terug  begin  verderprepost
[p. 111]

1925

Verbergt Duitsland wapens?

De voorgenomen ontruiming door Britse troepen van het Keulse bruggenhoofd is niet doorgegaan. Geruchten willen dat Duitsland, in tegenstelling tot wat bepaald is, tóch wapendepots verborgen houdt.

L. Penning schrijft 9 januari 1925 in Het Schouwvenster:

Is dit werkelijk zoo? Denkt Duitschland aan een nieuwen oorlog? Wil dit verpletterde volk opnieuw de oorlogsfanfare blazen? Men moet wel erg onnoozel zijn om zulks te gelooven. Het Duitsche volk denkt aan heel iets anders, en deze Duitsche regeering, die zich door bedachtzame gematigdheid heeft gekenmerkt, is stellig niet voornemens, het verderfelijke pad in te slaan, waar de pinhelmen van Ludendorff worden gevonden.

En op 16 januari meent Penning:

Nu kan het wel waar zijn, dat de bezwaren, die de contrôle-commissie der Entente tegen de militaire organisatie en kazerneering der Duitsche rijkspolitie maakt, juist zijn, in zoover als deze organisatie en kazerneering indruischt tegen de voorschriften, doch dan deugen de draconische voorschriften niet, want zonder die organisatie en kazerneering staat de Duitsche overheid vrijwel machteloos tegenover den Bolsjewiek, den sprinkhaan uit het Oosten.

Colijn als ‘stuurman des lands’

 
Heb je van dien kloeken Colijn wel gehoord,
 
Die zuinig de schatkist beheerde?
 
Die binnen een jaar door zijn daad en zijn woord
 
De inflatie van Nederland weerde?
 
Colijn, Colijn,
 
Colijn moet stuurman zijn,
 
Wij stemmen op Colijn,
 
Wij kiezen, ja! Colijn,
 
Hij moet tot stuurman gekozen zijn!
 
Hijjjj moet tot stuuuurman gekóóóózen zijn!

Zilvervloot-melodieën galmend trekken de anti-revolutionairen in 1925 ten verkiezingsstrijde, geïnspireerd door een affiche van de 24-jarige Asser tekenaar Hein Kray.

Overal in Nederland hangen trotse calvinisten voor het raam de plaat van Colijn als ‘'s Lands Stuurman’. Met de hand aan het roer en een zuidwester op, staart Colijn vastberaden naar de einder. Het beeld spreekt de water-

[p. 112]

geuzenvereerders aan. Iedereen voelt het: de partij heeft sinds Kuyper vijf jaar geleden stierf een nieuwe ‘grote man’.

Reeds vorig jaar nam het a.r.-weekblad De Houten Pomp een gedicht op, waarin de volgende regelen voorkwamen:

 
Maak Gij een eind Colijn, aan 't tijdperk van verkwisting,
 
Verwording, wanbeheer, dat 't land moet ondergaan!
 
Doe geen concessies aan partijgewoel of gisting,
 
Wat Luther sprak te Worms, neem 't als Uw lijfspreuk aan!
 
 
 
Dictator scheldt men u, gij moet Dictator wezen
 
Te midden van een volk, apathisch of verdeeld;
 
Met zachte middelen is geen gifhaard te genezen;
 
Hier heeft gewonnen spel wie hoogste troeven speelt.

Maar niet álle Nederlanders zijn weg van de a.r.-leider. De (socialistische) Notenkraker spot een week vóór de verkiezingen in een ‘Ode aan Colijn’:

 
Op je fiets, je bier, 't sigaartje,
 
Legde hij een matig recht,
 
Eénder voor het allegaartje,
 
Voor den rijkaard en zijn knecht;
 
Millionair en arme menschen
 
Plukt hij naar gelijk formaat;
 
Kun je 't billijker nog wenschen
 
Van een échten democraat?

Men rijmt maar aan in de verkiezingsdagen van '25.

Bart van de Veluwe roept in De Houten Pomp verontwaardigd over het socialistisch dagblad Het Volk:

 
Het leugent, het leugent!
 
Maar hoe ‘Het Volk’ ook kladt,
 
Het kan Colijn niet deren:
 
De Stuurman houdt het rad.

En dezelfde dichter meent ook:

 
Vrijheid en gezag te knotten,
 
Godsdienst en geloof bespotten
 
Dat is werken met venijn;
 
maar het schip van Staat te sturen,
 
dat het vlaag en vloed kan duren,
 
Kan de Stuurman, kan colijn.

Hein Kray boekt grote successen met zijn affiche. Maar waar wil Colijn op aan koersen? Ziet hij nieuw land? Blikt hij naar de toekomst? Roept hij de getrouwen op om Kuypers nog lang niet bereikte doel van een christelijke samenleving in het oog te houden?

In de verkiezingskrant Rechtshouden!! (orgaan van de kiesvereeniging ‘Nederland en Oranje’ te Groningen), begint Colijns openingsartikel aldus:

[p. 113]
in het teeken van verweer
Ons program voor de volgende wetgevende periode staat in het teeken van verweer.
Dat is niet de meest aangename positie.
Aangenamer is wanneer we de verkiezingen tegemoet kunnen gaan met een program dat heenwijst naar vruchtbaren opbouw.
De strijd om de school was jaren lang bezielende drijfveer onzer politieke actie.
De zorg voor de economisch zwakkeren kwam keer na keer op onze stembus-programma's om een vooraanstaande plaats vragen.
Thans echter voelen we dat vooral het bewaren van wat we hebben het eerst om ons aller inspanning vraagt.
We hebben ons nationaal volksbestaan lief en we zien het bedreigd door een onverantwoordelijk roepen om eenzijdige ontwapening...
Dat niet, zoo zeggen we in ons verkiezingsprogram!
Daartegen gaat ons verweer!

Colijn zal de ‘deputatenrede’ voor de a.r.-partij uitspreken. Uit geheel Nederland zijn 23 april mannenbroeders naar Utrecht gereisd, om te horen wat Kuypers opvolger te zeggen heeft. De Standaard meldt 's middags:

't Was druk in de Nobelstraat. Mannen met de karakteristieke trekken, die ‘onze mannen’ zoo vaak kenmerken, trokken in grooten getale naar Tivoli. 't Was drukker nog vóór 't gebouw zelf. Daar klontten reeds half tien de menschen samen.
Vlak voor de deur stond een man, een man met een pak bij zich en hij deelde boekjes uit, boekjes met het opschrift: Hoort, Mr. G. Groen van Prinsterer en Dr. A. Kuyper. Een goed geluid lijkt het dus. Maar het boekje is geschreven door ... Mr. A.M.C. Sandberg, voorzitter van den Chr. Democratischen Bond en de zich met dezelfde adjectieven tooiende federatie; slaat men den omslag op, dan leest men: ‘Tegen de coalitie, het evangelie’.
Het boekje heeft een geel omslag. Geel is de kleur van den haat. De mannen met het boekje met blauwen omslag - want dit is de beschrijvingsbrief en blauw is de kleur der trouw - zijn te trouw aan hun beginsel, om zich door een leugenleuze te laten verleiden. En Groen en Kuyper hooren, dat dóen deze mannen. Want de leider, die vandaag zijn woord tot hen zal richten, vertolkt hún geluid.
Wat voor mannen 't zijn: 't is reeds in den zang te hooren. Daar staan en ook reeds zitten er zelfs, om te wachten, tot zij binnen mogen. En met belangstelling zien zij toe op de ordemaatregelen, die de heer Den Ouden en zijn staf troffen. Maar zij doen meer. Hoor, zij zingen met elkaar: ‘Zelfs vindt de musch een huis, o Heer’, ‘Wilhelmus van Nassauwe’, ‘U alleen, U loven wij’.
Hopeloos pogen, te trachten deze mannen van hun stuk te krijgen.

Inderdaad hebben díe calvinisten het moeilijk, die niet zo gelukkig zijn met Colijn als Kuypers opvolger. Wat staat er in die gele brochure?

[p. 114]


illustratie
Daags na de deputatenvergadering van de a.r.-partij in Utrecht publiceert De Houten Pomp op 24 april 1925 deze prent.

[p. 115]

De anti-revolutionairen die er in bladeren, vinden een verslag van een rede die de ontwapenaar Mr. Sandberg, zaterdag 28 maart gehouden heeft in Utrecht.

‘Mannenbroeders’, zo begon hij.

De a.r.-partij verloor haar grooten leider, die nog in 1919 had getuigd, dat het jammerlijk was om aan te zien hoe in Nederland de volksklasse werd ‘onderdrukt’. Hij werd opgevolgd door den man, die de a.r.-beginselen beziet met de ervaring en den blik van den groot-ondernemer. Zijn optreden vindt, over het geheel genomen, de toejuichingen der groote liberale bladen, die Dr. Kuyper slechts met hoon en smaad overlaadden. Voor het christelijkdemocratische woord zijn de anti-revolutionnaire boeren en middenstanders doof. Is het wonder, dat de arbeiders in de groote plaatsen met geen stok naar de anti-revolutionnaire vergaderingen zijn te jagen?..
De verwezenlijking der christelijk sociale gedachten van Dr. Kuyper is gestuit op het stomme verzet van de partijen, die eens zijn geesteskinderen waren ... De voorstelling wordt gewekt, alsof voor of tegen de anti-revolutionnaire partij hetzelfde beduidt als voor of tegen den Christus! En dit terwijl de Christus als het ging tusschen arm en rijk, zich schaarde aan de zijde van het arme volk, maar de anti-revolutionnaire partij de rijken dient ... De geheele regeeringspolitiek ademt den geest van het materialisme ... Is er geen andere weg dan de inflatie van den gulden af te wenden met de inflatie van het Christendom? ... Wie stond dichter bij het Evangelie, zij of Kuyper? Wij moeten terug tot dien Kuyper, onder de leus: tegen de coalitie, het Evangelie ... opdat het protestantsche volk versta, dat wij de geestelijke kinderen zijn van Groen en Kuyper...

Doch het was slechts een kleine schare die opkwam om Mr. Sandberg te horen zeggen, dat thans 95% van de anti-revolutionnaire kamerclub uit conservatieven bestaat en dat helaas ook de democraat J. Schouten reeds gedeeltelijk onder de leidersmantel schuilgaat.

De Standaard gaf maandag 30 maart geen verslag van de vergadering van de Christen-democraten. Wel lazen de abonnees die dag het ‘Ontwerp-stembusprogram’ van de a.r.-partij.

Bovenaan staat als punt 1:

Krachtige bestrijding van wat in het leven des volks de publieke eerbaarheid aanrandt.

De punten 2 en 3 bepleiten voortgaande bezuiniging en versterking van het militaire apparaat in Nederland en Indië.

Onder luid applaus wordt in Tivoli dit stembusprogram vastgesteld.

Het blad meldt dat er een enthousiaste stemming heerst in Tivoli. De deputatenrede van Colijn, getiteld ‘Om de bewaring van het pand’, wordt meermalen door applaus onderbroken.

Kopschuw toont Colijn zich van nieuwigheden. Tegenover ‘het moderne’, stelt hij ‘het blijvende, dat van eeuwigheid is’.

Somber klaagt hij over o.a. het Neo-Malthusianisme, de rassentheorieën die in Duitsland worden ontwikkeld, de homo-sexualiteit, de aanslagen op gezin en huwelijk, de ‘goddeloozen-propaganda’ in Rusland, 's lands financiën,

[p. 116]

de weigering van r.k. en c.h. om mee te werken aan herstel van de doodstraf, en over de aantasting van alle gezag in ‘de moderne democratieën’.

Ook de roep der arbeiders naar medezeggenschap in de leiding van het bedrijf, die hier en daar wordt vernomen, is een symptoom in de universeele beweging der moderne democratie. En al zijn er aan dit vraagstuk meer zijden dan de eene waarop ik thans het licht wil laten vallen, zooals het zich uit in den roep der syndicalisten: de fabriek aan de arbeiders! of zooals het tot uitdrukking komt in den wensch der sociaal-democraten naar het gesocialiseerd bedrijf, is dit verlangen niet anders dan een begeerte naar het ni maître, in den grond niet anders dan een ontkenning van de autoriteit van het gezag?

Ook op de voorpagina van Ons Beginsel, het verkiezingsorgaan van de Anti-Revolutionnaire Propagandaclub te Gouda, verschijnt Colijn als ‘'s Lands stuurman’.

Onder de plaat staat het lied:

 
Hoû zee, hoû zee, Hoû moedig zee!
 
Kamp wakker met de golven,
 
Wel worstlend, nooit bedolven:
 
Het loope tegen, 't loope mee,
 
Hoû zee, hoû zee!

De verkiezingsstrijd wordt er een vóór of tegen Colijn, die als minister van financiën de laatste twee jaar de waarde van de gulden redde met een drastische bezuinigingspolitiek.

Naarmate de aanvallen op Colijn persoonlijker worden, stijgt de vereringslust van de anti-revolutionnairen. Vrijwel overal waar Colijn spreekt, zingen zijn volgelingen hem toe: ‘Dat 's Heeren zegen op U daal’. Staande hoort Colijn het aan. Zijn leiderschap is thans onbetwist.

De Houten Pomp zingt:

 
Iovivat, wie doet me wat,
 
Ik stem op Henk Colijn,
 
Die, naar men algemeen vertelt,
 
Den gulden veilig heeft gesteld.
 
Iovivat, wie doet me wat,
 
Ik stem op Henk Colijn.

De rubriekschrijver van De Standaard, ‘Bijltje’, schrijft enkele dagen vóór de verkiezingen:

We hebben voorts natuurlijk beplakt wat er beplakbaar is. Ik zie groote reclame-biljetten met Colijn er op en daarnaast vuurroode muurvlakten, waarop in duizelingwekkende cijfers door de SDAP iets verkondigd wordt. 't Is goed dat er bij staat: ‘Weg met Colijn’, dan weet ik inééns wat de bedoeling van al die getallen is. De mooie reclameprent van De Houten Pomp, Colijn aan 't stuurrad, zie ik ook aangeplakt en achter vensters hangen, en toen ik verleden week in den spoortrein zat en een van onze nieuwste buurten voorbijspoorde, een buurt die als ‘rood’ staat aange-
[p. 117]
schreven, zag ik onder een paar vensters een flink Oranjekleurig biljet geplakt met Stemt Colijn er op. Flink zoo, overal worden onze kleuren gezien.

De verkiezingsstrijd wordt beleefd als een religieuze strijd, waarin de anti-revolutionnaire partij tot gideonsbende is uitverkoren om het spits af te bijten.

Vlak vóór de verkiezingsdag dicht Bart van de Veluwe:

 
De Veldheer, voor den slag,
 
had zijn taak volbracht,
 
Per radio had hij voor 't laatst gesproken:
 
‘Van God, van Hem alleen wordt onze hulp verwacht,
 
Slechts in Zijn naam de vaandelen opgestoken!
 
Komt, broeders! Zusters! Heft thans, eer wij henen gaan,
 
Te zaam in 't Psalmgezang den lof des Heeren aan!’

Na de verkiezingen krijgt Colijn opdracht een kabinet te vormen. Op 4 augustus begint het te regeren. Ton van Tast tekent in de Haagsche Post Colijn opnieuw als stuurman bij het volgende rijmpje:



illustratie

[p. 118]

Maar lang zal Colijn het roer niet mogen vasthouden. De rooste regeerdag valt z'n kabinet op een voorstel van de extreem-protestantse Ds. Kersten, om het gezantschap bij de paus af te schaffen.

De 39-jarige vrijzinnig-democraat Mr. P.J. Oud constateert in een rede:

De beste en meest profetische verkiezingsplaat leverden de anti-revolutionnairen. De heer Colijn werd op hun plaat afgebeeld met oliejas en zuid-wester. 't Was of de teekenaar voorzag, welk een storm over het hoofd van den leider der a.r.-partij zou losbreken! Inderdaad, ze hebben zwaar weer gehad, en het schip is gestrand!

De zedelijke verwildering van 1925

En de zedelijke verwildering in de wereld blijft maar voortschrijden. Heeft het enkele jaren geleden verschenen boek van Oswald Spengler Der Untergang des Abendlandes er iets mee te maken, dat ‘onze mensen’ bijna wekelijks te horen krijgen hoe verdorven het huidige geslacht is?

Colijn geeft in zijn deputatenrede ‘Om de bewaring van het pand’ op 25 april blijk dit boek te hebben gelezen, althans er van te hebben vernomen.

De decadentie in onze eeuw is op alle gebied zoo markant, dat Spengler geen twijfel mogelijk acht aan de aanstaande vernietiging. De historische wet, waardoor iedere cultuur, na een periode van opgaan en blinken, weer moet verzinken, wijst allerwegen het doodvonnis onzer moderne beschaving aan.

De 70-jarige volksschrijver L. Penning beziet met ontzetting het na-oorlogse tijdperk in zijn buitenlands weekoverzicht in Het Schouwvenster: ‘Er is een wereld ineengestort ... Onze hersens zijn te stomp en werken te langzaam, om dit alles te vatten’, zo klaagt hij 25 februari.

En hoe waarschuwend er de stemmen ook tegen opgaan, er wordt niet geluisterd. Brood en spelen! wordt er geroepen; sport en nog eens sport! En lege wiegen!
Zoo komt het dat Frankrijk de Negers van Afrika te hulp moet roepen om zijn grenzen te verdedigen. Frankrijk wordt vernegerd. Daar is niets aan te doen.

In een voetnoot merkt de Schouwvensterredactie bij Pennings lege-wiegenklacht op, dat er nog andere oorzaken zijn. O.a. ‘de degeneratie van het Romaansche ras’.

Maar de steeds mondiger wordende vrouwen willen in dit verband toch ook nog wel even wijzen op het huidige gebrek aan dienstboden. Wie moet het werk doen als de vrouw alsmaar in het kraambed ligt?

Mevrouw J.M. Westenbrink-Wirtz citeert in Het Schouwvenster van 30 januari met instemming een klacht van een katholieke vrouw in het dagblad De Tijd:

En als ik dan 's Zondags in de kerk hoor preeken dat in het katholieke gezin de wieg niet leeg moet staan, dan wordt het mij droef te moede en voel ik al den omvang van het dienstbodenvraagstuk.

En hoe komt het dat er dienstboden tekort zijn? Mevrouw Westenbrink-Wirtz wijst op de maatschappelijke veranderingen:

Zoolang men vasthoudt de onderscheiding van den minderen stand, die er alleen maar is om den beteren te dienen, loopt alles op niets uit en keeren de
[p. 119]
meisjes niet anders dan noodgedwongen in de huishoudelijke betrekkingen terug.

Maar de vrouwen zijn lang niet meer zo degelijk als ze waren.

Als er in den huiselijken kring gesproken wordt over maatschappelijke of godsdienstige onderwerpen, dan zwijgt heel dikwijls het vrouwelijk deel van het gezelschap, maar zoo spoedig begint niet een der aanwezige dames over een nieuwe blouse, of ze heeft, ook in onze kringen, aller oor.

Aldus constateert ‘Moeder Maartje’ in Het Schouwvenster van 3 april. Ontzet slaat ze de handen ineen:

Het lijkt wel zonderling, maar wie zoo de couranten van de laatste dagen doorkijkt, moet wel tot de conclusie komen, dat het aller-allervoornaamste in het leven der vrouw, de mode is(...) 't Is Mode al wat de klok slaat.

Scherp let men op of er in de vrouwenmode aanwijzingen te vinden zijn voor de naderende ondergang van de westerse beschaving.

In Op dan Uitkijk van 2 mei gewaagt Dr. J. Veldkamp van

... de klacht uit Parijs, dat je zoo langzamerhand de vrouwencostuums nauwelijks meer kunt onderscheiden van die der mannen, of het moest zijn door de vleeschkleurige kousen der ‘fair sex’, liefst omcirkeld door een platina ring. Van welken wilden volksstam hebben ze die ringendragerij ook weer overgenomen?

zo vraagt verontrust de auteur.

Als onze beschaving en het gezonde volksleven gevaar dreigt, dan is het zeker niet in de laatste plaats van de zijde der vrouw, die zich het niet tot een eer rekent middelpunt van het gezellige gezinsleven te zijn of tenminste, als dat voor haar niet weggelegd is, een werkkring te zoeken die het meest overeenkomt met haar eigenaardigen aanleg; die, integendeel, door zich te begeven op een terrein waarvoor de natuur haar kennelijk niet bestemd heeft, of door een doelloos leven, met al de gevolgen van dien (sensatiezucht, enz.) niet tot een zegen, maar tot een vloek voor haar omgeving wordt.

Het artikel eindigt aldus:

Moge God de vrouwen bewaren, opdat ze waardige moeders en echtgenooten en zusters van kloeke mannen kunnen zijn!

Een enkele keer dringt een glimp humor door in de algemene verontrusting over de alsmaar verwilderende en modezieker wordende vrouwen.

De Schouwvensterredactie bekroont 11 september het volgende puntdicht:

 
Dames, denkt eer gij besluit
 
Tot dragen van kort haar,
 
Dat thans het nieuwe spreekwoord luidt:
 
Berouw komt na de schaar.

Wanneer het ál te gek wordt met de beschuldiging der vrouw, begint ‘Moeder Maartje’ zich te verweren. In Het Schouwvenster van 27 februari roept ze verontwaardigd:

Dacht u nu heusch, dat de meisjes vroeger geen last hadden van verslaafdheid aan de mode? Kom, kom, onder de meisjes van vroeger waren net zulke modepoppen als thans.
[p. 120]

Op de klacht dat vele moeders ‘pronkziek’ zijn geworden en ‘de eenvoud des levens’ uit vele gezinnen is verdwenen, wijst mevrouw Westenbrink-Wirtz de opgroeiende dochters als de schuldigen, aan, die hun best doen moeder een beetje te moderniseren.

Niet zozeer om moeder-zelve, als wel omdat ze zich schamen een eenvoudige, een beetje ouderwetsche moeder te hebben.

Niet de moeders, maar de jongedochters zijn de draagsters van het kwaad:

Ik aarzel niet het een van de verderfelijkste dingen van onzen tijd te noemen, dat bij al te veel meisjes het verdiende geld geheel aan kleeding, en daarbij voor een onevenredig groot gedeelte aan bovenkleeding, wordt uitgegeven.

In het algemeen baart de jeugd zorgen. Zo hebben ze - van ouderen - de gewoonte aangenomen om te roken. Patrimonium waarschuwt:

De ouders mogen hier wel ernstig en nauwlettend toezien. Niet alleen omdat het een roekelooze geldverspilling en schadelijk voor de gezondheid is, maar ook omdat het cigaretten-rookende opgroeiende geslacht schijnbaar de kracht en de energie verliest om zijn aandacht te bepalen bij de maatschappelijke en politieke vragen, en schier alleen lust gevoelt om mede te doen aan de overdreven sportmanie; over voetballen en rijwielwedstrijden kunnen zij spreken. Voor vraagstukken van hoogere orde heeft menigeen geen belangstelling meer. Hier dreigen zeer ernstige gevaren; laat ons acht op dit alles geven.

Dit is aan geen dovemansoren gezegd bij de protestants-christelijke kamerleden. Minister Colijn mag er dan vóór zijn om een miljoen uit te trekken voor de Olympiade, die in 1928 in Amsterdam zal worden gehouden (er zal dan 's zondags niet worden gesport), alle a.r.-kamerleden, de meerderheid van de c.h.-fractie en Ds. Kersten stemmen tégen dit voorstel. Veel stof doet daarbij opwaaien de verwijzing van het a.r.-kamerlid Prof. Dr. Hugo Visscher (‘de man met de geuzenkop’) naar 1 Timotheus 4:8a:

Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut.

De verkiezingen van 1925 staan volgens De Graafschapper (a.r.) van 23 april in het teken van ‘de strijd voor het heilig houden van den huwelijksband en voor handhaving van den Christenlijken grondslag van ons volksleven’. In een somber gestemde rede betoogt Colijn:

Die strooming ten onzent, die ingaat tegen de Christelijke grondslagen van het huwelijksleven, is slechts een vertakking van een internationale beweging.

In De Spiegel van 30 mei schrijft ‘Opmerker’ naar aanleiding van deze rede:

Al meer en meer wordt het zedelijk gevoel afgestompt. Het is walgelijk, te hooren, welke gemeene brochures men gratis in de brievenbussen der menschen in de groote steden stopt, teneinde hen te bewegen, bewust het kindertal te beperken en daarvoor aangeeft de middelen die dan dienstig kunnen zijn.

Ook in christelijke kringen kleden de vrouwen zich nog steeds niet zoals 't hoort. ‘Opmerker’ meent:

[p. 121]
... als vele vrouwen en vele meisjes onder ons zich eens biddend afvroegen: Ben ik nu wel gevoeglijk gekleed; wek ik geen onreine lusten op? dan weet ik zeker, dat het er spoedig beter zou uitzien dan nu, helaas! in breeden kring moet worden geconstateerd. Weten zij dan niet, dat zij menigen jongen man in de verleiding brengen? Weten zij dan niet, dat er onder haar gekleed gaan in de kleeding, waarmede Thamar zich kleedde, toen zij Juda opwachtte? ... Vaak worden modeshows gehouden, waar ook de Christen-vrouw heengaat. Deed zij niet beter, er weg te blijven? Beter in overeenstemming met ons beginsel was de stem van een vrouw op de laatste jaarvergadering van den Bond van vrouwen tot verhooging van het zedelijk bewustzijn, die vroeg te protesteeren tegen het houden dier shows...

Met bezorgdheid neemt men ook kennis van de teruglopende geboortecijfers in Den Haag. Ook het badnummer van Het Leven is een schandvlek op de natie. Mevrouw Van Hoogstraten-Schoch, in De Nederlander van leer trekkend tegen ‘het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, slapheid en losheid van zeden in onze dagen’, heeft vreemde verschijnselen waargenomen.

Ik zag in een spoorwegcoupé een ouderen man het badnummer van Het Leven inkijken, terwijl om zijn wellustige lippen een zekeren grijns lag, die maakte dat een koude rilling over mijn rug liep.
Waar had ik die uitdrukking meer gezien?
Bij een gier, ja zeker, bij een gier!
Ik zag hem het blad overreiken aan een maat, die een eindje verder in de coupé zat. Ook op diens gezicht kwam dat zekere, dat zoo moeilijk te beschrijven valt.

Uiteraard geraakte de schrijfster razend nieuwsgierig. Tegenover de Nederlander-lezers wendt zij studiezin voor (‘bij studie hoort materiaal’) om haar volgende stap te verklaren:

Aan een stil, uitgeleefd stationnetje kocht ik het badnummer van Het Leven. Toen ik het doorbladerde, legde zich als het ware een koude hand op mijn hart. Ik heb me verbaasd afgevraagd: ‘Wat gaat er van een land worden, dat zóó zijn vrouwen eert, zóó zijn jong, lief vrouwelijk Nederland te koop aanbiedt aan de begeerige blikken van de degenereerden? Wat moet er van een volk worden, waarvan de jonge dochters toestemming geven om zóó afgebeeld te worden?

En scherp wordt vooral gelet op de jeugd. Hoe moeten de jongeren zulke degelijke burgers worden als de ouderen? Dr. J. Veldkamp geeft in Op den Uitkijk van 17 januari aan, waarin z.i. het kwaad schuilt.

Ik geloof, dat er tegenwoordig over het algemeen te weinig gehoorzaamheid geëischt wordt. Met al die slapheid kweekt men geen krachtige karakters, die tóch hebben leeren buigen voor het wettig gezag. Een her- en derwaarts geslingerd, wispelturig, eigenzinnig, zich gewichtig voelend geslacht, lastig voor zichzelf en voor hun mede-menschen, in den grond onmaatschappelijke menschen dus!

Hoe moet men het kind dán aanpakken? Dr. Veldkamp belooft wonderen door strenger tucht.

Hoeveel rijker kan zich het kind ontplooien in een goed geordend gezin,
[p. 122]
waarin dat kind naar Gods gebod zijn ouders eert (en dit ook uit in de wijze van aanspraak) ... Zoo'n kind zal ook niet van uitgaan aan elkaar hangen, zooals het ultra-‘moderne’ kind. O, zeker, het zal het dol vinden, eens uit te gaan! En wandelen, fietsen, picknicken! De hei op, het bosch in! Heeft God zelve niet den eersten hof geplant? Maar het zal op zijn tijd ook heel graag bij zijn ouders thuis blijven, hen helpen, of stilletjes een boek bij hen zitten lezen.

Het water loopt vele ouders om de tanden bij dit beeld. Wantrouwend slaan zij het gedrag van hun kroost gade. Vastberaden grijpen vele vaders de wonderroede. Het is schreeuwend noodzakelijk dat het kind een bondgenoot krijgt. Die treedt reeds naar voren. Het is de 35-jarige Dr. J. Waterink. In Op den Uitkijk van 21 februari schrijft hij:

Ook in het kind is de neiging tot alle kwaad. Maar dat geeft ouderen nog niet het recht om nu ook maar alles wat het land doet, te zien als voortgekomen uit die bedorven natuur...
Ouders, God vraagt van U niet slechts, dat Gij kinderen hebt, maar ook dat gij ze houdt. Wanneer ouders een kind verliezen door den dood, weenen ze. Het is te verstaan. Maar hoeveel ouders en opvoeders zijn er niet, die elken dag al hun best doen hun kinderen kwijt te worden? Is het niet het allerergst, dat gij uw kind geestelijk verliest?

Met tal van verhalen ‘uit de praktijk’ tracht Dr. Waterink de ouders af te helpen van de opvoedingskrampjes, waarin de onheilsjournalistiek hen onvermijdelijk moest brengen. ‘Maar er staat ook in mijn bijbel zooiets van kinderen tot toorn verwekken’, betoogt hij in Op den Uitkijk. En hij ontleedt een geval, waarin z.i. elke opvoedkundige intuïtie ontbrak, ‘laat staan dat er gedacht kan worden aan godsdienstige opvoeding’. 't Is een verhaal uit een calvinistisch gezin in 1925. Het woord is aan Dr. Waterink:

Het was zoo ‘gewoon’ geweest, toen Henk van de catechisatie kwam. Vader en moeder keken tegelijk naar de klok, toen ie binnen kwam. 't Was nou precies op tijd. ‘Fijn - nou konden ze niks zeggen’. (Ouders, waarom zoo vaak dat irriteerende dat ge op de klok kijkt wanneer de jongen thuis is? Zorg dat ge weet, hoe laat het is. Dan kunt ge, als hij op tijd is, hem een onaangename gewaarwording, misschien ook een verkeerde gedachte sparen). Toen had vader gevraagd: ‘Was 't gezellig?’
‘Nou’ - had Henk gezegd ... ‘gezellig... wie vindt 't nou gezellig op catechisatie?’
‘Ja jongen, in mijn tijd,’ zoo was vader begonnen, - en Henk dacht: ‘ja - in uw tijd - dat weten we al - toen waren er zoo enkel engeltjes’ - ‘in mijn tijd’ zoo sprak vader - en Henk wist al wat er kwam - ‘in mijn tijd, toen hadde' we d'r plezier in om naar de leering te gaan. We leerden nog bij den ouwen Kerkman, maar ik kan je vertellen, er was heel wat meer liefde dan nou bij de jeugd. Ik was blij a's 't weer maandag was. Ik leerde m'n vragen voor plezier - en d'r was geen vraag of die ouwe baas wist 'r 'n antwoord op - geloof maar.’
‘Hm’ - had Henk gezegd - ‘had-ie zich voor waarzegger motten verhuren.’ Snel was moeders blik naar vader gesprongen - ze had éven gedacht, of ze
[p. 123]
misschien een uitbarsting kon voorkomen. Even nog kopjes thee presenteeren of zoo iets. Ze voelde plots, dat er spanning kwam. Maar 't was te laat...
... ‘Jongen,’ zoo barstte vader los, ‘zul jij niet met wat meer eerbied leere' prate' over dien ouwen dominee; 't is 'n schandaal; ik merk wel, hoe onverschillig je hart is. Moeder en ik ...’ (moeder ... och 't goeie mensch begréép veel beter dan vader!) ... ‘hebben er verdriet genoeg van, maar als jij zoo doorgaat, dan gaat 't mis met je. Je weet “door den weg der tegenspreking Korachs vergaat de afvallige”, zooals d'apostel Judas zegt. Jonge, jonge, ik heb je 't vaak genoeg voorgehouwen...’
En vader zette z'n preek nog wat voort.
Tot 't Henk te machtig werd.
‘U neemt ook alles precies zoo op...’
Toen werd 't vader heelemaal te erg. Hij vergat zichzelf schier. ‘Ja, dat is de taal van de wereld van onzen tijd ... je mot 't niet zoo precies nemen. Nee ... je mot wat van de wereld ook wezen. Maar ík zeg je ...’ (en de vuist kwam op tafel) ‘je kunt niet God dienen en den mammon’.
Plotseling steeg Henk 't bloed naar 't hoofd.
Ietwat driftig was-ie, zooals vader ook vroeger was.
En het was er uit voor-ie 't zelf wist:
‘Ver ... r ... rek.’
Toen schrok-ie van z'n eigen woorden...
Er ging plotseling iets in hem stuk...
Maar vader viel al in - met een gebaar dat waardig geweest zou zijn, wanneer het kalmer was geweest en wijzer woorden had begeleid...
‘Ga uit m'n oogen...’
Henk verdween al.
Nog klonk 't 'm na ... ‘Wie zijn vader vloekt’...
Vijf minuten later lag-ie op bed te schreien ... en er hoonlachte iets in z'n hart.
Och, later sleet het wat uit ... Later ... Maar toch ... soms wist-ie niet of-ie moest schreien of lachen.
Zóó is hef gebeurd.
En zóó gebeurt het héél vaak.

En verder...

... roept H. Colijn in een toespraak: ‘En hieraan vooral houd ik én persoonlijk én als eerste vertegenwoordiger der a.r.-partij vast: er kome geen periode meer van tekorten! Het gat is gestopt en voorzoover het van ons afhangt blijft het dicht.’

 

... verstrekt Het Schouwvenster het volgende middel tegen neusbloeding:

Stamp versche peterselie in een vijzel en leg dit in de neusgaten. Ingeval eener wonde, legt men eveneens fijngehakte, versche peterselie, als pappleister er op, dat onmiddellijke stelping van het bloed teweeg brengt.

prepostterug  begin  verder