terug  begin  verderprepost
[p. 101]

V. Mussolini - een poging, en een mislukking.

Voor sommige intellectuelen is Mussolini niets anders dan een vulgair, bombastisch demagoog, een toneelspeler die de domme massa met goedkope effecten misleidt, een autodidact die de wereld probeert te overbluffen met een uitstalling van half-verwerkte cultuur, een zwendelaar die zich op Nietzsche, Sorel, Pareto en andere grote geesten beroept, zonder iets gemeen te hebben met hun geest. Hiertegenover staat dan een groep voor wie Mussolini een genie is, niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats als staatsman, doch als vernieuwer van de maatschappelijke en culturele grondslagen onzer periode. Hij is de schepper van het fascisme, en al is Hitler hem dan ook over het hoofd gegroeid door het ‘grausam gründlich’ georganiseerde Duitse fascisme, door de verbluffende macht die het gereorganiseerde Duitsland in het tegenwoordige Europa vormt, Mussolini is de schepper en de pionier van het fascisme.

Laat men al de superlatieven achterwege, dan blijft, bij allen die een historische kijk hebben, een verzet bestaan tegen de poging om Mussolini aftedoen als niets dan een handig en gewetenloos demagoog, een ‘zaagsel-Caesar’, die ‘zonder masker’ en ‘in z'n hemd gezien’1), alleen maar een gangster is.

Ook Caesar zelf, de grote Julius, is ‘zonder masker’ en ‘in z'n hemd’ gezien, voor een groot deel een ‘zaagsel-Caesar’ - maar hij is ook iets anders. En dat andere is nu juist waar het op aan komt. Natuurlijk, men kan zelfbevrediging vinden door te bewijzen, dat het fascisme en z'n grote mannen minderwaardig zijn. Voor degenen die er echter, zoals wij, van overtuigd zijn, dat de

[p. 102]

enige kans om het fascisme geestelijk te overwinnen - en op den duur ook materieel te verslaan - ligt in het verwerven van de werkelijke critische zin, nodig om te begrijpen dat Mussolini een groot man is, en Hitler niet, dat Lenin een reus is, en Stalin niet, is een van de eerste vereisten Mussolini te leren begrijpen en tot op zekere hoogte te waarderen, als de verpersoonlijking van een verzet tegen het schaapachtige cultuurloze maagsocialisme en het geldschrapende cultuurloze maagkapitalisme der vorige generaties. De ‘fijne’ intellectuelen zullen wel nooit beseffen, dat hun critiek op Mussolini van hetzelfde gehalte is als de salon-klets der emigranten over Napoleon Bonaparte, met wien de heren en dames van het ancien-régime afgerekend meenden te hebben, als ze zijn naam als ‘Buonaparte’ uitspraken, daardoor aangevend dat de man geen Frans aristocraat, doch een vulgaire Corsicaan was.

Inderdaad past geen man van betekenis in de salons, noch in de adellijke, nochin de litteraire-hij is te ‘grof’ voor die instituten. Trouwens ieder politicus van betekenis is te ‘grof’ voor de fijne smaak van die litteratoren en cultuurmensen - met wie ik niet gaarne verward wil worden als ik in naam van cultuur, kunst,. litteratuur, wetenschap, het fascisme bestrijd, - en Mussolini zou nooit een figuur van betekenis geworden zijn als hij gepoogd had een cultuurmens en een critische geest te worden in de zin der fraaie vernuften, voor wie b.v. Nietzsche alleen maar te waarderen is als een schrandere draaier van aforismen.

 

Met opzet hebben we hier de namen Nietzsche en Mussolini samengebracht, want de invloed die Nietzsche op den schepper van het fascisme heeft uitgeoefend, kan moeilijk overschat worden. Reeds in 1909, toen de 26-jarige Mussolini een hartstochtelijk propagandist der Italiaanse Socialistische partij was, in wien sommigen reeds de toekomstige partijleider meenden te zien, sprak de intelligente Anna Koelisjkoff, de vriendin van Turati, leider van de reformistische vleugel der partij - zoals een andere Russin, Angelica Balabanof, vriendin was van Mussolini, voorman der revolutionnairen - bijna profetische woorden over dit verband.

‘Waarachtig, waarachtig, dit is geen marxist en evenmin een socialist. En een politicus is hij ook niet. Waarachtig, hij is een - artistiekerig mens - een artistiekeling die Nietzsche heeft gelezen’.

[p. 103]

Bijna profetisch zijn die woorden, zowel om wat de spreekster begreep, als om wat buiten haar gezichtskring viel. Neen, Musso-lini was géén marxist, hoewel ook hij rekenen kon en koel de kansen tegen elkaar afwegen, gelijk Marx dat den socialisten had proberen te leren. Maar anders dan Marx, zag hij niet in de wetten die de economie, de productie, de handelingen der mensen beheersen, doch in de concrete economie, de concrete productie, de concrete mensen met hun worstelingen en hun hartstochten, het enige wat hem interesseerde. Een ‘marxist’ zou Mussolini ingedeeld hebben bij de ‘romantici’, zoals hij ook b.v. Lassalle tot de romantici rekende, in tegenstelling tot de ‘realist’ Marx.

In werkelijkheid behoren mensen als Lassalle, als Mussolini, als Napoleon, evenzeer tot de realisten als Marx of Lenin. Het onderscheid ligt hierin dat Marx en Lenin tot het sobere en grauwe, Mussolini en Lassalle tot het meer pralerige, kleurige, artistiekerige type der realisten gerekend moeten worden. De orthodoxe marxisten plachten ieder die niet grauw en vervelend was, voor een romantische idioot aan te zien, en ieder die statistieken en cijfers opdreunde voor een gedegen realist. Deze ‘vergissing’ heeft menige marxistische partij de nek gebroken, zowel omdat de ‘artistiekelingen’ vaak scherpere realisten bleken te zijn dan de ‘marxisten’, als omdat ze bijna altijd meer contact met de volksmassa's bleken te hebben dan de statistici.

Men had gelijk, als men Mussolini niet tot de marxisten rekende, ofschoon men zelfs daarbij over het hoofd zag, dat Marx een groot man was omdat hij het visionaire, profetische, wereldomvattende, grootse denken belichaamde, zodat zijn eigenlijke grootheid lag in datgene wat de ‘marxisten’ verafschuwden. En op dat punt was Mussolini meer marxist dan Anna Koelisjkoff, of de eerlijke en bekwame, maar van alle stoutmoedigheid en grootsheid gespeende, Filippo Turati.

Dit is geen ‘socialist’, zei Koelisjkowa, en ze bedoelde: die man heeft niet ons ideaal van de gelukkige en tevreden middelmatigheid. Ze begreep dus niet, dat Mussolini een ander socialisme had, dan zij en haar geestverwanten. En het niet kunnen zien buiten de grenzen van haar enge middelmatigheidssocialisme, is haar en haar vrienden duur te staan gekomen. Want terwijl zij meende dat slechts ‘politicus’ was, wie vlijtig en nauwkeurig binnen die grenzen werkte, beperkte zij het socialisme tot de kleine politiek der lotsverbetering voor de arbeidersmassa. De grote politiek

[p. 104]

echter, die met oorlogen en revoluties, met geweldige wendingen, met gehele volken en culturen werkte, dat was voor haar ‘Nietzscheaanse artistiekerigheid’- en die politiek liet men aan Mussolini over, die zou bewijzen, dat hij, ofschoon geen politicus volgens de kleine maatstaf, volgens de grote maatstaf een geducht politicus zou zijn: dat hij de Italiaanse marxisten, reformisten, syndicalisten en revolutionnairen, wier blik niet verder reikte dan de arbeidersklasse of de handarbeiders, voorgoed zou vernietigen. Dat hij dit zou kunnen, dankte hij aan het feit, dat hij ‘Nietzsche gelezen’ had, en dat hij het gelezene in heel veel opzichten ook begrepen en doorvoeld had.

 

Wat men in socialistische kringen het verraad en het renegatendom van Mussolini pleegt te noemen, is de moeite van een nader onderzoek waard, omdat dit ‘verraad’ (de houding in het begin van de wereldoorlog) in werkelijkheid iets veel diepers is, veel belangrijker. Niet slechts voor den man Mussolini, maar ook voor het gehele socialisme. Het was geen verraad - het was een bankroet. Het bankroet van een politiek die alleen maar in klassebelangen gedacht had, en die de lotgevallen van Italië, Europa, de Lateinse cultuur niet eens in overweging wenste te nemen, doch, terwijl wereldbelangen en beslissingen voor een gehele periode op het spel stonden, rustig bleef mummelen over ‘het proletariaat’, dat met dit alles niets te maken zou hebben, dat neutraal moest blijven, om z'n klassenstrijd, d.w.z. z'n loonstrijd verder te kunnen voeren.

Eerst op dat ogenblik drong het tot Mussolini door, dat hij tot dusver z'n leven verbonden had aan een partij, een massa en een klasse, wier wereldbeschouwing geheel anders was dan de zijne. Hij had gemeend, omdat hij revolutionnair was, dat het revolutionnaire proletariaat dezelfde verlangens had als hij. Hij had de proletarische hongeropstanden, de wilde uitingen van het maagsocialisme, aangezien voor iets dat verwant was met zijn socialisme: ‘een verschrikkelijke, ernstige en verheven zaak’ zoals hij in een brochure over Trentino schreef.

Zeker, ook het vullen van de magen was een ernstige zaak, de verovering van het brood voor de grote massa was een onontbeerlijk element van iedere realistische politiek. Maar het was slechts een element, het was een middel, om te komen tot het eigenlijke doel: een andere wereldorde, een andere cultuur, men-

[p. 105]

sen van een andere en hogere kwaliteit. Mussolini was in opstand gekomen tegen het oude, corrupte, Italië van Giolitti, de grondbezitters, de geldwolven, de cultuur voor de luxedieren die zich wilden amuseren. Ook het proletariaat was in opstand tegen diezelfde machten en zo schenen hunne wegen samen te lopen. Doch in wezen ging de strijd van het proletariaat slechts om een volle maag en een rustig genoegelijk bestaan van tevreden, verzadigde kudde, terwijl de strijd van Mussolini om intellectuele en culturele waarden ging, om de dingen die het proletariaat malle fantasterij vindt, en die de middenklassen - voor zover het hun élite betreft - ernstig nemen, ernstiger dan wat ter wereld ook.

 

De vergissing van Mussolini was wel ontzaglijk groot geweest. Toen het proletariaat, handarbeiders en arme boeren, in z'n hongeropstanden een grote energie aan den dag legde, revolutionnair naar de macht scheen te streven - terwijl het in werkelijkheid in wilde vertwijfeling om een beter bestaan vocht-had Mussolini geloofd, dat dit proletariaat een heroïsche politiek wilde, en dat proletariaat en energieke strijd om de macht identiek waren. En omdat een groot deel van de intellectuelen en de tot de middengroepen behorenden in de partij, de reformistische politiek verdedigde, was Mussolini de bestrijder der intellectuelen en middenstanders in de partij geworden, en was hij, steunend op de typische proletariers, tot leider der radicale vleugel en ten slotte tot redacteur van het hoofdorgaan, de ‘Avanti’ geworden.

De oorlog, die Italië voerde ter verovering van Tripolis, had hem geen aanleiding gegeven, over zijn politiek na te denken. Begrijpelijk, want die oorlog was geen ernstige aangelegenheid, het was een luxe, die de heersende klieken zich konden veroorloven. Het bestaan van het land stond hierbij niet op het spel, in de Europese of de wereldpolitiek veranderde door die oorlog niets of nagenoeg niets. De Italianen vervulden hun oude rol. Wat Europa niet belangrijk genoeg vond, mochten zij mee naar huis nemen, als ze het zelf wisten te bemachtigen.

Het was dus een avontuur van het oude, rotte en verachtelijke Italië, dat zich, juist door het voeren van een dergelijke oorlog, nog eens extra belachelijk maakt. Het verzet van Mussolini tegen de Tripolis-oorlog, is een verzet tegen het oude bedorven régime en z'n capriolen. Het is geen blijk van grote scherpzinnigheid,

[p. 106]

als men meende iets te ‘bewijzen’ door, in de dagen van de Abessijnse-affaire, uitspraken van den opposant Mussolini over de Tripolis-zaak, tegen den regeringschef Mussolini aan te voeren. Immers ook in de dagen van Tripolis, was Mussolini niet tegen het geweld, integendeel hij leverde in zijn propaganda een doorlopende verheerlijking van het geweld, en niet alleen had hij de strijd der socialisten steeds aan een oorlog gelijkgesteld, maar hij had ook in z'n brochure over het, toen nog Oostenrijkse, Trentino, duidelijk doen uitkomen, dat hij bepaalde oorlogen-b.v. tegen Oostenrijk, ter bevrijding van Trente - in't geheel niet afwees. Alleen, hij wilde geen oorlog, die op een versterking van de met Oostenrijk en Duitsland verbonden regering zou uitlopen, en die, in Italië zelf, alles bij het oude zou laten.

In 1914 echter waren er andere dingen aan de orde dan een koloniaal oorlogje. Men stond tegenover problemen van wereldhistorische omvang. Een wereldoorlog was uitgebroken, wier uitslag ook voor het socialisme van beslissende betekenis moest zijn. Won Duitsland, dan was, met de verpruising van Europa, ook het einde van het socialisme, een zekerheid. In een door de Pruisische Jonkers beheerste wereld zou, tegenover het socialistisch geweld, een ander, tot de tanden gewapend, onverbiddelijk en onoverwinnelijk geweld staan. Italië zou een vazalstaat van Duitsland en Oostenrijk zijn, en het Italiaanse socialisme zou op z'n best een gematigde hervormingsbeweging kunnen zijn, onder de drievoudige druk van Duitsland, Oostenrijk en hun Italiaanse vazal-regering.

Neutraliteit van Italië was bij de aanvang van de oorlog in zover een winst, als het een breuk van Italië met z'n Duits-Oostenrijkse bondgenoten betekende en de gelegenheid tot nieuwe oriëntatie gaf. Doch zowel de Italiaanse regering als de socialistische partij wilden het bij die neutraliteit laten. En hier begint Mussolini te bemerken, dat hij in een andere wereld leeft dan de overgrote massa zijner partijgenoten. De ‘revolutionnaire arbeiders’ wier woordvoerder Mussolini is, willen alleen vechten voor dingen die ze kunnen begrijpen, d.w.z. voor betere levensvoorwaarden, af te dwingen van hun patroons of hun eigen regering - maar alles wat verder lag: de positie van hun land in de wereld (waarvan hun loon-mogelijkheden in laatste instantie toch weer afhingen), wereldpolitieke macht, de toekomst der Italiaanse en Westelijke cultuur in de strijd tegen de Pruisische kazerne-mentaliteit, dat alles lag ver buiten de gevoels- en begripswereld dier arbeiders.

[p. 107]

Daarvoor kon zich slechts warm maken, wie ‘intellectueel’ was. Intellectueel en tegelijk energiek genoeg om voor wereldpolitieke en culturele aangelegenheden te willen vechten.

 

Wat Mussolini wilde, was, dat de socialistische partij de leiding zou nemen in de campagne voor de interventie van Italië aan de kant der Entente. Een dergelijke actie was een actie tegen de regering, die neutralistisch was en tegen een groot deel der heersende groepen die pro-Duits waren. Zeker, men moest hierbij samengaan met het interventionistisch deel van de bourgeoisie, met kapitalisten, met het leger, maar daartegenover stond, dat in een dergelijke nationaal-revolutionnaire oorlogsregering, de socialisten als de grootste en best georganiseerde partij, de leiding in handen zouden krijgen. Interventionisme kon betekenen: het veroveren van de macht in Italië door de socialisten, die door hun positie in, en vooral na, de oorlog in staat zouden zijn de loop der dingen in de Italiaanse politiek te beheersen. Inderdaad, hier lag de grote kans voor het Italiaanse socialisme. Maar om dat te begrijpen en die kans te grijpen, zou het wat anders geweest moeten zijn, dan een proletarisch maag-, en vreedzaam kuddesocialisme.

Toen Mussolini begon z'n interventionistische denkbeelden te ontwikkelen, - ietwat vaag en schuchter, want hij voelde zelf wel, dat men hem niet begrijpen kon, en hij had zelf, door een jarenlange ‘proletarische’ en ‘anti-intellectuele’ campagne, meegewerkt aan het ontstaan van een geestesgesteldheid die socialistische strijd vereenzelvigde met honger-relletjes, - stuitte hij op een onverwrikbaar blok van vijandig niet-begrijpen. Pacifisten en brood-revolutionnairen sloten zich aaneen tegen hem. De pacifisten, waaronder veel socialistische intellectuelen, omdat ze tegen alle oorlog en tegen alle geweld waren. De brood-revolutionnaire proletariërs, (zijn trouwe metgezellen van talloze knokpartijen en relletjes) omdat ze geen ander begrip van de strijd voor het socialisme hadden, dan een reeks van hongerrelletjes in het eigen land, op z'n best loonstakingen uitlopend in de algemene werkstaking. Dat het socialisme de ‘omweg’ van een wereldoorlog zou kunnen nodig hebben, ging ver buiten hun begrip. Oorlogen waren aangelegenheden van ‘het kapitaal’, en wie propaganda maakte voor een oorlog, was een, aan het kapitaal verkochte, verrader.

[p. 108]

Met deze massa, in deze partij, was niet te redeneren en in die dagen heeft Mussolini bemerkt, hoe ver hij van het socialisme der proletarische massa's afstond. Dat hij uit de partij gestoten werd, moet hij als een bevrijding gevoeld hebben. Nu eerst kon hij zijn eigen taal spreken, zonder gedwongen te zijn z'n bedoelingen in het ‘proletarisch’ te vertalen, wat hij tot dusver gedaan had, met het resultaat dat de massa wel z'n woorden doch niet z'n bedoelingen begrepen had en dat jarenlang een ‘afschuwelijk misverstand’ tussen de massa en haar leider had geheerst.

Nu kon hij zichzelf zijn, zij het dan ook dat de volksleider van weleer thans tot een handjevol mensen moest spreken. Dat Mussolini ‘gekocht’ is door het Entente-kapitaal, is een van die dwaze beweringen, waardoor kortzichtige socialisten hun onverstand voor alles wat niet ‘economisch’ is, verraden. De hoofdredacteur van de ‘Avanti’, voor wien in de Socialistische partij alle baantjes open stonden, behoefde zich niet te verkopen. Het is waar dat hij geld van de Entente heeft aangenomen, (hem verstrekt door bemiddeling van de, later als communist bekende, Franse socialist Marcel Cachin), maar dit geld gebruikte hij om z'n eigen vorm van interventionisme, z'n eigen conceptie van een revolutionnaire oorlog te verdedigen: hij werkte samen met de Entente, maar hij werkte niet voor de Entente, doch voor zijn eigen visie van het socialisme. Want toen hij, na geroyeerd te zijn, z'n partijgenoten toeriep dat hij socialist bleef, sprak hij de waarheid, maar aangezien hij brak met het proletarische socialisme, om over te gaan naar het intellectuelen-socialisme, het socialisme der middengroepen, kwam hij in een zo totaal andere wereld terecht, dat z'n vroegere vrienden evenzeer de waarheid spraken als zij, dit socialisme niet herkennend, over hem spraken als iemand, die geen socialist meer was.

 

De steun en het begrip die Mussolini niet had kunnen vinden bij het proletariaat, vond hij bij de intellectuelen, bij de mensen uit de middengroepen, studenten, jonge middenstanders en enkele socialistische en syndicalistische leiders en leidertjes, mensen, die tot het kader behoorden en die dus eigenlijk ook tot de intellectuelen gerekend moeten worden. Zo begint Mussolini de middengroepen te ontdekken.

In Italië zegeviert het interventionisme, maar Mussolini en z'n groep spelen daarbij slechts een ondergeschikte rol. D'Annunzio is

[p. 109]

in die dagen de grote man van de massa's, die de Italiaanse regering dwingen haar neutraliteit op te geven; maar aangezien hij alleen maar een opzweper der hartstochten is, géén leider, géén politicus, komt de leiding der regering in handen van de politici der oude school, de Salandra's, Sonnino's e.d., die de oorlog op erbarmelijke wijze leiden. Tijdens die oorlog merkt men niet veel van Mussolini; z'n eigenlijke taak, critiek te leveren op de onvoldoende energie der oorlogsleiding en op het ontbreken van socialistische elementen in het regeringsbeleid, heeft hij blijkbaar niet begrepen. Inplaats van een Italiaans pendant van Clemenceau te zijn, heeft hij de melodramatische rol van frontsoldaat gespeeld: een uiting van het vulgaire element in z'n karakter, dat z'n bestrijders uitsluitend zien, dat wij ook, maar in de juiste verhouding zien, en waarover we nog zullen schrijven.

De oorlog zèlf, was voor de Italianen een voortdurende beschaming. Militair presteerden ze niets, ofschoon hun tegenstanders, de Oostenrijkers, zowel door de Russen als door de Serven regelmatig verslagen plachten te worden, als de Duitsers geen hulp verleenden. Doch aan het Italiaanse front handhaafden zij zich uitmuntend, wisten daarna, met behulp der Duitsers, de Italianen tot aan de Piave terug te drijven, waar het Italiaanse leger slechts door Frans-Engelse tussenkomst z'n stellingen behield. Eerst aan het einde van de oorlog, toen de Duitse legers uitgeput waren en Oostenrijk reeds nagenoeg ineengestort was, slaagden de Italianen er in, het Oostenrijkse front te doorbreken. Deze Italiaanse ‘overwinning’ van Vittorio Veneto, waarop ook de fascisten nadien plegen te pochen, is, militair gesproken, een kinderachtigheid, en alleen een dóór en dóór ijdele en onernstige beweging kan, na afloop van de oorlog, over het Italiaanse heldenvolk spreken dat zich de vruchten van z'n overwinningen ontnomen zag.

Een ernstige beweging zou uitgesproken hebben, dat de oorlog de rotheid van de Italiaanse samenleving in alle geledingen had geopenbaard en dat thans een algehele zuivering nodig was. Het is weer een uiting van Mussolini's zwakke kanten, dat hij niet deze weg, maar de weg van de bluffers op de nooit behaalde overwinningen insloeg, en zich tot spreektrompet der fronthelden maakte, inplaats van tot vertegenwoordiger der ernstige, zakelijke en intellectuele krachten in Italië. Ook die krachten en hun betekenis zag hij, en hij heeft zich tot representant dier krachten d.w.z. der middengroepen trachten te maken, maar hij poogde

[p. 110]

deze middenstandsbeweging te verbinden met het gebral der ‘fronthelden’ en met de dwaze eisen die een even ijdeltuiterig als hol nationalisme, aan de wereld stelde. In deze combinatie zit zowel de kracht als de zwakte van het Italiaanse fascisme; en hier. ligt tevens de oorsprong van zijn dwaze houding tegenover de buitenwereld en van de gevaarlijke avonturen waarin het zich nadien gestort heeft.

 

Na de oorlog was nagenoeg ieder ontevreden. Niet alleen de chauvinisten, die vonden dat het overwinnende Italië niet overeenkomstig z'n waardigheid werd behandeld, maar ook de arbeiders die met gestegen prijzen, achtergebleven lonen, een economische wanorde en oorlogswinstmakerij te doen hadden, waarbij dan nog, na de demobilisatie, de werkloosheid kwam. De zonen uit de middengroepen, die vol idealisme, de oorlog waren ingegaan, verwachtend aan het eind ervan een andere maatschappelijke orde te vinden, zagen de oude wereld terug, een wereld die noch een bestaan, noch een levensdoel bood, en die verscheurd werd door de strijd tussen egoïstische kapitalisten en egoïstische arbeiders. In dit Italië was Mussolini een vergeten en onbegrepen man. D'Annunzio begon zich belachelijk te maken, de oorlogsregering had alle prestige verloren, de vroegere regeringskliek van Giolitti had weinig gezag meer. Alleen de socialistische organisaties - die immers voorspeld hadden dat het oorlogsavontuur op een algemene ontreddering zou uitlopen - stonden als frisse onverbruikte krachten in het land, en naar de socialisten stroomden de ontevredenen, arbeiders, boeren, middenstanders.

Maar de socialisten bleven na de oorlog, wat ze vóór en tijdens de oorlog geweest waren: negatief. Wat zij niet begrepen was, dat er twee groepen waren die een nieuw, sociaal-bewoonbaar, Italië wilden: zij die tegen de oorlog gevochten hadden - de proletariërs - en zij die vóór de oorlog gewerkt hadden - de middengroepen, de intellectuelen. Nu de oorlog voorbij was, moest men proberen die twee groepen te verzoenen, de energie van de interventionisten te gebruiken voor de strijd ter verovering van Italië, voor de strijd om de macht. Wij willen een socialistisch Italië, - zo zou men de meningen van Mussolini en de interventionisten kunnen samenvatten - want daarvoor hebben we ons in de oorlog gestort. Wij willen een socialistisch Italië - zo kon het proletariaat gesproken hebben - we hebben niet opgehouden,

[p. 111]

ook tijdens de oorlog, dit als het enig belangrijke te proclameren. Op een dergelijke grondslag was een verzoening tussen Mussolini en het partij-socialisme mogelijk geweest. Mussolini had niet opgehouden zich socialist te verklaren, socialistische eisen te stellen. Maar de partij begreep niets van de nieuwe situatie. Zij zette haar oude politiek voort, die evenzeer tegen de regering als tegen de interventionisten gericht was. Ze maakte geen onderscheid tussen degenen die de oorlog gewild hadden om kapitalistische redenen, en degenen die door sociale en ideale motieven gedreven waren, die zich wellicht vergist hadden, maar eerlijke mensen waren, die hun leven op het spel gezet hadden. Voor deze doctrinairen was er geen onderscheid tussen een Basil Zacharof en een Hendrik de Man I Het socialisme van de Italiaanse partij was niet alleen gericht tegen alles wat frontstrijder, soldaat, officier, geweest was, maar daardoor ook tegen de groepen waaruit de bewuste front- strijders voortkwamen: de middengroepen. Men werd nog nadrukkelijker ‘proletarisch’ dan ooit te voren. Het proletariaat zou zijn ‘dictatuur’ vestigen en alle andere klassen aan zich onderwerpen, zo verklaarde men, zich aansluitend bij de ‘communistische internationale; en men liet de middenklassen, door stakingen, onafgebroken loonstrijd, fabrieksbezettingen, door het optreden tegen allen die leiding moesten geven in de bedrijven, de staatsdiensten enz., reeds een voorproefje genieten van deze dictatuur. Voor die groepen moest ‘socialisme’ of ‘bolsjewisme’, wel gelijk staan met voortdurend verergerende chaos, en voortdurende vernedering en belediging. De socialisten dreven de antikapitalistische middengroepen van zich af, en ze brachten deze in een toestand waarbij ze het proletariaat als een nog erger vijand gingen zien dan de kapitalisten, zodat ze bereid werden de hulp der kapitalisten te aanvaarden in de strijd tegen het proletariaat. Iets soortgelijks gebeurde op het platteland, waar landarbeiders tegen kleine boeren opgehitst werden en kleine boeren tegen middelbare; Overal heersten chaotische toestanden en nergens was een kracht zichtbaar van wie men herstel van het gezag en van de orde kon verwachten.

Veroverden de socialisten de macht, dan zou dat - zo voelde het niet-proletarische deel van het volle het - de heerschappij van de straat, van terreur en willekeur betekenen.

Maar de andere kant van dit chaotisch socialisme, was juist het gebrek aan energie en concentratie, nodig voor de verovering

[p. 112]

van de macht. Men praatte geweldig veel over het vestigen van de socialistisch-proletarische macht. De partij werd in stukken gescheurd (op bevel van Moskou) door twisten over: de gewapende opstand, de vreedzame massa-actie, de parlementaire methode, het deelnemen aan een coalitieregering, waarbij de ultra-radicalen ook nog de these van de alleen-zaligmakende arbeidersraden in het geding brachten. En intussen werd geen enkele van de vele mogelijkheden om dichter bij de macht te komen, aangegrepen. De proletarische beweging hield op, angstaanjagend te zijn. Het bleek dat ze onmachtig en alleen maar hinderlijk, irriterend, was. Toen nu de fabrieksbezetting, hoogtepunt van de proletarische machtsontplooiïng, een jammerlijke vertoning werd, van mensen die niet wisten wat de volgende stap moest zijn, en die ook niet wilden, dat de volgende stap gezet werd, toen was het arbeiderssocialisme als ernstige factor uit de Italiaanse politiek verdwenen; Maar al was dan het ‘bolsjewistisch gevaar’ verdwenen - zonder dat Mussolini er ook maar iets toe bijgedragen heeft, - al stelt de fascistische legende hem dan ook voor als bedwinger van het Italiaanse bolsjewisme, dat in werkelijkheid... zichzelf gelikwideerd heeft -de wanorde, de chaos bleef. Regeringen die met ieder goede vrienden wilden blijven, (met de socialisten en met het groot-kapitaal, met de anti-militairisten en met de frontstrijders, met industrie- en met de landbouw-belangen), en die niemand tevredenstelden, deden het verlangen naar een sterke regering, een werkelijk centraal gezag, orde en discipline ontstaan. Van de socialisten, dat was wel gebleken, had men op dit punt niets te verwachten. De oude partijen van het burgerdom waren aan het roer, en toonden hun onmacht. Er was dus plaats voor een nieuwe beweging, die kon tonen, dat ze voldoende energie had om te kunnen regeren. Hier begint de opkomst van het fascisme.

 

Een allegaartje van sociaal-gezinde, vaak ex-socialistische, ex-anarschistische, ex-syndicalistische, interventionisten, frontstrijders, ontevreden met het schamele en emotieloze bestaan dat de vrede bood, chauvinisten die de Balkankust van de Adriatische Zee tot Italiaans gebied wilden maken; zonder vast program, maar daardoor des te beter in staat in iedere nieuwe situatie met het daarbij passende program te komen, hadden de fascisten tot dusver tevergeefs gepoogd zich te doen opmerken. Na het belachelijke avontuur van D'Annunzio in Fiume te hebben meegemaakt

[p. 113]

en daaruit geleerd te hebben dat de wereld Italië niet ernstig nam, wat hun nationale trots kwetste en het verlangen naar een sterke staat versterkte - waarbij de socialisten van proletarische huize opnieuw hun onverschilligheid t.a.v. het werkelijke internationalisme, n.l. de positie van hun land in de wereld, demonstreerden, de beste methode om een bekrompen nationalisme voedsel te geven - hadden zij zich bezig gehouden met de sociale onrust die in de stakingen en fabrieks- en landbezettingen tot uiting kwam. Hier hadden zij zich de arbeidersbeweging als bondgenoten aangeboden, doch deze had geen aandacht geschonken aan deze fascisten, behalve dan om te doen uitkomen dat men met een ‘renegaat’ als Mussolini niet kon samenwerken. De enigen die begrepen dat het Italiaanse socialisme alleen zou kunnen zegevieren als volksbeweging, dus in samenwerking met de middengroepen, de kleinburgers, de intellectuelen, de boeren, waren de reformisten. Maar de reformisten zochten het in parlementaire combinaties met de energieloze burgerlijke democraten, terwijl het energieke deel der middengroepen reeds, zij het als kleine kern, bij Mussolini was. Bovendien waren de reformisten zelf machteloos in hun partij, waar het negatieve frazen-radicalisme hoogtij vierde. De machteloosheid evenwel van dit radicalisme bleek bij de fabrieksbezetting. En tóen dit gebleken was, vonden de fascisten de moed en de kans zich tegen de extremistische delen van het proletariaat te keren, en zo op te treden als kampvechters der middengroepen; hierbij gesteund door subsidies van groot-kapitalisten, die in de nieuwe beweging een middel zagen om de proletarische beweging te schaden. Maar al hadden de fascisten geen vast program, een soort wereldbeschouwing begon zich uit te kristalliseren. Tegenover de proletarische chaos en de proletarische dictatuur, wilde men vóór alles: orde, regel, een sterk gezag, en dan een gezag dat niet gericht zou zijn tegen het niet-proletarische deel der bevolking. Men was niet tegen het proletariaat, maar wel tegen een toestand waarbij het niet-proletarische deel der natie onderworpen zou zijn aan de arbeiders. Men wilde een sociale orde die het gehele volk zou omvatten, of nagenoeg het gehele volk met uitzondering van de parasitaire elementen, dus van het groot-kapitaal en groot-grondbezit. Later zou men hoe langer hoe minder de nadruk gaan leggen op de vijandschap t.a.v. het groot-kapitaal en andere parasitaire instellingen (b.v. ook het koningschap, dat de eerste, republikeinse,

[p. 114]

programs der fascisten wilden opheffen) omdat men de mogelijkheid begon te beseffen om met behulp der parasitaire groepen de macht in handen te krijgen - en als men eenmaal de macht had, zou men de natie 20 organiseren dat de kapitalisten op den duur alle macht en werkelijke zeggenschap zouden verliezen, terwijl men het koningschap tot een ornament zou maken. Het kapitalisme was bandeloosheid, het proletarische socialisme bleek eveneens bandeloosheid te zijn, daartegenover stelde het fascisme de ordening, de tot in alle onderdelen doorgevoerde organisatie van het gehele volk, van de gehele maatschappij.

Bij die ordening wordt dan de rangorde van de elementen waaruit de natie bestaat noodzakelijkerwijze bepaald. Hier keert men zich tegen de proletarische rangschikking, waarbij de industriearbeiders bovenaan staan, waarbij de handarbeid boven de hoofdarbeid gesteld wordt; en tegen de liberale ordening, waarbij in naam allen gelijk zijn, doch inderdaad de geldlieden bovenaan staan. Hier tegenover stellen de fascisten, dat de Staat en de Staatsorganen de macht moeten hebben, en dat al de groeperingen waaruit het volk bestaat, aan die macht onderworpen moeten zijn. Maar dit is natuurlijk slechts een half antwoord, zolang men niet weet door wie de staatsorganen bezet zullen zijn. Hierop antwoorden de fascisten dat de macht in handen moet zijn van de beste volksgenoten, d.w.z. van de fascisten, van de mensen die over de eigenschappen beschikken, nodig voor een goed functionnerende orde: discipline, kunnen bevelen naar onderen, kunnen gehoorzamen naar boven, energie in het uitvoeren van het voorkomende werk, plichtsbesef, onomkoopbaarheid en zakelijkheid, bekwaamheid, opdat de fascistische staat in alle opzichten een maximum-prestatie kan bereiken. Wat de fascisten dus in werkelijkheid willen, is: een maatschappij onder leiding van een aristocratie van energieke, bekwame intellectuelen. En dit komt in laatste instantie weer neer op de heerschappij van de middengroepen, die uit intellectuelen bestaan of de intellectuelen voortbrengen. Inplaats van de rangorde waarbij de proletariërs bovenaan staan (het marxistische en traditionele socialisme) en van de rangorde, waarbij de bezitters bovenaan staan (het kapitalisme), krijgen we in het fascisme de heerschappij van de middenklassen. Het fascisme is de eerste, zij het nog verwarde en door allerlei (nationalistische, staatsvergodende e.a.) bijmengselen vertroebelde, uiting van het groeiend besef van eigenwaarde der middelklassen.

[p. 115]

Het is een hierarchie, waarbij, hoe vreemd de uitspraak velen ook in de oren zal klinken, de intellectuelen aan de top staan. Een heerschappij der intellectuelen, die echter in de fascistische praktijk vervalst en verknoeid wordt door anti-intellectualistische, nationalistische, militairistische, gangsteristische, irrationalistische, mystiekerige strekkingen, waarover nog gesproken zal worden. Want de paradox van het fascisme is, dat het een heerschappij der intellectuelen instelt, onder condities die de ontwikkeling, ontplooiïng, ja, zelfs het leven van de intellectuelen en van het intellect, belemmeren en op den duur. zelfs onmogelijk maken.

 

Het Italiaanse fascisme is eerst in de jaren na de verovering van de macht, tot een beweging geworden, die zich meer en meer bewust werd van haar eigen bijzonderheid en die tot het formuleren van haar leer overging. Aanvankelijk heeft men geen ‘vaste’ theorie; doch Mussolini, uitgaande van z'n socialistisch inzicht, dat in de loop der jaren verrijkt is met elementen die hij aan Nietzsche, aan Pareto, aan Sorel ontleende, zowel als met sommige opvattingen die het sociaal-gezinde nieuwere Italiaanse nationalisme van Corradini e.a. naar voren had gebracht, weet iedere nieuwe ervaring op persoonlijke wijze met de reeds aanwezige opvattingen te verbinden, waarbij dan vaak een deel dier opvattingen als onhoudbaar wordt opgegeven. Het is dus niet moeilijk te ontdekken dat hij vaak in tegenspraak komt met de vroeger-gedane uitspraken en hier hebben degenen, die niet beseffen dat ‘beginseltrouw’ vaak een ander woord is voor ‘gedachten-armoede’, een rijk en gemakkelijk jachtgebied. In werkelijkheid zien we, een zich meer en meer afwenden, van alles wat typisch proletarisch was in het oorspronkelijke socialisme, en het de klemtoon leggen op wat het proletariaat bijkomstig had gevonden: de cultuur. Zeker, de cultuur die deze fascisten verheerlijken is een nationale cultuur, die bovendien in de verste verte niet al de onuitputtelijke rijkdommen van de Italiaanse cultuur omvat, doch slechts een klein gedeelte er van: alles wat Italië tot een sterke roofstaat zou kunnen maken. Ze is dus nationalistisch, bekrompen, agressief. En toch is ze rijker dan het Italiaanse socialisme, dat zich, zoals ieder proletarisch socialisme, uitsluitend tot de ongeletterden richt, en dat de intellectuelen en half-intellectuelen geen andere boodschap brengt dan die der zelfvernedering, het zichzelf weggooien ten behoeve van de arbeiders.

[p. 116]

Het fascisme daarentegen noemde zijn theoretisch orgaan, waarlijk niet zonder opzet, ‘Gerarchia’ ‘Hiërarchie’. Binnen de enge grenzen van het nationalisme verdedigde het een rangorde die de intellectueelen en middengroepen moest bevredigen. Tegen die rangorde verzette het proletariaat zich, terwijl het kapitalisme dit streven naar een hiërarchie als een kinderachtigheid beschouwde, waaraan men te gelegener tijd een einde zou maken, doch die men voorlopig moest steunen omdat het zich tegen de arbeiders richtte.

Zo zien we in de periode na de fabrieksbezetting een aanval op de arbeiders, die van de fascisten uitgaat, en die welwillend gade geslagen of gesteund, of in ieder geval met onverschilligheid geduld wordt, door allen die niet-proletarisch voelen en denken. De grote wonderolie- en ranselcampagne begint. In die campagne verzamelt het fascisme alles wat van ranselen, mishandelen en plunderen houdt, om zich heen: verlopen frontsoldaten en de onderwereld. Mussolini heeft het gevaar van dit soort ‘succes’ wel degelijk gezien, en hij heeft er zelfs een ogenblik over gedacht zich uit de beweging terug te trekken, die in een knokploeg scheen te ontaarden. Niet omdat hij tegen het geweld was, maar omdat hij besefte dat een bandeloze bende geen toekomst zou kunnen hebben. Juist omdat het idealistische deel van zijn beweging slechts langzaam groeide, het bandieterige deel daarentegen vrij snel, zocht hij verbinding met groepen die arbeid, orde en discipline schenen te kunnen waarborgen, ook met de reformistische socialisten.

Doch de groei van z'n beweging maakte hem weldra tot een bondgenoot die door de kapitalisten, de conservatieven, de hogere bureaucratie, de militairen, als van waarde werd beschouwd. En deze groepen kunnen hem, zo beseft hij, in twee opzichten van dienst zijn. Ze kunnen hem de regering in handen geven en ze kunnen hem helpen, als hij eenmaal hoofd van de regering is, het fascistisch gespuis in toom te houden. Zo sluit hij een overeenkomst met die groepen, die hem in October 1922 de macht in handen geven, d.w.z. hem tot Minister-president laten benoemen, die in een coalitie-regering en met voorlopige uitschakeling van het parlement, de zaken zal kunnen regelen. Dit gaat gepaard met een hoeveelheid theatraal gedoe, naar de smaak van de Italianen, Mussolini niet uitgezonderd, welk gedoe onder de naam van ‘mars op Rome’ en ‘fascistische revolutie’ bekend is gewor-

[p. 117]

den. Mussolini moest nu bewijzen dat hij, na met meer geluk dan wijsheid, precies op het randje, de macht te hebben verkregen, die macht kon gebruiken.

 

En dat heeft hij inderdaad bewezen. Wie het fascisme wil leren begrijpen, moet niet al te veel kijken naar de jaren die tussen het ontstaan der partij en het binnentreden van het regeringskasteel liggen. Hij moet kijken naar de wijze, waarop het fascisme van een, niet eens heel stevige, coalitie-partij, tot de alleen-heersende partij in het land weet te worden, daarbij niet alleen afrekenend met z'n directe vijand, de arbeidersbeweging, maar ook met z'n andere vijanden, kapitalisten, bureaucraten, conservatieven, die zich als bondgenoten hadden voorgedaan, in de hoop, na de vernietiging van de arbeidersbeweging dat fascisme overboord te werpen en een conservatief- of reactionnair-kapitalistisch régime in te stellen. De marxisten en andere proletarische socialisten, die critiek op het fascisme leveren, vanuit hun economisch standpunt, en die Mussolini tot een kapitalisten-knecht stempelen, omdat hij het beginsel van het privaat bezit niet heeft veroordeeld, beseffen nu eenmaal niet, dat de machts-kwesties belangrijker zijn dan de bezitskwesties, en dat het gehele fascisme een bewijs is voor de onjuistheid van de marxistische opvatting: macht is ondergeschikt aan bezit. Neen, zowel de fascisten als de bolsjewisten hebben bewezen: dat bezit een factor van de tweede rang is, en macht een factor van de eerste. Doch de bolsjewiki zijn eerst langs heel veel omwegen tot dit inzicht gekomen - dat ze nog altijd niet onomwonden durven te aanvaarden, beangst als ze zijn voor de schimmen van Marx en Lenin - terwijl de fascisten overal eerst de machtskwesties regelen en zich alleen met het bezit bezig houden voor zover dit voor hun machtspositie noodzakelijk is.

‘Wie ijzer heeft, heeft brood’ deze leus van Blanqui, die op Mussolini's eerste orgaan ‘Popolo d'Italia’ stond, getuigde reeds van een principieel ander standpunt, maar tevens van een standpunt dat weinig goeds voorspelde aan allen, die de. ijzeren macht door speculaties of manipulaties met het brood, zouden willen omverwerpen of hinderen. En dit is, door alle veranderingen heen, het ‘principe’ van het fascisme gebleven. Wij zullen - zo zou men het fascistische standpunt kunnen formuleren - onze tijd niet verspillen met verklaringen tegen het kapitalisme, noch met een principiële oorlog tegen de kapitalisten. Wij zullen ze tot de

[p. 118]

ondergeschikten van onze machtsinstellingen maken. Werken ze tot onze tevredenheid, dan mogen ze blijven werken en dan kunnen ze de beloning krijgen die ze verdienen, doordat ze hun werkkracht, d.w.z. hun relaties, hun inzicht, hun initiatief, ten goede doen komen aan de nationale rijkdom. Maar wij, en wij alleen, bepalen wat de nationale rijkdom is, wat in het belang van de staat geproduceerd moet worden. Dat wil dus zeggen: overal waar de kapitalist verklaart: dit of dat wil ik produceren, want dat levert de grootste winsten op, en waar de staat zegt: dit of dat heb ik nodig: daar heeft de kapitalist te gehoorzamen of te verdwijnen.

In het fascistische principe: alles in de Staat, niets buiten de Staat, ligt eigenlijk een zodanige onderwerping van het privaat-bezit aan de staat - d.w.z. aan de ‘gemeenschap’ in de enige concrete vorm die ze vooralsnog kan aanemen - opgesloten, dat het alleen een kwestie van tijd en methode is, een opportuniteitskwestie, wanneer en hoe het privaat bezit tot machteloosheid zal zijn gedoemd. De ‘onteigening van de grond en de productiemiddelen’ die van privaatbezit tot gemeenschapsbezit worden - d.w.z. tot Staatsbezit - wordt in wezen ook door het fascisme toegepast. Want ‘bezit’ betekent alleen iets, indien men er onbeperkte zeggenschap over heeft. En daar waar de staat, iedere dag meer, die zeggenschap beperkt en controleert, reglementeert, dirigeert, daar is in feite dat ‘bezit’ verdwenen.

Maar om dat te kunnen bereiken moet men eerst een ‘Staat’ hebben, moet men vast in het zadel zitten en z'n gewelds- en bestuursmachine in orde hebben gemaakt.

Welnu, de fascisten hebben in de eerste jaren van hun bewind een Staat gemaakt, waarin zij, en zij alleen, alle macht hadden. Met de arbeidersklasse tegen zich, konden ze alleen tot het maken van een dergelijk machtsinstrument komen, als ze de medewerking, of in ieder geval de welwillende neutraliteit van de kapitalisten hadden. Om die te verkrijgen hebben ze aanvankelijk nagenoeg de gehele economie aan de kapitalisten overgelaten. Het zag er voor degenen die bij het ogenblik leven, d.w.z. voor de typische ‘zakenlui’ - in den beginne zo uit, alsof een gouden tijdperk voor de bezitters was aangebroken: geen vakverenigingen, geen stakingen, lage lonen, lange werktijden. Om deze paradijstoestand te verkrijgen en te behouden behoefde men slechts de fascistische staat te steunen. Deze bezette al de bestuursposten met gehoor-

[p. 119]

zame fascisten, hield een talrijke partij-troep, de militie, op de been, vervolmaakte iedere dag de techniek der onderdrukking - een techniek die men van de bolsjewiki, de eerste grote ingenieurs op dit gebied in de moderne wereld, geleerd heeft, om haar in het land van Macchiavelli, een verdere, aan oude tradities aanknopende, ontwikkeling te geven - likwideerde alle niet-fascistische organisaties, maakte een einde aan de vrijheid van drukpers, vergadering, vereniging en dergelijke ‘liberalistische’ hinderlijkheden. En eerst toen op deze wijze alle bewegingsvrijheid en alle actie-mogelijkheid op politiek gebied verdwenen was, kon men, waar nodig, op economisch gebied ingrijpen. Wilden de kapitalisten zich dan verzetten, dan bemerkten zij, dat ze evengoed de gevangenen van het fascisme waren, als de socialisten, de syndicalisten of de communisten. Ze begrepen spoedig, dat ze slechts te gehoorzamen hadden. Doch gehoorzamen betekende, in het systeem geplaatst worden als verantwoordelijk, bekwaam, maar aan de Staat ondergeschikt leider.

De rangorde van het fascisme is van dien aard, dat de levensstandaard van de mensen die voor de staat het belangrijkste zijn, hoger moet zijn dan die van het gewone volk. De ‘leiders’ van de politiek, van de productie en van het leger staan dus bovenaan, waarbij de ‘politiek’ ook het ‘geestelijk leven’ omvat en de ‘productie’ de ‘wetenschap’. Op deze ‘leiders’ volgen dan de middengroepen, die het kader, het initiatief, het zelfstandige handelen vertegenwoordigen, en tenslotte de massa der handarbeiders: de staf, de officieren en de onderofficieren, de manschappen. Het fascisme brengt de hiërarchie van het leger op de gehele maatschappij over. Ook op het kapitalisme, dat het als uitgangspunt neemt, om het te vervormen naar de behoeften van de Staat.

 

Dat het fascisme, het particulier initiatief en de winst- en eigenbelang-motieven tot op grote hoogte laat voortbestaan, mag voor de socialisten geen reden zijn om het stelsel ‘kapitalistisch’ te noemen. Immers in Rusland, waar het privaatbezit is opgeheven, is men reeds lang, door de psychologische structuur van de mens, er toe gedwongen, ‘eigenbelang’ een grote ruimte te geven, en te erkennen dat de gemiddelde mens slabakt, als hij niet de mogelijkheid ziet door meerdere prestatie, door betoond initiatief, ijver, plichtsbetrachting, z'n persoonlijke positie te verbeteren. De pro-

[p. 120]

paganda voor de ‘ongelijkheid’ in Rusland, is niets anders dan propaganda voor het winstmotief binnen de grenzen van het gemeenschapsbelang, of, om het onversierd te zeggen, binnen de grenzen van het staatsbelang. ‘Gemeenschapsbelang gaat vóór eigenbelang’ zeggen de fascisten, in een formule die vaak door de socialisten bespot is, maar die volkomen gezond is, omdat ze niet, zoals het oorspronkelijke socialisme, het bestaan van eigenbelang negeert. Alleen zal een beschaafd mens, natuurlijk een andere opvatting van ‘gemeenschapsbelang’ hebben dan een fascist... of een proletarisch-marxistisch socialist.

Het onderscheid tussen de fascisten en de bolsjewisten ligt hierin, dat de bolsjewiki begonnen zijn met het vernietigen van een op eigenbelang gebouwde maatschappij, de kapitalistische, om daarna in de nieuwe gemeenschaps-maatschappij, in toenemende mate het eigenbelang weer in te voeren, terwij de fascisten de oude eigenbelangs-maatschappij laten voortbestaan maar door voortdurende beperking, contrôle en organisatie, het eigenbelang kortwieken en. het met een oppermachtige gemeenschap omgeven. De fascisten hervormen het kapitalisme tot staatskapitalisme. De bolsjewisten hervormen het socialisme tot staatskapitalisme. De fascisten gaan van een lagere naar een hogere toestand, daarbij een natuurlijke en geleidelijke ontwikkeling volgend. De bolsjewisten, na eerst alles vernield te hebben, in hun poging om een sprong naar het onmogelijke te maken, trekken terug van onbewoonbare hoogten, naar een lagere, doch meer bewoonbare wereld, daarbij de verwarring, ontstaan door de opmars naar het onbereikbare, vermeerderend met de nieuwe verwarring, ontstaan door de terugtocht.

Men zou kunnen zeggen, dat de bolsjewiki dan toch in ieder geval de oude leiders (kapitalisten) vervangen hebben door nieuwe, uit de arbeidersklasse opgekomen leiders. Maar behalve dat het van ondergeschikte betekenis is, of een paar gewezen arbeiders in een betere positie komen en een paar gewezen kapitalisten lopen te bédelen, en behalve dat de bolsjewiki gedwongen zijn geweest een groot gedeelte van het oude commanderende personeel op hun posten te laten - de technici en specialisten op allerlei gebied - en behalve tenslotte, dat alleen zulke primitieve landen als Rusland het roekeloos experimenteren op economisch gebied kunnen verdragen, is daar het feit dat ook het fascisme tal van nieuwe leiders uit de middelklasse boven de oude kapitalistische leiders

[p. 121]

plaatst en aan tal van individuen uit de arbeidersklasse de gelegenheid geeft, via de partij en de staatsinstellingen, tot de middengroepen, en van daaruit tot de leiding te komen.

Zo kan het fascisme zich op den duur met de arbeidersklasse verzoenen, door de arbeiders, als groep, binnen de staat, behoorlijke levensomstandigheden te verschaffen en ze als individuen ‘promotiekansen’ te geven. Met de middengroepen is het van den aanvang af verbonden; en de kapitalisten worden, óf in de leidende functies opgenomen als ze over persoonlijke talenten beschikken, óf als uitstervende parasieten- van alle feitelijke macht beroofd, terwijl ze te weinig talrijk zijn om als groep gevaarlijk te kunnen worden.

Het proletarische socialisme daarentegen moet, als het trouw wil blijven aan z'n opvattingen, niet alleen de kapitalisten doch ook de middengroepen onderdrukken, vernederen en uitroeien, d.w.z. in tal van landen de meerderheid der bevolking en bovendien het deel dat technisch, organisatorisch, wetenschappelijk en artistiek het belangrijkst is. Terwijl dus het fascisme er in slaagt op natuurlijke wijze tot hiërarchische verhoudingen te komen en zo z'n kader-problemen op te lossen, moet het bolsjewisme - en ieder proletarisch socialisme - genoegen nemen met half-ontwikkeld proletarisch kader, terwijl het bovendien de natuurlijke drang van dit kader om tot de vorming van een nieuwe middengroep over te gaan, telkens weer moet bestrijden. Vandaar de enorme moeilijkheden van de bolsjewistische opbouw, en de voortdurende afslachting van het eigen kader, een verschijnsel, dat heel wat ouder is dan de Moscouse monster-processen der laatste jaren.

Maar behalve dit, is er nog een andere reden om de houding van de fascisten tegenover het privaat bezit (‘handhaving’ voor zover in overeenstemming met het staatsbelang) tactischer te achten dan de houding der socialisten die ‘opheffing’ propageren. Want zoals Alfred M. Bingham in z'n ‘Revolt of the Middle-Classes’1) terecht opmerkt: in tijden van crisis, waarin iedereen die wat heeft, vreest het te verliezen - ook de arbeiders! - wordt de socialistische leuze gevoeld als vergroting van de onzekerheid en van de risico's, de fascistische echter als veiligstelling van wat men heeft, terwijl dan de sterke Staat, na het bestaande beschermd te hebben, er een nieuwe portie, uit de algemene welvaart

[p. 122]

aan toe kan voegen. Bij het fascisme, zo redeneert de gemiddelde man, houdt men wat men heeft, terwijl er nog kans bestaat er iets bij te krijgen. Bij het socialisme begint men met alles aan de gemeenschap te geven en dan moet men verder maar afwachten. Dat risico is te groot. Vandaar dat het ‘revolutionnaire’ socialisme nooit ergens anders aanhang vindt dan onder de volmaakt bezitlozen (de paupers) en onder de idealistische of eerzuchtige (tot speculaties bereid zijnde) intellectuelen. Het reformistische socialisme daarentegen, dat ook van het bestaande wil uitgaan om het te hervormen, wint een grote aanhang, zowel onder de arbeiders als de middengroepen, doch het is tegenover het fascisme in het nadeel, door z'n proletarische accent, door z'n platte, maag;- en kudde-achtige wereldbeschouwing en door z'n gebrek aan energie.

 

Dat het fascisme niet bereid is de kapitalistische economische orde te handhaven en dat het niet bevreesd is de kapitalisten aan te tasten, dat bleek nadat Mussolini zijn macht gevestigd had. Men kan natuurlijk, zoals bijna alle socialisten doen, het Corporatief-systeem als een bedriegelijke gevel beschouwen, die de kapitalistische werkplaats aan het oog onttrekt, en men kan de Italiaanse ‘Carta del Lavoro’ als een verzameling frazen afdoen.1) Maar in werkelijkheid betekent het verenigen van arbeiders en ondernemers in één organisatie, met staats-vertegenwoordigers als derde en beslissende factor, een volkomen staatsoverheersing, niet alleen omdat de arbeidersvertegenwoordigers, door de wijze waarop de vakverenigingen functionneren, ook reeds staatsvertegenwoordigers zijn, maar omdat bij alle geschillen de beslissing in handen van de Staat ligt. In de beginperiode, toen de Staat - nog zwak was, heeft men van fascistische zijde wel eens de stakingen der arbeidersorganisaties gebruikt om onwillige ondernemers te dwingen (b.v. in 1925 in de metaalindustrie) maar na de vestiging van het onaantastbare gezag, zijn zulke dingen niet meer nodig. De Staat spreekt, en arbeiders zowel als ondernemers gehoorzamen.

De ‘Carta del Lavoro’ proclameert de arbeid als een sociale plicht, niet slechts de persoonlijke welvaart ten doel hebbend, doch ook de versterking van de staatsmacht (Art. II). En alletwee, arbeiders en bezitters, zijn in de overeenkomsten die zij tot stand

[p. 123]

brengen, onderworpen aan een factor die boven hun eigen directe belangen gaat en die de ‘hogere productie-belangen’ wordt genoemd (Art. IV). Iedere patroon is patroon, niet voor zichzelf, maar opdat de staat kan profiteren van z'n initiatief, z'n bekwaamheid, en hij is dus, voor de wijze waarop hij de bedrijfsleiding uitoefent, verantwoordelijk aan de Staat (Art. VII). Men neemt aan dat de productie groter zal zijn en de prijzen lager zullen zijn, onder particulier beheer, dan onder staatsbeheer; alleen met dit doel erkennen de fascisten het privaat bezit (Art. VIII), al is goed beschouwd van privaat bezit geen sprake meer, daar waar iedere bezitter, zoals Art. VII zegt, slechts ter wille van het staatsbelang z'n functie uitoefent. En daar waar het privaatbezit ontbreekt of onvoldoende is, of waar de politieke belangen van de Staat dit vereisen, daar neemt de staat zélf de leiding in handen, in de vorm van toezicht, hulp of directe contrôle, zo besluit Art. IX, dat dus de mogelijkheid geeft om op ieder gewenst ogenblik een einde te maken aan het privaatbezit.

Maar dit alles is ‘theorie’ zal men zeggen; en als Mussolini in z'n redevoeringen van 13 Nov. 1933 en 12 Nov. 1934 verklaart dat er op economisch gebied slechts verschil in methode, doch geen verschil in doelstelling bestaat tussen het fascisme en het communisme (wél natuurlijk op politiek-cultureel gebied) en dat Italië niet langer kapitalistisch is, dan kan men ook dat als theorie of fraseologie beschouwen. En als b.v. Agostino Nasti in de ‘Critica fascista’ verklaart: ‘Wanneer het Italiaanse corporatisme definitief en volledig verwerkelijkt zal zijn, zal men zien wat nu werkelijk het régime is, dat door de sociale beweging van de 19e eeuw voorspeld en noodzakelijk gemaakt werd; en, als men dan het bolsjewisme bekijkt, zal men begrijpen, hoevéél tijd de naar de letter genomen en niet menselijk geïnterpreteerde marxistische profetie aan de historische evolutie heeft doen verloren gaan, en hoeveel lijden zij de mensheid gekost heeft,’1) dan kan men ook dit weer met het woord ‘frazen’ afdoen, al zal ieder denkend mens zich afvragen waarom deze fascisten telkens weer hun economisch stelsel als een ‘beter’ bolsjewisme voorstellen, terwijl ze toch - indien ze werkelijk kapitalisten-knechten waren - moesten proberen te bewijzen dat hun stelsel het ware, welbegrepen, kapitalisme is, en dat het geen spoor van overeenkomst

[p. 124]

met het bolsjewisme vertoont. De beroemde uitdrukking van Gregor Strasser over de ‘antikapitalistische Sehnsucht’ van nagenoeg het gehele volk, bewijst dat de vooraanstaande fascisten (immers Strasser was, toen hij hierover sprak, de tweede, zo niet de eerste, leider van het groeiende Duitse fascisme) zich er van bewust zijn dat zij in antikapitalistische richting dienen te gaan. En waarom zouden de woordvoerders van een antikapitalistische beweging, die zich volkomen bewust zijn van de krachten waardoor zij gedragen worden, leugenaars en bedriegers zijn, die alleen aan de spits dier massa's staan om ze te misleiden en hét kapitalisme te redden? Is dit niet een gruwelverhaaltje van precies dezelfde kwaliteit als de verhaaltjes der Nazis omtrent de ‘Joodse volksleiders’, die het proletariaat in socialistische partijen organiseren, niet om het socialisme te vestigen, maar om de ‘wereldheerschappij der Joodse bankiers’ te doen triomferen? Inderdaad, zulke onnozele verhaaltjes konden, voor wat de fascisten betreft, slechts ontstaan bij socialisten die zich plotseling bedreigd zien in de alleenverkoop van anti-kapitalistische gezindheid en die de concurrenten voor bedriegers uitmaken, zonder ook maar een moment na te gaan of het nieuwe merk niet beter, of althans aantrekkelijker voor bepaalde smaken, zou kunnen zijn.

Intussen, we behoeven ons niet te bepalen tot woorden en theorieën. De daden van de fascisten bewijzen in hoever zij bereid zijn het kapitalisme aan te tasten. Sedert 1934 kent Italië een staatsmonopolie voor de buitenlandse handel, terwijl het bankwezen praktisch genationaliseerd is. En in 193G is een begin gemaakt met de nationalisatie van de sleutelindustrieën. Wat is dan overgebleven van het oude kapitalisme, met z'n zelfstandige ondernemingen, die de staat hun wet oplegden? Het tegendeel is thans het geval: de staat dicteert vanuit zijn eigen politieke en ideologische belangen; en het zakenleven heeft zich hiernaar te regelen. De kapitalisten zijn in de fascistische staat op z'n best nog goed betaalde filiaalhouders, met een hogere levensstandaard dan de arbeiders en met het commando over de onderneming, die de staat onder hun leiding wil laten - precies zoals de Rode Directeuren in Rusland. De heren Krupp von Bohlen, Thyssen e.d. staan onder voortdurend bevel van de regeringsinstanties en ze mogen, evenmin als de heer Schacht, heengaan als ze genoeg hebben van het fascistisch bewind. Zelfs het recht zich uit zaken terug te trekken hebben ze niet langer. Als de staat dat wil, moeten ze

[p. 125]

op hun post blijven en hun handtekening plaatsen onder besluiten die ze verafschuwen. En alleen in zich zelf mogen ze praten over de ezelachtigheid die Hugenberg en Papen en de oude Januschauer en Hindenburg begingen, toen ze het fascisme aan de macht lieten, in de verwachting daardoor een paradijs voor het kapitalisme en een onbeperkte heerschappij der kapitalisten te doen ontstaan. De heer Hugenberg weet, evengoed als de heer Pirelli, dat hij zich vergist heeft. De enigen die nog altijd niets zien en niets weten en dus opnieuw bewijzen nog dommer te zijn dan de kapitalisten, zijn de socialisten, communisten en anarchisten van het oude ‘proletarische’ type.

Dat de landbouw, onder leiding van de ‘Bonifica Integrale’ of de ‘Reichsnährstand’ volkomen gereglementeerd is, niet meer vrij is naar winst te streven, doch gedwongen te verbouwen wat de regering voorschrijft; dat de landbouwer zijn hoeve niet meer mag verkopen, behalve dan onder de voorwaarden die de regering heeft aangegeven, en dat het stilleggen van bedrijven in de landbouw evengoed als in de industrie niet meer mogelijk is, zonder dat dit tot onteigening leidt, dit alles valt niet te ontkennen. Maar dat dergelijke toestanden alleen nog maar enige traditionele uiterlijkheden met het kapitalisme gemeen hebben, dat willen sommige lieden nog altijd niet bekennen, omdat ze dan tevens zouden moeten bekennen dat hun geestelijke wapenrusting waardeloos is geworden.

Er zijn nu eenmaal lieden, die liever de ingewikkeldste theorieën bedenken, dan het vanzelfsprekende feit te aanvaarden, dat iemand van socialistische huize als Mussolini, geen enkele innerlijke verbinding met het kapitalisme heeft, en slechts in de strijd om de macht een bondgenootschap met de kapitalisten gesloten heeft, waarbij hij het vaste voornemen had, deze coalitie-genoten niet anders te behandelen dan z'n genoten in de politieke coalitie, die hij te gelegenertijd heeft onderworpen of vernietigd. Zo moest het ook de kapitalisten vergaan; en alleen een economistisch-marxistisch bijgeloof dat ‘het kapitalisme’ onaantastbaar acht voor politiek-technisch-organisatorische machtsformaties (behalve dan die van ‘het proletariaat’, die in de praktijk overal machteloos bleken te zijn, uitgezonderd in Rusland waar ze door Lenin's systeem van ‘beroepsrevolutionnairen’ in wezen niet proletarisch, doch verintellectualiseerd waren), alleen zo'n bijgeloof kon veronderstellen, dat het kapitalisme de dans zon ontspringen.

[p. 126]

In werkelijkheid echter is het fascisme voortdurend bezig geweest z'n politiek- en cultureel-collectivisme te voltooien door een economisch collectivisme, en ofschoon op economisch gebied nog veel restanten van het oude aanwezig zijn, kan alleen een blinde ontkennen, dat de strekking van het fascisme ook in de economie in de richting van het collectivisme gaat, en dat de grondslagen van het economisch collectivisme zowel in Italië als in Duitsland reeds gelegd zijn.

 

En uit de wereldbeschouwing van het fascisme, die de economie een andere plaats in haar rangorde geeft dan het marxistisch socialisme deed, aangezien het fascisme eerst de cultuur, dan de politiek en ten slotte de economie plaatst, terwijl het marxisme de rangorde economie-politiek-cultuur nastreeft, uit deze wereldbeschouwing volgt ook logisch, dat de fascisten veel later aan de economie toekomen dan de marxisten en dat zij op economisch gebied als het ware minder hartstochtelijk zijn dan de marxisten, die hun handen niet van de economie kunnen afhouden; en ook niet kunnen begrijpen dat er mensen bestaan die zich slechts in laatste instantie voor het economische interesseren, weshalve zij alle niet-economistische mensen als zwakzinnigen of als bedriegers beschouwen.

In deze uitspraak zullen den lezer wellicht twee punten ongegrond voorkomen: de opvatting dat het fascisme de cultuur bovenaan stelt en het gelijkstellen van marxisme met economisme. Om misverstand te voorkomen, wijs ik er op, dat zij die het fascisme als een cultuurbeweging zien, daarmee in 't geheel niet willen zeggen, dat ze de fascistische cultuur aanvaarden. Integendeel, men kan, zoals de schrijver van dit boek, de cultuuropvattingen van het fascisme ongegrond, dom, weerzinwekkend en gevaarlijk vinden, maar daarmee verandert niets aan het feit dat de fascisten in de eerste plaats door cultuurmotieven gedreven worden. En evenmin wordt hierdoor ongedaan gemaakt dat de fascistische rangordening ‘cultuur-politiek-economie’ de enige aanvaardbare en gezonde ordening is, terwijl het marxistische ordening ‘economie-politiek-culttuur’, een onwaardige en ontérende ordening is. En men zal moeten begrijpen, dat het fascisme juist aan die gezonde ordening een belangrijk deel van z'n kracht en succes te danken heeft, bij allen die instinctmatig beseffen dat de hiërarchie der kapitalisten en der marxistisch-proletarische-socialisten princi-

[p. 127]

pieel onaanvaardbaar is. Tegenover elkaar stonden, een principieel juiste ordening, met een op alle gebieden verkeerde inhoud (fascisme); en een principieel onjuiste ordening, met een op vele punten juiste inhoud (kapitalisme en marxisme). Nodig is dus, maar hierover spreken we eerst later, een pricipieel juiste ordening, met een inhoud die op ieder gebied zo veel mogelijk verantwoord is.

Wat het marxisme betreft, het zou een studie op zich zelf zijn, na te gaan hoe het tot z'n principieel zo noodlottige ordening gekomen is. Bij Marx, zo zou een onderzoek uitwijzen, is in den oorsprong de juiste ordening aanwezig: hij is een Duits cultuurfilosoof door humanistische motieven gedreven. Maar zijn grote ontdekking-, die van de ontzaggelijke betekenis welke de economische factor in de geschiedenis heeft, overweldigt hem zodanig - waarbij hij nog gehandicapt werd door de starre Hegeliaanse schema's waarin hij z'n denken had laten opsluiten - dat hij de normale rangordening verwerpt en de economie bovenaan plaatst. Bij zijn opvolgers is de fout niet, zoals bij Marx, het gevolg van een genialiteit op economisch gebied die tot eenzijdigheid uitgroeit. Integendeel, de onvruchtbaarheid der marxisten juist als economen is bijna monumentaal: het zal tot 1912 duren eer van marxistische kant de eerste oorspronkelijke poging tot uitwerking der theoretische economie (Rosa Luxemburg: Die Akkumulation des Kapitals) ondernomen wordt. Niet de economen, doch de economistische mensen, d.w.z., de vulgaire mensen, de maag-mensen, verzamelen zich in hoofdzaak onder de vanen van het marxisme. Wie niet vulgair is, verzet zich tegen de marxistische rangschikking, openlijk (Jaurès) of feitelijk, ondanks uiterlijke orthodoxie (Luxemburg, Lenin, Trotzki) maar nooit zo duidelijk en zo bewust dat hij het vraagstuk der hiërarchie aan de orde stelt. Dit geschiedt slechts door heel enkelen, Gustav Landauer vóór de oorlog, en Hendrik de Man na de oorlog. De gewone marxist en ook de gewone reformist die het marxisme afwijst, maar in wezen de rangordening van het marxisme aanvaardt, de gemiddelde sociaal-democraat, Labour-man, vakverenigingsman, is in zekere zin marxistischer dan Marx. Bij Marx was het marxisme een geniale afwijking; bij de marxisten is het een spontaan aanvaarden van de vulgaire rangorde der varkensvreugden.

Voor Mussolini is de marxistische hiërarchie nooit van enige betekenis geweest, het was hem organisch onmogelijk een andere

[p. 128]

rangorde te aanvaarden, dan die van cultuur-politiek-economie, waarbij dan aanvankelijk zijn cultuuropvattingen en in nog veel hogere mate zijn politieke opvattingen, sterk gekleurd worden door de eredienst en de mystiek van het proletariaat, zoals die in de kring van z'n opvoedster Angelica Balabanof, bedreven werden. Zijn ervaringen in de tijd der interventie, hebben z'n bindingen aan het proletariaat verbroken, en de ervaringen uit de eerste tijden van het fascisme hebben dit proces voltooid, terwijl in de loop der interventionistische-fascistische periode, de bindingen met de middengroepen zijn gelegd en versterkt. Van bindingen aan het kapitalisme is, zoals gezegd, geen sprake, en het bestaan van zulke bindingen is ook daarom al onwaarschijnlijk, omdat de rangordening der typische kapitalisten precies dezelfde, economistische, is als die der typische marxisten met wie Mussolini ook nooit iets gemeen had.

 

Doch zoals we reeds zeiden, de rangorde: cultuur-politiek-economie is een typische rangorde der intellectuelen en slechts in de tweede plaats een rangorde der middengroepen. Alleen in zoverre die middengroepen, de intellectuelen, (die in de ruimste betekenis van het begrip eveneens deel uitmaken van de middengroeperingen), als hun leiders erkennen, aanvaarden ze ten volle een dergelijke rangorde. Zijn echter de middengroepen in hun grote massa van de intellectuelen vervreemd (en omgekeerd), wat vrijwel overal het geval is, dan kunnen deze groepen geen levende en sterke cultuurkracht bezitten.

De cultuur der intellectuelen is dan een wereldvreemde intelligent-doenerij, een soort bedenken van kruiswoordraadsels en andere ingewikkelde spelletjes op het gebied van filosofie, kunst e.d., waarbij ongelooflijke hoeveelheden intelligentie en virtuositeit gebruikt worden om zichzelf het gevoel te geven dat men iets heel ongewoons zegt en denkt en is, terwijl men in werkelijkheid alleen maar z'n uitgangspunt verloren heeft, z'n verbindingen met de wereld en de maatschappij is kwijtgeraakt, en alleen nog maar een gevangene is van een terminologie die zinneloos is geworden, aangezien alleen een terminologie die betrekking heeft op natuur en maatschappij zin heeft.

We bedoelen hiermee niet, een herhaling te geven van de zo vaak gehoorde klacht dat het zich meer en meer specialiseren van de intellectuelen noodlottig zou zijn geworden voor de cultuur. Deze

[p. 129]

klacht is ongegrond. Specialisatie is een onmisbare vorm van verfijning der techniek waarmee de cultuur werkt. Als zodanig is ze met de werkelijkheid verbonden. Maar de specialist is als zodanig en zolang hij bezig is met z'n vakwerk, geen cultuurmens. Hij is slechts technicus, arbeider. Cultuurmens is hij eerst, zodra hij de samenhang van zijn werkzaamheden, met het totaal van menselijk kunnen en zijn, beseft. Het is heel best mogelijk dat hij dit niet doet en niet kan, juist omdat hij te zeer door het uitoefenen van z'n ambacht (b.v. de wiskunde of de biologie) in beslag is genomen. Vandaar dat er meestal andere mensen nodig zijn om de resultaten van het werk dier cultuur-technici samen te vatten, en aantegeven wat dit alles voor de wereld en de mensheid betekent. Deze mensen nu, de cultuur-filosofen, de cultuurhistorici, de kunstenaars, de moralisten, de politici, de journalisten en niet te vergeten de ontwikkelde dilettanten, vormen de eigenlijke kern der intellectuelen, de verbinding tussen de specialisten, de verbinding tussen cultuur en massa, de verbinding tussen de vakmensen en de cultuur. Maar juist deze groep was hoe langer hoe meer vervreemd geraakt van z'n eigenlijke leidinggevende taak. Men vindt hoe langer hoe minder filosofen met een verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van de cultuur d.w.z. bereid en in staat leiding te geven aan de mensheid. Die taak werd, vol verachting, overgelaten aan de politici. Cultuurfilosofen en -historici werden vakmensen, zoals de kunstenaars vakmensen werden, de moralisten hun werkingssfeer beperkten, de journalisten zich tot vermaak of onderricht bepaalden en de politici op z'n best de techniek der demagogie gingen uitoefenen. De ontwikkelde dilettant tenslotte, d.w.z. de gewone cultuurmens bij uitnemendheid, werd tot kunstliefhebber of filosofieliefhebber, maar verloor het besef dat cultuur-mens zijn, ook omvat het staatsburger zijn, het geven van politieke leiding.

We hebben hier dus te maken met een proces dat het verdwijnen der cultuurmensen, der typische intellectuelen, als leiders van hun volk, als politieke krachten en dus als werkelijke cultuurkrachten, tot inhoud heeft. Over de oorzaken van dit proces komen we nog te spreken. Voorlopig volstaan we met het feit te constateren: de intellectueel, die ten tijde van de burgerlijke revoluties de leider van zijn volk was geweest, is nu tot vakmens of zoeker naar z'n eigen vermaak geworden.

Deze intellectueel die van z'n beroep b.v. arts of wiskundige is en

[p. 130]

die in z'n vrije tijd tennist, of viool speelt, God zoekt, of verzen leest, is voor de gang van zaken in de maatschappij en dus uiteindelijk voor de cultuur, van minder invloed dan een fabrikant, een vakverenigingslid, een partijgenoot, een soldaat of een knokploegman. Z'n medemensen bekommeren zich even weinig om hem, als hij om z'n medemensen. Zo is hij tot een maatschappelijk atoom geworden, zonder enige betekenis. Vroeger of later bemerkt hij dat er allerlei onaangename dingen in de wereld gebeuren, die ook hem, z'n bestaan, z'n vale, z'n liefhebberijen raken. Maar als hij zich tegen dat gebeuren wil verzetten, bemerkt hij dat hij een vreemdeling in de wereld geworden is, dat hij geen vat op het menselijk handelen heeft, dat hij machteloos is. Hij kan geen. rangorde ‘cultuur-politiek-economie’ doen ontstaan, want hij kent de zin ener dergelijke orde niet eens. Hij kent alleen ‘cultuur’ in engere zin. Maar cultuur zonder politiek en economie is een dode, kunstmatige, salon- of kliekjes-cultuur, die noodzakelijkerwijze parasitair moet worden, of moet ondergaan.

 

Aan de andere kant kunnen de middengroepen, zonder leiders die aan de economische krachten en politieke noodzakelijkheden een culturele doelstelling weten te geven, niet verder komen dan tot een politiek die óf economistisch is, óf, door een namaak-cultuur, de vulgaire waarden verheft en b.v. de politiek als doel in zich zelf gaat vereren. Ziehier wat in Italië gebeurd is en wat in 't algemeen in het fascisme geschiedt. Mussolini die te maken had met middengroepen zonder leiding van culturele intellectuelen, moest noodzakelijkerwijze in een ersatz-cultuur vervallen. De Italiaanse cultuurdragers stonden buiten het maatschappelijk leven, hadden een artistieke of filosofische kliekjes-cultuur, waren ‘ideologen’ geworden. Met deze ideologen kon het fascisme zich niet verbinden en zij van hun kant wensten geen verbinding met enige politiek. Zo was alleen een heerschappij der middengroepen mogelijk, waarbij deze zich onderwerpen aan een politicus, die een ersatz-cultuur maakt, bestaande uit de verheerlijking der politieke machtsuitoefening, aangevuld met versleten traditionele cultuurwaarden: de nationale eer, het herleefde Romeinse Imperium, Middeleeuwse gilden-bouw der maatschappij, God, Gezin, Gezag, enz. enz. enz. Zoals men vroeger in het Duitsland van Wilhelm II, waar de scheiding tussen de cultuur-dragers en de machtdragers reeds scherp naar voren kwam, spoorwegbruggen

[p. 131]

en -stations in Gothische stijl bouwde, zo bouwde Mussolini een modem Italië in Romeins-Middeleeuwse stijl.

Het fascisme moet tot zulke dingen komen, omdat het weliswaar een cultuurheerschappij wenst, maar tegelijkertijd de enige mogelijkheid om tot een werkelijke cultuurheerschappij te geraken, n.l. het vormen van een nieuwe maatschappelijk-gezinde intellectuelen-groepering, afsnijdt. Het is anti-intellectualistisch, ten dele uit gegronde afkeer van de aanwezige energie-loze en onmaatschappelijke intellectuelen, maar ten dele ook, omdat het te gemakzuchtig is om de moeilijke weg naar een nieuwe cultuur te durven inslaan. Het voelt, dat nieuwe maatschappelijke en culturele intellectuelen, geen vrede kunnen hebben met z'n goedkope traditionalistische idealen, dat zij de strijd der meningen en de stormen der critiek zouden oproepen, en staat en volk zouden organiseren zodat deze zich op weg naar een nog onbekende toekomst zonden kunnen begeven. Dat onbekende schrikt het fascisme af. Inplaats van zich een nieuw cultuur-ideaal te stellen, en een internationale taak op zich te nemen, vlucht het in de nationale tradities en beperkt zich tot een geduchte militaire organisatie van het oude. Tegenover het materialisme der socialisten stelt het geest en cultuur, maar versteende-cultuur, en, op-organisatie-alléén-gerichte-geest.

Deze gemakkelijke oplossing is niet in overeenstemming met de beste verlangens die aanvankelijk in de fascistische élite leefden. Vandaar dat het fascisme, als het aan de macht gekomen is, moet afrekenen met zijn idealisten, wat het gewoonlijk verbergt door tegelijkertijd ook een afrekening met z'n ergste gespuis op touw te zetten. Het Italiaanse fascisme is, ook naar de mening van een aantal zijner eigen aanhangers, halverwege blijven staan, juist waar het zijn culturele taak betreft. Kaast algemenere oorzaken, is dit ook het gevolg van de persoonlijke invloed van z'n voornaamsten leider, Mussolini. Het aanvaarden van een compromis, was tevens een overwinning van Mussolini's vulgaire karaktertrekken op zijn grote gaven en bijzondere talenten. Het is een overwinning van den demagoog op den Nietzscheaan in Mussolini. De Nietzscheaan wilde niet alleen een nieuwe maatschappelijke economisch-politieke organisatie, maar ook een nieuwe cultuur, nieuwe mensen. Maar Nietzsche heeft, niet zonder reden, als het tegendeel van zijn eigen type aangegeven: de toneelspeler. Of om het uitvoeriger te zeggen, de man die verliefd is op z'n eigen stem, z'n eigen gebaren,

[p. 132]

op vergaderingsgejuich, massa-vertoningen met vaandels, muziek, paradepas. Ziehier de Mussolini die wij allen van de film-journaals kennen, die als een prima-donna met z'n heupen wiegelt terwijl hij staat te spreken, die z'n lippen aflikt en op een hoe-heb-ik-hem-dat-gezegd-manier met z'n ogen knipt, na een paar galmende volzinnen te hebben uitgestoten, het is de Mussolini van de vele uniformen en klederdrachten, de zwemmer, auto-rijder, aviateur, ruiter, landbouwer, houweelzwaaier, die bovendien ook nog de viool bespeelt, met leeuwen wandelt, in een zaal van geweldige afmetingen alleen achter een enorm schrijbureau zit, z'n kin vooruitsteekt en met z'n ogen probeert te bliksemen, ofschoon hij het gewoonlijk niet verder brengt dan rollen. Dat is Mussolini de nar, de kwast, de vulgaire aansteller. En het allerergste is niet dat Mussolini zulke dingen doet omdat de massa nu eenmaal een zekere hoeveelheid bombast en theatraal gedoe nodig heeft - of dit juist is kan betwijfeld worden, aangezien Lenin een grote indruk op de massa heeft kunnen maken zonder enig theater - of in ieder geval gemakkelijker met bombast gelukkig te maken is dan met soberheid en waardigheid; het allerergste is dat Mussolini blijkbaar zélf heel veel behagen schept in al die aanstellerij en dat hij dus tot op een zekere hoogte inderdaad alleen maar een aansteller is.

En de vraag is, in hoever wint de aanstellerij het van de ernst. De vraag is daarom van belang, omdat ze ver boven de persoon van Mussolini uitgaat. Want zoals de schepper en leider, die alleen schepper en leider kon zijn omdat hij uitdrukking gaf aan wat de volgelingen vaag of duidelijker verlangden, zo is de gehele beweging, het gehele fascisme: mengsel van aanstellerij, toneelspelers- en schooljongens-mentaliteit, of erger nog de vulgairste en vuilste neigingen van sadisme tot grootheidswaanzin, bekrompenheid, stompzinnigheid, afkeer van geestelijke inspanning, angst voor scherpzinnigheid - mengsel van dit alles, als chauvinisme, rassisme en kazernisme aan den dag tredend, met cultuur-verlangens, verlangens naar geestelijke verdieping, streven naar een aristocratische, d.w.z. door de besten geleide, samenleving, wil tot een gevaarlijk leven, gevaarlijk niet alleen in de soldateske zin, maar ook in de intellectuele en emotionele zin. Wie van de twee, zo moet men de vraag in haar algemeenheid stellen, zal daarbij overheersen: het vulgaire of het nobele sentiment?

[p. 133]

Het antwoord op deze vraag moet luiden: in het fascisme moet op den duur het vulgaire de overwinning behalen. Want het fascisme bevat wel elementen van een wil tot cultuur-heerschappij, doch het is geen consequent cultuur-streven. Zoals het in z'n aanvang verbonden is met rowdy's en geldwolven, zo is het op iedere verdere stap van z'n loopbaan verbonden met elementen, die het beletten tot inzicht in z'n taak, tot besef van de consequentie van z'n beste gevoelens en inzichten te komen. Zich vastkoppelend aan vaderland, nationale grootheid en nationale macht, verbindt het zich niet slechts met de domste, mufste en roofgierigste elementen in het land, maar sluit het ook meteen een ontwikkelingsmogelijkheid in politieke zin af. Het kan de internationalistische strekkingen, die in de wereld aanwezig zijn en die voortdurend sterker worden, niet tot hun recht doen komen: Met internationalistische strekkingen bedoelen we hier niet zulke vage dingen als liefde voor de bewoners van andere landen, broederschap tussen de mensen, overwinning van vooroordelen, e.d., noch een ontkenning van de historisch gegroeide nationale realiteit. We bedoelen uitsluitend zulke feiten, als de, door de ontwikkeling der techniek gewijzigde, betekenis van de omvang en de mogelijkheden der oude nationale staten. Een staat als Italië met z'n betrekkelijk geringe oppervlakte, z'n ligging in een uithoek van Europa aan een binnenzee, z'n gebrek aan nagenoeg alle belangrijke grondstoffen, z'n enige tientallen millioenen inwoners, heeft in-zich-zelf slechts beperkte mogelijkheden en geen, nog zo opgezweept, nationalisme kan hierin verandering brengen.

Mussolini kan zich ten doel stellen de beheersing van de Middellandse zee, het verkrijgen van een vrije toegang naar de Atlantische Oceaan door het onder zijn oppermacht brengen van Spanje, door het veroveren van de Franse bezittingen in Noord-Afrika Doch een dergelijk plan houdt in, een oorlog met Frankrijk en Engeland, het betekent ook dat hij zich Turkije, Egypte en het opkomend Arabisch nationalisme tot vijand moet maken, aangezien men daar spoedig het grote verschil zal inzien tussen een soepele Britse hegemonie of een oppervlakkige Franse bezetting en een straf-georganiseerde Italiaanse verovering en onderdrukking. Het betekent verder dat de Balkanstaten zich tegen de nieuwe veroveraar zullen samentrekken, en dat Rusland als de natuurlijke bondgenoot zal verschijnen voor alle volken die in het Oostelijk deel van de Middellandse Zee wonen en die door het ontstaan van

[p. 134]

een nieuw Romeins Imperium bedreigd worden. Wat het oude Rome kon bereiken in een wereld, waarin het de enige goed georganiseerde staat was, in een Europa dat voor het grootste deel een machteloze barbarij was, dat is thans, voor Italië alléén, een onmogelijkheid.

Alleen reeds voor een oorlog tegen Frankrijk en Engeland zou Mussolini, om ten minste enige kans te hebben, de medewerking van Duitsland nodig hebben. Doch ook in dit geval is de overwinning ver van zeker, aangezien achter Frankrijk en Engeland, Amerika oprijst. En mocht een dergelijke wereldoorlog van Duitsland-Japan-Italië, tegen Amerika-Rusland-Engeland-Frankrijk gewonnen worden, dan zou de eigenlijke overwinnaar Duitsland zijn voor het Westen en Japan voor het Oosten, terwijl de Italianen dan te maken zouden krijgen met het land dat door ligging en kracht streeft naar de opperheerschappij in Europa, met de ‘Barbaren van het Noorden’ zoals Mussolini de Duitsers placht te noemen.

 

Mussolini's positie is ongetwijfeld moeilijk. Vóór de overwinning van het fascisme in Duitsland, was Italië een onbelangrijke Middellandse-zee-staat. Eerst toen de vrees voor het opkomend Duitsland, Frankrijk en Engeland in bedwang hield, kon hij z'n Abessijns en z'n Spaans avontuur gaan beginnen, maar nu wordt hij tevens een aanhangsel van Duitsland. Alleen in de schaduw van de ‘Barbaren’ kan hij groeien, maar daarmee groeit ook het gevaar dat hem uiteindelijk van de kant dier Barbaren dreigt. En wil hij een andere weg inslaan, dan worden zijn mogelijkheden beperkt door de grenzen die Engeland en Frankrijk hem aanwijzen. De enige werkelijke mogelijkheid die er voor Italië zou bestaan, ligt in de vorming van een Verenigde Staten van Europa, waarin Italië niet meer macht zou bezitten dan iedere andere onafhankelijke staat die tot deze Federatie zou behoren, maar waarin Mussolinu door zijn persoonlijke talenten en Italië door z'n culturele energie en bekwaamheid, een zo grote rol zou kunnen spelen als talent en energie slechts kunnen verschaffen.

Doch dit zou de weg van cultuur en werkelijke inhoud zijn, en deze weg is voor het fascisme onmogelijk, omdat het in eigen land geen culturele ontplooiing duldt, doch slechts een machtsordening volgens een, voor eens en voor al, vastgesteld cultureel schema. En zoals het naar binnen slechts machtsordening is, opgebouwd op

[p. 135]

een versteende traditionele cultuur, zo kan het naar buiten slechts militaire verovering zijn en onderwerping van andere volken aan Italië. Van een cultuur-ordening kan hierbij geen sprake zijn, want het Italiaanse fascisme kent en erkent slechts één cultuur, de Italiaanse, en andere volken moeten geïtalianiseerd worden, wat alleen mogelijk is, als de Italiaanse fascisten in die landen op alle belangrijke commandoposten worden gesteld. Tot een cultuur die voor vele volken aanvaardbaar zou zijn - zij het met de nodige variaties voor ieder land - een Europese of tenslotte een wereldcultuur, kan het fascisme niet komen; het heeft zich door z'n eredienst van het verleden, door het tot onverwrikbaar criterium maken van een bepaalde trap ener nationale cultuur, iedere toekomstmogelijkheid als leider der culturele groei afgesneden. Het fascisme, ofschoon zich aankondigend als ‘dynamisch’ is, gezien in wereldmaatstaf en in de tijd, bij uitstek ‘statisch’. Slechts in de enge grenzen van natie en huidige periode is het ‘dynamisch’. Andere volleen kunnen die cultuur niet verwerken en zich eigen maken, ze kunnen er slechts aan onderworpen worden. Zo is Mussolini's fascisme slechts bruikbaar in een door Italianen beheerste wereld. Het is echter zeer de vraag of de Italianen in staat zijn, behalve een koloniaal gebied, ook nog een aantal Europese gebieden te overheersen, b.v. Spanje en de Balkanstaten, om van Frankrijk maar niet te spreken.

Integendeel, het is onwaarschijnlijk dat de Italiaanse kracht ook maar ten dele zo groot zou zijn als de Italiaanse fascisten zelf geloven. De nationalistische zelfverheerlijking, de bombast en de vulgariteit hebben misschien ook Mussolini zélf doen geloven, dat hij er in geslaagd is, het industriëel en organisatorisch achterlijke Italië, in 15 jaar tijds tot een materieel krachtig land te maken. In werkelijkheid is Zuid-Italië nog steeds een armoedig en ongeordend agrarisch gebied en is in Noord-Italië meer uiterlijk vertoon dan innerlijke kracht aanwezig. Het fascisme heeft de Italianen wel oppervlakkig gemilitariseerd, maar nog niet tot een soldatenvolk gemaakt. De honderdvoudige technische overmacht in Abessinië moest wel tot een militaire overwinning leiden, maar het Abessynse avontuur bewees tevens dat de kwaliteit van het leger en van de leiding der Italianen niet zeer hoog was.

In Spanje, tegen een wat beter geoutilleerde, doch nog steeds zwakke vijand, bleken de Italianen ver beneden Europees gemiddelde te staan. En zekere successen met vliegmachines en

[p. 136]

auto's, kunnen niet doen vergeten dat de industrieel-organisatorische kracht van een land, zich niet in records doch in gemiddelden uit. Het is mogelijk, dat Mussolini zélf, z'n eigen en de Italiaanse bluf voor realiteit aanziet, wat voor de tegenstanders van het fascisme zeer prettig zou zijn; doch in ieder geval staat het vast, dat de werkelijke kracht van het Italiaans fascisme veel geringer is dan de fascisten en de meeste hunner serieuze tegenstanders aannemen.

Mussolini is in een slop geraakt en met hem het fascisme. Inplaats van een nieuwe Italiaanse renaissance die op Europa overgedragen had kunnen worden, en die Italië de geestelijke leiding van Europa zou hebben gegeven, inplaats van een bewust-wording der middengroepen, die, het proletarisch materialisme brekend, en het kapitalistisch materialisme overheersend, de rangorde cultuur-politiek-economie in de wereld wist te doen zegevieren, kwam een halverwege onderbroken rebellie der middengroepen tot stand. De fascistische revolutie ontaardde reeds in haar eerste begin/ze nam zowel van het kapitalisme, als van het proletariaat, voldoende over, om de winzucht van de ene groep en de massacultuur van de andere, tot een belangrijk bestanddeel van haar praktisch werken te maken. En door de traditionele nationalistische cultuur als een vaste onwrikbare waarde te aanvaarden, werd ze tot een chauvinistisch-militaristische beweging, vijand van denken en critiek, vijand van non-conformisme, vijand van de intellectuelen en de cultuurscheppers en -dragers. Zo kon ze niet tot een werkelijke cultuur-beweging worden, doch werd ze tot I een beweging, die de cultuur ondergeschikt maakte aan de politiek en die dus een politiek totalitarisme verwerkelijkte.

Zo is de beweging der middengroepen in Italië en daardoor het fascisme mislukt. De wegen naar een nieuwe cultuur en naar nieuwe mensen die daar hadden kunnen worden geopend, zijn juist nergens meer af gesloten dan daar (Duitsland en Rusland wellicht uitgezonderd). En Mussolini staat voor ons, als de man der proletarisch-socialistische beweging, die dank zij z'n Nietzscheanisme, z'n poëtisch-cultureel gevoel, het onvoldoende dier beweging besefte en die zelfs een ogenblik in de buurt scheen te zijn van het inzicht in de betekenis van een beweging der middengroepen-intellectuelen, een cultuurbeweging ter omvorming van de maatschappij en haar waarde-rangschikkingen. Doch gebrek aan wetenschappelijke scherpte en aangeboren vulgariteit, gebrek aan inzicht bij de so-

[p. 137]

cialistische leiders, het nog ontbreken van een eigen beweging in de middengroepen, dit alles voerde hem snel af, van wat z'n wereld-historische taak had kunnen zijn. Het gemakkelijke succes dat hem door de tegemoetkomende houding van kapitalisten, militairen, bureaucraten en nationalisten toelokte, liet hem z'n jonge beweging in de oude nationale en traditionele cultuurbanen leiden; en ondanks zekere anti-kapitalistische maatregelen, heeft hij zich niet meer uit die positie kunnen verlossen en is hij de weg opgegaan die naar oorlogen en avonturen moet leiden en die met de ondergang van Italië en van het fascisme moet eindigen, ondergang, hetzij door democratische of door totalitaire hand.

Het Italiaans fascisme kan dus gezien worden als het begin van een doorbrekend inzicht in de betekenis van cultuur en middengroepen, een inzicht dat bij Mussolini nooit volkomen aanwezig is geweest en dat in de verdere ontwikkeling weer geheel is verloren gegaan en tot een onvruchtbaar totalitarisme is verworden. Een eerste aanloop tot bewustwording is bemerkbaar, maar inplaats van een bewuste wending naar cultuur en toekomst, is een afglijden in soldaterij en traditie het resultaat geweest.

Niettemin is de beweging van Mussolini belangrijk, zowel om het vage besef waarvan ze een uiting is, als om het verloren gaan van dat besef.

Men kan nu de vraag stellen, of de tweede grote golf van het fascisme, het Duitse nationaal-socialisme, in sommige opzichten wellicht van meer betekenis is dan het Italiaanse fascisme. Wij zullen dus dat nationaal-socialisme nader gaan onderzoeken.

1)G. Seldes ‘Sawdust Caesar’; A, Kurella: ‘Mussolini ohne Maske’; M. Borghi: ‘Mussolini en Chemise’ - drie typische ‘anti-fascistische’ boeken van het o.i. verkeerde, en tot geen enkel begrip van. het fascisme leidende, soort.
1)‘Insurgent America, Revolt of the Middle-Classes’ door Alfred M. Bingham, Harper and Brothers, New-York 1935, blz. 117.
1)In hoever het ‘corporatisme’ inderdaad fraseologie is, bespreken we nog in hoofdstuk VII ‘Mythe of Inspiratie’.
1)Geciteerd door: Georges Roditi: ‘Om Maak en kleur’ (Nieuwe Kern 1937 blz. 236).
prepostterug  begin