Het Duitse nationaal-socialisme is ongetwijfeld een veel pathologischer product dan het Italiaanse fascisme. Bij de Italianen ziet men altijd de poging om tot een maatschappij hier op aarde te komen, een maatschappij met imperialistische soldaten-deugden en met een cultuur die een verheerlijking wil zijn van de imperialistische pralerij. Deze verlangens worden met grote hartstochtelijkheid naar voren gebracht, en die wilde hartstocht kan, bij oppervlakkige beschouwing, voor religie doorgaan. Maar wie het nader bekijkt, ziet hoe uiterst aards zowel de opzet als de exaltatie zijn.
Iets geheel anders bemerkt men bij het Duitse fascisme. Hier is niet de Italiaanse berekening, de geestdrift voor een rationele doelstelling en de opgewondenheid die uit een geestdriftige actie voortkomt, hier is de exaltatie het primaire, men beschouwt het aardse niet als de hoofdzaak, maar als een tussenstation om van buitenwereldse gevoelens tot nog meer geëxalteerde toestanden te komen.
Geen dwaling is groter dan het verwijt zo vaak tot de Nazi's gericht, dat zij eigenlijk nieuwe ‘materialisten’ zijn, die een soort biologisch en geografisch materialisme van ‘ras, bloed en bodem’ in de plaats van de vroegere materialismen stellen. Zowel biologische als geografische argumenten hebben hun waarde, als ze tot een realiteits-systeem behoren. Maar reeds de gang van biologie-geografie naar ‘ras’, om niet te spreken van het zo mogelijk nog zottere ‘bloed’ en het zinledige ‘bodem’, is een gang van de realiteit naar de metaphysica. En de wijze waarop dan die metaphysica tot een te aanbidden mysterie gemaakt - men zou beter kunnen zeggen ‘geneveld’ - wordt, maakt het voor alle onderzoekers duidelijk, dat we hier met een typische ideologie te doen hebben en dan nog wel met het slechtste soort ideologie, nl. met
een religie, die in staat van wording, in haar mythologische faze verkeert. En terwijl een dergelijke toestand bij primitieve barbarenvolken - volken die nog niet aan de ‘cultuur’ toe zijn en wier eerste, onbeholpen, poging om tot cultuur te komen, juist in het vormen van een mythologische religie bestaat - een uiting van levenskracht en van wil tot inzicht geacht kan worden, en als zodanig te waarderen is, moet men het verschijnsel bij een oud cultuurvolk als het Duitse, geheel anders beoordelen. Men kan er dan slechts een regressie, een terugval in de barbaarsheid, een vlucht in de ziekte in zien.
Een dergelijke vlucht in de ziekte is zonder een werkelijk ziekteproces niet denkbaar. Het is inderdaad een poging tot genezing, maar een poging die gedaan wordt, als men de werkelijke ziekte niet kent of niet wil kennen - niet durft te kennen. En als men dus ook de werkelijke weg tot genezing niet ziet of niet durft te betreden.
De eigenlijke vraag is dus: wat is het werkelijke ziekteproces der Duitse maatschappij. Is het een proces dat uitsluitend van onze tijd is? Was het ook al voordien aanwezig, en eerst in onze tijd tot een zo overweldigend en fel verschijnsel geworden? Is het specifiek Duits, of is het een algemeen proces dat de gehele Westerse cultuur omvat, en zo ja, wat is er dan in Duitsland speciaal aan toegevoegd?
Doch voormen tot het beantwoorden van die vragen kano vergaan, is het de moeite waard, na te gaan hoe deze vlucht in de mythologie, die in Duitschland niet spontaan kan zijn, doch uit een rationalisatie van zekere gevoelens moet zijn ontstaan - want dat de Nazi-wereldbeschouwing een beredeneerde mythe is, wordt na enig onderzoek reeds duidelijk - bij de scheppers der Nazileer tot stand kan komen. Zij gaan uit van het ongetwijfeld juiste gevoel, dat de Duitse maatschappij ziek is. Doch zij achten het niet nodig nauwkeurig te onderzoeken, wat er eigenlijk aan de hand is. Zij weten dit reeds ‘intuïtief’, d.w.z. een paar elementen werken zo sterk op hun gevoel, dat ze de rest niet meer kunnen zien, en uit deze bewustzijnsvernauwing spruit dan de absolute zekerheid van weten voort.
Wat ze dan ‘weten’ is, dat Duitsland is afgeweken van de heldhaftige eenvoud die de voorvaderen bezaten. Dit is natuurlijk niets anders dan de reflex van het feit, dat de maatschappij steeds
gecompliceerder geworden is, zodat het uiterst moeilijk is een juist inzicht te verwerven en nog moeilijker de gang van zaken te beheersen. En hieruit concludeert men nu niet, dat zeer bijzondere capaciteiten nodig zijn, om thans en in de toekomst de weg door de wereld te vinden, doch dat een grote vereenvoudiging nodig. is, een zo ver mogelijk teruggaan naar een primitieve gemeenschap. Men meent dat een eenvoudige overzichtelijke orde ook op heden gemakkelijk mogelijk is, want een dergelijke toestand vindt men in het leger, waar bevelen van boven en gehoorzamen door de ondergeschikten, alle problemen in een handomdraaien oplossen. Natuurlijk is een dergelijke opvatting, een typische ‘frontstrijders’-opvatting, een mening van soldaten en lagere officieren die geen flauw vermoeden hebben van de gecompliceerdheid van stafwerk, organisatie-techniek, industriëele en wetenschappelijke problemen, waarmee het leger te maken heeft, om over het verband tussen leger en maatschappij (in alle andere opzichten) maar niet te spreken. Men meent dat alles met bevelen en gehoorzamen in orde te brengen is, en dat dus een soldaterige maatschappij een eind zou maken aan al de moeilijkheden van thans. De betere maatschappij van vroeger was ook een soldaten-gemeenschap, wier deugden verdwenen zijn door de invloeden van de handelslieden (= Joden) en van de redeneerders en uitpluizers (= intellectuelen = Joden).
Men moet dus een maatschappij scheppen, gezuiverd van de Joodse zonden, waarin de zuiverheid van het ras der soldaten weer wordt hersteld. Zuiverheid van ras hangt dus niet alleen samen met zuiverheid van bloed (afstamming) maar ook met de levenswijze, welke overeen moet komen met het leven van den soldaat, die het land beschermt en vergroot. Aangezien het niet voortdurend oorlog is, en aangezien ook soldaten niet alleen van ‘Ehre’ und ‘Treue’ kunnen leven, moet er gewerkt worden, maar zo, dat de soldaat altijd voldoende voedsel heeft. En het werk moet tevens van dien aard zijn, dat een physiek sterk, weinig eisend, simpel en tot gehoorzamen geneigd mensenslag ontstaat. Vandaar de voorliefde voor de lichamelijke arbeid, als wier symbool de boer, en in de tweede plaats de handwerker-industrie-arbeider gezien wordt. Trouwens, de fabriek dient om in de behoeften van landbouwer en soldaat te voorzien. Ziehier dan het eenvoudigste schema van ras-bloed-bodem, zoals het door de gemiddelde Duitser begrepen of ‘aangevoeld’ wordt.
De oude Germanen hadden een maatschappij van krijgslieden en werkers (landbouwers) en er was geen spoor van zonde in die wereld, zo idealiseert de gemiddelde Duitser het verleden. Wij moeten een soortgelijke wereld zien te scheppen, en dus beginnen met het geloof in dat heerlijke verleden - een verleden dat slechts mogelijk was, omdat wij het uitverkoren volk zijn - in ons te dragen, onze eigen zuivere kern te aanbidden. De herleving van ras, bloed en bodem zal ons de heerschappij geven in een reine wereld, in een maatschappij die zo eenvoudig en geordend is als een kazerne.
Dit alles is natuurlijk het ‘wereldbeeld’ van acht- en tienjarige schooljongens, maar aangezien de massa niet boven het intelligentiepeil van zulke schooljongens pleegt uit te komen, is dit juist wat een beweging nodig heeft om massa-aanhang te verwerven, om een nieuw geloof aan een volk te geven. Laten we er aan toevoegen, dat bijv. ook het massa-geloof der Christenen of der Proletarische Socialisten dezelfde infantiele structuur heeft. Dat de scheppers der Nazi-beweging zo dicht bij dit massainfantilisme stonden, maakte het winnen van de massa des te gemakkelijker: Maar het gehalte der beweging werd er daardoor natuurlijk niet beter op. Want in een normale beweging is er een proces, dat van de scheppers en hun medewerkers, via het hogere en lagere kader naar de massa doorwerkt, met het gevolg, dat het kader der beweging géén infantiele opvattingen en dus geen mythologisch geloof heeft, doch beschaafde, culturele opvattingen omtrent oorsprong, betekenis en doelstellingen van de eigen taak. En zo kan, naar de mate waarin scheppers, leiders en kaders van betere kwaliteit zijn, de schadelijke uitwerking van het massageloof, beperkt en geremd worden. Een voortdurende vernieuwing en correctie heeft dan tengevolge, dat het gehalte van het massageloof van iets betere kwaliteit is, meer realiteits-elementen bevat, terwijl bovendien, door de sterkte van het kader, ook tegen de massa-instincten in, instituten tot stand kunnen komen, die van blijvende aard zijn, de massa-hartstochten kunnen weerstaan en een beschavende invloed uitoefenen (voorbeelden zijn: de Roomse Kerk of de Liberale rechtsstaat.).
Men moet echter niet vergeten, dat, zo de scheppers der nazi-beweging tot de geestelijke schoolknapen behoren, achter deze scheppers weer andere figuren oprijzen, die weliswaar geen directe
invloed op de beweging gehad hebben, doch die de geestelijke sfeer geschapen hebben, waarin de scheppers der beweging zijn gegroeid. De ‘denkers’ der beweging zijn Alfred Rosenberg en Feder. Rosenberg behoort, wat z'n kwaliteit betreft, onmiskenbaar tot de onderste laag van het hogere kader, d.w.z. tot de journalisten die ook artikel-reeksen kunnen schrijven, soms zelfs zulke lange reeksen, dat men ze voor boeken kan aanzien. Feder staat aanzienlijk beneden Rosenberg. Terwijl Rosenberg een maniak in grote stijl is, behoort Feder tot de kleine maniakken die aan een of ander onderdeeltje gefixeerd zijn (in zijn geval: de economie, en daarvan het circulatie-proces, en daarvan het credietwezen, en daarvan de rente-voet) zoals men die aantreft op het gebied van roken, sterke drank, sexuele hervormingen, wereldtalen, postzegels verzamelen, landnationalisatie, geldhervorming, enz. enz. Hitler beschouwt Rosenberg als zijn geestelijke leider, terwijl hij erkend heeft dat een redevoering van Feder een openbaring voor hem geweest is.
Achter Rosenberg echter staat Spengler en staat de Duitse nationalistische filosofie van Fichte en Hegel tot Othmar Spann en Moellervan den Bruck en de Duitse poëtiserende mystiek van Meister Eckehart tot Richard Wagner en Ernst von Salomon. Achter de Nazi-beweging en om haar heen, vindt men het geestelijk klimaat van Duitsland. En haar ontstaan en groei is slechts uit de Duitse historie en de Duitse maatschappij te verklaren.
Maar wie is in staat een formule te geven die uitdrukt wat ‘Duitsland’ is? Men kan het proberen, doch men komt in zulke gevallen altijd tot uiterst gevaarlijke eenzijdigheden. Duitschland, dat is een geweldig brok Europese geschiedenis, en in de loop van die geschiedenis zien we Duitschland voortdurend veranderen en het bewijs leveren dat ieder volk talloze mogelijkheden in zich draagt. Men kan natuurlijk geen Duitsland-begrip geven, dat Hitler en Hölderlin, Moltke en Mörike, Heines en Heine, harmonisch of onharmonisch verbindt, maar het werkelijke Duitsland heeft ze allen, en nog veel meer, omvat.
De enige vraag die beantwoord kan worden is: wat ging in Duitsland meer en meer overheersen? En daarop is slechts één antwoord mogelijk: de soldaat.
Let wel, niet de officier en nog veel minder de veldheer, niet wat er in het militaire aan scheppende of aan leidende krachten zijn.
In het Duitsland van Frederik de Grote overheerste de scheppende veldheer, die tegelijkertijd staatsman en cultuurmens was. In het Duitsland van Bismarck en Moltke was reeds een verdeling tot stand gekomen; en slechts met grote moeite en lang niet altijd, kon Bismarck, die in z'n beste ogenblikken een scheppend staatsman was, zich handhaven tegen Moltke, die al geen veldheer meer, doch alleen nog maar een voortreffelijk officier was.
De officier heerste; en de officier beheerst de gehele Wilhelminische periode. De cultuur was reeds verdwenen. Ze heeft, na 1848, in Duitsland slechts een zeer lange doodsstrijd gevoerd, ze heeft zich in litteraire, filosofische, muzikale en andere kringetjes gehandhaafd, ze trachtte zich te verdedigen en soms zelfs tot de aanval over te gaan, maar ze had geen heersende en zelfs geen werkelijk geeerbiedigde positie in een land, waar een reserveluitenant meer was dan een denker of een dichter, en een gardeluitenant meer dan Rilke, Mahler en Max Weber samen.1)
De Duitse geschiedenis sedert de vrede van Westfalen, dus sedert bijna drie eeuwen, is de geschiedenis van een chaos, die geordend wordt door een militaire staat: Pruisen. Pruisen is, zoals reeds Mirabeau zag, een leger dat zich van een staat voorzien heeft, zoals een mens zich van een huis voorziet. Ten behoeve van het leger leefde het volk, ten behoeve van het leger functioneerde de staat. Als het leger dit nodig had, werden fabrieken gebouwd, een industrie geschapen, spoorwegen aangelegd, volksonderwijs en sociale verzekeringen ingesteld, universiteiten geopend en ook een weinig aan ‘cultuur’ gedaan. Die cultuur, waarover Hugo Ball in z'n, blijkbaar ongeveer vergeten, boek ‘Zur Kritik der deutschen Intelligenz’ al het essentiële gezegd heeft, bestond uit verheerlijking van de Staat, van het staatsgezag, van de staatsgodsdienst, van het ‘germaanse’ staatsvolk, z'n heldhaftigheid, z'n zin voor orde en tucht, z'n soberheid en al z'n verdere soldaten-deugden.
De eigenlijke Duitse cultuur groeide los van die staat, hetzij buiten haar grenzen in kleine zelfstandige staatjes (Weimar), hetzij binnen haar grenzen in het milieu der uit-militair-oogpunt
onvolwaardigen en verachten: de burgers, de kooplieden, de Joden. En al is het juist dat iedere werkelijk cultuur overal in een uitzonderingspositie staat, en niet, of slechts na veel strijd, erkend wordt door de officiële machten, er is een groot verschil tussen de toestand in de West-Europese landen, waar de heersende groepen altijd één of twee generaties ten achter zijn, en de toestand in Pruisen, waar de heersende groepen alleen een militaire cultuur aanvaardden, of op z'n best, de voor het militaire leven bruikbare elementen uit de cultuur peuterden (van Kant en Hegel tot en met Nietzsche is de werkelijk cultuur op deze wijze door de Pruisen bewerkt) en zo een eigen cultuur tot stand brachten, die men niet anders dan ‘kazernisme’ kan noemen. In Europa hadden de heersende klassen ‘cultuur’, zij het dan ook in een verouderde uitgave. In Duitsland hadden de heersers geen cultuur, maar een ‘Ersatz’, een slecht surrogaat van cultuur, het kazernisme.
Ze hadden die Ersatz-cultuur. Maar hebben ze haar nog? Neen, want er is iets veranderd sedert het Wilhelminische tijdperk, waarover we hierboven spreken. Toen heerste de officier, d.w.z. wel niet meer de scheppende geest, zelfs op militair gebied, maar dan toch altijd nog de leidende geest, het kader. En het overige kader, de industriëlen, de zakenlui, de intellectuelen, die zich bij de staat wilden aanpassen, moesten de superioriteit van de officier erkennen. Dat ging soms moeilijk, maar men speelde het klaar. En het meest typische, en in zekere zin ook meest weerzinwekkende geval, is dat van Walter Rathenau, de zo begaafde, zich aan de wereldcultuur lavende, Joodse groot-industrieel, denker en politicus, die zich z'n hele leven door inspande, om de Pruisische garde-luitenants, de brute Jonkers, ervan te overtuigen, dat hij, Rathenau, óók een mens was, een mens van wie de jonkers op sommige gebieden misschien zelfs wat zouden kunnen leren, en die dus - allereerbiedigst natuurlijk - meende recht te hebben op een fatsoenlijke behandeling van de kant der blonde jonkers in officiers-uniform. Een dergelijke slaven-mentaliteit vindt men bij alle Duitse intellectuelen uit die periode, voorzover ze binnen het kader van de Wilhelminische staat wilden werken. Hun slaven gezindheid echter had betrekking op de ‘officieren’, de Jonkers.
Ka 1918 is echter het rijk der officieren vernietigd en alle po-
gingen der Jonkers en hun aanhang van officieren, ambtenaren en industriëlen om de macht te heroveren mislukten. Maar het verlangen naar de kazernestaat, de kazernegemeenschap en het kazerne-geloof blijft bestaan. Als de officieren niet bij machte blijken om een eind te maken aan de republiek van Weimar, (die door Spengler terecht gezien is als een poging om Angelsaksische ideeën in Duitsland te doen postvatten, d.w.z. om de kazernestaat tot een vredesstaat te maken), als ondanks de toenemende macht van de Rijksweer en van goed-Duitse figuren als Stresemann eerst, Brüning later, het gevaar blijft bestaan dat Duitsland nooit meer een dóór en dóór militaire staat zal worden, verenigen zich de hartstochtelijkste aanhangers van het kazernisme in de snel groeiende Hitler-partij. Het Duitse nationaal-socialisme is een soldaten-opstand, die aan de ene kant gericht is tegen het niet-militaire volksdeel, aan de andere kant tegen de oude militaire leiders, tegen de officiersstand.
Het niet-militair gezinde volksdeel haat men, omdat het òf de onheroïsche idealen, de tamme welstandsbegeerten van het arbeiderssocialisme nastreeft, òf, voor een zeer klein gedeelte, de cosmopolitische cultuur-idealen ener zwakke intellectuele voorhoede.
Wat de nazi's het ergst vinden is niet dat er tijdens de republiek van Weimar werkloosheid en ellende heersen, al maken zij van die noodtoestanden een handig demagogisch gebruik om de wanhopigen achter het hakenkruisvaandel te verenigen - die wanhopigen zijn niet de ‘echte nazi's’, doch slechts de meelopers, die de beweging aan haar millioenen stemmen zullen helpen. De echte nazi's echter hebben ook in de tijden van betrekkelijke welvaart hun aanvallen op de republiek niet gestaakt, want zij zouden niets verschrikkelijker gevonden hebben, dan dat die republiek erin geslaagd was, de millioenen werk en welvaart te geven en van Duitsland een staat der zatte tevredenheid, een staat zonder ‘soldatendeugden’ te maken. Een Duitsland dat zich weer een plaats in de wereld veroverd zou hebben, maar dat de wereld geen vrees meer zou inboezemen, dat niet tot de tanden gewapend zou zijn, dat een ‘welvaartsstaat’, zoals zij het honend noemden, zou zijn inplaats van een legerkamp, dat vonden de nazi's een verschrikkelijker toekomstbeeld, dan een soldatenstaat, waarin misschien aan alles gebrek zou zijn, doch waar het hele leven in dienst van het soldatisme zou staan. Vandaar dat de
kern der nazi's in de periode van 1924 tot 1929 onverzoenlijk bleef.
Nog meer dan de zatte tevredenheid van de massa der aanhangers van de republiek van Weimar, wekte de ontevredenheid van de kleine groep onafhankelijke intellectuelen de woede der nazi's op, want hier voelden ze een gevaar: de mogelijkheid dat een ander dynamisch ideaal vat zou krijgen op het Duitse volk. Hier was bezieling door een cultuur-ideaal dat lijnrecht tegenover het kazernisme stond, een cultuur-ideaal dat de volleen van Europa, ja de hele wereld omvatte. Tegen dit gevaar moest het grofste geschut in actie worden gebracht: cultuur-bolsjewisme, ontaarde lamst vernégering en verjoding, sexuele schaamteloosheid en goddeloosheid.
En dit geschut trof doel, want de onafhankelijke Duitse intellectuelen hadden, (precies als de onafhankelijke, nonconformistische, intellectuelen in andere landen), te weinig maatschappelijk inzicht en te weinig politiek besef om de verschillen tussen hun eigen streven en dat van het bolsjewistische lompenproletariaat en de bolsjewistische intellectuelen, de ontredderden, gedeclasseerden, sensatie-zoekers, sexueel-bandelozen en markt schreeuwers van het athëisme, duidelijk en onbarmhartig te doen uitkomen. Integendeel, ze meenden te moeten coquetteren met bolsjewisme en alle andere extremistische verschijnselen.
Van een nonconformistische cultuurbeweging, strevend naar massa-aanhang, is dan ook nooit sprake geweest, laat staan van een politieke beweging, gedragen door zulke cultuur-idealen. De kleine groep onafhankelijke Duitse intellectuelen was slechts in geringe mate onafhankelijk, want ze liet zich telkens weer door de communistische partij en haar cultureel filiaal (beheerd door de geslepen zakenman Willy Münzenberg) gebruiken. En de paar intellectuelen die werkelijk onafhankelijk bleven, bepaalden zich tot schrijven, componeren, schilderen, het verrichten van scheppend werk. Doch zij begrepen niet, dat voor cultuur, niet alleen scheppend werk, doch ook het winnen van aanhangers, het maken een ‘beweging’ nodig is.
Zo werden de Duitse intellectuelen nimmer een gevaar voor de nazi's, doch alleen maar een verschijnsel dat hun toorn opwekte, hun militairistische geestdrift versterkte en dat bovendien nog een uitgangspunt vormde voor demagogische propaganda bij de van iedere nieuwe uiting afkerige bevolkingsgroepen.
Doch het bijzondere van de nazi-beweging ligt niet in haar aanvallen op de vreedzame Weimar-republikeinen en op de ‘volksvreemde’ intellectuelen. Het bijzondere ligt hierin, dat ze een soldatenopstand tegen de officieren, tegen de heersende groepen uit het Wilhelminische tijdperk was, tegen al de óók-militairistische Jonkers, industriëlen, ambtenaren, wien men de leiding van het toekomstige Duitsland betwistte.
Wat is de grote grief der nazi-beweging tegen de oude heerserskaste? Men vindt die grief, reeds lang voor de Hitler-beweging enige bekendheid had verkregen, bij mensen die als voorlopers van het nationaal-socialisme kunnen worden beschouwd, mensen wier medestanders en geestverwanten dé kern van het Nazisme zouden vormen, de fascistische idealisten. Bij Möller van den Bruck en vooral bij dien buitengewoon begaafden romanschrijver Ernst von Salomon, wiens boek ‘Die Geächteten’ de scherpste f tekening van de Duitse nationaal-socialistische geest geeft, die bestaat en die mogelijk is, vindt men een geestelijke afrekening met het Wilhelminische tijdperk.
‘Reactionnair’, noemt Möller van den Bruck, allen die meenden I dat het vóór 1914 in Duitsland prachtig was. ‘Conservatief’ - z'n eigen geestesrichting - noemt hij, wie vindt dat het toen afschuwelijk was. En het wàs afschuwelijk, omdat het zo vormloos, zo dilettanterig was.1) Het Duitse Imperialisme, zegt hij elders, was zonder Idee, te materialistisch, te zakelijk, alleen maar gericht op het verwerven van rijkdom, op het kunnen leven in weelde. En hij voegt er aan toe, dat van al de Duitse tradities slechts de militaire, strategische, soldaterige ‘zuiver en in innerlijke onberoerdheid’ bewaard was gebleven. De rest van het maatschappelijk leven was bedorven... ‘dieses ganze Geschlecht ist verflucht’.2) En steeds weer hekelt hij het streven van dat tijdperk, het streven naar een loopbaan, een sociale positie, economisch voordeel. Dit alles betekent te weinig voor den conservatief, want, zoals hij het prachtig zegt: ‘... konservativ ist, Dinge zu schaffen, die zu erhalten sich lohnt’.3)
Na 1918 begon men er dus in Duitsland achter te komen, dat het Wilhelminische tijdperk een kermis der ijdelheid was geweest, een kwasterige, pralerige vertoning, waarbij op de voorgrond
triviale, romantiekerige, helden-zangen gegalmd werden, terwijl op de achtergrond gegraaid, bedrogen en de beurs gespekt werd. En men begon zelfs te bemerken dat een groot gedeelte der heersende groepen niet voor het volk, maar ten koste van het volk, geleefd had.
Natuurlijk kon men niet erkennen dat de nederlaag van het Duitse volk dus dubbel en dwars verdiend was, want de gedachte, het uitverkoren volk te zijn, is - we zullen er nog op terugkomen - juist de grondgedachte van de nazi's en van hun voorlopers, zoals het de kern van alle Duitse ziekteverschijnselen is. Maar wel verminderde de eerbied voor de vroegere heersers. En die eerbied verdween bijna geheel, toen men merkte dat een groot gedeelte dier heersers, na de nederlaag alleen maar zorg voor eigen lijfsbehoud kende, en vooral, weigerde de leiding van de revanchebeweging te nemen.
Ernst von Salomon vertelt hoe hij en zijn vrienden bijna altijd weer op weigering, op angst, op gebrek aan idealisme en energie stoten, als zij proberen de vroegere leiders, officieren, ambtenaren bijeen te brengen tot een actie tegen Weimar en Versailles, tegen wat zij als vernedering, slavernij, ontering voelen. Slechts de jongere generatie is tot daden en offers bereid. ‘Nun fühlten wir uns als die letzten Deutsche überhaupt’. Zeker, er zijn nog enkele officieren van het ancien régime, die aan de avonturen in de Oostzee-gebieden, in Opper-Silezië, in het Rijn- en Roergebied, aan de ‘Putschen’ en relletjes en terreurdaden in Duitsland zèlf, meedoen, maar als het er op aankomt, blijkt dat die officieren toch eigenlijk iets anders willen dan de soldaten, dan de jongeren. ‘Wir müssen die Revolution rückgängig machen’ zegt luitenant Wuth. ‘Wir müssen die Revolution weiterführen’ zegt Ernst von Salomon.
Wie het zo voelen, bezien het oude patriottengedoe met critische blik... ‘ein wunderlich Gemisch aus Bierdunst, Sonnenmythos, Militärmusik erschlug die blasse Lebensangst. Der Grundakkord sehr lauten Mannestumes ward in Weihe übertönt von Schillerzitaten und Deutschlandlied; dazwischen grollte Runengeraune und Rassegerassel’.
‘Maar dat is een nazi-vergadering,’ zal men misschien zeggen. Inderdaad, heel veel van het decor, dat een edel-fascist als von Salomon zo belachelijk en afschuwelijk vindt, hebben de Hitlerianen, die van grover allooi waren, en die bovendien de massa
moesten winnen, later in hun propaganda toegepast. Dat was Wilhelminisch gedaver, gesystematiseerd volgens de methode der Amerikaanse reclame-campagnes en der bolsjewistische politieke propaganda.
Maar toch is er een belangrijk onderscheid tussen zo'n nazi-vergadering en een patriotten-vergadering, zoals Von Salomon er hier een beschrijft en zoals er duizenden gehouden werden in het Duitsland van 1918 tot 1923. Het verschil is, dat de patriotten alleen maar hun hart willen uitstorten en dat de Nazi's iets willen doen, een organisatie der maatschappij willen, een nieuwe staat willen bouwen.
En die nieuwe staat kan niet tot stand komen onder leiding van de vroegere heersers, de ‘officieren’, die te weinig energie en idealisme hebben en die in het verleden zoveel fouten hebben begaan. Waar de ‘officieren’ aangestoken bleken te zijn door ‘materialisme’, verlangens naar weelde en overdaad, zullen de eenvoudige frontsoldaten, onder leiding van de asceet Hitler, het werk overnemen, de trommel roeren, totdat zich daarachter het leger der soldaten en adspirant-soldaten en soldaten-vrouwen verzameld heeft.
De nieuwe staat die men zal grondvesten, de soldaten-staat, mag niet de fouten vertonen van de Wilhelminische staat. Dáár was het leger prachtig, maar dat leger stond midden in een maatschappij, die niet of onvoldoende soldaterig was. Er was, zo voelen de nazi's het, nog veel te veel burgerlijks, onmilitairs in het Duitsland van vóór 1914. Waar wij een ondragelijke overheersing van het militaire zien, voelen zij een schandelijke en schaamteloze bewegingsvrijheid voor de niet-militaire elementen. De hele staat moet, van de wieg tot aan het graf, op alle gebieden, economisch, politiek, cultureel, slechts één doel, één maatstaf, één gedachte toelaten: het soldatisme.
Het leger is in dit schema slechts een onderdeel, het omvat slechts de militaire soldaten. De arbeiders, boeren, bedrijfsleiders enz. zij zijn de ‘soldaten der productie’. En het besturen van de staat, de opvoeding, de cultuur, de geestelijke dingen, dat alles is het werk van de ‘politieke soldaten’, die in de nazi-partij georganiseerd zijn.
Zulk een droom kon zelfs bij de Jonkers, zelfs bij de officieren niet ontstaan. Want de Jonker en de officier voelen nog vaag dat er
dingen zijn waaraan ze niet mogen raken, die ze liever toch maarongemoeid moeten laten. Zij hebben nog het besef dat er gebieden zijn die buiten hun competentie liggen, die van een hogere orde zijn. Zij beseffen nog dat het militaire, hoe hoog ook, minder is dan God, minder dan religie, geest, cultuur. Ze hebben zèlf nog voldoende cultuur en dus schroom, om een zekere mate van zelfstandigheid toe te kennen aan de cultuur en de wetenschap.
Maar in de bekrompen kazerne-geest van den soldaat is geen spoor meer over van die schroom. Voor hem staat het vast: de soldaat is de maat aller dingen. Naar hem heeft zich alles, het geestelijke en het materiële leven, te richten. De wereldorde kàn niets anders zijn dan een verabsolutering van de kazerne-orde.
Zo ontstaat weer een ‘eenheid’ in een jammerlijk verdeelde chaotische wereld. Alles wordt weer eenvoudig, begrijpelijk, klaar. Er zijn geen raadselen en geen aarzelingen meer, voor wie dát geloof heeft. Binnen de absolute waarheid van de kazerne, voelt ieder, die in het kazernisme gelooft, zich vrij.
Daar heerst de gelijkheid, want ieder heeft de gelijke waardigheid van den soldaat. De ‘menselijke waardigheid’ dat is een zeer gecompliceerd ding, dat telkens verandert en dat ieder voor zichzelf, z'n milieu, z'n tijd, moet trachten te vinden. Maar de soldatenwaardigheid staat vast als een simpel reglement.
En zo staat het ook met de soldaten-broederschap en kameraadschap, dat is allemaal zonder hoofdbreken te begrijpen. Ook cultuur heeft de kazerne: op alle bedden zijn de dekens op dezelfde wijze gevouwen - en de paradepas is volmaakt, binnen de vaste normen.
Het is te begrijpen dat de officieren, en vooral de hogere officieren, met hun kennis der krijgsgeschiedenis, der betrekkelijkheden en gecompliceerdheden, afwijzend stonden tegenover deze kazernistische wereldbeschouwing, tegenover de gevaren, die een dergelijke soldatenmentaliteit op den duur moest meebrengen, óók op militair gebied. En in de strijd die de Rijksweer-leiding na 1933, (toen ze ten dele gedwongen, ten dele uit verkeerde berekening, Hitler aan de macht liet komen) met de nazi-leiding heeft gevoerd, is, naast reactionnair standsgevoel, ook de angst voor de gevolgen van de invloed der stompzinnigheid op strategie, tactiek en techniek van het leger, een belangrijke factor geweest. Een factor, die o.a. in de artikelen van generaal Marx in het officiële orgaan der legerleiding op een, voor de Nazi-ideologie pijnlijke, wijze tot
uiting kwam. Maar men behoeft er zich niet over te verwonderen dat in deze strijd tussen de legerofficieren en het Nazi-soldatisme, de overwinning aan de Nazi's is geweest.
Dit immers is overal in het Duitse leven het geval geweest. De soldaten-opstand (een vorm van de opstand der horden, die Ortega y Gasset niet voorzien heeft) was de enige massa-actie, die in Duitsland kans op succes had, de enige actie die tegelijkertijd revolutionnair kon zijn - en dus alle tegenstand wegvagen - en soldaterig, en dus het vertrouwen van het volk winnen.
De Duitse revolutie van 1918, de zg. November-revolutie, had gedurende korte tijd z'n Arbeiders- en Soldatenraden. Dit verbond van arbeiders en soldaten was echter machteloos, want de soldaten bleven in alle essentiële kwesties het gezag der officieren erkennen en ze waren eigenlijk alleen maar ‘arbeiders’-in-uniform - de arbeiders waren proletarische socialisten, met al de daaraan verbonden beperkingen.
Geheel anders was de positie der Nazi's. Hun beweging was geen verbond van arbeiders en soldaten, doch van soldaten en middenstanders.
Het is toch waarlijk geen toeval dat de Hitler-beweging een beweging was, wier actiefste kern uit half-militaire S.A.- en S.S.-organisaties bestond, en dat de talloze vrijwilligers-corpsen die tussen 1918 en 1923 in Duitsland en de aangrenzende gebieden geopereerd hadden, zich in S.A.-S.S. oplosten. Dat waren geen geuniformde burgers, maar lieden met een soldaten-mentaliteit, hetzij in het metaphysische, in het idealistische, uitgebreid en tot een geloof geworden, zoals dat bij de leiders het geval was, hetzij op de primitieve wijze, die één van Ernst von Salomon's personen zo formuleert: ‘Prügeln ist immer fein, auch wenn man selber Hiebe kriegt’.
Deze primitieve naturen zullen wel vaak ‘arbeiders’ geweest zijn, vaker wellicht nog ‘boeren’, doch in 't algemeen heeft de Nazi-beweging geen vat gehad op de grote arbeidersmassa, die tot het einde toe sociaal-democratisch bleef, met uitzondering van een deel der werklozen, die ‘bolsjewistisch’ werden of nationaal-socialistisch.
De massa der aanhangers van de Hitler-beweging bestond uit middenstanders. Hitler zelf, die, voor hij in de politiek ging, tekenaartje, decorateurtje of wat dan eigenlijk precies, was
geweest, behoorde in ieder geval tot die middengroepen, zoals hij ook tot de frontsoldaten behoorde. En al de leiders en leidertjes der beweging zijn middenstanders, officieren, journalisten, ingenieurs, apothekers, ambtenaren, onderwijzers, studenten. Doch ook de gewone leden komen uit die groepen. Al die hongerende renteniert] es over wie de inflatie is heengegaan, al die winkeliertjes, die ambtenaren van allerlei slag, de gepensionneerde niet te vergeten, die kantoor- en winkelbedienden, die mensen der vrije beroepen, die studenten zonder toekomst, die voor hun grond vrezende boeren, komen, voor zover zij ook maar enigszins vatbaar zijn voor het ideaal van de kazernestaat, met de kazerneveiligheid, -zekerheid, -vastheid, en de militaire deugden en glorie, naar de partij van Hitler, de partij die een sterke, gevreesde en welvarende Duitse staat zou scheppen.
Het is niet juist, dat de Nazi-partij een ‘kapitalistische’ partij, een partij der bankiers, groot-industriëlen, groot-grondbezitters zou zijn geweest. In de eerste periode van haar bestaan zijn er natuurlijk wel eens vermogende lieden geweest die de Nazi's steunden, maar dit was niets anders dan de steun die iedere beweging van geestverwanten pleegt te ontvangen. Belijders van de nationaal-soldaterige idealen, overtuigde anti-semieten e.d. steunden de partij van Hitler, zoals sterk sociaal voelende fabrikanten vaak de sociaal-democratie gesteund hebben, en zoals er ontwortelde en perverse millionnairs zijn, die de Bolsjewistische partijen steunen. Zulke dingen bewijzen dat ideologie en geestverwantschap sterker kunnen zijn, dan klassegevoel en materieel belang.
Maar de werkelijke kracht van de Nazi-beweging lag in het verbond van de soldaat met de soldaterig-voelende Duitse middenstand. De personen die hun werkkracht aan de partij gaven, die hun posities op het spel zetten, die hun leven waagden, die in ieder geval sympathie en geld gaven, dat waren de mensen uit de middengroepen. Zij hebben de Nazi-beweging tot een sterke beweging gemaakt. En eerst toen dit het geval bleek te zijn, begonnen de kapitalisten, de groot-industriëlen, groot-grondbezitters, hogere ambtenaren en officieren te overwegen, of ze misschien gebruik zouden kunnen maken van die beweging voor hun eigen groepsbelangen - en wilde men haar gebruiken, dan moest men haar steunen - dan wel, of het maar niet het veiligst zou zijn, zich bij de Nazi-partij aan te sluiten, teneinde aan de goede
kant te staan als de Nazi's meester van het land zouden zijn. Het is waar, dat de Nazi's nooit zoveel macht zouden hebben verkregen, als ze niet, van de aanvang af, met een zekere welwillendheid, door het leger, de hogere ambtenaren en de partijen van groot-industrie en groot-grondbezit waren behandeld, maar ook hier sprak de sympathie van nationalisten en militairen van het oude soort, voor de mensen van het nieuwe, onaangename type, die echter ondanks alles toch ook nationalist en militair waren. Het is ook waar, dat ze uiteindelijk nooit de macht veroverd hebben, doch in de regering zijn binnengehaald door een combinatie Hugenberg-Von Papen-Reichswehrleiding met steun van de Jonkersgroep rondom Hindenburg, en dat dit binnenhalen geschiedde toen de Nazi-beweging haar hoogtepunt reeds overschreden had en begon af te takelen. Maar hier is de geweldige misrekening aan de orde, van de ‘kapitalisten’ en in 't algemeen van wat wij in dit betoog steeds weer de ‘officieren’ genoemd hebben, die meenden, dat nu het ogenblik gekomen was om de ‘soldaten’ te gebruiken en weer onder het aloude bevel te brengen. Het is echter een zo bekend feit, dat de Nazi's zich niet hebben laten gebruiken, doch integendeel de Hugenbergs, Von Papens, Von Fritzschen etc. etc. hebben weggewerkt, dat dit voldoende behoorde te zijn om een einde te maken aan de voorstelling van de Nazi's als kapitalisten-knechten. Hitler en zijn aanhangers hebben gevochten voor hun eigen idealen, voor het kazernisme.
Maar het kazernisme is tenslotte slechts een stelsel dat door de Duitse middengroepen, en op den duur door nagenoeg het hele volle, aanvaard wordt, omdat men op die wijze het eigenlijke ideaal hoopt te kunnen verwezenlijken.
Het eigenlijke ideaal, de eigenlijke droom... ‘Nun denn, in welchem Traume zeigt sich die Erfüllung dieser Kraft? - Im Sieg der Deutschheit über die Erde’... zo staat het bij Ernst von Salomon. Duitsland is het middelpunt van de wereld, zegt Moeller van den Bruck en hij kondigt aan, dat het ‘Derde Rijk’ ook daarnaar zal handelen en niet meer, zoals het oude Duitschland, boeken zal schrijven, waarvan de wereld profiteert.
Zo'n uitlating als deze laatste is eigenlijk nog kenmerkender dan het eerste deel ervan. Dat de wereld ‘profiteert’ van Jesaia, Plato, Dante, Cervantes, Shakespeare, Descartes, Spinoza enz.
enz. enz., dat is nog voor geen zinnig mens een reden geweest dat ze dus aan Israël, Hellas, Italië, Spanje, etc. etc. onderworpen moet zijn; maar Kant of Goethe mag men, volgens de echte Duitse militairisten, alléén lezen, als men de heerschappij der Pruisen erkent, ofschoon noch Kant noch Goethe, noch zelfs Hegel uit de Pruisisch-militaire cultuur zijn voortgekomen.
Het Duitse nationalisme is een uitdrukking van het Duitse universalisme, en daarom zal het Europa ordenen. Wij willen het trotse bewustzijn hebben tot een sterk, geacht, en gevreesd volk te behoren, en dat is meer waard dan wetenschap en kunst. Het Westen, Engeland en Frankrijk, kan ons niet begrijpen, en hef Oosten kan slechts een gedeelte van onze ‘Kultur’ begrijpen. Wij, wij, wij echter zijn ‘Unendlich’. Zo leest men bij Moeller van den Bruck, die de beschaafdste der auteurs van het Duitse soldatennationalisme is.
Het heeft geen zin andere nationalistische verkondigers van dit soldaten-evangelie aan te halen. Er zijn immers boeken genoeg1) die grotendeels bestaan uit aanhalingen van deze verkondigers van het ‘Deutschtum’, of ze nu Fichte of Hegel, Lagarde of Houston Stewart Chamberlain, Gobineau, Ammon, Woltmann, Naumann, Rohrbach, Lamprecht, Breysig, Haeckel, Spann, Klages, Spengler, Fried, Rosenberg of Hitler heten. Het is altijd hetzelfde: wij, wij, wij zijn het Herrenvolk, het zout der aarde, het middelpunt der wereld, en het wordt tijd dat we ook politiek en economisch de positie innemen, die we geestelijk reeds bezitten, al willen afgunst en nijd soms niet erkennen, dat wij de grootste dichters, denkers, kunstenaars, schilders, architecten, onderzoekers, geleerden, technici, staatslieden, en - wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen - militairen zijn.
Wij alleen kunnen de ‘Kultur’ redden en over de wereld brengen, wij alleen kunnen de vernegering en verjoding tegengaan, wij alleen hebben scheppende begaafdheid, wij alleen hebben de echte ‘geest’, omdat wij het enige heersers-ras zijn.
Ziehier de eigenlijke kwaal van de Duitse maatschappij. Ik bedoel niet de rassen-theorie, die slechts een uitvloeisel ervan is, een materialisatie, een in tastbare en hanteerbare vormen gieten van
een geestesgesteldheid die lang vóór Hitler bij de Duitse intellectuelen, bij wat ik de ‘officieren’ noemde, aanwezig was, en die bij de ‘soldaten’ natuurlijk nog grover en plomper moest worden. Ik bedoel, dàt wat achter de rassen-theorie ligt, de mateloze, oncritische, pathologische Duitse zelfverheerlijking.
Zelfverheerlijking vindt men ook elders, b.v. bij de Italianen, die dan toch op het Romeinse Rijk, op de Roomse Kerk, op de Renaissance kunnen wijzen, men vindt haar bij de Fransen, de Engelsen, die inderdaad de wereld heel veel gegeven hebben. Maar, vóór het fascisme, dacht geen enkel Italiaan er aan, hieruit af te leiden dat men op iets anders aanspraak had, dan op respect, zodra over geestelijke dingen gesproken werd. En geen Fransman of Engelsman kon de zelfverheerlijking te ver voeren, zonder in z'n eigen land als een onbeschaafde pathologische bruller beschouwd te worden. In Duitsland echter, kon men het niet nalaten zonder voor landverrrader te worden aangezien.
Renan heeft eens gezegd dat hij den soldaat boven den priester verkoos, omdat de soldaat alleen over de lichamen wil gebieden, de priester echter ook over de zielen - hij kende blijkbaar den Duitsen soldaat niet, die zich tegelijkertijd ook priester, neen, meer dan dienaar Gods, God-zèlf voelt en die dus over lichamen en zielen mag en moet heersen.
Omdat dit zo is, en tot op grote hoogte reeds onder Wilhelm II zo was, omdat het Duitse volk, zoals Nietzsche reeds direct na 1870 vermoedde, niet in staat is geweest de overwinningen van 1866 en 1870 te verdragen, en alleen zou kunnen genezen na een verpletterende, tot in ieder gehucht en ieder huis voelbare nederlaag, daarom heeft Versailles niet geholpen, het heeft het ziektegeval alleen nog maar erger gemaakt.
Bij alle critiek die men op de republiek van Weimar heeft, mag men nooit vergeten, dat juist daarom haar taak van de aanvang af vrijwel onmogelijk was. Het Duitse volk voelde zich niet overwonnen, doch alleen maar slecht geleid door de ‘officieren’ en verraden door de liberalen, intellectuelen, marxisten en Joden. Van de aanvang af was een geweldige nationalistische oppositie aanwezig, de extremistische van de vrijcorpsen, waaruit later de Hitler-beweging zou voortkomen, de onverzoenlijke van de oude monarchistische machtshebbers-d.w.z. groot-industrie, groot-grondbezit, leger, hoge ambtenaren - de wat gematigdere die de
republiek wilde erkennen en haar ‘helpen’ om weer een krachtig nationaal Duitsland te maken - d.w.z. de groep die van Stresemann over Erzberger naar Rathenau ging - en ten slotte de nationaal-voelende meerderheids-socialisten rondom Ebert. En dit was nog niet alles, want behalve die groepen, was er een nationalistische massa, die zich in de eerste jaren van Weimar alleen maar wanhopig en verbitterd uit het openbare leven had teruggetrokken, die schijnbaar de strijd had opgegeven, doch die. in werkelijkheid slechts wachtte op de nationalistische trommelslager, die haar weer in een toekomst zou doen geloven en in wien zij daarom hartstochtelijk geloven zou, Hitler die er nooit in slaagde een enigszins belangrijk deel van de aanhangers der gematigde partijen (sociaal-democratie, centrum) te winnen, is er uitmuntend in geslaagd deze politiek onverschillige, apathisch geworden nationalisten weer naar de stembus te slepen en zo z'n invloedssfeer te vergroten.1)
Voegt men bij dit alles nog het extremisme en impossibilisme van links, dat niet streefde naar een sterke democratische en sociale republiek, doch vol zat met de romantiek van revolutie proletariaats-verheerlijking, mystiek der arbeidersraden, Rusland-aanbidding en cultuur-anarchisme, dan begrijpt men waarom er eigenlijk nooit een Duitse republiek geweest is. Er was geen Duitse republiek, want er waren nagenoeg geen vastberaden, overtuigde, sociaal-gezinde democraten, die tussen het soldatennationalisme en de mateloze nationale verheerlijking enerzijds, de proletarische cultuurvijandelijkheid en onverschilligheid en onbekwaamheid voor de practische politiek anderzijds, een eigen geluid wisten te doen horen.
Het werkelijke ‘derde rijk’ was natuurlijk niet het rijk dat Moelier van den Bruck, Spengler, Alfred Rosenberg en Hitler wilden, want zij streefden slechts naar een nieuwe uitgebreide editie van het oude rijk der nationalistische zelfverheerlijking. En evenmin was het de aloude chiliastische droom van het communistische internationalisme.
Een ‘derde rijk’ zou geweest zijn, een rijk dat materieel natuurlijk op nationale grondslag zou staan, maar dat cultureel een inter-
nationale gezindheid zou bezitten, d.w.z. zou erkennen dat cultuur alleen door samenwerking van alle volken leven kan en niet doordat één volk z'n stempel drukt op alle cultuur-uitingen.
Nationaal moet men zijn, omdat alles wat in de praktijk gedaan kan worden op cultureel, politiek en economisch gebied, alleen thuis, binnen de grenzen van het land waarin men leeft en werkt, kan worden tot stand gebracht. De nationale staat is de historisch gegeven eenheid, voor onze tijd. Die nationale staat is dus uitgangspunt en werkterrein voor allen die iets willen realiseren, die niet naar extremisme haken, en die hun dromen als dromen weten te waarderen, doch niet voor werkelijkheden aanzien.
Van het land, waarin men leeft, en met welles eigenaardigheden men volkomen vertrouwd is, een land te maken met een bloeiende, voorname cultuur, met sociale rechtvaardigheid en sociale welvaart, dat is werkelijk nationalisme, en dat vooronderstelt verbinding met andere culturen; politieke en economische samenwerking met andere volleen en staten. Het vooronderstelt een federatie van nationale staten, die zozeer overtuigd zijn van de gezondheid en kracht hunner eigen-cultuur, dat ze de aanraking met andere culturen niet vrezen. Het vooronderstelt ook de zekerheid dat men op politiek, sociaal en economisch gebied tot zodanige prestaties is staat is, dat men door andere volleen niet als een non-valeur zal worden beschouwd.
De Duitse nationalisten echter, verbergen achter hun waanzinnige zelfverheffing, de angst dat ze op sommige gebieden niet voor vol zullen worden aangezien. Ze weten dat Duitsland op technisch-organisatorisch gebied zeer veel presteert en dus ook economisch van waarde kon zijn, als het sociaal en politiek en in laatste instantie ook cultureel, als volwassen kon worden beschouwd. Dat de Duitsers niet als redelijke en rustige mensen kunnen leven, maar altijd de indruk maken van opgewonden knapen die naar alle of naar vele kanten overdrijven, die geen maat kunnen houden, geen harmonie kunnen tot stand brengen en die alleen maar in de kazerne tot een mechanische orde en regelmaat gebracht kunnen worden, dat is het gevoel van alle beschaafde mensen t.o.v. Duitsland, en dat voelen ook de Duitse nationalisten bij wie daardoor een soort van minderwaardigheidscomplex ontstaat, dat men door de Hitleriaanse zelfverheffing en materiële machtsvorming tracht kwijt te raken.
Men begrijpt dus, dat de republiek van Weimar waarin het stre-
ven naar het werkelijke ‘Derde Rijk’, het Rijk van de harmonie, ternauwernood aanwezig was, waarin slechts enkele individuen, maar nooit werkelijke bewegingen, dit ‘Derde Rijk’ poogden te verwezenlijken, van de aanvang af ten dode was opgeschreven. Wat de republiek in het leven hield, was de angst voor Versailles. Zo lang men vreesde dat de geallieerden Duitsland militair zouden bezetten of straffen, als het openlijk z'n nationalistisch gelaat vertoonde, hield men het masker van Weimar voor. Eerst toen bleek, dat er geen ‘geallieerden’ meer waren, dat Engeland bij alle gelegenheden Frankrijk tegenwerkte, dat Frankrijk zich gemakkelijk door vredelievende woorden liet geruststellen, omdat het energie en inzicht miste voor het voeren van een Europese politiek; eerst toen Duitsland, omdat men het voor een democratische republiek aanzag, door de Fransen ontruimd was en bevrijd van de betaling der schulden en van iedere contrôle, eerst toen voelde men zich weer sterk genoeg om z'n ware nationalistische gezicht te tonen, en de republiek door de militaire kazernestaat der Nazi's te vervangen.
Het eerste duidelijke teken van de ware gezindheid van het Duitse volk, was de verkiezing van Hindenburg tot president. Indien de Westerse mogendheden toen te kennen hadden gegeven dat ze met een volk, dat zo door oorlogswil bezeten was, geen betrekkingen konden onderhouden, dan zou men in Duitsland geraasd maar gehoorzaamd hebben.
Indien men in 1933 verklaard had: het benoemen van Hitler tot Rijkskanselier beschouwen wij als een oorlogsdaad, dan zou Duitsland ongetwijfeld op niet te overtreffen wijze gebruld hebben, maar men had gehoorzaamd.
Zulke eisen kon men echter hier in het Westen niet stellen, want men had tot grondslag der internationale betrekkingen de volkomen zotzinnige formule van het zelfbeschikkingsrecht der volken aanvaard - een formule die van dezelfde kracht is, als bijv. een formule die vaststelt, dat iedere vader z'n vrouw en kinderen mag vermoorden, of de zoons of dochters hun pa en ma of elkaar, als het maar binnenshuis geschiedt, want dan hebben de buren en de justitie er niets mee te maken - die iedere internationale orde en veiligheid belet. Maar zelfs als men zo verstandig en flink was geweest om in te grijpen, dan nog zou men geen wezenlijke verandering der Duitse toestanden hebben tot stand gebracht, dan nog zou men Weimar niet tot een levende republiek hebben gemaakt.
Van het Wilhelminische Duitsland een democratische republiek te maken, dat was slechts mogelijk geweest, indien het verdrag van Versailles niet alleen negatief in het ontwapenen der Duitse militairisten had bestaan (in dat opzicht was het nog altijd te zacht) maar ook positief in het beschermen en steunen van die Duitsers, die, tusschen nationalisme en bolsjewisme in, een werkelijk ‘Derde Rijk’ (zoals we het hierboven kenschetsten) wilden tot stand brengen.
Maar alweer, in de wereld van Versailles was een dergelijk streven een onmogelijkheid, want ook in de landen der overwinnaars kende men slechts twee groepen: de kapitalistisch-militairistische en de proletarisch-socialistische; de derde groep, die der culturele democratie, de groep van het midden tussen twee extremismen, bestond op z'n best in de hoofden van sommige individuen (bijv. Masaryk) doch ze was geen maatschappelijke kracht van enige betekenis.
Blijkbaar moest de wereld eerst de ervaringen van het fascisme opdoen, vóór het verlangen naar een derde oplossing van de sociaal-culturele problemen sterker kon worden.
Wat men dus Weimar verwijten kan, dat is op z'n meest dat het geen gebruik heeft weten te maken van de tegenstellingen die tussen het opkomend Hitlerisme en de Wilhelminische partijen bestonden (de tegenstellingen tussen ‘soldaten’ en ‘officieren’) om de soldaten-opstand neer te slaan.
Eerst toen de ‘officieren’ ervan overtuigd waren, dat het tot Rijkskanselier benoemen van Hitler, niet op vastberaden verzet zou stuiten, waagden zij het, om tot het experiment met den leider der ‘soldaten’ over te gaan.
Indien de partijen van Weimar, sociaal-democraten en Katholieken, duidelijk kenbaar gemaakt hadden, dat het toelaten der fascisten tot de regering, tot staking, verzet en zo nodig tot burgeroorlog zou leiden, dan zouden Hindenburg en z'n vrienden, noch de Rijksweer, hun spel met Hitler gewaagd hebben.
We weten, dat Schleicher nog in de laatste fase de mogelijkheid van een regering, steunend op de sociaal-democratische en christelijke vakbeweging, de Reichswehr en de tot bezinning gekomen edel-fascisten (Gregor Strasser), overwoog. We weten dat de Reichswehr tot het laatste toe geaarzeld heeft, eer ze haar toestemming gaf voor het Hitler-experiment. En dat alles, ofschoon
ze reeds wist dat sociaal-democraten noch centrumslieden van plan waren tegen Hitler te vechten.
Men zegt nu wel, dat de sociaal-democraten niets konden doen, omdat de communisten weigerden tot samenwerking te komen, maar hoe wonderlijk - om het woord ‘misdadig’ nu maar niet. te gebruiken - de politiek der communistische partij ook was, haar volgelingen zouden in overgrote meerderheid een verzet van S.P.D. en Centrum gesteund hebben. Alleen die communisten, die eigenlijk fascisten van andere afkomst (geen middenstandsfascisten doch lompenproletarische) waren, zouden terzijde zijn gaan staan of zich zelfs bij Hitler aangesloten hebben.
De betekenis van het communisme in de republiek van Weimar is bijna steeds schromelijk overdreven, hetzij door de Hitlerianen, die zich als redders van een door het bolsjewisme bedreigde beschaving moesten voordoen en voor wie het communistisch verzet zó onontbeerlijk was, dat ze het moesten ‘uitvinden’, toen het, in de beslissende periode uitbleef (de Rijksdagbrand!), hetzij door allerlei lieden van ‘links’, die een ongezonde voorkeur voor ieder radicalisme en extremisme vertonen (die overschatting van het Duitse communisme vindt men vooral bij Engelse en Amerikaanse journalisten; type Günther, Mowrer, Thomson, Knickerbocker, Laski, Brailsford.)
Het Duitse communisme, was - zeker na 1923 - nooit meer iets anders dan een rumoerige verkiezingspartij zonder enige maatschappelijke macht. Het beste bewijs hiervoor is wel, dat de communisten herhaaldelijk tot ‘algemene werkstaking’ opriepen, doch niet in staat waren in één industrie-gebied, ja zelfs maar in één groot-bedrijf, de arbeiders tot ‘daden’ te bewegen.1) De K.P.D. was de partij der machteloze werkloze arbeiders. Maar juist de werkloosheid, zo wordt ter verontschuldiging van S.P.D.-Centrum aangevoerd, belette iedere actie. Dat is natuurlijk onjuist; want ook in tijden van werkloosheid is er een maatschappelijk-noodzakelijke productie, en het stilleggen daarvan is even effectief als het stilleggen van de grotere, maar voor een gedeelte zeer wel misbare, productie in tijden van hoogconjunctuur.
Doch de werklozen zouden dan de plaatsen van de stakers ingenomen hebben, werpt men tegen. Alsof dat maar zo gemakkelijk
en zo direct gaat, alsof niet juist in een tijd van werkloosheid, de nog werkende arbeiders de meest onmisbare zijn, en alsof de psychologische uitwerking van een massa-staking niet geweldig zou zijn geweest èn op de regerende groepen èn op de werklozenmassa.
Maar, zo kan men tenslotte zeggen: de werkende arbeiders van S.P.D. en Centrum waren niet bereid hun positie en wellicht zelfs hun leven op het spel te zetten voor de republiek van Weimar. Dat is volkomen juist, maar dat is een heel andere zaak. Dat is de erkenning van het feit dat de democratie van Weimar niet in staat is geweest haar aanhangers te bezielen, bereid te maken tot het offer en tot de daad.
Het is de erkenning van het feit, dat die democratie dood was, zonder dynamiek, zonder geest. En die vraag, de vraag of de democratie gedoemd is, geesteloos, statisch, banaal en muf te zijn, zullen we nog afzonderlijk hebben te beantwoorden.
Op dit ogenblik erkennen we, dat de Duitse democratie ten dode was opgeschreven, dat ze niet opgewassen was tegen de soldatenopstand. We erkennen ook, dat de democratie bijna volkomen geisoleerd was, dat haar grenzen ongeveer bij de werkende arbeiders eindigden, dat ze slechts een zeer klein gedeelte van de middengroepen omvatte en een nog kleiner deel van de boeren. De grote middenmassa - de boerenmassa inbegrepen - was door Hitler gewonnen. Gewonnen voor het kazernisme.
Maar hoe kon dat, was dat alleen omdat Duitsland het militaire land bij uitstek was, omdat het Duitse nationalisme zo pathologisch was als we hierboven aangaven?
Wie zich met een dergelijke verklaring troost en de conclusie trekt dat er bij ons in het Westen niets van dien aard mogelijk is, vergeet dat het Italiaanse nationalisme heel wat gematigder was dan het Duitse, dat er van ‘kazernisme’ in Italië geen sprake was, en dat niettemin het fascisme aan de macht is gekomen en dat het van Italië een pathologisch nationalistische en kazernistische staat heeft gemaakt, op z'n best een paar graden minder erg dan Duitsland.
Dit bewijst dat het fascisme, ook zonder een voedingsbodem als in Duitsland, tot een macht kan worden, dat het vanuit allerlei oorsprongen kan opkomen, en dat het wel nergens precies gelijk zal zijn aan het Duitse (of Italiaanse), maar er toch enige hoofd-
trekken mee gemeen zal hebben, waarvan het ‘kazernisme’, de totalitaire, geheel op de oorlog gerichte en ingerichte, staat, dé voornaamste is.
Dat Hitler en Mussolini middengroepen konden veroveren, heeft bijv. heel weinig te maken met het antisemitisme dat tot voor kort in Italië zelfs niet bestond. In Duitsland bestond dit vóór Hitler, die het zélf uit Oostenrijk heeft meegebracht, waar Schönerer en Lueger het in de sociale strijd gebruikten om anti-kapitalistische gevoelens tegen concrete mensen en groepen te richten en van andere mensen en groepen af te leiden.
In Duitsland was dat anti-semitisme, sociaal, nationaal en cultureel tegelijkertijd, en een opkomende partij kon verzekerd zijn van demagogische successen als ze het wist te hanteren. Het verklaarde hoe een van nature goddelijk volk in het moeras had kunnen geraken, doordat de goden in hun argeloze edelmoedigheid, de duivel binnen hadden gelaten en hem de gelegenheid hadden gegeven z'n verderf te verspreiden en (als kapitalisme, internationalisme, cultuur-bolsjewisme, défaitisme) alles te bederven. Maar al wist Hitler op deze wijze steun te krijgen van allerlei lieden die dit stokpaardje bereden, men zou verkeerd doen de betekenis van het anti-semitisme te hoog aan te slaan. Grote groepen die tot de Hitler-beweging behoorden, hebben het nooit ernstig genomen vóór Hitler aan de macht kwam. Men meende dat het zou bestaan in een paar beperkende maatregelen tegen al de Joden, in de persoonlijke bestraffing van enige bijzonder gehate Joden. En in de propaganda der Nazi's van ongeveer 1925 tot 1933 speelt het een zeer bijkomstige rol. Ook daarna komt het alleen bij tijden naar boven. En zodra het om de grote dingen gaat is het nagenoeg verdwenen,1) al blijft het steeds in reserve voor slappe tijden en voor het verdacht maken van tegenstanders.
De hoofdzaak echter is dat Hitler zowel als Mussolini. spraken over dingen die de middengroepen in het hart grepen. Ze hielden zich niet alleen bezig met de materiële misère dier groepen, doch ook en voornamelijk met hun geestelijk leven, met hun hoop, hun verlangen, hun droom. En wat nog meer zegt, ze wisten die groepen een droom, een toekomstverwachting te geven, ze wisten grauwe onbelangrijke levens een zin te geven, ze wisten groepen
die door de proletarische socialisten op z'n best uit de hoogte, met medelijden, maar vaker nog met haat en verachting behandeld werden, een gevoel van eigenwaarde en belangrijkheid te geven. Ze wisten juist die groepen ervan te overtuigen dat zij, de mensen van de middengroepen, de makers van de eeuw moesten en konden zijn. Zij hebben die groepen en steeds grotere scharen bezield. De bezieling die van het fascisme uitging en nog uitgaat, is geen andere dan de bezieling die het geloof placht te brengen aan de gelovigen.
Wij, die het fascistische geloof moeten afwijzen, omdat wij noch de grondslagen, noch de consequenties ervan kunnen aanvaarden, hebben tot taak de aard van dat geloof te onderzoeken, om na te gaan of het niet mogelijk is tegenover dit geloof, dat ons zal blijken een ‘mythe’ te zijn, een andere inspiratie te stellen die, meer van onze tijd, niet minder krachtig zal zijn in de greep die ze op de zielen der mensen heeft.
Waarin ligt de aantrekkingskracht van de kazernistische (militaire, krijgshaftige, disciplinaire en totalitaire) mythos? Waarom moeten wij die mythos, en iedere andere afwijzen? En welke inspiratie kunnen wij voor ons zelf en voor grote en beslissende groepen van onze tijdgenoten vinden?