terug  begin  verderprepost
[p. 86]

1924

JV-ers ‘principiëler’ dan ds. Vonkenberg

‘Strompelen op staatskrukken? Nooit!’ Ernstig heffen, gereformeerde jongelingen de waarschuwende vinger tegen plannen om jeugdwerk te steunen met geld uit de staatskassen. En men laat een kloek en principieel ‘tegen’ horen. Inmenging van de staat in het jeugdwerk verdraagt zich niet met de anti-revolutionaire staatsopvatting, zo betogen zij.

Maar de staatssubsidie is tóch gekomen. En wat moet je dan?

‘Aanvaarden,’ zegt de 55-jarige Ds. Jan Engelbert Vonkenberg, die in 1888 de ‘Nederlandsche Bond van Jongelings-Vereenigingen op Gereformeerden grondslag’ stichtte. Spotters maakten van de N.B.V.J.V.O.G.G.: Niets Beduidend Jongens Vermaak Over Grootvaders Godsdienst.

Een opvallend man, deze dominee. Men kent hem als een rechtschapen strijder in Kuypers gelederen. Toch volgde deze Kuyperiaan zijn meester niet kritiekloos. Lijnrecht tegen Kuyper in veroordeelde hij bijvoorbeeld de Duitse inval in België als een groot stuk onrecht.

Van grote visie getuigde het initiatief in 1888 van de gymnasiast Vonkenberg om naast het algemeen-christelijk Nederlandsch Jongelingsverbond een organisatie ‘op gereformeerden grondslag’ te stichten. Hij deed het op eigen initiatief - niet op aandringen van Kuyper. Maar zonder de ‘JV op GG’ zou de calvinistische beweging ondenkbaar zijn geweest. Duizenden doorknede strijders voor kerk, staat en maatschappij ontvingen hun training in de jongelingsvereniging.

Verleden jaar kon het Gereformeerd Jongelingsblad nog trots opsommen, dat zeven van de zestien a.r.-kamerleden oud-bondsmakkers waren.

Het zijn in alfabetische orde, de heeren: Th. Heukels, Chr. van den Heuvel, J. van der Molen, J. Schouten, C. Smeenk, J.A. de Wilde en A. Zijlstra.
En wij zijn niet weinig grootsch op onze ‘aangesloten Vereeniging’ in de Tweede Kamer.

De jongelingen behoeven maar te wenken, en op hun bondsdagen op Hemelvaartsdag hebben ze als sprekers ministers en oud-ministers.

Merkwaardige namen dragen de jongelingsverenigingen: ‘Mijn zoon geef Mij uw hart’ (Amsterdam), ‘Hebt de Waarheid en den Vrede lief’ (Rotterdam), ‘Uw Koninkrijk kome’ (Utrecht), ‘Onze hulp zij in den Naam des Heeren’ (Enkhuizen), ‘De Heere is mijn Banier’ (Stadskanaal), ‘Onderzoek de Schriften’ ('s-Graveland), ‘Dient den Heere met Blijdschap’ (Assen) en ‘'t Wordt Gebouwd’ (Hoogeveen). Eigenaardige afkortingen komen dan ook in gebruik.

Ook bijbelse namen zijn geliefd: ‘Samuel’ (Aarlanderveen), ‘Paulus’ (Alk-

[p. 87]

maar), ‘Théofilus’ (Veendam), ‘Jonathan’ (Woudsend) en ‘Gideon’ (Zwartsluis). Trouwens, een heel bijbelgedeelte blijkt ook als verenigingsnaam te kunnen worden gevoerd: ‘Spreuken 23:23a’ (Middelburg), ‘2 Timotheus 2:19’ (Den Haag), ‘Jesaja 55:6a’ (Steenwijk), ‘Psalm 119:9’ (Velp). Achter deze namen verbergen zich kleine zelfstandige clubs, die wekelijks bijeenkomen om bijbelse beginselen te bestuderen voor kerk, staat en maatschappij. En eenmaal per jaar komen ze op Hemelvaartsdag bij elkaar om kracht te putten uit de bezielende toespraken, het massale van de toogdag, de samenzang en het versterkte besef geroepenen te zijn tot strijd voor de zaak des Heren.

 

Men denkt en spreekt in militaire termen. Men wenst als Neêrlands jongelingschap te staan:

... de lendenen omgord met de waarheid, voorzien van den helm der zaligheid en het zwaard des Geestes, en gedekt door het schild des geloofs...

Graag vergelijken de jongelingen zichzelf met de geuzen uit de tachtigjarige oorlog. Bij het bondsjubileum in 1913 werden zij aldus bezongen:

 
Gereformeerde Jongelingen
 
zij dit lied gewijd kordaat
 
toont u Gode goed soldaat!
 
en wie ook den dienst uitgaat,
 
't Vaandel moet elk blij bezingen.

Het is niet zo verwonderlijk dat deze kordate schare zich soms strijdlustiger toont dan de generaals.

Tégen subsidie voor het jeugdwerk!

Maar de overheid is er ons toch ten goede, sputteren gematigder figuren tegen. De overheid wil helemaal niks te vertellen hebben in het jeugdwerk. De overheid wil alleen subsidiëren!

Niks mee te maken, zeggen de extra-principiëlen. De steeds uitbreidende staatsmacht dient een halt te worden toegeroepen. Zelfs het gematigder standpunt van Colijn en Schouten kan de kokende principes niet afkoelen. Groot is de boosheid der jongelingen wanneer uitkomt dat hun leider Ds. Vonkenberg voor de bond tóch een gift, afkomstig uit de regeringskassen, heeft aanvaard van de Centrale Jeugdraad. Het was weliswaar geen gewone subsidie, doch een deel van de opbrengst van een jeugdtentoonstelling. Maar de staat heeft de duiten bezoedeld door het tijdelijke bezit ervan.

Hoog laaien de discussies op.

Op de bondsdag van Groningen, 10 mei, een jaar eerder, wordt besloten om de rijksbijdragen niet te aanvaarden en de ontvangen gelden terug te storten in 's rijks schatkist. Dezelfde dag deelt Ds. Vonkenberg mee, dat hij de bond zal verlaten. Ook andere motieven spelen mee, maar de subsidiekwestie was toch een belangrijke oorzaak van dit besluit.

Het snijdt Vonkenberg door de ziel.

In het Gereformeerd Jongelingsblad van 29 februari 1924 neemt hij afscheid van zijn bond, die hij langer dan 35 jaar leidde:

[p. 88]
De Bond is meer dan een stuk van mijn leven. Het is mijn levensstuk.

De jongelingen, die ‘principiëler’ willen zijn dan de meester, benoemen hem enkele maanden later tot erelid.

Broeder Marinus in de oppositie

... Het ontstaan van de zonde in ons geslacht - niet dus de allereerste oorsprong der zonde in het heelal, waarover wij zooeven spraken - wordt ons medegedeeld in het derde hoofdstuk van Genesis...

De stem van de Amsterdamse predikant klinkt als anders. Niets wijst er op dat er iets bijzonders aan de hand is in de gereformeerde Schinkelkerk aan de Amstelveenseweg, die zondagavond 23 maart 1924. De gemeente heeft gezongen, er is gecollecteerd en thans is Ds. Geelkerken bezig met de preek. Aan de beurt is Zondag III van de Heidelbergse Catechismus.

De mensen op de harde houten banken hebben de luisterhouding aangenomen; sommigen zuigen op een frisse pepermunt. De kinderen knijpen hun ogen toe om lichtstreepjes te maken; allen ondergaan de rust van een kerkdienst op zondagavond. Alleen de stem van de dominee wordt gehoord.

Ik weet wel, dat dit gedeelte der Heilige Schrift ons voor eigenaardige moeilijkheden plaatst ... Ook is het vaak moeilijk uit te maken, hoe allerlei bijzonderheden, die Genesis 3 ons bericht, moeten worden uitgelegd, en zijn er schier evenveel ‘verklaringen’ als geleerde uitleggers. Denk maar aan ‘den boom der kennis des goeds en des kwaads’, de slang en haar spreken, den boom des levens, enzoovoorts...

Een der kerkgangers peinst over deze woorden na. Wat heeft Ds. Geelkerken daar zojuist gezegd? Twijfelt hij er aan of alles wel precies zo gebeurd is als in Genesis is beschreven?

De predikant vervolgt:

Doch de gemeente late zich door dit alles niet van de wijs brengen. Vast staat, dat wij in Genesis 3 de goddelijke bekendmaking hebben van een historisch feit, het feit van den zondeval, die heeft plaats gehad aan het begin der geschiedenis van ons menschelijk geslacht. Zooals de Catechismus zegt; ‘Vanwaar komt dan zulke verdorven aard des menschen?’ Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouderen, Adam en Eva...

Het orgel speelt.

Het kerkgebouw stroomt leeg.

Enkele dagen later brengt de peinzende kerkganger, de heer H. Marinus, in grote ontstemming bij de secretaris van de corporatie der gereformeerde kerk van Amsterdam-Zuid, de heer J. Vree, zijn aanstelling als corporatielid terug. ‘Na wat Ds. Geelkerken zondagavond heeft gezegd, kan ik niet meer bij hem kerken,’ zegt hij boos.

Op het spreekuur donderdagavond bij Ds. Geelkerken vraagt de heer Vree wat de predikant toch gezegd heeft dat broeder Marinus zo heeft ontstemd. Ds. Geelkerken zucht. De klacht irriteert hem in hoge mate. Hij vindt veel in de gereformeerde kerk van Amsterdam wat hem tegenstaat en verontrust. Het intellectualisme, dat het dogmatisch systeem in de plaats schuift van de waarheid Gods; het confessionalisme, dat de belijdenisformule stelt in plaats

[p. 89]



illustratie
Prentbriefkaart uit 1923. Nederland viert het zilveren regeringsjubileum van de 43-jarige Koningin Wilhelmina.



illustratie
Vaandel van de Leidse Christelijke Oranjevereniging.



illustratie
Programma van het zilveren kroningsfeest in 1923 te Hasselt.

[p. 90]



illustratie
De koninklijke familie aan het strand.



illustratie
Voor- en achterzijde van het programma 25-jarig regeringsjubileum Koningin Wilhelmina.

[p. 91]

van het Evangelie; het alleen maar historisch geloof dat zijn belijdenis en zijn eigen christen-zijn belijdt instede van Christus.

En nu dit. Een klacht dat hij getwijfeld zou hebben of er wel werkelijk een slang in het paradijs heeft gesproken...

Wijkouderlingen komen broeder Marinus vertellen dat de kerkeraad z'n klacht ongegrond oordeelt, maar broeder Marinus is niet tevreden. Hij zoekt het hogerop. De zaak-Geelkerken rolt.

De komedie van het Hitlerproces

Als ik hier als revolutionair sta, dan is dit als revolutionair tegen de revolutie. Er bestaat niet zooiets als hoogverraad tegen de verraders van 1918.

Voor het eerst dringt in Nederlandse bladen de naam door van Hitler. De thans 35-jarige leider van een nationalistisch-Duitse partij staat in maart met enkele anderen in München terecht wegens samenzwering tegen de Staat. Hij ontkent niet. Zonder enig voorbehoud te maken, geeft hij tijdens het weken durende proces toe in november vorig jaar een revolutie te hebben willen ontketenen. De poging is mislukt. De politie schoot. Er vielen doden. En Hitler gaf het op. Z'n hoop dat leger en politie zich achter hem zouden scharen, was niet in vervulling gegaan.

Maar Hitler weet dat velen, die de sociaal-democratische president Ebert verachten, en die naar herstel van het oude ‘Deutschtum’ verlangen, sympathiseren met hem, de nationalist, die de vernietiger wil worden van het internationale marxisme en die Duitslands vroegere glorie wil doen herleven.

Zal de rechtbank deze rechtse revolutionair durven veroordelen?

De Standaard van 2 april meldt:

Het Münchener ‘Volksgericht’ heeft toch den ‘moed’ gehad om veroordeelingen in het proces-Hitler uit te spreken, al zijn het er dan ook straffen naar! Het heeft Hitler, Pöhner, Kriebel en Weber tot 5 jaar vestingstraf veroordeeld, die echter na 6 maanden ‘voorwaardelijk’ kan worden gemaakt; Ludendorff is geheel vrijgesproken...
Het zou wat al te bar zijn geweest om alle beklaagden geheel vrij te spreken, maar men heeft toch zoo weinig straf opgelegd, als men maar enigszins doen kon.
Vreugde in rechtsche kringen ... scherpe afkeuring daarentegen in de organen en bij de aanhangers der democratische partijen, die het vonnis van München beschouwen als een vrijbrief voor rechtsche staatsgrepen in de toekomst en als slag in het aangezicht der republikeins-gezinden. Een Wolff-telegram uit Berlijn meldt daaromtrent nog nader: De rechtsche bladen hebben met voldoening gezien, dat bij het Hitlerproces ten minste Ludendorff is vrijgesproken. Verder hopen zij dat aan de veroordeelden de straf spoedig zal worden kwijtgescholden. De meer linksche bladen zijn niet tevreden met het vonnis. Het Berliner Tageblatt spreekt van een ‘angst-vonnis’ en van een justitie-bankroet.

Het gelukt echter niet allen in a.r.-kring om zich geheel te ontworstelen aan de gedachte dat Hitler toch maar tegen het rode internationalisme revolteerde. Gezag is gezag, maar toch...

[p. 92]


illustratie
Reeds op 29 maart 1924 tekende Jordaan een spotprent op de 35-jarige Adolf Hitler in het socialistische blad De Notenkraker.

In het a.r.satyrieke blad De Houten Pomp van 14 maart dicht ‘Harry’:

 
‘Herr’ Hitler wordt beschuldigd
 
Van een revolutiedaad,
 
En in Duitschland is dat strafbaar:
 
(Hier in Holland kan 't geen kwaad).
 
 
 
Nu staat Hitler voor de rechtbank
 
Met zijn eed'le vriendenschaar.
 
En hij zal zich gaan verweren,
 
Anders wordt de straf heel zwaar.
 
 
 
‘Ik’, zoo zegt hij, ‘ik ben schuldig,
 
Want mijn toeleg is mislukt,
 
Maar, waarom krijgt hij z'n straf niet,
 
Wien zoo'n revolutie-daad gelukt?’
[p. 93]
 
Sta nou niet zoo raar te kijken.
 
Waarom heerscht de Keizer niet,
 
Of de Kroonprins? Zeg dat nou eens,
 
Ik wil leeren, zoo je ziet.
 
 
 
Moet ik nu 't gelag betalen,
 
Nu mijn greep een misgreep was,
 
Heeren rechters, toont erbarmen,
 
Velt uw vonnis niet te ras.

De Berlijnse correspondent van het a.r.-dagblad De Standaard, E. Jan Stoffels, oordeelt evenwel 7 april:

Op zichzelf was het Hitlerproces en is de uitspraak van de rechters geen heugelijk feit, waarover zich Duitschland mag verblijden ... De putsch, het proces, en het vonnis doen niet voor elkander onder: comedie, aanstellerij en blamage zijn de juiste benamingen voor alle drie...

Vóór Kerstmis laat Duitsland Hitler en Kriebel alweer vrij.

Studenten wekken beroering met ‘Saul en David’

De Vrije Universiteit trilt voorjaar 1924 op haar grondvesten. Het volk is ontzet. ‘Walgelijk, walgelijk, driedubbel walgelijk,’ krijt de theoloog Prof. V. Hepp in het weekblad De Reformatie. Het kookt in calvinistisch Nederland. Wat is er geschied? Het woord is aan Dr. J.C. de Moor, die in de Utrechtsche Kerkbode een poging onderneemt de affaire ‘met kalmte en ernst’ te bespreken.

De laatste weken is in onze kerkelijke wereld groote beroering veroorzaakt door eene tooneelvoorstelling, gegeven in den Stadsschouwburg te Amsterdam door een ‘christelijke tooneelvereeniging’, bestaande uit een aantal ‘intellectueelen’, waarvan een niet gering getal studeert aan onze Vrije Universiteit.
Toen de circulaires, die uitnoodigden tot bijwoning van dezen avond, in vrij breeden kring waren rondgezonden, is aanstonds in onze pers tegen dit voornemen geprotesteerd. Ook is de vraag gesteld, in hoeverre de Vrije Universiteit daarbij betrokken was. Werd laatstgenoemde vraag aanvankelijk aldus beantwoord, dat deze vrijwel erbuiten bleef, nadere inlichtingen en inzonderheid publieke mededeelingen van Dr. J.G. Geelkerken bewezen, dat dit moeilijk langer kon worden volgehouden. Inmiddels was Prof. Hepp zijn artikelen over dit onderwerp in De Reformatie begonnen, die niet den brand hebben ontstoken, doch wel de vlam hoog deden uitslaan. Alle pogingen om het geven der voorstelling te voorkomen, mislukten. Ze had plaats, en de studenten werden door Querido (de schrijver van het stuk) openlijk om hun moed geprezen. Al verder woekerden de vlammen voort. Prof. Buitendijk nam het op voor de studenten, wilde niet langer redacteur van De Reformatie zijn, daar hij ‘met zijn naam niet langer de volksvoorlichting van Prof. Hepp mede wenschte te dekken’, en verklaarde de tooneelvoorstelling met genoegen te hebben bijgewoond. De strijd tusschen De Reformatie en Dr.
[p. 94]
Geelkerken (in de Overtoomsche Kerkbode) werd al heviger en hield eerst op aangezien Prof. Hepp verdere discussie voor onmogelijk verklaarde.
Kerkeraden en Locale Comité's der VU gingen zich in den strijd mengen met moties en verzoeken. De pers stond vol ervan. 75 studenten der VU stelden zich per motie te weer tegen Prof. Hepp en vóór Prof, Buitendijk. De Senaat der VU vergaderde en nam een motie aan. Evenzoo deden Directeuren en Curatoren, terwijl ook Deputaten voor het Verband tusschen de Gereformeerde Kerken en de Theologische Faculteit in het geschil werden betrokken. Het scheelt niet veel, of het huis der VU brandt aan alle zijden; men moet de gesprekken daarover maar eens hooren. Er is heel wat brandstof en van bezinning om den brand te blusschen is niet veel te bemerken...

Inderdaad is ‘De Tante van Charley’ van 1921 een storm in een glas water, vergeleken bij de deining die de opvoering op 15 april door VU-studenten veroorzaakt van het in 1915 door de remmeloze romanticus Israël Querido geschreven treurspel ‘Saul en David’.

saul
't Is goed. Nu speel! -
(David gaat weer naar zijn harp en speelt een droef gezang. Saul, half schreiend, in betoovering verstomd, strekt zijn handen naar den harpenaar uit.)
saul (met betraande oogen)
Dat is mijn hart, dat zingend weent...
Mijn zoon, het komt zoo diep van binnen uit, dat snikken van uw lied ... (David, verheugd, aarzelt vóór hij naar Saul toegaat.
Plotseling, op den achtergrond een schuchtere saamstoeting van vrouwen en volk.)
vrouwen
Hoort volk! ... Hoort! Hoort! David speelt! onze groote held!
andere vrouwen (met enkele mannenstemmen er doorheen)
Saul sloeg zijn duizenden...
weer andere vrouwen
Maar David zijn tíen duizenden!
stemmen
Heil David!!! ... Heil! De grootste held van Israël!
(Saul, hevig ontroerd, rukt zich hijgend overeind van zijn zetel. Zijn gezicht verwringt afgrijselijk, door woede getergd. Hij grijpt zijn speer en werpt die in razernij naar David. Deze laat zijn harp angstig vallen, ontwijkt en vlucht verschrikt.)
saul (rauw en smartelijk krijtend naar het dal): Gelógen volk! ... gelógen!! ... (hij valt bewusteloos neer.)
doek

De VU-studenten hebben ditmaal gemikt op niveau. Louis Saalborn heeft de regie. Een grote schare is bij de opvoering betrokken. Gerepeteerd is o.a. in de Senaatszaal van de VU (‘waar zooveel gewijde herinneringen hangen’ - Dr. De Moor).

[p. 95]


illustratie
Rolverdeling uit het programma van de deining verwekkende opvoering van ‘Saul en David’ door VU-studenten.

[p. 96]

Ook de theeschenkerij in de foyer van de Stadsschouwburg is een VU-aangelegenheid. Dames uit VU-kringen (o.w. mej. G. van der Molen) staan in de pauze met theepotten de cultuurdorstigen op te wachten. De relatie tussen het gebeuren in de Stadsschouwburg en de VU valt niet te verdoezelen. Vóór de opvoering is er al geklaagd bij de gereformeerde kerkeraad van Amsterdam.

Dat levert de volgende motie op:

De kerkeraad, kennis nemende van enkele ingekomen bezwaarschriften inzake een voorstelling, getiteld ‘Saul en David’, te geven door een christelijk tooneelgezelschap, in den Stadsschouwburg, vermaant ten ernstigste de studenten, die leden der Gereformeerde Kerk mochten zijn, aan deze voorstelling niet deel te nemen en spreekt zijn vertrouwen uit, dat geen der gemeenteleden deze voorstelling zal bezoeken.

Maar vrijwel niemand trekt zich er iets van aan. Dr. De Moor verzucht:

Wanneer men terugdenkt aan de droeve geschiedenis met ‘De Tante van Charley’ kan dit trouwens moeilijk zoo bevreemdend genoemd worden.

Drie dagen na de opvoering brengt Prof. Hepp de lezers van De Reformatie op de hoogte van wat hij gelezen (niet gezien) heeft. ‘Afkeerwekkende lectuur’, ‘krenkend voor de vrouweneer’, ‘voor den Calvinist niet slechts, maar voor ieder, die door de moderne moraal niet is vergiftigd, zedekwetsend’, ‘kwetsend voor de Gereformeerde, ruimer voor de christelijke zede.’ Prof. Hepp's hoofdbezwaar blijkt gelegen te zijn in de onzedelijke woorden en schandelijke beschouwing over David.

Hij biedt zijn lezers een citaat uit het stuk.

david (ingehouden, droom'rig)
O, deze vrouw, mijn Abjathar...
Zij rooft mij Michal's heugenis.
Rond haar schoon gezicht
zij spant een tooverij van licht...

abjathar:

Zoo vurig is haar woord,
zoo smachtend...
david (hevig)
Stil Abjathar ... mijn zinnen branden
van huiverende lusten áf!
Blaas niet in den gloed!
Zeg haar ... ik kom! -
Abjathar eerbiedig af.

‘Walgelijk, driedubbel walgelijk,’ krijt Prof. Hepp. ‘Maar ook al zou men deze passage schrappen, dan schoot men er niets mee op, want het was walgelijkheid, door heel het tooneelstuk heen’.

In de Overtoomsche Kerkbode van 1 juni staat Dr. J.G. Geelkerken na lezing van het stuk ‘stom verbaasd’, hoe ter wereld iemand er over schrijven kon gelijk Prof. Hepp. Hij ‘kan z'n ooren bijna niet gelooven’. Dr. Geelkerken oordeelt:

David wordt er volstrekt niet in ‘uitgebeeld als een van jonge man af zinne
[p. 97]
lijk schepsel’. Hij komt er integendeel wel degelijk telkens in uit als iemand van hoog zedelijk karakter, ook als ‘uitverkorene des Heeren’.

Lezing van het stuk heeft Dr. Geelkerken ‘niet alleen kunstgenot, maar zelfs stichting’ gegeven.

Dit is niet het geval bij Dr. de Moor. Ook deze verstrekt zijn lezers (van de Utrechtsche Kerkbode) een passage uit Davids tekst.

Ik dacht ... de lokking uwer vormen, zwoel,
de trilling van uw borst,
de geuren om uw lenige gestalt'...

‘Het is vunzig’, schrijft Dr. de Moor - het Hooglied vergetend - ‘Het doet ons - als het waar was - allen eerbied voor David en Abigaël verliezen’.

Hij is overigens tegen alle tooneel.

... In den tegenwoordigen tijd lijkt mij alle tooneelspel en schouwburgbezoek voor den Christen niet geoorloofd...

Ook amateurtoneel kan geen genade vinden in de ogen van de predikant.

Wie zich laat besmetten door deze bacil, moet zich niet verbazen wanneer straks de ziekte doorwoekert en edele deelen schaadt.

Hij roept de studenten toe:

Besteedt uw tijd en geld niet aan schmink, regie, schouwburghuur, en rollen leeren, doch bestudeert de geschriften onzer voormannen.

En het allervoornaamste bezwaar van Dr. de Moor tegen Saul en David was, dat de geest der Heilige Schrift in dit stuk volstrekt zoek is.

... die moest zoek zijn. Men kon dit tevoren weten. Want I. Querido is een Jood. En een Jood kan nooit de ontzettende tragiek der tegenstelling tusschen Saul en David gevoelen...

De protestbrief, die de theologische faculteit van de VU krijgt van deputaten van de gereformeerde kerken, ademt dezelfde geest. Het deed deputaten leed dat ‘het heilige is aangerand...’

... door het opvoeren van een tooneelstuk als dit, waarin de Schriftgegevens op ergerlijke wijze zijn misbruikt, terwijl zij konden weten, dat reeds op zichzelf genomen aan een Jood, en aan een Jood als Querido, dit heilige niet kon worden toevertrouwd.

De VU-senaat begrijpt dat er iets moet gebeuren. Op 16 mei komt er de volgende uitspraak:

De Senaat der Vrije Universiteit...
geen oordeel uitsprekende over de theoretische kwestie van het tooneel of over de praktische quaestie van de voorstelling van ‘Saul en David’, omdat daarover onder Gereformeerden een zeer verschillend oordeel mogelijk is, besluit echter al zijn invloed te zullen aanwenden om te verkrijgen, dat de studenten, terwille van het Gereformeerde volk en de liefde voor onze Universiteit, zich onthouden van voorstellingen, welke buiten eigen kring plaats hebben.

‘Het compromis-karakter ligt er dik op,’ constateert Dr. W.A. van Es in de Leeuwarder Kerkbode,

... toch is het de vraag of de Senaat onzer Hoogeschool - in de gegeven
[p. 98]
omstandigheden - wel anders had kunnen besluiten. De gevoelens over het tooneel zijn onder ons niet gelijk...

Tot degenen, die vinden dat er niet fors genoeg is opgetreden, behoort minister H. Colijn, directeur van de VU.

Hij schrijft z'n mededirecteur J.H. de Waal Malefijt op 8 juni de volgende brief:

Ik zie dat de vergadering van Dinsdag a.s. ook eenige ingekomen brieven bespreken zal in verband met de opvoering van ‘Saul en David’. Ik moet dien dag voor een conferentie op Het Loo zijn en kan dus de vergadering niet bijwonen. Ik heb over deze zaak wel een persoonlijk oordeel, maar dat is nog iets anders dan vereischt wordt van een Directeur, die wellicht zal moeten meewerken aan een handeling van Directeuren uitgaande. Voor dit laatste weet ik te weinig van hetgeen eigenlijk is voorgevallen.
Het stuk ken ik niet.
De omstandigheden die het gebeurde omringen zijn mij onbekend.
Ik heb dus niet heel veel meer dan een indruk.
En die is niet gunstig.
Het optreden van den Senaat is water- en melkachtig.
Ons Volk ziet in deze zaak vooral een symptoom van verwereldlijking in den kring der Universiteit.
Ik herinner nog eens aan wat ik op een der eerste vergaderingen van Directeuren aan de orde stelde. Dit nl.:
De VU drijft op de theologische faculteit.
Gaat die het vertrouwen van ons Volk missen, dan zinkt de hele Universiteit weg.
Of: m.a.w. als Kampen de theologen gaat krijgen, dan is het met de rest spoedig gedaan. Daarom waagde ik destijds een poging om het vraagstuk der saamsmelting Kampen-Theologische faculteit nog weer eens aan de orde te stellen.
Men wilde dat toen niet.
Maar dan moet aan het alternatief stevig de hand gehouden. Dat is: er moet gezorgd worden, dat het vertrouwen van ons Volk ongerept gehandhaafd blijft.
En om dát te bereiken, zal er vermoedelijk met klem moeten worden opgetreden.

Dit gebeurt prompt.

Op 10 juni spreken de VU-leiders uit:

... dat zij, die verbonden zijn aan een Universiteit welke zich geheel en al stelt op den bodem der Gereformeerde beginselen en opkomt uit het leven van het Gereformeerde volk, verplicht zijn, om bij hun openlijk optreden in alles, rekening te houden met de Gereformeerde zede; (en)
betuigen daarom hun diep leedwezen, dat het geven dezer tooneelvoorstelling allerminst hiermede in overeenstemming is geweest...

De uitgeverij W. Kirchner te Amsterdam brengt een onveranderde herdruk van het in 1881 verschenen boekwerkje: Behoort een Christen in de Komedie? van de Geneefse predikant G. Tophel.

[p. 99]


illustratie
Druk werd in 1924 in het weekblad De Spiegel geadverteerd met dit boekje.

Opgang, Christelijk tijdschrift voor Kunst en Letteren, komt in juni met een extra nummer uit, gewijd aan de kwestie ‘Saul en David’, waarin tal van prominenten hun licht over het brandende toneelvraagstuk laten schijnen. Standaard-redacteur H. Burger schrijft daarin:

Het orgelspel in de kerk werd vroeger niet geduld. Een bezoek aan een concertzaal heette verflauwing der grenzen. Een gereformeerde dominee in toga een bijzonder mensch. De Gezangenkwestie in de Gereformeerde Kerken is nóg een lastig vraagstuk. Veel is reeds veranderd, veel zal nog gereformeerd worden. Het kan niet anders. De geestelijke ontwikkeling staat nimmer stil en de mensch volgt...

Ds. Klaas Schilder te Delft laat in dit nummer van Opgang weten:

Op den bodem van een christelijke wereld- en levensbeschouwing zie ik, onder veel voorwaarden en met alle beperking, die de christelijke vrijheid meebrengt, in abstracto plaats voor een christelijk tooneel. Maar ik acht het tevens tamelijk wel onbereikbaar.

En enkele maanden later (in september) constateert Ds. Schilder in Op den Uitkijk met lichte spot:

En dan - ‘Saul en David’! Ineens is het rumoer verstomd en leggen zich de golven. Hoe is het mogelijk?

Is gemengd zwemmen spelen met vuur?

Waarom ik me zóó boos maakte, dat den geheelen avond mijn naald vinnig
[p. 100]
door het naaiwerk vloog en elke steek een denkbeeldig iemand een prik gaf?

Benieuwd buigen 22 juli 1924 zich de lezers van De Nederlander (c.h.) over de rubriek ‘Vrouwenleven’, waarin mevrouw Van Hoogstraten-Schoch de vraagstukken van de tijd bespreekt.

Dat was niet omdat B. en W. van Haarlem een proef namen, om te zien of gemengde baden iets aanbevelenswaardig waren ... neen, ook niet omdat de heer Joosten (SDAP) in de discussie den nadruk er op legde, dat het zich geheel inpakken van de dames, oorzaak kan zijn dat het sexueel gevoel meer geprikkeld wordt (het is een feit, dat er in onzen tijd menschen zijn met zeer eigenaardigen aanleg), maar omdat ik verontwaardigd was en ieder serieus mensch zou dat ook zijn, wanneer mannen en vrouwen in een gemeenteraad lachen, als het gaat over dingen met zulke vèrstrekkende gevolgen.
O, zeker, men kan over alles grapjes maken. Hah! Hah! Zulke dompers als toch die christelijken zijn, zulke nachtuilen! In alles zien ze kwaad. Hah! Hah! Hah!
Kijk met den heer Gerritsz naar het buitenland, daar heeft men in de Gem. Zweminrichting ook gemengde baden en wat de verwording van de jeugd betreft, hah! hah! hah! daar is het zoo erg niet meer! Malligheid, onzin, dwaasheid! Ik zou aan alle menschen die gelachen hebben in den Haarlemschen gemeenteraad, toen de christelijk-historische heer Joh. Visser sprak, willen vragen: ‘Zijn jullie vaders en moeders? Moeten we het onzen kinderen in dezen tijd nog moeilijker maken?(...) Zijn jullie dan vergeten hoe het jonge bloed bruist en hoe de hartstocht, eens opgewekt, een haast onoverwinnelijke vijand is?(...)
Laten we op sexueel gebied nu maar niet met het buitenland komen aandragen, en liever God danken, dat we onze kinders nog in een tamelijk reine Hollandsche atmosfeer kunnen opvoeden.
Wij ouderen moeten open oogen hebben voor de gevaren. Er moet paal en perk gesteld worden aan den te vrijen omgang, aan de losse manieren, aan de verwildering van zeden. Gemengde baden in de gem. zweminrichting van een stad of een dorp zijn nooit of te nimmer aan te bevelen. Het bestaan van zulke baden is een spelen met vuur, een onverantwoordelijke luchthartigheid, een niet willen onderkennen van gevaren...

Het wonder van de ‘draadloze’; NCRV opgericht; de omroepstrijd begint

Wat onwennig staat Nederlands minister van Financiën H. Colijn in een klein vertrekje in de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek te Hilversum. Op de grond ligt een tapijt. Langs de muren hangen zware gordijnen. Tegen een van de wanden staat een bijna manshoge zuil, waarop, in een dik rubber kussen, een vreemd cilindervormig geval rust. Gedienstige heren leggen de hoge gast uit, dat dit de Sykes-Round Microfoon is. Tegen dit ding zal Zijne Excellentie straks moeten spreken. En op hetzelfde moment zal men de minister dan elders in Nederland uit een ontvangtoestel kunnen horen.

Colijn vindt het allemaal wat vreemd. Maar hij verliest zijn waardigheid en zelfbeheersing geen moment. Beminnelijk knikt hij bij het luisteren naar de

[p. 101]

uiteenzetting. Hij zal maar doen alsof hij op een preekstoel stond. Dat lijkt hem het beste.

De heren verwijderen zich. Colijn gaat voor de microfoonzuil staan. Z'n handen hebben de neiging om het gevaarte beet te pakken, zoals ze gewend zijn de randen te omvatten van een lessenaar of kanselbijbel. Maar dát is te gek. Wat moet hij met z'n handen? Omdat Colijn er geen raad mee weet, steekt hij ze maar in de armsgaten van z'n vest. En z'n linkervoet plaatst hij op de zitting van een houten stoel.

Van ruim negen tot ongeveer tien uur spreekt Colijn vrijdagavond 27 juni 1924 tegen het vreemde ding over de slechte financiële toestand van het land. Een verslaggever van het a.r.-dagblad De Standaard is naar het gehoorzaaltje gesneld, dat de firma P. Geervliet in de Amsterdamse Kerkstraat heeft ingericht, om vrijdags- en maandagsavonds geïnteresseerden in het wonder van de draadloze te ontvangen.

De volgende dag leest het Standaardpubliek, welk mirakel is geschied.

Het was inderdaad schitterend, zoo goed als wij den spreker hebben verstaan. Behalve 'n enkel hiaat in het begin - wat we gaarne aan onze onwennigheid toeschrijven - vingen wij de rede bijna woord voor woord op.
Eerst gaf Z. Exc. een inleidinkje over het vreemde van te spreken in een kleine ruimte, zonder zijn gehoor te zien. Onwillekeurig denkt men aan een stem des roependen in de woestijn. Maar er zijn aan het spreken op deze wijze ook voordeelen verbonden; men behoeft bij voorbeeld nooit in repliek of dupliek te treden, wat vaak is een herhalen, van wat reeds in eerste instantie is gezegd...

Uitvoerig vernemen de Standaardlezers wat de verslaggever opgevangen heeft van Colijns visie op de benarde toestand van 's lands financiën. Er moet drastisch bezuinigd worden. De eindjes moeten aan elkaar worden geknoopt. De malaise heeft overigens regelrecht geleid tot de inrichting van de radiostudio van de NSF, die tot dusver kompassen, scheepstelegrafen, radiozenders en ontvangers voor schepen maakte. Maar steeds meer schepen worden opgelegd. Koortsachtig zocht de NSF-directie naar nieuwe afzetgebieden. Een jaar geleden kwam men op de gedachte, om radio-ontvangers voor huiselijk gebruik, in de handel te brengen. Maar wanneer de mensen er niets zinnigs mee konden horen, zou dat nooit lukken. Daarom ging de fabriek zelf een programma uitzenden.

Zeer vereerd is men thans door de komst van de minister, die zich bereid heeft verklaard zijn financieele beleid in het gordijnenkamertje toe te lichten.

Het Standaardverslag van deze voor Europa unieke gebeurtenis eindigt aldus:

Ik dank mijn onzichtbare hoorders zeer, besloot de minister, voor het geduld, waarmede ze mij hebben aangehoord. Ik hoop dat ze mij hebben verstaan en dat zij ernstig zullen blijven nadenken over den toestand van ons land.
Toen dankte iemand, namens de hoorders, op zijn beurt den Minister.

Heeft men Colijn ook elders kunnen horen? Zeker, zo meldt De Standaard:

Uit Halfweg meldt men ons dat daar een 25-tal politieke vrienden zeer duidelijk de rede van minister Colijn hebben kunnen volgen. Uit Amersfoort
[p. 102]
meldt ons een medewerker, dat hij de rede uitnemend heeft kunnen volgen.

In het gordijnenkamertje had enkele maanden eerder, op 4 april, de evangelist Johannes de Heer van de Maranatha-beweging gestaan. De heren van de NSF stonden aanvankelijk wat sceptisch tegenover het experiment. De meeste luisteraars zouden waarschijnlijk niet van een stichtelijke uitzending gediend zijn. Maar het experiment werd gewaagd. Hilversumse diakonessen zongen en Johannes de Heer sprak onder de titel: ‘Hoe wij door de draad-looze de geestelijke dingen verstaan’.

Ongeveer 400 rapporten stroomden bij de NSF binnen. De heren hadden toen toegegeven zich te hebben vergist. Er kwamen ook luisteraarsbrieven, waarin aangedrongen werd op de oprichting van een christelijke radio-vereniging. In zijn blad Het Zoeklicht raadde Johannes de Heer om deze zaak door anderen ter hand te doen nemen. Hem ontbrak daarvoor de tijd en bovendien is hij vrij ernstig ziek geworden.

P.K. Dommisse te Maassluis neemt het initiatief. Een week voor Colijns radio-toespraak, vergadert hij met vijf andere mensen in Utrecht. In De Spiegel van 12 juli verschijnt de volgende advertentie:



illustratie

[p. 103]

Een week nadat deze advertentie in De Spiegel staat, blijkt in Nederland de omroepstrijd te zijn begonnen. Zo verschijnt 19 juli in De Notenkraker (SDAP) een spotvers van Mr. Punch, getiteld: ‘Ode aan de christelijke golflengte’ (uitgevonden te Maassluis, A.D. 1924).

 
Preeken doorklieven de sferen,
 
Om de wankele menschheid te leeren,
 
Vast te staan in de leer...

Zo begint het gedicht, waarin een (christelijke) Piet Jansen ten tonele wordt gevoerd, die bevreesd is dat het eigen volk - via de draadloze - besmet zal raken met de leer van anderen.

 
Ieder dwaalt - minus één
 
En dat is Piet Jansen alleen.
 
Zoo scheidt ieder geiten en bokken,
 
Postduiven- en konijnenhokken,
 
Stamboekhengsten en algebra,
 
Volgens Piet Jansen z'n ‘ethica’.
 
Niemand mag iets hooren
 
- Of hij is reddeloos verloren -
 
Van wat Klaas Willemsen leert,
 
Die de waarheid te kennen beweert.
 
Want zijn leer is doemwaardig slecht;
 
Piet Jansen heeft 't zelvers gezegd.

Op 15 november wordt de eerste Nederlandse omroepvereniging de NCRV officieel opgericht. Tot voorzitter wordt benoemd Mr. A. van der Deure te Bennekom. Tot de oprichters behoren verder de heren P.K. Dommisse, F. de Boer, E.J. de Bruin, W.A. van Os, Ds. K. Schilder, Ds. A.C.G. den Hertog en burgemeester Pruis van Vlaardingen.

Twee belangrijke besluiten vallen er. Voor ƒ3000 huurt de nieuwe vereniging een heel jaar zendtijd op woensdagavond van de NSF. Verder wordt met de uitgeverij Gebr. Zomer & Keuning te Wageningen een overeenkomst aangegaan voor de uitgifte van het Chr. Tijdschrift voor Radio, officieel orgaan van de NCRV.

De lezers van De Standaard vernemen 23 december, dat de nieuwe vereniging morgen voor het eerst een radio-avond zal geven.

... aan een ieder, die een ontvangtoestel bezit, wordt verzocht kennissen en vrienden uit te noodigen, om zooveel mogelijk personen in de gelegenheid te stellen dezen belangrijken avond te volgen. Zij, die in staat zijn voor een grooteren kring met luidspreking te demonstreeren, worden alsnog verzocht om morgen, hetzij voor publiek, hetzij voor een aantal genoodigden een demonstratie te organiseeren.

Voor het eerst klinkt aan de vooravond van Kerstmis 1924 het roepteken:

Hier is Hilversum, de NCRV.

Het Lutherlied klinkt uit de luidspreker en ‘Daar ruischt langs de wolken’. En Kuypers vertrouweling Idenburg spreekt over de christelijke radio-

[p. 104]



illustratie
Grapje in Het Schouwvenster van 2 januari 1925.



illustratie
Spotprent in De Notenkraker van 28 februari 1925 op de oprichting van de NCRV. (De VARA werd pas in november 1925 opgericht.)

telegrafie. Hij voelt zich nóg onwenniger dan Colijn voor dat vreemde ronde ding. Spreken doe je tegen mensen, niet tegen dingen. Geen nood. De jonge vereniging trommelt een ‘gehoor’ bijeen van ongeveer 40 mensen.

Alles moet wennen.

‘Wij gaan dus ook meedoen daar in Hilversum,’ schrijft Ds. K. Schilder te Delft in Op den Uitkijk van 6 december. Hij noemt deze stap:

... een voorzorgsmaatregel, waarbij te rechter tijd gebruik gemaakt is, voor onze christelijke actie, van een verschijnsel, dat er is, dat de bewondering wekt en dat in de toekomst meer zal beteekenen, dan wij met z'n allen op dit oogenblik droomen kunnen.

De zedelijke verwildering van 1924

En de zeden blijven maar verwilderen. Het verdriet de Rotterdamse kinderrechter H. de Bie in De Nederlander (c.h.) van 21 juni, dat niet iedereen instemt met deze klaagzang.

[p. 105]
Wij klagen in de na-oorlogsche jaren zoo over zedenbederf en verwildering, maar velen trekken de schouders op of willen het niet zien. Laat de menschen genieten; na zwaren arbeid hebben zij er recht op, zoo pleiten menschen die er prat op gaan, dat zij in het bijzonder het wél meenen met de breede lagen van ons volk. Jeugdorganisaties zonder leiding van onderen en waarin de sexen samen zijn, is een ideaal van de laatste jaren ... Open-hartigheid op sexueel gebied wordt bepleit en er worden door lectuur en vertooning en dans, gedachten en voorstellingen gewekt in onze onevenwichtige jongens- en meisjesharten, die verwerkelijking zoeken, tot daden drijven. Het bewijs te leveren aan menschen, wier oogen voor deze gevaren niet openstaan, is echter niet zoo gemakkelijk. Men zegt, dat onzedelijkheid er altijd geweest is of men noemt ons zwartkijkers, die een jong leven geen pretje gunnen. Maar als wij de statistiek opslaan, kunnen wij met cijfers komen...

Trouwens, de spoorwegen kunnen er ook een boekje over open doen. Zojuist heeft de spoorwegdirectie zich genoopt gezien een ‘kleedingvoorschrift’ uit te vaardigen voor het vrouwelijk personeel, dat de dames - gedurende de diensturen - gekleed moeten zijn in een ‘aan de hals behoorlijk gesloten bovenkleed van niet -doorzichtige stof, met tot de polsen reikende mouwen’.

De Van Houtens fabrieken hebben het voorschrift al overgenomen en ook enkele wethouders overwegen om de bij de gemeente in dienst zijnde dames op deze wijze tot grotere zedigheid te dwingen.

Ontdaan roept mevrouw J.M. Westenbrink-Wirtz in Het Schouwvenster van 10 oktober: ‘Hebben wij steeds onzen plicht gedaan?’

O, zeker, er is, en er wordt onder ons geprotesteerd tegen de groote wuftheid in kleeding en manieren. Maar waren het niet teveel de enkelen, zij, die door de een of andere reden een meer vooraanstaande plaats bekleedden, waren het ook niet b.v. in 't bijzonder de predikanten, die dit deden? ... Wanneer eens alle christen-moeders van 't begin af haar plicht hadden gedaan ... Want dít is 't geweest: we hebben ons wel verzet, maar te zwak. We hebben langzaam aan kamp gegeven. Wat we eerst te erg vonden, leek een volgend seizoen, als de mode alweer een stapje verder was, toch tamelijk onschuldig. En zoo sukkelen we mee, in de achterhoede ondanks ons-zelf, maar toch: we gingen mee. Hoe anders zou het te verklaren zijn, dat ook bij onze christen-meisjes, dat zelfs in onze kerken toiletjes gezien worden, die den eisch van welgevoegelijkheid niet kunnen doorstaan?
En omdat deze dingen zoo zijn, daarom is het feit, dat een dienstorder, als die bij de spoorwegen noodig was, ook voor ons beschamend.

De Schouwvensterredactie zelf maakt de indruk een tikje minder zwaarmoedig gestemd te zijn over de ontwikkeling van de damesmode. Voor een mannenmopje is althans ruimte. Op 24 oktober wordt van lezer E.K.B. te W. het volgende puntdichtje geplaatst:

 
Korte mouwen, korte rokken,
 
En een korte paraplu,
 
Kort zijn zelfs haar mooie lokken,
 
‘Kort van stof’ (?) is 't vrouwtje nu.
[p. 106]

Het dansverbod, dat dit jaar door de roomse geestelijkheid is uitgevaardigd, ontgaat de protestantse zedeprekers niet. De Heraut schrijft hierover:

Dit verbod nu trekt daarom te meer de aandacht, omdat de Roomsche moralisten tot dusver over het dansen zeker veel minder streng oordeelen dan de Gereformeerde Puriteinen.
Blijkbaar begint men thans ook in Roomsche kringen in te zien, dat de onderscheiding tusschen zedelooze en niet zedelooze dansen in onze dagen vrijwel een denkbeeldige is geworden. Reeds in de danswoede, die zich vooral na den wereldoorlog van de volkeren heeft meester gemaakt, schuilt een zeer ernstig zedelijk gevaar. Maar nog veel meer daarin, dat al deze moderne dansen er als op toegelegd zijn om de zinnelijkheid te prikkelen en verkeerde hartstochten op te wekken en te bevredigen ... En elke nieuwe dans, die wordt ingevoerd, maakt de samenstrengeling der lichamen nog nauwer en draagt een nog meer pervers karakter. Er is maar één middel, dat hiertegen helpen kan: de geheele onthouding ... Het is de Christelijke Kerk, die in de eerste plaats geroepen is om tegen zulke zedelijke afdwalingen te waken. In onze Gereformeerde kringen is het dansen gelukkig nog zulk een groote uitzondering, dat zulk een dansverbod van den kansel niet noodig is.

De Nieuwe Provinciale Groninger Courant van 15 september signaleert een neo-Malthusiaans insluipsel in de Haagsche Post (zgn. neutraal). Dit blad schreef:

Wil men oorlog de wereld uithelpen, dan zal men moeten geraken tot verstandige beperking der menschenbevolking. Onze planeet, die thans 1600 millioen menschen telt, die meerendeels in nood, zorg en angst leven, kan er vermoedelijk 600 miljoen in volmaakte zedelijke en stoffelijke welvaart herbergen, en naar een waarlijk hooge beschaving opvoeren.

‘Me dunkt, brutaler en cynischer kan het wel niet gezegd worden’, roept de Nieuwe Provinciale Groninger.

Hoe steekt het ongeloof hier den kop op. Met de leidingen Gods in de wereld-historie kan geen rekening worden gehouden. De mensch zal het aantal inwoners bepalen, om gelukkig te kunnen leven.
Het is ontzettend.

Op de jaarvergadering van de Nederlandsche Middernachtzendingsvereeniging spreekt Mr. A. de Graaf over het ‘Zedenbederf der jeugd’. Het is een droevig beeld dat hij schildert.

Er wordt niet anders geconstateerd dan het feit dat de geraadpleegde autoriteiten het er over eens zijn, dat zedenmisdrijven van ouders, veelal van vaders met kinderen, mannen met meisjes (soms zeer jonge), mannen met jongens (soms zeer jonge), en van jongens met meisjes en jongens en jongens onderling, ook wel van oudere meisjes met kleinere jongens, veelvuldig en in den laatsten tijd, vooral in de laatste 3 à 4 jaren in sterk toenemende mate voorkomen.

De (gereformeerde) Leeuwarder Kerkbode van 8 november zegt over deze rede:

Zoekt men naar de oorzaak, dan wordt vooral op het gezin gewezen, de slapheid der ouders en zedelijk verderfelijke lectuur ... Ook tegen een
[p. 107]


illustratie
Minister Colijn was de eerste minister van Financiën ter wereld, die z'n begroting toelichtte via het nieuwe wonder: ‘de draadloze’. Hij sprak bijna 'n uur. Strekking van z'n rede: er moet bezuinigd worden.



illustratie
Advertentie uit het Christelijk Tijdschrift voor Radio.

[p. 108]


illustratie
Een beroemd verkiezingsaffiche in 1925. Zoals het bij de verkiezingen van 1905 voor of tegen Kuyper ging, zo ging het nu voor of tegen Colijn. Hein Kray tekende deze plaat.

[p. 109]
ander mode-idee heft spreker dan waarschuwend den vinger op, de door velen zoo luid aangeprezen sexueele voorlichting.

De Spiegel wist op 16 februari reeds heel zeker:

Onze tijden zijn donker ... Hand over hand neemt de zedenverwildering toe. Ook ons vaderland ontkomt er niet aan, wie oogen en ooren heeft, kan het opmerken.

Jonge mensen zoeken eenheid

Architect Arnold Ingwersen staat midden in het lege kerkgebouw der Hersteld Evang. Luth. Gemeente aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam.

Een tikje hoger ... Ja zo is het goed.

Het doek hangt. Tevreden doet hij een stap terug en leest de tekst.

opdat zij allen een zijn.

En op een ander doek dat al onder het orgel hangt, staat:

vreest niet, gelooft alleenlijk.

De kerk is keurig versierd. Van de eerste gaanderij hangen Perzische tapijten, die gratis beschikbaar gesteld zijn door de firma Reuter en Cohen, aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal. Tegen iedere pilaar van deze gaanderij is een stemmige psalmversiering aangebracht.

Het kerkgebouw is klaar om op tweede kerstdag 1700 christenjongeren van uiteenlopende kerkelijke richting te ontvangen voor het Eerste Christelijke Congres voor Jongeren.

‘Eere zij God’, zingen zij, en ‘Een vaste burcht is onze God’. De organist Jan Zwart sleept de jongeren mee met machtige orgelklanken.

Voorzitter Dr. W.J. Kolkert spreekt de schare toe.

Ons tien procent verschil treedt gemeenlijk meer naar voren dan onze 90% eenheid in Christus.

Jan Schouten spreekt en ook Dr. J. Eykman.

Stil wordt het ook in het kerkgebouw wanneer de hoge preekstoel beklommen wordt door de 66-jarige christelijk-historische minister Johannes Theodoor de Visser, die vier jaar geleden de schoolstrijd tot een beslissende fase leidde. De minister spreekt over ‘Het absolute in Christus’. De jongeren van 1924 horen van hem dat hij een opbloei van het christendom verwacht in de tweede helft der 20ste eeuw.

‘Een te stoute uitspraak’, meent Prof. V. Hepp in De Reformatie.

Maar in het hart van vele jongeren leeft hoop.

En verder...

... vond De Rotterdammer op 14 mei 1924:

De verschillende moordaanslagen, waardoor ons land in den laatsten tijd werd opgeschrikt, doen weer de vraag opkomen of ons land wél gedaan heeft, in afwijking van de meeste Europeesche landen, de doodstraf af te schaffen.

... karakteriseerde Colijn de a.r.staatkunde als

vooruitstrevend conservatisme. Niet het conservatisme, waarmee Groen en
[p. 110]
Kuyper te worstelen hadden, maar het conservatisme, dat beteekent het vasthouden aan het Chr. beginsel. Vooruitstrevend, omdat de a.r.-partij rekening wil houden met de wisselende volksbehoeften.

... ontkent De Standaard op 1 oktober dat we bij de die ochtend gestarte eerste Indiëvlucht te doen hebben met een roekeloos ondernemen of waaghalzerij, zoals sommigen menen. ‘Het gaat hier om een nieuwe verbinding met ons Indië, om het leggen van een nieuwen band tusschen het Nederland hier en het Nederland ginds...’

 

... stelde de Chr. Democratische Federatie (grondslag: ‘de eeuwige beginselen van Gods Woord’) vast:

dat onze Christelijke Regeering te kort schoot in de toepassing der verdeelende gerechtigheid doordat zij te zware offers eischte van de economisch zwakkeren tegenover die der economisch sterkeren.

... vraagt een ontzette Rotterdammer zich op 18 juli af waar we naar toe gaan, naar aanleiding van een advertentie in De Telegraaf, waarin E. Baronesse Van der Feltz en de gepensionneerde zee-officier A.E. Thierens vrienden en kennissen laten weten

dat zij een ‘vrij’ huwelijk zijn aangegaan, wegens de gebrekkigheid der tegenwoordige huwelijkswetgeving, die zelfs bij zeer ernstige verschillen scheiding onmogelijk maakt, indien een der partijen zich daartegen verzet.

... stichten op 8 oktober in hotel l'Europe te Utrecht enkele Nederlandse christenen de vereniging ‘Kerk en Vrede’, die tegen alle oorlog of oorlogsvoorbereiding is.

 

... schrijft op 28 juni ‘Opmerker’ in De Spiegel:

De tijd komt dat Mussolini's despotisme een eind zal hebben. Want hij heeft gebouwd op het fundament van het geweld. En dat is voos. Het socialisme brengt geen heil; het fascisme dat even revolutionair is, doet het ook niet. Alleen het Christendom. Alleen de beginselen, neergelegd in Gods Woord.

... schrijft Dr. Rijk Kramer in een ingezonden stuk in De Standaard van 1 maart o.a. het volgende:

Ons christelijk volk heeft nu eenmaal een eigenaardigheid, dat het op geneeskundig gebied zich zoo gaarne laat voorlichten door daartoe onbevoegden, ook op het gebied der vaccinatie. Het gevolg is geweest en is sedert 1800 herhaaldelijk aangetoond, dat de Christenen meer door de pokken werden aangetast dan de Joden, de Hervormden meer dan de Remonstranten, de Christelijk Gereformeerden meer dan de Hervormden. En al is, dank zij de verplichte vaccinatie, na 1872 geen groote epidemie meer opgetreden, zelfs nú nog meen ik in Amsterdam verschil op te merken tusschen de Gereformeerden A en B.

prepostterug  begin  verder