terug  begin  verderprepost
[p. 23]

II. Klassenstrijd, belangenstrijd en cultuurstrijd.

Evenmin als men een mens beoordelen kan naar de mening, die hij over zichzelf heeft, evenmin kan men een omwentelings-periode beoordelen naar de politieke, wijsgerige, religieuse en andere ideologische vormen, waarin zij zichzelf tot bewustzijn komt, - zo ongeveer heeft Marx herhaaldelijk vermaand. Een vermaning, die overigens evenzeer voor z'n aanhangers als voor z'n vijanden van kracht is en die, goed beschouwd, toch slechts een gedeeltelijke waarheid is. Want ongetwijfeld, een meneer, die zich verbeeldt een napoleontische aanleg te hebben, kan zeer goed een hopeloos onbenul zijn, maar hij zal zich bij iedere gelegenheid geheel anders gedragen en dus een geheel andere uitwerking op zijn omgeving, op mensen en toestanden hebben, dan een ander hopeloos onbenul, die zich ervan bewust is, dat te zijn, en die dus, volgzaam en gedwee, onderworpen en gehoorzaam, zich aan de bestaande orde en regelen onderwerpt, juist daar, waar onze would-be Napoleon zou proberen zich op de voorgrond te dringen, leiding te geven, en in ieder geval zou razen en tieren en wanorde veroorzaken.

Het is dus duidelijk, dat het wel degelijk van betekenis, en zelfs van grote betekenis is, wat mensen, en nog veel meer wat groepen mensen, partijen, stromingen, bewegingen van zichzelf denken. Hun bewustzijn moge dan ‘vals’ zijn, het is mét dat valse bewustzijn, dat zij handelen en inwerken op hun omgeving en in laatste instantie op de wereldgeschiedenis. En het moge waar zijn, dat een verkeerd bewustzijn tot een verkeerd inzicht, tot een foutieve schatting der krachten, waarmee men te maken heeft, leidt, en dat zij, die een juister inzicht hebben, een grotere kans van slagen hebben, als alle andere factoren gelijk blijven, doch de verstandiger tegenstander behoeft maar één enkele fout te begaan, namelijk de kracht der bezetenheid te onderschatten, en reeds is de onneembare positie, die hij meende in te nemen, althans op één punt in gevaar gebracht.

[p. 24]

Aangenomen dus, dat de ideeën-wereld van het fascisme van het begin tot het einde dwaas zou zijn, dan nòg zou het nodig zijn, die wereld te kennen en goed te kennen ook, omdat men alleen zó kan te weten komen, hoe het fascisme op allerlei toestanden en beurtenissen reageert. Maar men moet wel bedenken, dat dit ‘kennen’ van de fascistische ideeënwereld alleen dan mogelijk is, als men zich niet bepaalt tot het van buiten-af bekijken, het herhalen van formuleringen en het uiten van eigen meningen hieromtrent, meningen, die uit een geheel andere kijk op de dingen voortkomen. Men moet proberen zich in de gedachten- en gevoelswereld der anderen in te leven. Eerst dàn kan men zich enigszins voorstellen, hoe groot de kracht is van bepaalde ideeën en begrippen, eerst dan kan men samenhangen zien en een innerlijke logica ontdekken, daar waar bij voorbeeld een rationalistische opvatting alleen maar dwaasheid en verwardheid ziet. En men kan dan ook begrijpen, waarom bepaalde samenhangen, die voor ons de onweerstaanbare logica zelf zijn, niet de minste uitwerking blijken te hebben op geweldige groepen der bevolking.

Hiermee wil natuurlijk niet gezegd zijn, dat er geen objectieve waardebepalingen mogelijk zijn, en dat het goed recht van ieder ‘inzicht’ of ‘gevoel’ erkend moet worden. Maar tot waardebepaling kan men alleen dan met de grootst mogelijke kans op objectieve juistheid overgaan, als men werkelijk ernstig geprobeerd heeft, de opvattingen, die van de tot dusver gangbare afwijken, te onderzoeken, inplaats van ze botweg af te wijzen, en daarmee op het standpunt te gaan staan, dat wij van de vorige generaties een onaanvechtbare wereldbeschouwing hebben geërfd!

Houdt men echter de wijsheden van vandaag voor niet onveranderlijk, dan moet men ook de mogelijkheid erkennen, dat ze, óók door het fascisme, worden aangevochten en dat men die aanval, voor zover zij zich in het rijk der ideeën afspeelt, met ideeën zal hebben te bestrijden. En in de tweede plaats zal men de mogelijkheid dienen te erkennen, dat een deel dier fascistische ideeën bij nader onderzoek een mindere of meerdere mate van juistheid zou blijken te bevatten. En tevens dat ideeën, die tot de vaste bestanddelen van de algemeen aanvaarde wereldbeschouwing behoren, bij nadere beschouwing onhoudbaar blijken.

 

Het fascisme noemt zichzelf een protest tegen de materialistische

[p. 25]

opvattingen, die in de tweede helft der vorige en het eerste kwart van deze eeuw geheerst zouden hebben.

Als zodanig staat het allerminst alleen. Zó talrijk zijn de groepen, die het materialisme verontwaardigd afwijzen, dat men zich afvraagt, of er werkelijk wel ooit een noemenswaard aantal aanhangers van die materialistische opvattingen is geweest. En of het materialisme - gesteld, dat het een gevaar is - wel ooit een ernstige bedreiging is geweest. Tegen het materialisme verklaren zich àl de aanhangers der oude godsdiensten en àl de aanhangers der moderne religies en spiritualistische groeperingen en secten. Tegen het materialisme richten zich alle beschaafde en ethische liberalen, alle met ridderlijke en vaderlandse deugden beladen conservatieven en reactionairen. En waar is het materialisme bij de socialisten? De grote Utopisten, de idealistische pioniers, de humanitaire en religieuse cultuur-socialisten, zij allen weigeren zich bij de materialisten te laten indelen. En de marxisten, die dan als de materialisten bij uitnemendheid beschouwd worden, hebben er steeds verontwaardigd tegen geprotesteerd, als ze in één hokje gestopt werden met de ‘mechanistische’ of de ‘vulgaire’ materialisten van het type Büchner. En dat waarlijk niet alleen, omdat zij op filosofisch gebied het onderscheid tussen hun ‘historisch’ en ‘dialectisch’ materialisme en het ‘mechanische’ der Franse l8e-eeuwers en hun Duitse navolgers in de 19de eeuw, duidelijk wilden doen uitkomen, maar ook, omdat zij niets gemeen wilden hebben met wat in het gewone spraakgebruik voor materialisme doorgaat. Zo groot was de angst, ingedeeld te worden bij de materialisten in de morele betekenis van het woord, dat vele marxisten er zelfs toe overgegaan zijn, te vertellen, dat het ‘historisch-materialisme’ geen wereldbeschouwing is, en dat het verenigbaar zou zijn met iedere idealistische filosofie (bij voorbeeld die van Kant, of die van Spinoza), terwijl het op het terrein der moraal ‘aangevuld’ zou moeten worden. Slechts zeer weinig marxisten verkondigden onomwonden hun materialisme. Wel werd door de meesten hunner de stelling aanvaard, dat alle ideologieën en dus ook alle moraal-opvattingen en alle idealen een economische grondslag hebben, maar daardoor werd het morele idealisme niet weggecijferd, er werd slechts aangegeven, dat het aan beperkingen gebonden was.

Waar is dan in zulk een wereld, waarin slechts een handjevol mensen - ongepolijste kapitalisten, onbeschaafde arbeiders, fana-

[p. 26]

tieke, maar verouderde, vrijdenkers, aanhangers van een nuttigheids-egoïsme onder bezitters en bezitlozen, socialisten en anarchisten - zich ronduit ‘materialist’ verklaart, het materialistisch gevaar, dat alles en allen zou bedreigen? Is de strijd ertegen niet een gevecht tegen inbeeldingen?

 

In werkelijkheid is dit allerminst het geval. Het filosofisch materialisme moge in de driekwart-eeuw, die achter ons ligt, weinig aanhangers gehad hebben, dat is voornamelijk juist dààrom het geval, omdat er een grote geestelijke moed voor nodig was, zich aanhanger van een leer te noemen, die door al de gestelde machten gehaat, verafschuwd en vervolgd werd, en die de ernstige wil had, alleen te aanvaarden, wat wetenschappelijk houdbaar was. Maar het andere materialisme, dat van het graaien naar bezit en winst, dat van het tot iedere prijs carrière maken, van het kleine egoïsme, waarvoor geen juistere formulering te vinden is, dan het ‘liknaar-boven - trap-naar-onder’, dat gore morele materialisme beheerste het tijdperk. En zij, die hun mond vol hadden van het streven naar hogere waarden, waren in 99 van de 100 gevallen ellendige huichelaars, méér niet.

De kerken, die een liefdeleer verkondigden en zich in dienst stelden van de gepantserde vuist of van de winst-uitpersende geldpatsers; die patsers zelf, die, als ze voldoende verzadigd waren, zich lieten strelen en prikkelen door ‘kunst’ en ‘wetenschap’, ‘wijsbegeerte’ en moraal; de ridderlijke krijgslieden, die zich in dienst stelden van winstzucht en tyrannie; de kwezelende ethici en religieusen, die alleen in hun vrije tijd de bonbons van het ‘hogere’ snoepten en in het dagelijkse leven precies even miserabel knoeiden en wroetten als de anderen; de socialisten, die door middel van ‘de beweging’ wilden bereiken, wat anderen door hun eigen ellebogen verkregen hadden: baantjes, eerbewijzen een behaaglijk bestaan met zo weinig mogelijk inspanning - zij allen huichelden idealen en cultuur en zij waren in werkelijkheid. alleen maar na-jagers van alles wat klein en laag was en zonder enige zin voor wat groots en verheven is.

Maar men kan onmogelijk volhouden, dat dit ‘materialisme’, d.w.z. deze wereldbeschouwing van het laag-bij-de-grondse, dit leven zonder sterke spanningen, zonder grote gevaren, zonder geweldige doelen, zonder offers, diepe liefde en felle haat, nu juist kenmerkend zou zijn geweest voor de socialistische arbeiders-

[p. 27]

beweging. Integendeel, het typische vale en grauwe leven vond men bij de kleine burgerij, bij de ambtenaartjes en de kantoorbedienden; het typische na-jagen van winst en genot en gegarandeerde onderscheiding, vond men bij de kapitalisten, bij de beroeps-intellectuelen, de hogere bureaucratie en bij die delen der middelklasse, die van de speculatie, de tussenhandel, en de afvalproducten der kapitalistische wereld leefden.

In de arbeidersbeweging daarentegen vond men de talloze ‘kleine werkers’, die onafgebroken, jaar in, jaar uit, zich allerlei inspanning getroostten, offers brachten, zich tevreden stelden met een sober bestaan en eigenlijk alleen in en voor de beweging leefden. Men vond daar ook vrij veel mensen, die een leven vol inspanning en verguizing en gevaar, met weinig kans op materiële beloning, gekozen hadden boven een welvoorzien en glad bestaan in de officiële maatschappij. En als men het nastreven van aardse goederen laakbaar achtte, dan moest dat toch in de eerste plaats gelden voor degenen, die reeds een zeer hoog welvaartspeil bereikt hadden, en die zich thans geen ander doel stelden, dan het opstapelen van steeds grotere schatten; liet moest ook gelden voor de tallozen, die hun overtuiging verkochten of onderdrukten om zo tot weelde te kunnen geraken, in plaats van met een sober bestaan genoegen te nemen en den strijd tegen maatschappelijke misstanden te voeren.

Maar dat de grote arbeidersmassa naar verlossing uit voortdurende nood streefde, dat ze niet verhongeren wilde, noch in krotten verblijf wilde houden, dat ze aanspraak maakte op een gewaarborgd minimum-bestaan, te betalen met haar eigen arbeidsinspanning, dat valt toch moeilijk als materialistisch streven te brandmerken, behalve dan, als men de wereld zo snel mogelijk uitgestorven wenst, en ieder recht op het lichamelijk leven ontkent, terwille van de onbeperkte heerschappij van de onlichamelijke ‘geest’!

En toch zien we, dat het fascisme niet de kapitalisten en de leden der bezittende en heersende klasse als zijn ergste vijanden beschouwt. Hun materialisme wordt wel van tijd tot tijd afgekeurd, en het fascisme verklaart wel nadrukkelijk, dat het een einde wil maken aan de kapitalistische overheersing en dat de belangen van volk en staat, het gemeenschapsbelang, boven het eigenbelang (ook van industrieel en bankier) gaan, maar niemand kan ontkennen, dat het fascisme, zodra het in staat is de macht uit

[p. 28]

te oefenen, aanvankelijk nagenoeg al zijn onderdrukkings- en vernietigingskracht tegen de arbeiders-organisaties richt.

Een volkomen vernietiging der socialistische beweging - vernietiging door het gevangen zetten of doden van alle actieve socialisten, die men in handen kan krijgen - is het eerste punt van het fascistisch program, dat in zijn geheel tot uitvoering komt, en het ziet er soms naar uit, dat het ook het enige programpunt is, welks toepassing ernstig genomen wordt. De andere groepen der bevolking laat men ongestoord in hun nastreven van materiële welvaart en overvloed. Men kan een enkele maal een bankier of industrieel hard aanpakken, zoals ook in het kapitalisme de individuele kapitalist, die de perken te buiten gaat, met den strafrechter in aanraking komt, maar de honderden en honderden bezitters, bankiers, fabrikanten, die zich zelf bevoordeeld en het volk uitgezogen hadden, worden ongemoeid gelaten, terwijl de honderden arbeidersleiders, die in dezelfde periode, zelfs als zij zichzelf bevoordeeld hadden - wat slechts met betrekkelijk weinigen het geval is - toch altijd in de eerste plaats lotsverbetering der kleine luiden (d.w.z. van de meerderheid van het volk) nagestreefd hadden, meedogenloos worden vervolgd. De hogere ambtenaren en militairen laat men, in meerderheid, ongemoeid; men moedigt de kleine burgerij en de boeren, de ambtenaren en de intellectuelen, aan bij hun streven, hun oude standspositie te handhaven, terwijl het toch vaststaat, dat het streven van al die groepen was, materiële voordelen te behalen ten koste van anderen, en individuele verbetering der materiële positie te verkrijgen ten koste van de groepsgenoten. Er behoeft waarlijk niet gewezen te worden op de nieuwe bonzenkaste met haar grof-materialistische uitspattingen (type Goering), om aan te tonen, dat de vijanden van het ‘materialistische’ socialisme, als ze de macht veroverd hebben, niet vies zijn van wat ze in anderen zo misdadig vonden. Het feit is er nu eenmaal, dat grote delen van de heersende klasse instinctmatig met het fascisme sympathiseren, omdat ze er de beweging in zien, die het arbeidersmaterialisme en arbeiders-egoïsme zal vernietigen, om zo alle belemmeringen weg te nemen voor materialisme en egoïsme van de groepen, die toch al altijd het beste deel van alle aardse genietingen hadden.

 

Is dus het stelling nemen tegen het materialisme, zoals dat van fascistische zijde met zoveel nadruk geschiedt, alleen maar huiche-

[p. 29]

larij? Of is er een bizondere reden om vooral het materialisme der socialistische arbeidersbeweging te bestrijden en dit zo gevaarlijk te achten, dat men het in de eerste plaats wil vernietigen, ook al moet men, om dit te bereiken, samengaan met andere groepen der bevolking en belangrijke concessies doen - naar men hoopt, van tijdelijke aard - aan het materialisme dier bondgenoten?

Natuurlijk vindt men een goede portie huichelarij, zowel bij de vooraanstaande fascisten, voor wie het bezetten en behouden van machtsposities al het andere overheerst, als bij de grote massa der meelopers, voor wie de beweging nooit iets anders dan een middel om carrière te maken is geweest, maar noch die geslaagde machthebbers, noch die meelopers, bepalen het karakter der beweging in de periode van haar opkomst, als ze bezig is tot een macht te worden, omdat zij, beter dan de bestaande partijen, in staat schijnt te zijn een einde te maken aan de ellende en verwording der maatschappij; als zij dus de uitdrukking van een nieuw ideaal, de belichaming van een nieuwe hoop is. In die periode is de motor van het fascisme, haar stuwende en wervende kracht, het oprechte idealisme van een kern van mensen, die in het fascisme als levensleer geloven. Daardoor wordt het groot, en nog lang nadat het aan de macht is, teert het op het idealisme en de daaruit voortvloeiende werfkracht van dat eerlijke fascisme, op de verwachtingen die het verwekt heeft, op de hoop, die het bracht. Met dat overtuigde fascisme houden wij ons in de eerste plaats bezig, want zonder dàt was er nimmer een fascistische beweging geweest. En ieder onderzoek brengt ons nu tot het feit, dat juist die overtuigde fascisten in de socialistische arbeidersbeweging het grote gevaar, de bron van alle materialistische bederf zien. Eerst moet het ‘marxisme’, zoals zij het plegen te noemen, machteloos zijn gemaakt, en dan zal men het wel met de andere vijanden klaarspelen.

 

Is dat zo verkeerd gezien, als men zich op het standpunt dezer fascisten stelt? Integendeel, het is een bewijs van hun scherp politiek instinct. Want in de eerste plaats is die socialistische arbeidersbeweging de enige werkelijke macht, onder al de tegenstanders van het fascisme. De socialisten, met hun millioenen aanhangers, goed georganiseerd, gedisciplineerd, aaneengesloten, vormen een geweldig bloc, dat langzaam, maar onweerstaanbaar,

[p. 30]

opdringt naar de regering. Weldra zullen die socialisten de meerderheid van de kiezers achter zich hebben, het parlement beheersen, de regering in handen nemen en de staat naar hun inzichten, hun vervloekte, prozaïsche, nuchtere behaaglijkheidsleer, gaan inrichten.

Wat is, vergeleken bij die socialistische stoomwals, de macht der kapitalisten? Weinig in getal, algemeen gehaat en veracht, bestaan zij nog slechts door de steun van een aanhang, door traditie en traagheid bijeengehouden, zonder de bezielende kracht van een wereldbeschouwing, terwijl de socialisten toch in ieder geval hun wereldbeschouwing hebben. De aanhang dier kapitalisten bestaat voor een belangrijk deel uit arbeiders, die nog in de ban der oude godsdiensten staan, doch die in steeds meerdere mate de onverenigbaarheid van hun godsdienst met het kapitalisme gaan ontdekken, en zich steeds meer in de richting van een gematigd hervormingssocialisme gaan wenden, tot bondgenoten van de reformistische socialisten worden. En de andere, nog belangrijkere steun van de kapitalisten, zijn de middengroepen: kleine boeren, winkeliers, eigen baasjes, de mensen van de tussenhandel, ambtenaren, kantoorbedienden, toezichthouders, ingenieurs, artsen, uitoefenaars der vrije beroepen e.d. De middengroepen, die in verzet beginnen te komen tegen het kapitalistische beheer en die, ondanks hun instinctmatige afkeer van het socialisme, toch misschien ten einde raad het met de socialisten zouden proberen en die in ieder geval onbetrouwbaar beginnen te worden voor de bestaande orde. Onder die omstandigheden kan men de schouders ophalen voor de kapitalisten. Hun uur heeft geslagen en het enige belangrijke is: wie zal hun opvolger zijn? Het antwoord moet dan luiden: de socialisten. En wel, in alle enigszins beschaafde en industrieelontwikkelde landen, de gematigde hervormingssocialisten. Zij, deze reformisten, worden dan ook door de fascisten als het eigenlijke gevaar gezien. Ook al zullen de fascisten in vele gevallen, ter wille van de propaganda en het demagogisch effect, het spook van het bolsjewisme, van het revolutionaire socialisme, oproepen en zich als redders der maatschappij van het revolutionaire gevaar presenteren, in werkelijkheid weten ze heel goed, dat dit bolsjewisme - dat ze ongetwijfeld óók verafschuwen, wat z'n strekkingen betreft, al hebben zij een zekere sympathie voor de revolutionaire methode ervan - nergens in Europa een ernstig gevaar is en slechts als parasiet op de sociaal-democratie leeft en zo

[p. 31]

zelfs, ongewild, een bondgenoot van het kapitalisme en fascisme is. Het echte gevaar is dus de sociaal-democratie; en als die de macht in handen krijgt en de maatschappij naar haar ideeën gaat omvormen, dan gebeurt wat de fascisten het afschuwelijkst vinden, dan krijgen we een wereld met slechts één ideaal: het geluk, dat wil zeggen het comfort, het rustige, tamme leven der overgrote massa; de heerschappij der middelmatigheid; een wereld die zou zijn als de toekomst die de grote, miskende Franse filosoof Cournot als onafwendbaar meende te zien, een wereld, die zou zijn als ‘één grote plas, vuil, gebruikt water’.

En dat ellendige perspectief van een wereld zonder fantasie, zonder verrassingen, zonder avontuur, zonder spanningen, een uitgedoofde, zelfgenoegzame wereld, waartegen de fascisten zich met alle macht en alle middelen weren, is niet zo maar een kwaadaardig verzinsel, opzettelijk door anti-socialisten geconstrueerd. Neen, men moet erkennen, dat vele van de beste vertegenwoordigers der midden-klasse, die gaarne bereid zijn, met het kapitalisme te breken, weigeren samen met de socialisten op te trekken, omdat zij de utilitaristische maatschappelijke idealen der socialisten nog afschuwelijker vinden dan de wereld van het kapitalisme. Want hoezeer het kapitalisme ook, naar de woorden van het ‘Communistisch Manifest’, ‘de heilige ontroering van de vrome dweepzucht, van de ridderlijke geestdrift, van de kleinburgerlijke weemoed, (heeft) verdronken in het ijskoude water der zelfzuchtige berekening’, hoezeer het ook alle betrekkingen tussen de mensen ‘verzakelijkt’ heeft en alle geestelijke uitingen tot ‘waren’ heeft gemaakt, tot de felle verontwaardiging (lang vóór Nietzsche en Moelier van den Bruck) van Carlyle niet alleen, maar ook van Marx - het kapitalisme heeft, juist door zijn chaotische aard, ruimte open gelaten voor de ontplooiing van bijzondere eigenschappen en bizondere mensen. Het zal veel, ja, het meeste van wat groot en edel en schoon is, vernielen, maar het zal toch soms iets ervan de kans geven om uit de worsteling met de wereld zegevierend omhoog te komen. Het legt in het gewone leven maar één maatstaf aan: die van het geld. Maar het heeft in de harten van de besten, ondanks alles, andere verlangens en andere maatstaven moeten laten bestaan.

 

De socialisten nu, ontkennen, dat zij een maatschappij zouden

[p. 32]

nastreven, waarin de grauwe middelmatigheid zou heersen; zij spreken over een wereld, waarin, voor het eerst, de kunsten en wetenschappen geëerd zullen worden, waarin alle gaven zich zullen kunnen ontplooien, omdat de zorg voor het naakte bestaan zal zijn verdwenen. Door onze regeling van de economie, zeggen de socialisten, verlossen wij de maatschappij van al die materiële gevaren en bedreigingen, die thans de geesten beheersen en vernietigen, en wij maken dus de geest vrij, zodat wij in wezen niet de materialisten zijn, waarvoor we doorgaan, doch de enige werkelijke idealisten en spiritualisten. Maar het zijn juist de groepen, die zich het meest met de geestelijke dingen bezig houden, die weigeren geloof te hechten aan de verzekeringen der socialisten, hoe vaak ook herhaald.

Dergelijke verzekeringen, zo zeggen de tegenstanders van het socialisme, worden, misschien te goeder trouw, gegeven door de intellectuelen uit de socialistische beweging. Maar de massa hunner aanhangers en volgers voelt in het geheel niets voor die idealen, en die massa, de grote proletarische massa, zal haar stempel drukken op de toekomstige maatschappij. Want Uw socialisme is een arbeiders-socialisme en Uw strijd is een klassenstrijd, die ten doel heeft, de arbeidersklasse tot heersende klasse te maken. En waar gij spreekt van een klassenloze samenleving, daar wil dat zeggen, dat al de andere klassen, voor zover zij niet vernietigd en uitgeroeid worden, moeten opgaan in de arbeidersklasse, zich aanpassen bij haar geestelijke snit en haar geestelijke behoeften. En wat willen deze arbeiders, die voor U, marxisten, voor U, arbeiders-socialisten (die misschien niets van het marxisme wilt weten en U niet eens ‘socialist’ noemt, doch alleen maar ‘arbeiderspartij’) de normale mens vertegenwoordigen?

Wat zij willen, is reeds gezegd in Nietzsche's ‘Zarathustra’, daar, waar gesproken wordt over de ‘laatste mens’. Men herinnert zich, hoe Zarathustra probeert, de massa aan het verstand te brengen, hoe walgelijk een wereld is van kudde-mensen, met kudde-idealen, en hoe dan, terwijl hij bezig is, het kudde-geluk te schilderen, de menigte uitroept: ‘Geef ons dat geluk, breng ons in de wereld van de vreedzame kudde en hou je dwaze idealen voor jezelf.’ - Zó is de werkelijkheid. Het volk wil niets anders, dan een vreedzaam kudde-bestaan en als dat volk de heerschappij krijgt, en de gewone man ‘de maat aller dingen’ wordt, dan zal de dictatuur van de middelmaat, de dictatuur van het geluk, de

[p. 33]

wereld onbewoonbaar maken, voor allen die geen genoegen kun nen nemen met het moeras en met de stilstand.

De hele leer van de klassen-strijd echter, moet ertoe leiden, dat een bepaalde klasse, vermoedelijk de talrijkste en het meest tot aaneensluiting en gemeenschappelijk optreden geaard zijnde klasse, die der arbeiders, de heerschappij gaat uitoefenen.

Vóór we echter nader gaan onderzoeken, waarom zoo'n heerschappij onaanvaardbaar is, moeten we nagaan, in hoever het verzet der fascisten tegen de klassenstrijd-gedachte, nog een andere zin heeft dan een bevestiging dier gedachte. Een bevestiging van de klassenstrijd-gedachte is het, als men haar bestrijdt, omdat men niet de arbeidersklasse, doch een andere klasse aan het bewind wil laten blijven of brengen. Wie zegt (of, zoals het meestal is, niet zegt, maar wèl denkt) dat niet de arbeiders moeten heersen, doch de fabrikanten, de bankiers, de grond-bezitters, benevens de hogere ambtenaren en hun aanhang, die staat evenzeer op het klassestrijd-standpunt als de marxistische socialist. En wie beweert, dat de Staat of het Volk boven de klassen staan, gebruikt deze uitspraken meestal slechts met het doel, de autoriteit van de Staat en de gevoelens van vaderlandsliefde, voor eigen standje te benutten, en de machtspositie der eigen klasse erdoor te versterken. Men ziet dus, dat de klassenstrijd-gedachte veel meer verbreid is dan men in het algemeen wil doen voorkomen. Als men de socialisten verwijt, dat zij die gedachte propageren, en dat zij klassenhaat prediken, dan is dat in de meeste gevallen slechts een demagogische uiting van gehuichelde verontwaardiging. Een onderzoek naar de geldigheid of onjuistheid van de klassenstrijdgedachte is dit echter niet. En toch is zo'n onderzoek nodig, wil men tot een behoorlijk oordeel over de maatschappelijke strijd en de positie der twee grote tegenstanders, socialisme en fascisme, komen, en nagaan, of en in hoever het protest der fascisten tegen de klassestrijd, nog andere en betere grondslagen heeft dan een gemaskeerde klasse-positie.

 

In een polemiek, die ik enige jaren geleden met Trotski had en waarin ik de formulering ‘dictatuur van het proletariaat’ aanvocht, omdat er in werkelijkheid nooit iets van die aard bestaan heeft en bestaan kan, daar er in feite alleen sprake is van een ‘dictatuur der socialisten’, een dictatuur, uitgeoefend door de aanhangers van de socialistische idee, met het doel die idee te

[p. 34]

verwerkelijken, antwoordde Trotski, dat een dergelijke opvatting de fundamenten van het marxisme aantastte en het socialisme weer zou terugwerpen naar het voor-wetenschappelijk utopistisch stadium. Het was dwaasheid, nog eens opnieuw de juistheid van de klasse-theorie te willen onderzoeken, want die stond reeds sedert lang vast. Ze was geenszins een socialistische of marxistische uitvinding, doch ze was door Marx overgenomen van de burgerlijke, liberale denkers en staatslieden, vooral van de Franse geschiedschrijvers, die de ontwikkeling der maatschappij en de oorzaken van de Franse revolutie hadden onderzocht, zoals Guizot, Mignet, Thierry en Thiers.

Natuurlijk is het volkomen juist, dat het niet de theoretici van het socialisme, doch de theoretici van de bourgeoisie zijn, die de ontdekking hebben gedaan, dat de maatschappij in klassen gespleten is en dat de strijd der klassen door de gehele geschiedenis heen loopt. Krassere formuleringen inzake de klassenstrijd, dan men bij Adam Smith, Turgot en Necker aantreft, openhartiger uitlatingen omtrent de klassen-onderdrukking, die de bezitters op de niet-bezitters moeten uitoefenen, vindt men in de hele socialistische literatuur niet. En de burgerlijke schrijvers onzer dagen, die de socialisten hun klasse-dogma en het zaaien van klassehaat verwijten, vergeten, dat de bourgeoisie zèlf, toen ze nog in haar opkomst was, de theorie van de klassenstrijd heeft gesmeed.

Dit alles was ons natuurlijk bekend. Maar het feit, dat een theorie oud is, en dat ze al door de bourgeoisie is opgesteld, moge voor Trotski een afdoend bewijs voor haar juistheid zijn, voor mij is dat in het geheel niet het geval. Ik ontken niet, dat het voor iemand met systematiserings-talent mogelijk is, alle historische verschijnselen te rangschikken met de klassenstrijd-gedachte als leiddraad. Maar men kan het bijvoorbeeld ook doen met de rassenstrijd-gedachte als leidend beginsel. En er zijn nog een tiental andere mogelijkheden om een wetmatigheid, een rythme, een dialectiek, een evolutie, een polariteit of waar ge nog verder trek in hebt, in de geschiedenis te ontdekken. In al die gevallen komt men tot een ‘verklaring’ der geschiedenis, die in werkelijkheid niets anders is dan het verarmen der historische realiteit tot een paar banaliteiten, die overigens geen andere zijn, dan degene die men bij het begin van het ‘onderzoek’ overal binnengesmokkeld heeft. En ik geloof, dat Marx dit gevoeld heeft, toen hij in 1877 den

[p. 35]

Russischen socioloog Michaïlowsky schreef: ‘Niemals aber werden wir im stande sein, die Lösung vermittels eines überal passenden Schlüssels (“passe partout”) zu finden, etwa in der Gestalt einer allgemeinen geschichtsfilosofischen Theorie, deren höchstes Verdienst darin bestehen würde, so zu sagen, überhistorisch (suprahistorique) zu sein’.

Intussen heeft dit inzicht Marx niet belet om in het ‘Communistisch Manifest’, dat van 1847 is, de stelling te poneren: ‘De geschiedenis van alle samenleving is tot dusver een geschiedenis van klassenstrijd’, een stelling, die reeds in een latere editie moest worden beperkt tot de samenleving, die op het ‘oer-communisme’ gevolgd zou zijn (en wier grens aan de andere kant vanzelfsprekend bij het nieuwe communisme lag), en die, bij nader onderzoek, ook door Marx niet meer gehandhaafd kon worden in de eenvoudige vorm, waarin hij ze, juist voor de moderne tijd (het ‘kapitalisme’) wilde toepassen. Immers in dat ‘Manifest’ heet het nog: ‘Echter onderscheidt ons tijdvak, het tijdvak van de bourgeoisie, zich hierdoor, dat zij de klasse-tegenstelling vereenvoudigd heeft. De gehele maatschappij splitst zich meer en meer in twee grote, onderling vijandige kampen, in twee grote, rechtstreeks tegenover elkander staande klassen: bourgeoisie en proletariaat’.1)

Maar zodra Marx tot een concreet onderzoek van een stuk tijdgeschiedenis moet overgaan (b.v. de ontwikkeling in Frankrijk van 1848-1852) kan hij reeds niet meer met z'n twee klassen volstaan, maar moet hij de zelfstandige kleine producenten, de handwerkers, de boeren, de renteniers, de kooplieden, als ‘tussenklassen’ of ‘middenklassen’ een rol van betekenis laten spelen. En als hij een van die ‘middenklassen’, de boeren, nader bekijkt, zoals in de terecht beroemde brochure over de staatsgreep van die Bonaparte, die Napoleon III zou worden, dan verdeelt hij haar weer onmiddellijk in onder-afdelingen: groot-grondbezitters, kleine boeren, pachters, land-arbeiders, ieder met bizondere belangen, die een bizonder optreden tengevolge hebben.

 

Doch het is niet onze bedoeling, hier de ontwikkeling van het

[p. 36]

begrip ‘klasse’ bij Marx en de marxisten na te gaan, noch te onderzoeken, hoe andere sociologen het klasse-begrip zien. Wat wij willen nagaan, is: Kan men het klasse-begrip, hetzij in de wetenschap, hetzij - en dat is voor ons de hoofdzaak - in de maatschappelijke actie, in de politiek, op enigerlei nuttige wijze gebruiken?

Is het wat meer dan een van die begrippen, die voor ‘verklaringen’ plegen door te gaan, doch die in werkelijkheid het vinden van afdoende verklaringen beletten, en die alleen een oorkussen voor de denkluiheid zijn?

Men kan zich van deze vraagstukken natuurlijk op een heel goedkope manier afmaken, als men de ‘methode’ gebruikt van de Russische marxist Bucharin, die in zijn ‘Theorie des historischen Materialismus’ (blz. 334), een boek, waarin het trouwens van enormiteiten wemelt, de volgende ontdekking doet: ‘Die Theorie von L. Gumplowicz und F. Oppenheimer über den Ursprung der- Klassen aus der ausser-oekonomischen Gewalt übersieht den Unterschied zwischen der abstrakten Theorie der Gesellschaft und dem konkreten Verlauf der historischen Ereignissen. In der wirklichen Geschichte war die Rolle des ausser-oekonomischen Gewalt-anwendung (Eroberung) sehr gross und beeinflusste den Prozess der Klassenbildung. Aber bei einer rein theoretischen Untersuchung muss man davon abstrahieren’. Ongetwijfeld krijgt men op deze wijze mooie ‘begrippen’ en ‘wetten’, die echter het nadeel hebben, noch te verklaren, hoe de werkelijke maatschappij zich ontwikkeld heeft, noch enig inzicht te geven in de maatschappelijke gebeurtenissen van heden of morgen. Waarbij dan nog de kleinigheid komt, dat een ‘klasse’, zoals bij Gumplowicz, die de rassenstrijd als de hoofd-drijfkracht der geschiedenis ziet, een geheel ander ding is dan een ‘klasse’ bij Guizot of Marx.

 

Zoals bekend verondersteld mag worden, lag het in het voornemen van Marx, nader uiteen te zetten, wat eigenlijk een klasse was, maar verder dan het begin van het hoofdstuk, waarin hij deze kwestie wilde behandelen, is hij nooit gekomen; het is het laatste hoofdstuk van zijn onvoltooide hoofdwerk ‘Das Kapital’. Een van zijn leerlingen echter, die in dien tijd nog algemeen als de erkende voortzetter en verklaarder van het marxisme werd beschouwd, Karl Kautsky, heeft in 1903, in het tijdschrift ‘Die neue Zeit’, gepoogd te bewijzen, dat klassenvorming en het ont-

[p. 37]

staan van klassenbelangen in laatste instantie op de positie in het productie-proces berusten. Zijn redenering laat echter in werkelijkheid de totale onmacht van een dergelijke beschouwingswijze zien. ‘De grondrente van de grondbezitter’, zegt hij, ‘kan bij een gegeven grootte van het nationale inkomen slechts vergroot worden, òf op kosten van het arbeidsloon, óf op die van de kapitaalswinst - de belangen van den grondbezitter staan dus in tegenstelling tot die van den loonarbeider en van den kapitalist. Daarentegen stijgt de grondrente van den landbezitter niet ten koste van de grondrente der andere grondbezitters. Integendeel, het stijgen van de grondrente of van de daarmee samenhangende bodemprijs van de ene soort grond, heeft ook een stijgen van de grondrenten en landprijzen van de andere stukken grond tengevolge’. Hij redeneert nu op dezelfde wijze over de arbeidersklasse, die in boekdrukkers, metaal-arbeiders, textielarbeiders, etc. verdeeld is, maar wier loon als geheel niet stijgen kan, dan ten koste van kapitaal of grondbezit, terwijl daarentegen het stijgen van de lonen van één der arbeidersgroepen ook het stijgen van de lonen der andere groepen tengevolge heeft. En hij concludeert dan: ‘Nu zien wij reeds, wat de afzonderlijke klassen vormt. Het is niet alleen de gemeenschappelijkheid van de inkomstenbron, maar ook de daaruit volgende gemeenschap van belangen en de gemeenschappelijkheid van de tegenstelling tot de andere klassen, van welke iedere ernaar streeft, de bronnen van inkomsten van de andere te verkleinen, om de hare rijkelijker te doen vloeien.’

Het is al erg genoeg, dat zo iets in 1903 neergeschreven kon worden en als ‘wetenschap’ kon doorgaan - erger is het nog, dat Kautsky het in zijn hoofdwerk, ‘Die materialistische Geschichtsauffassung’ (deel II, blz. 9 e.v.), herdrukt, zonder ook maar één van die fouten te corrigeren, waarvan het fragment wemelt. Dat men in 1903 nog niet bemerkt had, dat de klassentegenstellingen in Duitsland niet belet hadden, dat het groot-grondbezit voortdurend als bondgenoot van de kapitalisten was opgetreden, waarbij de kapitalisten een deel van hun winst hadden moeten opgeven om de steun der agrariërs te kopen, zodat dus andere factoren bestonden, sterker dan de klassen-tegenstellingen, dat is niet aan te nemen, want de dagelijkse politiek in Duitsland werd door dit feit beheerst; en in hun propaganda wezen de sociaal-democraten onophoudelijk op het onzalige bondgenoot-

[p. 38]

schap van Jonker en Groot-industrieel. Maar daaruit de conclusie te trekken, dat de ‘klasse’ niet de beslissende factor is, dat was te veel voor de mensen, die er trots op gingen, een ‘wetenschappelijke’ politiek te voeren.

Dat het uitgangspunt van Kautsky, de ‘gegeven grootte van het nationale inkomen’ het reeds mogelijk maakte, dat de ‘klassen’ zich zouden verbinden om het nationale inkomen ten koste van andere naties te vermeerderen en dat in zo'n geval de ‘natie’ boven de ‘klasse’ zou blijken te staan, dat lag in de redenering van 1903 opgesloten; het werd in 1914 tot een feit, maar nog in 1927 negeert Kautsky het in zijn theorie van de ‘klassenstrijd’ als de motor der geschiedenis. Kautsky merkt niet eens, dat hij eigenlijk een pleidooi voor samenwerking der klassen levert (een samenwerking, die door het fascisme later als programpunt zou worden gesteld tegenover het ‘klasse-egoïsme’ der arbeiders), want in plaats dat de klassen elkaar bestrijden, kunnen ze veel beter het nationale inkomen vergroten, op vreedzame wijze liefst, waardoor ze allen profiteren van de gestegen welvaart.

Er is dus samenwerking tussen de drie klassen mogelijk, er kan een bondgenootschap zijn tussen twee dier klassen tegen de andere (b.v. van arbeiders en kapitalisten tegen groot-grondbezit!), waardoor voor de samenwerkende klassen als het ware de helft van de klassenstrijd wegvalt, en ten slotte is het natuurlijk in het geheel niet juist, dat de klassen in hun totaliteit als klassen reageren. De tegenstellingen tussen groepen in éénzelfde klasse kunnen veel groter zijn, dan de tegenstellingen van zo'n groep met een andere klasse. En hiermede behoeft niet slechts bedoeld te worden de tegenstelling tussen groepen, die men eventueel als onder-klassen zou kunnen definiëren, b.v. bij de grondbezitters: het grootgrondbezit en de zelfstandige kleine boeren - om van de pachters maar te zwijgen - of bij de kapitalisten: de groot-industrie en de klein-industrie, de banken, het handelskapitaal, de industrie van productie-middelen en die van consumptie-middelen, de exportindustrie en die van de binnenlandse markt. Maar bij het grootgrondbezit kan ook nog een tegenstelling aanwezig zijn tussen tarwe-, rogge-, en suikerbieten-boeren, bollenkwekers, tuinders. Bij de groot-industrie zijn, in dezelfde groep, de belangen van kolen en electriciteit, van ijzer en aluminium, van baksteen en beton, enz. enz., bij tijd en wijle onverenigbaar, nog afgezien van de tegenstellingen, consumptie, productie, binnenlandse- en buiten-

[p. 39]

landse markt, e.d., waarop we reeds wezen. Boven het klassebelang gaan in zulke gevallen het belang van de groep, van de onder-groep, van het individu - indien men de economische positie als doorslaggevend zou beschouwen.

En bij de arbeidersklasse is het niet anders. Hoe kinderlijk is de redenering van Kautsky, dat het stijgen van de lonen van de ene groep arbeiders ook dat van de andere ten gevolge zal hebben en dat dus in de loon-positie der arbeiders de grondslag van hun klasse-eenheid ligt. Alsof het niet mogelijk ware, de lonen van de ene groep arbeiders te verhogen ten koste van de andere groepen. Waar blijft die klasse-grondslag als b.v. de arbeiders in de grafische vakken, of in de diamant-industrie, of in het bouwbedrijf met hun werkgevers overeenkomsten aangaan, waardoor zo'n bedrijf een gesloten bedrijf zou worden, dat z'n eigen welvaart zou nastreven ten koste van de buitenstaanders? Men kan zeggen: dat is niet mogelijk, als het in alle bedrijfstakken geschiedt, want dan ontstaat een nieuw evenwicht. Maar in de eerste plaats ontstaat dat evenwicht niet op de grondslag der klassen, maar op die der nieuwe belangen-groepen, die we ‘corporaties’ zouden kunnen noemen. En in de tweede plaats ligt hier de mogelijkheid van een vereniging der sterkste corporaties, die hun wil opleggen aan de zwakkere, waarbij dus een nieuwe overheersing ontstaat, die dwars door de oude klasse-scheidingen heen loopt.

 

Dit alles bewijst voldoende, dat men, uitgaande van het marxistische klassen-schema, tot allerlei moeilijkheden kan komen, die telkens weer het bestaan van krachten, buiten dat schema gelegen, in herinnering brengen.

Dit is zo voor de hand liggend, dat marxisten met enige werkelijkheidszin dit ook erkennen moeten. Zo zegt Cunow in zijn boek: ‘Die marxsche Geschichts-, Gesellschafts- und Staatstheorie’ (verreweg de beste beschouwing die er van marxistische zijde over deze dingen bestaat) heel duidelijk (dl. II, pag. 69): ‘Die Klassen-Interessen und -Motive sind keineswegs das allein Entscheidende. Der heutige Mensch gehört nicht nur einer Klasse an - manchmal, wie vorhin dargelegt wurde, auch mehreren1) - er ist zugleich mitglied eines Staates, einer Nation, eines Berufes, einer

[p. 40]

Religionsgemeinschaft u.s.w, und ist als solches auch mehr oder weniger durch Staats-, National-, Berufs-, Religionsinteressen beeinflusst, die mit den Klassen-Interessen mannigfach kollidieren können. Zudem hat er selbstverständlich auch als Individuum seine besonderen individuellen Interessen.’

En nog sterker drukt Marx zèlf zich uit, waar hij, in het reeds genoemde, onvoltooide hoofdstuk, spreekt over de ‘unendliche Zersplitterung der Interessen und Stellungen, worin die Teilung der gesellschaftlichen Arbeit die Arbeiter wie die Kapitalisten und Grundeigentümer spaltet’. Dat is alles heel juist, en men kan met Cunow accoord gaan, als hij zegt (t.a.p. blz. 76), dat het maatschappelijk leven als het ware de resultante is van een samenwerken en op elkander botsen van allerlei belangen, van welke sommige op een bepaald oogenblik in het bijzonder op de voorgrond treden.

Maar als wij dat aanvaarden, tot welk resultaat komen wij dan? Bij Cunow zélf, het ene ogenblik, tot de conclusie, dat de belangenstrijd in de maatschappij niet alleen klassenstrijd is, maar dat de klassenstrijd niet ‘zoals dat vroeger gebeurde in zijn betekenis voor het historische-worden volkomen over het hoofd gezien’ mag worden, en dat men niet, zoals b.v. Masaryk in zijn bekende boek over en tegen het marxisme1) alle strijd, zonder nauwkeurige onderscheiding, als ‘belangenstrijd’ of ‘sociale strijd’ mag samenvatten.

Marx zou dus een nauwkeuriger onderscheiding geëist hebben, meent Cunow. Dat zou een even juiste, als bescheiden eis geweest zijn. Maar de methode om hiertoe te geraken is wel heel zonderling, want in het overgrote deel van zijn theoretisch werk, verwaarloost Marx juist al de andere soorten van strijd, behalve de klassenstrijd, zodat van een bepalen der verschillende krachten en hun sterkte geen sprake is - er is alleen maar ‘de klassenstrijd’: hoe moeten we dan ontdekken, wat de betekenis van de rest is? Doch ook Cunow is niet altijd zo bescheiden en zo wetenschappelijk, want één regel van tevoren, op dezelfde bladzijde 77, zegt hij, dat de bedoeling van Marx uitspraak, dat alle geschiedenis er tot dusver één van klassestrijd geweest is, wel niet is, dat er

[p. 41]

óók geen andere strijd geweest zou zijn, maar wél, ‘dat de klassenstrijd de belangrijkste rol gespeeld heeft en zijn stempel op het politieke leven gedrukt heeft.’

Inderdaad, dat is voor het minst de bedoeling, èn bij Marx, èn vooral bij de epigonen. De theoreticus Marx (en niet de historicus en politicus, die te veel werkelijkheidszin aan den dag legde om zulke fouten te begaan), poneerde de stelling, dat al de andere krachten, zo ze al niet zó onbelangrijk zijn, dat ze verwaarloosd kunnen worden, toch in ieder geval volkomen overheerst worden door de alles dominerende kracht van de klassenstrijd.

Maar ziehier nu juist, wat bewezen moet worden. Erkent men, dat er in de wereld nog andere belangen zijn, dan die van de klassen, dan moet men aantonen, dat die klassenbelangen sterker zijn, dan al de andere. We hebben boven gezien, hoe Kautsky dit poogde te doen, en hoe jammerlijk z'n betoog mislukte. Dat kan ook niet anders, want het behoren tot eenzelfde klasse legt ternauwernood enige band tussen de mensen. Als men niets anders met elkaar gemeen heeft, dan dat men ‘ook loon ontvangt’ en ‘ook geen grond en geen arbeidsmiddelen heeft’, dan is dat toch moeilijk te beschouwen, als een voldoende grondslag voor politieke samenwerking.

 

Men kan nu zeggen, dat zij, die tot de arbeidersklasse behoren, veel meer met elkaar gemeen hebben, dan het feit, dat ze loonontvangers zijn; bij voorbeeld, dat ze in hun overgrote meerderheid nagenoeg gelijke, een slechts bescheiden bestaan waarborgende, lonen ontvangen. Maar als men dit aanvaardt (en daardoor vermijdt, dat Greta Garbo en Mr. Raskob, die hun arbeidskracht tegen een millioen dollar per jaar aan de film- of auto-kapitalisten verkopen, tot dezelfde klasse gerekend worden, als de ongeschoolde arbeider, die geen twintig gulden per week haalt), dan heeft men reeds een andere maatstaf aangelegd, n.l. die van het levenspeil. Inderdaad bestaat er tussen mensen van ongeveer hetzelfde levenspeil een zekere mogelijkheid van overeenstemming, en, als die mensen dan ook nog hetzelfde soort werk verrichten, dan zijn er twee belangrijke punten van aanraking. Maar wie zich hierop baseert, moet direct erkennen, dat er b.v. tussen de langdurig werklozen, wier levenspeil een stuk beneden dat van den gemiddelden arbeider ligt en die in het geheel geen werk meer verrichten, en de werkende arbeiders, een aanzienlijk verschil is.

[p. 42]

Terwijl tussen de ongeschoolde en geschoolde arbeiders en ook weer tussen de geschoolde arbeiders en de toezicht houdende arbeiders en technici, eveneens belangrijke verschillen bestaan. Toch zou een verdeling van de maatschappij in sociale groepen van ongeveer gelijke inkomen en gelijke werkzaamheid, ofschoon reeds veel beter dan de klassen-indeling, nog slechts ten dele een inzicht in het werken der maatschappelijke krachten kunnen geven. Immers, de persoonlijke aanleg1), het gezinsleven, de invloeden van volk en staat, van godsdienst en opvoeding door school, pers, e.d. en ten slotte de hele ‘cultuur’, waarin de mensen leven, vormen factoren, waardoor verbindingen kunnen ontstaan, die sterker blijken te zijn dan de bindingen van inkomen en werkzaamheid. Het levenspeil is ongetwijfeld een zeer belangrijk element, maar de levenssfeer is ten slotte bepalend.

Men kan natuurlijk het ‘marxisme handhaven’, door zulke gevallen, als een Katholieke Partij, die kapitalisten, groot-grondbezitters, kleine boeren, middenstanders, fabrieksarbeiders, samenbindt door religie en kerk; een Socialistische Partij, die middenstanders, boeren en arbeiders bevat (verenigd door een socialistische of progressieve levensbeschouwing) een Fascistische Par-

[p. 43]

tij, die kapitalisten, boeren, middenstanders en hier en daar ook arbeiders in beweging brengt, en nog vele andere maatschappelijke bewegingen van allerlei aard, die dwars door alle of voor het minst dwars door een aantal klassen heengaan, als ‘uitzonderingen’ op de marxistische regel te beschouwen, maar welke waarde heeft zoo'n regel, als de praktijk ons nooit iets anders laat zien, dan uitzonderingen, en als de regel nergens ook maar enigszins benaderd wordt? Een normaal mens zegt in zulke gevallen, dat een dergelijke regel, een dergelijke theorie, niet deugt, geen enkele wetenschappelijke of praktische waarde heeft, en gezien moet worden als wat ze in werkelijkheid is: een eerste poging om tot een beter begrip van verschijnselen te komen, in z'n tijd even verdienstelijk, maar thans evenmin houdbaar als b.v. de theorie van Linnaeus over de constante soorten, waarmee ze meer overeenkomst heeft, dan haar evolutionair of dialectisch uiterlijk zou doen vermoeden.

Een historisch onderzoek wijst iets heel anders uit omtrent de bruikbaarheid van de klassenstrijd-theorie, dan gewoonlijk wordt aangenomen. Het blijkt dan, dat die theorie alleen bruikbaar is in een betrekkelijk ongedifferentieerde maatschappij, waar enige

[p. 44]

bevolkingsgroepen van ongeveer gelijke sterkte aanwezig zijn. Daar wordt de strijd ten naaste bij tussen die groepen gevoerd en daar kan men, met enige inspanning, van klassenstrijd spreken. Maar boe meer we de tegenwoordige, uiterst gecompliceerde maatschappij naderen, des te duidelijker wordt het, dat de strijd om de macht niet tussen de groepen, maar in de groepen wordt uitgevochten. Niet de strijd tussen kapitaal en arbeid is het kenmerkende, maar de strijd tussen socialisten en fascisten om de meerderheid der bevolking (waarbij ‘meerderheid’ niet alleen een kwestie van aantal, doch ook van positie in het economisch en organisatorisch raderwerk van maatschappij en staat is), is de zaak waarom het gaat. Het handjevol kapitalisten, groot-grondbezitters, grote renteniers e.d. speelt hierbij slechts een ondergeschikte rol; de strijd wordt gevoerd in de grote massa, die zich uitstrekt van de hogere ambtenaren en vrije beroepen, via de kleine boeren en pachters, de winkeliers, tussenhandelaars, kantoorbedienden en ambtenaren, naar de beter betaalde arbeiders, de slecht betaalde industrie-arbeiders en land-arbeiders, tot en met de werkelozen. Volgens het marxistische schema zijn al die groepen niet-kapitalistisch. Maar alles gaat erom; wat kiezen deze niet-kapitalisten, het socialisme of het fascisme?

Of, om het nog juister te zeggen: kiezen zij een wereld, die naar de gevoelens en inzichten der handarbeiders zal zijn ingericht, of een wereld, die naar de gevoelens en inzichten van middenstander en hoofdarbeider zal zijn ingericht?

Deze strijd is er zeker geen van klassen, zij is er ook slechts ten dele een van groepen. Want wel volgt uit het voorafgaande, dat aan de ene kant de groep der intellectuelen plus kleine boeren, plus middenstanders staat, en aan de andere die der werkende en werkloze industrie-arbeiders, maar een deel der middenstand kiest partij voor het socialisme en een deel van de arbeiders en werklozen komt onder fascistische invloed.

Deze situatie, hier in zeer grove trekken aangegeven, zullen we in de volgende hoofdstukken nog nader onderzoeken en daarbij dan vooral die groepen nauwkeuriger beschouwen, die jarenlang door politici en sociologen verwaarloosd werden, doch wier betekenis voor de geschiedenis der na-oorlogse periode moeilijk te overschatten is: de z.g.n. middengroepen.

Voor nu willen we, na deze blik op de klassenstrijdtheorie, de betekenis ervan kort even samenvatten: de maatschappelijke strijd

[p. 45]

kan natuurlijk door geen zinnig mens ontkend worden. Het is een strijd om de macht, waarbij de bezitsfactor van overwegende betekenis is, omdat alle macht, wil ze van enige duur zijn, alleen met behulp van materiële productie kan worden uitgeoefend Men kan leven van roof, doch dan moet er iets te roven zijn, en dan moeten er dus groepen zijn, die produceren en beroofd worden. Houdt dat op, dan sterven rovers en beroofden. Men kan mensen tot arbeid dwingen door ze in een toestand van slavernij te brengen, maar ook in dat geval is de productie der slaven onmisbaar voor het leven der heren. Zonder productie geen leven, en zonder productie, die een zekere hoogte bereikt heeft, geen maatschappij, geen politiek, geen cultuur. Het is de onvergankelijke eer van Marx, dat hij op de onverbrekelijke verbinding tussen de ‘vergeestelijkte’ mens en deze aardse ‘materiële’ dingen de nadruk gelegd heeft en. daardoor een voortdurende contrôle op alle fantasterij heeft gegeven. Deze algemene grondgedachte van het ‘historisch-materialisme’ moet behouden worden. De fout begint pas, bij Marx zowel als bij de epigonen, zodra men een gesloten (en dan liefst nog ‘dialectsch’!) systeem ervan wil maken. Maar strijd om het bestaan, strijd om het voedsel en strijd om de macht zijn niet te scheiden in hun allereerste oorsprongen en stadia; doch wel degelijk naarmate we verder van die natuurtoestanden verwijderd raken. Want de gehele geschiedenis der mensheid, is niets anders dan het steeds toenemen van alles, wat buiten het naakte bestaan en het voedsel valt.

De ‘cultuur’ is in haar oorsprong ongetwijfeld overbodigheid, luxe, overdaad, overvloeiend machtsgevoel, maar die overdaad is voor ons niet alleen hoofdzaak, doch ook noodzaak geworden; zonder haar verliest het leven, dat in wezen zinneloos is, de zin, die wij het gegeven hebben. En een zinneloos leven kunnen wij niet uithouden, nu we er ons eenmaal van bewust zijn, dat het leven geen andere zin heeft, dan deze: dat we het een zin geven, die de half-bewusten ‘God’ en de bewusten ‘cultuur’ noemen. Zo is dan de betekenis van de wil tot de macht, terwille van de mogelijkheden die de machtspositie biedt, mogelijkheden tot bevrediging van door de cultuur gewijzigde natuurgevoelens (ook de blonde bloedhelden van het Duitse fascisme, die hun machtsposities gebruikten om naar hartelust te kunnen drinken, dobbelen en coïteren, deden dit op een wijze, die ingewikkelder was dan de natuurlijke behoeftenbevrediging en die dus cultuur, neo-

[p. 46]

Germaanse cultuur genoemd mag worden) in de loop der geschiedenis steeds groter geworden. De strijd gaat niet om het bezit, maar om de macht, d.w.z. de mogelijkheid, het bezit op een bepaalde manier te kunnen gebruiken.

Kijken we alleen naar bezit, naar betrekkingen tussen de mensen, die uit het bezit, of uit de productie van de directe levensbehoeften1) voortvloeien, dan zouden wij de maatschappij in een aantal groepen en onder-groepen kunnen verdelen, die we eventueel ‘klassen’ zouden kunnen noemen. Maar we zien niet alleen een strijd tussen de economische groeps-belangen, we zien ook een strijd tussen culturele belangen, die weer tot een andere groepering der mensen leidt, een groepering, die lang niet altijd evenwijdig loopt met die volgens de economische belangen, en die dus de maatschappij als het ware verticaal doorsnijdt, terwijl de economische belangenstrijd het horizontaal doet.

Er ontstaan dus maatschappelijke krachtvelden van een gecompliceerde structuur, die moeilijk te benaderen zou zijn, als we niet overal gemakkelijk te bestuderen uitgekristalliseerde lichamen vonden, die een weergave zijn van de maatschappelijke strijd: de partijen.

Het feit, dat de partijen niet samenvallen met de gangbare klassenschema's (en des te minder, naarmate we de partijen nauwkeuriger bestuderen en b.v. nagaan, wie de leidinggevende elementen zijn), is, voor de aanhangers van het klassen-dogma, één van die onverklaarbare dingen waarover ze half-geërgerd, half-verlegen pogen heen te praten, als ware de klasse een realiteit, de partij een bedenksel. Maar aangezien de partijen realiteiten zijn, en de maatschappelijke strijd zich altijd maar weer in en door partijen manifesteert en nooit door zuivere klasse-organisaties, moeten we wel tot de conclusie komen, dat de maatschappelijke strijd er niet

[p. 47]

een is van ‘klassen’, maar van, door ideeën verbonden groeperingen, wier bewuste uitdrukking de partij is.

 

Deze door ideeën verbonden groeperingen, zijn belangen-groepen, die economische belangen en cultureel-emotionele belangen tot een nieuwe eenheid, een nieuwe ‘politiek’ verenigen. En daarbij weegt niet het economische element het zwaarst, doch het cultureel-emotionele. Zelfs het klassenstrijd-marxisme, in zijn vulgairste epigonen-vorm, zoals het in Duitsland van ongeveer 1890 tot 1914 aan de orde was, en dat eigenlijk al het niet-economische als zelfbedrog, ‘ideologie’, beschouwde, zelfs dàt moest in de harten en de hoofden van z'n aanhangers eerst tot een geloof, een heilsleer, een emotioneel cultuurbrok zijn geworden, vóór het zijn werking kon doen.1)

Maar juist de wijze waarop het werkte, is van geweldige invloed geweest voor de verdere maatschappelijke ontwikkeling, niet alleen in Duitsland, maar nagenoeg in alle landen. Want overal, ook daar, waar men het marxisme als gesloten theorie van de hand wees, nam men zekere elementen eruit over.

Men zou ze kunnen noemen: ‘economisme’ en ‘arbeiderisme’. Zij samen omvatten nagenoeg de hele cultuursfeer van de proletarische klassenstrijd.

In de hoofden van z'n gemiddelde aanhangers ziet deze leer er ongeveer als volgt uit: de groot-industrie is de belangrijkste van alle maatschappelijke krachten; al het andere is òf oude achterlijke rommel (handwerk, kleinbedrijf, boeren), òf overbodige franje (handel, distributie, administratie, intellectuelen), òf, tenslotte, parasitair gevaar (kapitalisten, de staat, de ambtenaren). Alleen de arbeiders in de groot-industrie zijn werkelijke productieve krachten. Die arbeiders zijn toekomstige heersers, die hun heerschappij dan ook aan de rest van het volk zullen opleggen (dictatuur van het proletariaat), waarbij ze bereid zijn, de hulp te aanvaarden van andere groepen, vooral een deel van de middenstand en de boeren en een aantal ‘overlopers’, uit het kamp der intellectuelen, indien deze lieden maar beseffen, dat de industriearbeider het hogere mensentype is, waartoe de niet-arbeider

[p. 48]

nimmer kan geraken. Intellectuelen en middenstanders worden geduld en gebruikt, zoals in de middeleeuwse maatschappij de Joden geduld en gebruikt werden, als ze onmisbaar waren, maar ze worden tevens veracht, en alle ‘afwijkingen’, alle ‘onzuiverheden’ worden aan hun verderfelijke invloed toegeschreven. Alles, wat niet tot de productie van de directe levensbehoeften behoort, alles wat buiten de gezichtskring van de industrie-arbeider valt, is malligheid en bijgeloof. Alleen het nuttige en het aangename zijn toelaatbaar. Het nuttige, daaronder vallen dan de natuurwetenschappen, die voor de productie nodig zijn. Het aangename omvat ook de kunst, voor zover die de arbeiders amuseert of in een goede bui brengt. Maar wat daarboven uit gaat, is dwaasheid: geloof, schoonheid, volk, vaderland, morele waarden, cultuur. Internationalisme en solidariteit zijn nuttigheidsverbindingen om de concurrentie der arbeiders van andere landen en in het eigen land te voorkomen, maar met zulke reactionaire idolen als eer en trouw hebben die niets gemeen. Alle morele en ideeële begrippen zijn bedrog of kleinburgerlijk vooroordeel. Waar het om gaat is een vreedzaam, veilig, behaaglijk leven. Een eeuwige vrede en een aarde vol nijvere, welvarende mensen, met weinig leed en veel makke genoegens, en zo nu en dan wat prikkels en sensaties, die de algemene veiligheid nog sterker doen uitkomen. Ziehier ongeveer het toekomst-ideaal van de ‘gemiddelde mens’, die zich aan het eind van de vorige en in het begin van deze eeuw steeds meer deed gelden, en die reeds het ogenblik nabij zag, waarop Midden- en West-Europa dit ideaal zouden verwerkelijken, als de democratische massa tot parlementaire meerderheid zou zijn gegroeid en de regering zou gaan vormen. Men kan deze idealen burgerlijk of klein-burgerlijk noemen, maar ze zijn noch het een, noch het ander. Ze zijn juist typisch proletarisch: het zijn de idealen van allen, die zozeer in voortdurende materiële misère geleefd hebben, dat ze het verdwijnen van die misère als het einde van alle misère, als het bereiken van een heilstoestand moeten voelen. Dat er nog iets anders en iets meer zou kunnen zijn, beschouwen ze als een aanmatiging, die alleen de wel-doorvoede burger zich kan veroorloven. Dat men ontevreden zou kunnen zijn met hun ideaal van een warme stal en goed voer en een pretje op tijd, zien ze als een typische uiting van het bederf, waartoe de overdaad der bourgeoisie leidt. En de klein-burgers, die vaak materieel in even slechte conditie verkeren als de prole-

[p. 49]

tariërs, en die toch dat proletarische ideaal met verachting afwijzen, worden half met medelijden, half met haat, als de jammerlijke gekken gezien, die niet eens hun eigen belangen begrijpen. De betekenis van deze toestand is niet - zoals de bezittende groepen pogen te suggereren - dat men de proletarische idealen moet afwijzen en de grote massa van de bevolking in het dal van het gebrek moet laten blijven, omdat anders de alles-gelijkmakende volksheerschappij alle werkelijke beschaving en alle werkelijke idealen zou plattreden. Wie het zo ziet, wil het moeras laten bestaan, de zweren op het maatschappelijk lichaam met een laagje cultuurzalf overdekken, de ziekten bestendigen, waaraan wij allen ten onder moeten gaan. De werkelijke oplossing is: het beëindigen van de materiële ellende, onder leiding van degenen, die veranderingen in de economische structuur van de maatschappij noch als hoofdzaak, noch als doel zien, doch die bewust de cultuur boven de economie stellen, en die iedere poging om de proletarische idealen aan de maatschappij op te dringen, bewust en onverbiddelijk afwijzen. Maar dat is eerst mogelijk, als een organisatie aanwezig is, wier program het cultuur-socialisme is, en wier politiek zowel de kapitalistische, als de proletarische dictatuur afwijst. Waar echter een dergelijke politieke kracht van het cultuursocialisme ontbreekt, (en dat was het geval in de vorige en tot dusver ook in onze eeuw), daar moet, juist bij degenen, voor wie de cultuur alles is, bij degenen, die bereid zijn, allerlei ontberingen te dragen, als maar wetenschap en kunst en moraal en visioen behouden blijven en kunnen leven, de opmars van het democratische proletariaat en z'n aanhangers, een nog veel groter gevaar betekenen, dan het behoud van het kapitalisme. Heinrich Heine, die waarlijk geen vriend van de reactie en geen aanhanger van de heerschappij der geldzakken of der zwaarden was, doch een man van vrijheid en socialisme, heeft in bewogen woorden uitdrukking gegeven aan zijn angst voor de heerschappij van de communistische barbaren, puriteinen en gelijkmakers. Doch hoeveel groter nog moet de afkeer zijn, als men ziet, dat die gelijkmakers niet eens barbaren en puriteinen, doch vetgemeste dieren en vulgaire genieters willen worden.

Als men dan de maatschappelijke strijd gadeslaat, dan beseft men, dat de formule ‘klassenstrijd’ geen enkele oplossing geeft. Niet een strijd tussen een kleine klasse van uitbuiters en een grote klasse van onderdrukten, die een eind wil maken aan alle

[p. 50]

onderdrukking en aan alle klassen, is aan de orde. Neen, groepen van allerlei structuur strijden met elkaar, wisselen van front en van positie, naarmate zij hun belangen bedreigd achten of menen te kunnen doen zegevieren. En die belangenstrijd gaat niet alleen om economische zaken. Integendeel, voor velen is de economie een bijzaak, een ondergeschikt belang. En het hoofdbelang is een cultuur-ideaal, of dat nu het vaderland, de nationale eer, het zuivere bloed, de macht van de rede, de schoonheid, of de geboden Gods geheten wordt.

Zeker, in tal van gevallen zijn zij, die over ‘idealen’ zwetsen, niets anders dan huichelaars, die ‘God’ zeggen en ‘dividend’ bedoelen. Het marxisme heeft met z'n voortdurende verwijzing naar de economie onze ogen gescherpt voor dat soort huichelarij en daarmee goed werk gedaan, al is dat werk wel wat eenzijdig geweest, want ook bij het proletariaat en zijn organisaties werd vaak ‘ons heerlijk ideaal’ gezegd en varkensvreugde bedoeld. Maar de gevallen, waarin ideële belangen de doorslag geven en zwaarder wegen dan materiële belangen, zijn legio. Men bedenke eens dat b.v. ook ‘het fatsoen’, dat waarlijk niet alleen bij de ‘kleinburgers’, maar ook bij de ‘proletariërs’ van grote invloed is, in laatste instantie een ‘ideële’ factor is. Vanaf het fatsoen tot en met de diepste en innigste overtuigingen, zijn er reeksen van ‘belangen’, die tot de ideële behoren, en het is een onmogelijkheid, iets van de maatschappelijke strijd te begrijpen, van de hartstocht, waarmee hij gevoerd wordt, van de positie, die de individuen en de groepen innemen, als men deze belangenstrijd uitschakelt, of zelfs maar te laag waardeert.

De theorie van de ‘klassenstrijd’ geeft geen ruimte voor de uitwerking die ideële factoren kunnen hebben, ze beschouwt ze slechts als phosphorescenties der economische factoren. Om de werkelijke strijd, die in de maatschappij gevoerd wordt, te kunnen begrijpen, moet men hem zien als een belangenstrijd, gevoerd door groepen, die soms verenigd zijn door materiële, soms door ideële belangen, meestal door een mengsel van die twee, waarbij echter het een of het ander element overheerst.

In die strijd nu, was een samenvallen van de materiële belangen der grote groepen, die tussen de hand-arbeiders, (het eigenlijke proletariaat)en de bezitters van grond- en productiemiddelen, (de eigenlijke kapitalisten), instonden, met de materiële belangen van het proletariaat heel dikwijls gemakkelijk aan te tonen. Doch hun

[p. 51]

ideële belangen werden, nog veel meer dan door de bestaande kapitalistische orde, door de aangekondigde proletarische orde bedreigd. En omdat die ideële belangen ten slotte bepaalden, of een maatschappelijke orde voor die groepen waarde zou hebben, gaven zij de doorslag.

 

Zo zien we dan vanaf het begin dezer eeuw een stemming ontstaan, die op zichzelf niet fascistisch is, een stemming, die integendeel op een gerechtvaardigde angst en afkeer aan de ene kant, op een waardevol ideaal aan de andere kant berust, een stemming, waarvan het fascisme een demagogisch gebruik heeft kunnen maken, omdat de socialisten haar genegeerd hebben, haar met de hooghartigheid van de marxist, die weet, dat ideologieën maar dwaasheid zijn, bespot hebben, nagelaten hebben het bewijs te leveren, dat in hun strijd juist het ideële belang op de voorgrond stond, en dat dit ideële belang niets gemeen had met de cultuur-bedreigende behagelijkheids-idealen der grote massa. Die stemming was, dat het cultuur-ideaal bedreigd werd door het socialistisch ideaal, omdat het socialistisch ideaal samenviel met de gevoelens van de grote cultuurloze, ja, cultuur-vijandige massa.

Er scheen een opstand tegen de cultuur, een opstand tegen de beschaving te dreigen. En de gedachten-verbinding ontstond: socialisme is democratie; en democratie is de heerschappij van de grote grauwe massa, de heerschappij van de ondermens, met z'n overwegend dierlijke begeerte en z'n cultuurvijandige idealen. Is dat alles waan-voorstelling of demagogie? Of is er inderdaad zo iets als het gevaar van de ondermens?

1)Terecht wijst b.v. H. Cunow erop, dat Marx niet altijd een voldoend scherpe onderscheiding maakte tussen ‘proletariaat’ (de bezitlozen uit alle mogelijke klassen) en de ‘arbeidersklasse’ d.w.z. allen, die alleen hun arbeidskracht bezitten en die aan de kapitalisten verkopen.
1)Op deze ‘complicatie’, dat een arbeider tegelijkertijd grondbezitter kan zijn, etc. etc. hebben we nog niet gewezen. Ook zonder dat is de theorie al aanvechtbaar genoeg.
1)‘Die filosofischen und soziologischen Grundlagen des Marxismus’, het boek, waaraan de hollandse Marxbestrijder, Prof. Treub, het grootste deel van z'n wijsgerige en sociologische argumenten heeft ontleend, of .... pogen te ontlenen.
1)Sommige marxisten, die tevens aanhangers van Freud zijn, menen bet marxisme te kunnen dienen door te beweren, dat de maatschappelijke klassen een bepaalde, vrijwel gelijkblijvende psychologie hebben, waardoor dan de psychologische factor geen zelfstandige en soms beslissende kracht meer zou zijn, doch altijd ondergeschikt zou zijn aan de klassepositie. De zeer bekwame en niet tot overijlde conclusies geneigde Erich Fromm neemt in z'n artikel ‘Die psycho-analytische Karakterologie und ihre Bedeutung für die Sozial-Psychologie’ (Zeitschrift für Sozialforschung 1932: blz. 253 e.v.) in alle ernst het standpunt in, dat die für den Menschen der bürgerlichen Gesellschaft typische libidinöse Struktur -en dat is de grondslag voor zijn karakter en van zijn ideologieën, dus van zijn gehele voelen en denken- ‘durch eine Verstärkung der analen Libido-Position karakterisiert ist’. Bij de bourgeoisie vindt men het anale karakter, dat in het algemeen niet gunstig staat aangeschreven; het genitale karakter, dat veel nobeler, vrijer, minder krampachtig is, vindt men bij het proletariaat, maar ook bij de moderne groot-kapitalisten, want de verdere ontwikkeling van het kapitalisme heeft het bekrompen anale type op de achtergrond gedrongen en beperkt tot de verachtelijke kleinburgers.
Helaas, voor Fromm en al degenen, die het ‘genitale’ proletariaat reeds als een psychologisch hogerstaande klasse vereren, doen alle proletariërs hun uiterste best, zo snel mogelijk tot kleinburgers te worden, wat. in vele gevallen ten dele gelukt en dan zeker aan hun kinderen geheel en al gelukt. We zijn dan getuigen van een wijziging van het genitale karakter in het anale karakter, maar wat is de karakteristiek van een anale klasse, die graag genitaal wil worden? Een dergelijke ‘psychologie’ is volkomen overbodig; men kan in zoo'n geval beter alleen maar met ‘klassen’ werken, wier hele optreden economisch bepaald is, al kan men in dat geval evenmin de verburgerlijking van het proletariaat, een verschijnsel, dat we in Engeland evengoed als in Rusland, in Amerika precies als in China waarnemen, verklaren. Als de psychologie slechts de afspiegeling der economische positie zou zijn, is ze in de sociologie en de politiek overbodig. Wie niet uitgaat van het ervaringsfeit, dat we in iedere maatschappelijke groep, ook in een zo kleine als het gezin, verschillende psychologische structuren aantreffen, zal nooit tot een bruikbare sociale psychologie komen. De taak van de sociale psychologie met betrekking tot de politiek kan geen andere zijn, dan na te gaan, hoe mensen van verschillende psychologische structuur in hetzelfde milieu, op gelijke of gelijksoortige verschijnselen reageren; na te gaan, waar en in hoever de levensomstandigheden, de psychologie beïnvloeden, en omgekeerd; en uit dit alles een. gemiddelde pogen te vinden, dat het mogelijk maakt, zoveel mogelijk krachten rondom maatschappelijk waardevolle ideeën te verzamelen. Het zal dan blijken, dat die krachten uit verschillende klassen komen. Want dit blijkt reeds uit de empirische en pragmatische methode, die thans toegepast wordt: het werken van de politieke partij.
1)Men kan het begrip ‘levensbehoeften’ zo uitrekken, dat alles er onder valt, schilderijen, muziek, gedichten, etc. En dat doet Marx, als hij spreekt over de ‘maatschappelijke productie van het leven’, maar op die wijze verdoezelt men het verschil tussen de directe levensbehoeften (voeding, kleding, e.d.) en de indirecte, de eigenlijke cultuur. Marx past hier, en vaker, de bekende Hegeliaanse truc toe, de begrippen zo ruim en zo vaag te nemen, dat ze alles omvatten en men er dus ook alles mee. bewijzen kan. Doch de wetenschap wil juist onderscheiden en verzet zich daarom tegen dergelijke, oncontroleerbare alles-omvattende vaagheden, die Hegel zelf, in z'n afwijzing van Schelling: ‘een nacht, waarin alle katten grauw zien’ noemde.
1)Zie hierover vooral: Gertrud Hermes: ‘Die geistige Gestalt des marxistischen Arbeiters’ en H. de Man: ‘De Psychologie van het Socialisme’.
prepostterug  begin  verder