terug  begin  prepost
[p. 271]

Nawoord

De tijd tussen beide wereldoorlogen is, naar mijn indruk, wel een interessante, maar niet de meest verheffende geweest in de geschiedenis van het reformatorische volksdeel. De Kuyper-periode ervoor doet me eerlijk gezegd veel meer. Die zou ik graag ook eens in boekvorm vastleggen. Trouwens, ook de jaren ná 1938 lijken me de moeite waard.

Waarom dan toch de jaren tussen 1918 en 1938 gekozen?

Omdat mijn nieuwsgierigheid het allermeest naar díe tijd uitging en omdat me bleek dat dit bij veel generatiegenoten het geval was. In die jaren liggen tal van vage jeugdherinneringen, die om meer klaarheid roepen. Een mens wil graag zijn herkomst weten. Met dat verlangen heeft het ontstaan van dit boek alles te maken.

In de jaren waarin dit boek begint, is de emancipatieperiode van de kleine luyden vrijwel voorbij. Kerkelijk, politiek en maatschappelijk zijn zij tot aanzien gekomen. De schoolstrijd is praktisch gewonnen. In de gereformeerde kerkbode van Leeuwarden adverteren bonthandelaren en in De Standaard beginnen automobiel-advertenties te verschijnen. In de toon van verscheidene toespraken klinkt thans duidelijk iets door van de zelfvoldaanheid van de arrivé. De eigen emancipatie is voltooid. Wat moesten ze nú?

Dat is ook de vraag, die Kuyper stelt in z'n laatste deputatenrede voor de a.r.-partij in 1918. Wat nu?

En zijn antwoord luidt kort gezegd: de sociale kwestie.

Kuyper roept in deze rede zijn mannenbroeders toe:

De ‘Vrije school’ blijft als bezielende leuze met gouden letteren in het vaandel van onzen staf prijken. Doch naar we hopen durven, zal, eer de vier komende jaren om zijn, dit eerevaandel in onze hoofdwacht zijn bijgezet, en dan zullen het niet in 't minst onze kloeke onderwijzers zijn, die bij de garde van het corps dat den socialen strijd aandurft, worden ingelijfd.

Hij richt zich speciaal tot de onderwijzers, maar het geldt voor al zijn mannenbroeders.

Een tevreden volksdeel is echter niet zo geschikt om te ijveren voor maatschappelijke veranderingen. Enigermate symbolisch was voor mij dat het door mij in de boedel van een a.r.-familie aangetroffen exemplaar van de brochure van 1918 Wat nu? nog in 1963 moest worden opengesneden. De eigenaar had er nimmer een blik in geworpen. Hij had het geschrift ook niet bestreden of in het vuilnisvat geworpen. Hij had Kuypers politieke testament slechts zorgvuldig bewaard.

Een bewarende neiging kenmerkt de levenshouding van de vaderen tussen beide wereldoorlogen. Vaak moest ik denken aan de man, die zijn talent in de

[p. 272]

akker begroef. In de titels van enkele deputatenredes van Colijn klinken ons de antwoorden tegemoet op Kuypers Wat Nu?

Der vaderen erfdeel (1922).
Om de bewaring van het pand (1925).

Wees de hoogbejaarde Kuyper de mannenbroeders op het machtige sociale vraagstuk als hoofddoel voor de toekomst na de schoolstrijd, reeds vijf jaar na Kuypers dood schreef Colijn in een verkiezingskrant:

De zorg voor de economisch zwakkeren kwam keer na keer op onze stembus-programma's om een vooraanstaande plaats vragen. Thans echter voelen we dat vooral het bewaren van wat we hebben het eerst om ons aller inspanning vraagt.

Dit is - mild uitgedrukt - niet de taal van een sociaal profeet. Maar het was wel de taal, die het gros van het reformatorische volksdeel aansprak. Na de voltooiing van eigen emancipatie wenste men vooral orde en rust in de samenleving. Niet het een of andere toekomstideaal, maar het ‘nu’ werd belangrijk.

Men had iets te verliezen. Kuypers onbereikbare ideaal, een christelijke samenleving, raakte op de achtergrond.

Op 9 maart 1933 bestaat De Standaard het om op een pagina Onze deputatenvergaderingen in vogelvlucht onder de kop Dr. A. Kuypers laatste woord op de vraag wat nu? een citaat uit deze rede te bieden, waarin met geen woord over het sociale vraagstuk wordt gerept.

De houding, die men begint aan te nemen, wordt defensief. Bedreigd achten de mannenbroeders het gezin, het gezag, het huwelijk, de kerk, de school en de burgerlijke vrijheden. Niet meer in conservatisme en liberalisme zag men de grootste bedreiging, maar in rode revolutionaire en maatschappij-hervormende strevingen. Vastberaden betrok men de wacht. Over een andere toekomst op aarde werd niet meer gedroomd. Een betere toekomst zou de mensheid pas op de nieuwe aarde vinden.

Alle decadentieverschijnselen, die optreden bij keurtroepen welke hun bezieling aan iets anders moeten ontlenen dan aan een wenkend perspectief, zien we ontstaan. De groep zelf wordt het doel. De mannenbroeders gaan paraderen, massabetogingen houden, vaandels koesteren, veteranen eren en grote slagen uit het verleden herdenken. En extra scherp gaat men letten op elkaars leer en leven. Want de keurtroep mag niet uiteenvallen. Symptomen van een afwijkend levensgedrag of een afwijkende leer moet meteen de kop worden ingedrukt. Zo krijgen werkelijke vernieuwingsstromingen geen kans bij het volksdeel, dat men aanduidt als ‘de gereformeerde gezindte’.

Er is in de collectiviteit een duidelijke neiging om één leer en één zede aan te houden. Maar een puriteinse leefwijze, die min of meer vanzelfsprekend is in een periode van strijd en opkomst, gaat knellen wanneer geen andere toekomst meer wenkt. De zede wordt een probleem. Men gaat er over schrijven en congresseren. Er komen spanningen tussen de collectieve neiging om één leefpatroon aan te houden en de individuele behoefte, vooral bij de intellectuelen en de meer welgestelden, aan een wat minder strakke zede. Wat op het slagveld geen probleem was, wordt een vraagstuk op het exercitieplein. Zo uit de kazerne van het vrouwenhulpcorps kan komen de uitroep van een van Kuy-

[p. 273]

pers dochters, dat de vrouw, die vleeskleurige kousen draagt, met beide benen op het erf van de vijand staat.

Toch lukt het niet om Kuypers heerscharen na de schoolstrijd in strakzittende gevechtsbepakking te houden. Militant blijft men. Maar het is een uitgaansuniform dat thans wordt aangetrokken. Het vlak waarop zich enige verruiming van zeden gaat voltrekken en waarop men tegelijk weer andere volksdelen gaat ontmoeten, is het nationale. In de sympathie voor de uitdrukking ‘christelijk-nationaal’ proef ik ook iets van de behoefte aan een wat ruimer, minder eng-calvinistisch leefklimaat. In een instituut als de Bijzondere Vrijwillige Landstorm ontmoet men niet-socialistische ‘andersdenkenden’. Samen met andere niet-socialistische volksdelen marcheren de christelijke organisaties in 1933 het grasveld op van het Olympisch Stadion in Amsterdam (een ‘werelds’ gebouw) in defilé voor de Koningin. Hun ‘oranje boven’ vermengt zich met dat van andere niet-socialistische volksdelen. Het ‘nationale’ spreekt hen zeer aan. Het op zondag voetballende Nederlands elftal mag dan nog officieel een eind buiten hun blikveld liggen, de trots op de Uiverbemanning overvleugelt de bedenkingen tegen een vliegrace, ook op zondag. En op het oranje-papier van een feestprogramma dringen de eerste advertenties van dansscholen de orthodoxe gezinnen binnen. In ‘nationaal milieu’ vindt een deel van het orthodox-protestantse volksdeel een tweede, iets ruimer tehuis.

In bladen als De Spiegel ziet men dat in de loop van de dertiger jaren de twee milieus gestalte krijgen. Was er vroeger geen onderscheid tussen specifiek christelijk en nationaal nieuws, thans worden de jubilerende dominees en de vaandels onthullende verenigingen naar een aparte pagina gedreven onder de kop ‘Van eigen erf’.

Algemeen nationaal nieuws daarentegen zijn de prestaties van KLM-vliegers, het wereldkampioenschap schaken van Max Euwe, de verjaardag van de Koningin, een nieuwe brug in ons Indië, de landdagen van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm, prinsjesdag en Colijn.

Dat laatste is een beetje vreemd, want Colijn is toch ‘een der onzen’? Inderdaad is hij dat, maar ‘onze mensen’ gloeien van trots, wanneer een hunner in het nationale milieu een groot man wordt. Colijn is een ‘nationale’ figuur. In hem genieten de vaderen nationale erkenning. Colijn is een symbool van de emancipatie van een vroeger gesmaad en veracht volksdeel.

Uit deze symboolfunctie van Colijn moet, geloof ik, verklaard worden waarom er bij de mannenbroeders vaak nauwelijks een discussie ontstond over de toch heus wel aanvechtbare politieke denkbeelden van Colijn. Want aan een symbool raak je immers niet!

Opvallend is de ook thans nog bij sommige ouderen levende behoefte aan de erkenning dat Colijn een ‘groot’ man was. Zijn formaat wordt vaak belangrijker geacht dan zijn politiek.

Dat Colijn een regent van betekenis is geweest, lijkt me duidelijk. Uit de stukken en uit talloze verklaringen van mensen die hem persoonlijk goed gekend hebben, komt hij bovendien naar voren als een volstrekt integer, en vaak beminnelijk man. Hij was stellig een veel prettiger mens dan Kuyper. En zijn

[p. 274]

persoonlijke charme moet groot geweest zijn. Maar de geweldige visie van Kuyper bezat hij niet. Hij was een krachtige, autoritaire persoonlijkheid, gevormd door en in een ouderwets leger, met de zogenaamde nuchtere, realistische kijk op de dingen. Hij was een man, die met beide benen op de grond wilde staan. Maar in die positie zie je nu eenmaal niet ver. Daarvoor moet je de wolken in en dromen dromen. Het verloop van de geschiedenis is rijk aan fantasie en daarom zullen mensen die met beide benen op de grond staan, nogal eens mistasten.

Kuyper bezat een geweldige verbeeldingskracht. Hij zag een andere toekomst. Hij bezat het vermogen zich in anderer gevoel te kunnen inleven. Hoewel hij nooit in Indonesië is geweest, kon hij toch reeds in de vorige eeuw voorvoelen, wat zou gebeuren. Hij mikte in geloofsgehoorzaamheid op het onmogelijke. ‘Eén zucht beheerst mijn leven,’ was het lied van zijn levensdoel. Uit dat lied spreekt het roepingsbesef van een apostel van Christus. Kuyper joeg naar het onbereikbare. Hij was een vrome fantast. En daarom bereikte hij zo veel. Daarom laat hij diepe sporen na in de Nederlandse samenleving. En daarom gaat van vele van zijn woorden nog steeds een evangelische bezieling uit. In het jagen naar het onbereikbare zit de christelijke gehoorzaamheid in zijn politiek.

Colijn was volstrekt anders. Hij kon niet op iets onmogelijks mikken en als geheel wilde het volksdeel achter hem dat ook niet meer. De bestaande verhoudingen vond men goed en vaak zelfs van God gewild. Krachtige gezagshandhaving tegenover (rode) revolutionaire neigingen achtte men gewenst. In het communisme zag men het stelsel van de anti-christ. Een ‘sterke man’ sprak hen aan. Niet verdoezeld mag worden, dat verscheidene mannenbroeders om die reden aanvankelijk sympathie koesterden voor fascistische en nationaal-socialistische theorieën, ook al raakten zij op het punt van de vrije school en de vrije omroep met die stelsels in de knoei.

Mijn indruk is dat vele van Colijns volgelingen in het begin van de dertiger jaren een ernstiger fascistische besmetting hadden opgelopen dan de nuchtere, internationaal georiënteerde en aan de christelijke partijgedachte trouwe Colijn zelf. Uit die jaren citeer ik nogal wat. Het leek me nuttig, omdat er uit blijkt dat het niet zo eenvoudig is om vast te stellen waar onschuldig nationaal gevoel begint te ontaarden in heidens nationalisme. Na de oorlog werken we veel met de emotioneel zeer bevredigende voorstelling van Hitler als een misdadige gek. Maar deze ‘verklaring’ van het jongste verleden draagt het gevaar in zich dat een principiële benadering van de verschijnselen fascisme en nationaal-socialisme achterwege blijft. Toch is Hitler niet aan de macht gekomen door een gebrek aan psychiatrisch inzicht bij het Duitse volk, maar door de - ook bij zeer veel christenen levende - neiging tot afgoderij met de begrippen volk, ras en natie. Wie meent dat Nederlandse christenen daarvoor ongevoelig zijn, maakt een gevaarlijke vergissing. De meest succesvolle, tegelijk echter onprincipiële bestrijding van het fascisme, is in de dertiger jaren naar mijn mening geweest de constatering, dat het ‘on-Nederlands’ was. Maar het was in de eerste plaats: ‘on-menselijk’ en ‘on-christelijk’. Men krijgt uit de oude bladen niet de indruk, dat dit voor de oorlog algemeen

[p. 275]

door het protestants-christelijk volksdeel werd ingezien. Voor het appèl aan nationale sentimenten waren velen niet ongevoelig. Maar juist in zaken, die de mens dierbaar zijn, dreigt het gevaar van verabsolutering, van afgoderij. En dat het ‘nationale’ ook Nederlandse protestanten zeer aanspreekt, is duidelijk. Vooral in de jaren dertig was dit zeer sterk het geval, met alle risico's van ontsporingen. Niet alle mannenbroeders waren zich zoals Idenburg voortdurend klaar bewust dat het de christen uiteindelijk niet mag gaan om het Koninkrijk der Nederlanden, maar om het Koninkrijk der Hemelen.

De jaren van 1918 tot 1938 zijn naar mijn indruk niet de meest vruchtbare geweest van het reformatorische volksdeel. Aan het ‘vaderlijk erfdeel’ werd weinig nieuw gebied toegevoegd. Er is één belangrijke uitzondering. In de oprichting van de ncrv en het ijveren daarbij voor een democratisch omroepbestel in ons land trokken de mannenbroeders de lijn door van de voor geestelijke vrijheid strijdende vaderen. Op dit terrein bouwde men iets nieuws, durfde men naar de toekomst zien en liet men de na-oorlogse generatie iets na, dat de moeite waard is. Maar daarvoor moest als vanouds weer slag worden geleverd tegen conservatisme en liberalisme.

 

Ben van Kaam

prepostterug  begin