terug  begin  verderprepost
[p. 52]

III. Mens en ondermens.

Wat is de heerschappij van de ondermens? Eén van de opgewondenste standjes, Otto Bangert, komt in zijn ‘Deutsche Revolution’ tot deze ontboezeming: ‘Het gepeupel regeert. Zijn opvattingen en levensgewoonten dringen overal door, verwoesten de zielen, vernielen elke orde, alle waarden storten in, alle grootheid valt, niets is meer heilig, niets houdt stand. Men voelt geen greintje verantwoordelijkheid meer, noch voor het verleden, noch voor de toekomst, men begeert slechts het ogenblik en zijn lust. Het pluk den dag’, het ‘brood en spelen’ van het stervende Home beheerst de geile dag; ontzenuwde mannen brullen boksers en naakte danseressen toe en schaamteloze vrouwen gooien zich weg in het slijk. Brutaal en naakt schrijdt de zonde door de straten, uit alle hoeken grijnst het verval. - De goden hebben de aarde verlaten. Log verheft zich uit de modder het dier. Het leven zinkt tot de laagste trap. De dag van de ‘Ondermens’ is aangebroken’1)

Als men een dergelijke, uiterst typerende fascistische gevoelsuitstorting onderzoekt, dan doet men goed zich niet te laten afleiden door een aantal voor de hand liggende verklaringen. Het behoeft b.v. geen betoog, dat een dergelijke passage met z'n ‘lust’, z'n ‘geile dag’, z'n ‘naakte danseressen’, z'n ‘schaamteloze vrouwen’, z'n ‘zonde’, die ‘brutaal en naakt’ voorbij flaneert, veel meer verraadt omtrent de sexuele ontreddering van den schrijver en zijn soortgenoten, dan omtrent de noden van onze tijd.2). En men zou dus het thema: ‘Zij die op de “ondermens” schelden, zijn in de meeste gevallen niet in staat de sexuele functies van de “normale mens” normaal uit te oefenen’ gemakkelijk verder kunnen ontwikkelen, als dit al niet in geschriften van Reich

[p. 53]

gebeurd was, en als niet, volgens ons inzicht, dit thema, ofschoon belangrijk, toch geenszins de hoofdzaak was. Immers zo juist als het is, dat het fascisme een toestroom van zeer vele sexueel abnormale leiders krijgt (homo-sexuelen, sadisten, masochisten en door remming tot de één of andere neurose geraakten) en dus zelf tot een reservoir van ‘ondermensen’ is geworden, zo onjuist zou het zijn, zelfs uit het feit, dat althans in één land (Duitsland) de leiding van de fascistische beweging op de duur, ten dele, in handen is gekomen van lieden, die, moreel of intellectueel, geheel en al tot de typische ‘ondermensen’ behoren, te concluderen, dat de fascistische ideeën en gevoelens typisch ondermenselijk zijn, en dat we dus hier alleen te doen hebben met dieven, die ‘houdt den dief’ roepen. Trouwens hiermede komt men niet tot de kern van de kwestie, want, zoals Multatuli al opgemerkt heeft, ‘ook een dief kan gelijk hebben, als hij “houdt den dief” roept’. En het bestaan van de ondermens kan een werkelijkheid en een gevaar zijn, ook al wordt dat gevaar door de fascisten tot uitgangspunt gemaakt van een demagogie, die een nog groter gevaar is.

Men is er dus niet mee klaar, als men er op wijst, dat onder het Nazi-bewind het hele Duitse volk verondersteld werd een ‘bokser toe te brullen’ en de overwinning van de Duitse Max op de Amerikaanse neger Joe als een triomf van het Duitse wezen te bejubelen. Als men zulke, en talloze andere, veel ernstiger, feiten kan opsommen, die alle op een afgrijselijke hysterie, op een gepeupel-mentaliteit wijzen - men denke slechts aan de mensonterende persoons-verheerlijking - dan behoeft dit nog geenszins uit te sluiten, dat het fascisme o.a. ontstaan is als protest tegen het veldwinnen van de plebejische gezindheid. Integendeel, hij die het fascisme wil verklaren, ziet zich dan eerst voor de volle omvang van het vraagstuk geplaatst. Want hij moet dan pogen duidelijk te maken, hoe een beweging, tot wier geestelijke oorsprongen het verzet tegen den ondermens behoorde, in plaats van haar ideaal en doel - een aristocratische wereldorde - juist het tegendeel (de heerschappij van de minderwaardigen) voortbracht.

 

Wat echter allen, die het over den ‘ondermens’ hadden, tot uitdrukking wilden brengen, dat is een vaag gevoel van angst over de toekomst der cultuur, een afkeer van het steeds meer toenemen der vulgaire, sensationele elementen in het openbare leven,

[p. 54]

een twijfel aan de overtuiging, waarop het politieke leven in de voornaamste landen berustte, n.1. dat niemand beter dan de volksmassa-zèlf in staat kan zijn het volksbelang te behartigen, een wantrouwen dus in de democratie, in de politieke en culturele capaciteiten van de grote massa. Niet de ‘ondermens’ bedoelt men eigenlijk, maar de gewone, gemiddelde, mens.

Of juister nog, men wil suggereren, dat die gemiddelde mens zó minderwaardig is, dat het eigenlijk onjuist is hem ‘mens’ te noemen en dat, als men zekere - niet eens al te hoge - eisen stelt aan een ‘mens’, als men van een ‘mens’ een zeker minimum aan geestelijke, zedelijke en lichamelijke capaciteiten verwacht (en vooral ook een evenwicht tussen die capaciteiten), dat dan dë grote massa niet voor z'n examen als mens slaagt en gedoemd is ten eeuwigen dage in de ondermens-klasse te blijven zitten.

Men zou evengoed, of beter, een andere terminologie kunnen gebruiken, die meer in overeenstemming is met het gewone taalgebruik. In zo'n terminologie zijn ‘ondermensen’, degenen, die beneden het gemiddelde staan: zwakzinnigen, moreel defecten, erfelijk belasten, mensen die een gevaar voor hun omgeving zijn, en die in een eenigszins geordende maatschappij geisoleerd zouden worden en wier voortplanting men zou trachten te voorkomen. Doch deze eigenlijke ondermensen vormen slechts een betrekkelijk geringe groep, een groep die vaak groter schijnt dan ze is, omdat maatschappelijke oorzaken het weerstandsvermogen van middelmatige mensen kunnen breken en hen in een toestand brengen, die voor de oppervlakkige waarnemer moeilijk van het ondermens-zijn te onderscheiden is. Paupers plegen zich in de praktijk op ongeveer dezelfde wijze te gedragen als typische ondermensen; en onder bepaalde omstandigheden - langdurige werkloosheid zonder enige ondersteuning en zonder vooruitzichten - kunnen honderdduizenden en millioenen tot paupers, onder andere omstandigheden weer tot koelies worden. Maar wie een gemiddelde Engelse arbeider van heden ontmoet, en met genoegen constateert hoe zo'n man zich van z'n eigen waardigheid bewust is, hoe hij zich niet overschat, maar zich nog veel minder vernedert, hoe hij zich technisch, politiek, moreel, en in de beste gevallen ook intellectueel en artistiek ontwikkeld heeft tot een mens, die zichzelf beheerst en in z'n omgeving z'n juiste plaats weet te vinden, die mag niet vergeten, dat de grootvader of overgrootvader van die arbeider nog een pauper was, die bij de één of andere classificatie

[p. 55]

of intelligentie-test ongetwijfeld in de groep der ondermensen zou zijn ingedeeld.

Doch we weten nu eenmaal, dat de meeste beschouwingen over deze kwestie waardeloos zijn, omdat ze óf alles toeschrijven aan de eigenschappen van de mensen, zodat in laatste instantie alleen de psychologische of biologische factoren beslissen, òf alleen de maatschappij zien, wier invloed zo overweldigend is, dat de structuur van de mens zelf verwaarloosd kan worden. Waar het ons echter niet te doen is om de populariteit, die de beloning is van iedere eenzijdigheid, hetzij de biologische, de psychologische, de historisch-materialistische of een andere, zullen we pogen géén verklaringen te geven, die eenvoudiger zijn dan mogelijk is, en we zullen dus overal waar nodig op de veelzijdigheid der invloeden wijzen.

De aanwezigheid van de ‘ondermens’ kan dus niet in twijfel getrokken worden. En ook in de eenvoudigste classificatie zouden we, boven de ondermensen, de grote massa van de gemiddelde mensen vinden, daarboven weer een kleinere groep van begaafde en tenslotte een nog kleinere groep van superieure mensen. In iedere groep, wier levensomstandigheden nagenoeg gelijksoortig zijn, vinden we al deze soorten van menselijke aanleg en begaafdheid.

Van belang voor ons onderzoek is echter niet, op dit moment, in hoever een andere inrichting van de maatschappij het gemiddelde zou kunnen verhogen, het aantal van de minst bedeelden zou kunnen verminderen en wellicht het aantal en de invloed van de beteren zou kunnen doen toenemen. Wij hebben na te gaan, wat in de tegenwoordige omstandigheden, met het thans aanwezige mensenmateriaal, te antwoorden is op de argumenten van degenen, die de toekomst bedreigd achten, hetzij door de toenemende invloed van de ‘ondermens’, hetzij doordat de gemiddelde mens zo. minderwaardig is, dat een maatschappij, waarin hij de doorslag geeft - en men beweert, dat dit in de democratie het geval is - een gevaar voor de beschaving wordt.

 

Allereerst dus de ‘ondermens’, van wie men in de eerste instantie zou aannemen, dat hij nooit een gevaar van enige betekenis zou kunnen worden, juist omdat hij iedere begaafdheid mist. Hij behoort tot de zieken of tot de misdadigers, en oppervlakkig beschouwd kunnen die twee groepen wel onaangenaam of lastig zijn,

[p. 56]

maar ze kunnen geen macht uitoefenen, aangezien ze òf in de gevangenissen en gestichten zitten, òf als ze zich roeren, opgepakt worden en naar die instellingen worden getransporteerd, een lot, dat ze alleen kunnen ontgaan, als ze niet tot het gevaarlijke, maar tot het tamme soort behoren, en dan zijn ze gedwee, onderworpen,. vol eerbied voor de gestelde machten.

Niettemin vindt men onder de propagandisten der rasverbetering (waarmee in dit verband niet de aanhangers van het Duitse rasbegrip bedoeld worden, maar de aanhangers van de door Francis Galton begonnen onderzoekingen omtrent de kwaliteit der menselijke eigenschappen en de erfelijkheid hiervan) talrijke verdedigers van een andere opvatting, die b.v. is neergelegd in een boek, dat omstreeks 1920-'25 nogal veel opgang maakte en dat thans, ofschoon nagenoeg vergeten, nog altijd interessant is, omdat het laat zien, hoe reeds vóór er van een fascistische beweging sprake was, bepaalde gedachtengangen, die men bij de fascisten vindt, ‘wetenschappelijk’ verdedigd werden. ‘Wij bedoelen het boek van Lothrop Stoddard: ‘In opstand tegen de beschaving’ met als ondertitel ‘De bedreiging van den onder-mensch’, dat een populaire samenvatting geeft van de argumenten dergenen, die onze beschaving bedreigd achtten door de ondermens. Vooral de resultaten van de intelligentie-tests door de legerleiding van de Verenigde Staten tijdens de wereldoorlog op niet minder dan 1.700.000 mannen uit alle lagen van de bevolking toegepast, hebben Stoddard en zijn geestverwanten met schrik vervuld. Immers bij dat onderzoek bleek, dat de groep bestaande uit mannen van ‘minder dan gewone intelligentie’, ‘geringe intelligentie’ en ‘zeer geringe intelligentie’ (de nog lager staanden, die onmiddellijk uit de dienst verwijderd werden, zijn hierbij niet eens inbegrepen), de groep dus, die beneden het gemiddelde blijft, niet minder dan 45 % van het totaal omvatte. Daarnaast stonden dan 25 % met gemiddelde intelligentie, zodat dus 70 % van de, bevolking gewoon of beneden het gewone was. Daarboven vond men dan de groep ‘meer dan gewone intelligentie’ met 16½ %, die eigenlijk niet veel meer is dan de bovenste laag van de ‘gemiddelde mensen’. Tenslotte heeft men de groep ‘buitengewone intelligentie’ (d.w.z. de begaafde mensen) met 9 % en de groep ‘zeer buitengewone intelligentie’ (de superieure mensen) met 4½ %. Men kan natuurlijk zowel de tests als de wijze van onderzoek aanvechten, maar ongetwijfeld heeft een dergelijk onderzoek

[p. 57]

enige betekenis als grove zeving van de verstandskwaliteiten. Zeker wordt door verstandskwaliteiten alléén, de waarde der persoonlijkheid niet bepaald. Maar is er enige reden om aan te nemen, dat het er met de zedelijke en karakter-eigenschappen der mensen beter uitziet dan met hun intelligentie? En als dus op grond van het bovenbedoelde onderzoek een verdeling wordt gemaakt van 4½ % zeer goed, 9 % goed, 61½ % gewoon en 25 % slecht, dan is dat een niet zeer opwekkend resultaat, als men bedenkt, wat hiervan de gevolgen moeten zijn in een democratische staat met algemeen kiesrecht. Als het bovendien nog juist zou zijn, dat de beste groepen zich ternauwernood voortplanten en dus op de duur uitsterven, terwijl de slechtste groepen steeds talrijker worden, dan zou slechts door zeer buitengewone en zeer harde maatregelen de ondergang der beschaving te voorkomen zijn. Hoeveel ernstiger wordt echter de toestand, als men die grote massa van minderwaardige of weinig waardevolle individuen, waaruit de mensheid bestaat, niet slechts als een apathische, maar langzaam en onweerstaanbaar groeiende, macht ziet, doch als een bewust tegen de ‘last der beschaving’ in opstand komende actieve kracht. Als de beschaving voor 45 % der bevolking niet, voor nog eens 25 % ternauwernood te dragen is, dan is er niet veel nodig om, onder aanvoering van een aantal begaafde, maar door allerlei oorzaken aan de bestaande orde vijandige elementen, een opstand te organiseren, die op de duur de overgrote meerderheid der bevolking omvat, de betere groepen neerslaat en de atavistische instincten doet zegevieren.

Doch deze opvattingen van de orthodoxe eugenisten zijn zo eenzijdig, dat ze slechts weinig aanhangers vinden in de kringen der wetenschap, al geven ze zich dan ook voor bij uitstek wetenschappelijk uit.

Ze hebben bovendien het niet geringe voordeel, dat gelegen is in het verheerlijken der bestaande orde, want zij verkondigen, dat het ‘betere ras’ in grote trekken ook samenvalt met de toonaangevende groepen van tegenwoordig. De kapitalisten, industriëlen, staatslieden, ambtenaren en intellectuelen, die thans de macht in handen hebben, bezitten ook het morele recht op die macht, omdat ze van het betere ras, van de betere kwaliteit zijn. En alleen als uit diezelfde kringen steeds weer de nieuwe machthebbers voortkomen, is het in orde met de wereld. Anders is ze ziek!

[p. 58]

De vraag, of niet datgene, wat de z.g. tests ons aantonen een resultante is van aanleg, omgeving, opvoeding en door de maatschappelijke positie bepaalde kansen van slagen, wordt door de orthodoxe eugenisten nu eenmaal niet gesteld. Toch moet zelfs een bioloog als Alexis Carrel, wiens voorliefde uitgaat naar het conservatieve en reactionaire en die in z'n boek ‘De onbekende mensch’ in het algemeen op het standpunt staat, dat de thans heersende groepen ook de biologisch betere zijn, tot de erkenning komen, dat ‘de capaciteiten van den geest virtueel blijven bij afwezigheid van opvoeding en onderwijs en van een omgeving, die het stempel draagt van het intellectuele, morele, aesthetische en religieuse beschavingspeil van onze voorouders... Indien het maatschappelijke milieu middelmatig is, blijven intellect en moreel gevoel achter in ontwikkeling. Deze capaciteiten kunnen ook geheel worden bedorven door een slecht milieu’ (blz. 159). En even verder zegt hij van dat milieu: ‘Verantwoordelijkheidsgevoel ontbreekt ten eenen male. Zij, die goed en kwaad weten te onderscheiden, ijverig en spaarzaam zijn, blijven arm en worden als idioten beschouwd... Kunstenaars en mannen van wetenschap bedélen de gemeenschap met schoonheid, gezondheid en voorspoed. Zij leven en sterven in armoede. Rovers en deugnieten genieten hun rijkdommen ongestoord’ (blz. 161).

Het milieu, dat hij hier schetst, is dat van de Verenigde Staten en van Frankrijk - en natuurlijk ook van alle andere moderne staten -waarin nog altijd de macht en de leiding der maatschappij bij de bezitters berust en waarin het bezit de regulator bij uitnemendheid is. Hij moet dan ook, ondanks zijn voorliefde voor de oude en befaamde families, erkennen: Stoutmoedigheid en kracht kunnen plotseling opduiken in families, waarin men die eigenschappen nooit te voren heeft waargenomen. Mutaties kunnen ook bij den mensch voorkomen, evengoed als bij dieren en planten (blz. 297).

En ofschoon Carrel niet minder dan Stoddard de ‘ondermens’ verafschuwt en vreest, moet hij toch stelling nemen tegen de methode van standaardiseren en hij ontkent, dat de moderne psychologie met haar indelingen tot werkelijke onderscheidingen komt: ‘De tests, die onervaren psychologen op schoolkinderen en studenten hebben toegepast, hebben niet veel waarde’. (247). De zaak is, dat over de ‘ondermens’ alleen rustig gesproken kan worden, als men niet tot iedere prijs bestaande voorrechten wil

[p. 59]

handhaven, doch zonder meer naar de best mogelijke maatschappelijke toestanden streeft, en de waarde van groepen en mensen wil bepalen, onbevreesd voor de toorn en niet jagend naar de gunst van welke groep dan ook.

In dat geval kan men niet anders dan. erkennen, dat het eigenlijke probleem niet bij de ondermens ligt, omdat diens heerschappij, zo ze al mogelijk is, eerst dan een reële mogelijkheid wordt, als de gemiddelde mens, de grote massa, alle bestaande banden verbroken heeft, en tevens geen nieuwe banden meer erkennen wil. Als alle tot dusver in de praktijk of in de filosofie erkende mogelijkheden van hiërarchie afgedaan zouden hebben, zowel de hiërarchie der bekwaamheid, der kennis, der moraliteit en de daarop gegrondveste macht - een toestand, die we alleen gekend hebben als filosofie of als conventionele leugen - als de hiërarchie van het bezit, de oorlogscapaciteit of de op traditie berustende eerbied - indien dit alles afgedaan zou hebben en de massa zou geen andere nieuwe hiërarchie kunnen en willen scheppen, dan eerst zou een toestand kunnen ontstaan, waarin de enige hiërarchie die zou zijn van het banditisme, het vuistrecht, de sluipmoord en de losbandigheid. Alleen dan zou de ondermens een kans maken. En zelfs dan zou zich na enige tijd, in wat er nog over zou zijn van mensheid en wereld, een nieuwe orde uitkristalliseren, want zelfs het gangsterisme komt tot een hiërarchie. Dat dan intussen onze gehele beschaving vernield zou zijn, is echter zeker. Maar wie dit vreest, gaat van de veronderstelling uit, dat de grote gemiddelde massa in het geheel geen leiding wil, naar anarchie streeft. Intussen blijkt juist, dat het tegendeel het geval is. De massa wil leiding, orde, gezag, omdat ze vóór alles zekerheid, bezit, rust, wil. En juist aan dit verlangen van de massa naar leiding hebben de fascisten hun succes te denken. De massa wil leiding, maar ze wil een leiding naar haar eigen aspiraties, een leiding, die voldoet aan de verlangens die zij met haar begrip en haar gevoel vormen kan. En hier ligt nu juist het probleem: wat zijn de authentieke verlangens dier massa; en welke verlangens kan men haar suggereren?

 

Het fascisme knoopt aan bij stemmingen, die reeds zeer oud en alom aanwezig zijn. De ‘ondermens’ kan er in betrokken worden en men kan ook, zoals Ortega y Gasset, van de ‘Opstand der horden’ spreken, of constateren, met Freud, dat er een algemeen

[p. 60]

‘Unbehagen in der Kultur’ aanwezig is, en pogen de diepere oorzaken hiervan uit de structuur van de menselijke psyche te verklaren. Doch dit alles zijn uitingen van de jongste tijd, ontstaan in de periode na de wereldoorlog. Lang voordien echter was reeds van alle kanten een teleurstelling in de democratie tot uitdrukking gekomen. Een teleurstelling, die daarom in bizondere mate de aandacht verdient, omdat ze niet uitging van de reactionnairen, de onttroonde heersers en hun aanhang, de zonder respect opzijgeschoven verdedigers van ‘troon en altaar’, adel, geestelijkheid en wat daaromheen zwerft, doch van de vooruitstrevende en socialistische denkers, die allerminst een terugkeer naar de ‘goede oude tijd’ wensen, doch zich ongerust beginnen te voelen als ze aan de toekomst denken. We laten dus de directe reactionnairen, van Joseph de Maistre tot Heinrich von Treitschke, om twee typische figuren aan het begin en het eind van de vorige eeuw te noemen, buiten beschouwing, zoals we ook, voorlopig, hun nakomelingen, de royalisten van de ‘Action Française’ in Frankrijk of de ‘conservatieve’ nationaal-socialisten (Moeller van den Bruck, de ‘Tat’-groep) met hun vaak interessante critiek op het ‘demo-liberale’ wereldbeeld onbesproken laten.

Maar werd dat ‘demo-liberalisme’, niet slechts in zijn politiek doch ook in zijn gehele wereldbeschouwing, niet onbarmhartig aangevallen door socialisten van allerlei schakering? In het begin van deze eeuw had b.v. Georges Sorel in Frankrijk het kernstuk van de heersende wereldbeschouwing pogen te vernietigen in z'n boek ‘Les illusions du progrès’, waarin het dogma van de vooruitgang, op alle andere gebieden dan die van arbeid en techniek, dus op het gebied van cultuur, moraal en politiek, wordt afgewezen. Engelse socialisten, zoals Wells in z'n ‘New Machiavelli’ en Shaw in z'n ‘Perfect Wagnerite’, z'n ‘Man and Superman’ en z'n ‘Major Barbara’, hadden duidelijk te kennen gegeven, dat ze niet meer in de massa geloofden, noch in de bestaande beschaving. En in Duitsland had de schrijver van ‘Die Revolution’ en de ‘Aufruf zum Socialismus’, Gustav Landauer, zijn afkeer uitgesproken van het massa-socialisme, dat hij om zich heen zag, en welks eventuele overwinningen hij evenzeer vreesde als het voortbestaan van het kapitalisme. En wat Landauer in het begin van deze eeuw schreef, toen de georganiseerde middelmatigheid van de Duitse sociaal-democratie hem met walging vervulde, dat was in de grond van de zaak een variatie op het thema, dat

[p. 61]

meer dan een halve eeuw voordien, toen er van een georganiseerde massa nog geen sprake was, maar de uitgehongerde rebellerende communistische horden hun stormloop tegen de bestaande orde schenen te gaan beginnen, door Heine aangeslagen was in zijn beroemd pamflet tegen Börne en tegen het alles gelijkmakende radicalisme.

Bedreiging door de onbeschaafden, bedreiging door de middelmatigen, bedreiging door de weelde en door de najagers van louter zingenot, dat zijn nog slechts een paar van de gezichtspunten, die mogelijk zijn, als men de gevaren wil beschouwen, waaraan de beschaving blootstaat. Immers er is niet alleen het gevaar van sensualisme, er is ook het gevaar van spiritualisme en van intellectualisme, en men kan ook met de eerste Christenen, met Rousseau, met Tolstoj de vraag stellen, of niet de beschaving zèlf de oorsprong van alle kwaad is. Maar wat zo van alle kanten wordt bedreigd en wordt aangevochten, dat moet wel het verdedigen waard zijn!

Voor thans bepalen wij ons tot die aanvallen, die alle van hetzelfde type zijn, en die de ontaarding toeschrijven aan het feit, dat de grote massa van middelmatigen en ondermensen gemakkelijk te beinvloeden is, en uit de aard der zaak het meest vatbaar is voor wat zijn eigen kwaliteiten het meest nabijkomt; het minderwaardige dus.

De klachten hierover dateren waarlijk niet van de jongste tijd, noch zijn ze, zoals we hierboven reeds opmerkten, alleen van fascisten of reactionnairen afkomstig.

Men herleze thans eens een boek als Max Nordau's ‘Ontaarding’, dat van ± 1890 dateert, en men zal bemerken, dat heden, ongeveer een halve eeuw later, na een wereldoorlog, na revoluties en contra-revoluties, na een geweldige economische crisis, geen somberdere klanken gevonden kunnen worden dan in die dagen, die we nu als ‘de goede oude tijd’ beschouwen. Men hore Nordau: ‘Wij bespeuren geleidelijk een algemene verslapping der zedelijkheid, het verdwijnen der logica in gedachte en handeling, een ziekelijke prikkelbaarheid en wispelturigheid bij de publieke opinie, een verslapping van karakter. Overtredingen worden behandeld met een lichtzinnige of sentimentele toegeeflijkheid, die schurken van allerlei soort aanmoedigt. De mensen verliezen de kracht van geestelijke verontwaardiging, en wennen zich er aan, deze te verachten als iets banaals, achterlijks, onbeschaafds en

[p. 62]

doms... Gezond verstand wordt zeldzamer en wordt minder hoog geacht. Niemand wordt geschokt door de bespottelijkste voorstellen, verhoudingen, en modes; en in wetgeving, administratie, binnenlandse en buitenlandse politiek hebben abnormale elementen de overhand. Elke volksmenner vindt een bereidwillige menigte, elke dwaas verzamelt aanhangers, elke gebeurtenis maakt een buitensporige indruk, doet een bespottelijk enthusiasme ontbranden, verspreidt een ziekelijke ontsteltenis, leidt tot heftige manifestaties in den een of anderen zin, en tot officiële gedragslijnen, die op zijn minst nutteloos, vaak betreurenswaardig en gevaarlijk zijn. Iedereen heeft het over zijn “rechten” en verweert zich tegen elke belemmering van zijn wensen door wet of gewoonte. Iedereen tracht aan den dwang der discipline te ontsnappen, en de last van de plicht van zich af te schudden’.

Wie zo'n bladzijde leest, heeft niet alleen de quintessence van de fascistische critiek op onze cultuur, zoals Otto Bangert, die we aan het begin van dit hoofdstuk citeerden, ze gaf, en zoals Mussolini, Hitler, Alfred Rosenberg en al die anderen, met al de kracht van hun ongewone temperamenten en vervaarlijke stembanden, niet moe worden uit te stoten. Hij voelt zich tevens te gast bij al die andere cultuur-critici, die de ‘geistige Situation der Zeit’ - zoals de beschouwing van Jaspers heet - bespreken, hetzij geresigneerd, zoals Jaspers en Huizinga en in zekere zin ook Freud, hetzij met reactionnaire voorliefden, zoals Carrel, hetzij met minder of meer geloof in reddingsmogelijkheden, zoals Ortega of Schotman. Maar hoe groot de verleiding ook is, de opmerking te maken, dat het ondergangs- en ontaardings-gehuil dus in 1887 al precies even sterk was als in 1937, en dat we dus vermoedelijk in 1987 nog wel zullen huilen, maar ook nog wel zullen leven, en dat we ons dus maar beter niets kunnen aantrekken van al die zwartkijkerij; men behoeft maar enige historische zin te hebben om te erkennen, dat het gejammer van onze cultuur-critici wel degelijk betekenis heeft, als men slechts er toe overgaat, hun algemeenheden te beschouwen als wat ze in werkelijkheid zijn: géén verklaringen, maar symptomen.

Inderdaad is wat in 1887 dreigde, in 1937 reeds voor eën belangrijk gedeelte werkelijkheid geworden. De Westerse cultuur, die een liberale cultuur was, in het bezit van een zich langzaam uitbreidende elite, is in tal van landen, waar ze eens heerste (Duitsland) of vlak voor het verwerven van de heerschappij scheen te

[p. 63]

staan (Rusland, Azië), nagenoeg met wortel en tak uitgegroeid, onder de voet gelopen. En daar waar ze nog bestaat, in de smalle strook van West-Europa, in Amerika, in Australië en Zuid-Afrika, dreigt ze bijna overal onder de voet gelopen te worden, door scharen, die, of ze zich nu fascist of communist noemen, haar hetzelfde verwijten: haar uit individualisme voortkomende machteloosheid.

Het demo-liberalisme, zegt de een, het kapitalisme, zegt de ander, het is onmachtig, het is niet in staat de economie te organiseren, het weet geen stabiliteit te scheppen in het binnenland en geen orde in de wereld-politiek, en het heeft op geestelijk gebied een chaos gebracht, vol van losbandigheid en verruwing, met aan de ene kant een decadente, perverse, cynische groep van genieters, en aan de andere kant een vervlakte, verruwde, maar eveneens naar genot en sensatie hakende massa. Hiermede is slechts schijnbaar in strijd het feit dat het fascisme, welks theorie het luidste van massa-verachting getuigt, in de practijk die massa gebruikt. haar streelt en prijst. Voor de fascistische elite is de massa, als ze gewillig is, het nobele strijdros, dat de held ter overwinning draagt. En men kan ongetwijfeld van een nobel strijdros houden, zonder ooit te vergeten dat een paard een paard is, en een ridder een ridder.

Bij de communisten is het in wezen niet anders, al is hun theorie in dit opzicht veel minder duidelijk. Als we die theorie straks onderzoeken, zullen we ook een voorhoede-partij-elite en een te gebruiken massa ontdekken. Dat er ook belangrijke verschillen tussen fascisten en communisten zijn, ligt voor allen, die gewend zijn de dingen in hun historisch verband te zien, voor de hand. Wij zullen daar nog uitvoerig over spreken en dan zien, dat die verschillen heel vaak niet daar liggen, waar de gangbare opvattingen ze menen te zien. Maar alle twee, fascisme en communisme, zijn van het bestaan van de ondermens overtuigd, al heeft alleen het fascisme het politieke inzicht gehad, de strijd tegen de ondermens tot een van zijn voornaamste leuzen te maken. Ongetwijfeld, er valt iets te zeggen voor de stelling, dat men, na fascisme en communisme in de practijk gezien te hebben, alleen maar de overtuiging krijgt, dat het middel nog erger is dan de kwaal Doch daarmede is het bestaan van de kwaal niet weggeredeneerd.

Wel is het niet waar, dat in het tijdperk, van het demo-liberalisme

[p. 64]

(waarin het liberalisme meer en meer tot een sociaal-liberalisme werd) de heerschappij in handen van de ondermens of zelfs maar van de gemiddelde mens lag; neen, in werkelijkheid, heersten in de democratie steeds elites, zoals bij een verder onderzoek zal blijken - maar wààr is, dat in de strijd om de massa steeds meer concessies moesten worden gedaan aan de gemiddelde mens, en dat de concurrentie-strijd der partijen de strekking had, steeds verder te gaan in die richting, zodat in deze speculatie à la baisse op de duur ook concessies aan de ondermens onvermijdelijk werden. En wààr is ook, en daar willen we thans even bij blijven stilstaan, dat het grootste deel van die democratische elites idealen had, die zonder bepaald minderwaardig te zijn, toch van een zeer middelmatige aard waren.

 

Men heeft het imperalisme, zoals het b.v. door Rudyard Kipling bezongen werd, herhaaldelijk belachelijk gemaakt door er op te wijzen, hoe zeer zijn idealen gelijk waren aan die van kostschooljongens. Men vergat daarbij meestal, dat het overgrote deel der mensen geestelijk nooit de leeftijd bereikt van een flinke vijftien- of zestienjarige schooljongen, dat daarentegen bijzondere kostschooljongens reeds op vijftien jaar de hoogst mogelijke trap van geestelijk bevattingsvermogen bereikt kunnen hebben, en dat men daarna wel in kennis en daardoor in het vruchtbaar gebruik van zijn wijsheid kan groeien, maar dat niemand in zijn morele levensopvattingen en in de grondtrekken van zijn karakter veel verder komt dan hij als schooljongen reeds gekomen was. Wij idealiseren de jeugd hierbij niet. Wie schooljongens goed bekijkt, treft in het algemeen niet veel fraais aan. Maar zij die Kiplings Imperialisme wilden bespotten, hadden de bedoeling, een ideaal belachelijk te maken dat een wil tot verovering van de wereld inhield, het doen heersen in die wereld van orde en goede trouw; het zich zelf in dienst stellen van een zending; en het pogen die taak te volbrengen, door de rechtvaardigheid te betrachten, de slechten te bestrijden, de besten te eren, de zwakken te beschermen en de strijdgenoten - als ze waarlijk strijdgenoten zijn - een volledige vriendschap toe te dragen. Dat mag dan een schooljongens-ideaal zijn, het is tevens het ridder-ideaal, waarin de wil tot macht en tot het moeilijke en gevaarlijke werk verbonden is met de idee der gerechtigheid.

Maar het is typerend voor de critiek op het Imperialisme, dat ze

[p. 65]

noch de nadruk legde op het feit, dat men in werkelijkheid uittrok om een aantal geld-poenen in staat te stellen te protsen en te brassen, noch op het feit, dat evenzeer als kostschooljongens in werkelijkheid geen ridders plegen te zijn, doch wrede brutale slungels, ook de imperialistische ridders niets anders dan plunderende en moordende landsknechten waren. Neen, men stelde niet tegenover het valse ridderschap een werkelijk ridder-ideaal, wortelend in de behoeften van de eigen tijd, doch men concentreerde zijn krachten op het bespottelijk maken van alle ridderidealen. Men grinnikte en zei, dat geen verstandig mens zo iets ernstig nam en dat de enige werkelijke tegenstelling tot het Imperialisme bestond in een goed doorvoede, vredelievende en zich rustig vermakende volksmassa. Dat ook die volksmassa bij nader onderzoek evenmin de ‘schone’ eigenschappen blijkt te bezitten, die men haar toeschrijft, dat ze een naar sensatie hakende, van alle inspanning afkerige, gulzige en wrede, rumoerige en domme horde zou kunnen blijken te zijn, laten we nu nog buiten beschouwing. Doch zelfs als ze dat niet is, en alleen maar een vreedzame, rustig herkauwende kudde, welk behoorlijk mens zou dan genoegen willen nemen met een dergelijk ‘ideaal’? Ligt het dan niet voor de hand, dat velen, en niet de slechtsten, dan nog maar liever het Imperialisme met al zijn afschuwelijke kanten, maar ook met zijn grootse en trotse bouw en met zijn roep naar daden en gevaren, verkiezen boven het tamme ideaal van het vreedzame geluk?

We hebben hier het voorbeeld van het imperialisme genomen, niet alleen omdat het in de politiek zowel het slot van de vorige eeuw als onze eigen periode beheerst, maar ook, omdat de imperialistische trek, de drang tot expansie,1) ook in het geestelijk leven van onze tijd steeds meer op de voorgrond is getreden. Men kan nu dat ‘imperialisme’ of ‘activisme’, zoals Benedetto Croce het in zijn essay over de geschiedenis der 19e eeuw2) noemt, of ‘dynamisme’, zoals het tegenwoordige modewoord luidt, dat naar ik meen door de futuristen gesmeed werd, afkeuren, zoals dat door de zo juist genoemde denkers gedaan is, maar zelfs in het beste geval, als men, zoals Benda, eeuwige waarden wil verdedigen tegen de vergoddelijking van het tijdelijke, stoffelijke

[p. 66]

en wereldse, is men daarmede op de verkeerde weg, zoals Benda zèlf, door zijn toetreden tot het anti-fascistische front en door het aldus erkennen van de onmogelijkheid van de positie der vergeestelijkte ‘klerken’, duidelijk heeft bewezen.1) En in de meeste gevallen (b.v. Jaspers en Huizinga) brengt men het niet verder dan het betreuren van een voor goed verdwenen tijdperk, waarin de oude feodale adel door een nieuwe groot-burgerlijke adel van zakenlieden, staatslieden en geleerden was opgevolgd, en waarin, ondanks alle beweringen, niet de bekwaamheid, maar de ‘deftigheid’ het meest in aanzien was.

Men is op de verkeerde weg, als men meent, dat zulke dingen als imperialisme, activisme, dynamisme of hoe men de houdingen ook moge noemen, die de nadruk op het ‘leven’, op het ‘zijn’ leggen en die ‘denken’ en ‘moraal’ daaraan ondergeschikt willen zien, een uiting van verval en van ziekte zijn. Natuurlijk, ze zijn ziekelijk, voor zover iedere eenzijdigheid en iedere overdrijving ziekelijk is. Ze zijn onjuist, omdat ze uit het, op zich zelf onloochenbare, primaat van het leven, de zotte conclusie trekken, dat de hogere vormen van het leven (en wat zijn denken en moraal anders) zich zouden moeten onderwerpen aan de lagere, in plaats van hun normale functie uit te oefenen, die geen andere is, dan in steeds toenemende mate het leven te beheersen. Maar ziekelijk en zot als ze zijn, ze zijn toch nog gezonder dan een levenshouding, die men, met alle respect voor de schrijver van ‘La trahison des clercs’ toch alleen maar een vereeuwiging van de huichelarij kan noemen. Want een toestand, waarbij de ‘leken’ al de ongerechtigheden bedrijven en de ‘klerken’ hiertegen in naam van de eeuwige moraal protesteren, terwijl ieder op zijn eigen gebied zijn gang blijft gaan, en terwijl dus het ‘leven’ overgelaten wordt aan de schurken, en de rechtvaardigheid slechts in het rijk van de ‘geest’ bestaat, dat is een onduldbare situatie, juist voor allen, die willen dat het leven door de geest beheerst wordt, en die er dus geen genoegen mede nemen, dat het leven van iedere dag geesteloos en de geest der intellectuelen levenloos d.w.z. ver van de werkelijke wereld, blijft.

[p. 67]

Juist als protest hiertegen, als verzet tegen een toestand, waarin het geestelijke terzijde geschoven wordt en slechts het bezit is van stille, vergeten en niet geëerbiedigde klerken, of van daadmensen in hun stille, vergeten uren, die geheel los staan van hun eigenlijke daden-leven, als protest tegen een toestand, waarin geest en daad elkaar nooit dekken en de geest dus slechts ‘preek’, d.w.z. huichelarij is, komt de begeerte omhoog naar een leven, waarin geest en daad elkaar dekken. Men wil zich niet meer voor zijn daden schamen, doch ze ten volle aanvaarden als wat ze zijn: het beste waartoe men in staat is. Men is niet, wat men buiten ieder gevaar en buiten iedere verantwoordelijkheid in een rustig hoekje kan zeggen, schrijven, dromen - men is wat men doet en wat men leeft. En deze grondwaarheid wil men nu langs de weg van de minste weerstand bereiken, doordat men het dadenleven, hoe het dan ook moge zijn, ten goede en ten kwade aanvaardt en verheerlijkt, en het als het ware brutaal zijn tegenstanders in het gezicht werpt: zó zijn we, zó leven we, en daarvoor dragen we de volkomen verantwoordelijkheid.

Dat dit tot het ergste cynisme, tot de grootste brutaliteit kan leiden, ligt voor de hand. En als men er nog aan twijfelde, dan zou het fascisme ons kunnen leren, waartoe de ontketende brutaliteit kan komen. Maar dit primaat van het leven verlost ons in ieder geval van de dubbele moraal. Het leert ons, dat de mens, die niet liegen wil, óf een beest moet worden, dat alles vertrapt en verscheurt, óf (even onverbiddelijk als de imperialisten, nationalisten, fascisten en dergelijken, ernst maken met het uitleven hunner impulsen) ernst moet maken met de cultuur, met de consekwenties van wetenschap, kennis en moraal, en zijn daden hiermede in overeenstemming moet brengen, in plaats van de cultuur als een aangelegenheid van geestelijke mensen en feestelijke momenten te beschouwen. Men moet even vast besloten zijn, het leven volgens de cultuur in te richten, als de anderen vast besloten zijn, de cultuur te onderwerpen aan de eisen van het ongepolijste leven. Het fascisme heeft de barbaarsheid tot cultuurideaal verheven, doch in ieder geval heeft het een ideaal, en probeert het, op het peil van dat ideaal te leven. Zij, die ideaal en leven gescheiden houden, staan daarbeneden. En eveneens zij, die in het geheel geen ideaal hebben, d.w.z. de massa, die alleen maar zich zelf vertroetelen en vetmesten wil.

Zo is dus het fascisme te zien als een verzet tegen de wereld van

[p. 68]

de nooit ernstig genomen idealen en tegen de wereld van de massa; tegen de wereld der klerken en tegen de wereld der maagvergoders. En daarom heeft ook het verzet der intellectuelen, die het fascisme in naam der cultuur bestrijden, zo weinig zin en zo weinig uitwerking. Immers, deze klerken komen op voor een cultuur, die nooit werkelijk geleefd heeft, doch die op zijn best een cultuur der schuilhoekjes was. En ze strijden voor een wereld, waarin ze zèlf niets te zeggen hadden, als het op de beslissingen aankwam, voor een wereld, waarin ze als een soort bijzonder getrainde dienstboden beschouwd werden en nog worden. Ze strijden voor een illusie omtrent de wereld, waarin ze leven, en ze verdedigen daardoor de werkelijkheid dier wereld.

Die werkelijkheid is echter de heerschappij van een plutocratie, getemperd door de heerschappij van de grote massa. De plutocraat heeft ongetwijfeld een wil tot macht, hij wil heersen en het is hem vaak minder om het geld te doen, dan om de macht, die hij ermee kan uitoefenen. Maar juist zijn voorbeeld bewijst hoe weinig men aan het begrip ‘wil tot macht’ heeft, en hoeveel belangrijker de vraag is: macht, waartoe, waarvoor? Want wat de plutocraat met de macht doet, dat is, behalve het leiden van een protserig bestaan voor zich zelf en zijn kringetje, het verwerven van nieuwe macht, nieuwe rijkdommen, in een nooit eindigend, leeg en waanzinnig gedraai der raderen en gedreun der hamers. Dàt is het ene aspect van de leegte onzer tijden. En het andere is het souvereine volk, dat in laatste instantie in onze democratieën de macht uitoefende. Ook hier staan we voor het Niet. Want wat is de zin van deze democratie?

Robert Burns heeft op sobere wijze het sociale ideaal der democratie geformuleerd:

 
To make a better fire and clime
 
for wain and wife
 
that's the true virtue and sublime
 
of every life

Maar laten we ons niet vergissen. Dat is of was het ideaal van de strijders voor de democratie. Men kan zijn leven een doel geven, door er voor te werken, dat het gebrek uit alle huizen verdwijnt. Maar wat gebeurt er dan in die huizen? Wat doet de van gebrek verloste en tot politieke mondigheid gekomen massa dan? Met die vraag behoefde de heroische democratie van een Blanqui, een Mazzini, een Lassalle, zich niet bezig te houden. Maar een latere

[p. 69]

generatie had het wèl behoren te doen, al deed ze het met. Want toen, in de kwart-eeuw voor de wereldoorlog, was de democratie in zover gerealiseerd, dat men het leven der democratische massa kon gaan beschouwen. En daar zag men dan die lege middelmatigheid en tevredenheid, waar we het reeds over hadden, met die dorst naar vulgaire prikkels en sensaties. De massa zonder idealen, die inderdaad alleen maar aan ‘brood en spelen’ denkt, waarbij de spelen dan nog liefst erg opwindend moeten zijn. Inderdaad, in plaats van cultuur komen hier de spelen, en het is te begrijpen, dat een dergelijke wereld met zijn protserige grofheid, zijn geld-heerschappij, zijn stompzinnige krachtpatserij aan de top en zijn vadsige tevredenheid, schreeuwerige opgewondenheid of lege genotzoekerij bij de grote massa - zoals men dat het scherpst kon waarnemen in het Duitsland van Wilhelm II - de beste tijdgenoten tegen de borst moest stuiten.

De gemiddelde sociaal-democraat of democraat zag alleen het bederf aan de top, zonder oog te hebben voor de gevaren en onsmakelijkheden van de massa. De gemiddelde patriot en intellectueel bemerkte alleen, dat de massa niet meer vatbaar bleek te zijn voor de traditionele idealen en dat de idealen, die ze wèl had, van een pover soort waren. Maar het kwam niet bij hem op, na te gaan, of de traditionele idealen nog houdbaar waren en nog minder om te onderzoeken, of men aan de top wel volgens die of volgens andere idealen leefde, of misschien zelfs zonder idealen! Als er critiek was, dan hield ze toch bijna altijd op, vóór ze de kern der dingen geraakt had. De een of andere mythe gold bijna altijd als onaantastbaar. Als men in Frankrijk de ‘Republiek der Kameraden’ - d.w.z. der baantjesgasten en baantjes-uitdelers - hoonde, dan gebeurde dat bijna altijd ten behoeve van een monarchisme en een clericalisme, die nagenoeg geen enkele van de vele deugden bezaten, die door dwangvoorstellingen bevangen litteraten hun toeschreven. De mythe van de monarchie bij de een, van de producenten bij de ander, van de handarbeiders bij een derde, van het irrationalisme bij wéér een groep, dit alles blijkt bij nader onderzoek - we komen hier nog op terug - altijd op een punt gelijksoortig: in de behoefte, voor iedere oude illusie, die men verstoort, een andere (vaak nog oudere) in de plaats te stellen. De eenzijdigheid en de blindheid voor hele complexen verschijnselen zijn kenmerkend, zowel voor Maurras en Daudet, de royalisten, voor Jaurès en Sembat, de democraten, voor

[p. 70]

Pelloutier en Griffuelhes, de syndicalisten, als voor de denkers dier periode, wier meest bekende Bergson is. En de enige, die niet blind was, Sorel, vond nergens rust en bleef tot op hef laatst een zwervende zoeker.

En op dezelfde wijze bleef de critiek in Duitschland steeds voor de een of andere Godheid staan, en knielde daarvoor in aanbidding neer. Het Pruisen van Frederik de Grote met zijn sociaal koningschap, zijn onomkoopbare ambtenaren, zijn op de beginselen van eer, trouw en tucht gebouwd leger, is, zoals ieder ernstig onderzoeker weet, een belachelijke en leugenachtige legende.1)

Maar dat neemt niet weg, dat Spengler, Moeller van den Bruck en andere critici der democratie en der Wilhelminische bombast, de legende van de Pruisische deugden zonder voorbehoud aanvaarden. En ook zij, die op de duur inzagen, dat ze de Pruisische mythe niet konden handhaven (Rosenstock, Otto Strasser e.d.) begonnen onmiddellijk weer een Hohenstaufen-mythe of een Reichswehr-mythe te vormen. Vóór de oorlog echter was de ongetwijfeld diep gevoelde critiek op de geest der Wilhelminische heerlijkheid, die in de vrije Duitse Jeugdbonden tot uiting kwam, dóór en dóór bedorven door nationale en militaire trots, zoals de houding van deze ‘bonds-jeugd’ in en na de oorlog bewezen heeft.. In de sociaal-democratie was bij de ‘radicalen’ (Rosa Luxemburg, Radek, Pannekoek e.a.) een sterke afkeer aanwezig tegen wat zij ‘verburgerlijking’ der beweging noemden en wat in werkelijkheid het veldwinnen van de zatte zelfgenoegzaamheid was. Maar omdat deze ‘radicalen’ het ‘proletariaat’ vergoddelijkten, beseften zij niet, dat hun strijd in werkelijkheid tegen de gemiddelde mens en dus ook tegen de gemiddelde proletariër ging. Door het verheerlijken van de ‘echte’, d.w.z. niet door de beschaving ‘bedorven’ arbeider, riepen zij tevens de grove, alleen door het instinct gedreven en slechts tot vernielen en vechten (d.w.z. ‘knokken’) in staat zijnde proletarische ‘ondermens’ op - zoals de nationalisten de soldaterige ondermens uit de ‘hogere kringen’ en de middenstand opriepen. En de cultuur-socialist Landauer had weer z'n anarchistische mythe en z'n fetisj der productieve associaties. Zo zou men de toestand in alle landen kunnen nagaan, om telkens weer tot conclusies van dezelfde aard te komen: men was alge-

[p. 71]

meen ontevreden met de bestaande toestanden, maar terwijl men de heerschappij van geld en winst verwierp, kon men geen genoegen nemen met een toekomst, waarin de heerschappij der middelmatigheid dreigde, een wereld van behaaglijke tevredenheid, zonder strijd, zonder spanningen, zonder gevaar en zonderheroisme, een wereld van brood en spelen. Zo'n wereld is voor de besten en ernstigsten, voor allen, die werkelijke cultuur willen, niet te aanvaarden, want ze is de dictatuur van de gemiddelde mens en op de duur zelfs van de ondermens. Men zal met dit verzet van de cultuur-mens tegen de gelijkmakerij in 't algemeen en tegen de gelijkmakerij op een laag peil in 't bizonder, rekening hebben te houden. Doet men het niet, dan drijft men tallozen, die zich tegen de geestelijke gelijkschakeling verzetten... naar het fascisme.

Maar het fascisme is immers de gelijkschakeling bij uitnemendheid zal men tegenwerpen, en het is bovendien een vijand van alle cultuur, zoals b.v. blijkt uit het feit, dat zèlfs in de arbeideristische beweging der syndicalisten en in de communistische beweging van vóór de Volksfront-periode (toen alleen de zuivere industrie-arbeider, liefst nog de ongeschoolde, slecht betaalde of werkloze, voor vól werd aangezien) nooit met zoveel verachting en haat over de ‘intellectuelen’ gesproken is, als in de fascistische beweging het geval is. Wie zo redeneert, vergeet, dat het fascisme, dat hij op het oog heeft, iets anders is dan het fascisme in z'n begin-periode. Wij zijn in deze hoofdstukken bezig de oorsprongen van het fascisme na te gaan, en wij pogen te begrijpen hoe, als protest tegen de maatschappelijke vervlakking en vervuiling, een eerlijk en idealistisch fascisme kon ontstaan, dat in z'n beginperiode dan ook een beroep deed op degenen, die de cultuur wilden redden en verrijken. Later zullen we nagaan, hoe dit fascisme, ten dele door dé aanraking met de werkelijkheid, ten dele door de halfslachtigheid van z'n wereldbeschouwing, die van het begin af aan een aantal mythen klakkeloos aanvaardde, tot dat grove, barbaarse gedoe werd, dat we in Duitsland het zuiverst kunnen waarnemen.

Het aanvankelijk fascisme echter, was gekenmerkt door een verachting voor de grote hoop, zo sterk zelfs, dat het een ogenblik van het deelnemen aan verkiezingen wilde afzien, nog heel lang de democratisch-parlementaire weg afwees, en door het vormen van een élite, als minderheid, op buiten-parlementaire wijze de

[p. 72]

macht wilde grijpen.1) Het had een sterk aristocratisch karakter, wilde een nieuwe hiërarchie met een nieuwe heersende groep scheppen. En die nieuwe heersers zouden juist in hoofdzaak gerecruteerd worden uit de middengroepen, vooral uit de intellectuelen.

Een bepaald soort intellectueel sloot men bij voorbaat uit: de typische ‘ideoloog’, de man, die tot in het oneindige wil blijven redeneren; en tevens sloot men uit, die intellectuelen, die het maatschappelijk gebeuren beneden hun aandacht vinden en die - met uitzondering van enkele van de allergrootsten, die werkelijk zo zeer door hun kunst of wetenschap of wijsbegeerte in beslag genomen zijn, dat zij buiten hun tijd staan (maar hoe vaak komt dat type voor?) - alleen maar aan hun eigen ikje en hun persoonlijke lotgevallen denken. Maar hoezeer men ook de ‘daad’ verheerlijkte, het hoogste schatte men de ‘leiders’, die een synthese van daad-mens en intellectueel behoorden te zijn en als zodanig scheppende cultuur-mensen.

Men was dus aanvankelijk allerminst cultuur-vijandig. Integendeel, men zag de cultuur bedreigd doordat de vlakke mens en z'n levensopvattingen de overhand kregen. Men zag de cultuur ook bedreigd door tuchteloosheid, zwijnerij, onverantwoordelijke genotzucht (of zoals men het noemde ‘cultuur-bolsjewisme’). De opvatting, dat men, tussen vervlakking en verwildering door, tot een gezonde en sterke cultuur moet komen, was ook bij de voorlopers van het fascisme en bij de eerste fascisten aanwezig, zoals ze bij een aantal socialisten en bij een aantal burgerlijke democraten en partijloze intellectuelen bestond. Maar de socialisten waren gevangenen van hun massa's en van de opvatting, dat de cultuur geen hoofdzaak, maar een derivaat van de economie is. De burgerlijke democraten waren óf knechten en likkers van de zakenlui, van de cultuur-vijandige plutocratie dus, óf ze waren een machteloos groepje. En nog machtelozer waren de partijloze, in klieken en kliekjes, scholen en schooltjes verdeelde intellectuelen. Zo kon het verlangen naar een nieuwe beweging, die de cultuur als hoogste waarde proclameerde en die zich zowel

[p. 73]

tegen plutocraat als maag-mens richtte, sterker worden. En het fascisme, dat naar voren kwam met als program; een gezonde levende cultuur, bevrijd van de heerschappij der democratische maag-mensen en van de heerschappij der plutocraten, moest wel succes hebben bij de intellectuelen en de leden der middelgroepen, voor wie de cultuur altijd een eerbiedwaardige - schoon meestal onbegrepen - macht was geweest.

Geen eerlijk onderzoek kan ontkennen, dat we geleefd hebben en nog leven in een tijdperk, waarin de ondermens, die wij liever maag-mens zouden noemen, steeds dreigender kwam opzetten en steeds invloedrijker werd, terwijl aan de andere kant de geldmens het beste deel der wereld voor zich in beslag nam. Daardoor werd de positie van de cultuur-mens, van de mens dus, uiterst précair. Hij moest in verzet komen, moest pogen zich te redden. Bij de bestaande maatschappelijke organisaties vond hij géén of onvoldoende steun. Trouwens die organisaties waren belast met de verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de toestanden, waartegen zijn verzet ging.

Natuurlijk had die cultuur-mens geen scherp bewustzijn van wat hij wilde en van wat er eigenlijk niet in orde was. Hij had slechts wetenschappelijke of artistieke, technische of wijsgerige cultuur, want hij had geleerd de politiek te verachten en de politiek had geen moeite gedaan hem te winnen.

En nu kwam een politieke beweging, die zich wèl en zeer speciaal tot hem richtte, die belang scheen te stellen in de zaken, die hem het waardevolste waren. Bovendien, die nieuwe beweging scheen te willen, wat hij vaag voelde dat nodig was: vòòr alles de ondermens van z'n heerschappij beroven, een nieuwe hiërarchie instellen, waarin de cultuur-mens bovenaan stond en waarin ook de hem verwante middengroepen een vast een eervolle plaats zouden innemen.

Die nieuwe beweging brak met de gelijkheidsidee. Ze sprak uit, dat ordening der maatschappij ook in zich sloot: ordening der mensen volgens hun waarde - de mens boven en de ondermens onder. Een beweging die dit - hoe verward dan ook - uitsprak, moest aanhangers vinden, moest in staat zijn intellectuelen en middengroepen met politieke wil te vullen. Er was behoefte aan zo'n beweging en bij gebrek aan iets anders heeft het fascisme in die behoefte voorzien. Ziehier één van de belangrijkste elementen van z'n noodzakelijkheid en van z'n succes.

[p. 74]

Men kan nu natuurlijk de idee der hiërarchie bestrijden, men kan zeggen, dat een beweging, die zich daarop baseert, noodzakelijkerwijze een verdorven, de mensen met hoogmoed vullende en dus anti-sociale beweging moet zijn. De consekwentie van zo'n beweging is, zo kan men er aan toevoegen, dat een bepaalde groep Uebermensch-allures gaat aannemen en wat zijn deze Duces en Führers anders dan Uebermenschen-voor-het-volk, voor het schellinkje? En deze wereldbeschouwing waarin leven en daden en ongelijkheid en macht zo verheerlijkt worden, wat is dat anders dan Nietzsche, ontdaan van alles wat hem voornaam maakt? Bovendien, hoe is Nietzsche te verenigen met een maatschappijordening, hoe is de individualist bij uitnemendheid, de verachter van alle socialisme, met een andere orde te verenigen, dan met die, waarin de roofridders - zij het dan in de gedaante van moderne kapitalisten - de grote massa plunderen en knechten en naar willekeur gebruiken? Met een sociale ordening is dat niet te verenigen; die moet op gelijkheid berusten.

Zou dat inderdaad zo zijn, zou het socialisme onverbrekelijk verbonden zijn met de idee der gelijkheid, zou het niet erkennen, dat ordening der ongelijkheid de taak van het socialisme is, dat zou dat socialisme niet veel meer zijn, dan een vulgaire utopie der middelmatigen.

Doch ook en juist op de erkenning der ongelijkheid is een socialistisch systeem en een socialistische politiek te bouwen. En niemand is verder in die richting gegaan dan de meest realistische politicus van het socialisme: Lenin.

Wie het fascisme werkelijk wil bestrijden, die zal een antwoord moeten geven op de grote vraag naar de ordening der mensen tot een culturele maatschappij. En die zal moeten begrijpen, dat Nietzsche ons in deze kwestie nog wat anders te zeggen heeft, dan wat gewoonlijk voor zijn leer doorgaat. Hij zal ook moeten begrijpen, wat Lenin ons reeds geleerd heeft door zijn practijk. En hij zal eerst dan in staat zijn, boven fascisme en boven traditioneel socialisme uit te komen. Wat nodig is.

1)Gecit. bij W. Banning ‘Het Nationaal-Socialisme’ blz. 28.
2)Hierop is vooral gewezen door Wilhelm Reich in z'n ‘Massenpsychologie des Faschismus’.
1)Zie b.v. Baron Seillière's ‘La Philosophie de l'Impérialisme’.
2)‘Geschichte Europas im neunzehnten. Jahrhundert’.
1)Veel duidelijker dan men in het algemeen begrijpt. Want de hulpeloosheid en geestelijke onmacht van dat klerkendom treedt aan de dag nu men, in plaats van werkelijk anti-fascist te worden, het niet verder brengt dan tot bondgenoot van het ‘rode fascisme’ (Silone) der Stalinisten.
1)zie Franz Mehring's ‘Lessing-Legende’ en Maurenbrecher's ‘Hohenzollern Legende, benevens W. Hagemann's Entlarvte Geschichte’.
1)In dat opzicht heeft het Italiaanse fascisme althans de schijn gered, door z'n ‘mars naar Rome’ en het aanvaarden van de macht als parlementaire minderheid. In werkelijkheid sloot Mussolini een compromis met de oude - en volgens de fascistische opvatting: rotte - maatschappelijke machten.
prepostterug  begin  verder