuvre was, uit te varen. Nadat de schepelingen was toegezegd, dat hun grieven grondig en onpartijdig onderzocht zouden worden, waren zij er toe te brengen de schepen naar de diverse thuishavens terug te varen. Minister A. Chamberlain verklaarde in het Lagerhuis dat geen straffen zouden worden opgelegd, maar dat verdere ongehoorzaamheid als insubordinatie zou worden beschouwd en streng gestraft zou worden.
240De Tweede Kamer had vóór de muiterij nl. op 1 febr. 1933 aan Drop een interpellatie toegestaan, die voornamelijk de voorbereiding van de salariskorting betrof. Zij werd gehouden op 7 febr., nadat de minister van defensie Deckers over de muiterij een regeringsverklaring had afgelegd. Zie voor de debatten over de muiterij op 7 en 8 febr. Handel. T.K. 1932-1933, p. 1610 e.v. Een samenvatting hiervan bij J.C. Mollema, t.a.p., p. 171 e.v. en een overzicht van de aan de ongeregeldheden in de beide kamers gewijde beraadslagingen in het op p. 160 noot 235 aangehaalde witboek, p. 101 e.v.
241Van de rede van het socialistische kamerlid Ch.G. Cramer op deze op 5 febr. gehouden bijeenkomst werd het verslag van de Haagsche Courant van 6 febr. in de Tweede Kamer geciteerd door Knottenbelt. Cramer verklaarde hierop dat hij zijn woorden niet op een goudschaaltje had gewogen en zich in de Kamer wellicht anders zou hebben uitgedrukt. Handel. T.K. 1932-1933, p.1621 (Knottenbelt) en 1629 (Cramer). Zie ook Brieven, no. 10, p. 411.
242Colijn had in een persgesprek o.m. verklaard dat het ging om ‘een klaar geval van muiterij’, die moest worden onderdrukt ‘zoo noodig door het schip met een torpedo naar den bodem van den Oceaan te zenden.’ ‘Maar,’ voegde hij hieraan toe, ‘zoover zal het, dunkt mij, wel niet komen, daar de muiters wel eieren voor hun geld zullen kiezen.’ Nieuwe Rotterdamsche Courant, 7 febr. 1933.
246Deze discussie eindigde blijkens de notulen van deze vergadering als volgt: ‘De Gouverneur-Generaal acht het denkbeeld van Mr. Verheyen aantrekkelijk om zijn eenvoud, de gemakkelijke hanteerbaarheid daarvan en de daaraan ten grondslag liggende rationeele gedachte. Zijne Excellentie acht echter toch voorshands groote bezwaren aan doorvoering daarvan verbonden en is er nog niet geheel van overtuigd dat het aanbeveling verdient inderdaad tot een zoo ingrijpenden maatregel over te gaan. Naar Hare meening moet de algemeene toestand op het oogenblik nog niet van zoo ernstigen aard worden gezien, dat dit noodzakelijk zou zijn.
De Commandant der Zeemacht uit vrees dat men, wanneer wordt gewacht tot het werkelijk dadelijk noodzakelijk is, te laat zal komen met den nieuwen maatregel.
De Gouverneur-Generaal is van oordeel dat men op het oogenblik niet veel anders kan doen dan achter de feiten aanloopen. Het is praktisch onmogelijk om een lijn vooruit te trekken en men moet zich telkens instellen op de zich wijzigende omstandigheden. Ongetwijfeld is een zoodanige toestand onaangenaam, maar Zijne Excellentie ziet toch geen mogelijkheid daarin verandering te brengen. Het denkbeeld van den Procureur-Generaal zou groote veiligheid brengen maar er zijn groote bezwaren aan verbonden ook met het oog op Nederland, waar vermoedelijk geen steun zal worden gevonden voor de doorvoering van een zoodanigen maatregel.
De Procureur-Generaal meent dat het in ieder geval goed zou zijn om nopens deze aangelegenheid in overleg te treden met het Opperbestuur. Nopens de indertijd ingediende voorstellen heeft een zoodanig overleg nimmer plaats gehad.
De Gouverneur-Generaal verklaart er geenerlei bezwaar tegen te hebben deze zaak aan het Opperbestuur voor te leggen.’
Dezelfde dag seinde de gouv. gen. aan de minister van koloniën: ‘... Ik wil mij in beginsel aansluiten bij Verheyen doch moet zeker zijn van steun in Nederland en zie zeer wel dat maatregel op politieke bezwaren zal stuiten en te ver gaand voor marine-personeel onaanvaardbaar geacht. Prijsstel Uw oordeel ten deze vernemen.’ (K.A. Vb. 29 april 1933 Lt. F9).
Op dit telegram werd eerst in april 1933 gereageerd, evenwel zonder dat van de ministeriële zienswijze werd blijk gegeven.
247De notulen hiervan luiden als volgt: ‘ De Gouverneur-Generaal... vraagt of de Vlootvoogd zich ervan heeft vergewist hoe de instructie aan de vliegtuigen, welke tegen “De Zeven Provinciën” moesten optreden, precies heeft geluid.
De Commandant der Zeemacht verklaart dat de order heeft geluid te beginnen met het werpen van een bom van 50 kilogram vlak voor den boeg. Dit was geschied omdat het neerkomen van een bom van zoo gering gewicht op ruimen afstand van het schip geen voldoenden indruk zou hebben gemaakt. Vanaf een hoogte van 1200 meter is het echter niet mogelijk om volkomen juist de plaats van het neerkomen van het projectiel te berekenen. Spreker wijst er nog op dat verscheidene malen is gesommeerd en dat de muiters daarop driemaal een zeer onbeschaamd antwoord hebben gegeven. Het officieele rapport van de vliegers is echter nog niet ontvangen.
De Gouverneur-Generaal zou gaarne precies weten hoe de instructie heeft geluid, m.a.w. of het een raak- dan wel een misschot is geweest.
De Commandant der Zeemacht antwoordt dat de instructie luidde den bom voor den boeg te gooien, zoodat, wanneer de vraag zoo gesteld wordt, men inderdaad van een misschot moet spreken.
De Gouverneur-Generaal is verheugd zulks te hooren en is van meening dat dit voor de Regeering in Nederland verdediging van Haar houding in de Kamer zal vergemakkelijken.
De Commandant der Zeemacht deelt nog mede dat de vliegtuigen achter elkaar hun bommenvoorraad zouden laten vallen wanneer de eerste waarschuwingsbom geen effect had gehad. Daar is echter een schriftelijke order gegeven om den eersten bom vlak voor den boeg te werpen opdat deze een zoo groot mogelijken indruk zou maken. In plaats van vlak voor is deze echter op het schip gevallen.
De Gouverneur-Generaal constateert dat derhalve de instructie volkomen in overeenstemming is gegeven met de door Zijne Excellentie met den Vlootvoogd gemaakte afspraak.
De Commandant der Zeemacht deelt mede dat de groepscommandant wegens een motordefect een noodlanding heeft moeten maken, doch aangezien vóór vertrek van de vliegtuigen de instructie met de bemanningen van alle andere vliegtuigen was besproken, was iedereen volkomen op de hoogte van hetgeen moest worden verricht.’
250Op 16 mei 1934 stelde het Tweede Kamerlid Albarda aan de minister van defensie een aantal vragen over de toedracht van de aanval op Hr Ms ‘De Zeven Provinciën’, zulks naar aanleiding van mededelingen in de Indische pers dat de bom niet als waarschuwingsbom bedoeld was en dat ook niet de opdracht was gegeven eerst een waarschuwingsbom te werpen. Deze voorstelling van zaken was nl. niet te rijmen met de verklaringen, die de Commandant der Zeemacht in Ned. Indië op dit punt in de Volksraad had afgelegd op 10 en 20 febr. 1933. ( Handel. Volksraad 1932-1933, p.2416 en p.2700.)
Minister Deckers antwoordde 17 mei 1934, dat de instructie het werpen van een waarschuwingsbom had ingehouden en dat de betrokken officier in overeenstemming met die instructie had gehandeld. ( Handel. T.K. 1933-1934, aanhangsel p. 153.)
Albarda kwam op 11 juni 1934 met nadere vragen op deze zaak terug, waarop de minister in zijn antwoord van 10 aug. 1934 een overzicht gaf van de werkelijke gang van zaken. Handel. T.K. 1933-1934, aanhangsel, p. 183 en p. 195.
252Coppers had op 25 febr. 1936, twee dagen voor hij uit Indië zou vertrekken een onderhoud met De Indische Courant, waarin hij de toedracht vertelde van zijn aanval op Hr Ms ‘De Zeven Provinciën’. Een verslag van dit onderhoud werd dezelfde dag gepubliceerd.
253Handel. Volksraad 1932-1933, p.2699 e.v. Op 10 febr. had de vlootvoogd reeds een eerste verklaring over de muiterij afgelegd. T.a.p., p.2414 e.v.
254In deze zin: R.W. Dwidjosewojo, t.a.p., p. 2726. Waarderend over de toespraak van de gouv. gen. ook: Arifin, t.a.p., p.2705.
255Bijlagen T.K. 1932-1933, B, 55, p.275 e.v.
258Ordonnantie in Ind. Stbl. 1931 no.394.
259Onder redactie van B. Coster, D.M.G. Koch en A. Weeber.
260Bij dit G.B. werd het blad aangewezen ‘als periodiek verschijnend drukwerk, welks verschijning tijdelijk kan worden verboden.’ Het G.B. werd in het blad op 18 febr. 1933 opgenomen met de mededeling van het V.V.O. bestuur dat de uitgifte voorlopig ‘geheel vrijwillig’ zou worden gestaakt.
261Japan trad uit de Volkenbond nadat de Assemblée op 24 febr. 1933 met algemene stemmen de conclusies had aanvaard van het rapport van de ‘Commissie van Negentien’, waarin de souvereiniteit van China over Mandsjoerije werd erkend, de Japanse actie in China werd veroordeeld en werd uitgesproken dat de staat Mandsjoekwo niet behoorde te worden erkend.
262De nieuw benoemde Japanse gezant Hirosi Saito had in een persgesprek o.m. verklaard, dat van Japanse zijde voor Ned. Indië geen enkel gevaar te duchten was. Japan wenste slechts in de meest vriendschappelijke betrekkingen tot de Nederlandse koloniën te staan. De wederzijdse belangen tussen de beide landen waren te groot om een andere dan vriendschappelijke politiek te voeren.
De gezant gaf de grote betekenis toe, welke de oliehavens op N.O. Borneo zouden hebben, wanneer Japan er te eniger tijd toe zou moeten overgaan in de Pacific een vlootbasis te vestigen. De olie-voorziening van de Japanse oorlogsvloot was daarvan geheel afhankelijk. Het zou echter alleen van betekenis zijn bij een toekomstig Pacific-conflict, hetwelk hij menselijkerwijze gesproken uitgesloten achtte. Tegen de chaos in China waren strenge militaire maatregelen nodig. In Indië waren de toestanden echter geheel anders. Daarom zou ook het optreden van Japan ten aanzien van Ned. Indië uitsluitend vriendschappelijk zijn. Nieuwe Rotterdamsche Courant, 5 maart 1933.
Het hoofd der Japanse delegatie bij de Volkenbond Matsoeoka legde op doorreis in Den Haag op 7 maart 1933 een overeenkomstige verklaring af. Nieuwe Rotterdamsche Courant, 7 maart 1933.
263De Jonge vergist zich hier. Koki Hirota was van 1931-1934 ambassadeur van Japan in Rusland. Hij werd eerst medio 1934 minister van buitenlandse zaken en was premier van 1936-1937.
266Dit artikel was in zeer critische zin besproken door Zentgraaff in de Java-Bode van 11 maart en het Nieuws van den Dag van 1 maart 1933.
268Over een eventuele benoeming van Kerstens tot inspecteur bij het mulo was een schriftelijke vraag ingediend door G.J. van Lonkhuyzen en W.L. Wolff. Zij waren tegen deze benoeming, omdat zij meenden dat bij het inlands onderwijs personen dienen te worden benoemd ‘die geen agitatorischen inslag’ hadden. De regering antwoordde o.m. dat Kerstens niet bij het inlands onderwijs, maar bij het mulo eventueel als inspecteur zou worden benoemd, maar dat deze benoeming bij de regering ‘geen punt van overweging meer uitmaakte’. Handel. Volksraad 1932-1933, p.2552 en aanhangsel p. 50 en 61.
270Teneinde in de zelfbesturende gebieden de geldmiddelen van de zelfbestuurder en die van het door hem bestuurde landschap te scheiden zijn sinds het begin van de 20e eeuw in de zelfbesturende landschappen landschapskassen opgericht. Zie Mr. Ph. Kleintjes, Staatsinstellingen van Nederlandsch-Indië, zesde druk, Amsterdam 1933, II, p.359 e.v.
271Bij het ontwerp voor de I.B. voor 1934 werd een ‘economisch werkplan’ overgelegd ( Volksraad 1933-1934, bijl., ond. 1, stuk 3) dat als een vervolg kon worden beschouwd van het in de vorige hoofdzitting ingediende en aanvaarde ‘crisisplan’ ( Volksraad 1932-1933, bijl., ond.46, afd. VI, stuk 1-3). Het ‘economisch werkplan’ beoogde een overzicht te geven van een complex van in de loop van enkele jaren in de begroting te verwerken economische maatregelen.
272De theerestrictie was bij twee ordonnanties geregeld en hield in een tijdelijke beperking van de uitvoer van thee uit Ned. Indië en een tijdelijke beperking van de thee aanplant. Ind. Stbl. 1933 nos 220 en 221.
273In zijn particuliere brief van 8 mei 1932 had minister De Graaff als zijn zienswijze te kennen gegeven dat voor de in sept. te verwachten vacature van vice-president van de raad van Indië een ‘outsider’ in aanmerking zou moeten worden gebracht. Er deed zich nl. de ‘moeilijkheid’ voor, ‘dat de twee Inlandsche leden dan naar ancienniteit bovenaan staan en dus, indien men uit de jongere leden een keuze wilde doen, gepasseerd zouden worden.’ De Graaff meende dat geen van deze jongere leden over de vereiste kwaliteiten beschikte. Hij noemde vervolgens drie candidaten nl. C. van den Bussche, die hij echter eerder in aanmerking wilde brengen voor een benoeming t.z.t. als lid, deskundige op financieel gebied, Meyer Ranneft, die hij ‘persoonlijk weinig of niet kende’, maar wiens ‘krachtige persoonlijkheid’ en ‘breede kennis van Indië’ algemeen werden geroemd en W.P. Hillen, ‘een hoogstaand man, uitmuntend bestuurder, wien alleen één ding in den weg stond: zijn gewoonte om, zonder onderscheid wien het gold, den menschen te vertellen wat hij van hen dacht wanneer hij aan de oprechtheid van hun bedoelingen twijfelde’. De Graaff liet hierop volgen: ‘Het zal U eenigszins verwonderen, wanneer ik, naast de voorgaande bekende personen uit den kring der centrale
Indische bestuursvoering, melding maak van een naam, die U waarschijnlijk niet in dit verband verwachtte, die van den oud vice-president van den Raad van Indië, te voren gedurende korten tijd Minister van Koloniën, den heer Welter. Voorshands in strikt vertrouwen deel ik U mede, dat van twee, geheel vertrouwbare, zijden mij confidentieel is te kennen gegeven, dat de heer Welter gaarne, wanneer hem het aanbod wordt gedaan, in zijne laatste functie naar Indië zou willen terugkeeren. Wat hij als zoodanig is geweest, kan U ten volle blijken. Voorzoover mij bekend, was hij een uitstekend vice-president, inzonderheid een administratief veelzijdig onderlegd man, die in vroegere ambtelijke betrekkingen bij het bestuur ook van dien kant Indië heeft leeren kennen. Ongetwijfeld een medewerker in dien hoogen rang, waarin de Gouverneur-Generaal krachtigen steun kan vinden. Wat aangaat geneigdheid, om de hervorming van het bestuurswezen naar vermogen van de geldmiddelen krachtig voor te staan, een minder overtuigd helper dan de heer Hillen, die ook Meyer Ranneft - en te meer nog dezen - in dat opzicht overtreft. Niettemin iemand, die, wanneer maar het bewustzijn bij hem aanwezig is, dat de wil van den G.G. op dat punt vaststaat (dat bewustzijn kon hij bij Uwen ambtsvoorganger niet hebben), ook te dien aanzien niet in gebreke zal zijn.’
In zijn particuliere brief van 12 juli 1932 bepleitte De Graaff voor ‘de vervulling van de twee aanstaande vacatures’ de ‘combinatie-Hillen-Van den Bussche, de eerste als vice-president’. Welter, die door De Jonge niet werd gezien als ‘een rots om op te bouwen in moeilijke omstandigheden’, achtte ook De Graaff ‘niet de man, die juist in deze omstandigheden als vice-president noodig en als het er op aankomt onmisbaar kan zijn.’ De Graaff kon ‘voor Meyer Ranneft niet pleiten na hetgeen U mij meedeelt omtrent dezen candidaat, dien ik persoonlijk niet ken.’
In zijn particuliere brief van 27 nov. 1932 deelde De Jonge aan De Graaff mede dat er z.i. geen vacature voor het vice-presidium meer was, omdat Bodenhausen bereid was te blijven om de begroting voor 1934 af te werken.
Op 7 maart 1933 schreef De Jonge aan De Graaff: ‘Wanneer U dezen brief ontvangt, zal U reeds bereikt hebben mijn officieele aanbeveling voor een nieuwen vice-president voor den Raad van N.I. Persoonlijk ben ik niet opgetogen, maar ik geloof, dat wij in de gegeven omstandigheden niet beter kunnen doen. Voor den Raad zelf zal het een heel ding zijn. Uit mijn officieel schrijven zal U genoegzaam blijken welke de overwegingen zijn geweest. Ik behoef er daarom hier niet verder op in te gaan.’ In de aangehaalde Indische brief had De Jonge Meyer Ranneft voorgedragen, waarbij ‘het hoog aanzien’ dat hij in Indië en in Nederland genoot de doorslag had gegeven.
De Graaff antwoordde op 9 april 1933: ‘De voordracht- Meyer Ranneft heeft mij weinig moeite veroorzaakt. Algemeen was men in den Ministerraad overtuigd, door den inhoud van Uw schrijven, van de wenschelijkheid van die benoeming. Waar die hoofdambtenaar een van de “old hands” was, die ik in de gedachtenwisseling over de vervulling van de vacature voor oogen had en hij reeds tijdens Uw voorganger in een voordracht aan de Koningin door mij genoemd was in het verband eener benoeming voor den Raad, kon de ondersteuning van de door U aanbevolen keuze in weinige woorden geschieden.’
274Met deze ‘Nota over de Indische politiek’ bedoelde Meyer Ranneft bouwstof te leveren voor de openingsrede, die de Landvoogd in de Volksraad zou houden. Bij brief van 14 mei 1934 zond hij de nota toe aan vele Indische autoriteiten en andere vooraanstaande figuren o.w. de oud-minister Idenburg. Zie voor diens critische reactie op het stuk: Dr. B.J. Brouwer, De houding van Idenburg en Colijn tegenover de Indonesische beweging, Kampen 1958, p. 169-170.
275In de vergadering van 21 sept. 1934 onder voorzitterschap van P.A.A. Koesoemo Joedo werd de nota
door de raad van Indië uitvoerig besproken, waarbij aan de theoretische opzet werd voorbijgegaan en alleen de onderscheidene voorgestelde maatregelen in beschouwing werden genomen.
276In zijn brief van 31 juli 1935 Lt. M.M. nam de raad van Indië de vraag in beschouwing ‘welke maatregelen noodig zouden kunnen worden indien tot devaluatie zou worden overgegaan’. In de Indische brief van 7 aug. 1935 no. 72/1, geheim, waarvan de raad van Indië afschrift werd verleend, schreef gouv. gen. De Jonge o.m.: ‘Ik kan niet verhelen, dat ik de door den Raad in dezen gevolgden weg niet juist acht. Zooals het College aan het begin van zijn schrijven opmerkt, is tot dusver overeenkomstig den door Uwe Excellentie uitgesproken wensch vermeden het vraagstuk der devaluatie opzettelijk in behandeling te nemen. Door het bijeenroepen van een vergadering ter behandeling van dat vraagstuk in het gebouw van den Raad van Nederlandsch-Indië is practisch
in strijd met dien wensch gehandeld, en voorafgaand overleg met mij had dan ook in ieder geval niet achterwege mogen blijven. Naar mijn meening ware het juister geweest als de Raad, ingeval het College behandeling van het vraagstuk noodzakelijk achtte, een daartoe strekkend voorstel aan mij had gedaan.’ Minister Colijn berichtte hierop de landvoogd bij schrijven van 6 sept. 1935 Lt. F18/no. go dat hij ‘met volledige instemming’ kennis genomen had van het standpunt van de gouv. gen. ten aanzien van dit door de raad van Indië genomen initiatief.
277Handel. Volksraad 1933-1934, p.4.
278Het artikel in de Java Bode over de gratificatie voor kapitein A. Cramwinckel werd onder de titel Hoe met geld wordt gesmeten overgenomen door de Avondpost van 16 aug. 1933. Zie ook p. 189.
279De invoering van de ¼ cent, waartoe niet is overgegaan, kwam aan de orde naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek naar de economische toestand van de bevolking in Koetowinangoen in het regentschap Keboemen, waaruit was gebleken dat het gemiddelde inkomen in geld en natura in 1933 van de onderzochte tanigezinnen 18-27 cent per dag bedroeg. Zie J.J. Ochse, Ir. G.J.A. Terra, Dr. W.F. Donath en Dr. C.D. de Langen, Geld- en productenhuishouding, volksvoeding en gezondheid in Koetowinangoen, Buitenzorg 1934, ook in Landbouw 1934, p.77 e.v. en Ir. E.L. Levie, Beteekenis van de kwart cent bij koop van voedsel in de desa, Koloniale Studiën 1935, p. 341 e.v.
280De dir. b.b.A. Mühlenfeld had deze zienswijze in een persgesprek te kennen gegeven. Zijn bewering, die tot veel critiek aanleiding gaf, werd, wat de desa Koetowinangoen betreft, bevestigd door Ir. G.J.A. Terra, die meende dat ‘de conclusie dat in de betrokken streek ongeveer de helft van de bevolking in 1932 voor minder dan 2½ cent per dag gevoed is niet voorbarig (was)’. Economisch Weekblad van 24 febr. 1933; zie ook het in noot 279 aangehaalde rapport, p. 117.
281De redevoeringen van Meyer Ranneft en van Schrieke zijn volledig opgenomen in het Bataviaasch Nieuwsblad, 25 april 1933.
282Zie hierover Volksraad II, p. 146 noot 2.
284W.K.H. Feuilletau de Bruyn.
285Handel. Volksraad 1932-1933, aanhangsel, p.65.
286De Patjal-werken bij Tretes in het regentschap Bodjonegoro omvatten het bouwen van een stuwdam in de Patjalrivier, een zijtak van de Solorivier, en de aanleg van een waterreservoir (wadoek) ter bevloeiing van de rijstvelden in deze armelijke landstreek. Met de uitvoering van dit werk, waartoe de regent R.A.A. Koesoemoadinegoro het initiatief had genomen, was onder het bewind van gouv. gen. De Graeff begonnen. De uitvoerder was Ir. B. Lieneman.
290Sociëteit te Soerabaja.
297J.R. Slotemaker de Bruïne.
300Op 24 maart 1933 diende Thamrin een voorstel tot het houden van een interpellatie in inzake het verscherpt politioneel optreden. Volksraad 1932-1933, bijl., ond. 147. Deze kwam in behandeling in het College van Gedelegeerden op 4 april 1933. Handel. Coll. v. Gedel. 1932-1933, p.307 e.v.
301De miltpunctie waardoor kon worden vastgesteld of pest de doodsoorzaak was geweest, stuitte bij de bevolking, vooral in de omgeving van Garoet, op hevig verzet. Bij de discussie hierover in de Volksraad werd door Wiranata Koesoema, Iskandardinata en Wiwoho met instemming gewezen op de passage in de openingsrede van de Volksraadszitting, waarin de gouv. gen. het verzet aan godsdienstige en niet aan politieke
motieven had toegeschreven. Handel. Volksraad 1933-1934, p.106, 178 en 261 e.v. Zie ook p.186.
302Nederlandsch-Indië, Orgaan der Vaderlandsche Club, 1 juni 1933. Op de algemene vergadering van 28 mei 1933 werd met algemene stemmen de volgende motie aangenomen: ‘Gehoord de rede van den Voorzitter en de opmerkingen van de afgevaardigden der Kringen van geheel Indië,
Overwegende, dat uit de discussies is gebleken, dat algemeen een steeds grooter wordende wrevel en ontstemming in hare gelederen over den gang van zaken hier te Lande bestaat,
Dat de Vaderlandsche Club gedurende anderhalf jaar getracht heeft naar haar beste weten met de Regeering samen te werken, doch dat zij niet dan onbevredigende resultaten van haar inspanning en arbeid heeft gezien,
Is eenstemmig van oordeel, dat zij in de toekomst krachtig stelling zal nemen tegenover een Regeeringsbeleid, dat niet strookt met een krachtige gezagshandhaving, een systematische bezuiniging en een rationeele politiek.’
303De Volksstem (redacteur L.J. Quix), 31 mei 1933.
304De Jonge schreef dit artikel toe aan D.F. van Wijk.
305Zie voor de suikerregeling p. 154 en voor de theerestrictie p. 173. In maart was een ordonnantie tot stand gekomen, waarbij de rijstinvoer gedurende vier maanden was verboden, behoudens vergunning van de directeur van Landbouw. Volksraad 1932-1933, bijl., ond. 146. ( Ind. Stbl. 1933 no. 116). Deze ordonnantie werd vervangen door een regeling van de invoer van rijst bij ordonnantie in Ind. Stbl. 1933 no.299. De regeling had tot doel te voorkomen, dat door een te groot aanbod van buitenlandse goedkope rijst de prijs van de Indische rijst te zeer zou worden gedrukt, waardoor de desahuishouding
ernstig werd bedreigd. Volksraad 1933-1934, bijl., ond. 12. Waar de padiprijs te sterk daalde, trachtte de regering daaraan tegemoet te komen door opkoop van gouvernementswege, mede om het ontstaan van te grote achterstand in de betaling van de landrente te voorkomen.
307H.J. Kiewiet de Jonge.
308Aan dit gevoel van teleurstelling werd uitdrukking gegeven in een herdenkingsartikel van J.H. Ritman in het Bataviaasch Nieuwsblad, 31 juli 1933.
311Op 1 juli 1933 deed de algemene secretaris aan de gouv. gen. hierover de volgende aantekening toekomen: ‘De Hr. Kan en de Hr. Spit hebben telefonisch uitvoerig inlichting verstrekt (eigener beweging) over den indruk, welke de vervanging van den Hr. K. de Jonge door Mr. Peekema had teweeggebracht. Deze is over 't algemeen ongunstig. Men is vol wantrouwen: kleineeren van den V.R., gebrek aan deferentie jegens de heeren die nu worden verplicht om te praten tegen en debatteeren met een jong onervaren ambtr.; het is een wenk van Minister Colijn; de maatregel is uitvloeisel van den wensch van den odg. om den rgaz. terug te dringen tot een zeer ondergeschikte positie, etc. etc. Bezwaar werd gemaakt tegen 't feit, dat geen overleg was gepleegd met den V.R. alvorens van gemachtigde te veranderen.
Mr. Spit heeft de kritiek kunnen bezweren maar wenscht enkele wenschen naar voren te brengen. Odg. vroeg hem dit per brief te doen: a. vooral moet, naar binnen en naar buiten, de rechtstreeksche ondergeschiktheid van den rgaz. aan den G.G. worden veilig gesteld; b. de nieuwe rgaz. moet standplaats en kantoor te Batavia hebben; c. men wil 't optreden van Mr. P. als een proef zien beschouwd; is hij brutaal, laatdunkend, dan zal de Reg. een ander moeten kiezen.
Odg. heeft Mr. Spit zoo goed mogelijk nader omtrent den maatregel ingelicht en gerustgesteld.’
312Handel. Volksraad 1933-1934, p.1 e.v.
313Zie hierover Volksraad II, p. 128 e.v.
314Bij het Kantoor van Arbeid werd in 1933 een afd. Werklozenzorg opgericht, die leiding gaf aan het werk van het centraal steuncomité en de plaatselijke comités.
315De suikerbond had, evenals de handelsbond en de cultuurbond, een werkloosheidskas ter ondersteuning van werkloze leden.
320In een regeringsschrijven aan de dir. van binnenl. bestuur A. Mühlenfeld van 17 mei 1933 no. 1450/A (K.A. Vb. 25 juli 1933 no.27) werd erop gewezen dat in de redevoeringen, die Soetardjo in de laatste zitting van de Volksraad had gehouden over de verhouding tussen het Europees en inlands bestuur, ‘de tendens van opzettelijke verscherping van de tegenstellingen in aard en positie, taak en bevoegdheden van de Europeesche en Inlandsche bestuurscorpsen onmiskenbaar (was).’ De gouv. gen. achtte het vooral bedenkelijk, dat de Perhimpoenan Pegawai Bestuur Boemipoetra (P.P.B.B.) op haar congres in 1933 de uitlatingen van Soetardjo, die verklaard had geheel voor zichzelf te spreken, voor haar rekening nam. Hij verzocht de dir. b.b. aan deze zaak speciale aandacht te wijden. Diens opvolger, P.C.A. van Lith, ontwierp de circulaire, volgens de aanwijzingen die de gouv. gen. hem mondeling had gegeven. De raad van Indië kon zich behoudens kleine wijzigingen met het ontwerp verenigen. De dir. b.b. werd geïnstrueerd de circulaire ‘onder de bijzondere aandacht van het
hoofdbestuur (van de P.P.B.B.) te brengen, met verzoek daarmede rekening te houden bij de aan de vereeniging te geven leiding.’ Zie voor de critische beschouwingen van Soetardjo Handel. Volksraad 1932-1933, p.987-994, 1385-1387, 1479-1480 en de reactie hierop van de reg. gemachtigde Mühlenfeld t.a.p., p. 1328 e.v., 1462 e.v. en 1485; ook de mondelinge beantwoording van de schriftelijke vragen van Soetardjo over bestuurskwesties: t.a.p., p.2536-2542; eveneens Mühlenfeld bij zijn afscheid t.a.p., coll. v. gedel., p. 326.
321Dit G.B. van 27 juni 1933 no. 12 in Bijblad no. 13039. Bij dit besluit werden tevens de Pendidikan Nasional Indonesia (P.N.I.) en de Partai Indonesia (P.I. of Partindo) aangewezen als voor landsdienaren verboden verenigingen.
327Zie de regeringsverklaring over deze maatregelen in Handel. Volksraad 1933-1934, p.674 (reg. gem. voor politie-aangelegenheden G. Vonk).
328In het Bataviaasch Nieuwsblad van 1 aug. 1933 schreef J.H. Ritman hierover o.m.: ‘Wij hebben steeds het volste vertrouwen gehad in de politiek der regeering ten aanzien van de inlandsche beweging, en dit vertrouwen vindt thans bevestiging in het ingrijpen, dat rustig en zonder opzien heeft plaats gehad en dat slechts den indruk kan versterken van welbewuste kracht.’
330Thamrin verklaarde op die dag o.m.: ‘Zeker is het niet uitgesloten dat mijn visie op den toestand en op de geestesgesteldheid van enkele vereenigingsleiders te optimistisch is, maar, Mijnheer de Voorzitter, ik vroeg den Regeeringsgemachtigde, zich te realiseeren den gemoedstoestand van iemand als ik, die in de wijze van optreden van de Openbare macht als zeker en langzaam ziet aankomen een gewelddadige botsing met al de gevolgen van dien, welke ik hartgrondig verafschuw’. Handel. Volksraad 1933-1934, p.574.
331Volksraad 1933-1934, bijl., ond. 54, stuk 1 (voorstel tot interpellatie), stuk 2 (mededeling van de regering) en stuk 3 (motievoorstel).
332De motie-Thamrin, medeondertekend door Soeroso en Wirjopranoto (zie noot 331) werd ingetrokken, nadat op 16 aug. 1933 een voorstel van Fruin c.s. om de motie-Thamrin in de volgende zitting te behandelen, was aanvaard. Handel. Volksraad 1933-1934, p.1071.
334Enkele door O. Fabrès getekende ‘Indische caricaturen’ o.m. van Meyer Ranneft en Gerke verschenen later in het Nieuws van den Dag.
336Zie voor een kenschets van H.H. Kan en een evaluatie van zijn politieke gezindheid: Volksraad II, p. 185 e.v.
339De crisisinvoerordonnantie (Ind. Stbl. 1933 no. 349), die op 19 sept. 1933 in werking trad, legde de basis van een complex van contingenterings- en licentiërings-maatregelen ter bescherming van de indische handel en industrie. De ontwerpordonnantie ontmoette in de Volksraad van inheemse zijde tegenstand omdat men hiervan prijsstijgingen verwachtte, welk nadeel slechts ten dele zou worden gecompenseerd door het betrekkelijk geringe voordeel, dat ook de inheemse industrie van de ordonnantie zou ondervinden. Het ontwerp werd met 29 tegen r8 stemmen aanvaard. Handel. Volksraad 1933-1934, p.1424 e.v., bijl., ond.40.
340De in 1923 opgerichte vereniging ‘Indisch Bronbeek’ had tot doel behoeftige Europese en inheemse oud-strijders aan huisvesting te helpen. In 1924 kwam te Bandoeng het eerste complex woningen gereed, die tegen minimale huurprijs aan de oud-strijders ter beschikking werden gesteld. In 1930 beschikte de vereniging te Mr. Cornelis over nog 52 woningen. Zie Encyclopaedie van Ned.-Indië, 2e druk, VI, p.424.
341De Carpentier Alting Stichting te Batavia is ontstaan uit de in 1902 op initiatief van Ds. A.S. Carpentier Alting opgerichte Stichting ‘Hoogere Burgerschool en Pensionaat voor meisjes’. In 1930 beheerde de Carpentier Alting Stichting een lyceum, een 5-jarige meisjes h.b.s., een 3-jarige meisjes h.b.s., een kweekschool voor onderwijzeressen, een lagere meisjesschool, een lagere jongensschool, twee gemengde lagere scholen en een pensionaat voor meisjes. Zie Encyclopaedie van Ned. Indië, 2e druk, VI, p.76 en Gedenkboek van de Carpentier Alting Stichting 1902-1927.
342De reserve eerste luitenant der rijdende artillerie J.A. de Jonge was m.i.v. 24 aug. 1932 benoemd tot adjudant in buitengewone dienst van de gouv. gen.
354In 1926 werd door de overheid aan het Indo Europeesch Verbond ± 3600 bouw aan de voet van de Tanganoes in de onderafd. Telokbetong van de residentie Lampongsche districten verhuurd voor de vestiging van een landbouw-nederzetting voor Indo-Europeanen. In deze nederzetting, de Giesting gedoopt, waren in 1933 31 kolonisten gevestigd, waarvan 22 gehuwd, die ongeveer 360 bouw hadden ontgonnen en voornamelijk met koffie beplant. Deze kolonisatie kon niet als een succes worden beschouwd. Zie Encyclopaedie van Ned. Indië, ze druk, VII, p. 180 en J. Winsemius, Nieuw-Guinee als kolonisatiegebied voor Europeanen en voor Indo-Europeanen, diss. Amsterdam 1936, p.243.
356In Gedong Tataän, een gebied in de onderafd. Telokbetong van de residentie Lampongsche districten werd sedert 1905 een proef genomen met Javanen-kolonisatie. Zie J. van der Zwaal, De Javanen kolonie's Gedong Tataan en Wonosobo in de Lampongsche districten, Koloniaal Tijdschrift 1936, p.201 e.v.
358Het kleine vulkanische eiland Krakatau in Straat Soenda kwam, na 200 jaar rust, tot een hevige eruptie op 26 aug. 1883, die tot 28 aug. voortduurde en grote verwoestingen aanrichtte door het oplopen van de zee aan de kusten van Bantam, Batavia en Telokbetong.
359Zie over deze en de andere Javanen-kolonisaties ook: H.R. Rookmaaker, De Javanen kolonisaties in de Lampongsche districten, Koloniale Studiën 1937, p. 411 e.v.
362De notulen van de regentenconferenties-1933 (Midden-Java 21 okt., Oost-Java 23 okt. en West-Java 14 nov.) bevinden zich in het K.A. Vb. 20 april 1934 no. 12.
364Een conditie instellen is een nu verouderde uitdrukking voor een dronk aan iemands (goede) conditie wijden, een heildronk instellen.
365Kratondansen, die als een sacrale ceremonie bij bijzondere gebeurtenissen door hofdanseressen (serimpi) werden uitgevoerd.
367De wd. resident van Djokjakarta H.A. van Loghem.
368St. Petrus-Canisius-seminarie onder leiding van pater H. Muller.
370Woning van de wedana (districtshoofd).
373Het vulkanologisch onderzoek, dat onder de Dienst van de mijnbouw ressorteerde, is niet aan de bezuiniging ten offer gevallen.
375R.A.A. Danoesoegondo. Zie p. 199 noot 362.
376In Magelang was één van de vier in Indië bestaande krankzinnigengestichten gevestigd.
379R.A.A. Soerio Adiningrat. Zie p. 199 noot 362.
380Op de eerste jaarvergadering van de Persatoean Bangsa Indonesia in 1932 werd tot oprichting van de Roekoen Tani, coöperatieve boerenbonden besloten mede om de moeilijkheden, die de crisisomstandigheden voor de tani met zich brachten, het hoofd te bieden. Zie Dr. J.M. Pluvier, Overzicht van de ontwikkeling der nationalistische beweging in Indonesië in de jaren 1930 tot 1942, 's-Gravenhage, Bandung 1953, p.99.
383R.A. Hoesein Djajadiningrat, De magische achtergrond van de maleische pantoen, Batavia-C. 1933.
384H.J. van Mook, De organisatie van de Indische regeering, Batavia-C. 1932. Zie over dit artikel ook: Prof. Mr. J.J. Schrieke, Op weg naar een ‘Indische’ regeering, Koloniale Studiën, 1937, p.451 e.v.
385Vgl. Colijn aan De Jonge, 1 jan. 1934 (particulier): ‘- - Vanmorgen kreeg ik een particulier briefje van Marchant, die mij zijn moeielijkheden bloot legde in zake vervulling vacature van Vollenhoven.
Men zegt, dat alleen Logemann de beide vakken van v. Vollenhoven kan geven, en dat er anders gesplitst moet worden. Tegen die splitsing is groot bezwaar omdat we elders sterk concentreeren (in de theol. en litt. faculteiten worden b.v. Hebreeuws en exegese O.T. saamgevoegd).
Voor zoover mij bekend (uit een Anetatelegram) heeft Logemann zijn bereidwilligheid om naar Leiden te gaan afhankelijk gemaakt van zijn vervanging a/d rechtshoogeschool door van Mook. Of dit juist is, weet ik niet. Als het juist is, schijnt me dit nog al zonderling.
Intusschen verzocht Marchant mij om U telegrafisch te verzoeken een oplossing te willen helpen bevorderen ‘door in overleg met Logemann in diens vervanging te voorzien op eene wijze waarbij hij (Logemann) zich kan neerleggen, omdat dit het eenige middel schijnt waardoor de stagnatie in de opleiding te Leiden kan worden beëindigd.
Voor telegrafische behandeling leek dit mij niet geschikt. Vandaar dat ik U dit verzoek per luchtpost overbreng. Zelf voel ik in Logemann's eisch iets van “afdreiging”. Aan den anderen kant komt “Leiden in last”.
Ik heb het verzoek aan U overgebracht en laat de beslissing aan U over. Zal echter gaarne telegrafisch die beslissing vernemen.’
De Jonge aan Colijn, 29 jan. 1934 (particulier, minuut): ‘- - De zaak Logemannv. Mook, waarover Uw collega Marchant U heeft gesproken, is hopeloos; v. Mook als hoogleeraar in staatsrecht lijkt mij uitgesloten. Daarover kan ik nu zelf ook oordeelen. Om Logemann tegemoet te komen heb ik hem na Uw schrijven nog doen aanbieden zijn plaats aan den tegenw. Dir. v. Justitie, Schrieke, te geven, een man van erkende bekwaamheid en van Logemann's richting. Het antwoord was afwijzend: òf v. Mook, òf ik blijf. Een impertinent antw., hetwelk mij overigens koel laat, omdat Logemann bekwaam is en ik tegen zijn aanblijven geenerlei bezwaar heb. Ik kan derhalve den Heer Marchant niet uit de moeilijkheden helpen. Een telegram in dien zin gaat heden af.’
*Zie brief Colijn van 18 November en mijn antwoord van 4 Dec. '33.
386Zie Brieven, no's 15 en 18.
387Van Mook verliet Indië op 7 maart 1942, in opdracht van gouv. gen. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, ten einde zich ter beschikking te stellen van de Nederlandse regering om in het buitenland in het belang van het koninkrijk in het bijzonder van Ned. Indië werkzaam te zijn. Zie Dr. H.J. van Mook, Indonesië, Nederland en de wereld, Amsterdam 1949, p.28.
388Van Mook was minister van koloniën van 25 mei 1942 tot 23 febr. 1945; Kerstens was minister van handel, nijverheid en scheepvaart en van landbouw en visserij van 8 jan. 1942 tot 31 mei 1944.
390De Jonge's antwoord van 27 aug. waarnaar wordt verwezen in de aanhef van Colijn's brief van 17 sept. 1933, werd niet aangetroffen.
391Het begin van deze brief tot het geciteerde gedeelte luidt: ‘Daar ik de volgende week zeer bezet ben door besprekingen met de gemeente Rotterdam en met den nieuw benoemden Gouverneur van Suriname en ik 25 September naar Londen moet voor een bespreking met Mac Donald, om daarna in Genève met de delegaties der goudlanden te overleggen, maak ik van dezen Zondagavond gebruik om Uw brief van 27 Augustus te beantwoorden.
Eerst dan een woord van hartelijken dank - niet het minst namens mijn vrouw - voor het prachtig stuk Vorstenlandsch zilverwerk, dat wij ontvingen. Het is vergelijkbaar met het beste handwerk hier en in Denemarken.
Uw brief zelf geeft niet veel aanleiding tot opmerkingen. Alleen één passus geeft mij nog iets in de pen. Het zijn de woorden: “ afbraak is zelfmoord en daartoe kunnen we altijd nog overgaan.”
Deze gedachte is m.i. veel te optimistisch. Ik zou zeggen: afbraak nu is zelfbehoud. Omdat zij voorkomt, dat men later nog veel meer zou moeten afbreken, dan wanneer men het nu op gematigde wijze doet. Bovendien kan er meeningsverschil bestaan over het woord afbraak. Wanneer men van een Haagsche woning uit het eind der vorige eeuw alle torentjes, balconnetjes, erkers etc. afbreekt, dan blijft het huis nog heel goed bewoonbaar.
Men heeft in Indië te veel gespecialiseerd. Voor alles en nog wat afzonderlijke diensten in het leven geroepen. Aan het Europeesch bestuur is veel ontnomen en opgedragen aan andere diensten, dat nu weer naar dat bestuur terug zal moeten. Ook elders vindt men uitbreiding waar inkrimping op hare plaats ware geweest. Zoo is het toezicht op de gemeenteraden en regentschapsraden overgedragen aan de Provincie. Nochtans is het Decentralisatiekantoor uitgebreid.
Zoo worden, ben ik wel ingelicht, de belastingverordeningen van de locale lichamen nagezien door Decentralisatie èn Alg. secretarie. Als ge er nog een derde en vierde instantie aan toevoegt krijgt ge ook een derde en vierde dikke nota. Ieder ambtenaar toont gaarne hoe bekwaam hij is en moet dus vele dagen arbeids zoek maken aan critiek. Eén instantie van critiek is meer dan genoeg.’
392M.H.C. Vreede, gedeputeerde van de provincie West-Java.
394Onder gouv. gen. Idenburg werd, blijkens een bekendmaking in de Javasche Courant van 22 aug. 1913 no.67, het beginsel aanvaard om bij het bekleden van gelijke betrekkingen en het voldoen aan gelijke voorwaarden voor benoembaarheid van Europeanen, inlanders en vreemde oosterlingen gelijke bezoldiging toe te kennen. Dit beginsel was ook een van de grondslagen voor het Indisch bezoldigingsstelsel, zoals dat met Koninklijke machtiging werd vastgesteld bij G.B. van 14 jan. 1925. Ind. Stbl. no.53.
395Op 5 nov. 1933 seinde de gouv. gen. aan de minister van koloniën: ‘... Indoraad acht standpunt vermindering schuldenlast alleen door conversie en aflossing zeer bedenkelijk wegens te vreezen politieke economische gevolgen. Indien dat standpunt echter vooralsnog moet gehandhaafd is elke bespreking reëele schuldaantasting uiteraard ongewenscht doch wordt tevens opstelling bezuinigingsplan dat evenwichtig budget in uitzicht stelt uitgesloten...’
Minister Colijn formuleerde zijn reactie in het volgende ontwerp telegram, dat echter niet werd verzonden: ‘Ben pijnlijk getroffen door standpunt Indoraad met betrekking schuldenlast. Geeft blijk van ongelooflijk gemis inzicht gevolgen voor crediet Indië en moederland beide. Stel op zulke beschouwingen geen prijs. Failleeren komt alleen aan orde indien laatste stuiver bezuiniging binnengehaald is.’ (K.A. Vb. 15 nov. 1933 Lt. G27).
396De door De Jonge hier niet geciteerde zin luidt: ‘Ik behoef wel niet te zeggen, dat zulk een advies voor mij het papier niet waard is waarop het geschreven werd.’ In de Indische brief van 15 nov. 1933 Lt. G 27/1 no. 166, geheim, waarin Colijn's officiële reactie op de suggestie van de raad van Indië is vervat komt over de hierbedoelde informaties van de beurs het volgende voor: ‘Het feit alleen, dat zulke plannen in den boezem der Indische Regeering werden overwogen, is reeds van schadelijken invloed gebleken op de in de beurskoersen der Nederlandsche en Indische obligaties tot uiting komende waardeering van dat crediet. Het in “De Telegraaf” van 29 September j.l. (Avondblad) verschenen verslag van een onderhoud van den heer Meijer Ranneft met Prof.(J.G.) Sleeswijk, waarin niet onduidelijk gezinspeeld werd op een ingrijpen in de Indische schuldverplichtingen, miste zijn uitwerking op de Beurs niet en vormde een der factoren van het minder welslagen van de jongste Nederlandsche leening. Dat het vertrouwen sedert nog niet geheel is teruggekeerd, blijkt wel uit het feit, dat op den dag zelf, dat Uw onderhavig telegram mij bereikte het Hoofd der 2de Afdeeling
van mijn Departement van drie verschillende zijden uit Amsterdamsche beurskringen werd opgebeld met de vraag, of de geruchten, die in verband met een sterke verkoopbeweging in Indische obligaties opnieuw ter beurze rondgingen omtrent een moratorium, waartoe de Indische Regeering besloten zou hebben, een grond van waarheid behelsden.
Uwe Excellentie zal mij moeten toegeven, dat dit in hooge mate te betreuren is. Nog niet genoeg wordt blijkbaar door Uw verantwoordelijke adviseurs de draagwijdte beseft van hun opvattingen en inzichten omtrent de voor Indië meest wensehelijke financieele en monetaire politiek, terwijl zij daarbij in casu geheel voorbij zagen, dat deze politiek in de gegeven omstandigheden zich niet kan en niet mag bewegen in een richting tegenstrijdig met de beginselen van financieel beleid, die de Nederlandsche Regeering zich tot richtsnoer gesteld heeft ter handhaving van het crediet van het moederland, welk crediet Indië voor veel grooter onheil behoed heeft dan het tot dusver ten deel werd.’
397Hierna eindigde de brief: ‘Natuurlijk zullen zich in de komende 4 à 5 jaren de dingen wel “zetten” en zullen daaruit nieuwe evenwichtstoestanden geboren worden, maar ijdel is de hoop, dat we dra weer een inkomstenniveau boven 300 millioen zullen krijgen. En zou dit ongedacht wèl zoo zijn, dan eerst Indië van den loodzwaren schuldenlast bevrijden alvorens één cent ook maar wordt uitgegeven.’
398Handel. Volksraad 1932-1933, aanhangsel p. 69. Zie p. 421 noot 37.
399Brieven, no's 16 en 17.
401Zie Ten geleide p. XVI.
*In feite ƒ 393 mill., welk bedrag verminderd werd met ƒ 9 mill. door invoering salarisherziening en ƒ 7 mill. door pensioenkorting.
402Hoofdredacteur W. Belonje.
403In zijn nummer van 10 nov. 1933 memoreerde het blad dat deze bijdrage van een medewerker afkomstig was.
407A.D.A. de Kat Angelino.
408Bij G.B. van 20 febr. 1929 no.2x werd een commissie ingesteld onder voorzitterschap van Mr. M.A.G. Harthoorn ter voorbereiding van een algemene verordening als bedoeld in art. 33 I.S. inzake de staat van oorlog of beleg. Eerst in 1939 werd de uit 1904 daterende regeling ( Ind. Stbl. no. 372) die laatstelijk in 1922 was gewijzigd ( Ind. Stbl. no. 506), vervangen door een nieuwe ‘Regeling op den staat van oorlog en van beleg’ ( Ind. Stbl. 1939 no. 582).
409Een ontwerp van een zodanige ordonnantie heeft de Volksraad niet bereikt.
410Zie Bijlagen T.K. 1932-1933, 4, 55, p.281.
411Bij de schriftelijke behandeling door de Eerste Kamer van de I.B. voor 1933 werd gevraagd of bij de bezuiniging in Indië wel volgens een vast plan werd te
werk gegaan. Bijlagen E.K. 1932-1933, 4, p. 2-3. Vgl. p.226 noot 431.
413In het G.B. van 6 nov. 1933 no. 1 Z werd geconstateerd dat, in het artikel ‘Spanningen’ in de Indische Courant van 24 okt. 1933 ‘naar aanleiding van door de overheid getroffen maatregelen uitlatingen worden gebezigd als “hondsch brutale sabotage der imperatieve bepalingen” en “tartende uitdagingen aan het adres der samenleving”; dat ook overigens het artikel, al kent het zichzelf de strekking toe van een “aller ernstigste waarschuwing aan de regeering” een verdachtmakend en ophitsend effect moet hebben; dat uitlatingen in de pers van dezen aard, vooral in tijden als deze, waarin de regeering zich genoodzaakt ziet, diep ingrijpende maatregelen te nemen, schadelijk moeten worden geacht voor de Openbare orde; weshalve is goed gevonden en verstaan, als periodiek verschijnend drukwerk, welker verschijning tijdelijk kan worden verboden, aan te wijzen: “De Indische Courant” te Soerabaja.’
418In aug. 1931 werd een plan bekend van de regering te Ceylon voor bespreking van de rubberkwestie met vertegenwoordigers van Ned. Indië en Malakka. Het plan beoogde de invoering van een uitvoerrecht op rubber (ondernemings- en bevolkingsrubber) met het doel de rubberprijs te kunnen regelen. Van de opbrengst van deze nieuwe belasting zou de regering rubber aankopen, die voor allerlei doeleinden, maar niet voor concurrerende verkoop op de wereldmarkten zou mogen worden gebruikt. De overtollige rubber zou worden vernietigd.
Tijdens de op 21 jan. 1934 gehouden rubberconferentie (zie p.280) memoreerde De Jonge blijkens de notulen van deze bijeenkomst ‘hoe hij, toen hij naar Indië kwam, kort vóór Colombo een telegram ontving, waarin om een onderhoud met eenige heeren te Colombo werd verzocht aangaande het rubbervraagstuk, en welk een misnoegen het door hem gegeven afwijzend antwoord verwekte.’ Hij voegde hieraan toe: ‘Niettemin bleek dit standpunt achteraf toch inderdaad verstandig te zijn geweest, want niemand wist wat er moest geschieden en in Indië aangekomen had (hij) spoedig den zeer positieven indruk, dat de tijd voor regeling van deze materie nog niet rijp was. Pas in het najaar van 1933 kreeg men meer vasten grond onder de voeten,...’
419Op 20 maart 1932 gaven de Britse en Nederlandse regeringen een communiqué uit, waarin werd medegedeeld dat beide regeringen zich genoopt zagen te concluderen ‘dat het onder de huidige omstandigheden niet mogelijk is een internationaal plan te ontwerpen en uit te voeren, waardoor een doeltreffende regeling van de productie of den export van rubber zou worden gewaarborgd.’
420Na de mislukte onderhandelingen tussen de Nederlandse en Britse regering stelden de besturen van de Internationale Vereeniging voor Rubber- en andere cultures in Ned. Indië en de Rubber Growers Association te Londen onderhandelingscommissies in die omstreeks aug. 1933 tot overeenstemming kwamen over een rubberrestrictieplan. Bij geheime
missive van 15 aug. 1933 Lt. Y 19 vroeg minister Colijn de mening van de Indische regering over dit plan, dat beoogde de restrictie op 1 jan. 1934 te doen ingaan en voor 5 jaren te doen gelden. De rubberrestrictie zou niet alleen een beperking van de uitvoer van rubber omvatten, maar ook een verbod van aanplant en van vervanging van rubberbomen; de uitvoer zou voor het jaar 1934 worden beperkt tot de volgende hoeveelheden: uit de Britse koloniën 345.000 ton, uit Ned. Indië 195.000 ton, uit Indo-China 12.500 ton en uit Siam 7.000 ton. Wat Ned. Indië betreft waren het uitvoerquotum voor 1934 en de productie taxaties voor de volgende jaren zodanig berekend dat aan de bevolkingsrubber ten aanzien van de rubberuitvoer een positie was verzekerd gelijkstaande aan 71,5% van het belang van de Europese rubberondernemingen. Minister Colijn had ten aanzien van dat verhoudingscijfer een reserve gemaakt omdat hij hierover het advies van de Indische regering wenste te vernemen. Colijn achtte het gewenst dat met het oog op de ‘aan deze zaak verbonden groote financieele en economische belangen’, de regering aan de verdere procedure leiding zou geven en dat zou moeten worden aangestuurd op de totstandkoming van een ‘kort arrangement’ tussen de Britse, Nederlandse, Franse en Siamese regeringen, waarin alleen de hoofdzaken der restrictie werden vastgesteld (tijdsduur, basisquota en restrictie percentage), zodat aan de genoemde regeringen zou worden overgelaten om elk voor zich de wijze te bepalen, waarop de restrictie zou worden tot stand gebracht.
421Zie voor deze rubberrestrictieregeling in de Britse koloniën Henri Tard, Economie & Politique du Caoutchouc, Paris 1928.
423In een advies van het hoofd van de afd. landbouweconomie van het dept. van landbouw, nijverheid en handel, A. Luytjes van 27 jan. 1932 (K.A. Vb. 28 jan. 1932 Lt. P1) wordt aangetoond, dat vanaf de invoering van het restrictie schema-Stevenson ‘de productiecapaciteit van de cultures de normaal te verwachten consumptie in stijgende mate overtreft’. De toestand van de rubbercultuur was, volgens dit advies ‘uiterst bedenkelijk’: ‘Naast de potentieele overproductie, die de cultures reeds vanaf 1921 kenmerkt, treden in den laatsten tijd twee factoren op, die de situatie in hevige mate verergeren, nl. de door de wereldcrisis teweeggebrachte onderconsumptie en de taaiheid, waarmede
de ondernemingen de productie blijven voortzetten, waardoor een voldoende saneering van den toestand uitblijft.’
424De Jonge betoogde hier; ‘Het aandeel van de bevolking was in 1929 71½%. In dit jaar was de uitvoer van ondernemingsrubber 154.000 ton en van de bevolking 108.000 ton. De vraag is of nu deze verhoudingsbasis blijvend moet worden aangenomen. Bij de overweging hiervan moet niet te veel waarde gehecht worden aan beschouwingen over de “potentieele” productie. Deze is geheel onbekend zoowel t.a.v. de bevolkings- als van de ondernemingsrubber.
Zijne Excellentie wil thans nagaan, in hoeverre de verhouding 100:71,5 voor de ondernemings- en bevolkingsrubber nog bruikbaar is. De bevolkingsrubberuitvoer varieert sterk; er zijn maanden geweest van 3000 ton, terwijl de export de laatste maanden is gestegen tot ongeveer 12.000 ton. De bevolkingsrubbercultuur is te beschouwen als een nauwkeurige thermometer voor de economische productiviteit. Als deze opvatting juist is, dan is op het cijfer van 12.000 ton af te gaan als de reëele capaciteit van den uitvoer bij de thans geldende prijzen.
Bij de ondernemingsrubber ziet men in tegenstelling met de cijfers van de bevolkingsrubber vrij stabiele hoeveelheden tot uitvoer komen. De verklaring hiervan ligt voor de hand. De ondernemingscultuur kan niet zoo snel reageeren nòch op prijsdaling nòch op prijsstijging. Een eenmaal gesloten onderneming kan niet maar zoo op korten termijn weer in productie worden gebracht. Er is dus ten aanzien van de ondernemingsrubber een stabiliseerende factor aanwezig, waarmede rekening moet worden gehouden. Men kan niet zeggen dat de potentieele capaciteit verminderd is. Men mag ongetwijfeld aannemen, dat de capaciteit van de ondernemingscultuur in dezelfde verhouding is toegenomen als die van de bevolkingscultuur. Deze laatste nam van ± 9000 ton p.m. in 1929 toe tot ± 12.000 ton thans d.w.z. in de verhouding 3:4.
Past men dezelfde verhouding toe op de ondernemingen en komt men aldus tot een stijging van 154.000 ton in 1929 op 200.000 ton in 1934, dan gaat men zuiver te werk en stelt men zich op een eerlijke basis. Men komt dan weer voor ondernemings- en bevolkingsrubber op een verhouding van 100:71,5.
Te meer klemt dit betoog, omdat de door het Stevenson-schema sterk gestimuleerde aanplant van de jaren 1922-1928 de verhouding blijkbaar niet heeft verbroken.
Als die verhouding alsnog verstoord zou raken, dan zou dit geschieden door den aanplant welke na 1929 in den grond is gebracht, en deze moet het risico dan maar dragen van te zijn uitgebreid in een tijdvak van sterk dalende prijzen.
Het is bovendien van groot belang deze verhouding te aanvaarden, omdat de ondernemingen zich tegen een andere met kracht zouden verzetten en een geringe verandering de moeite van een hevigen strijd niet waard is. Te meer niet, omdat hierin niet de hoofdzaak is gelegen van het bevolkingsbelang. Het hoofdpunt voor de bevolking ziet Zijne Excellentie, zooals reeds naar voren werd gebracht, in de prijsregeling en Zij heeft met genoegen gezien, dat ook de Raad tot dit resultaat is gekomen. Als men dit punt toegegeven krijgt is de grootte van het percentage van secundair belang.’
426Jhr. B.C.C.M.M. van Suchtelen, Neerlands nieuwe Eereschuld aan Indië, Hilversum 1939. Zie ook p.281 en 370.
431In zijn particuliere brief aan De Jonge van 1 jan. 1934 schreef Colijn hierover: ‘Zooals ge uit mijne rede in de Tweede Kamer, maar vooral in de Eerste Kamer (Pensioenkorting), zult hebben gezien, heb ik de bedillers, die het doen voorkomen alsof er in Indië nog zoowat niets geschied ware, behoorlijk afgestraft. Van de verdediging van dit ontwerp heb ik veel genoegen beleefd. Het heeft ook de positie van het Kabinet versterkt, doordat de aanvallen van Aalberse en De Geer zoo volkomen mislukt zijn. De Geer kreeg slechts 3 van zijn fractie van 10 man en Aalberse 8 van de 28.’
Het ontwerp van de wet op de pensioenkorting ( Ind. Stbl. 1933 no.562) werd op 23 okt. 1933 bij de Tweede Kamer ingediend. Bijlagen T.K. 1933-1934, 202. Het werd op 7 dec. met 56 tegen 33 stemmen aangenomen. Zie voor de critiek van De Geer en van Aalberse en het antwoord daarop van minister Colijn: Handel. T.K. 1933-1934, p.818 en 870 (De Geer), p.814 en 873 (Aalberse) en p.843 en 885. Het wetsontwerp werd door de Eerste Kamer op 28 dec. 1933 aangenomen met 29 tegen 9 stemmen. Colijn noemde de bezuiniging in Indië ‘groot werk’, waarvoor hij ‘niets dan lof’ had. Handel. E.K. 1933-1934, p. 126.
432De Fokker F-12 PH-AIH ‘Pelikaan’ (gezagvoerder I.W. Smirnoff) van de Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V. volbracht de vlucht Amsterdam-Batavia in 100 uur 35 min. en de terugvlucht in 100 uur 25 min. De normale reistijd voor dit traject was volgens de K.L.M.-dienstregeling 9 dagen heen en 9 dagen terug
|
|