terug  begin  verderprepost
[p. 60]

1922

Beeld voor Judas in Rusland

Een huivering gaat door christelijk Nederland.

Het Zoeklicht bericht 13 januari het volgende:

Het antisemietenblad Hammer van 16 October deelt mede, dat volgens 8 Uhr Abendblatt, de leider van een Deensche Roode Kruis-afdeeling in een boek zijn indrukken weergeeft van een bezoek aan Rusland. Hij werd door een leidster der Communisten uitgenoodigd de onthulling bij te wonen van een bolsjewistisch standbeeld te Sviavogorod. Toen het omhulsel viel, zag men het beeld van den geprezen held, die een kruis met de voeten vertrad ... het was Judas Iskarioth!

Het Friesch Dagblad verstrekt zijn lezers de volgende dag meer bijzonderheden over hetzelfde onderwerp:

Een standbeeld ... voor Judas Iskarioth.
Die zijn Heer en Meester verkocht! Hij staat daar op zijn voetstuk, meer dan levensgroot, naakt, het woest vertrokken gelaat dreigend ten hemel gericht, terwijl de hand wroet rondom den hals, om er 't koord losser te trekken, waaraan hij zichzelf verhangen heeft (...).
Een Jood hield de onthullingsrede.
Niet als Jood, maar als communist.
Lang hadden ze er over geprakkizeerd, zei hij, met welk standbeeld zij den tuin verrijken zouden.
Zoo hadden ze bijv. over Kaïn gedacht.
Ook een echte ‘revolutionair’.
Maar ten slotte was het dan toch Judas Iskarioth geworden.(...)
Is het niet ontzettend?
Voor den man, van wien onze Heiland zei, dat het hem beter ware indien hij nooit ware geboren, - richt Sovjet-Rusland een standbeeld op.

Van watergeuzen en driestarren

Het anti-revolutionaire dagblad De Standaard jubileert. Een merkwaardig blad. Daarover is iedereen het eens, tot Colijn toe, die thans de plaats van Kuyper als hoofdredacteur heeft ingenomen.

Al een halve eeuw zweert het calvinistische volksdeel bij De Standaard. Er zijn verhalen van lezers die Kuypers ‘driestarren’ in schriften overschreven en van buiten leerden. En nog steeds spellen duizenden dagelijks dit blad kolom voor kolom.

‘Maar waarom dan toch?’ zo vraagt Colijn zich af in het jubileumnummer.

[p. 61]
Zoo belangrijk is De Standaard toch niet: het blad wordt door vele andere als nieuwsblad in beteekenis overtroffen. Het doet niet mee aan de mode van den dag. Het is eerder ouderwetsch en in veler oog achterlijk.

Het is geen reclametekst, die de nieuwe hoofdredacteur in het jubileumnummer schrijft. En toch verdenkt niemand Colijn van een gebrek aan koopmanschap. Colijn weet echter dat de relatie tussen De Standaard en zijn lezers van andere aard is als die bij andere bladen.

Daar zijn gezinnen, ook nu nog, waar het niet komen van De Standaard het gezinsleven incompleet zou maken.

Maar waarom zijn de Standaardmensen dan zo gehecht aan hun blad? Ook Colijn geeft toe het niet precies te weten.

Het antwoord is moeilijk te geven. Maar het feit is er niet minder om.

Een merkwaardig blad.

De oplage is altijd klein geweest, maar de invloed was groot. Woedend werd het blad bestreden door de liberale pers, maar onverstoorbaar ging Kuyper door met zijn aanvallen op alles wat hem niet zinde. Men probeerde Kuyper en zijn Standaard te negeren, maar niemand gelukte het die houding blijvend aan te nemen.

Vooral Kuypers ‘driestarren’, korte polemische stukjes, werden bewonderd en gevreesd bij vriend en vijand. Iedereen wist wat een ‘driestar’ was. Toen Kuyper in 1918 het nieuwe kabinet Ruys de Beerenbrouck verdacht van conservatieve en roomse neigingen, kon de socialistische Notenkraker een grapje over deze Standaardrubriek maken in de zekerheid, dat iedereen het zou snappen.

De vrouw van Zijne Excellentie: ‘Kijk Simon, daar verschiet een star.’
Excellentie: ‘Me zorg ... als het maar geen driestar is.’

Op 1 april 1872 verscheen het eerste nummer van het blad, 300 jaar na de inneming door de watergeuzen van Den Briel.

‘Geus’ of ‘Geusken’ had Kuyper het nieuwe dagblad willen noemen, maar Groen van Prinsterer adviseerde: niet doen.

De titel Geus of Geusken zou mij te zeer een leus der anti-roomschgezinde hartstogtelijkheid zijn. Aan dien naam zijn, bij de dankbare herinnering aan den zegen Gods, ook wanbedrijven gehecht, wier oprakeling tegen U zou kunnen worden geëxploiteerd.

Zo werd het dus De Standaard. Maar Kuyper kon het in zijn eerste hoofdartikel toch niet laten om over de watergeuzen te schrijven.

In die ruwe zeerobben met stukgeknipte ooren en afgesneden neuzen, had de Heere dorst naar die nog ongekende vrijheid gewekt, niet door wijs-

illustratie

[p. 62]


illustratie
Advertenties uit het jubileumnummer van De Standaard in 1922.

[p. 63]
geerige ontwikkeling, niet door verfijnde beschaving, maar door den nood, door doodsnood.

Welke vrijheid? Gewone vrijheid?

Neen, zo hield Kuyper zijn mensen voor. Het ging om de ‘vrijheid van conscientie’, om de

heilige gewetensvrijheid: de vrijheid, om in Kerk en School, der Vaderen God, naar der Vaderen trant te dienen.

Zijn kritici was hij een slag voor door alvast toe te geven dat Calvijn deze vrijheid nog niet kende en Servet, een bestrijder van de leer der Drieëenheid, wegens godslastering ter dood liet veroordelen; verder dat ook de watergeuzen haar nog niet begrepen.

Zij konden nog bloed vergieten, waardoor juist het heilig recht dier Conscientievrijheid wierd miskend.

De eerste driestar van Kuyper op 10 april 1872 betrof de geestelijke vrijheid in Duitsland. Hij bepleitte dat de kerk in dat land zich zou losmaken van de staat.

Bijna een halve eeuw streed Kuyper in De Standaard voor de vrijheid van geweten. De strijd voor onderwijsvrijheid was de strijd voor herstel van het karakter der natie, dat verloren was gegaan.

Maar al was De Standaard ideëel bezien een geweldig succes, uit koopmansoogpunt was het maar een droevig zaakje. Eigenaar Kuyper was nu eenmaal meer artiest dan zakenman. Ettelijke malen hing het bestaan van het blad aan een zijden draad. Zakelijker anti-revolutionairen dan Kuyper sprongen dan bij om het blad te redden.

Zo was het ook in 1915 gebeurd, toen Colijn met harde hand in de Standaard-huishouding ingreep.

In een brief aan zijn vertrouweling Idenburg jammerde de bejaarde Kuyper:

Erge drukte vooral over De Standaard, waar ik nog niet weet, of het blad kan blijven bestaan. De oorlog gaf den knak, en de inkomsten dekken op verre na de onkosten niet. De club zoekt nu raad te schaffen. Of 't lukken zal, God weet het. Colijn ijvert er ook voor. Alleen maar zeer kaufmännisch, wat wel goed is, maar met gemis aan teederer gevoel. Hij vat 't niet wat 't voor mij is, dit kind van mijn liefde en kracht, dat bijna vijftig jaar oud is, met ondergang bedreigd te zien...

Inderdaad was de toestand zeer penibel. Het aantal abonnementen was geslonken tot 3500. Het blad leed jaarlijks tienduizenden guldens verlies; in een der oorlogsjaren zelfs ƒ80.000.

Colijn redde het blad door Kuyper te dwingen een zakelijker basis en invloed van anderen te aanvaarden. Voor Kuyper was vooral dat laatste een bittere pil. Jongeren kregen zeggenschap over de onderneming. Colijn tastte ook in eigen zak. De onderneming herstelde zich.

In het jubileumnummer kan Colijn in 1922 schrijven:

Onze hoop is niet beschaamd geworden. Het aantal abonnees is vervijfvoudigd en wel zijn nog niet alle zorgen geweken, wel levert de exploitatie van het blad nog een verlies op, maar er is uitzicht dat dit weldra niet meer het geval zal zijn.
[p. 64]

Vrouwen voor het eerst ter stembus

Eerbiedig rijzen de leden van een stembureau te Baarn omhoog achter hun paperassen. Hun stoelen schuiven rumoerig over de kale houten vloer. H.K.H. de Koningin-Moeder Emma komt haar stemplicht vervullen.

In een automobiel rijdt de Koningin-Moeder voor. De kap is neergeslagen. Iedereen kan de geliefde vorstin zien zitten. Met het oproepbiljet in de hand volgt ze de pijlen van de bordjes ‘Stembureau’. Staande zien de leden van het stembureau toe hoe de Koningin-Moeder haar biljet in de blikken bus laat glijden. Het apparaat van de fotograaf van Het Leven klikt. Op welke partij zou Hare Koninklijke Hoogheid hebben gestemd? Alle partijen mogen hoop koesteren. Ook voor vrouwenstemmen geldt het recht van geheimhouding. Voor het eerst trekken ook de Nederlandse vrouwen ter stembus, dank zij een initiatief van het kamerlid Marchant. De protestants-christelijke partijen hebben tegengestemd. Ze zijn tegen vrouwenkiesrecht. Maar nu het tóch gekomen is, en nu er zelfs stemplicht voor de vrouw geldt, wat moet er nu ge-

illustratie
De mannenbroeders hadden hun best gedaan, maar de opmars van de vrouw op politiek terrein was niet te stuiten. Bovenstaande prent in De Houten Pomp (a.r.) van 15 december 1922 getuigt van hun bezorgdheid.

[p. 65]

beuren? Beginselvast thuisblijven? De protestantse politici rillen bij de gedachte aan de gevolgen.

Rubriekschrijver ‘Opmerker’ schrijft in De Spiegel van 18 maart, dat hij van iemand vernomen had, die zijn vrouw had verboden om naar de stembus te gaan, omdat hij tegen vrouwenkiesrecht is. Maar een geschrokken ‘Opmerker’

... kan zich onmogelijk voorstellen dat er onder ons Christelijk volksdeel één vrouw zal zijn, die bij de stembus thuis blijft!
Zeker, ik weet, dat velen den stemplicht een onding vinden. En met name door de anti-revolutionairen is in de Tweede Kamer hard gewerkt, om hem weg te krijgen. Het is niet gelukt. De stemplicht is er. Dientengevolge moeten onze vrouwen en meisjes, op grond van Romeinen 13, ter stembus. De vrouw heeft het stembiljet gekregen en het is onverantwoordelijk er geen gebruik van te maken.

Het grofste geschut wordt in stelling gebracht om het kennelijk van onverschilligheid verdachte vrouwvolk naar de stembus te drijven.

In het julinummer van Nederland en Oranje (blad van de Arja, de a.r.-jongerenclubs) schrijft C.B. van der Wal ‘Een woord voor onze christenvrouwen’.

Waar toch gaat het bij de stembus om? Om de victorie van de Christelijke en niet-Christelijke levensbeschouwing.

Mocht de laatste winnen, dan zijn daar twee soorten mensen schuldig aan, aldus Van der Wal.

Ten eerste zij, die vóór de leuze: ‘Weg met God’ hebben gestemd en ten tweede zij, die niet tegen deze leuze hebben gestemd. Tegen die leuze kunt ge stemmen op 5 Juli. Daarna niet meer. Heeft die leuze meerderheid, dan is de uitspraak van ons volk: God moet weg. En hebt Ge op 5 Juli niet tegen die uitspraak gestemd, dan zijt ge mede de oorzaak van deze beslissing. Dan staat Ge op één lijn met Judas, die oorzaak was, dat Christus eens van de aarde verbannen werd.
Voor dien Judas Iskarioth heeft het socialisme in Rusland een standbeeld opgericht met het opschrift: ‘Judas Iskarioth, de grootste held ter wereld, die de menschheid van den kapitalistischen leider Jezus van Nazareth verloste’. Is het niet ontzettend? Zoudt Gij door Uw thuisblijven oorzaak durven geven, dat zulks ook hier eens plaats zou hebben? ‘Wie niet vóór Mij is, is tegen Mij’, geldt ook voor u bij de komende stembus.

Lachen in ernstige tijden

Het zijn ernstige tijden, waarin ernstige mannen ernstige vermaningen uitdelen. Een van hen schrijft in De Spiegel:

Verleden week las ik in de tooneelrubriek van een overigens hoogstaand liberaal blad een beoordeeling van een tooneelstuk.
Let nu eens op uitdrukkingen als deze: In geen jaren zoo onbedaarlijk gelachen. Wie zorg heeft, lacht zich gezond. Alle malaise lach je weg. Wie bij dit stuk niet lacht, is opgeschreven.
Ik heb mij afgevraagd: Meent die schrijver nu inderdaad wat hij zegt? De malaise van onzen tijd weglachen! Is het niet verschrikkelijk? Lachen, dat doet de dwaas, die in zijn hart zegt, dat er geen God is ... De malaise weg
[p. 66]
lachen! Is het niet een uiting van de grootst-mogelijke onverschilligheid? Zoo alleen, dunkt mij, spreekt de man, wien het niet kan schelen, hoe de wereld draait. Lachen! Lachen! Lachen! leest ge op de affiches van schouwburgen en theaters. Alsmaar lachen ...
Maar er is één, die het hardst van allen lacht. Het is Satan. Het gaat wel goed zoo. 't Lijkt in onze dagen wel, of zijn haan zal koning kraaien; of zijn rijk zal worden gegrondvest...

Humor in a.r.-weekblad ‘De Houten Pomp’

Verwonderde Standaardlezers vinden 15 september 1922 in hun degelijke anti-revolutionaire krant een ‘Eerste Proefnummer’ ingevouwen van een nieuw weekblad dat met gemengde gevoelens wordt bekeken: De Houten Pomp. Het kondigt zich aan als ‘een humoristisch-satyriek orgaan’ van a.r.-bodem. Mág dat? Is dat te rijmen met de ernstige anti-revolutionaire of christelijk-historische beginselen?

‘Jazeker,’ meent het nieuwe blad en het verwijst de ongeruste lezers naar een uitspraak van Abraham Kuyper, wiens vertrouwde beeltenis de gehele tweede pagina siert. Kuyper schreef in 1909:

Er is zooveel ‘costelijk mal’ in ons menschelijk leven, en bijna in ieder persoon, dat we den gullen lach, ter correctie van zooveel menschelijke dwaasheid, niet kunnen missen.

Toch bezien de calvinisten nog wat wantrouwend het met weelderige tekeningen van de 21-jarige medisch student Hein Kray bedrukte blad. De taal waarmee de merkwaardige naam wordt verklaard, klinkt vertrouwd. Verwezen wordt naar de deputatenrede ‘Der vaderen erfdeel’ die de nieuwe partijvoorzitter Colijn enkele maanden geleden heeft gehouden en waarin hij ‘den geest der geuzen’ weer vaardig trachtte te maken over het a.r.-volk.

Het wapentuig was gebrekkig; ‘Houten Pompen’, noemden de Spanjaarden het uit Roomsche kerkklokken gegoten Calvinistische geschut, maar uit die houten pompen zou, naar het teekenend woord van Busken Huet, het saluutschot der Noord-Nederlandsche onafhankelijkheid klinken.

Een goed reformatorisch geluid, maar toch...

De redactie van het nieuwe blad wordt gevoerd door R.A. den Ouden, adjunct-secretaris van de a.r.-partij en J. Hollander, parlementair redacteur van De Standaard, beginselvaste mannen dus.

Colijn schrijft na enkele weken een driestar.

‘Gaarne - maar niet zonder vreeze’, wilde hij de aandacht op het nieuwe blad vestigen. ‘Niet dat in de tot nu toe verschenen proefnummers iets voorkwam, dat aanleiding gaf tot die vreeze. In geenen deele. Maar gevaar is hier wel’, aldus Colijn. Hij besloot zijn gereserveerde aanbeveling aldus:

De taak, die men op zich nam is dus wél zwaar. Het ondernemen lichtelijk gewaagd. Maar juist daarom de eere, als men slaagt des te grooter. Succes zij den ploegers, die dezen voor ons zoo stuggen grond trachten te scheuren, van harte gegund.

Hoe stug de grond is, blijkt uit lezersbrieven, die van oude getrouwe Standaard-columnist Bijltje (pseudoniem van R.C. Verweijck) verlangen dat hij

[p. 67]



illustratie
In De Standaard werd per advertentie het verschijnen aangekondigd van een a.r. satyriek weekblad.

[p. 68]



illustratie
Geregeld verschijnt de eerste tijd een legpuzzle in De Houten Pomp. Rara, wie is deze voorman? De mannenbroeders, die de stukjes goed aan elkaar passen, zien te voorschijn komen het kloeke hoofd van het 43-jarige kamerlid Mr. J.A. de Wilde. Wie er niet uit kan komen, vindt de oplossing (inzet) in het volgende nummer.

deze lichtzinnigheid op het calvinistische erf publiekelijk afkeurt.

Bijltje - tussen twee vuren - verklaart breedvoerig dat er tussen De Standaard en De Houten Pomp ‘hoegenaamd geen verband’ bestaat en dat hij de zaak ‘buitengewoon moeilijk’ vindt. Maar helemaal afvallen wil hij deze merkwaardige loot aan de a.r.-stam toch ook niet en daarom geeft hij schoorvoetend toe:

... dat het niet kan schaden, als nu en dan de gulle lach de droefkreukels van ons ernstig gelaat ontrimpelt.

Hoongelach over het a.r.-humoristische blad stijgt op uit het satyrieke blad van de SDAP, De Notenkraker.

‘Wat? Een grappenmaker van calvinistischen huize? Maar dat is immers tegennatuurlijk, dat kan niet bestaan’, schrijft Pen-Arie (het socialistische kamerlid A. IJzerman). Hij heeft de indruk dat het blad geboren is ‘uit een kruising van een ouderling met een gorilla-wijfje’ en spreekt de hoop uit, dat het ‘een wettig kind’ van De Standaard zal blijken. Voorts adviseert hij de naam van het blad maar te verklaren uit het aan Colijn gewijde lied:

 
Zijn wij lompen,
 
Laat ons pompen!
 
Vivat Petroleum!
[p. 69]

En verder begroet De Notenkraker het blad met een uitvoerig spotvers.

 
Wij legden ons met groot succes
 
Op uitgestreken gezichten.
 
Wij weerden de losheid, de luchtigheid
 
Wij hebben ons immer uitsluitend gewijd
 
Aan vrome, aan ernstige plichten.
 
Doch broeders, wanneer de Tijdgeest dwingt,
 
Wie zal dien weerstand bieden?
 
Hij maakt van mannen, tot heden geleid,
 
door diepe, deege degelijkheid,
 
Naar humor smachtende lieden.
 
Ging ook niet onder de jongelingschap
 
Studeerend op onze Vrije,
 
Die, zoekend naar lichte verpoozing,
 
daarvoor ‘De Tante van Charley’ uitverkoor,
 
De zin voor humor gedijen?

Boekenkast en kamerwand in 1922

Inspecteert ge bij het huisbezoek het boekenrekje van het christelijk gezin, dan valt zeker uìterst zelden een grillig bandje van Couperus op. Daar lachen u veeleer de soliede banden van Henry's en Kuyper's werken toe. Ook wordt uw oog getroffen door de stroeve, perkamenten omhulsels van sommige ‘olde schrievers’.

Aldus meldt de 49-jarige Amsterdamse predikant B. Wielenga in zijn in 1922 gebundelde serie Reformatie-artikelen over moderne letterkunde. Maar de geestelijke laat zich door deze uiterlijke huiskamerschijn niet bedriegen. Welke boeken halen ‘onze mensen’ uit de leesbibliotheek? Welke boeken worden behandeld op de christelijke middelbare scholen?

Een ‘vader’ vraagt hem om eens een lezing te houden over ‘de modernen, want’, zo motiveert hij in ontruste toon z'n uitnodiging:

mijn dochter, die hier een instituut voor meisjes bezoekt, moet een opstel maken over Louis Couperus, en ik acht het noodig, dat op zulke feiten de aandacht wordt gevestigd.

Frappant noemt Dr. Wielenga de lijst van boeken, opgegeven voor het eindexamen van een christelijke H.B.S.

De auteursnamen zijn: Multatuli, Marcellus Emants, Frederik van Eeden, Albert Verwey, Louis Couperus, Edward Koster, P.C. Boutens, Jac. van Looy, Augusta de Wit, G.F. Haspels, Stijn Streuvels, Maurits Sabbe en G. Schrijver.

Men ziet, het is op een enkele uitzondering na van de allermodernste literatuur. De ‘oude school’ schittert door geheele afwezigheid,

zo constateert Dr. Wielenga.

Wij staan dus voor het feit, dat op de hoogere inrichtingen van christelijk onderwijs de leerling officieel en opzettelijk in aanraking wordt gebracht met de eertijds in onzen kring gevloekte school van '80.

Ook de catechisanten van Dr. Wielenga blijken nog wel andere auteurs te

[p. 70]

lezen dan P. Keuning, H.S.S. Kuyper, L. Penning, Seerp Anema, Joh. Breevoort, S. Ulfers, G. Schrijver, Nelly Has, J. Veltman, en A. van Hoogstraten-Schoch. Vooral bij de jongens is dit het geval.

Van sommigen kreeg ik den indruk, dat ze met moderne letterkunde waren overvoed, misschien wel vergiftigd.

‘Hoe is het bij jou?’ vraagt Dr. Wielenga z'n Haagse collega Dr. K. Dijk. Ook deze verzamelt lijstjes onder z'n catechisanten. De ‘modernen’ blijken bij hen al evenmin onbekend. Dr. Wielenga wijst er op, dat de jongelui, die thans de christelijke middelbare scholen bevolken, straks in ons midden leiding zullen geven aan het leven.

Wanneer hier de moderne letterkunde, niet als verboden snoepgoed, maar als verordineerde spijze wordt genoten, kan men zeggen, dat ons christenvolk als zoodanig reeds deze letterkunde als kultuurelement heeft aanvaard.

Helaas is van serieuze principiële benadering nauwelijks sprake geweest. De predikant klaagt:

Toen de mannen van '80 hun revolutionairen aanval begonnen, is er algemeen om hen gelachen, als waren zij ijlende maniakken. Nu ziet ge hoe hun zaaisel opgeschoten is, ook in uw tuin. Zeker, fijne, geurige bloemen, die ge dankbaar plukt, maar ook stinkend onkruid, giftig gewas. En omdat men zich niet bezonnen heeft op deze kunst, is er geen onderscheidend oordeel dat waarschuwt. Men acht soms een boek ongevaarlijk, alleen omdat er geen gore praatjes of grove vloeken in staan...

Liefhebbers van literatuur en kunst als Dr. Wielenga moeten strijden tegen zowel botte afwijzing als kritiekloze aanvaarding van alle moderne kunst.

Zwoel en giftig is de atmosfeer, waarin vele van hare werken zijn geboren. Zonder erbarmen moet door onze kritiek al wat de teekenen van dekadentie en perversiteit draagt, als volksvergif worden verbannen. Waar zij de schoonheid aan de gemeenheid heeft gekoppeld, moet door òns dit monsterpaar als de pest worden bestreden. En tegenover de onheilbare leuze: ‘de kunst om de kunst’, moet van onze zijde weer het edel beginsel: ‘de kunst tot Gods eer’, worden gesteld.
Maar waar in de nieuwe letterkunde, ook uit onchristelijke zielen, werkelijke schoonheid bloeide, waar door hen de taal en de stijl van valsche smetten werden gezuiverd, waar door hen persoonlijkheid en oprechtheid in de kunst gebracht is tegenover onwaarheid en banaliteit, daar zult ge dit, als christen, dankbaar erkennen, en (onze christenschrijvers voorop) in uw eigen leven tot toepassing brengen.

In De Reformatie publiceert Dr. Wielenga ook 'n rapport over 'n kamerwandonderzoek in 30 Amsterdamse gereformeerde gezinnen.

Was er op dit gebied vroeger een eeredienst van het onschoone, tegenwoordig dreigt het nog erger te worden. Vroeger vond men naast de familieportretten, eenige portretten van voortrekkers op geestelijk terrein, als Kuyper, v.d. Berg, soms ook Calvijn, Luther e.a.; bij enkelen Da Costa, Van Ronkel, hier en daar portretten van de koninklijke familie. Daarnaast platen als Gethsémané, de Rots der Eeuwen, de Stamboom der vorstelijke familie,
[p. 71]


illustratie
Koninginnedag! Wedstrijd hardlopen met eieren op een omgekeerd bord. Koningin Wilhelmina ziet in het rijtuig glimlachend toe. Naast haar Prinses Juliana.



illustratie
Ook de Koningin-Moeder Emma brengt haar stem uit na de invoering van het vrouwenkiesrecht.

[p. 72]


illustratie
Verscheidene mannenbroeders fronsten hun wenkbrauwen toen in 1922 het eerste nummer verscheen van een anti-revolutionair caricaturistisch blad, geheten ‘De Houten Pomp’. Was het leven voor zoiets niet veel te ernstig? Voor de redactieleden van het nieuwe blad was dat geen vraag. In de tuin van het Kuyperhuis in Den Haag lieten zij zich fotograferen. V.l.n.r. R.A. den Ouden (adj. secr. Centraal Comité a.r.-partij), J. Hollander (parlementair redacteur van De Standaard) en Hein Kray (medisch student - spotprenttekenaar). Zeven jaren heeft het strijdvaardige blad bestaan.



illustratie

[p. 73]
Luther voor den Rijksdag, Het Verbond der Edelen, De slag bij Waterloo (naar Pieneman); een en ander in zeer slechte uitvoering en natuurlijk in glimmend zwarte lijsten. Was dit alles niet bepaald smaakvol, er was toch een drang naar het beteekenisvolle te bespeuren.
Toen is de zucht naar iets anders gekomen. ‘Weg met dien ouden rommel, we voelen daar tegenwoordig niet meer voor.’ Wel is waar werd het hier en daar artistiek iets beter, smaakvoller: etsen van Dake, naar Rembrandt, of de Romantiekers als Mauve, Maris e.a.; soms ook een Nieuwenkamp of Brandenburg, zelfs wel eens een Van Gogh, maar over 't algemeen werd 't minder. En weer treft in de eerste plaats het onbesliste, het wankele in de keuze. Zoo zag ik o.a. Engelse platen (Made in Germany) als de Two Sisters (naakt), The Morning (naakt), Love Night (naakt), The Dear Afternoon, enz. Vervolgens als wandversiering: reclameplaten voor zeepen en parfumerieën, van Maubert en Houbigant. Bij sommigen wanden volgeprikt met prentbriefkaarten; hier en daar een wandtekst op fluweel, met vogeltjes en vruchten ‘versierd’. Werkelijk de triomf van het ‘smakelooze’.

De zedelijke verwildering van 1922

En de zedelijke verwildering schrijdt maar voort in de wereld:

De Nederlander (c.h.), 18 maart:

De oorlog heeft van alles op z'n geweten. Ook zedelijke en geestelijke ruïnes heeft hij bij menigten gemaakt. Ruim één vijfde van alle Duitsche huwelijken loopt op echtscheiding uit...

Nieuwe Provinciale Groninger Courant (a.r.), 19 juli:

De klacht over de huidige immoreele kleeding der vrouw wordt met hoongelach begroet. Het protest tegen schunnige literatuur wordt verworpen, omdat men het voor de vrijheid van de kunst opneemt. En een waarschuwing tegen vuil plaatwerk of boos tooneelstuk wekt niet dan een smadelijken lach.

Prof. Paul Scholten in Onze Eeuw:

Men spreekt van een nieuw leven, maar hoe zal dat komen in een tijd die in het jakkeren in auto's en op motorfietsen en in het afloopen van bioscopen vervulling zoekt voor zijn niet te verzadigen lust naar sensatie?

Friesch Dagblad, 29 april:

Reeds meer dan eens werd vanuit Parijs verzekerd, dat het Fransche volk bezig is uit te sterven.(...) Want de grondtrek van het Neo-Malthusianisme is dit: wilt ge een ongebreideld bevredigen van uw genotzucht? Wilt ge een lui bevredigen van uw gemakzucht? Wilt ge een onbeperkt bevredigen van uw luxezucht? Gebruik dan Neo-Malthusiaansche middelen. Wie dergelijke moordmiddelen toepast, is afgezakt van alle godsdienstig, alle hooger voelen. Lage motieven drijven hem (...) Groot is het kwaad van het Neo-Malthusianisme. Als zonde voor God. Het is moord, het is onzedelijkheid .(...)
Ook in 't ‘vrome’ Nederland vrat deze zonde in breeden kring in. De cijfers wijzen 't ook hier al uit, al is 't - Gode zij dank - nog niet zoo erg als in Frankrijk(...)
[p. 74]
Zelfs in Christelijke kringen neemt gaandeweg, maar zienderoogen het geboortecijfer af. We hebben van den kansel een Gereformeerden predikant zijn gemeente in ontroerenden ernst hooren wijzen op het bedroevend lage aantal geboorten in de laatste jaren, dat slechts ongeveer de helft van het normale bedroeg. Er wordt gefluisterd van orthodoxe kerken, waar de dienaren minder kinderen hebben te doopen dan vroeger...

Het Zoeklicht, 5 mei:

De schaamteloosheid stijgt ten top. Men laat de onderscheiding tusschen goed en kwaad varen, en waar moet dan het einde zijn? De vrouw is bezig zichzelf van alle waardigheid te ontdoen; het aantal vrouwen en meisjes dat rookt, wordt hoe langer hoe grooter, voornamelijk in Engeland.(...) Geslachtsdrift wordt tegenwoordig op één lijn gesteld met honger en dorst(...) Ten derde is het de bioscoop, die een van de grootste maatschappelijke onheilen is. In Londen is dezer dagen - volgens het Hdbl - een slager overleden door een steek in den borst met een groot slagersmes, door zijn vierjarig zoontje. Deze had dat zoo in den bioscoop zien doen.(...) Daarbij komen nog de vuile romans, waarvoor, ondanks de papierschaarschte, nog voldoende materiaal voorhanden is...


illustratie
Uit De Notenkraker van 1922.

[p. 75]

In Hoenderloo citeert - ter waarschuwing - de Rotterdamse kinderrechter de Bie de Amerikaanse hoogleraar W. Burgess over de bioscoop.

De bioscopen:
hinderen het schoolwerk;
geven den kinderen een onjuist en verwrongen beeld van het leven en zijn plichten;
verminderen den eerbied voor het gezag;
leiden tot een zekere vroegrijpheid in sexueele aangelegenheden;
wekken geringschatting voor het huiselijke leven;
oefenen een slechten invloed op zedelijkheid en reinheid;
zijn, over het geheel genomen, ook schadelijk voor het lichaam, daar zij nadeelig werken op de oogen, ook zijn zij slecht voor vitaliteit en mentaliteit.

Nieuwe Provinciale Groninger Courant, 19 juli:

Wij vreezen dat het uiterst moeilijk zal zijn om het bioscoopkwaad te keeren. De belijders van den Christus kunnen vooreerst niet meer doen dan zelf een voorbeeld te geven en voorts krachtig te waarschuwen.

Purmerends burgemeester in de plaatselijke bladen over de kermis:

Het gaat alle perken te buiten als men meisjes en vrouwen bier en jenever ziet drinken, als ware het de heerlijkste melk of limonade.(...) Zinneprikkelend en zedebedervend was het in hooge mate en voor de jongelui stellig gevaarlijk.

Nieuwe Provinciale Groninger Courant, 18 juli:

En dan zijn er nog menschen - achtenswaardig en fatsoenlijk, ik geloof het graag - die er den spot mee drijven, wanneer in den een of anderen gemeenteraad van Christelijke zijde een voorstel wordt gedaan, om de kermis af te schaffen!

Friesch Dagblad, 18 juli:

De burgemeester van Purmerend is géén calvinist. Tjonge nee! En dat wil hij weten ook. Zelfs is hij geen ‘puritein’.
Hij zal - ik citeer 's mans eigen verklaring - geen vrouw of meisje er scheef om aankijken, al heeft ze haar arm wat ver bloot; hij zal niet precies nameten hoever hals en schouders buiten de bloes blijven; hij zal zich niet stooten aan de hoogte der hakjes, noch aan de lengte, beter gezegd 't gemis aan lengte van 't opperkleed.(...) En toen hij dat alles (de kermis) gezien had, gebruikte hij niet het woord, maar was wat hij zeide, saam te vatten in het oordeel: ‘'t Is een zoodje.’

De Spiegel, 4 november, over rechtszaak tegen Haagse jongelui:

Er kwam nog meer aan het licht. Het bleek, dat in die kringen het niet zoo nauw werd genomen met het huwelijk, met de reinheid van zeden. Maar de ‘Haagsche vandalen’ waren nog slachtoffers van andere zaken. Daar was het slechte boek; daar was de bioscoop; daar was het tooneel. Alles even verderfelijk; Godonteerend, omlaaghalend den mensch, die toch beelddrager Gods is ... En dan staat daar voor de rechters een advocaat. Hij strekt van onder de breede mouwen zijner toga de armen uit, doet een stap voorwaarts en roept het uit: ‘Nee, niet zij zijn de schuldigen, maar de gewetenlooze exploitanten der bioscopen en schouwburgen en uitgevers van slechte gemeene lectuur!’
[p. 76]

En verder...

... roept in 1922 Dr. J.C. de Moor op de bondsdag van de gereformeerde jongelingsbond te Haarlem:

Om der wille van het ware, het goede en het schoone dienen de zoogenaamde samenspraken in den ban te worden gedaan.

... publiceert De Spiegel als ‘bladvulling’ het volgende puntdicht van Joannes Lublink:

 
Vraagt gij, naar welk doel een oprechte Christen streeft?
 
Zie hem voor 't algemeen in nutten ijver blaken,
 
En, daar hij 't minst voor zich, het meest voor and'ren leeft,
 
Hen door zijn voorbeeld vroom, wijs door zijn lessen maken.

... zegt de pasgekozen voorzitter van de Duitse Arbeiderspartij Adolf Hitler, blijkens een verslag van 22 november in de Völkischer Beobachter:

De Marxisten hebben gepredikt: Als je mijn broeder niet wilt zijn, sla ik je de hersens in. Ons motto zal zijn: Als je geen Duitscher wilt zijn, sla ik je de hersens in.

... schrijft Pastor Modersohn in het blad Heilig dem Herrn, dat de Duitse ex-keizer in Doorn, hem tijdens een 15 oktober gebracht bezoek heeft medegedeeld, de joden voor een deel verantwoordelijk te achten voor het onheil dat Duitsland heeft getroffen.

 

... constateert De Nederlander (c.h.) van 27 februari:

De woningnood behoort tot de ernstigste oorzaken van volksverwildering en zedelijke schade.

... betoogt Het Volk (SDAP) dat ieder, christen, jood of heiden in haar blad volkomen bevrediging kan vinden:

Met wie dit niet het geval is, die zij eerst christen of jood en daarna socialist en dezulken dienen zich te verbeteren.

... gebiedt De Spiegel van 21 oktober:

Bladen als Panorama, De Prins, Het Leven, Het Stuiversblad en welke er nog meer kunnen zijn, zij behooren geweerd uit onze gezinnen. Wij kunnen bij onszelf terecht! Zoowel met de dagblad- als de geïllustreerde pers.

... signaleert De Spiegel het bestaan van

... een niet-Christelijk geïllustreerd tijdschrift, Het Leven genaamd, dat vaak een ‘schunnig blad’ is, doch niettemin ook nog onder onze menschen wordt gelezen.

... wordt de benaming ‘koloniën en bezittingen’ uit de Grondwet geschrapt omdat men daarin iets vernederends ziet.

[p. 77]

... sturen onderofficieren het volgende telegram aan de minister:

De afdeeling spreekt haar sterke verontwaardiging uit over uw houding bij de audiëntie op 14 Juni j.l. ten opzichte van mannen, die trotsch zijn op hun houding gedurende de mobilisatie en Novemberdagen 1918.

... oordeelt De Nederlander (c.h.) van 19 juli over bovengenoemd telegram:

Dit is niet meer ongepast; dit is de toon van iemand die de verhouding: chef-ondergeschikte niet erkent...

prepostterug  begin  verder