terug  begin  verderprepost
[p. 38]

1920

‘Het Getuigenis’ van de Gereformeerde Synode tegen de boze wereld

In de Gereformeerde Kerken woelt een vernieuwingsdrang. Men wil bij de tijd blijven. Maar hoe móet dat?

Hoopvolle ogen zijn gericht op de Noorderkerk in Leeuwarden, waar sterke mannenhanden in hoefijzervorm een rij tafels voor de preekstoel opstellen. Ernstige mannen in zwarte pakken en hoge witgesteven boorden nemen achter die tafels plaats. De synode vergadert. De mannen zijn zich bewust dat er na de wereldoorlog andere tijden zijn aangebroken. Conservatisme is fout, zeggen ze tot elkaar. ‘Valsch conservatisme’ althans, zo voegen ze er verduidelijkend aan toe.

Er worden vele studie-commissies benoemd.

De Leeuwarder Kerkbode schrijft:

Wij moeten vooruit. Maar wij willen daarbij niet ons eigen karakter verliezen. Wij willen vooruit, maar wij willen als Gereformeerden vooruit.

En daarom wordt Ds. Netelenbos als dominee afgezet. Niet ‘gereformeerd’ genoeg. Te ethisch. Hij heeft in een hervormde kerk gepreekt. Zijn christenzijn wordt niet betwist. Hoe kómt men daarbij? Buiten de gereformeerde kerken is best zaligheid. Maar ‘ethischen’ horen er niet in. Hoofdschuddend schrijft de Leeuwarder Kerkbode over Ds. Netelenbos:

Hij had als verstandig mensch zelf moeten begrijpen dat dit niet ging. Dan had hij zichzelf en onzen kerken heel wat onaangenaamheden en onnoodige moeite bespaard.

Niet ‘gereformeerd’ genoeg is ook de Nederlandsche Christen Studenten Vereeniging (NCSV). Met de woorden van Ds. J.C. de Moor ontraadt de synode het lidmaatschap van deze organisatie ‘ten zeerste’ aan gereformeerde studenten.

Nog meer gevaren bedreigen de gereformeerde kerken, de gereformeerde leer en de gereformeerde zede. De synode besluit om een ‘getuigenis’ te doen uitgaan naar alle kerken in het land, waarin op de zonden van de wereld wordt gewezen en waarin de hoop wordt uitgesproken,

... dat wij onszelven onbesmet zullen bewaren van de wereld en van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid.

Gewaarschuwd wordt tegen de ‘schandelijke praktijken’ van het Neo-Malthusianisme. En gewezen wordt op de gevaren van toneel, dans en kaartspel.

De bejaarde Prof. Herman Bavinck wordt het te bar. Hij wraakt de enghartigheid in dit alles. Hij vraagt zijn mede-synodeleden of dáár nu ‘het’ kwaad in schuilt. Hij wil graag weten waarom er in het getuigenis met geen

[p. 39]

woord wordt gerept over zoveel andere zonden, zoals het maken van woekerwinsten in de crisisjaren. Maar het stuk gaat uit.

Zondagochtend 3 oktober leest de Amsterdamse predikant Ds. J.G. Geelkerken het voor in de ochtenddienst. Van de kansel, zoals de synode het gewild had. Maar in zijn preek roept hij uit:

Het is jammerlijk eenzijdig om in onzen dag de wereld, de menschheid niet anders te zien dan als een samenknoopsel van enkel dwaling en ketterij, leerverbastering en sectewezen, afval in het belijden en afwijking in den wandel, goddeloosheid en onzedelijkheid, vijandschap en zinnenlust, ongodisterij en opstandigheid. Nog eens, het is een jammerlijk eenzijdige visie op onzen tegenwoordigen toestand.


illustratie
De toneelspelers staken voor hogere gages. Jordaan tekent in De Notenkraker (socialistisch) van 10 januari 1920 deze prent.

Bewogen wijst de predikant op de onmacht en de onvruchtbaarheid van het synodale ‘Getuigenis’. Het is een halve waarheid, roept hij, en niets is bedenkelijker en gevaarlijker dan zulk een waarheid.

Het is doodstil in de kerk. Kán dat zomaar? Mag een predikant op de kansel een synodestuk bestrijden? De dominee op de preekstoel klaagt over het zout, dat smakeloos is geworden, over de zuurdesem, die niet meer gist en over een geslacht dat nergens door kan uitgaan dan door bidden en vasten. Hij spreekt over de machteloosheid van de discipelen bij de ‘maanzieke knaap’. En hij wijst tenslotte op de eis van Gods Woord.

Want die eisch is niet alleen om ‘te waken en te strijden’ tegen afdoling in belijdenis of wandel binnen eigen kring. Die eisch is ook niet alleen om onszelven en de onzen ‘onbesmet te bewaren van de wereld’. Die eisch is zelfs niet alleen, om ‘aan eene wereld vol zonde en ellende ... te verkondigen de deugden van Hem, die ons uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonder-
[p. 40]
baar licht, de groote liefde Gods in Christus Jezus ons bewezen’. Neen, tot die eischen van Gods Woord behoort ook deze: het woord te hooren en te doen dat Christus eens sprak ten opzichte van dien maanzieken jongen, dat Hij nog spreekt tot Zijn Kerk ten opzichte van een in Satans greep gebonden en dood-kranke wereld, een menschheid bezeten en in zwaar lijden; dit woord: Brengt haar Mij hier.

En de gemeente zingt: ‘Gedenk niet meer aan 't kwaad dat wij bedreven.’ Thuis bij de koffie-met-koek zeggen sommigen: ‘Als hij daar maar geen last mee krijgt. Tegen de synode preken.’ Maar anderen zeggen: ‘Hij heeft gelijk: De kerk is er voor de wereld.’

Prof. J. Ridderbos te Kampen spreekt in een brochure als zijn stellige overtuiging uit:

... dat de daad van Ds. Geelkerken met Gods Woord in lijnrechten strijd is en daarom niet anders dan onvoorwaardelijke afkeuring verdient.

Maar Dr. B. Wielenga oordeelt in De Reformatie deze predikatie zuiver naar het Woord en hij vindt de gemeente van de Amsterdamse Overtoom te benijden, dat zij zulke getrouwe en moedige leraars bezit.

De grote klokkenist is dood

Nu luiden de klokken in Nederland.
Daar luiden er van de torens der kerken, eenvoudige kerkjes voor het meerendeel, waar stijve rechte menschen binnengaan met strakke gezichten om te luisteren naar strakke leeringen en hun zielen te laven aan den koelen klank der loutere psalmen. Dat zijn de klokken van den rouw. Van Kuyper's kleine luyden om des grooten Kuyper's dood...

Zo begint in het Algemeen Handelsblad van 9 november 1920 het artikel bij het overlijden van Dr. Abraham Kuyper. Maandagavond 8 november tussen zes en zeven uur stierf hij in zijn woning aan de Kanaalstraat in Den Haag. De voorpagina van De Standaard is die week gevat in een brede zware rouwrand. Zijn redacteur R.C. Verweyck vertelt over Kuypers laatste dagen. ‘Ons belijdend volk leefde mee aan deze sponde en ik mocht dan ook deze dingen niet voor mij houden’. Zondagavond nog was Verweyck in Kuypers woning. De zieke kon reeds niet meer spreken.

Des avonds te ongeveer 7 uur bemerkte men, dat hij iets begeerde, en toen men hem vroeg of hij wellicht zijn kinderen om zich heen wilde zien, knikte hij bevestigend. Zijn zonen en dochters betraden toen de ziekenkamer en daar nam hij met een kus afscheid van allen.
't Was een ontroerend oogenblik.
Even daarna wenschte hij den heer en mevrouw Idenburg te zien...
... Met betraande oogen zagen wij allen op hem; niemand die eenige oogenblikken de ontroerende stilte verbrak; de zieke hijgde zwaar en lag overigens rustig met gesloten oogen te wachten. Zijn hoofd zonk een weinig op de borst; zijn handen bewogen zich.
Een zijner dochters boog zich over hem heen en vroeg: ‘Vader, zullen we bidden?’ Hij sloeg de oogen op en knikte bevestigend.
Wat nu volgde kan ik moeilijk onder woorden brengen. Het ziekbed was
[p. 41]
omringd door allen, die er bij tegenwoordig konden zijn en we waren allen diep ontroerd, toen de heer Idenburg zoo kinderlijk eenvoudig bad of God zijn moegestreden kind een ruimen ingang in zijn Koninkrijk wilde geven en hem het sterven licht maken.
Nimmer zal ik dat uur van heilige ontroering vergeten. Met gebogen hoofd bleven we allen om de sponde staan voor een paar oogenblikken en verlieten toen diep onder den indruk van dit afscheid de ziekenkamer.

Eén van Kuypers dochters vertelt over dit moment:

Het was alsof de schoenen van de voeten waren gedaan, omdat de plaats waarop zij stonden heilig land was. God was daar.

De volgende dag (maandag) moet Kuyper gevoeld hebben dat zijn einde nu snel naderde. 's Middags om drie uur nam hij bewust afscheid van zijn dochter die hem verpleegd had.

Zij vertelt:

En daarna wendde hij weer het hoofd naar de deur en wenkte met de oogen. Ik vroeg weer: ‘Moet er iemand komen?’
Vader knikte van ja.
Ik noemde weer de namen zijner kinderen. Maar neen, die bedoelde hij blijkbaar niet.
Toen vroeg ik: ‘Moet de heer Idenburg komen?’
Ja, die was het, wien hij verlangde bij zich te hebben.
Ik geloof zeker, dat mijn vader den heer Idenburg heeft willen hebben bij zijn sterven. Voor hemzelf, en ook voor ons, zijne kinderen, die in dat oogenblik zoo heel veel zouden verliezen.
De heer Idenburg, per telefoon geroepen, kwam dadelijk, maar vond mijn vader in sluimerenden toestand. Hij was zoo vriendelijk even te wachten, maar toen de sluimering voorbij was, en ik tot vader zeide, dat de heer Idenburg gekomen was, kreeg ik geen antwoord meer.
Om half vijf zag ik de groote verandering komen, heel langzaam en zachtjes, maar zeker. Ik zeide tot den heer Idenburg: ‘Ik geloof, dat het einde nu daar is, zou U de kinderen even willen roepen?’
Dit deed hij, en weldra stonden wij allen samen geschaard om vaders sterfbed.
Boven het hoofdeinde van het bed hing een schilderij voorstellende de kruisiging van onzen Heiland, door wiens vergoten bloed en gebroken lichaam de dood ook voor mijn vader mocht zijn een doorgang naar het eeuwige leven. Als in de schaduw van dat kruis blies hij om zes uur den laatsten adem uit. Het was als het inslapen van een moe kind, - zoo zacht en zoo vredig. Niemand had gemerkt, wanneer precies het leven was gevloden en de engelen Gods zijn ziel de zalen des eeuwigen lichts hadden binnengedragen...
Toen heeft de heer Idenburg met ons gelezen den aanvang van 2 Corinthe 5: ‘Want wij weten, dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen...’
En daarna zijn wij tezamen nedergeknield, om God te danken, niet alleen
[p. 42]
voor al wat Hij ons had geschonken in zulk een vader, maar ook dat vader, nu verlost van alle zonde en strijd, was opgenomen in Gods heerlijkheid.

Men zegt dat er tienduizend mensen bij Kuypers begrafenis geweest zijn. Er is gerouwd in duizenden huizen, in afgelegen boerderijen en overal langs de straten.

Het Gereformeerd Jongelingsblad van 12 november schrijft:

Ons hart schreit en juicht. Wij kunnen geen woorden vinden om te vertolken, wat in ons binnenste omgaat.

Verslaggevers rapporteren:

't Is bij half twee als de stoet eindelijk kan vertrekken. De mist, die over de straten hing, is ietwat opgetrokken. Maar de zon breekt niet door.
Overal langs den weg staan de menschen langs de trottoirs opgesteld. Als de stoet passeert gaan de hoeden en petten eerbiedig af.
Ergens op een stoep van een statig huis staan twee vrouwtjes met een omslagdoek om. Wie weet hoe ver zij gelopen hebben om de uitvaart van den Meester te zien. En bevende handen brengen de roode zakdoeken, en zij weenen, weenen lang...
Als de stoet de Oranje-Nassau-kazerne voorbij trekt, komt de wacht naar buiten en presenteert het geweer. Daar klinkt het roffelen van de trom. Koninklijke eer!

Studenten van de Vrije Universiteit dragen de kist naar de grafkuil.

Minister Heemskerck spreekt en ook Colijn.

Wie dien band niet ziet tusschen ons eenvoudige Antirevolutionaire volk en Dr. Kuyper, die zal nooit Kuyper kunnen zien, zooals hij geweest is...

Professor Woltjer beklimt het spreekgestoelte en Dr. K. Dijk. Ook Kuypers intiemste en trouwste vriend Idenburg voert het woord:

Er was in Kuypers ziel naast iets machtigs ook iets wonderlijks warms. Wie niet in zijn vertrouwelijkheid werd opgenomen, kon de kracht van zijn geloof ervaren, zijn onversaagden moed waardeeren, zijn sterken wil bewonderen; kon geïmponeerd worden door zijn groote kennis en schitterende talent - maar met dit al toch niet meer dan ten deele hem kennen. Gesloten bleef dan dat teedere in zijn bestaan, waardoor zijn gansche leven werd verwarmd...

Honderden kranten schrijven over Kuypers dood.

Het Nieuws van den Dag, 12 november:

Heden, den dag der begrafenis, trok in onze straten een groep straatmuzikanten de aandacht, die met zich medevoerde een soort rouwobelisk, waarop stond: ‘Aan de nagedachtenis van Dr. A. Kuyper.’
Op elken hoek waar men stilstond, maakte een der mannen met luider stem bekend, dat heden ter eere van den grooten doode, geen andere dan treurmuziek zou worden gespeeld, waarna eenige malen Chopin's treurmarsch werd ten gehoore gebracht...

De Gids, 6 december:

Ook op zijn grafsteen beitele men slechts één woord, en dat is genoeg: Kuyper.
[p. 43]


illustratie
De beroemdste tekening van de socialistische tekenaar Albert Hahn. ‘Géén der vleiende epigonen heeft hem óóit met zulk een volledige omvatting zijner grootheid voor ons opgeheven’, schreef bij Kuypers dood de socialist Kleerekoper over deze prent.



illustratie
De overlijdensadvertentie van Dr. Kuyper in De Standaard van 9 nov. 1920.



illustratie
Advertentie in de Amsterdamsche Kerkbode van 14 november 1920.

[p. 44]

De Haagsche Post, 13 november:

Toen ons blad een jaar of vijf geleden een plebisciet uitschreef, om te weten te komen wie in het oog van ons volk de tien grootste Nederlanders waren, en hoe hun grootheid werd gerangschikt, kwam Dr. Kuyper nummer één op de lijst te staan.

Algemeen Weekblad, 12 november:

Als hij op straat liep, dan waren er op een korte wandeling honderden, die fluisterden dat Kuyper daar ging en die stil bleven staan om hem ná te zien...

De (socialistische) Notenkraker, 13 november (auteur A.B. Kleerekoper):

Hield Hahn van Kuyper? Ja, zonder twijfel! Wie zijn hart gekend heeft, weet dat hij hem anders niet onophoudelijk zou hebben geteekend. En in ‘Abraham de geweldige’, zijn prachtigste Kuyper-prent, leeft een geweldige Abraham. Géén der vleiende epigonen heeft hem óóit met zulk een volledige omvatting zijner grootheid voor ons opgeheven.

De Tribune (communistisch - auteur David Wijnkoop) schrijft op 10 november:

Abraham Kuyper was - en dat zegt niet weinig, maar véél - een staatsman; en hoe ongeloofelijk het onzen kameraden misschien in de ooren klinkt, omdat hij hún man niet was, een volkstribuun bovenal. Hij was de propagandist, de agitator, de organisator, de politicus van een volksklasse, de in het Nederland van het midden van de vorige eeuw door het opkomen van de ‘liberale’ bourgeoisie in de verdrukking geraakte ‘kleine luyden’.

De Beukelaar, 19 november:

In het leven van Dr. Kuyper is een tijd geweest, dat hij meer de kracht van het politiek-sociale beginsel naar voren bracht. Toen hij in den Tak-tijd zijn ‘Christus en de sociale nooden’ schreef, zijn kreet voor sociale rechtvaardigheid liet hooren. Helaas! Die kreet is vergalmd. Het is al meer geworden de groep, de macht van de sterk aaneengesloten groep.

Het Volk (SDAP), 9 november:

Uit de dagen toen hij zich naar het arbeidersvraagstuk keerde, zijn ons uit zijnen mond van de meest striemende woorden tegen het verderfelijk kapitalisme bewaard gebleven die in ons land gesproken zijn, woorden ook van begrip voor het werkelijke, economische, den godsdienst niet rakende wezen van het socialisme - maar het bleven woorden en het moesten woorden blijven, omdat hij, die de leider der kleine burgerij was, niet de leider der arbeiders kón zijn.

De Vrijzinnige Democraat, 13 november (auteur Marchant):

Nu zij, voor wie Kuyper een profeet is geweest, omdat hij hen tot nieuw leven wist te wekken, hem moesten missen, zouden zij de nagedachtenis van den ouden, den besten Kuyper, niet beter kunnen eeren, dan door zich van de afdwaling rekenschap te geven en te trachten, den ouden grondslag weer terug te vinden.

Het Nieuws van den Dag (voor Nederlandsch Indië), 11 november:

Men kan zeggen dat zijn onzinnige pro-Duitsche gezindheid reeds wees op seniele aftakeling; feit is dat het van 1918 af snel met hem grafwaarts ging.
[p. 45]

Reformierte Kirchenzeitung, november:

Kuyper had den moed in zijn Standaard onzen marsch door België begrijpelijk te vinden, ofschoon hij dezen niet billijkte.

Kōlnische Zeitung, 9 november 1920:

Mannhaft ist er, besonders während des Krieges, in seinem Blatte Standaard für Deutschland eingetreten.

De Frankfurter Zeitung merkt op:

Tijdens den oorlog is Kuyper met onverschrokken moed aan de zijde van Duitschland getreden, toen de meerderheid van het Nederlandsche volk een min of meer bedekte vijandschap tegen Duitschland koesterde.

Die Burger (Zuid-Afrika), 12 november:

As Nederlander in kern en been het hy ingesien, dat die Kalvinistiese tak van die Dietse volk, wat hardnekkig hom hier op die suidpunt van Afrika staande gehou het, die voortdurende belangstelling verdien van die Hollandse volk en datvoeling tussen die twee volke nie verbreek mag word nie.

Nieuw Israëlitisch Weekblad, 12 november:

Voorzoover Dr. Kuyper als auteur zijn meening over de Jodenheid heeft gepubliceerd, moet gezegd, dat hij, de man van de groote lijn, die alles in het groot zag, tegenover ons Joden niet overal die breedheid van blik heeft getoond, die zijn vereerders zoo gaarne in hem bewonderen. In zijn standaardwerk ‘Om de Oude Wereldzee’ heeft hij ook het Joodsche probleem behandeld en hierin komen de vooroordeelen, die hij tegenover afstammelingen van de ook door hem vereerde z.g. oud-testamentische figuren, koesterde, aan den dag.

Timotheüs, 13 november (auteur J.N. Voorhoeve):

Zeker, wij waren het in veel niet eens met Dr. Kuyper. Maar is er niet ‘een gemeenschap der heiligen?’ (...) Is het niet waar, dat men met iemand verschillen kan, bedenkingen kan hebben tegen zijn openbaring, twijfel koesteren of zijn daden wel steeds door de hoogste overwegingen werden gestuwd, vragen hebben betreffende zijn woorden en geschriften, zonder te verzuimen God te danken voor de gave, die Hij zoo iemand gaf?

Algemeen Handelsblad, 9 november:

Dus luiden de klokken in Nederland.
Want de man, die langer en sterker dan iemand anders in de vorige eeuw en in deze eeuw, de klokken heeft geluid in het land, met machtige vuisten beukend op 't klavier van het wondere klokkenspel dat de volksgeest is, die ligt nu stil. Voor eeuwig is zijn hand verstijfd.
De klokken luiden - zonder zijn roering.
Kuyper, de groote klokkenist, is dood.

Rumoer om opvoering door VU-studenten van ‘De Tante van Charley’

Het volk-achter-de-VU is geschokt. Toneel aan de Vrije Universiteit!

En dan een stuk, waarbij een man zich in vrouwenkleren dient te steken! Professoren en curatoren van de VU ontvangen boze brieven, waarin publiekelijke afkeuring wordt geëist van de wijze, waarop het studentencorps Nil Desperandum Deo Duce zijn achtste lustrum heeft gevierd.

[p. 46]
... Pretmakerij, of platter, lolmakerij. In dat teeken, zijn wij welingelicht, stond ook de gewraakte opvoering der Heeren Studenten; men wilde lol en grollen, Gereformeerde studenten...

Sommige briefschrijvers wijzen op het tijdstip, waarop de gereformeerde zede is geschonden.

Sta ondergeteekende toe een enkel woord U te doen toekomen in verband met het feit dat studenten onzer VU kort vóór en even ná den dood van haren stichter, onzen beminden Dr. A. Kuyper, dus m.i. van weinig kieschheid en piëteit tegenover hem getuigende, den moed hebben gehad de eer onzer VU met voeten te treden door hun dwaze tooneelvoorstelling, U wel bekend. Voortdurend blijft deze zaak een onderwerp van bespreking, be- en veroordeeling door hen, die onze VU liefhebben én die haar gram zijn...

Curatoren en professoren zijn geërgerd en geprikkeld. Ze hebben geen zin om zich belachelijk te maken met een publieke veroordeling van de studenten. Ze willen ook geen last met het volk-achter-de-VU.

Wat is er dan gebeurd?

Donderdag 21 oktober om half drie 's middags gaat in gebouw ‘Bellevue’ het doek op tijdens het lustrumfeest voor de opvoering van de uit het Engels vertaalde klucht ‘De Tante van Charley’.



illustratie



illustratie
Buitenkant programma en rolverdeling van het omstreden toneelstuk ‘De Tante van Charley’, dat door de lustrumvierende VU-studenten werd opgevoerd.

[p. 47]

Vlak vóór de opvoering zijn er al even moeilijkheden geweest. Een vooraanstaand gereformeerd predikant, Dr. J.C. de Moor, heeft mede namens een aantal andere reünisten gedreigd, dat hij niet aan de lustrumviering zou meedoen wanneer ‘De Tante’ op het programma blijft.

Paniek bij de senaat van het studentencorps. Een van de leden, J.J. Buskes (fiscus), wordt naar Prof. Geesink (hoogleraar in de ethiek) gestuurd om zedekundige bijstand. Buskes vertelt daarover het volgende: De gehele woensdagavond kijkt de hoogleraar na hoe de calvinisten in de loop der eeuwen tegenover de travesti hebben gestaan.

In een bijeenkomst donderdagmorgen brengt hij er een somber verslag van uit. Alle calvinisten waren tegen de travesti. Verslagen horen de studenten toe. ‘Maar,’ zo eindigt Prof. Geesink zijn beschouwing, terwijl hij beslist op de reeds gloriërende De Moor afstapt: ‘verder geen gesodemieter; vanmiddag gaat het door.’

En zo gaat enkele uren later het doek op voor een zotte klucht, waarin rijke Oxfordse studenten dwaze grappen uithalen.

De zaal buldert van het lachen, wanneer de rector van de senaat Henk Colijn (zoon van de nieuwe leider van de a.r.-partij) als de tot dame-op-leeftijd verklede student William het podium betreedt:

Kolonel: ‘Dus u bent de gevierde tante van Charley, mevrouw?’
William: ‘Ja kolonel, ... ik ... e ... ben vandaag ... de tante van Charley uit Brazilië, waar de apen vandaan komen, wil ik zeggen.’

De Standaard acht het kennelijk wijzer voor het volk verborgen te houden hoe de spes patriae feest viert. De avondeditie meldt slechts:

lustrum studentencorps vu
De uitvoering, die het studentencorps der VU hedenmiddag in de zalen van ‘Bellevue’ gaf, werd geopend door den heer A.O. Heesterman en bijgewoond door een talrijk publiek. De burgemeester was onder de vele belangstellenden.

Maar het komt tóch uit. Patrimonium in Amsterdam vraagt de studenten de klucht dinsdagavond 30 november nog eens op te voeren.

Aan de vooravond verschijnt in De Standaard een protesterend ingezonden stuk van W.J. Röttger.

... Waar het bestuur reeds de opmerking bereikte, om deze opvoering achterwege te laten, en waar genoemde vereeniging als richtsnoer aanneemt het Woord Gods en de opvoering ergernis veroorzaakt onder de gereformeerde broeders, zou het bestuur niet in overweging willen nemen, alsnog zijn standpunt te herzien...

Enkele dagen later vergoelijkt de befaamde rubriekschrijver Bijltje (R.C. Verweijck) in De Standaard:

Och, dat onze studenten zooiets onder elkaar doen, kan ik wel dragen, al is - ook naar veler oordeel onder hen - de keuze van 't stuk niet gelukkig geweest; maar waarom daarmee voor 't publiek gekomen?

Maar nu ‘De Tante’ een publieke zaak geworden is, wil Bijltje het zijne er wel van zeggen:

In onze revolutiedagen zien we met ontzetting de lichtzinnigheid hand over hand toenemen.
[p. 48]

Ook binnen de VU blijft ‘De Tante’ de tongen beroeren. De notulen van de curatorenvergadering van 20 november melden:

Dr. De Moor wijst er op dat de opvoering van een kluchtspel door de studenten, ter gelegenheid van het onlangs gevierde lustrum, bij velen in den lande een ongewenschten indruk heeft gemaakt en zoowel in geestelijk als geldelijk opzicht aan de universiteit schade kan berokkenen.

De heer Joh. Breen, secretaris van curatoren, schrijft aan een geschokte Rotterdamse mannenbroeder:

dat de VU-senaat in overleg met Curatoren zich in verbinding heeft gesteld met de studenten en hun bezwaren tegen de opvoering van het bewuste tooneelstuk heeft kenbaar gemaakt. Als gevolg van deze besprekingen mag worden aangenomen, dat eene herhaling zich vermoedelijk niet zal voordoen...

In een publieke afkeuring heeft de VU-leiding geen zin. Gegrond is hun verwachting dat ‘De Tante’ nimmermeer aan de VU zal worden opgevoerd. VU-student H.J. Pos schrijft in Minerva, dat iedereen in de zaal zich geamuseerd heeft. Maar...

Een andere kwestie is of de keuze onverdeelde instemming gevonden heeft: ik geloof van niet. Dit staat in alle geval nu wel vast, voor wie 't nog niet weten mocht, dat de Gereformeerden niet zóó ‘kulturfeindlich’ zijn, dat ze bij ‘'n huiselijk feest’, zooals dit Lustrum heusch was, het tooneelspel uit den booze zouden achten. Evenwel moge 't een volgend maal beter gelukken een stuk te vinden dat óf 'n meer zuiver-modern óf althans 'n meer eigen karakter heeft dan 't nu vertoonde.

En verder...

... kwalificeert in 1920 de vertegenwoordiger van de Christelijk-Ethische Partij, de koffieplanter Ottolander, in de Volksraad in Nederlands-Indië - naar de gedachte van Abraham Kuyper in Ons Program van 1878 - de overheersing van het ene volk door het andere als een revolutionaire toestand.

 

... klaagt een kleine huizenbezitter in een ingezonden stuk in De Standaard over ‘den knellenden strop, waarin de uitgebuite eigenaars van huizen thans dreigen te stikken’.

 

... rijden er in ons land 31.000 personen-motorrijtuigen.

 

... prijst De Spiegel de heer J. de Vries voor de wijze, waarop hij in zijn sportrubriek in De Standaard in toenemende mate belangstelling onder ons weet te wekken voor gymnastiek en sport. ‘Hij heeft heel wat vooroordeelen met flinke principieele betoogen weten te overwinnen’.

prepostterug  begin  verder