Op school gekregen, mams! Omdat prinses Juliana gaat trouwen!
Opgetogen komen honderdduizenden schoolkinderen thuis met een kleurige rijmprent op oud-Hollands papier. Er staat een tekening bij van een door Cupido bestuurde gouden-koets in de wolken, waarin twee gestalten zichtbaar zijn. En verder zien de kinderen lentebloemetjes en vogeltjes.
Het vers geloven ze wel.
Maar dit is niet het geval bij de ouders.
In heel wat huiskamers ligt 's avonds, als de kinderen naar bed zijn, de door de regering uitgereikte rijmprent onder het lamplicht op tafel.
Met gefronste wenkbrauwen wordt de tekst van de dichter Boutens gelezen. Wat bedoelt die man toch?
Voorzitter E.J. Grimm van de Chr. Oranjevereeniging ‘Amsterdam-Oost’ klaagt in Ons Oranjeblad:
Wil iedere lezer (of lezeres) na aandachtige beschouwing der verheven poëzie en zich klaarbewust van de treffende bedoeling derzelve, zoo heel vriendelijk zijn, mij de beteekenis schriftelijk uit te leggen? Ik heb er oprecht naar gestreefd, maar ben niet klaargekomen.
Hij is niet de enige. Groot gemor stijgt op uit het volk om Een Nieuwe Lente op Hollands Erf van de vooraanstaande dichter Dr. P.C. Boutens. De letterkundige medewerkers aan de dagbladen weten zich plotseling verzekerd van een ongewoon groot publiek.
Boutens willen ze liever niet afvallen.
Maar waarom heeft men deze opdracht niet gegeven aan een dier vele, en in hun zooveel nederiger genre lang niet alle onverdienstelijke menschen, die wel bevattelijk kunnen rijmen voor anderhalf millioen kinderen,
schrijft het Haarlemsch Dagblad.
En de School met den Bijbel vraagt zich af:
Als men dan toch een neutraal gedicht wilde, waarom dan Koos Speenhoff niet geïnviteerd, een volkszanger, of Clinge Doorenbos?
Hoewel afkomstig uit een diep-gelovig calvinistisch Zeeuws gezin, blijkt de thans 67-jarige Boutens de reformatorische oranjegezinden niet naar het hart
te hebben gesproken. De heer Grimm klaagt verder in Ons Oranjeblad:
Het lust mij niet, zin voor zin aan den kaak te stellen, maar het is mij een raadsel, hoe onze Regeering, teneinde de opgroeiende jeugd een herinnering mee te geven aan dit grootsche, voor ons Vorstenhuis, land en volk zoo belangrijk gebeuren, met zoo'n prul durft aan te komen!
Is dit gedicht misschien zoo futloos ter wille van de hooggeroemde neutraliteit der openbare school? Getuigt het van blijdschap van en voor 't Oranje-huis? Klinkt er een toon in van stille vreugd en Godsvertrouwen? Deze voor kinderen heelemaal onbegrijpelijke rijmelarij is een slag in het gezicht van de Nederlandsche natie! Wij hadden van onze Regeering iets anders verwacht.
Ook De Telegraaf schudt het hoofd. Maar A. de Froe, directeur van een Chr. h.b.s., meent verontwaardigd over de kritiek in een ingezonden stuk in dit blad:
... dit lied is een schoon, een heerlijk, een waardig lied, waarvoor ons volk dank moet brengen aan den dichter, die zoo treffend onze gevoelens vertolkte.
En de heer Van der Vlies meent in De Standaard:
Geloof maar vrij, dat het voor Dr. Boutens een kleine moeite geweest was om een rijmprent te dichten, die zelfs voor kinderen van vier jaar begrijpelijk is.
De dichter zelf zegt:
Ik moest iets schrijven voor kinderen van zes jaar, zoowel als voor gymnasiasten van achttien, negentien. Nu staat er één ding vast: die kinderen van zes jaar hebben een redelijke kans dat zij negentien worden, maar die van negentien worden nooit weer zés. Laat de jongeren de rijmprent maar bewaren, misschien hebben sommigen van hen haar later tóch liever dan een chocoladeletter...
Hij zegt dit in een gesprek met Dr. G. Stuiveling, die, ‘geërgerd door de vele en soms wonderlijke commentaren’ en door ‘de journalistieke critiek’ de trein naar Den Haag pakt om de dichter te vragen wat hij nu precies bedoelt. In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 22 januari brengt hij verslag uit van wat Boutens zei:
De regeering wou bij deze feestelijke gelegenheid een rijmprent uitgeven, en ze vroegen mij, of ik den tekst wilde schrijven. Voor zulke dingen komen ze altijd bij mij; voor een penning van het Rijksmuseum, voor een gevelsteen in het gebouw van P.T.T., en nu voor dit geschenk ter eere van het huwelijk van de Prinses. Ik zei: ik zal het probeeren, maar ik kan niets belóven. Zooiets moet plotseling lukken, of het lukt niet. Ik had vier dagen tijd ... Je kunt er natuurlijk niet opzettelijk voor gaan zitten, maar toen ik ál die vier dagen ánder werk had gedaan, kwam toch op den laatsten avond dit vers, achter elkaar. Ik publiceer eigenlijk nooit iets, of het moet heelemaal bestorven zijn; maar dat kon hier natuurlijk niet. Ik heb het dadelijk uit handen gegeven, en tegen de regeering gezegd: hier is het, jullie hoeft het niet te nemen, maar dit heb ik ervan gemaakt. En eerlijk gezegd: dit gedicht bevalt mij hoe langer hoe beter...
De dichter van de omstreden rijmprent zegt ook in dit interview:
Als het Wilhelmus vandaag geschreven werd als volkslied, zou men precies zoo mopperen, als over mijn rijmprent. ‘Goed en bloed al tezamen...’
Wie bij die onsterfelijke woorden niet onmiddellijk denkt aan ál de offers van ál de jaren dat Willem de Eerste voor ons volk geleden heeft, kan immers niet lézen!
Ik zal rustig wachten tot het gekrakeel voorbij is, over twintig jaar weet niemand meer, wát de kranten hebben geschreven. Mijn vers zal dan heusch nog wel bestaan; het is niet erg als ze het dán pas mooi vinden, want de beteekenis van dit huwelijk geldt ook véél langer dan twintig jaren.
Een storm van verontwaardiging is er door ons land gegaan, toen men vernam, hoe er in Zaandam met de nationale vlag wordt omgesprongen.
Aldus begint een artikel in Ons Oranjeblad, het orgaan van de Christelijke Oranje-Vereeniging ‘Amsterdam-Oost’, die sinds haar oprichting in 1932 actief is om nieuw leven te blazen in sluimerende oranjegevoelens van ons volk. Terugblikkend op het eerste begin, schrijft W. van Kessel tevreden:
Onze Juliana-avond op 1 Mei 1933, per radio uitgezonden, gaf een belangrijken stoot in de goede richting (zelfs voor het geheele vaderland). Nu, in 1937, weten we wéér Oranjeliefde te betuigen. Wij hebben het weer geleerd. De vlaggen wapperden van allen kant. Oranje sierde ons aller borst. Maar er is gewerkt, gezwoegd om het zóó te krijgen!
En daarom kijkt men met grote ergernis naar het ‘rode’ Zaandam, waar het oranjevuur maar niet wil oplaaien. Een aantal leden van ‘Amsterdam-Oost’ voelt dadendrang in zich opkomen. Er zijn twee soorten leden, constateert voorzitter E.J. Grimm op 15 januari.
De een wil: veel lawaai maken, altijd hameren op hetzelfde aambeeld, te keer gaan tegen alles wat rood is, geestdrift kweeken, reclame maken, veel leuzen in dit blad, strooibiljet, vergadering, optocht. Natuurlijk is dit allemaal goed. Ik zou niet graag voor het tegendeel pleiten. Stel je voor! Altijd maar stil in een hoekje kruipen, het aambeeld maar laten roesten met den hamer er bij, rood zijn gang maar laten gaan, de geestdrift temperen en een aansprekersgezicht zetten, voor je zaak niet durven uitkomen, heelemaal geen leuzen en een slot op den mond leggen en van bangheid in een hoekje kruipen. Neen, dat moeten we niet hebben. Van zoo'n futloosheid walgen we. De ander wil: verdieping en belijning. Hij wil het eerste ook, maar hij wil meer, hij wil iets belangrijkers.
Zachtmoedig wijst Grimm de oranjeklanten dan op ‘het bezit der geestelijke goederen’. Dat moet toch vooral niet vergeten worden.
Maar Zaandam doet het oranjebloed koken. Dit kan men niet op zich laten zitten. Ons Oranjeblad schrijft:
Reeds dadelijk nadat in 1931 er de roode meerderheid werd gevestigd, is de nationale vlag van haar gemeentegebouwen geweerd, terwijl ook het ministerieele schrijven in 1934 het gemeentebestuur er niet toe heeft kunnen bewegen om, behalve van het gemeentehuis, eveneens de nationale vlag van de andere gemeentegebouwen te laten waaien.

Wij beschouwen het bovenstaande als een unfaire bejegening der nationale minderheid in het roode Zaandam, hetwelk ook 'n ieder onzer diep in het hart treft.
Wij gevoelen een zekere verwantschap met onze talrijke Zaandamsche Oranjeklanten, omdat het voor hen op iederen nationalen feestdag een terugkeerende ergernis moet zijn, te bemerken, dat het gezag gedwongen moet worden om op het gemeentehuis de nationale vlag uit te steken.
Wij vragen ons af: zijn die roode Zaandammers dan ook geen Nederlanders? Moeten zij dan juist over de grens geweest zijn om te weten wat Hollander is? Gloeit in hun hart ook geen liefde voor ons vaderland, voor ons Vorsten-huis en voor onze vlag? Zijn zij ook geen afstammelingen van dat volk, dat 80 jaar voor die vlag heeft gevochten en daarmede de Nederlanders heeft vrijgemaakt? Past hen dan ook geen eerbied voor die vlag?
Werkelijk, wij moeten erkennen, dat er te weinig aandacht is geschonken aan onze vlag. De liefde daartoe moet wederom warden aangekweekt. Zij behoort in het middelpunt van ons nationaal leven. De geest van den Vader des Vaderlands, zijnde verdraagzaamheid en opofferingsgezindheid, worde vaardig over heel ons volk, en op zijn geboortedag, 24 april 1937, willen wij deze gedenken, en waar zou dit beter kunnen geschieden als in Zaandam? ‘Amsterdam-Oost’ gaat dus op den Zaterdag vóór Princessedag 1937, 24 april a.s., met de booten der Alkmaar-Packet naar Zaandam, voor het houden van een groote Oranje openluchtmeeting. Zij neemt al haar sectie-vlaggen, draagvlaggen, Oranjevlaggen en wimpels, doeken en banieren mede, wekt haar leden op eveneens hun vlaggen met zich te nemen.
Zoo zal dan een Amsterdamsche Oranjevloot Zaandam begroeten. Wij hopen daarmede het roode Zaandam in een Oranje-sfeer te plaatsen en daarmede antwoord te geven op een anti-nationale daad om de vaderlandsche vlag zooveel mogelijk te weren.
Toen ik, zoodra de heuglijke tijding van de verloving van onze Prinses mij bereikt had, mijn Oranje-Wit-Blauwe vlag uitstak, riep een voorbijfietsend
Advertentie uit Het Schouwvenster, 1 oktober 1937.
arbeider mij iets toe over ‘fascisme’. Blijkbaar hield hij mij, wegens die O.W.B.-vlag voor een fascist.
Aldus schrijft Ir. L. Jonker Czn te Rotterdam november 1936 in een brochure getiteld:
Misverstanden betreffende de Prinsenvlag.
Prinsenvlag of princevlag, zo noemt men het oranje-blanje-bleu, dat aan steeds meer gevels verschijnt inplaats van het rood-wit-blauw.
Het christelijk weekblad De Stuwdam vertelt 16 november 1935, dat het oranje-blanje-bleu vroeger alleen uithing aan het huis in de Haagse Trompstraat, waar Jhr. A.F. de Savornin Lohman woonde. Het blad schrijft:
Er is een tijd geweest - en hij ligt nog niet zoo heel lang achter ons - dat de Princevlag met haar Oranje-Blanch-Bleu slechts zelden werd gezien ... In dit opzicht is sindsdien heel wat veranderd; al meer moet het rood, wit en blauw voor het oranje, blanch, bleu plaatsmaken. Bedriegen we ons niet, dan is sinds 1918 zelfs in breede kringen de wensch opgekomen het oranje-blanch-bleu met uitsluiting van andere vlaggen tot officieele landskleuren te maken ... Wij willen niet verheelen, dat het ons persoonlijk een vreugde zou zijn, indien straks het rood, wit en blauw (ook de officieele vlag van Luxemburg) voor het aloude oranje-blanch-bleu het veld zou moeten ruimen.
De belangstelling voor het nationale dundoek groeit even hard als nationaal gevoel en nationalisme.
Ir. Jonker, die voor ‘fascist’ gescholden wordt omdat hij het oranje-blanje-bleu uithangt, publiceert in verschillende kranten artikelen over de ‘Princevlag’ (‘dat heilig oud symbool’) en hangt in z'n tuin een rij proefvlaggetjes om de kleurechtheid van verschillende modellen te toetsen. Maar iets fascistisch heeft het oranje-wit-blauw niet, zo stelt hij in z'n brochure.
Het was niet voor 't eerst, dat ik deze geheel verkeerde opvatting betreffende het gebruik van de Prinsenvlag ontmoette en het is dringend noodig, dat eens op dit ernstig misverstand gewezen worde. Voorstanders van de oranje-wit-blauwe vlag vindt men zoowel onder de anti-revolutionnairen als onder de christelijk-historischen en de nationaal-herstellers. Omgekeerd is het mij bekend, dat onder de nationaal-socialisten ook voorstanders van behoud van de Rood-Wit-Blauwe vlag voorkomen. Het voeren van de oranje-wit-blauwe vlag beteekent dus geenszins, dat men tot de fascistische groepen behoort, al maken deze ook van die vlag gebruik.
Laat ons toch van het tegenwoordige vlaggenvraagstuk geen politiek vraag-
stuk gaan maken! Onze oude Prinsenvlag staat en moet blijven staan bóven de partijen!!!
Maar er helpt geen lieve moederen aan. De fascisten (die ook boven de partijen willen staan) tonen een duidelijke voorkeur.
Want NSB-leider Mussert schrijft:
Niettegenstaande het rood-wit-blauw onzen vollen eerbied heeft, móet hebben, omdat onder deze kleuren door Nederlanders groote daden zijn gedaan, veel geleden en gestreden is, kiezen wij doelbewust, op grond van onze beginselen, voor den komenden Nederlandschen Nationaal-Socialistischen Staat het aloude Oranje-blanje-bleu.
Zie je nu wel, triomferen anderen. Tegenover de fascistisch-nationalistische voorkeur voor het oranje-blanje-bleu groeit bij de meer democratische, naar internationale rechtsorde strevende figuren een voorkeur voor het even aloude rood-wit- en blauw.
Zeer te betreuren is het, dat nu het boven gesignaleerde misverstand dreigt te rijzen; dat sommigen zelfs - laten we het maar ronduit zeggen - de oranje-wit-blauwe vlag meenen niet te kunnen aanvaarden omdat de NSB die ook gebruikt,
zo klaagt Ir. Jonker.
Twisten laaien op, welke vlag de oudste rechten heeft, het rood-wit-blauw of het oranje-blanje-bleu. Men snelt naar het Rijksmuseum om oude schilderijen te bekijken van zeeslagen voerende voorvaderen. Maar veel wijzer wordt men niet.
Het rood-wit-blauw is al 300 jaar de nationale vlag, roepen de anti-fascisten. Het oranje-blanje-bleu werd zeker al in 1672 gevoerd, triomferen de NSB-ers. Sinds 1630 heeft het rood-wit-blauw de overhand gekregen, luidt het weerwoord. Waarom zouden we veranderen?
De regentenkliek was óók tegen het oranje-blanje-bleu, reageren de fascisten. Dáárom.
Felle debatten worden gevoerd. Tientallen auteurs werpen zich in de strijd. De geschiedenis van het Oranjehuis wordt nagegaan, oude rekeningen van de Marine worden besnuffeld, archieven worden doorgewerkt, oude schilderijen met een vergrootglas bekeken. Maar het hele gekrakeel heeft slechts tot achtergrond de toenemende spanning tussen democratische en fascistische gevoelens.
Overigens betekent dat niet dat de scheidslijn scherp loopt. Ook de NSB blijft met het rood-wit-blauw zwaaien ten gerieve van die vaderlanders, die hun hart aan déze kleuren hebben verpand en er zijn oranje-gezinde democraten die weigeren zich door de NSB hun vlag te laten ontroven.
Maar wel neemt de kloof toe. Met zorg ziet Colijn hoe de natie verdeeld dreigt te raken door de discussie over de vlag. Op 19 februari 1937 laat hij het volgende Koninklijk Besluit bekendmaken:
De kleuren van de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden zijn rood, wit en blauw.
Dit basta-achtige K.B.tje wordt 22 mei 1937 gevolgd door een wetsontwerp om de Nederlandse vlag een wettelijke basis te geven. Want het vlaggen-
gekrakeel heeft tot de verbijsterende ontdekking ten departemente geleid, dat Nederland officieel niet eens een vlag hééft!
Men kan dus ook thans nog niet volhouden, dat de Nederlandsche vlag rechtens is vastgesteld.
zo constateert verschrikt de Memorie van Toelichting.
Bewust kiest de regering voor rood-wit-blauw.
De voorkeur voor het oranje-blanje-bleu is reeds, toen zij in de zestiger jaren van de vorige eeuw voor het eerst van zich deed horen, al dadelijk van zeer gezaghebbende zijde bestreden.
De oranje-blanje-bleu minnaars zijn geschokt.
Mussert raast in het NSB-orgaan Volk en Vaderland:
De regeering gaat nu op haar manier ‘ordenen’ en decreteert onder leiding van Dr. Colijn: rood-wit-blauw is de vlag, dus weg met de Princevlag, hetgeen de heeren anti-revolutionnairen en christelijk-historischen niet belet om dagelijks met de vereeniging ‘De Princevlag’ als dikke vrienden om te gaan.
Handig speculeert hij op de schoolbankjeshaat van oranjegezinden jegens ‘regenten’:
De heeren regenten maken het dus voor de Nationaal-Socialistische Beweging noodzakelijk om ook ten aanzien van de vlag stelling te nemen. Wel, dat zullen wij dan nu reeds doen en zeer principieel ook ... want de keuze van de vlag is niet een kwestie die van belang is voor vandaag of morgen, maar een levensbelang voor het Nederlandsche volk in het nationaal-socialistische Europa, dat wordende is in onzen tijd.
In het oranje-blanje-bleu blijkt Mussert dan een beleving te zien van de Groot-Nederlandsche gedachte, ‘die in wezen een nationaal-socialistische gedachte is’. In een voorkeur voor rood-wit-blauw ziet hij ‘een aanleunen van regenten tegen Frankrijk en Engeland’.
Men heft het lied aan:
Generaal-majoor Ch. Kiès (KNIL - b.d.) te Den Haag oppert het plan:
Laat ons een streep onder het verleden zetten. Laat ons alle twisten op historische, politieke, godsdienstige of andere gronden staken. Maar laat ons aan onze geëerbiedigde Koningin bij Haar 40-jarig regeeringsjubileum op 6 September 1938 verzoeken de roode baan te willen terugbrengen tot de oranjebaan, opdat aldus in onze nationale vlag voor altijd zal worden gesymboliseerd, de, meer dan 3 ½ eeuw-oude, samengroei van Vaderland-Volk-Vorstenhuis.
En zo wordt de nationale verdeeldheid groter, naarmate vuriger wordt gepleit voor een van de twee vlaggen. De verdeeldheid onder de calvinisten openbaart zich in de volgende stellingen die bij VU-promoties in deze jaren worden verkondigd:
De argumenten voor het vervangen van het rood in onze driekleur door het oranje zijn niet afdoende.
(W.J. Goslinga)







Op historische gronden verdient het oranje in de Nederlandsche nationale vlag de voorkeur boven het rood.
(J. Oranje)
Een lauwe verkiezingsstrijd belooft 1937 niet te brengen. Vijf weken vóór de stemdag meldt de anders zo bezadigde Standaard reeds met een kop over de volle breedte van de voorpagina:
twaalfduizend personen hoorden
dr. colijn's eerste verkiezingsrede.
Overweldigende inzet der stembusactie
in de Nenijtohal te Rotterdam
En zonder enige moeite zou nog een zaal met duizenden personen gevuld zijn, die thans teleurgesteld moesten worden.
vertelt trots het blad er bij. Inhakend op de door Nederlandse nationaal-socialisten aangeheven verkiezingskreet, roept voorzitter Heukels volgens De Standaard:
Was die strijd een strijd om personen, dan zou de keus voor de a.r. ook niet moeilijk zijn. Want zij zouden zeggen: Geen Mussert, geen Moskou, geef mij maar Colijn. (Applaus.)
De strijd gaat echter niet om personen. Wij scharen ons slechts achter personen, voor zoover zij dragers van beginselen zijn.
Minister-president Colijn spreekt anderhalf uur. Hij heeft het o.a. over de werkloosheid. Het (socialistische) Plan van den Arbeid keurt hij af.
De principieele fout in het plan is, dat men de arbeidsgelegenheid veel te vast koppelt aan het nationaal consumptievermogen. Werkverruiming is in eerste instantie afhankelijk van uitvoer. Het verbruik binnen de grenzen is nooit in staat om de nationale productie op te nemen.
Het uitvoeren van grote projecten biedt ook al geen oplossing, denkt Colijn.
Er is al zooveel gedaan aan wegenaanleg en bruggenbouw. Moeten we soms nog een tweede Moerdijkbrug naast de pas geopende leggen, of moeten we nog een nieuwen weg van Rotterdam naar Den Haag aanleggen?
Colijn ziet het niet. Hij zegt volgens het Standaardverslag:
Men stelt de Regeering voor als hardvochtig te zijn met het lot der werkloozen. Welnu (en er klinkt ontroering in de stem van Dr. Colijn, als hij zegt): Als er één ding is geweest, dat mij slaap heeft gekost - en dat gebeurt niet spoedig - dan is het geweest de zorg voor het probleem der werkloosheid (applaus).
Als ik een weg had gezien - ook al had het heel veel geld gekost - waardoor men op vruchtbare wijze de werkloosheid had kunnen bestrijden, dan was het gebeurd.
In een beschouwing over deze massa-bijeenkomst prijst De Standaard Colijns taal, die ‘een kind kan begrijpen’.
Prachtig is, om een enkele greep te doen, de afwijzing van de ongemotiveerde critiek van de zijde der SDAP. Met 200 millioen gulden per jaar wil het Plan van den Arbeid de werkloosheid tot de helft terug dringen. Waarom dan niet verder gegrepen? vraagt de practische staatsman. Waarom
geen 400 millioen en weg is de werkloosheid. De opklaterende lach bewijst, dat de principieele denkfout in het socialistische plan begrepen wordt.
Buiten de hal wacht een talrijk publiek om Colijn een ovatie te brengen wanneer hij naar buiten komt.
Een zegetocht begint door het land. Overal organiseert de a.r.-partij massabijeenkomsten met als spreker Colijn. Op 3 mei meldt De Standaard jubelend dat reeds 73.500 personen Colijn hebben beluisterd. En de verkiezingsdag is pas 26 mei.
De grootste zalen in het land zijn te klein om het Colijn-publiek te kunnen bevatten. Grote tenten worden hier en daar opgeslagen om de duizenden te bevatten, die Colijn willen horen. Men vergadert in de A.T.O.-garage in Zwolle, tussen raderen en drijfriemen in een fabriek in Dordrecht en in de openlucht. Zalen en kerkgebouwen worden door luidsprekers met elkaar verbonden. Soms spreekt Colijn viermaal op een dag. De anti-revolutionnairen plakken Colijn-zegels op hun brieven, men vlagt met Colijn-vlaggen, men post Colijn-briefkaarten, en men verdringt zich om een handtekening te krijgen van de grote man. Vooral de jeugd (ook de vrouwelijke) is gebrand op z'n handtekening.
Over de spreekbeurt in Leeuwarden meldt De Standaard:
Overal werd Dr. Colijn stormachtig toegejuicht, terwijl hij in de Koepelkerk aan tal van jonge dames zijn handteekening gaf op verkiezingsbriefkaarten onder de opmerking: ‘Het lijkt wel of ik op mijn Departement stukken mag teekenen’:
Men spreekt al spoedig van een handtekeningen-rage. De kaarten voor de Colijn-avonden vliegen weg. In Amsterdam, wordt 28 april op de zwarte markt vijf gulden geboden voor een van de 12.000 plaatsen op 10 mei in de Apollohal.
De Standaard-verslaggever, die in dezelfde trein als Colijn naar Groningen reisde, meldt:
Aan elk station was er direct belangstelling, als iemand zijn markante figuur in de gereserveerde coupé had opgemerkt. In Groningen ging een hoeraatje op, toen Dr. Colijn den trein verliet. Een paar jeugdige handteekeningen-verzamelaars waagden het hem om zijn handteekening te vragen. Bereidwillig voldeed Z. Exc. aan hun vraag.
Op één dag spreekt Colijn tweemaal te Dokkum en tweemaal te Heerenveen.
Beide vergaderingen zijn ordentelijk verloopen. Alleen in de eerste vergadering werd hinderlijk gefotografeerd. Dr. Colijn verzocht hiermede op te houden. ‘Ik ben,’ aldus spr., ‘de laatste veertien dagen zeker wel 500 maal gefotografeerd. Het is nu meer dan genoeg.’
In IJmuiden wordt een spreekkoor aangeheven:
Wie zal het zijn? Colijn!
De Standaard publiceert 29 april een stembuslied op de wijs van ‘Zij zullen het niet hebben’. Een der coupletten luidt:
Ovaties ook in Zwolle op 4 mei. De Standaard meldt:
Buiten wachtte een groep jongere menschen, die geen kaart hadden kunnen krijgen, maar die deze gelegenheid gebruikten om den a.r.-leider toe te juichen. Zij holden zelfs langs den kortsten weg naar het station om hem daar opnieuw te begroeten. Een aantal kocht zelfs een perronkaartje en holde, toen de trein (van 21.13 uur) zich in beweging zette, een eindweegs op het perron mee, vroolijk wuivend en groetend.
De taal van de anti-revolutionnairen wordt met de dag militanter. De Standaard spreekt over een ‘verkiezingsveldtocht’. De werkers worden aangeduid als ‘De Gardisten van Colijn’. En op een ‘mobilisatievergadering’ van de Centrale Propaganda Commissie in Amsterdam spreekt Mr. A.B. Roosjen over de heer J. Deutekom als ‘de plaatselijke commandant’.
De Standaard meldt:
Vol vertrouwen - zoo vervolgde de heer Roosjen - gaan wij den verkiezingsstrijd in. En op 10 Mei a.s. zullen wij - ook al regent 't baksteenen - de Apollohal, waar de sociaal-democraten verleden week maar ruim 3000 menschen bijeen konden krijgen, vullen en ons met een ‘Present Generaal’ bij Dr. Colijn melden.
Mr. Roosjen heeft gelijk. Er zijn er meer dan 12.000. In zijn toespraak zegt hij ook:
De tocht van Dr. Colijn door 't land is een zegetocht. Elken avond spreekt hij voor duizenden en de angst is den liberalen om 't hart geslagen, zoodat de Nieuwe Rotterdamsche Courant de liberale candidaten bij de kiezers als hulptroepen van Colijn aanbeveelt.
Inderdaad zitten er nogal wat liberalen onder het gehoor van Colijn. Ze zien wel iets in hem. De geschrokken Vrijheidsbond adverteert: ‘Zet meer liberalen naast Colijn’. De journalist D. Hans schrijft in de liberale Avondpost:
Gisteravond is het a.r.-volk van Den Haag bijeen geweest, om naar zijn Colijn te luisteren. Te luisteren in Het Gebouw, in het Circus, in de Zuider-kerk. En alles was vol, vol, vol ... En uit de verte schalden de liederen ons al tegemoet. Want dit anti-revolutionnaire volk zat niet stijf te wachten. Het zóng. Het zong opgewekt en geestdriftig vaderlandsche liederen. Het zong dat het daverde. En niet één, of tweemaal. Het werkte een heel repertoire af. Het zong psalmen. Massief klonk Luthers geloofslied ‘Een vaste burcht is onze God’. En daar schalde ook Da Costa's oude strijdzang: ‘Zij zullen het niet hebben’ ... En daar kwam de Minister-President. Jubelend ontvangen. Met de zegebede uit den 134en Psalm begroet. In zijn openingswoord had de voorzitter gezegd: ‘Excellentie, ik wil niet spreken over kabinetsformatie, maar ik zeg alleen dit: wij hopen dat u op uw post kunt blijven!’ Toen daverde het gebouw op zijn grondvesten. En met die woorden
werd een wensch vertolkt ook van zeer velen, die niet tot de anti-revolutionnairen behooren...’
Ook op de Bondsdag van de gereformeerde jongelingen op hemelvaartsdag in Middelburg spreekt Colijn een paar woorden. Bondsvoorzitter Prof. Dr. K. Dijk roept hem toe:
En wat de Gereformeerde jongelingen betreft, die gevoelen zich bij u, Dr. Colijn, als bij een vader. (Applaus.) En als men u smaalt, dan zullen zij zich op Christelijke, Calvinistische wijze daarover wreken, door u zóó trouw te blijven, dat, onder beding van Gods genade, niemand die phalanx zal mogen verbreken. (Daverend applaus.)
Druk wordt geadverteerd met een nieuw boek van Rudolf van Reest:
De levensroman van Dr. H. Colijn verschijnt reeds volgende week.
Nederland beleeft een felle verkiezingsstrijd voor de 2e Kamer, vooral ook omdat Musserts NSB voor het eerst meedoet. Voor ‘sterke man’ Colijn is Mussert beducht. De fascisten trachten de 70-jarige staatsman af te schilderen als een oud vermoeid mens, maar de vitaliteit waarmee Colijn tussen de 40 en 50 keer z'n duizenden toespreekt, maakt daarom des te meer indruk.
Bij Alphen aan den Rijn verongelukt een auto, waarin 6 NSB-ers terugkeren van een bijeenkomst in Lunteren. De auto komt in het water terecht en alle inzittenden verdrinken. De NSB roept: terreur. En hun Nationale Dagblad publiceert het volgende insinuerende berichtje:
In Alphen heeft op den avond van den Tweeden Pinksterdag een auto rondgereden, waarop verkiezingsreclame voor Colijn was aangebracht, waarvan de bestuurder NSB-wagens molesteerde. Op gevaarlijke wijze werd door hem het verkeer gehinderd, zóó zelfs dat het verscheidene malen maar op het randje af was of er waren ongelukken ontstaan. Is het een wonder dat twijfel gerezen is omtrent de oorzaak van het betreurenswaardig ongeval, hetwelk juist op dit deel van den weg heeft plaatsgehad? Tot na 12 uur heeft deze molestatiewagen immers den weg onveilig gemaakt.
De Standaard spreekt 21 mei verachtelijk van ‘vuige laster’. Er heeft niet eens 'n reclamewagen in Alphen gereden. De NSB moet in een andere richting zoeken. En het a.r.-blad citeert een verklaring van een garagehouder, die de verongelukte auto in reparatie heeft gehad:
Letterlijk was er niets meer goed aan den auto, bijv. ondeugdelijke remmen, slechte banden, weinig of geen licht ..., enz.
De ‘Nederlandsche Beweging voor Eenheid door Democratie’ plaatst ook in De Standaard advertenties ter grootte van een pagina, waarin het Nederlandse volk hartstochtelijk wordt opgeroepen niet te stemmen op enige nationaal-socialistische of communistische partij.
De a.r.-jeugd blaakt van geestdrift. In Den Haag organiseert de a.r.-propagandaclub ‘Mobiel’ fietstochten met verkiezingsborden. De Standaard van 1 mei schrijft:
Moeten we niet allen onze gaven in dienst stellen van onze a.r.-partij om tegenover demagogie van onze tegenstanders te propageeren onze beginselen, die gegrond zijn op de Heilige Schrift en die dus alléén juist zijn. En zulke propaganda maken we in niet geringe mate als we met honderden door de
Het raambiljet, dat de anti-revolutionairen in 1937 gebruikten bij de succesvolle Colijnverkiezingen. Zoveel liberalen stemden Colijn, dat de a.r.-fractie zeventien van de honderd parlementszetels verwierf.
Haagsche straten rijden, dat we de menschen als het ware toeroepen: Wie? lijst 3. Colijn.
Op 4 mei wordt de fietsende jeugd gewaarschuwd:
dat in verband met een wijziging in de politieverordening het ten strengste verboden is, de fietsbel anders te gebruiken, dan om de veiligheid van het verkeer te bevorderen. Waar we vorige jaren door luid bellen de aandacht konden trekken, zullen we nu de bel met rust moeten laten.
Dat is wel jammer. Maar het dooft het enthousiasme van de Colijnfietsers niet. Op zaterdagavond 22 mei springt een verbluffend aantal in het zadel. De Standaard brengt nauwkeurig verslag uit:
Een kilometers lange stoet van fietsers slingerde zich zaterdagavond door de straten van Den Haag en Scheveningen. Allen propagandisten van de a.r.-partij in hart en nieren.
Uit het Westland kwamen ze in eenige rijen, Voorburg, Voorschoten, Zoetermeer, Scheveningen en nog andere plaatsen in den omtrek waren vertegenwoordigd.
Tusschen half zeven en zeven uur stelde de stoet zich op in de Vreeswijkstraat en de Driebergenstraat. Hoeveel er waren, viel moeilijk te schatten, maar het naderde dicht de tweeduizend. Auto's, voorzien van pakkende leuzen, onderbraken telkens de eindelooze rij van fietsers. Later in den middag verscheen nog de luidsprekerauto, die met de tamboers en trompetters de menschen uit de huizen lokte, zoodat de belangstelling langs den weg buitengewoon groot was.
De uitbundige anti-revolutionnairen trappen eerst naar het huis van minister De Wilde. Dan slaan zij af in de richting van de Stadhouderslaan, naar de woning van Colijn.
Honderden hadden hier een plaats gevonden op het middenpad tegenover de woning van Dr. Colijn.
Dr. en Mevrouw Colijn, die eerst op het bordes hadden gestaan, kwamen op het trottoir, waar ze allereerst een ovatie in ontvangst hadden te nemen van de omstanders. De optocht was inmiddels genaderd en zoodra de kop onder luid gejuich was voorbij getrokken, werd halt gehouden. Dr. Colijn zou eenige woorden spreken!
Een inderhaast aangebrachte microfoon en luidspreker stelde welhaast allen in staat dit kort woord te volgen.
‘Hoewel ik vanmiddag,’ aldus Dr. Colijn, ‘pas voor 7000 menschen te Hilversum een rede gehouden heb, merk ik wel dat ik nu niet alleen kan toekijken. Daarom wil ik gaarne een paar woorden zeggen en u dank brengen voor de belangstelling. Wat de uitslag der verkiezingen zal zijn, daarnaar kunnen we slechts gissen. Zeker kunnen we ervan zijn, dat zij die het toeleggen op onze volksvrijheden, geen meerderheid zullen halen. (Daverende toejuichingen.)
En nu, zoo besloot Colijn, ik ben den heelen dag in touw geweest, ik weet niet hoe het met U is, maar ik zie verschillende jongeren, voor wie het tijd is om naar bed te gaan. En aangezien ge niet weggaat, eer ik wegga, wil ik den raad geven naar huis te gaan en daar te overdenken, op wien woensdag
gestemd zal worden. Dat hoeft niet op mij te zijn, doch op lijst 3.’
Dit korte woord van onzen grijzen leider werd spontaan beantwoord met het zingen van het Wilhelmus. De stoet zette zich hierop weer in beweging en Dr. Colijn, zoowel als mevrouw Colijn, werden niet moe de hartelijke toejuichingen te beantwoorden met vriendelijk wuiven.
Zingend en juichend trokken de honderden voorbij en in hun oogen glom liefde en bewondering voor hun aanvoerder.
Hoe vindt Colijn zelf deze uitbundigheid rond zijn persoon?
Aan de vooravond van de verkiezingen publiceert De
Standaard een interview,

De gezusters Balder (Broek op Langendijk)
verzorgden in Het Schouwvenster de knip- en naairubriek. In 1937
boden zij knippatronen aan voor onderstaande
japonnen.
dat de Arnhemse correspondent had met de lijsttrekker van de mannen-broeders. Ge kunt, als ge dat wilt, er een stil protest in aflezen tegen de evenredige vertegenwoordiging, zegt Colijn. Het is z.i. een bewijs van de hang naar bepaalde personen, die bij het volk leeft.
Acht u dit een verblijdend verschijnsel, Excellentie? Weer die aantrekkelijke, schalkse glimlach. Verblijdend? Och, ik zou zeggen: een natuurlijk verschijnsel. Als men kiespijn heeft, is dat allesbehalve verblijdend, maar wel natuurlijk. 't Zou beter zijn als de menschen uit vaste beginsel-overtuiging de verkiezingsvergaderingen bezochten, maar er zijn er nu eenmaal bij wie ook andere factoren invloed doen gelden.
De stemdag verloopt ordelijk. De Standaard-lezers vernemen dat Prinses Juliana en Prins Bernhard gestemd hebben in het gymnastieklokaal van het Baarnsch Lyceum. Ze moesten 5 minuten in de rij staan wachten.
Het publiek wilde het Prinselijk Paar vóór laten gaan, doch dit werd door de Prinses van de hand gewezen. Als gewone menschen hebben Prinses en Prins gestemd.
In het Standaard-gebouw aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal in Amsterdam verneemt Colijn 's avonds z'n grote overwinning. Als hij voor de ramen verschijnt, juicht de menigte hem toe. Via de luidsprekerinstallatie spreekt hij een kort woord. Dan gaat hij naar Krasnapolsky, dat uitpuilt van antirevolutionairen. Ze zingen als hij binnenkomt:
En Colijn spreekt:
De ras-echte anti-revolutionnairen hebben recht op twaalf zetels in de Kamer. Die komen ons toe in verband met de samenstelling der bevolking. In 1933 boekten we veertien zetels, meer dus dan waarop we mochten rekenen. Er waren er die op onze lijst stemden omdat zij in mij zagen een heelen of halven Mussolini (groote vroolijkheid).
Over de sprong thans naar zeventien zetels zegt Colijn:
Men plaatse echter onzen vooruitgang niet alleen op den persoon van den lijsttrekker, er is ook meerdere waardeering ontstaan voor de anti-revolutionnaire beginselen in het staatkundig leven.
Bekende klanken vullen de donkere zaal. De NCRV geeft weer een filmavond. Duizenden trekken naar de gebouwen ‘voor christelijke belangen’ om de

Op deze pagina en de volgende: Prentbriefkaarten
in omloop tijdens de jaarwisseling 1937/1938.












nieuwe NCRV-film ‘In Stormgetij’ te zien. Het is een speelfilm, maar er is geen gebruik gemaakt van beroepstoneelspelers, zo heeft ‘De Grote Onbekende’, van ‘Het Vragenuurtje’ van de NCRV nog eens met nadruk voor de microfoon gezegd. Er is gebruik gemaakt van dilettanten. Men kan dus zonder bezwaar gaan kijken.
In de zomer van 1937 is de film gemaakt, weer naar een ontwerp van NCRV-propagandist D. Pereboom. In het filmboekje, dat men kan kopen bij de ingang van de zaal, lezen de mensen thuis nog eens na wat zij gezien hebben.
De familie Coster is een zeer geachte familie in het dorp. Met God en met eere brengen zij hun kinderen groot. De meisjes - ze zijn heel gemakkelijk in de opvoeding: altijd Moeders trouwe hulp. Maar Jan - ja, dat gaat niet heelemaal zooals Vader en Moeder het wenschen.
Wat is er aan de hand met Jan? Ja, wil geen onderwijzer worden; hij wil varen.
Het liefst zit hij aan 't water, het groote water: de zee, die op nog geen honderd meter van het huis voor hem te bereiken is. Als Oom Jaap, de oude zeerob, op bezoek komt en zijn verhalen doet over verre reizen met een viermaster, is Jan een en al oor.
Met verlangende ogen zien we Jan naar een scheepje in een fles kijken. Maar ach, van vader en moeder moet hij toch naar de christelijke kweekschool. Daar in de klas staart hij vol heimwee naar de wandplaat ‘Oostindië vaarders’ van Isings.
Na een scène thuis krijgt Jan z'n zin. Hij mag naar de Zeevaartschool. Weldra is hij stuurmansleerling op een stomer naar Noorwegen.
In den vreemde gaat hij passagieren.
't Is hem eerst wat vreemd, hem, den jongen van christelijken huize, kroegen te bezoeken. Doch dat went al spoedig. Tot hun groot verdriet moeten zijn ouders ervaren, dat hun vrees niet ongegrond is en dat Jan zich thuis al spoedig niet meer op zijn gemak gevoelt. 't Is vaste regel, 's Zondags naar de kerk te gaan, maar Jan loopt de kerk voorbij en laat daar een leege plaats. Wel doet het orgelspel, waarvan de melodie ‘Blijf bij mij, Heer’, tot hem doordringt, hem even opkijken.
Jan vaart naar de Middellandse Zee. Hij is al stuurman. In Algiers struikelt hij bij het lossen over een tros en slaat tegen de reling. We zien hoe hij naar het ziekenhuis wordt gebracht. Daar zal Jan enkele weken moeten liggen, het hoofd in verband.
In het ziekenhuis verveelt Jan zich. Hij vraagt om een radiotoestel. Dan hoort hij:
Hier is Hilversum, de NCRV. U hoort vervolgens het bekende ‘Blijf bij mij Heer’, gezongen door ‘Die Haghesangers’ met begeleiding van het NCRV-orkest.
Geroerd luistert Jan naar de woorden.
Het filmboekje vervolgt:
Moeder! ... hoe heerlijk zong zij het altijd aan mijn bedje ... Ja ... en toen ik langs de havens dwaalde, dat draaiorgel ... en toen ik de kerk voorbijliep...
Deze gedachten flitsen door zijn brein. Moeder, zij bad voor mij, bidt nog voor mij.
En Vader ... Ja, ik ben op den verkeerden weg. Waarom bid ik zelf niet meer ... en lees ik niet meer in mijn Bijbel...?
En dan zien we Jan een zuster wenken. Hij vraagt of zij uit z'n koffertje het bijbeltje wil halen, dat z'n moeder daarin heeft gestopt.
De film maakt diepe indruk op de duizenden NCRV-leden. Al 118.000 mensen geven een vrijwillige bijdrage aan de NCRV. Ze doen het graag. Er zijn plannen voor de bouw van een prachtige studio in Hilversum.
In het propagandaboekje lezen ze:
Of de radio moet betaald worden uit belastinggelden, door den Staat te innen, óf uit de giften, welke de radio-bezitters zelf vrijwillig ter beschikking van de Omroepverenigingen stellen. Onttrekken zich de radiobezitters aan de vrijwillige bijdrage, dan loopt dat uit op een staatsomroep en belasting. Wanneer men niet vrijwillig geeft, wordt men straks gedwongen te betalen.
Ze weten het. Maar het zal niet aan het protestants-christelijk volksdeel liggen wanneer het nog eens zover komt. In hun hart trilt mee het refrein van het NCRV-lied:
... gedenken de calvinisten het feit dat Abraham Kuyper honderd jaar geleden werd geboren, met een grote bijeenkomst en 48 pagina's dikke extra-nummers van De Standaard en De Rotterdammer.
... worden bij promoties aan de Vrije Universiteit de volgende stellingen verkondigd:
Het streven naar autarkie is niet bevorderlijk aan een vreedzame samenleving der volkeren.
(Gezina H.J.v.d. Molen)
De doorwerking der nationaal-socialistische beginselen in Duitschland op strafrechtelijk gebied, beteekent een ernstig gevaar.
(W.P. Berghuis)
Tegen het toekennen van het promotierecht aan de Theologische School te Kampen bestaan geen juridische bezwaren.
(E. Diemer)
Die strewe na die gelykstelling tussen blank en swart in Suid-Afrika is 'n uitvloeisel van die Revolusie en die segregasie op maatskaplik, kerklik en staatkundige terrein is die vrug van die Calvinisme.
(D.C.S. du Preez)