terug  begin  verderprepost
[p. 75]

IV. Elite en partij.

De zaak is dus dat de beste mensen der vorige en der daaraan voorafgaande generatie, zich gevoeld hebben als vliegen die in een kleverige substantie zijn vastgeraakt en die bij hun pogingen om los te komen, telkens weer het wanhopige van hun toestand voelen, omdat ieder vast steunpunt ontbreekt, omdat niets aanwezig is waaraan men zich kan optrekken, zodat de bevrijde ledematen toch weer in kleefstof moeten worden neergezet, totdat eindelijk de uitputting en de ondergang definitief zijn.

Men leefde in een afschuwelijke wereld en men zag geen kans er uit te komen. Natuurlijk kon men zich vastklampen aan het geloof dat de wereld een eigen ontwikkelingsgang had, die zich, los van de bewuste wil der mensen voltrok, zodat ‘achter de ruggen van de mensen om’ - gelijk Friedrich Engels het uitdrukte - een nieuwe maatschappijvorm bezig was te ontstaan, door de werking der economische krachten. Maar het kenmerkende van de tijd waarin die woorden uitgesproken werden, en waarin Marx er op wees dat het ‘maatschappelijk zijn’ het bewustzijn bepaalde, was juist, het zich bewust worden van de krachten, die tot dusver geheerst hadden, zonder dat men van hun bestaan, omvang en richting, enig besef had gehad.

Juist in die mate echter waarin men in de loop der tijden, eerst de krachten die in de natuur werken, daarna de krachten die in de economie en de maatschappij optreden, en tenslotte de menselijke psyche, begon te begrijpen, in diezelfde mate nam juist de betekenis van het bewuste menselijke optreden in de wereld toe en des te minder kon er sprake zijn van een maatschappij-ontwikkeling ‘achter de ruggen van de mensen om’ - des te meer zag men in de practijk een bewust ‘marxistische’ kracht optreden, waartegen dan tenslotte ook een bewust anti-marxistische concentratie van krachten tot stand kwam, zodat men veel dichter bij de toestand kwam die dezelfde Friedrich Engels eens zó heeft

[p. 76]

aangegeven: ‘Wat de een wil, wil de ander niet, en tenslotte komt tot stand wat niemand gewild heeft’. Maar in dat ‘wat niemand gewild heeft’ is wel degelijk een overheersen van bepaalde bewuste krachten te constateren, die nog niet er in geslaagd zijn hun wil volkomen tot uitdrukking te brengen. Dat echter zo'n proces niet in dezelfde richting behoeft te verlopen, dat een toenemen van de tegenkrachten heel best mogelijk is, dat ziet men duidelijk, als men de toestand van bijv. 1923 (een overheersen der socialistische krachten) vergelijkt met die van 1933, waarin de anti-socialistische krachten de overhand hebben. Toch zijn juist in die 10 jaren de krachten der objectieve maatschappelijke ontwikkeling, sterker dan ooit tevoren in de richting gegaan die, volgens de marxisten, ‘achter de ruggen van de mensen om’ het socialisme moest tot stand brengen: kapitaals-concentratie, economische crisis, proletarisering der arbeiders en der middengroepen. Dat niettemin het resultaat dier ontwikkeling de overwinning der fascisten was, dat bewijst dat men zowel de richting die de ‘wil’ der mensen zou krijgen, als de kracht en de uitwerking van die ‘wil’, volkomen verkeerd begrepen en geweldig onderschat had.

Bovendien, zelfs al was het resultaat dier ontwikkeling anders geweest, al zou het de overwinning der ‘marxisten’ hebben gebracht, welke zekerheid was er dan nog, dat ook die marxistische wereld niet even onbewoonbaar zou zijn voor alle behoorlijke mensen, voor alle niet-slaven en niet-middelmatigen, als bijv. het tegenwoordige Rusland. De socialisten kunnen beweren, dat hun wereld dragelijker zal zijn dan de wereld van het kapitalisme, ze hebben daar nooit een ander bewijs voor gebracht dan hun geloof in het socialisme, een geloof dat niet meer waarde heeft, dan ieder ander geloof. Ja, goed beschouwd, heeft het zelfs minder waarde dan het geloof in het Christendom of een andere ethisch hoogstaande en goedbedoelde leer, die over talrijke aanhangers en grote organisaties beschikt en dus, als er enige evenredigheid was tussen bedoelingen - aanhang - organisatie enerzijds, kwaliteit anderzijds over nog heel wat betere kansen zouden beschikken dan de socialisten, om het Christenrijk op aarde te stichten. Dat Christenrijk wordt niet verwezenlijkt - en het zal ook nimmer verwezenlijkt worden - omdat het aantal werkelijk ernstige Christenen ongeveer nihil is. Het aantal werkelijk ernstige socialisten is al evenmin groot. En toch hangt het daarvan af, of er ooit zo iets als een socialistische maatschappij-orde mogelijk zal zijn.

[p. 77]

Er is echter een verschil. Het zal nooit mogelijk zijn een enigszins aanzienlijk aantal Christenen bijeen te brengen, omdat de Christelijke leer niet verenigbaar is met de psychologie van de maatschappelijke mens. De Christen kan bestaan als buiten-maatschappelijk mens, beschermd door de kloostermuren of door de eenzaamheid. Als hij met de maatschappij in aanraking komt, sterft hij aan het kruis, of wordt hij, door zijn beginsel der absolute liefde en het niet-weerstaan van de boze, misbruikt en vertrapt. Op z'n best kan hij ondergaan als verpleger der melaatsen, maar hij mist al die eigenschappen die hem in staat zouden stellen de maatschappelijke melaatsheden te bestrijden en te vernietigen. De Christen is de principieel weerloze. Zijn rijk is niet van deze wereld. De socialist daarentegen is de wereldlijke en maatschappelijke mens bij uitnemendheid. Maar daarmee is nog niet bewezen, dat zijn maatschappelijke doelstellingen juist zijn, noch dat ze voor verwezenlijking vatbaar zijn.

Indien het socialisme werkelijk zou leiden tot een dictatuur der middelmatigheid (om maar niet te spreken van de dictatuur der vulgariteit) dan zon er alle reden zijn zo'n socialisme te verwerpen. En als het kan leiden tot de grootst mogelijke ontplooiïng van het menselijk kunnen, dan blijft de vraag bestaan: hoe brengen we de daarvoor nodige krachten bijeen.

 

Het lijkt zonderling in dit verband de naam Nietzsche te noemen, omdat een anti-socialist bij uitnemendheid, iemand voor wie de massa alleen als ‘de veel te velen’ een rol op het wereldtoneel speelt, al bij voorbaat niet in aanmerking komt als men naar oplossingen zoekt waarbij die massa een factor van het allergrootste belang is. Inderdaad is iedere poging Nietzsche als een soort socialist voor te stellen (zoals dat wel eens van anarchistische zijde gebeurt) kort en goed belachelijk. Het socialisme is een maatschappij-leer, zoals het liberalisme en het katholicisme, het calvinisme en het fascisme, niet alleen levensleren, maar ook maatschappij-leren zijn. Nietzsche echter heeft zich alleen om een bepaalde wijze van leven bekommerd en hij heeft nooit de vraag gesteld - laat staan onderzocht - of die levenswijze verenigbaar was met het heil of het voortbestaan der maatschappij. Voor hem is alleen van belang dat enkelen zó leven: heroïsch, gevaarlijk, onbekommerd, spottend, critisch, schenkend en scheppend tegelijkertijd. Leef zó: wat er dan van de wereld terecht komt, is

[p. 78]

van geen belang. Want de wereld is alleen van belang, als ze enkelen de mogelijkheid biedt zó te leven.

De vraag echter, of niet de wereld oneindig veel sterker is dan de wil der enkelen die een werkelijk leven willen voeren, zodat een levensontplooiïng in Nietzschiaanse zin een fundamentele onmogelijkheid is, die vraag heeft Nietzsche nooit onder ogen gezien. Zijn uitgangspunt is juist, dat de geconcentreerde wil tot macht, sterker is dan de maatschappij, en alleen falen kan door een teveel aan consideratie voor die maatschappij, door medelijden. Men kan niet anders dan zich vol verwondering afvragen hoe een man, die op andere punten zo critisch en realistisch kon zijn, tot een dergelijke verwaarlozing van de werkelijkheid kon geraken. Verwaarlozing is hier wel het juiste woord, want in z'n hele oeuvre dat zich toch altijd met culturele, dus maatschappelijke, verschijnselen bezig houdt, vindt men slechts hier en daar een paar bladzijden met zoiets als een onderzoek naar de maatschappij, de wijze waarop ze functionneert en de wijze waarop ze geleid wordt, of geleid zou kunnen worden. Die bladzijden behoren tot het oppervlakkigste van wat hij ooit geschreven heeft, ze zijn verward en vol tegenspraak. Daarnaast vindt men dan nog, de in anarchistische kringen zo geliefde, uitbarstingen tegen ‘het koude monster Staat’, die vooral voorkomen in z'n zwakste werk ‘Zarathustra’, waarbij men vooral nooit uit het oog mag verhezen dat de ‘monsterachtigheid’ van de ‘staat’ gelegen is in het onder de duim houden van roofridders, gifmengers, avonturiers en andere zich zelf uitlevende ‘individualiteiten’.

Verklaarbaar wordt dit mengsel van oppervlakkigheid, bombast, pathos en verwardheid slechts, als men de noodzakelijkheid beseft van de eenzijdigheid die ieder protest tegen die maatschappijbeschouwing moet hebben, welke de, op zichzelf wetenschappelijke en onaanvechtbare, waarheden van de maatschappelijke wetmatigheden, zó gebruikt, dat de wet der grote getallen, de juistheid van de heerschappij der nullen, en het overheersen der gemiddelden, een heerschappij der middelmatigen zou rechtvaardigen. Daartegenover stond iemand die instinctmatig voelde dat een dergelijke wereld even rot was als de ‘wetenschap’ die haar prees en haar onafwendbaarheid verkondigde. Iemand die echter te veel eergevoel en teveel goede smaak had om die wetenschap met de oude instrumenten van geloof, mystiek of populaire demagogie te willen wegwerken. En die dus plompweg een andere,

[p. 79]

ook onaantastbare, waarheid, als een bom in de volte smeet, om vol wetenschappelijke belangstelling gade te slaan wat de uitwerking van dit projectiel zou zijn, wat er door zou worden weggevaagd en hoe het er daarna zou uitzien.

Die bom was de sterke, bewuste, intelligente, wilskrachtige mens, de mens die geen slaaf wil zijn, noch van de moraal der massa, noch van het geluk der massa, noch van de wetenschap der massa, de mens die zichzelf ziet als een uitgangspunt voor nieuwe mogelijkheden; en tevens de mens die weigert een afgesloten ontwikkeling te aanvaarden, zowel voor de maatschappij als voor de mensen. Plaats zulke mensen in de wereld en gij zult vreemde dingen beleven. Dingen die de wetenschap der ‘gemiddelden’ in het geheel niet vermoedt en die nochtans alleen de ‘wonderen’ verklaren waarvan de geschiedenis vol is: het wonder Hellas, het Romeinse rijk, de Renaissance en zoveel meer.

 

Deze geschiedbeschouwing was niet minder gerechtvaardigd dan haar tegenhanger, die het werken der mensen negeerde of als een bijproduct ener allesbepalende ontwikkeling (naar keuze: ontwikkeling van de idee, de natuur, het ras, de economie, de techniek) een beschermend glimlachje gunde. Ze was in laatste instantie even onjuist. Maar ze was nodig om een eind te maken aan het kwasi-wetenschappelijk gedoe der mensloze geschiedbeschouwing. Ga uit van de economie, zei de een, en zie hoe ze de mensen kneedt en drijft en laat dansen en springen, en hoe ze zich verbeelden dat ze handelen en scheppen en hoe ze in werkelijkheid alleen maar een stukje met de stroom meegedreven zijn. Ga uit van de mens, zegt de ander, en ziet hoe hij stromen bedwingt en schepen bestuurt, economieën doet ontstaan en vergaan, wetten ontdekt en nieuwe wetmatigheden maakt.

De werkelijkheid is noch het een, noch het ander, ze is veel moeilijker en ingewikkelder, want ze toont ons nooit ‘de mens’, maar mensen, die reeds van den aanvang af bepaalde en beperkte mogelijkheden bezitten en die bij hun werken nogmaals met bekende en onbekende krachten en tegenkrachten te worstelen hebben, en die alleen, gesteld dat zij de betekenis van hun eigen krachten en mogelijkheden kenden, binnen de reeds genoemde beperkingen, iets zouden kunnen tot stand brengen en hun wil in daad omzetten. Nu kan men proberen ook dit nog te betwisten, zoals sommige deterministen doen, die ons bewijzen, dat de mens die iets ‘wil’

[p. 80]

in werkelijkheid ‘moet’ en door de ontwikkeling gedwongen is het te ‘willen’. Zelfs al zou hij niet willen. De man die dus het socialisme wil, is misschien iemand die het niet wil, maar door de economische ontwikkeling toch gedwongen wordt het te willen. En z'n tegenstander die zich verzet tegen het socialisme, zou dan wellicht iemand zijn die niets liever wil dan het socialisme, maar die door dezelfde ontwikkeling gedwongen wordt het niet te willen.

Men zal moeten toegeven, dat er op die manier niet uit wijs te worden is, dat we het gebied van speculatie en filosofie binnengaan, en dat we eerst opnieuw grond onder onze voeten krijgen als we het optreden der mensen en hun wil niet proberen te beschouwen vanuit het standpunt dat men het ‘goddelijke’ zou kunnen noemen, het standpunt van een alleswetende, kennende en doorgrondende geest, welke geest inderdaad de gedetermineerdheid van alle gebeuren zou kunnen zien, doch welke geest tevens voor de menselijke geest onbegrijpelijk en niet te omvatten is. De waarheid voor de absolute geest, is evenmin in mensen-waarheid uit te drukken, als b.v. de Ilias in pepernoten uit te drukken is. Laten wij de heren en dames buiten beschouwing die beweren ingelicht te zijn omtrent Gods raads-besluiten (of soortgelijke uitingen van grootheidswaanzin der gelovigen, die hun ‘openbaring’ hebben, der speculatieve filosofen, die alles weten omtrent de ontwikkeling van de ‘absolute geest’) laten wij al deze dingen buiten beschouwing, die, naar het woord van Nietzsche, ‘diep schijnen en niet eens oppervlakkig zijn’, dan komen wij altijd weer terecht bij de enige waarheden die ons mogelijk zijn, de beperkte mensenwaarheden, voor wie veel gedetermineerd, maar nog veel meer ondoorgrondelijk en dus in zijn werking ‘vrij’ is.

Voor de maatschappelijke gebeurtenissen betekent dit, dat we, als we al onze kennis van de technische, psychologische, economische en politieke wetmatigheden en bepaaldheden op tafel hebben gelegd, moeten erkennen dat een nog veel groter gebied van mogelijkheden overblijft, waaromtrent onze kennis ons slechts enige, niet beslissende, aanwijzingen kan geven en waarvan we alleen weten dat de beslissende factor is ‘het menselijk handelen’ - een factor, wier gecompliceerdheid ons al te goed bekend is, doch die we als één geheel zullen moeten beschouwen, willen we, althans voorlopig, toch iets kunnen onderscheiden en tot enig begrip komen.

[p. 81]

Zo gezien is de betekenis van de mens in zeer belangrijke mate beslissend en niemand heeft daar zo de nadruk op gelegd als Nietzsche, ondanks, of juist omdat, hij de betekenis van mensenbonden en groeperingen buiten beschouwing heeft gelaten. Want alle beschouwingen over de invloed van klassen, groepen, bonden, organisaties zijn reeds in de aanvang troebel en vaag, als de werking van het individu niet in alle scherpte aangegeven is. Vandaar dat men Nietzsche niet op één lijn mag stellen met de verkondigers van de invloed der ‘grote mannen’, Carlyle, Emerson c.s. die de betekenis van historische figuren, zoals Mahommed, Cromwell, Napoleon, pogen aan te geven, en die hun ‘helden’ groot maken ten koste van de maatschappij. Een dergelijke methode, die slechts een romantische wedergeboorte van de oude Plutarchus is, leert ons noch over het individu, noch over de maatschappij en haar groeperingen iets van belang, behalve dan misschien, dat ze de lust opwekt om te bewijzen dat ‘Plutarchus gelogen heeft’.1). Zeker, ook Nietzsche vervalt een enkele keer in die fout, doch het belangrijke in zijn werk is niet gelegen in wat hij over bepaalde helden, doch in wat hij over het individu, zowel het heroïsche als het on-heroïsche zegt.

Nietzsche, de psycholoog, is voor ons van belang. Of ik het woord ‘psycholoog’ nog in deze betekenis van mensenkenner en levenskenner mag gebruiken, ineen tijd, waarin een ‘psycholoog’ een mannetje of wijfje van ontstellende geestelijke magerheid pleegt te zijn, dat er met heel veel aanstellerij in slaagt een paar zieken te overdonderen en dat gewoonlijk geen andere geestelijke bagage heeft dan een paar schema's en een paar trucjes, betwijfel ik; maar het kan geen kwaad te laten merken, dat er nog altijd mensen zijn, die Montaigne en Pascal, Larochefoucauld en Vauvenargues, Chamfort en Heine, Multatuli en Nietzsche als werkelijke psychologen beschouwen, wier werk men moet kennen als men de techniek en de methode van Freud met enige kans op redelijke resultaten wil gebruiken.

En juist omdat Nietzsche psycholoog is, onderscheidt hij zich van iemand als Stirner, die ook van het individu uitgaat, doch slechts in staat is één enkel soort individu - de radicale stokpaardjesberijder - te begrijpen. Het onderscheid tussen Stirner en Nietz-

[p. 82]

sche is niet, zoals gewoonlijk wordt aangegeven, dat tussen plebejer en aristocraat, doch. dat tussen de dogmatische enge, tegen de ideologie schuimbekkende... ideoloog, en de vrij geestige, sceptische, maar energieke psycholoog - een psycholoog, die eigenlijk reeds een politicus is, voorzover een op zichzelf staand mens politicus kan zijn.

En als we over Nietzsche als over een ‘politicus’ spreken, wordt het duidelijk, waarom wij hem zo belangrijk vinden, nl. niet alleen omdat hij de nadruk heeft gelegd op de betekenis van het individu, doch om de inhoud van het individu vooral, om de nieuwe persoonlijkheid die hij zijn tijdgenoten en het nageslacht ten voorbeeld heeft gesteld.

Die nieuwe persoonlijkheid is niet de ‘oppermens’, dat door ‘Zarathustra’ bezongen romantische droomvisioen. Zowel de ‘Uebermensch’ als de ‘eeuwige wederkeer’ zijn tenslotte producten van onmacht; ze zijn de uitdrukking van een vlucht uit de realiteit. Ze zijn dus Nietzsche's ‘religie’, die hij nodig had om niet te bezwijken aan de maatschappij, waarin hij leefde en dié hij, als individu wien het maatschappelijk mechanisme vreemd was, niet kon veranderen. Hij kon zelfs het probleem van de verandering der maatschappij niet stellen en hij werd dus wel gedongen een trancendentale oplossing te zoeken, die hem trouwens al evenmin een uitweg heeft gegeven.

De werkelijke Nietzsche echter, die men in de critische geschriften vindt, en die in ‘Menschliches Allzumenschliches’ voor het eerst volledig naar voren treedt, is de schepper van een nieuw type mens, de ondogmatische, ook de wetenschap niet tot geloof ‘verheffende’ (en daardoor verknoeiende) mens. Niet alleen de religieuze en theologische mythe verwerpt hij, maar ook de positivistische mechanistische en naturalistische mythe vinden geen genade in zijn ogen. Hij kent zowel de beperktheid als de natuurgebondenheid van de ‘rede’ en hij vervalt dus niet in de dwaling van die beperkte wetenschapsmensen, die ons een rationalistische theologie zouden willen opdringen. Dat men hem daarom weer bij de irrationalisten heeft willen indelen en hem een aanbidding van ‘het leven’ of de ‘levenskracht’ heeft willen toeschrijven, waardoor hij zich opnieuw in het religieuze kamp geschaard zou hebben, bewijst alleen de bekrompenheid der traditionele mensen, die zich geen ander type kunnen voorstellen dan dat van de ‘gelovende’ mens, die òf de ‘wetenschap’ òf de ‘godheid’ zou moe-

[p. 83]

ten aanbidden. Voorzover men dan wel de mogelijkheid van een sceptische en critische levenshouding aan wil nemen, meent men dat die zuiver beschouwend en bespiegelend zou moeten zijn en dus voor het leven, de daad, de praktijk, geen betekenis zou kunnen hebben - een ‘ivoren toren’-curiositeit!

Dat de critische en sceptische, ondogmatische mens, tegelijkertijd echter actief zou kunnen zijn en zijn aanspraak op de macht zou willen doen gelden, dàt was juist het nieuwe, dat men niet begrijpen kon. En dus bracht men Nietzsche maar weer onder in het hokje der irrationalistische levens-filosofie en -aanbidding. Een misverstand dat nog vergroot werd, doordat Nietzsche veel beter dan de beroeps-irrationalisten van zijn tijd (de theologen en de speculatieve filosofen) de omvang en de kracht van de irrationale momenten in de wereld, het leven en het menselijk handelen heeft ingezien en in dit opzicht, tot aan de opkomst van de psycho-analyse, een unieke positie in de menselijke cultuur innam.

De werkelijke vrijdenker, die tot de aanval overgaat, en die voor zich en zijn geestverwanten de heerschappij en de leiding opeist, is eerst in Nietzsche op het wereldtoneel verschenen, terwijl ongeveer tegelijkertijd ook de marxistische socialisten naar voren komen en in naam van hun socialisme de macht opeisen voor een geïdealiseerde arbeidersklasse.

 

Ongetwijfeld hebben die socialisten véél op Nietzsche voor. Niet alleen hun getal en hun organisatie, maar een zekere inhoud, een zeker realisme, dat de realist Nietzsche, groot geworden temidden van professoren en kunstenaars, renteniers en nietsdoeners, volkomen ontbreekt. Zij, de socialisten, kennen de brood-kant van de wereld, die Nietzsche nimmer duidelijk voor ogen staat. De arbeid en de techniek, de productie en de distributie, de regeling van het dagelijks leven, dat zijn de zaken die zij, zoal niet beheersen, dan toch nimmer uit het oog verliezen. Wat zij echter missen, dat is het vermogen deze primair maatschappelijke realiteiten op dezelfde wijze te zien, waarop Nietzsche de culturele kwesties bekijkt: zonder sentimentaliteit, zonder dogmatische dofheid, zonder zwaar-op-de-handse alles even ernstig nemende ernst; zij missen dat oordeel des onderscheids, waarin ook plaats is voor spot en slichtzinnigheid en twijfel aan de feilbaarheid van hun ‘wetenschap’. En bovendien, ze zien alles van uit het perspectief van de

[p. 84]

‘arbeid’ en dus van den arbeider. Wel verklaren ze duizendmaal, dat de arbeid middel is en geen doel, dat de arbeid er is terwille van den mens en niet de mens terwille van de arbeid, maar ze openen geen ander perspectief dan dat van de arbeidende mensheid. Waar dat alles toe dient, wat het huis zal worden, dat men op die stevige en geordende grondslagen wil bouwen en hoe men in dat huis zal leven, daarop geeft men geen, of liever nog, vaag optimistische en meestal flauwe en laffe antwoorden.

Hier echter vinden we Nietzsche weer terug, die van dit schapengeluk walgt en die weet dat de tyrannie der schapen nog afschuwelijker is dan de tyrannie der sterken. Doch afgezien van dit alles, missen de socialisten reeds direct de vrije geesten in hun midden, de mensen die zich kunnen en durven bewegen buiten de kring van verplichte dogma's en onaantastbare heiligheden, politieke realisten, in de zin waarin Nietzsche een cultuur-realist was. Er zijn mensen van grote hartstocht en van visionaire kracht onder de socialistische leiders geweest en ook handige en zaakkundige werkers, maar aan grote politici, was de beweging arm. Bovenal arm. aan politici, die het probleem van de verovering der macht, en van de uitoefening der heerschappij na het aan de macht komen, dorsten te stellen. Immers hier stond men voor het scheppen van een nieuwe orde en voor het vormen van nieuwe mensen. En men moest allereerst de vraag beantwoorden, of de mensen die men in de socialistische organisatie verenigde, de nieuwe mensen waren? Deze vraag moest ontkennend beantwoord worden, want wat zo gewoonlijk in de socialistische partijen bijeen kwam, was een mengelmoes van: ongeschikten voor de bestaande maatschappij, najagers van hun eigen belangetjes, najagers van groepsbelangetjes, en mensen van werkelijk superieure kwaliteiten. En juist naarmate de organisatie groeide, zag men een nieuwe bureaucratie van middelmatigheden ontstaan, die op de slechtere elementen steunde. Van socialisme was dan geen sprake meer en de werkelijke socialisten stonden machteloos tegenover dit verschijnsel, omdat zij niet durfden te erkennen dat de arbeidersmassa, waaruit de partij in hoofdzaak bestond niet socialistisch was en voor het grootste deel door andere motieven naar de organisatie gedreven werd, dan door het verlangen en de wil een nieuwe maatschappelijke orde, een nieuwe wijze van leven en een andere culturele sfeer te scheppen dan de bestaande. Maar alleen als zij die dit wilden, de werkelijke socialisten dus, een overwicht had-

[p. 85]

den, de organisaties (en daardoor weer de massa's) beheersten, kon er sprake zijn van een bewust op het socialisme gerichte politiek. Vandaar dat het noodzakelijk was, een socialistische organisatie te scheppen, die voor een zo groot mogelijk gedeelte uit werkelijke socialisten bestond en waarvan de leiding in ieder geval onwrikbaar in handen van onwankelbare revolutionnairen, van ‘nieuwe mensen’ was.

De meeste socialisten waren van mening, dat deze toestand als een soort natuurlijke selectie, door de omstandigheden waarin de eerste, vervolgde en fel-bestreden, socialisten leefden, werd geschapen. Maar zoals reeds gezegd, werkte die selectie niet meer, zodra de beweging een zekere omvang en invloed had gekregen; en bij nader onderzoek bleek dat zij zelfs in de eerste periode gebrekkig gewerkt had. Want ook toen was een bont gezelschap bijeen gekomen van revolutionnaire romantici, idealistische democraten, wereldvreemde dwepers, gedeclasseerden e.d. naast bewuste socialisten. Zo zat het verderf al in de kiem van de oude partijen.

Met deze mensen was geen volkomen vernieuwing te bereiken. En dus moet wel ergens de idee ontstaan, dat men een partij moest scheppen, die systematisch rondom een kern van zuivere socialisten werd opgebouwd.

 

Het is Lenin geweest, die op deze wijze zijn plan tot verovering van de macht en tot het verwerkelijken van het socialisme heeft geconcipieerd. Hij zag duidelijk en sprak het ook uit, dat de massa niet socialistisch was, en dat ze alleen in socialistische geest zou handelen en in socialistische richting zou marcheren, als ze onophoudelijk beïnvloed werd door een partij die uit werkelijke socialisten bestond. Het socialisme echter was een resultaat van de moderne wetenschappelijke inzichten omtrent maatschappij en mens. En die moderne wetenschap werd verpersoonlijkt door de o intellectuelen. Uit hun midden was het socialisme (en vooral die vorm van socialisme die voor Lenin de enig wetenschappelijke was: het Marxisme) ontstaan en zij brachten het tot de arbeiders, die eerst na ‘marxistisch geschoold’ te zijn en zo van hun werkelijke toestand en roeping ‘bewust’ te zijn geworden, tot socialisten en strijders voor een nieuwe maatschappij werden. Het uitgangspunt moest dus gevormd worden door een socialistische kern, die daarom ook zo zuiver, zo bekwaam, zo energiek, en

[p. 86]

zo competent mogelijk, moest zijn. En die kern moest zich vergroten door telkens nieuwe aanhangers te vinden, zorgvuldig uitgekozen, en stuk voor stuk tot leiding-geven bekwaam. Zo zou een ‘generale staf der revolutie’ ontstaan.

Lenin, die zichzelf van de aanvang af, bewust of half-bewust, als de chef van die generale staf, als de opperbevelhebber van dat socialistische leger beschouwde, was ervan overtuigd, dat alleen de strengste selectie erin zou slagen het mensensoort bijeen te brengen dat de aanval op de oude en de bouw van de nieuwe maatschappij zou kunnen leiden. Hij moest vóór alles ‘harde’ socialisten rondom zich hebben, mensen die goed beseffen, dat, gegeven bepaalde omstandigheden, hun energie en hun leiding de doorslag zou moeten geven, en dat men niet mocht vertrouwen op een mysterieuze ‘maatschappelijke ontwikkeling’, die wel voor alles zou zorgen. Zeker, hij verviel geen ogenblik in de dwaling, dat een groter of kleiner aantal energieke socialisten op ieder gegeven moment maar er op los behoefde te slaan om hun doel te bereiken. Neen, in normale rustige omstandigheden, vermocht een keurbende niets, doch als de heersers door oorlogen en crisis verzwakt waren, als de volksmassa haar respect voor de heersers verloren had, en door nood en ontbering en angst en verontwaardiging omgewoeld was, dan eerst waren de tijden rijp. Doch ook dán alleen op voorwaarde, dat er een partij was, met in haar midden een generale staf en in haar aanhang goede officieren en soldaten, die, ieder op hun eigen plaats, de toestand begrepen en de revolutionnaire oplossing zagen en wilden.

De algemene situatie kon men niet dwingen of scheppen, doch daarvoor zorgde de wereld waarin men leefde, een wereld, waarin de spanningen toenamen, naarmate het kapitalisme in zijn imperialistische phase kwam en de wereldoorlog reeds in de verte zichtbaar werd. Doch als zo de crisis kwam, dan kon men geen keurbende meer improviseren, en vooral, dan kon men geen ‘generale staf’ meer vormen, want dat was een kwestie van vele jaren van studie en ervaring en staling. En dus moest men onmiddellijk hiermee beginnen, en van het centrum naar buiten werkend, een leiding, een staf, een keurbende, een partij en tenslotte een massabeweging scheppen, waarbij men natuurlijk naarmate men groeide, meer in staat zou zijn op de gebeurtenissen invloed uit te oefenen, doch ook meer verplicht werd, van de theorie naar de propaganda en van de propaganda naar de poli-

[p. 87]

tiek over te gaan. Dit echter was een kwestie van macht, terwijl aan de aanvang reeds behoorden te staan het inzicht en de wil tot de macht. De leiding en de kern moesten dat in ruime mate hebben; in zo ruime mate, dat ze voor dát alleen moesten leven. Hun hele bestaan moest vervuld zijn van de idee der socialistische revolutie: ze moesten ‘beroeps-revolutionnairen’ zijn.

 

Hier had men nu wat bij Nietzsche ontbrak. Niet slechts het maatschappelijk inzicht, want dat bestond ook bij de gewone, zachte socialisten. Maar de ‘wil tot de macht’, die, van een stem, die in de ruimte klonk en ver-klonk, tot een organisatie, een instrument, een bond, een macht werd. Een macht bestaande uit superieure individuen, verenigd door gemeenschappelijke inzichten en wil, de leiding van de allerbesten aanvaardend, en vastbesloten de wereld uit de voegen te lichten en te vernieuwen. Maar, zo zal men tegenwerpen, al zien we de organisatie zeer goed, de ‘individuen’ zien we veel minder duidelijk, dit is Caesar met zijn legioen, doch niet de bond van vrije geesten.

En inderdaad, de ‘individuen’, waaruit de Leninistische organisatie bestaat, zijn slechts tot op zekere hoogte als zelfstandige mensen te beschouwen. Wel bezitten zij stuk voor stuk de vaardigheden van de volkstribuun; ieder hunner kan leiding geven aan een groep arbeiders, boeren of soldaten, in wier midden hij zich bevindt. Ieder hunner heeft ook een zekere kennis van economische, historische en andere maatschappelijke problemen, de strategie en taktiek van de maatschappelijke strijd inbegrepen. Geen hunner laat zich imponeren door het feit dat bepaalde opvattingen algemeen geëerbiedigd en als waar aangenomen worden. Vergeleken met de grote massa van arbeiders, burgers en intellectuelen, zijn ze ongetwijfeld ‘vrije geesten’ en ook ‘sterke mannen’ - een élite dus.

Doch een nader onderzoek brengt hun beperktheid aan het licht. Een beperktheid, die bepaald wordt door de beperktheid hunner opperste leiding, die, trapsgewijze eigenlijk ieder lid uitgezocht heeft, daarbij een zodanige nadruk leggend op de voortreffelijkheid van een bepaald type, dat anderen, die bij vergissing toegetreden en toegelaten zijn, direct als ze hun ‘afwijkingen’ demonstreren, op een overweldigende meerderheid van ‘getrouwen’ stoten en in minder dan geen tijd ‘gelikwideerd’ zijn. De invloed van de leden op de ideeën der leiders is dus, ondanks alle ‘dis-

[p. 88]

cussie’, uitermate gering; immers de leiders horen in werkelijkheid slechts hun eigen echo, een vulgaire weergave van hun eigen gedachten en gevoelens. En de voornaamste weerstand die zij kunnen ondervinden, komt voort uit het onvermogen der leden, een nieuwe situatie, en de daarbij behorende ideeën te aanvaarden. Dan kan het gebeuren, dat de leiders door hun volgelingen bestreden worden met hun eigen, (vroegere, en thans onbruikbare) ideeën, waarbij die volgelingen dan werkelijk menen, dat ze hun eigen zelfstandige inzichten moedig tegenover de inzichten der leiders plaatsen, terwijl in werkelijkheid het verleden der leiders met het heden in debat is.

En hoe is nu de kern dier Leninistische organisatie? Is zij gelijk te stellen met een bond van vrije geesten? In werkelijkheid was er geen bond, doch er was slechts Lenin, omringd door zijn secondanten, die geen van allen méér waren dan z'n ondergeschikten. De enige werkelijke persoonlijkheid, die gedurende enige jaren in Lenin's omgeving oprees, was Trotzki, door al de Leninisten als een vreemdeling beschouwd, die door buitengewone omstandigheden in de kring was gekomen, doch wiens aanwezigheid storend werkte op de organisatie. Lenin zèlf begreep echter, dat deze vroegere tegenstander, bij al de eigenaardigheden in aanleg en afkomst, wel degelijk een bekeerling was, die juist in de hoofdzaken een orthodox bolsjewist geworden was. En omdat hij zo bijzonder begaafd was, kon men met hem, en eigenlijk alléén met hem, van gedachten wisselen. Over de hoofdzaken moest men het natuurlijk eens zijn. En die hoofdzaken waren: het aanvaarden van de marxistische leer volgens welke de economie de allesbeheersende maatschappelijke factor is, en de daaruit voortvloeiende opvattingen omtrent de economisch-bepaalde klassen, omtrent de heldenrol van het proletariaat, omtrent een dictatuur van het proletariaat - duigen die in feite volkomen in strijd waren met de realiteit van het bolsjewisme. Die realiteit was: het scheppen van een élite uit al de klassen, maar met een kern van intellectuelen; en het uitoefenen van de dictatuur door massa's uit alle klassen (arbeiders, boeren) onder leiding van die elitepartij.

Die tegenstelling tussen de marxistische leer en de juiste strategische inzichten van Lenin, gaf het bolsjewisme van de aanvang af een zekere gewrongenheid en een geestelijke armoede. Inplaats van een wereldbeschouwing te vormen, die bij de strategische

[p. 89]

paste, inplaats dus van te zoeken naar de werkelijke motieven, waardoor Lenin gedreven werd, werd steeds weer gepoogd de politiek der bolsjewisten uit het, volkomen anders geaarde, Marxisme af te leiden. En ofschoon de Marxisten ‘vrije geesten’ zijn ten opzichte van het geconsolideerde bezit en ten opzichte van de gevestigde regeringen en hun hovelingen; datzelfde Marxisme legt, ten aanzien van proletariaat en massa, ten aanzien van de kudde-aspiraties en de kudde-cultuur, een volkomen slaafse gezindheid aan de dag.

Inplaats van een vrije houding tegenover de pretenties der wetenschappen, die nog, als geheel gezien, zoekend en tastend zich ontwikkelen, staat een wetenschapsverering die niets anders dan een nieuw geloof is. En inplaats van een rekening houden met de - voorlopig althans - vaststaande resultaten der wetenschap, bekijkt men dan nog alles door de bril van het z.g. ‘dialectisch materialisme’ een opvatting die van het geloof in de wetenschap, een dogmatische theologie maakt.

Is men zo dus reeds, in wetenschappelijke zin, onvrij geworden, die onvrijheid is nog veel krasser op het gebied der cultuur. Want inplaats van de wetenschap te zien als een deel en een resultaat der culturele ontwikkeling, meent men de cultuur te kunnen onderwerpen aan een dictatuur der (marxistisch opgevatte!) wetenschap.

Het resultaat van dit alles, is een mensenslag met een uiterst eenzijdige economisch-technisch-organisatorische kijk op de dingen, en met weinig begrip voor de mens, voor wien dan toch het gehele apparaat in beweging schijnt te zijn gebracht. Dat de mens, als producent, alleen van betekenis is om de mens, als consument, een ‘vrij’ bestaan en een zo groot mogelijke differentiatie-kans te geven, dat wordt in woorden wel erkend, maar door de praktijk geloochend.

En zo zijn de mensen die in de Leninistische organisatie verenigd zijn, met het doel een nieuwe wereld te bouwen, in werkelijkheid geen elite-mensen: ze zijn fanatiek, bekrompen, tiranniek, ze zijn voorvechters van de kudde en van het gemiddelde, en, voorzover het geestelijke en culturele dingen betreft, gelijkmakers en vijanden van alles wat de sleur breekt, vijanden van het nieuwe.

Men ziet dus, dat de bolsjewistische mens, wèl de organisatorische kant van de omvorming der maatschappij verpersoonlijkt, en de energie bezit die ervoor nodig is, maar hij mist nagenoeg alle

[p. 90]

culturele inhouden diepte, en daardoor brengt hij op den duur zelfs z'n organisatorisch werk in gevaar.

Evenmin als de Nietzscheaan, is de Leninist in staat de verandering en vernieuwing te brengen, waarnaar de tallozen, voor wie de bestaande wereld geen zin meer had, verlangden.

Was de Nietzscheaan machteloos, omdat hij de maatschappij - die hij ternauwernood kende - verachtte, alle technische en organisatorische kwesties, waartoe ook het verbond van gelijkgezinden behoorde, achteloos voorbij liep, en tenslotte in zijn eenzijdig realisme op moreel en intellectueel gebied, (gelijk alle eenzijdigheid), bij de romantiek te land kwam, de Leninist, ofschoon door en door maatschappij mens, vermocht evenmin een oplossing te brengen die door het overgrote deel der cultuurmensen aanvaard kon worden.

Voor de slavenmassa, die honger en kou leed, zal het Leninisme wellicht (op de zeer lange duur en ten koste van de ondergang van millioenen) brood en kleren, behuizing en vermaak kunnen brengen.1) Maar reeds als deze massa ‘hongert en dorst naar gerechtigheid’, schiet het voor haar tekort, omdat het die massa onderwerpt aan een nieuwe tyrannie, van cultuurloze en botte parvenu's. Vraagt men echter niet alleen naar gerechtigheid, doch ook naar schoonheid, verfijning, voornaamheid, en vooral naar geestelijke onafhankelijkheid en stoutmoedigheid, dan kan het Leninisme met z'n krampachtige wil de ontwikkeling in marxistische schema's te wringen, met z'n verheerlijking van handarbeid en lichamelijke arbeiders, met z'n aanbidding van de collectiviteit en z'n haat van het individuele en bijzondere, in het geheel geen bevrediging brengen. En het spreekt vanzelf dat Leninisme, Marxisme, en alle andere vormen van socialisme in wier hiërarchie de ‘arbeidersklasse’ bovenaan staat en die alle andere groepen willen onderwerpen aan een ‘dictatuur van het proletariaat’, reeds daardoor alleen de onverzoenlijke vijandschap moesten uitlokken van allen die niet tot het ‘proletariaat’ behoren.

Doch wie zelfrespect en inzicht genoeg hebben om te weigeren de superioriteit van welke groep dan ook, en zeker die van het proletariaat, te erkennen, wie niet als geduldige meelopers of minder-

[p. 91]

waardige bondgenoten een aandeel wensen te hebben in zo'n dictatuur en wie bovendien weten dat een dictatuur van welke massa dan ook, in de praktijk altijd neerkomt op een dictatuur, uitgeoefend door de leiders dier dictatuur, zullen zeker afwijzend staan t.o.v. het Leninisme. En zo lang die leiders in feite demagogen zijn, d.w.z. lieden van een zeer grove en vulgaire structuur, wier succes bij de massa berust op alles wat ze aan slechte eigenschappen hebben, kan hun dictatuur slechts een andere vorm van minderwaardigheid tengevolge hebben, en niet het einde der minderwaardigheid.

 

Als dus de Leninist naar de vorming van een georganiseerde élite streeft, dan zal deze idee, om zo de eeuwige kringloop en de eeuwige sleurgang te doorbreken, door allen die van de afschuwelijkheid der bestaande toestanden overtuigd waren, aanvaard en toegejuicht worden. Maar de ideeën-inhoud van het Leninisme en de waarde van de Leninistische élite, moesten hun twijfel wakker roepen en vroeger of later tot een afwijking leiden.

Zelfs al zag menin, dat de Leninistische opvattingen in de praktijk uitliepen op een toestand die grensde aan een dictatuur van intellectuelen (en arbeiders die zich tot intellectuelen ontwikkeld hadden) dan nog kon dit geen bevrediging geven, want de macht die men uitoefende moest worden aangewend ten behoeve van de vooroordelen van het proletariaat.

Vandaar, dat het Leninisme, in z'n oorspronkelijke en zuivere vorm, op een bijna algemeen verzet moest stuiten, ook bij degenen die, wat het grondgevoel - een wil tot macht ten behoeve van het socialisme - betreft, tot de gelijkgestemden behoorde. Gaat men de argumenten na waarmee Rosa Luxemburg, Trotski, Mehring, de toen nog revolutionnaire Plechanof en anderen het bestreden, dan ontdekt men dat ze voor een gedeelte bestaan uit een nog mystiekere proletariaats-verering dan men bij Lenin aantrof, en in dit opzicht steekt het Leninisme, als een stuk koele en nuchtere zakelijkheid, boven hun geëxalteerd geloof in de zelfontwikkeling der maatschappij en de deugden der arbeiders uit. Maar de argumenten van dit type beslaan slechts de helft van hun anti-Leninisme, een helft die noodzakelijk was omdat ze hun tegenstander op het, door hemzelf uitgekozen, terrein van het Marxisme wilden ontmoeten, en bewijzen dat ze veel betere marxisten waren dan Lenin. Maar daarnaast stonden argumenten van een ander type,

[p. 92]

argumenten die het verzet van de Westerse, beschaafde, socialisten tegen het Aziatische bolsjewisme uitdrukten. Zowel Rosa Luxemburg als Trotski hebben voorspeld dat dit alles moest uitlopen op despotendom, zij hebben tegenover het disciplinaire en soldaterige wezen van het bolsjewisme, het volkomen anders geaarde socialisme met z'n vrijheids-ideaal verdedigd. En ofschoon ze het nooit zó geformuleerd hebben, kan men duidelijk merken, dat zij het bolsjewistisch ideaal, een cultuur-vijandig ideaal achtten, en dat zij er de voorbereidingen in zagen van de heerschappij der doffe stompzinnigheid.

Dat hun verzet tegen het bolsjewisme in laatste instantie een cultureel verzet was, is echter nooit tot hun bewustzijn doorgedrongen. Was dit wel het geval geweest, ze zouden gepoogd hebben, eindelijk eens behoorlijk te omschrijven wat ze op cultureel gebied bedoelden als ze ‘socialisme’ zeiden, d.w.z. het socialisme een rijkere inhoud te geven dan het eindeloze gepraat over economische ontwikkeling en economische wetten, benevens de politieke taktiek en de massa-actie.

Doch voor zover socialisten tot een cultuur-beschouwing trachtten te komen - een vermetele onderneming, want zij die het waagden werden door hun partijgenoten als onmarxistische burgerlijke aestheten, als politiek niet ernstig te nemen dromers beschouwd - vervielen zij bijna steeds in gemeenschaps-verheerlijking, in verdoeming van het individualisme; waarmee zij dan weer de grenzen tussen hun gemeenschapsleer en de bolsjewistische kazerne-gemeenschap uitwisten. Bovendien wilde het ongeluk dat de belangrijkste cultuur-socialisten van dit tijdperk Herman - Gorter en Henriette Roland Holst - iedere verbinding met hun eigen tijd, ieder sociaal-realisme misten, zodat ze, hetzij in een neo-Hellenisme, hetzij in een neo-Christianisme vervielen. Voor de rechten van het individu kwamen in 't algemeen slechts de reformisten op, maar dan op een wijze die niets met de mensen-kennis en de hardheid van een Nietzsche - of van een Lenin - gemeen had en die gemakkelijk in een humanitaire, pacifistische, ruggegraatloosheid uitliep, waar tegenover het strijdvaardige bolsjewisme dan weer sterk stond.

Niettemin was de cultuur-vijandigheid van het bolsjewisme zo duidelijk voelbaar, dat het vóór de oorlog niet het minste contact met het wereld-socialisme kon krijgen. Lenin werd als de paus van een fanatieke russische secte beschouwd, door de weinigen die

[p. 93]

ooit van hem gehoord hadden. En in Rusland zèlf, waar de sociaal-revolutionnairen, (een individualistische, sociaal-gezinde, anarchistisch getinte partij), de enigen waren die verbinding hadden met het eigenlijke volk: de boeren; in Rusland, had Lenin slechts een zeer geringe aanhang onder een deel der industrie-arbeiders, die de te ‘wetenschappelijke’ propaganda der mensjewiki minder naar hun smaak vonden dan het vulgaire, maar potige, optreden der bolsjewiki. De staf van het bolsjewisme bestond uit intellectuelen, in 't algemeen van beneden-middelmatige kwaliteit, bij wie de typisch russische behoefte tot zelfvernedering, een uiting vond in de eredienst van het proletariaat. Hun conceptie van de beroeps-revolutionnair was in wezen een andere dan Lenin's eigen conceptie. Was voor Lenin de beroeps-revolutionnair identiek geweest met: ‘de nieuwe, socialistische, mens,’ voor z'n naaste vrienden werd het: de onvermoeide, getrouwe, ‘dienaar van het proletariaat’, (en in de praktijk: de gehoorzame dienaar van de partij, van de partij-leiding, van Lenin).

 

In de Russische revolutie heeft de bolsjewistische partij op den duur de heerschappij over een geweldig continent en over een volk van meer dan 150 millioen mensen veroverd. Hoe dit mogelijk was, kan hier niet nader aangegeven worden, maar wel interesseert ons de vraag, in hoeverre dit succes iets te maken had, met die bond van beroeps-revolutionnairen die Lenin had willen smeden? Hierop moet dan geantwoord worden, dat de bolsjewistische partij zich, zowel bij de strijd om de macht, als later bij het constructieve werk, slechts in één opzicht onderscheidde van de andere groeperingen, n.l. door de energie, door de voor niets terugdeinzende potigheid, waarmee zij, met blinde gehoorzaamheid aan haar leider, de bevelen van die leider ten uitvoer bracht. Dat men hierbij het geluk had te beschikken over twee uiterst begaafde leiders, - Lenin en Trotski - terwijl de andere partijen fout op fout maakten, was wel een der voornaamste factoren van het succes der Leninisten.

De zakelijkheid en de nuchterheid, vooral van Lenin, in tegenstelling tot de geëxalteerde massa-cultus der sociaal-revolutionnairen, leidde er toe, dat de enige echte volks-partij in Rusland, het tegen de bolsjewiki moest afleggen. De amorphe toestand der Russische volks-massa tenslotte, en de primitieve structuur van de. Russische productie, maakten het mogelijk, alle experimenten

[p. 94]

te ondernemen en alle blunders te begaan, zonder dat dit tot een catastrophe voerde, waarbij de bolsjewiki de macht verloren. Weldra interesseerden de Leninisten zich nog slechts voor één kwestie: hoe behouden wij de macht, hoe versterken wij onze machtsposities. Dit werd dan gelijk gesteld met behoud en versterking van het socialisme, maar voorzover men nog bleef streven naar de vorming van een nieuw mensenslag, was het de economisch-technisch efficiënte mens, wiens vorming, echter belet werd door de andere eis, die men aan dien mens stelde, nl. dat hij vóór alles een gehoorzaam, de leiding erend en vrezend partijgenoot zou zijn.

Wat Rusland dus opleverde, dat was de, door een soort productiefanatisme bezielde partij-soldaat, die in z'n verdere, culturele, leven het grofste en domste massadier was, dat men zich kon indenken: een Amerikanisme, minus de remmende en beschavende invloeden van het Europese individualisme. Een Amerikanisme, aanvankelijk ook zonder de verderfelijke en desorganiserende invloeden van de jacht naar het geld - op den duur zou, onder het Stalin-regime die jacht naar het geld, de ‘ongelijkheid’, z'n intrede doen - een meer ascetisch Amerikanisme, maar nog cultuurlozer dan Amerika. Wat kon het zo gegroeide Leninisme, voor Europa vooral, betekenen?

 

Toen het Leninisme, na de Russische October-revolutie in Europa bekend werd, presenteerde het zich, overeenkomstig z'n marxistische afstamming en in overeenstemming met de illusies van z'n leider, als het zuivere arbeiders-socialisme. Zo stootte het al direct alles wat niet arbeideristisch voelde, van zich af. Het proclameerde niet slechts de groot-kapitalistische bourgeoisie, maar óók en met nadruk, het klein-burgerdom als z'n grootste vijand ofschoon het in Rusland slechts had kunnen zegevieren met behulp van het klein-burgerdom: de boeren. Ook in Europa wilde het wel de steun der kleine boeren en zelfs der klein-burgerlijke middenstanders hebben, maar het wilde deze groepen slechts als weerloze hulptroep der arbeiders gebruiken.

Zodra het klein-burgerdom echter een eigen wil toonde, beschouwde het Bolsjewisme deze groep als z'n ergste vijand. En dus moest het de overgrote meerderheid der Europese bevolking als vijand beschouwen, want in Europa waren niet alleen boeren en middenstanders en intellectuelen ‘klein-burgerlijk’, ook het grootste

[p. 95]

gedeelte van de arbeidersklasse was in z'n gehele levenshouding klein-burgerlijk geworden. De bolsjewiki meenden, dat die verburgerlijking slechts een dunne laag, de ‘arbeiders-aristoctatie’ en de ‘reformistische leiders’ had aangetast, en ze wilden die uit de partijen verdrijven, die dan rijp voor Moskou zouden zijn. Het bleek echter al spoedig dat de aanhangers van Moskou, die de arbeiders-organisaties scheurden, om zo het ‘zuivere’ proletariaat over te houden, nagenoeg de gehele arbeidersklasse van zich af stieten. De reformistische leiders bleken het vertrouwen te hebben van de overgrote meerderheid der normale, werkende en geschoolde, op het gemiddelde levenspeil staande arbeiders. Het bleek ook dat de boeren en middenstanders niet de minste lust hadden om het parool der Moscouse partijen te volgen. Ze waren óf reformistisch, óf ze volgden de typisch kapitalistische en nationalistische partijen, óf tenslotte begonnen ze te denken aan hun eigen politiek, een politiek der middengroepen.

Zo hield Moskou in 't algemeen slechts een klein deel van het proletariaat over. De ongeschoolde arbeiders, de slechtst betaalde groepen van het proletariaat, de werklozen en de paupers. Hierbij voegde zich dan een klein aantal normale arbeiders, die, door socialistisch idealisme gedreven, de wil tot verovering van de macht, (zoals die door de bolsjewiki werd verpersoonlijkt), in zich voelden: een kern van marxistische proletariërs temidden van een paupersmassa. Een kern die echter te zeer aan het oude arbeidersmarxisme vast zat, om iets van z'n taak, z'n mogelijkheden en van de gehele situatie te kunnen begrijpen.

Deze bolsjewistische invasie in de Europese politiek moest wel op een zo goed als algemeen verzet van de kant der intellectuelen stoten. De grote massa der intellectuelen voelde zich, terecht, bedreigd door de ‘dictatuur van het proletariaat’, die de aanhangers van Moscou verklaarden te willen vestigen; een dictatuur, die de intellectuelen tot bedienden der arbeiders zou maken. De kant van Moskou kozen slechts enkele socialistisch gezinden, die als ‘Marxisten’ of als mystici de religie der ‘massa’ bedreven. Daarnaast stonden een aantal demagogen die wilden profiteren van de revolutie, wier kansen zij als gunstig beschouwden; terwijl enkele intellectuelen, de Russische revolutie van Lenin en Trotski, als een overwinning van socialistische intellectuelen zagen, waarbij ze zich aansloten, om ook in Europa een intellectueel socialisme te doen triomferen. Slechts deze enkelingen hadden een realistische

[p. 96]

opvatting van het socialisme als cultuurbeweging, die door nieuwe mensen verwezenlijkt moest worden. En zij kwamen na een zekere tijd in botsing met het Moskousche communisme, dat steeds duidelijker liet zien, dat het mets met een nieuwe en voorname cultuur en alles met demagogen-vulgariteit en met kudde-gezindheid te maken had.

 

Zo was dus het Leninisme, dat in Rusland nog een tijd lang materiële successen scheen te behalen (het vijf jarenplan), in Europa tot een spoedig materieel en cultureel fiasco gedoemd. Iets anders dan de dreiging der cultuurloze en cultuur-vijandige horden was het weldra niet meer. De poging om ‘nieuwe mensen’, ‘beroeps-revolutionnairen’, te vormen, bleek onverenigbaar te zijn met de, marxistische-proletarische inhoud der cultuur die Lenin z'n beroeps-revolutionnairen had menen te moeten geven.

Het bolsjewisme, dat was duidelijk, betekende de heerschappij van de horden en van de cultuur der horden, d.w.z. de ondergang van alles wat de naam cultuur verdiende. Maar als men zich tegen dat bolsjewisme keerde, dan scheen men onvermijdelijk terecht te moeten komen bij de reformistische sociaal-democratie, met haar cultuur der middelmatigheid, haar wereld van de schaap-achtige gezindheid. En als men dat niet wilde, dan bleef alleen de reactie over: de heerschappij der geldpoenen en de restanten van een versteende reactionaire adel en wat dan daar verder bij hoorde: het verbond van beurs, troon, altaar en sabel. In cultureel opzicht was dat wel niet de heerschappij van de ondernemers, maar wel van iets, dat zo mogelijk nog erger was: het knekelhuis. Mochten liberale en democratische, conservatieve, nationalistische en confessionele partijen die oplossing ook aanvaarden, allen die al vóór de oorlog afwijzend hadden gestaan tegenover de heersende, burgerlijk-kapitalistische of feodaal-kapitalistische cultuur, en die in en na de oorlog en in de revoluties en crisissen die volgden, nog in hun afkeer versterkt waren van die oude wereld, zij allen weigerden verdedigers van die verachte wereld te worden, terwijl ze tegelijkertijd weigerden het bolsjewisme of de sociaal-democratie. te aanvaarden.

De afkeer van de geld-heerschappij werd in de meeste gevallen nog overtroffen door de afkeer van de maag- en kudde-heerschappij. En zo is men vóór alles tegen het arbeiders-socialisme gekant dat de typische uitdrukking is van de maag- en kudde-

[p. 97]

idealen. Dit arbeiders-socialisme of ‘marxisme’, zoals men het pleegt te noemen, is bovendien het actuele gevaar, het enige ernstige en dreigende gevaar. Men voelt intuïtief, voorzover men het niet duidelijk gezien en begrepen heeft uit de Russische gebeurtenissen, dat, als de Marxisten eenmaal de macht veroverd hebben, het rijk van de maag en de middelmaat zo stevig gevestigd zal zijn, dat iedere kans om nog ooit een ander rijk, een rijk van de bovenmiddelmatigheid, van een aristocratische cultuur, van een heerschappij der élites, die het gehele volk willen doordringen met de begeerte naar een élite-ideaal, dat iedere kans om zo'n rijk te bouwen voorgoed verkeken zal zijn. Immers van nature is de grote volksmassa geneigd het maag- en middelmaatideaal te aanvaarden. Van nature heeft het vulgaire een oneindig veel grotere kans bij de massa dan het moeilijke en gevaarlijke. Van nature verkiest de massa ‘Marx’ boven ‘Nietzsche’. Want al het bovenmiddelmatige is onnatuurlijk en alle cultuur wordt slechts in de strijd tegen de natuur verworven.

Maar als het ‘Marxisme’ de hoofdvijand is, dan kan men, in de strijd tegen dat Marxisme, ook het kapitalisme als bondgenoot gebruiken om later, als men het Marxisme verslagen en de macht veroverd heeft, met dat kapitalisme af te rekenen. Dat is mogelijk, indien men zelf z'n geestelijke en organisatorische zelfstandigheid tegenover het kapitalisme weet te bewaren en indien men zelf over een zo grote aanhang beschikt, dat men sterker is dan de kapitalisten. Dit laatste nu is niet zo moeilijk, want de aanhang waarover de typische kapitalisten beschikken is uiterst gering. De grote massa van de volgers van het kapitalistiche vaandel, volgt dat vaandel slechts omdat de kapitalisten hun banier door vele andere wisten te omringen: individualisme, cultuur, geloof, natie, orde enz. enz. Verstond men de kunst zèlf banieren te verheffen en ze met meer kracht en indrukwekkendheid te zwaaien dan de kapitalisten, dan kon men het grootste deel van de meelopers van het kapitalisme rondom zich verenigen, ze, samen met de kapitalisten, tegen de ‘Marxisten’ ten strijde voeren, om ze, na de Marxistische nederlaag; tegen het geïsoleerde kapitalisme te dirigeren.

Een soortgelijke taktiek had ook Lenin herhaaldelijk gepropageerd. Gok hij had het gebruik maken van de tegenstellingen die er bij de tegenstanders bestonden, als methode aangegeven en in Rusland had hij die methode met succes toegepast. Doch in

[p. 98]

Europa slaagden hij en zijn aanhangers er niet in, een verbond van arbeiders en kleinburgers tegen het kapitalisme tot stand te brengen, omdat er tussen de wereldschouwing van het Leninisme en die van de Europese ‘kleinburgers’ geen punten van overeenkomst zijn, zolang het Leninisme zijn eigen kern, het arbeidersmarxisme, openlijk naar voren wil brengen en ongerept wil bewaren. Eerst veel later, in onze tijd, in de periode van het Volksfront, zou het, tot Stalinisme geworden Leninisme, zoveel concessies aan de ideologie van het kleinburgerdom (dat men tevoren ‘sociaal-fascisme’ had gescholden) doen, dat een samenwerking met een deel der kleinburgers, althans in één land, Frankrijk, mogelijk bleek. En ook thans is dit bondgenootschap meer een gemeenschappelijke vergissing en verwarring, dan een samenwerking. Tussen kleinburger en proletarier is slechts één vorm van geestelijke gemeenschap mogelijk, nl. dat de proletarier de cultuur der kleinburgers aanvaardt. Het omgekeerde is onmogelijk. De kleinburger moge materieel beneden het peil van den armsten proletarier zinken, hij zal nimmer, zolang hij nog enige geestelijke weerstand heeft, de proletarische levensopvattingen aanvaarden. Ze wekken zijn weerzin op, ze hebben geen enkele aantrekkingskracht op hem, omdat ze diep beneden hem liggen.

Tussen kleinburger en kapitalist bestaan wel grote materiële verschillen, doch er is een stevige en brede ondergrond van cultuurgemeenschap. Het typisch kapitalistische van meedogenloze roofzucht en het willen leven op kosten der gemeenschap, wekt wel de afkeer van den kleinburger op, maar zelfs hierin voelt hij nog een soort verwantschap: individualisme, onafhankelijkheidszin, lust tot gewaagde ondernemingen. En verder ziet hij het kapitalisme als een uitwas, ontstaan doordat geen hogere macht de kapitalisten binnen de perken hield. Die hogere macht is de Staat. En de grote verwarring in de maatschappij komt doordat de kapitalisten zich meester hebben gemaakt van de Staat en die voor hun persoonlijke belangen gebruiken. Men moet deze toestand beëindigen, de staat doen besturen door behoorlijke mensen, die de belangen van het gehele volk behartigen-en de macht van het kapitalisme is gebroken. Wie niet gehoorzaamt aan het staatsgezag wordt vernietigd, hij moge dan milliardair zijn of dagloner. En de ‘Marxisten’ die de staat willen gebruiken uitsluitend ten behoeve van de handarbeiders en ter vernietiging van de kleinburgers, moeten dus ook vernietigd worden. En wel het allereerst, want zij vormen

[p. 99]

door hun getal, hun organisaties en hun fanatisme, het ergste gevaar.

Eerst als dát gevaar afgewend is, kan men de kapitalistische uitwassen verwijderen. En dan is het nieuwe rijk, de ware volksgemeenschap, ontstaan, die, door middel van de staat, de idealen der behoorlijke, der intelligente kleinburgers en middenstanders tot werkelijkheid zal maken.

Een dergelijke redenering veronderstelt echter een zeer groot zelfbewustzijn en een helder inzicht in de situatie, beoordeeld van de kant der middengroepen. Doch ook in het naoorlogse Europa zou men moeite gehad hebben, mensen te vinden die zó konden zien en denken. Men vond in de meeste gevallen slechts vage en verwarde gevoelens die, als ze tot een uitdrukking kwamen, niet veel meer dan uitroepen, haatgevoelens en beschimmelde fraseologie, tot een bombastisch geheel wisten te verenigen. Op z'n best vond men mensen die een gedeelte van de situatie overzagen, hier zakelijk over wisten te redeneren, om dan plotseling op een bepaald punt uit het spoor te lopen en over te gaan op een of ander oud zijspoor van nationalisme, militairisme, of wat dan ook.

Iets dergelijks had men al vóór de oorlog gezien bijv. bij de aanhangers en woordvoerders van de ‘Action française’. Daar vond men een man als Maurras, scherp-rationalistisch denker, die met groot talent de betekenis van de maatschappelijke élite wist uiteen te zetten, die het verband tussen werkelijke cultuur en de positie van de ‘intelligence’, van de intellectuelen en de keur der middengroepen, uitmuntend wist te beredeneren... om dan plotseling over te slaan in een verheerlijking der stompzinnige overblijfselen van het Franse koningschap, de beschimmelde adel en de zotte salon-houdende hertoginnen; en die, ter wille van deze ‘traditie’ ook nog het gehele katholieke geloof verzwolg, waarmee hij, rationalist in hart en nieren, geen enkele innerlijke gemeenschap had.

Soortgelijke ontsporingen vond men ook bij de vrije jeugdbonden in Duitsland, die vurig anti-kapitalistisch waren, sociaal-gezind, naar culturele vernieuwing strevend, en die tegelijkertijd geen hogere roeping voelden, dan voor het rotte Wilhelminische Duitsland der jonkers en kapitalisten, de heldendood op het slagveld te sterven.

Zo vond de syndicalistisch gezinde vleugel van het Franse nationalisme (Valois), wier verbinding met de nationaal gezinde leer-

[p. 100]

lingen van Sorel, volgens één dier leerlingen (Berth) de geboorte van het fascisme betekende, in de aanvaarding van de proletarische mythe, in de verering van de industrie-arbeiders, een leer, die geheel en al in strijd was met haar intellectueel en tot de middengroepen behorend uitgangspunt. In al deze en dergelijke gevallen was het streven naar wat men zou kunnen noemen een Nietzscheaans cultuur-ideaal, half-bewust aanwezig. En er was tevens de wil tot vorming van een Nietzscheaanse élite, van een bond van beroeps-revolutionnairen met een kijk op de cultuur die totaal anders was dan die van Lenin en Marx, en die het meest overeenkwam met die van Nietzsche.

De omstandigheden in en na de oorlog maakten het mogelijk beter te begrijpen, waar het om ging, beter de scheidingslijnen te zien. De politiek die altijd al geconcentreerd maatschappelijk gevoel en inzicht is, werd feller, geconcentreerder. Cultuur-gevoelens en materiële belangen, die vóór de oorlog zo vaak in van elkaar gescheiden compartimenten hadden vertoefd, raakten elkaar en vermengden zich met elkaar.

En het werd nu mogelijk dat een man naar voren kwam met grote politieke instincten, met scherp realiteitsbesef - iets wat de Heden van de Action française en van de Duitse vrije jeugd vrijwel geheel misten - en met een sterk cultuur-gevoel, een man die daardoor de verwarde verlangens, strevingen, afkeren, tot één geheel wist te verenigen, dat tegenover het proletarische Leninisme en z'n kern van beroeps-revolutionnairen, een kern van aanhangers ener andere wereldbeschouwing plaatste. De middengroepen werden zich van hun betekenis bewust. Het verlangen naar een Nietzscheaanse wereld vond z'n voorlopige uitdrukking in de actie van Mussolini. Het fascisme trad naar voren.

1)‘Plutarque a menti’ is de titel van een der kostelijke boeken waarin Jean de Pierrefeu de incompetentie van de legeraanvoerders (de ‘grote mannen’ van 1914-1918) heeft aangetoond.
1)Ook in dat opzicht brengt het Leninisme veel minder dan het beloofde en dat mindere slechter en langzamer, zoals een critisch onderzoek der Russische revolutie leert. Zie mijn ‘Van Tsarisme tot Stalinisme’.
prepostterug  begin  verder