Wie naar ‘de zin des levens’ vraagt, stelt een schijn-probleem aan de orde, dat, zoals alle schijn-problemen, alleen maar belangwekkend is, voor zover het tot het onderzoek leidt van het eigenlijke probleem: hoe komen mensen er toe hun ervaringen een dergelijke formulering te geven, op een dergelijke vraag te doen uitlopen?
De primitieve mens zal zichzelf dergelijke vragen nooit stellen, want voor hem is het leven een aaneenschakeling van gebeurtenissen, die men òf ondergaat, òf tot stand brengt, gebeurtenissen, die soms een lustgevoel geven - en dat zou hij ongetwijfeld als het hoogtepunt van z'n leven beschouwen, als hij enige neiging tot ‘beschouwen’ had - en die meestal niet anders zijn. dan pogingen om onlustgevoelens te ontlopen, om pijn, honger, gevaar te ontlopen. Bevredigend is de gevulde maag, bevredigend is de sexuele daad, bevredigend de zonnewarmte en de frisheid van het water, het liggen in het gras of onder de beschaduwende bomen, bevredigend zijn kleuren en geuren en klanken en het ondergaan van steeds weer andere, vaak nieuwe, gewaarwordingen, bevredigend het gevoel van macht over dier en mens, over omgeving dood en levend. Als het leven zo vele, en zoveel intense, bevredigingen brengt, wie zou dan nog naar de zin ervan kunnen vragen - het is te zeer gevuld om nog plaats aan te bieden voor bespiegelingen over ‘het eigen leven als een geheel’, over de levens van anderen, over de zin van alle leven.
Wie naar de zin des levens vraagt, is een onbevredigde, die bij iedere ervaring iets voelt ontbreken, voor wie ‘uit bezit en uit gemis dezelfde leegte overschiet’ en die nu zou willen, dat dit ontbrekende werd aangvuld door een, ieder tekort opheffende, luststroom, die het hele leven zou dragen, zou doordringen, en die naar een oord der absolute bevrediging zou voeren. Als alle
leven uit God is, door God geleid wordt en naar God voert, dan is dat ongetwijfeld een ‘zin’, die verbinding schept tussen de talloze momenten, de reeksen van ervaringen, waaruit het leven bestaat. Maar de vraag dringt zich op, of God niet een andere uitdrukking is voor ‘de zin des levens’ en of men eigenlijk niet bedoelt, dat het leven zinneloos zou zijn, als het niet een zin had, en dat we dus moeten aannemen, dàt het een zin heeft, willen we ons niet ongelukkig, reddeloos, dwaas, wanhopig voelen.
De weg van de rede en de wetenschap, die de mensen in de loop hunner historie hebben gelegd, een weg, die hier en daar werkelijk een zekere stevigheid en begaanbaarheid bezit, die weg leidt ons niet naar de ontdekking van zo iets als een zin des levens. Rede en wetenschap zeggen ons slechts, dat ‘leven’ vermoedelijk een zeer gecompliceerde chemische verbinding is, die onder zeer bizondere omstandigheden op sommige planeten kan ontstaan. Ze zeggen ons ook, dat dit leven tot steeds meer gedifferentieerde vormen is gekomen, zodat er tenslotte wezens ontstonden, die over de zin van het leven konden gaan peinzen, zonder tot andere resultaten te komen, dan dat het leven ontstaan is, en hier op aarde weer verdwijnen zal - zoals de aarde zélf verdwijnen zal - en dat elders in de wereld zich een soortgelijk geval zal voordoen en weer elders nog één, en dat planeten en sterren ontstaan en vergaan, en dat dit alles in Gods hand is, d.w.z. dat mensen er de zin niet van kunnen begrijpen en alleen weten, dàt het zo gaat.
Maar dat bizonder hardnekkige verlangen om van alles de zin te begrijpen, d.w.z, om alles zó te kunnen overzien, als we de dingen overzien, die we zelf vervaardigen en besturen, dat verlangen om ook de werelden en hun loop en lot te beheersen, blijft bestaan, óók daar waar de rede zegt, dat het geen bestaansrecht en geen bestaansmogelijkheid heeft. Dat verlangen, die wil tot heersen, die weer uitloopt in een wil om alles te herleiden tot voor de mens geldende waarden, dwingt ons niet alleen om een voor de mens geldende zin te leggen in alle gebeuren, maar dwingt ons bijna steeds ook om te vergeten, dat het slechts wij zélf zijn, die er die zin in gelegd hebben. Immers zo lang we dàt weten, weten we ook, dat we slechts zin gegeven hebben aan het zinloze, en dat de eigenlijke zin, die we als onaantastbare, onvergankelijke maatstaf en richtsnoer zouden kunnen erkennen, niet bestaat. We erkennen dan onze machteloosheid en onze kleinheid ten opzichte
van een kosmos, die we zouden willen beheersen en die we zouden willen zien functionneren in overeenstemming met onze eigen gevoels- en gedachtenwereld.
Deze erkenning nu blijkt buitengewoon moeilijk te zijn. Gemakkelijk is het, leven en wereld zonder meer te aanvaarden en als het ware van incident tot incident te leven, zonder enige behoefte te hebben die incidenten met elkaar te verbinden. Doch zodra deze trap van onbewustheid of van incidentele bewustheden overschreden is, en het inzicht in het menselijk kunnen, in onze macht en onze waardigheid, die daarop is gebaseerd, gaat ontwaken, blijkt het bijna onmogelijk om te erkennen, dat de mens slechts een brug is tussen de onbewustheid en het niet-weten.
Dat is in zekere zin ons grootste geluk, want de vitale krachten blijken ons te dwingen tot een voortdurende onbevredigdheid, tot een voortdurend pogen om ons rijk, het rijk van de rede, te vergroten en om nieuwe gebieden op het onbekende te veroveren. Het belet ons, tevreden en verzadigd in te sluimeren en onze werkzaamheden als voltooid te beschouwen. Het geeft ons de illusie: eens zullen wij weten. En zonder die illusie zouden de meeste denkers en werkers niet kunnen denken en werken.
Maar het is een illusie, en slechts heel weinigen kunnen het verdragen dàt te erkennen. Bijna altijd gaan we er toe over die illusie te negéren, haar illusionair karakter te ontkennen en te vergeten. En meer nog: bij wijze van voorschot op wat we nooit zullen bezitten, op wat de spanning van het leven ons dwingt te willen bezitten, gaan wij het onbekende construeren als een verlenging, een reusachtige projectie van de uiterste grenzen van het bekende, -zodat we een ‘geheel’, een gesloten bouw, een harmonisch wereldbeeld, een voltooide levensbeschouwing verkrijgen (d.w.z. menen te hebben verkregen).
Zo ontstaat dan de zin van het leven en van het heelal. Zo ontstaan, als we bescheiden genoeg zijn om te erkennen, dat een dergelijk wereldbeeld bovenmenselijke capaciteiten zou vereisen, de geloven, die zeggen, dat dit alles wel van Goddelijke aard zou moeten zijn, maar... dat God het ons dan toch maar heeft geopenbaard ...
We zijn hier op het terrein, dat aan de uiterste grenzen van ons weten, ons kunnen, onze macht ligt, maar waar de vitale krachten geen halt willen houden, waar ze ons voorwaarts drijven en ons, als de uitgeputte reiziger in de woestijn, palmen en bronnen,
oasen en steden voorspiegelen, waar lafenis en duizend heerlijkheden te vinden zullen zijn. Aan die grenzen werkt ons begeren, werkt onze fantasie, werkt ons beeldend vermogen, onze poëtisch-profetische drang, misschien niet sterker, maar zeker koortsachtiger, hartstochtelijker en overtuigender dan ooit. En ofschoon daardoor de raadselen niet opgelost worden, de kracht om verder te gaan, de wil om ons in het onbekende te wagen, en de overtuiging - die de meesten nu eenmaal nodig hebben - dat we de juiste richting hebben gevonden, dat we de weg kennen, dat we de raadselen zullen oplossen, dat alles komt op deze wijze, in de vorm van een bezielend poëtisch visioen, van een onaantastbare openbaring, tot stand.
Is deze, zeer schematische en onvolledige, karakteristiek van het ontstaan ener mythe op het gebied, waar ze om zo te zeggen de minste groeikansen heeft, op het gebied van de rede zelf, in hoofdzaken juist, dan zal men zeer gemakkelijk begrijpen, hoeveel eerder en met hoeveel meer kracht en uitwerking, mythen ontstaan op alle gebieden, waar onze gevoelens en hartstochten een veel grotere rol spelen en waar de rede op z'n best één der hulpkrachten is.
Als het juist is, dat de meeste filosofieën voor het grootste, of in ieder geval voor het karakteristieke gedeelte mythen van de geest en de rede zijn, dan ligt het voor de hand, dat de geschiedenis der menselijke daden, de geschiedenis van de botsingen der maatschappelijke krachten - die in laatste instantie niet uit ‘economie’, maar uit groepen mensen bestaan - een overwegend mythekarakter moet vertonen.
Men kan wel, naderhand, een rationeel verhaal van de gang der gebeurtenissen geven (en dit is even noodzakelijk en even geoorloofd als het maken van de kaart van een land of van de plattegrond en de projectie-tekening van huis), maar men mag nooit vergeten, dat die gebeurtenissen zelf, toen ze zich voordeden en toen ze in staat van wording verkeerden, in wolken van hartstocht, van hoop, van begeerte, van visioen gehuld waren, en dat ze door dit alles heen tot de resultaten geleid hebben, die we dan uiteindelijk registreren. Vandaar dat men moet erkennen, dat de mythe in de geschiedenis der mensheid een overheersende betekenis heeft.
Maar tussen het erkennen van dergelijke feiten, en het pogen
bewust mythen ie scheppen, is natuurlijk een zeer groot verschil. De mythe, die we in de historie leren kennen, is voor de mensen van een bepaalde historische periode, van een bepaald volk, een bepaalde groep, geen mythe, doch de redelijkheid zelf. Ze is het natuurlijk product van al wat zij weten en wat zij, in hun omstandigheden dus, moeten begéren, dromen en willen.
Wij, critische geesten der 20ste eeuw, zien b.v. het doen en laten van de grote denkers, dichters en staatslieden van de 18e en de 19e eeuw als beheerst door de mythe van de Geest, de Rede en de Vooruitgang. Zij zelf echter bedreven geen mythologisering, doch werkten bewust op cultureel en maatschappelijk gebied, om zichzelf en hun tijdgenoten te bevrijden van vooroordelen, te verlossen uit de greep van de vitale, dierlijke driften: van illusionisten tot realisten te maken.
Als wij nu menen - en naar ik geloof terecht - dat zij bij dit alles niettemin, tot op bepaalde hoogte en op zekere gebieden, slachtoffers van illusies waren, dan wil dat niet zeggen, dat wij het verwijt mogen maken: ze draaiden hun tijdgenoten een rad voor ogen, ze hebben niet de moed gehad hun eigen illusies, waar ze die bespeurden, te lijf te gaan. Integendeel, het blijft hun onvergankelijke eer, dat ze onvervaard tot aan de grenzen van hun mogelijkheden geschreden zijn. En in dit opzicht zal, wat het beste is aan de twintigste eeuw, zich vol trots als hun erfgenaam erkennen, het aan degenen, die smalen op de ‘stupiede negentiende eeuw’ - zoals de reactionnaire en onmachtige demagoog Léon Daudet haar genoemd heeft - overlatend, bewust een mythe te vervaardigen, die de massa's in een voortdurende toestand van razernij moet brengen en die de ‘leiders’ in staat stelt zichzelf op te warmen met gevoelens, die ze wel lekker vinden, doch wier onechtheid, wier gebrek aan waarheidsgehalte en gezonde kracht ze toch onophoudelijk blijven voelen, zodat ze in een voortdurende staat van angst en opwinding verkeren en steeds weer moeten pogen anderen, en daardoor zichzelf, te imponeren.
We ontkennen niet, dat men ook naderhand van ons zal kunnen zeggen, dat we door een mythe gedreven werden, doch er is geen enkele reden om zich daarvoor te schamen, om zich te schamen voor het feit dat wij slechts mensen met beperkte mogelijkheden zijn, indien we maar bewust iedere mythe, die we herkenden, aan
onze rede onderworpen hebben, en indien dus onze eigen mythe aan de uiterste grenzen van ons kunnen is ontstaan. De ware en vruchtbare mythe, die we liever ideaal of inspiratie zouden willen noemen, omdat ze voor ons geen mythe, doch een bezielende waarheid is, ontstaat nadat we iedere mythe, die we als zodanig herkenden, hebben gedood; ze is gestaald in de gloed van de critische rede, ze is onze tot het uiterste gelouterde vitaliteit. Wie werkelijk vertrouwen heeft in de krachten van de eigen vitaliteit, weet dat er altijd nog een overschot aan dadendrang, activiteit, dynamiek zal zijn, na al de zuiverende en richting gevende invloeden van de critische rede te hebben ondergaan, en dat dit overschot gelijk zal zijn aan de machtige stroom, die de schepen draagt en de landen bevrucht; terwijl de cultuur-vijandige, critiek en rede vrezende mythe der fascisten, de vernielende werking van de overstroming, de bandjir, de lawine heeft, en ondanks schijnbaar ontembare kracht, toch te zwak is om iets te scheppen of te vormen - alleen maar negatief is.
We hebben hier dus met opzet een onderscheid gemaakt tussen positieve mythe, die een mythe ons-ondanks is, en de negatieve mythe, die een gewilde mythe is. En het kan nu schijnen, dat we dus eigenlijk ook ‘de mythe’ aanvaarden en alleen in richting verschillen, in graad verschillen, doch niet in principe verschillen van de moderne mythe-verdedigers. Een dergelijk verwijt (indien men het ons wil verwijten) deert me niet. Want er zijn geen andere ‘principes’ dan die van richting, van graad, van nuance. Als, om een voorbeeld te nemen, de één het leven verheerlijken en aanbidden wil, de ander het verafschuwen en haten, de derde het vrezen en beperken, weer één het aanvaarden en besturen wil, dan is het dwaasheid ze allen onder te brengen onder het principe der ‘vitalisten’, omdat ze allen uitgaan van de aanwezigheid van het leven. Vitalisten noemen we in dit geval alleen degenen, die in aanbidding en exaltatie voor het leven neerknielen. Zij, die het leven erkennen, maar ook kennen, die het in z'n heerlijkheid, maar ook in z'n gevaren, z'n beperkingen zien, mag men geen vitalisten noemen, indien men prijs stelt op juiste onderscheidingen.
Zo zijn ook de aanhangers der moderne mythologie niet zij, die het bestaan en de werking van mythen erkennen, maar alleen zij, die de mythe als een doel, waarnaar bewust gestreefd moet worden, oproepen. En wanneer uit een onderzoek blijkt, dat juist zij,
omdat ze bewust willen construeren wat slechts onbewust kan groeien, eigenlijk een negatieve houding tegenover de mythe aannemen, en dat de positieve mythe even reëel en even groots is als de inspiratie der dichters, kunstenaars, geleerden, staatslieden, de inspiratie, die niet ontstaat door het spreken of actéren over de inspiratie, en die niet met een geraffineerde techniek of een handige tactiek te verkrijgen is, dan zou het eigenlijk juister zijn, die negatieve mythe en hare aanhangers een andere naam te geven (b.v. van een gerationaliseerde manie of hysterie te gewagen), en het woord mythe de waarde te hergeven, die het eens had - maar dit is een onbegonnen werk, sedert de fascisten zich van het woord hebben meester gemaakt en het z'n betovering hebben ontnomen, om er een goochelarij van te maken. Maar al laten we het woord aan de fascisten over, we mogen niet vergeten, dat het ondanks het perverse gebruik, dat zij er van maken, een eerbiedwaardige afkomst en ondergrond heeft.
Een definitie zoals die van Herrmann Steinhausen1): ‘een soort samenstel van leuzen, een ideologie, opgebouwd uit een reeks onwetenschappelijke leerstellingen op instinctbasis, zoals b.v. de. rassentheorie’ zegt o.i. weinig omtrent de betekenis van de mythe in de fascistische wereld. Dat de mythe een instinctbasis heeft, is niet kenmerkend. Ook de wetenschap heeft een instinctbasis en deze is groter en machtiger dan heel veel kinderlijke wetenschapsmensen beseffen. Het weigeren die instinctbasis te onderkennen en haar uitwerkingen op de wetenschap na te gaan, ja, het proclameren van die basis tot macht, waarnaar de wetenschap zich heeft te richten, dat is veel kenmerkender voor zo'n mythologie. De wetenschap, die tot taak heeft het instinct in al zijn vermommingen te ontdekken en te ontmaskeren en daardoor, zichzelf controlerend, ook het instinct te controleren en in ‘redelijke’ banen te leiden, krijgt bij een mythologische wereldbeschouwing de opdracht zichzelf te onderwerpen aan het instinct en dit als z'n meerdere te erkennen, niet alleen op het gebied der vitale krachten - want daar is het ‘instinct’ het machtigst - maar ook juist op het gebied der critiek en der redelijke leiding, waar dit instinct corrumperend werkt. Bewuste, gewilde corruptie der wetenschap, dat is één van de kenmerken der moderne mythische wereldbeschouwing.
Het is méér en erger dan een ‘verzaking van het kennisideaal’, door Huizinga terecht gebrandmerkt, het is een opstand der instincten tegen de kennis, een opstand van het dier in de mens, tegen de mens in de mens, tegen alles waarmee hij het dierlijke in zich beheerst en omvormt tot cultuur. Het is de opstand tegen de beschaving, die zich niet langer alleen bedient van het ruwe geweld, maar die, om de bolsjewistische uitdrukking te gebruiken ‘cellen bouwt’ binnen de organen der beschaving, met het doel die organen onbruikbaar te maken. En zoals de bolsjewiki-van-links bij dit werk altijd weer de steun krijgen van ‘argelozen’, die menen, dat ‘critiek’ wordt uitgeoefend op wat toch wel critiek verdient en die dus de ‘critiek’ steunen, niet beseffend, dat ‘vernietiging’ beoogd wordt, zo vinden ook de bolsjewiki-van-rechts, de fascisten, steun bij allerlei argeloze intellectuelen, die menen, dat critiek wordt uitgeoefend op een zelfgenoegzaam rationalisme, op een eenzijdig intellectualisme, op een wetenschap, die zo gespecialiseerd en boekerig is geworden, dat ze ieder contact met de realiteit heeft verloren en ieder begrip van haar totale betekenis heeft ingeboet, welke critiek dus ruimschoots verdiend is. Maar ook deze argelozen beseffen niet, dat de fascisten geen critiek, doch alleen maar vernietiging beogen, niet van een bepaald rationalisme, maar van alle rede; niet van een zeker intellectualisme, maar van alle intellect en alle intellectuelen en van alle grondslagen der wetenschap.1)
Een rassentheorie, bij voorbeeld, kan natuurlijk bestreden worden. Men kan tegenover een theorie argumenten plaatsen en die argumenten kunnen onweerlegbaar blijken. Maar als achter de theorieën omtrent het ras en z'n betekenis in de historie, theorieën, die zich lenen voor een interessante en vruchtbare discussie, de mythe staat van het uitverkoren volle en als dat volle dan de ‘wij-groep’ is waartoe degene, die zich uitverkoren waant, behoort, dan gaat het in werkelijkheid niet meer om het ‘ras’, maar om
de mythe der uitverkiezing en om de macht van de uitverkoren groep. Doch wat een eenvoudige zaak zou zijn, als men het stelde zoals het is: ‘Wij, Duitsers, geloven sterk genoeg te zijn om de wereldheerschappij te kunnen veroveren’, wordt door mythologisering, tot een toverdrank van bloed, bodem, scheppende begaafdheid, cultuurdragerij etc. etc., welke toverdrank allen naar het hoofd stijgt, die in de uitwerking ervan geloven.
Hier hebben wij tevens een voorbeeld van het onderscheid, dat bestaat tussen een mythe in z'n oorspronkelijke vorm, en in z'n gevulgariseerde vorm. De mythe van het Arische ras, bij Gobineau, was in ieder geval een hypothetische geschiedfilosofie, die de historici tot vruchtbare onderzoekingen kon inspireren. In haar vulgaire vorm, bij de horden, leidt ze alleen tot moord en doodslag, tot oorlogen en uitroeiïng van overwonnenen.
Neem (omdat het voorzichtiger is over het verleden te spreken dan over hoofden van bevriende staten) het geval Mohammed. Hier hebben we een mythe, die noch zeer oorspronkelijk, noch bizonder vruchtbaar is (naar haar ideeën-inhoud beoordeeld). Maar ze is sterk genoeg om den man, die haar schept en door haar geïnspireerd wordt, tot een zekere machtsvorming te brengen. En de gevormde macht blijkt indrukwekkend genoeg om een volk te fanatiseren, en, bij afwezigheid van belangrijke tegenkrachten, in het veroveren van een wereldrijk te helpen. Wat er in dit wereldrijk aan cultuur ontstaat, is door het overnemen van het bestaande, ondanks de heersende mythe en tegen die mythe in, tot stand gebracht. Iets anders dan veroveren en vernietigen kunnen de door de mythe van Mohammed bezeten volken blijkbaar niet. En de kracht van het Ottomaanse rijk berust reeds niet meer op de geestelijke kracht van de Islam, maar op de merkwaardige organisatie van getrainde slaven, de Janissaren, een ‘totalitaire’ organisatie, die enige eeuwen stand houdt, dan ontaardt en tenslotte vernietigd moet worden om het verder leven van de staat mogelijk te maken.
De oorspronkelijke mythe wordt daardoor echter niet gered, laat staan tot nieuwe levenskracht en bloei gebracht. Men moet nieuwe krachten putten uit de Westerse cultuur. De ‘vooruitgang’, de ‘democratie’ en het ‘nationalisme’ zijn de drijfkrachten der vernieuwers, die bij hun streven de oude mythe als reactionnaire tegenkracht ontmoeten, en die er slechts in
slagen hun maatschappij te vernieuwen, als ze volkomen breken met de mythe van de Islam (Kemal Atatürk).
De Islam is het voorbeeld van een mythe, wier inhoud en culturele kracht nooit voldoende waren om tot de vorming van een culturele élite te geraken, doch wier werking zich beperkte tot het scheppen van een militaire macht, die de Heilige Oorlog weet te organiseren en te voeren, zonder er in te slagen het veroverde rijk tot een Heilig Rijk te maken. Wat bij de oorspronkelijke, door de kracht der mythe bezielde veroveraars nog aan bezieling aanwezig was, is reeds een vulgarisatie van de religieuze mythe, die in Mohammed en de kleine kring zijner geestverwanten leefde. En het proces der vulgarisatie, zo spoedig ingetreden, is na enkele generaties reeds zover voortgeschreden, dat we een onbezield, alleen maar voor materiële handhaving werkend, bestuursapparaat overhouden.
Indien dus een mythe reeds in den beginne geheel en al op uiterlijke machtsvorming gericht is, indien ze niet het winnen van een élite ten doel heeft, dan zal ze misschien aanvankelijk een overweldigend succes hebben, want de vulgariteit van haar oorsprong maakt het verkrijgen van een grote aanhang gemakkelijk. Maar ze is dan een geweldig lichaam met een zwakke geest, een monster, dat onweerstaanbaar lijkt, maar dat innerlijke kracht en de mogelijkheden van aanpassing en vernieuwing mist.
Verovering van de massa is alleen dan een vruchtbaar verschijnsel, als die verovering op een geheel andere wijze geschiedt. Indien de oorspronkelijke mythe zo ‘moeilijk’, zo ‘exclusief’ is, dat ze aanvankelijk geen enkele aantrekkingskracht op de massa uitoefent, doch integendeel de angst en de toorn van die massa opwekt, en slechts een kleine minderheid om zich heen verenigt, (een minderheid, die met de heersende gevoels- en gedachtewereld durft te breken, die noch verachting, noch spot, noch geweld vreest), dan beginnen de eerste mogelijkheden van een uiteindelijk vruchtbare mythe op te doemen.
Doch er is méér nodig, want een dergelijke minderheid kan ook een secte zijn en blijven. Nodig is dus ook, dat die minderheid de geestelijke strijd met de heersende opvattingen niet vreest, dat ze in die strijd haar eigen wereldbeschouwing versterkt en verbreedt, dat ze de beste elementen van het traditionele voelen en denken assimileert, dat ze dus tot een ‘compromis’ komt, dat
haar in staat stelt, al de essentiële elementen van haar vernieuwing te behouden en niettemin contact te krijgen met de oude wereld en daardoor op haar in te werken. Anders gezegd, de scheppende kern omringt zich met een kring van persoonlijkheden, die nog steeds over een grote zelfstandigheid beschikken, die leiding kunnen geven en invloed kunnen uitoefenen in hun eigen omgeving en die daardoor de verpersoonlijking zijn van een nieuwe vorm van de mythe, een vorm, die begrijpelijker en meer aanvaardbaar wordt voor grotere groepen. Om de scheppende, profetische, en daardoor uiterst eenzijdige en ongenaakbare oorspronkelijke groep heen, ontstaat een overtuigd, tot leiding en propaganda bereid en geschikt kader, dat op zijn beurt weer een minder zelfstandig corps van propagandisten en organisatoren, een midden in de maatschappij staand ‘volks’ kader kweekt, waardoor op den duur grote groepen van het volk - schoon nog altijd een minderheid - tot aanhangers van het nieuwe worden. Langs deze weg, die hier schematisch wordt voorgesteld, terwijl in werkelijkheid niet alles trapsgewijze gaat, doch reeds van de aanvang af iets van alle elementen aanwezig is (ook de kleinste secte bestaat uit scheppende, leidende, verbreidende en organiserende personen, benevens uit meelopers, volle, massa) wordt de exclusieve mythe tot een volksmythe. En alleen als de ontwikkelingsgang, in grote trekken natuurlijk, dit beeld vertoont, krijgen we op den duur èn het groeien van de ‘mythe’ tot een wereldbeschouwing, èn het zegevieren van die wereldbeschouwing in de maatschappij.
Zo gezien is de mythe van het fascisme het type van een vulgaire mythe. Ze is ver verwijderd van wat we inspiratie en ideaal mogen noemen. De eigenlijke mythe, die van het romantisch verzet tegen de rede, is waarlijk niet door de leiders van het fascisme geschapen. Zij hebben niets anders gedaan dan het protest van de vitale instincten tegen de rede - een protest, dat tot op een zekere hoogte gerechtvaardigd is, in die gevallen, waarin de rede de grenzen van haar mogelijkheden te buiten gaat en een wereld poogt te construeren, die uit niets anders meer dan rede zou bestaan - te verbinden met het nationale protest van volleen, die een nederlaag hebben geleden en die, zichzelf uitverkoren wanend, niet de weg der zelfcritiek, doch de weg van de nog grotere zelfverheerlijking en van het streven naar
nog groter geweld hebben ingeslagen. Ze hebben deze protesten weer verbonden met het protest der middengroepen tegen de proletarische overheersing, een protest dat in vele vormen mogelijk is, maar dat, ook hier weer, wordt opgelost in de reactionnaire vorm van handhaving der vooroordelen door middel van geweld. Protest schakelt zich zo aan protest. Geen dier protesten, of het heeft op één of ander punt, en soms op vele punten, reden van bestaan. Maar protesten alleen geven een beweging nog geen innerlijke samenhang, integendeel de protesten kunnen gemakkelijk eikaars uitwerking beletten, indien ze niet verbonden zijn en ondergeschikt worden gemaakt aan enige grote ideeën, die samen een harmonisch geheel vormen.
Als men nu het protest van het leven tegen de rede, van het gevoel tegen het intellect, samenbrengt met het protest van het ene volle tegen de machtsposities van andere volken, als men deze protesten weer verbindt met het protest van de middengroepen tegen de aspiraties van het proletariaat, het protest van regeringsefficiency tegen parlementaire discussie, van centralisatie tegen federalisme, van de geweldsoplossing tegen de vreedzame overeenkomst, van de held tegen de handelaar, van de gemeenschapsdienst tegen het winstbejag; als de grote strijd van collectivisme tegen individualisme en de nog grotere strijd van het absolute en het relatieve standpunt in alle dingen, als dat alles in het geding gebracht wordt, dan heeft men een zo gecompliceerde reeks van tegenstellingen en protesten, dat een ‘synthese’ niet direct voor de hand ligt. Het vinden van een oplossing is dàn alleen mogelijk, als men er in slaagt een juiste waardebepaling van al de opgerakelde problemen te vinden en ze in de rangorde hunner belangrijkheid en algemeenheid aaneen te schakelen, zodat de triviale of ongegronde protesten op hun bescheiden plaats worden gezet of worden verwijderd, terwijl ook het ‘principiële’ protest, door allerlei nuanceringen, gedwongen wordt z'n maniakale absoluutheid op te geven.
Het is duidelijk, dat een rangschikking, waarin het protest van een volle tegen de machtsposities van andere volkeen, als hoogste en allesbeheersende waarde bovenaan staat, (en dat is bij de fascisten het geval, al wordt dit protest dan ook verabsoluteerd, door het ‘volk’ als oorsprong aller waarden aan te nemen, en aan de rassen-theorie de meerwaardigheid van bepaalde volken te ontlenen) tot een geheel andere waardering en begrenzing der
problemen moet leiden, dan een rangschikking, die niet van politieke, doch b.v. van metaphysische, economische of culturele gezichtspunten uit geschiedt. Maar aan de andere kant heeft een reeks van protesten, al is ze geen organisch geheel, het nuttig effect, dat men op alle jachtvelden iets buit maakt, dat men alle soorten van ontevredenen de verwachting geeft, dat er aan hùn belangen gewerkt wordt. En wat dan verder aan tegenstrijdigheden te voorschijn moge komen, wordt in een kunstmatige ordening opgevangen en door een soldateske discipline, door de kazernistische organisatie, eerst van de partij, dan van de staat, en tenslotte van de gehele samenleving in al haar onderdelen en uitingen, telkens als het nodig is neergeslagen of weer opgecommandeerd.
Eén van de tegenstrijdigheden, die iedereen direct zijn opgevallen, is dat het fascisme aan de ene kant een onderstreping is van het romantische protest tegen de rede, terwijl het aan de andere kant een geestdriftige erkenning van de moderne techniek bevat, een erkenning, die waarlijk méér dan een lippendienst is, want fabrieken en kracht-installaties, auto's en autowegen, vliegmachines en vliegvelden enz. enz., getuigen van de ernst, die de fascisten met de moderne techniek maken. Hun propaganda-apparaat is technisch even volmaakt als hun systeem van opsporing en onderdrukking der ontevreden elementen, en in al deze opzichten geven zij een verbeterde en uitgebreide editie van wat de machine-aanbiddende bolsjewiki tot stand brachten. Maar hun aanvaarding van de moderne wetenschap blijft niet beperkt tot deze technische dingen in engere zin. Wie wel eens sommige fascistische organen, die voor de binnenste kring der partij bestemd zijn (b.v. het orgaan van de S.S. ‘Das schwarze Korps’) heeft gelezen, wie de geschriften van een paedagoog en cultuurfilosoof, die fascist is uit overtuiging (b.v. Ernst Krieck: ‘Wissenschaft, Weltanschauung, Hochschulreform’) leert kennen, of wie Rosenbergs anti-Roomse pamfletten leest, bemerkt telkens weer, dat het fascisme er prijs op stelt, op de hoogte der moderne wetenschap te staan, al is dat bij een man als Rosenberg, wiens argumentatie steeds weer herinnert aan de ‘Aufklärung’ en aan de ‘Kracht-en-Stof’-periode, zeer kennelijk niet het geval. Maar niet het bereikte, doch de behoefte het te bereiken, is in dit verband het belangrijkste. De fascisten willen ‘weten-
schappelijk’ zijn, terwijl ze tegelijkertijd de mythe boven de wetenschap stellen.
Maar is dit iets zo bizonders? Kennen we niet de stelling, dat de wetenschap de dienstmaagd der theologie behoort te zijn? Waarom zou ze dan niet de dienstmaagd der mythe van leven-bloed-ras kunnen zijn, en in die hoedanigheid met ijver en met vaardigheid werken? Eerst tegenwoordig begint men meer algemeen te erkennen, dat de middeleeuwse scholastiek, ondanks haar dienstbaarheid, respectabel wetenschappelijk werk heeft verricht en daardoor de voorbereiding van humanisme en rationalisme was. Bovendien, is het fascisme weer niet echt ‘van onze tijd’ met z'n aanvaarding van de wetenschap en z'n verzet tegen de uiterste consequenties der wetenschap? Zien we dan niet, hoe de moderne religie telkens weer probeert te bewijzen, dat de wetenschap van thans, (in tegenstelling tot de vroegere anti- of a-religieuze ‘mechanisch-materialistische’), erkent, dat haar resultaten tot aanvaarding van een religieuze wereldbeschouwing moeten leiden? Zien we niet, onder de mannen der wetenschap zèlf, een streven om met behulp van de wetenschap te bewijzen, dat de wetenschap onmachtig is om tot een eigen wereldbeschouwing te komen en dat ze alleen maar kan wijzen naar de noodzakelijkheid van een religieus besef? (Eddington, Jeans, Millikan).
Waarom zouden zulke dingen alleen geoorloofd zijn aan de moderne religie van christelijken huize en waarom niet aan de fascistische religie? Het fascisme is een religie, of, goed beschouwd, eigenlijk méér dan een ‘religie’, het is een stevig geloof, dat zich nog in de mythische periode bevindt, en dat dus over de robuustheid beschikt, die de ‘religies’, met hun epigonen-christendom, reeds lang missen. Vandaar dat het zo moeilijk is, een ‘religieuze’ dam tegen het fascisme op te werpen,1) want het fascisme heeft zelf àl de bekoringen van een religie, plus de kracht van een geloof, plus de vulgariteit van een mythe-voor-de-massa. Het kan zich, naar gelang van de omstandigheden, en van de personen of groepen die het beïnvloeden wil, nu eens mystiek, dan weer wetenschappelijk, dan weer practisch voordoen - het is van alle markten thuis en het heeft de handigheid der gewiekste marktkooplieden. Men kan het zijn dualisme, of juister, zijn pluralisme niet ver-
wijten, want dualistisch zijn ook onze grote godsdiensten; en pluralistisch is het moderne, relativistische, denken, zodra het in populaire vorm wordt opgediend.
En zij, die menen dat ze door hun monistische wereldbeschouwing, in een gunstige positie verkeren om het facisme te overbluffen, bij de naar ‘eenheid’ en ‘geslotenheid’ snakkende schare (want dit verlangen naar ‘eenheid’, ‘geslotenheid’, ‘zekerheid’, ‘vastheid’ is immers het andere grote verlangen der eeuw), bemerken tot hun schrik en verbazing, dat een ‘totalitaire’ wereldbeschouwing in dat opzicht niet te overtreffen valt.
Maar hoe men dan wèl een tegenwicht tegen het fascisme kan scheppen, is hier nog niet aan de orde. Voorlopig is het alleen nodig er op te wijzen, dat het fascisme de techniek onvoorwaardelijk, de wetenschap echter slechts voorwaardelijk aanvaardt. De techniek immers kan tot volkomen gehoorzaamheid aan een fascistisch régime gedwongen worden, precies als aan het bolsjewistisch régime, en aan het demo-liberale, waarin ze trouwens haar geweldige vlucht genomen heeft. Techniek, zo meent men, is met iedere wereldbeschouwing te verenigen. Of Brinio, op een schild geheven, een Germaanse stam toespreekt, dan wel of Goebbels alle Germaanse stammen van achter de radio-microfoon de een of andere openbaring doet geworden, dat is alleen maar een kwestie van de afstand, die een stem draagt en van het aantal lieden, dat er op hetzelfde moment naar luisteren kan.
Natuurlijk is het tenslotte zo simpel niet. Sedert Vico en Marx weten we, dat de techniek resultaat is van een reeks van levensgewoonten, en dat ze op haar beurt weer nieuwe levensgewoonten schept. Het is geen toeval, dat de techniek in West-Europa een veel grotere rol gespeeld heeft dan in de Helleense, de Arabische, de Chinese of de Indische wereld, noch dat die techniek, die een der krachten is geweest, welke het ‘demo-liberalisme’ mogelijk hebben gemaakt, tijdens dat demo-liberalisme een ongekende bloei heeft vertoond.
Met hun voorliefde voor het technische, zijn de fascisten echte afstammelingen van het demo-liberalisme, dat zij zo hartstochtelijk en luidruchtig verafschuwen. Maar terwijl de techniek in het liberalisme een natuurlijk kind van de wetenschappelijke geest, van de wil tot onderzoek, ontraadseling, critiek, scheppende onvoldaanheid met wat men ook bereikt had, was, kàn ze in het
fascisme niet méér zijn, dan de nawerking van een traditie, die door het fascisme met alle macht bestreden wordt, doch die zo sterk is, dat men haar op sommige gebieden niet meer breken kan. Men kan zich in de tegenwoordige wereld nu eenmaal niet meer handhaven zonder aan de spits der techniek te staan. En een leer, die het ‘leven’ en de ‘macht’ boven alles stelt, is òf een ‘terug tot de natuur en het sterke blonde beest’ d.w.z. een ongevaarlijk rovertje-spelen, óf een boven alles plaatsen van de oorlogstechniek. En oorlogstechniek is alleen mogelijk in een door en door vertechniekte maatschappij; en dus moet de kazernistische en soldaterige vorm van de levensverheerlijking wel tot een techniek-verheerlijking leiden.
Maar niettemin is ‘techniek’ niet een afgesloten gebied, en al is ze een tijdlang verenigbaar met vele maatschappij-vormen en levens-opvattingen, ze is tenslotte een met de vrije wetenschap, het nergens voor terugdeinzend onderzoek, de critische geestesgesteldheid, onverbrekelijk verbonden categorie. Ze is op den duur niet verenigbaar met afgesloten en voor goed vastgestelde waarheden, met autoriteits-geloof, met gehoorzaamheids-cultus. Ze kan zich in zo'n systeem op zijn best nog handhaven, ze kan zich niet meer ontwikkelen.
Op het ogenblik is het fascisme nog voldoende in tegenstelling met de omringende wereld, om nog een grote hoeveelheid critische geest te bezitten, terwijl bovendien de oude wetenschapstradities nog doorwerken. Als ‘strijdende kerk’ bezit het fascisme nog een zekere dynamiek, de dynamiek, die nodig is om tot de verwezenlijking van zijn statisch ideaal te geraken; als ‘triomferende kerk’ zal het door en door statisch, en dus technisch-minderwaardig zijn.
Nu geloven velen, dat het mogelijk zal zijn de dynamiek in de technische laboratoria en in de wetenschaps-centra te handhaven en haar tegelijkertijd in de menselijke omgeving zonder genade te onderdrukken. Maar dat is een illusie, wier onhoudbaarheid met iedere nieuwe generatie van tot autoriteits-aanbiddidg en gehoorzaamheid aan de gestelde machten opgevoede knapen duidelijker zal blijken. De eerste generaties zullen, met enige moeite, nog tot eigen onderzoek worden bewogen, doordat in laboratorium en fabriek nog afstammelingen der oude onderzoekstradities voortleven, maar op den duur zal alles in de domme routine van commando en gehoorzaamheid verstarren.
Geen beter bewijs hiervoor dan een studie der krijgs-geschiedenis, want deze leert ons, hoe de legers altijd weer broedplaatsen van stompzinnigheid geweest zijn, en hoe slechts dank zij de invloeden van buiten, de invloeden uit de vrije, dynamische, maatschappij komend, van tijd tot tijd de korst der routine kon worden stukgeslagen, en een hervorming of vernieuwing der militaire techniek, tactiek en strategie, mogelijk was. Ontbreekt die buitenwereld echter - en dat is in het voltooide kazernisme het geval-dan is er geen tegenkracht meer, sterk genoeg om de verstarring te breken.
Alleen de strijd met de demo-liberale buitenwereld geeft het fascisme de schijn van een systeem, dat technisch progressief is; In werkelijkheid ziet men thans reeds, bij een diepergaand onderzoek, dat de ontwikkeling der techniek geen organisch met het fascisme verbonden factor is. Dat blijkt wel het best uit de (reeds thans!) statistisch te constateren afkeer van denkwerkzaamheden bij de jongere fascistische generatie. Met uitzondering van de landbouwkundigen krimpt het aantal studenten aan de Duitse hogescholen in. Zelfs de practische beroepen (ingenieurs, artsen) hebben geen aantrekkingskracht meer voor de jeugd, die nog veel en veel minder trek heeft in het recht, de historie, de litteratuur, de wijsbegeerte, de zuiver theoretische natuur-wetenschappen en de wiskunde. Het enige beroep, dat studie vereist en nog werkelijk in trek is, is het officiers-beroep. Maar de aan exaltatie en excercitie gewende jeugd, veracht alle denkwerk - studeren is minderwaardig. Natuurlijk kan de Staat er wel voor zorgen, dat jongens worden aangewezen om te studeren, maar de Staat kan niet de wetenschappelijke geest brengen bij een jeugd, die in verachting voor het critisch denken wordt opgevoed.
Hier zijn wij weer bij ons uitgangspunt, en bij het beginpunt der fascistische mythologie: het protest van de vitale instincten tegen de rede, teruggekeerd. Maar voor we er toe kunnen overgaan de toekomst-waarde van de fascistische mythe te onderzoeken, moeten we ons bezig houden met de practische waarde, die dit protest en de reeds opgenoemde reeks van protesten, die aan dat primair proces gekoppeld werden, kon hebben - en in Duitsland-Italië ook gehad heeft - in de strijd tegen de bestaande ‘democratische’ orde. Nu kan men betogen, dat noch Italië, noch Duitsland werkelijke democratiën waren en dat er dus geen sprake
van is, dat het fascisme een gevestigde, in het volk gegroeide democratie kan overvleugelen. Maar laat men het zich niet te gemakkelijk maken, want al is het ongetwijfeld waar, dat de democratie in Engeland en Frankrijk, in Scandinavië en Nederland een veel bredere basis heeft, dan in Duitsland-Italië, in geen enkel land is de democratie méér dan een zaak van een bewuste minderheid.
Bij ons en in de Westerse landen zijn democraten: de overgrote meerderheid der intellectuelen en half-intellectuelen, d.w.z. bij de middengroepen: de mensen van een zekere welstand, opvoeding en individuele ontwikkeling. Bij ons zijn democraten: de geschoolde arbeiders met hun technische en algemene ontwikkeling en met hun politieke en organisatorische scholing, die gewoonlijk ver boven die der intellectuelen uitgaat. Maar zowel bij de middengroepen als bij de arbeiders vindt men de grote massa van mee- lopers, van sleurmensen, van sensatiezoekers, die tot dusver gewoon was zich te richten naar de democratische kaders (naar de élite van intellectuelen en arbeiders, die tot dusver democratisch was), maar die uiteindelijk ook door de sensatie-propaganda van het fascisme gegrepen kan worden, als de democratische élite, hetzij haar prestige verliest, hetzij geheel of ten dele in ontbinding geraakt en zelf door het fascisme gegrepen wordt, hetzij door beide oorzaken tegelijk verzwakt wordt.
Ongetwijfeld waren die democratische élites in Duitsland en Italië verhoudingsgewijs steeds veel zwakker dan bij ons. De soldateske en nationalistische vergiftiging in Duitsland, de nationalistische vergiftiging en de algemene achterlijkheid (armoede, pauperisme analfabetisme) in Italië, maakten die kaders altijd zeer zwak, maar niettemin hebben ze in Italië sedert Mazzini en Cavour voldoende kracht en prestige gehad om hun wil aan het volk op te leggen, en in Duitsland waren ze in de Wilhelminische periode reeds een factor, waarmee de regeringen van Bismarck tot Bethmann Hollweg rekening moesten houden, terwijl ze na 1918 de baan vrij kregen voor een volledige machtsontwikkeling en een tijdlang de enig mogelijke regeerkracht schenen te zijn. Ondanks hun betrekkelijke zwakte hadden ze een leidende positie, die ze verloren hebben. Zo kunnen ook onze democraten hun, wel veel sterkere, maar toch ook op prestige en geslotenheid van een minderheid berustende, posities verliezen. Onze democratische élites zijn sterker. Maar ze zijn niet onkwetsbaar. En niets is dom-
mer dan de zelfverzekerdheid van sommige democraten, die menen dat ons ‘niets gebeuren kan’. Ook bij ons kan ‘het’ gebeuren, als we in verdediging en aanval te kort schieten.1)
Ook bij ons kunnen de intellectuele elites vernietigd worden, of ze kunnen zulke vormen van ontbinding vertonen, dat hun weerstandskracht niet langer voldoende is om de fascistische aanvallen of verlokkingen te kunnen terugwijzen.
Als groep, is de intellectuele élite gebonden aan een zekere levenswijze, een zekere mate van welstand. Daaraan ontleent ze een groot gedeelte van haar prestige bij de volksmassa. Zeker, de handarbeider die spot met de ‘kale kantoor-meneer’, met diens magere maaltijden en glimmende pakjes, heeft tòch een met afgunst en verachting gemengd respect voor die ‘meneer’, die misschien minder loon ontvangt dan een geschoold arbeider, dan een goed vakman. Al verdient die meneer dan ook minder dan een goed bouwvakarbeider, al eet hij slechter en al kan hij minder vaak nieuwe kleren kopen, hij woont vermoedelijk toch beter, hij heeft z'n huis aardiger ingericht en hij geniet, voor zover het zijn werk betreft, van het prestige, dat het ‘kantoor’ heeft, het kantoor, dat geacht wordt de fabriek te regeren en dat ook inderdaad (alle arbeidswaarde-theorieën ten spijt) het centrale zenuwstelsel van de fabriek is. Als daar dan nog bij komt, dat de ‘meneer’ zich allerlei intellectuele genoegens veroorlooft, die tot vooreen kwart eeuw slechts bij heel enkele arbeiders voorkwamen - boeken lezen en bezitten, naar concerten en tentoonstellingen gaan e.d. - dan geeft het niets, of hij wat minder verdient dan een arbeider, hij blijft toch de volks-editie van de ‘intellectueel’. Zijn glimmend jasje weerspiegelt niet alleen zijn eigen armoede, maar ook de verre glans van de professor, de geleerde, de kunstenaar, de staatsman, de ‘intellectueel’. En die glans is voldoende om den arbeider er van te overtuigen, dat hij z'n zoon toch ook maar kantoor-meneer moest laten worden.
Zo lang de professor en z'n soortgenoten ‘demo-liberaal’ zijn, zo lang is de kale meneer het in de meeste gevallen ook, en zo lang
is de omgeving van die meneer, d.w.z. ‘het volk’, het eveneens. Dat de hogere intellectuelen wel eens arm zijn, dat de lagere, de half- en kwart-intellectuelen bijna altijd ‘kaal’ zijn, dat doet aan het prestige van de hele groep weinig af. Maar een heel andere toestand ontstaat, als, niet meer bij wijze van uitzondering, maar als voor de meerderheid geldende regel, armoede en duidelijk zichtbaar gebrek onder de hogere intellectuelen voorkomen, en als de kleinere en kleinste ‘hoofdarbeiders’ inplaats van ‘kaal’ werkelijk armoedig zijn. Zulke toestanden, zoals ze tengevolge van inflatie, werkloosheid, economische crisis, normaal kunnen worden, verminderen niet alleen het prestige der groep, ze tasten het gehele bestaan van de groep aan, zowel in fysieke als in geestelijke zin.
Hoe kan men de ‘demo-liberale’ wereld, van wier beginselen men zich, als groep en individueel, de drager voelde, langer verdedigen, als ze niet langer in staat blijkt haar beste aanhangers het bescheiden bestaan te geven, dat zij vroegen?
De voor de hand liggende gedachte, dat er iets aan het mechanisme dier wereld moet mankéren, komt ha werkelijkheid slechts bij weinigen op. Men ondergaat de toestand als catastrofaal, en in zulke gevallen bewaren slechts enkelen de evenwichtigheid, nodig om te zien, dat men het stuur in handen zou kunnen nemen en het voertuig uit de gevaarlijke zône zou kunnen brengen. De massa - ook de intellectuelen als groep zijn massa - geraakt in een paniekstemming; het ‘stelsel’ deugt niet meer, men moet verbranden wat men tot dusver aangebeden, en aanbidden wat men tot dusver verbrand had. Niet wat in werkelijkheid het radicaalste is, n.l. de koers-verandering, maar wat het radicaalste schijnt, n.l. het uit de auto springen, het aanvaarden van een geheel andere wereldbeschouwing, van het fascisme, blijkt in zo'n paniekstemming de normale geestesgesteldheid te zijn. Daar komt dan nog iets anders bij. Terwijl de Intellectuelen als groep geen organisaties bezitten, die het verwerven en verdedigen van materiële welstand waarborgen, hebben de arbeiders een zeer uitgebreid stelsel van verzekeringen en waarborgen, waardoor ze ook in crisistijden veel van het verkregene kunnen handhaven. Zo wordt de positie der intellectuelen in verhouding tot die der arbeiders slechter. De arbeiders schijnen zich meester te maken van een onevenredig groot gedeelte van het volksinkomen. En als die arbeiders door hun organisaties ook op het politieke terrein
voldoende invloed uitoefenen om hun groepsbelangen te verdedigen, ziet het er uit, alsof de belangen der intellectuelen alleen maar tot hun recht kunnen komen, als de arbeiders-organisaties, de ‘marxistische’ organisaties, vernietigd zijn. En aangezien die arbeiders-organisaties in hun meerderheid de demo-liberale opvattingen verdedigen, is dat een argument te meer om de mening te doen postvatten, dat het demo-liberalisme vernietigd moet worden. De intellectuelen verliezen alle geestdrift voor de wereld, die zij zelf gemaakt en gedragen hebben; ze gaan die werel haten, willen haar vernietigen.
De gevoelens van onbehagen en afkeer ten aanzien van het ‘marxistische’ toekomst-ideaal (waarover we reeds in een vroeger hoofdstuk spraken), worden nu door de materiële nood geactiveerd. De intellectuelen en de middengroepen keren zich tegen de liberale orde en de liberale cultuur, en zoeken hun heil bij het fascisme. De intellectuele élite van het liberalisme is ten dele vernietigd; ten dele is ze in staat van ontbinding en loopt ze over naar het fascistische kamp.
Maar ook de arbeiders-élite, wier opvattingen, door intellectuelen gevormd, in vele opzichten van liberale strekking waren, wordt in de na-oorlogsperiode met ondergang en ontbinding bedreigd, al heeft zij zich in het algemeen beter kunnen handhaven dan de intellectuelen en de middengroepen. Ook hier hebben inflatie en werkloosheid grote verwoestingen aangericht. Het ontstaan van een massa van permanent-werklozen heeft een deel dier élite fysiek vernietigd, bij een ander deel stemmingen van moedeloosheid of van extremisme gebracht, terwijl de werklozen zèlf dit alles in nog sterkere mate ondergingen. Wel was dat extremisme slechts zelden ‘fascistisch’ in de directe betekenis van het woord, maar het was heel vaak ‘bolsjewistisch’, d.w.z. van dezelfde anti-liberale gezindheid, van dezelfde primitieve, ruwe en gewelddadige strekking - met als resultaat, dat het de antidemocratische krachten in de wereld der middengroepen versterkte en de democratische krachten in de arbeiderswereld verzwakte.
Het eigenlijke ontbindings- en ondergangsverschijnsel in de arbeidersgroepen ligt echter niet in het extremisme, doch in de apathie, in het gebrek aan energie en inzicht, aan durf en grootsheid bij de socialistische partijen, die op de duur een bond van
arbeiders-élite met aanhang, middenstanders en een klein gedeelte der intellectuelen, waren geworden. Deze partijen waren in de loop der ontwikkeling tot de sterkste der democratische groeperingen geworden; zij gingen regeren, of werden deelgenoot in regeringscoalities, of in ieder geval partijen der loyale oppositie, tot regeren bereid.
Als sterkste groepering der democratische krachten, sociaal gezind en de liberale cultuur verkondigend, werden zij vanzelfsprekend de maat voor wat dit demo-liberalisme kon tot stand brengen, de graadmeter van zijn kracht en zijn prestige. En nu is het een niet te ontkennen feit, dat de resultaten van dit ‘socialedemo-liberale-experiment-onder arbeiders-leiding’ uiterst mager, zoal niet beschamend waren. Er was geen sprake van, dat de buitenstaanders, of zelfs maar de eigen aanhangers, de indruk kregen, dat hier nu een macht aan het werk was, die wist wat ze wilde en die geloofde in haar eigen idealen. Ook de welgezinde beoordelaar kon het niet verder brengen dan de uitspraak: brave lieden, die het goed bedoelen, maar die van alle goede geesten verlaten schijnen. Ernstig, vol verantwoordelijkheidsgevoel, uiterst voorzichtig, maar als ‘rampzalige aardappellanden’ met nergens ooit iets verhevens’. Geen enkele grootse conceptie, geen eerbied-afdwingend plan, geen enkele krachtige uitvoering van enig plan of gedeelte van een plan. Gebrek aan regeerkracht, gebrek aan bezielende werking, gebrek aan mythe. Als er al harten en hoofden van geestdrift vervuld werden door het optreden van die partijen, regeringen, groepen, dan waren het harten en hoofden, die geen hoge eisen stelden; niet voor de besten van z'n tijd deed men genoeg, maar voor de middelmatigsten en uitgedroogdsten.
Democratie, dat bleek identiek te zijn met partijen, die alle gebeuren en alle mogelijkheden bekeken van uit het standpunt der parlementaire verkiezingen. Democratie, dat waren partijprogramma's, op zichzelf al weinig inspirerend, die na de verkiezingen heel ver naar achter werden geschoven, om plaats te maken voor onderhandelingen met andere partijen, waaruit dan een regering voortkwam, wier voornaamste zorg was, niets te doen, wat de coalitie-partij, die het minste gedaan wilde hebben, onaangenaam zou zijn. Democratie, dat werd een reeks van commissies, die eindeloos vergaderden, zonder ooit met een toonbaar plan naar voren te komen, doch alleen met zwakkelijke plannen, die dan
in de eindeloze parlementaire debatten nog het laatste sprankje levenskracht verloren. Een democratie, die haar vijanden niet durft aan te tasten en machteloos te maken, die haar vrienden noch arbeid, noch welvaart kan geven, die haar jeugd geen grote bezielende taak weet op te dragen, die haar Staat niet weet te doen eerbiedigen en bewonderen in de wereld, die haar intellectuelen niet met trots op hun leiderschap weet te vervullen, die haar kunstenaars niet in een sfeer van vitale kracht en inspirerend verlangen naar het nog nooit bereikte weet te plaatsen, zo'n democratie is slechts een verzameling constitutionele paragrafen, een ‘vodje papier’. Zo'n democratie wekt alleen gevoelens van schaamte en ontmoediging op, ze verliest alle prestige en ze berooft haar aanhangers van alle prestige. Ze heeft dus geen toekomstmogelijkheden meer. Haar mythe is gestorven, of juister misschien: aangevreten, verrot. En de werkelijke verhevenheid, de groei van de mythe, door de realiteit heen, naar de inspiratie, heeft ze nooit kunnen bereiken.
Het is dus niet zó, dat de mythe van de democratie tegenover de mythe van het fascisme heeft gestaan, en de mindere is gebleken. Keen, de mythe van de democratie was niet meer aanwezig en ze kan ook nergens meer in haar oorspronkelijke vorm aanwezig zijn, ze behoort tot een verleden, dat, in z'n oorspronkelijke vorm, voorgoed is afgesloten.
Dat de mens van nature goed is, en dat de mensen van aanleg gelijk zijn, dat ze door verkeerde instellingen bedorven zijn en door goede instellingen weer goed gemaakt kunnen worden, dat is een mythe, die wij voor wat het eerste deel betreft in 't geheel niet meer, voor wat het laatste deel betreft alleen met heel veel voorbehoud kunnen aanvaarden. Maar op z'n best kunnen we dat dan ‘aanvaarden’ - en in een mythe moet men ‘geloven’. Het geloof van de stichters der Amerikaanse republiek, het geloof van Rousseau en van de Jacobijnen, van de Chartisten en van de democraten van 1848, hebben wij niet meer. Iets ervan bespeurt men nog bij volken, die voor het eerst weer hun eigen geschiedenis gaan maken en die de Westerse ideeën tot richtsnoer nemen. Natuurlijk komt daar geen Westerse democratie tot stand, maar een nieuwe wereldbeschouwing, die bij oude nationale tradities aanknoopt (Masaryk bij Hus, Soen Jat-Sen bij Confucius, Gandhi bij het Hindoeïsme en Boeddhisme), doch wat men dan van de de-
mocratie overneemt, wordt met geloofskracht geladen en het is vurig en naïef tegelijkertijd.1)
Maar onze élites zijn niet meer primitief en naïef en dus kunnen en willen ze geen mythe vormen, noch zich door een mythe laten bewegen. Ze kunnen alleen bepaalde idealen hebben - welke idealen dat zijn, zullen we nog pogen aan te geven - want het ‘ideaal’ is voor redelijke en beschaafde mensen, wat de ‘mythe’ voor de barbaren is, en dat ideaal kan zo groots en zo aanvurend voor het handelen zijn, dat het een ‘inspiratie’ voor denken en leven is.
Een geïnspireerde democratie hebben we echter tot dusver, na 1848, nergens in Europa gekend. En de democratieën, die zich tegenover het fascisme geplaatst vonden, waren zeer zeker het tegendeel van geïnspireerde werelden - juist door hun volkomen | gebrek aan inspiratie hebben ze het fascisme opgeroepen.
Wat zijn nu de grondelementen van de fascistische mythe, niet zoals de fascisten zèlf het menen te zien, maar zoals wij haar zien? Als wij dit onderzoeken, komt veel van wat in de propaganda en in de practische politiek op de voorgrond staat, op het tweede plan. De nationalistische en rassistische trekken, die voor de politiek allesbeheersend zijn, blijken dan niet meer dominérend te zijn, en nog veel minder belangrijk worden de leuzen tegen het parlementarisme en andere politieke oppervlaktevormen.
We zien dan als ondergrond der mythe, de strijd van het leven, dat naar het absolute, naar onbeperkte macht en expansie dringt, tegen de rede en het intellect, die zich van de relativiteit en de beperking bewust zijn. Uit het ‘absolutisme’, dat de onaanvechtbare waarheid is, volgt aan de ene kant de vanzelfsprekendheid van het opleggen dier waarheid door het geweld, de verachting voor iedere discussie, en aan de andere kant het willen beletten, dat iets tracht aan de greep van het absolute te ontsnappen: het totalitaire, collectivistische streven in wereldbeschouwing de maatschappij; de onduldbaarheid van individualisme en nonconformisme.
Andere elementen kan het fascisme zich toeëigenen, als de tegenstander het de gelegenheid geeft, doordat hij óf niet ernstig er
naar streeft, (gemeenschapsbelang tegen winstbejag) óf het als een dwaasheid beschouwt (het heroïsche leven tegen het comfortabele) óf het probleem niet duidelijk durft te stellen (middengroepen-intellectuelen tegen proletariaat) maar deze elementen behoeven geenszins fascistisch te zijn, doch ze kunnen, van hun absolutistische strekking en demagogische toepassing ontdaan, zeer wel in een anti-fascistisch wereldbeeld passen; ja, ze behoren daarin te passen. Weer andere elementen, zoals het ‘corporatisme’ zijn slechts zijdelings met het fascisme verbonden. Ze behoren thuis in de problemen-reeks van ‘hervorming van de staat en van de economie’ en het streven naar nieuwe organen, sociale autoriteiten en -instellingen, waarin ze dan, zowel van Rooms-Katholieke, van neo-syndicalistische en neo-socialistische zijde, als tenslotte van fascistische kant gebracht worden.
Het ‘corporatisme’ is een typisch voorbeeld van de wijze, waarop de werkelijke trekken van het fascisme door voortdurende propaganda en kwasi-wetenschappelijke litteratuur kunnen worden overdekt, zodat een ‘nieuw gezicht’ van het fascisme ontstaat; in dit geval dus dat van de ‘corporatieve staat’. Voor tallozen, vooral onder die intellectuelen die zich steeds weer laten imponeren door diepzinnig aandoende verhandelingen en ingewikkelde terminologie, is de ‘corporatieve staat’ de essentieelste trek van het fascisme. Uit het bijzondere, mysterieuze, karakter van zo'n corporatieve staat komen al de weldoende en regenerérende werkingen van het fascisme voort. Tegenover de kunstmatige structuur van de ‘demo-liberale’ of de socialistische maatschappij, staat dan het ‘organische’ karakter van de corporatieve maatschappij. En het woord ‘organisch’ is voor velen, wat ‘bloed’ of ‘ras’ weer voor anderen zijn, woorden die een geheimzinnige lusthuivering verwekken. De hoogste lof voor een maatschappij schijnt te zijn dat ze ‘organisch’ is, wat ze natuurlijk nooit zijn kan, aangezien ze altijd kunstmatig is, en aangezien er in werkelijkheid geen hoger lof voor een maatschappij behoorde te bestaan, dan dat ze een meesterlijk geslaagd werkstuk, een, ‘kunstwerk’ is. Wie nu kennis neemt van de litteratuur over het corporatisme1),
ervaart, dat het corporatisme een soort toepassing heeft gevonden in een paar economisch en sociaal achterlijke en onbetekenende katholieke staatjes (het vroegere Oostenrijk en Portugal). En dat het daar slechts in schijn aanwezig was of is, terwijl in werkelijkheid een dictatuur van de verbonden Staatsmacht en Roomse Kerk aanwezig is.
In het fascistische Italië heeft het corporatisme geen andere betekenis, dan dat het de heerschappij van een ‘derde macht’, (het staats-apparaat, beheerst door de fascistische partij), zowel over, als in, de corporaties, tot uitdrukking brengt. Het fascistische Duitsland, dat een betere staats-machine bezit (en van de aanvang af bezat) dan het achterlijke Italië, heeft de omweg via de corporaties niet nodig gehad en het heeft dus van het begin af aan de regeling van de economie door de staat aan de orde gesteld. Het corporatisme blijkt dus te zijn: ‘staats-economie voor achterlijke landen’. De hele rest is litteratuur!
Kenners van het bolsjewisme zullen in dit geval direct een analogie ontdekken met het ‘raden-stelsel’, waarover in de beginperiode van het bolsjewisme ook geweldig veel gesproken en geschreven werd, en dat een ‘nieuw beginsel’ zou zijn voor de politieke, economische en zelfs culturele leiding van de maatschappij. Van de ‘raden’ verwachtte men allerlei wonderen, het scheppen van een nieuwe gemeenschap en van nieuwe mensen. In werkelijkheid bleken de raden geïmproviseerde en zeer slecht werkende bestuursorganen te zijn, die verdwenen, toen de staatsmachine (beheerst door de bolsjewistische partij) een zekere mate van stevigheid had gekregen. Ook daarna bleef de raden-mystiek nog een tijdlang een ‘litterair’ leven voeren, om op den duur zelfs uit de propaganda te verdwijnen. Op het ogenblik heet Rusland nog steeds een ‘Raden-Republiek’ (Sowjet-Unie) ofschoon er geen ‘raden’ meer zijn. Op dezelfde wijze zijn de fascistische staten, ‘corporatieve staten’, ofschoon de corporaties, de bonden van ondernemers en arbeiders, geen spoor van zelfstandigheiden eigen functionneren hebben en het, voor zover het de arbeiders betreft, zelfs geen moment gehad hebben. Niettemin kan over dit schijn-corporatisme nog steeds aandoenlijke en diepzinnige welsprekendheid gedistribueerd worden. En het werkelijke probleem, dat van de leiding der politiek, der economie en der cultuur, wordt door zulke schijn-oplossingen als raden en corporaties slechts verdoezeld.
Dit voorbeeld is vermoedelijk voldoende om te bewijzen, hoe voorzichtig men moet zijn, als men het fascisme naar zijn ‘ideeën’ beoordeelt en er ideeën-geschiedenissen van wil gaan schrijven. In werkelijkheid komt men er dan toe, iedere inval van met het fascisme sympathiseerende, in hun eigen gefilosofeer verward geraakte, intellectuelen, tot in het oneindige in verbinding te brengen met alles wat in de studeerkamers - en in de salons - wel eens aan invallen gedebiteerd en tot redeneringen en systemen ineengevlochten is. Men daalt dan af in het moeras der ‘ideologie’, (waarbij het woord ideologie gebruikt moet worden in de zin, die Napoleon er aan gaf: gezwets van lieden, wier handen verkeerd staan, en die zich te voornaam achten de maatschappelijke krachten te bestuderen en er rekening mede te houden) en men is dan, èn voor het denken, èn voor het handelen verloren. Is de ideoloog b.v. katholiek, dan vindt hij in het corporatisme (dat aanknoopt bij opvattingen van katholieke sociologen als Le Play, bij de meestal monarchistisch gezinde bewonderaars der middeleeuwen, bij de sociale encyclieken), een touwladdertje, waarlangs hij zich naar het fascisme kan slingeren1) - zonder natuurlijk te bedenken, dat het fascisme zelf een heilsleer is en dus geen enkele andere heilsleer, en geen enkele andere kerk, naast zich kan dulden. Dat het fascisme het Christendom, het Katholicisme en de Roomse Kerk moet vernietigen, is voor zulke, ‘gelovige Katholieken’ in het geheel geen bezwaar, want de één of andere Führer heeft bij de één of andere gelegenheid wel eens gezegd, dat hij op de grondslag van het positieve Christendom staat, en alleen maar bezwaar heeft tegen het ‘politieke Katholicisme’ - d.w.z. het Katholicisme, dat zich in de maatschappij wil doen gelden, dat dus wil leven - en dat is voor onze ideoloog voldoende, om van een ‘synthese’ van fascisme en katholicisme in de ‘corporatieve staat’ te dromen en intussen in zijn omgeving een welwillende stemming voor het fascisme te scheppen.
Zo kan ook de Hegeliaan tal van bruggetjes vinden, die van Hegel hetzij via de Staat, of via de Idee, die zich in ‘het volk’ verwerkelijkt, of op een andere manier, naar het fascisme leiden, dat dan alweer een étappe is in de gang der geschiedenis, die, zoals men weet, volgens Hegel een groeien naar de ‘vrijheid’ is. Voor de
oppervlakkige lieden, die met begrijpen, dat het fascistisch régime een stuk ‘vrijheid’ is, heeft de Hegelaar slechts verachting over, want hij kan immers gemakkelijk aantonen, dat de vrijheid het tegendeel is van wat de normale man denkt dat ze is. En als die toevallig óók redeneren kan en zich niet laat overbluffen door het filosofische bewijs, dat de ware vrijheid alleen in de kazernistische maatschappij te vinden is, welnu dan is er toch nog altijd een ontwikkeling in tegendelen, en dan ontwikkelt de wereld zich door het fascisme heen naar de vrijheid, waarbij dan het fascisme de onontkoombare, de noodzakelijke faze is.
Zo zien we een hele reeks van ideologen, rooms, gereformeerd, hegeliaans, existentieel, zijns-, wezens-, geestes-filosofisch (of psychologisch of sociologisch) hun kabeltjes naar het fascisme spinnen. Wie zich met al hun redeneringen zou bezig houden, krijgt ongetwijfeld een zeer dik en zeer geleerd boek, maar verknoeit tijd en papier, want de ideoloog voelt zich in werkelijkheid alleen tot het fascisme aangetrokken, omdat het kapitalisme van zijn aangeboden diensten geen gebruik heeft willen maken, hem een te groot warhoofd en benevelde vond; terwijl hij zelf de arbeidersbeweging van de aanvang af te vulgair vond, om daar zelfs maar te pogen een blauwtje te lopen. Zulke ideologen menen in het fascisme een terrein van werkzaamheid te kunnen vinden en ze voelen zich bijzonder aangetrokken tot de ‘mythe’, die immers alle verwarde gevoelens en verwarde gedachten tot iets ‘zinrijks’ maakt. (Een andere groep van ideologen, die zich tot de bolsjewistische mythe aangetrokken voelt, blijft hier buiten beschouwing). Ofschoon de meeste pro-fascistische geschriften van deze ideologen afkomstig zijn, is dit geschrijf naar z'n inhoud te onbelangrijk, en is de groep naar haar invloed te onbetekenend, om haar meer eer aan te doen dan deze terloopse vermelding.
Om nu de betekenis van de fascistische mythe te kunnen waarderen - nadat we de derivaten dier mythe, zowel als de ideologieën, die zich verwarrend om haar heen bewegen, terzijde hebben geschoven, - moeten we beginnen met te herhalen, dat het fascisme niet is, de enige vorm van mythe, die op de toppen en aan de grenzen van beschavingen kan ontstaan en die wij ‘inspiratie’ genoemd hebben. Het fascisme is niet een wil tot versterking van onze beschaving, tot hogere vlucht en grotere expansie ervan. Het is integendeel een opstand tegen onze beschaving en een wil
tot primitievere levenshouding en maatschappij-inrichting. Het heeft sterk regressieve trekken en het wekt de indruk van een terugvallen in de barbaarsheid. En aangezien ‘men’ weet, dat de barbaarsheid en de mythe iets met elkaar te maken hebben, neemt men dus in het algemeen klakkeloos aan, dat het fascisme juist daarom een mythe als ondergrond en als bezielende kracht heeft en dat dit dan wel ‘de mythe van de twintigste eeuw’ zal zijn. Voor talrijke intellectuelen is dan tegelijkertijd bewezen, dat het fascisme onweerstaanbaar is, want zo zeggen ze, ook al zijn ze tegenstanders van het fascisme: wij zijn te beschaafd, te verfijnd, te kwetsbaar, te sceptisch, te beredeneerd, te weinig vitaal - de toekomst is aan een ruw, barbaars geloof, vol vitaliteit, dat over onze uitgeputte beschaving zal heengaan, alles verwoestend, maar daardoor, in de toekomst, mogelijkheden voor een nieuwe beschaving brengend. Tegen dit fatalisme nu, moet er in de eerste plaats op gewezen worden, dat een mythe alleen dan spontaan in de barbaarsheid ontstaat, als die barbaarsheid zich in de richting van. een totbeschaving-worden beweegt. (In de historie zien we dan ook meestal mythen ontstaan, als barbaren met een beschaving in aanraking komen, erdoor beïnvloed worden). Een mythe is dus niet een product van een regressieve, doch van een progressieve beweging. En dat dient ons reeds wantrouwend te maken ten aanzien van de nazi-mythe. Het dient ons te doen beseffen, dat de nazi-mythe geen echte mythe is, doch een gewilde, kunstmatige, geconstrueerd om zijn drang naar barbaarsheid een gewijd karakter te geven. Het is geen echte mythe, omdat het geen mythe van barbaren is, die zich beschaven, doch van beschaafden, die zich willen barbariseren. Maar behalve onecht, kunstmatig, moet zo'n ‘mythe in omgekeerde richting’, zo'n mythe, die niet naar de cultuur toe, doch van de cultuur af gaat, tegelijkertijd een vulgarisatie der cultuur en der critiek op die cultuur zijn.
Ook de mythe, zoals die bij Sorel beschreven en beredeneerd wordt - nooit ‘beleefd’ wordt, want Sorel maakt steeds een onderscheid tussen zich zelf, de waarnemer en beschrijver, en de massa, die in een toestand van spanning is en daar haar intuïties krijgt, die tot mythe worden - is altijd kunstmatig, maar ze is niet ‘vulgair’, omdat ze van de lagere beschaving (bij Sorel ‘kapitalisme’) naar de hogere (bij Sorel ‘syndicalisme’) gaat, van de geknotte naar de zich ontplooiende persoonlijkheid.
Voor een mythe echter, die kunstmatig en vulgair is, behoeft men niet bevreesd te zijn. Ze is niet die onweerstaanbare oerkracht, die men ons wil suggereren. Hier zijn geen barbaren, geen Indianen, die uit de wildernis op ons aanstormen - hier speelt men Indiaantje en dan nog in de stijl van Karl May.1)
Natuurlijk zegt dit nog niets omtrent de afloop van het werkelijk gevecht. Op welke wijze een macht gevormd wordt en waardoor ze bewogen wordt, is wel geen bijzaak, maar Spengler heeft gelijk: de soldaat, die Archimedes doodsloeg, wàs de sterkste, al was hij wellicht een dronken stommeling. De werkelijke tegenstand tegen het fascisme mag zich niet uitsluitend op de geest, het recht, de beschaving verlaten. Maar hier hebben we het over de geestelijke strijd tegen het fascisme. En daarin is heel veel gewonnen, als de angst voor de onweerstaanbaarheid van de fascistische mythe verdwenen is.
Doch die onweerstaanbaarheid blijkt maar al te zeer, ook op geestelijk gebied, zal men tegenwerpen. Of er nu al beredeneerd wordt, dat de mythe der fascisten kunstmatig en vulgair is, dat is alles een kwestie van terminologie. Noem het hoe ge wilt, maar het valt niet te ontkennen, dat millioenen onder de invloed van de fascistische heilsverkondigingen komen. Maar, vragen wij, onder welke van de vele invloeden, die van het fascisme uitgaan?
Als het fascisme streeft naar het doen domineren van het gemeenschapsbelang boven het particulier winstbejag, is het dan iets ergs of iets onbegrijpelijks, dat deze ‘anti-kapitalistische Sehnsucht’ weerklank vindt? Erg is dan alleen, dat de socialisten, waar zij regeerden of invloed op de regeringen hadden, niet zó zijn opgetreden, dat zij de indruk maakten, gemeenschapsbelang boven particulier winstbejag te stellen en de winstschrapers te durven aanpakken.
Zo is het ook normaal, als het fascisme zich verzet tegen een dictatuur van de hand-arbeiders, van het industrie-proletariaat, van het minst gecultiveerde deel der bevolking over de rest der bevolking. Voor zover de socialisten dit nog niet inzien, moeten ze het leren, eer het te laat is. Maar het fascisme als middenstandsbeweging is evenmin een pathologische beweging, als het fascisme als beweging gericht tegen de productie om de winst. En evenmin
pathologisch is het fascisme als verzet tegen de overheersing van het comfortabele levensideaal, als beweging, die tegenover het comfortabel leven het heroïsch leven stelt.
Misschien verwondert men zich over deze uitspraak, omdat men gewoon is, juist in het verlangen naar het heroïsche één der gevaarlijke en pathologische kanten van het fascisme te zien. Maar in dit boek is er reeds uitvoerig op gewezen (zie hoofdstuk III) dat de heerschappij van het type, dat men ‘ondermens’ of ‘maagmens’ of ‘comfort-mens’ kan noemen, inderdaad in strijd is met een gezonde wereld-orde en met een aanvaardbare wereldbeschouwing. Pathologisch is het slechts, indien men alleen en uitsluitend, of zelfs maar voornamelijk, de ‘soldaat’ als het heroïsche type beschouwt. Ook de soldaat heeft nog altijd zijn waarde in een wereld als de onze. Maar de soldaat gelijkstellen aan het heroïsche type, dat is een volkomen verkeerde opvatting van het heroïsche hebben. Heroïsch is alleen de mens, die, zo dikwijls als het nodig is, bereid is, om zèlfs soldatenwerk te doen. Heroïsch is de Athener, die de levensvreugde kent, de Muzen eert, doch de oorlog niet vreest. Heroïsch is de Athener, die zelf niet zonder comfort, noch zonder materiële en geestelijke luxe leeft, doch die voor alles aan de grootheid, de schoonheid, de macht van zijn stad en staat denkt. Verachtelijk is de Sybariet, de on-heroïsche zwelger. En stompzinnig en pathologisch is de Spartaan, de kazerne-mens. Het fascistisch ideaal van het heroïsche is ongetwijfeld: Sparta, of dat van alle goden verlaten Sparta, dat Pruisen heet. Accoord. Maar het heroïsche ideaal der fascisten kon indruk maken, omdat men er geen Atheens, doch alleen maar een comfort-ideaal tegenover wist te stellen. Aan wie de schuld, dat het zo was? Toch zeker alleen aan de socialisten en democraten, die om het heroïsche grinnikten. Toch zeker aan allen, die niet begrepen, dat zij, die naar eer en grootsheid streven, het zout der aarde, en zij, die het comfort boven alles stellen, minderwaardig zijn. Waar, de dingen zo stonden, dat de ene partij de mensen toeriep: probeer zo veel mogelijk materiële voordelen te verkrijgen; en de andere partij: niet in het ontvangen, maar in het geven, in het offer, in de toewijding, in de ontbering en in de strijd ligt uw grootsheid - daar moet ons oordeel luiden: Men kan met het fascisme twisten over het ‘waarvoor’ en ‘waartoe’, maar niet over de juistheid van de opvatting, dat de schenkende en scheppende deugden en de heroïsche opvatting van het leven het primaat dienen te heb-
ben. Zo staat het ook met de kwestie van orde, discipline, gezag en rangschikking in staat en maatschappij. Dat zijn op zich zelf geen pathologische, doch integendeel kern-gezonde verlangens die niets te maken hebben met een totalitaire mythe. De fout ligt alweer bij allen, die in deze zaak zo tekort schoten, dat het fascisme zich als de partij van de orde tegenover de chaos kon stellen en op die wijze de totalitaire mythe aanvaardbaar kon maken bij millioenen, die geen andere keus meer zagen, dan die tussen chaos of totalitaire staat.
Men ziet uit dit alles, dat het niet de fascistische mythe geweest is, die een zo geweldige wervende kracht kon krijgen, maar het betrekkelijke recht van de fascistische parolen in een wereld, waarin de tegenstanders van het fascisme niets wisten te brengen en niets wisten te vragen. Zelfs de positie van den ‘leider’ bij de fascistische groepen behoeft niet uitsluitend als een uitvloeisel van de mythe te worden gezien, die hem tot de ‘middelaar’ maakt tussen de absolute waarheid en de mensen. Kaast den leider als ‘Paus’ of als ‘Hoge Priester’ kennen we immers ook den leider als bewonderde, geëerbiedigde en geliefde persoonlijkheid, wiens positie hele tijdperken lang, vaak tot aan zijn dood, onaantastbaar is. Men denke aan Gladstone bij de liberalen, aan Disraeli bij de conservatieven, aan Jaurès, VictorAdler en anderen bij de socialisten, aan Thorbecke, Groen, Abraham Kuyper, Troelstra, Domela Nieuwenhuis, Schaepman en Colijn in het ‘individualistische’ Nederland, bij de meest uiteenlopende partijen en in verschillende tijdperken. Het is zelfs mogelijk, dat zulke gekozen en voortdurend aanvechtbare en aangevochten leiders, een tijd lang de overgrote meerderheid van een volk vertegenwoordigen, zoals dat met Gladstone, zowel als met Disraeli, met Gambetta, met Thorbecke, met Lincoln en met Franklin D. Roosevelt bij tijd en wijle het geval was. Fascisme krijgen we eerst, als de fictie, dat iemand een geheel volk - met uitzondering van een paar misdadigers en krankzinnigen - vertegenwoordigt, niet slechts tot geloofwaardigheid gemaakt wordt, maar ook tot maatschappelijk feit... door het uitroeien van iedere oppositie.
Alweer, als men zich tegen het fascisme richt, moet men zich niet richten tegen het leiders-beginsel, dat niets anders is dan het constateren van het feit, dat in de politiek, zowel als in de kunst, in de wetenschap evengoed als in de religie, leidende persoonlijk-
heden aanwezig zijn, wier betekenis moeilijk hoog genoeg kan worden geschat. Noch de rol van den leider, noch die van de scheppende minderheden kan men ontkennen, zonder tot ongerijmdheden te komen.
En ongerijmd is een democratie, die zich niet tot taak stelt op alle gebieden de beste leiders naar voren te brengen, en de werkmogelijkheden van de scheppende persoonlijkheden en van de scheppende minderheden voortdurend te vergroten. Een democratie zonder zin voor grootheid, in mensen en in daden en instellingen, is zo verachtelijk, dat ze de ondergang verdient; En men kan niet ontkennen, dat we een periode van de democratie-deronbenullen achter de rug hebben en dat we ten dele nog in zo'n periode leven. Men behoeft dan niet aan de mythe van den ‘Führer’ te geloven, om toch hartelijk zijn bekomst te hebben van staatslieden zonder ideeën en zonder kracht, van ministers zonder kennis, kamerleden zonder intelligentie, en partij-leiders, die door de partij-machine ‘voor het gebruik geschikt’ worden afgeleverd. Voor zover het fascisme een protest tegen deze toestanden is, een protest waarbij velen zich aansluiten, die wel in een leider en in minderheden geloven, doch niet in een Führer, dankt het zijn groei niet aan een mythe, doch aan een - verkeerde - interpretatie van verkeerde toestanden. De ‘mythe’ werkt eerst, zodra de leider tot onaanvechtbaar universeel genie wordt verklaard en op alle gebieden ‘altijd gelijk’ heeft: decreteert wat ‘ontaarde’ en wat ‘eeuwige’ kunst is, welke wegen de wetenschap moet inslaan, om van de politiek en de economie maar te zwijgen. Als niemand meer een onderwerp durft te behandelen, zonder Stalin of Hitler geciteerd te hebben, en als zo'n citaat afdoende bewijskracht bezit, als mensen behandeld worden, alsof ze bovenaardse wezens waren, dan zijn we niet meer in de sfeer van het leiderschap, maar in die van de mythe.
Houden wij rekening met al de gevallen, waarin de groei van het fascisme los staat van zijn mythe, dan blijken dit er zo veel te zijn, dat men zich gedrongen voelt tot de vraag, of dan die mythe wel zo'n belangrijke factor geweest is. Ondanks de schijn van het tegendeel is dit wel degelijk het geval - niet voor de aanhangers, maar wel voor de kern-troep van het fascisme, die zonder de mythe van het absolute, van de éne waarheid, die de waarheid is van het leven, dat zich in het uitverkoren volk en ras belichaamt,
de waarheid, die geen afwijkingen duldt, die totalitair is, zich in de collectiviteit openbaart, in het individualisme de duivelse aantasting van de collectiviteit ziet, geen kracht zou hebben. Zonder deze mythe, die haar gelovigen de plicht oplegt een heilige oorlog ter verovering van de wereld en ter verdelging van de ongelovigen aan te gaan, zonder deze mythe, zou het fascisme niet dat nieuwe ‘mohammedanisme’1) zijn geweest, dat zijn fanatieke scharen tegen de Westerse beschaving opzweept.
Voor zover het fascisme een min of meer gegrond protest is - een protest dat, hoe gegrond soms ook, altijd in verkeerde richting gaat, omdat het zich in dienst stelt van een minderwaardige mythe - kan men het alleen bestrijden door die protesten, als ze gegrond blijken, over te nemen, en, met nog meer kracht, in een juistere richting te stuwen.
Maar die stuwkracht moet er dan ook zijn, en die komt niet zonder meer uit het protest tegen misstanden op. De democraten in de door het fascisme veroverde landen, hebben de meeste misstanden zelf ook wel gezien, maar ze misten de kracht om er met vuur en energie tegen te strijden. Ze misten de stuwende kracht, die het fascisme in zijn mythe heeft. En daarom moeten we erkennen, dat een mythe, zelfs een kunstmatige en vulgaire als die van het fascisme, alleen te weerstaan en te overwinnen is, als er een kracht tegenovergesteld kan worden, die van dezelfde sterkte en van hogere orde is. Tegenover de mythe der fascisten, moet een mythe der cultuurmensen, een ideaal, een inspiratie komen te staan.
De vraag is nu, kunnen wij nog, in onze wereld, in onze cultuur, zo'n inspiratie vinden?