Wat belooft het fascisme z'n aanhangers? Het antwoord hierop kan eigenlijk in één woord samengevat worden: ‘Wereldheerschappij’. Het fascisme kan misschien de massa nog andere dingen beloven, dingen die méér vallen onder wat men gewoonlijk als ‘beloften’ pleegt aan te bieden: een leven zonder gebrek, een warme stal en goed voer, genoegens van allerlei aard, een onbezorgde oude dag, maar dat is óf bijzaak, óf niet eens als bijzaak, doch uitsluitend als voorspiegeling die de massa nu eenmaal nodig heeft, bedoeld. Z'n overtuigde aanhangers, zegt het fascisme, dat de weg over lijken gaat, over lijken van vijanden maar ook over lijken van vrienden, over offers en ontberingen, door lijden en nood heen, naar het verre doch stralende doel: de wereldheerschappij. En het heeft de moed, óók de massa onomwonden te zeggen dat aan dat doel alles ondergeschikt wordt gemaakt: ‘kanonnen inplaats van boter’.
Men heeft, hier in het Westen, vooral gespot met een dergelijke uitspraak. Veel meer gespot dan gehuiverd.
De huivering zou een zekere zin hebben. Zijn dan ‘kanonnen’, wapenen, het hoogste in de wereld? Is dit régime, dat alles ondergeschikt wil maken aan z'n machtsposities, niet het rijk van den Satan, dat zich op aarde wil vestigen? Ongetwijfeld. Maar maak U niet de illusie dat met deze vaststelling, tevens is vastgesteld dat Uw positie nu in orde is. Want wat wilt gij? Indien uw doel - om in dezelfde terminologie te blijven - het Godsrijk op aarde is, zijt gij dan bereid Uw hele leven, uw hele bestaan, aan dat doel. ondergeschikt te maken? Zijt gij bereid te lijden en te ontberen te leven en te sterven voor dát Rijk? Of is het U eigenlijk alleen maar om de ‘boter’ te doen? Zo ja, besef dan, dat de strijd tussen God en Satan zich afspeelt op een hoger plan dan dat van de ‘boter’. Of juister misschien: gij kunt dat niet beseffen, gij behoort tot de ‘boter-mensen’, voor wie én God én Satan dwaas-
heden zijn, waar een ‘verstandig’ mens om grijnst. En men kan zulke verstandige mensen alleen de verzekering geven, dat er nu eenmaal dingen zijn, die zich buiten hun gezichtskring afspelen en die beslist zullen worden, zonder dat hun slimmigheden van enige uitwerking op die beslissing zullen zijn. Want zelfs als het in werkelijkheid gaat om de ‘boter’, zelfs dán is voor de verdediging ervan het ‘kanon’ nodig, dat voor de slimmelingen alleen maar bespottelijk en voor de slappelingen alleen maar huiveringwekkend is.
Ook de fascisten zien de kanonnen alleen maar als middel. Het doel is de wereldheerschappij, want iedere idee, iedere wereldbeschouwing die werkelijk ernstig genomen wordt, stelt zich met niet minder tevreden. Waar die drang naar wereldheerschappij ontbreekt, daar hebben we te maken met mensen, die of in 't geheel geen ideeën bezitten, of ideeën van minderwaardige kwaliteit, óf tenslotte, een idee te groot voor hun eigen geringe capaciteiten.
Wij nemen het fascisme ernstig, ondat het dit verlangen naar wereldheerschappij, dit imperialisme, in zo sterke mate bezit en op z'n aanhangers weet over te dragen. Wie dit verlangen niet heeft, komt niet in aanmerking als tegenstander van het fascisme. Hij is op z'n best een begaafd tegensputteraar, die eerbiedwaardige, maar uitgeputte tradities vertegenwoordigt. Hij is op z'n ergst een mens wiens levensplan beneden de grootse barbaarsheid van het fascisme ligt. Wat nodig is, om het fascisme te weerstaan, dat is een imperialisme dat op een hoger plan ligt dan het fascistische. Wij zijn zo vrij het een ‘Cultuur-imperialisme’ te noemen,
Nu is het fascisme zelf ook een cultuur, maar zoals we reeds lieten zien, een cultuur zonder andere ondergrond dan een kunstmatige en vulgaire mythe, de vitalistische mythe. Het valt bovendien niet te ontkennen, dat een groot deel van de tegenstanders van het fascisme, géén andere ondergrond heeft als deze vitalistische mythe. De groei van het fascisme is mogelijk geworden, doordat de dijken, die in de 17e, l8e en 19e eeuw door het rationalisme tegen de menselijke driftnatuur zijn opgeworpen, reeds tientallen jaren lang, onophoudelijk werden aangetast door mensen die, of ze zich nu gelovigen of ongelovigen, pacifisten of militairisten noemden, altijd weer, ‘de tijd’ ervan beschuldigden te ‘verstandelijk’ te zijn - terwijl die tijd waarlijk geen overmaat van verstan-
lelijkheid bezat. De voortdurende verheerlijking van het gevoel is ten slotte ten goede gekomen aan een beweging die een maximum van gevoel en een minimum van verstandelijkheid bezit: de fascistische.
Maar het fascisme (protesteert de verontwaardigde humanitaire burger, gevoelssocialist of religieuze mens) is in het geheel geen gevoelsbeweging, het fascisme is beestachtig. Wat te bewijzen was: want gevoel zonder verstand, of met een minimum aan verstand, dat is beestachtigheid.
Het fascisme leert ons, waartoe de mens in staat is, als hij niet in bedwang wordt gehouden door een kleine groep weldenkende, de relativiteit van alle waarheden en gevoelens kennende en erkennende lieden, die daardoor de verdraagzaamheid tot hun tweede natuur gemaakt hebben. Ieder geloof-zonder-meer, is onverdraagzaam en leidt tot ketterjagerij. Iedere wetenschap die haar waarheden als absoluut beschouwt, is geen haar beter.
Alleen de wijsheid, die een door inzicht verkregen beheersing der gevoelens is, kan ons veilig door de gevaren der ketterjagerijen heenleiden. Maar dan moet die wijsheid over de macht beschikken om de ketterjagers, zowel als de brute beesten (die alleen maar naar een gelegenheid snakken om ‘zich uit te leven’ en die daarom steeds bereid zijn, de ketterjagers van geloof of wetenschap te volgen, en er op los te slaan), in bedwang te houden.
Verdraagzaamheid echter, is, evenzeer als de wijsheid waaruit ze voortkomt, maar al te vaak passief. En niets is op het eerste gezicht verder verwijderd, van wat wij toch als noodzakelijk oordeelden om een imperialistische idee als het fascisme te kunnen weerstaan en verslaan: een andere imperialistische idee.
Kan de verdraagzaamheid zo'n idee zijn, kan de wijsheid tot imperialistische idee worden? Is het mogelijk dat het beeld van een wereld, die met wijsheid, met verdraagzaamheid, met rechtvaardigheid geregeerd wordt, voldoende aanhangers krijgt om van een droombeeld tot een mogelijkheid te worden?
Wij geloven dat een dergelijk wereldbeeld te abstract, en in ieder geval te eenzijdig ethisch is, om een voldoend brede basis en stevige ondergrond te vormen voor een streven dat de besten van onze tijd bevredigen en bezielen kan.
Wij weten natuurlijk wel, dat een honger naar rechtvaardigheid, een geweldige kracht kan zijn, die een bezieling kan geven zo hoog
en schoon als we die bij de Profeten van het Oude Testament tot uitdrukking zien komen, en zoals we die in onze tijden achter het wetenschappelijk werk van Marx vonden. We weten natuurlijk ook, dat de engere deugdmens, in al z'n eenzijdigheid en fanatisme, toch nog altijd de afmetingen van een Savonarola of een Robespierre kan hebben. We zien de verdraagzaamheid bij Erasmus en bij Willem de Zwijger, en de wijsheid bij Spinoza. Maar juist omdat wij dit alles zien en waardéren, ontkennen we dat een wereld, die slechts ruimte zou bieden aan het gedeelte van de menselijke mogelijkheden die zij vertegenwoordigen, volledig en zelfs maar bewoonbaar zou zijn.
Tegenover het streven naar eenvormigheid, tegenover het pogen alles terug te brengen tot een dozijn standaard-typen, staat de overtuiging dat de wereld nooit genoeg verscheidenheid kan bieden, en dat alleen de volledige culturele ontplooiing enigszins tegemoet kan komen aan onze verlangens.
Een hogere openbaring dan die der menselijke cultuur is niet mogelijk - iedere religieuze openbaring is toch altijd maar: een stukje menselijke cultuur. Zou dan in het culturele streven niet een inspiratie liggen, sterker dan de inspiraties van Godsdienst, kunst, wetenschap, politiek, afzonderlijk?
Men ontkent dit, want, zo beweert men, kunst, wetenschap, politiek, dat alles geeft maar een voorlopig antwoord op onze vragen. Er is geen eeuwige kunst, evenmin als er eeuwige wetenschap of politiek is; dat alles is vergankelijk en gelijkenis, terwijl alleen de godsdienst de onvergankelijke, eeuwige waarden, absolute antwoorden en onwrikbare zekerheden geeft. En alleen vanuit dat absolute, dat zekere en onvergankelijke, kan de werkelijke inspiratie komen. Dat is juist, zolang men gelooft in het absolute, zolang men z'n kracht alleen uit zekerheden kan putten, zolang men behoort tot het type van de ‘oude mens’.
Maar de nieuwe mens kenmerkt zich juist hierdoor, dat hij geen hoop nodig heeft om z'n taak te beginnen, noch behoeft te slagen om vol te houden, en dat hij, met Nietzsche, ‘het onvergankelijke’ als ‘slechts een gelijkenis’ ziet. Voor hem is de grote bevrijding, de bevrijding uit de ban van het absolute. Hij durft het uit te spreken, dat de waarde der cultuur niet daarin ligt, dat ze naar een of andere eeuwige waarheid zou streven, dat ze een allerhoogst doel poogt te bereiken, maar juist daarin dat ze een tocht naar het onbekende is.
Inplaats van de gesloten wereldbeschouwing, is de open wereldbeschouwing gekomen, en zelfs het woord van Goethe: ‘nooit gesloten, dikwijls afgerond’, kan slechts aanvaard worden met al het gepaste wantrouwen in die afrondingen, die meestal toch weer pogingen tot afsluiting zijn. Iedere vraag die zich opwerpt, verlangt een antwoord, dat alleen dan geslaagd is, als het nieuwe vragen mogelijk maakt. Alle antwoorden zijn voorlopig, wat niet wegneemt dat die antwoorden méér waarheidsgehalte bezitten dan de absolute antwoorden van vroeger, want ze zijn de enige waarheid die op heden mogelijk is, terwijl de absolute waarheden de altijd mogelijke, maar nooit gefundeerde, beweringen waren.
Zo is de open en relativistische wereldbeschouwing het tegendeel van de willekeur, die ze volgens de absolutisten zou zijn: ze is geen willekeurige vraag, maar wel een nimmer eindigende. De bewuste mens van heden leeft in het raadsel, zoals de vromen leven in God, die geen raadsel is, doch een geopenbaarde waarheid. Het ontbreken van een blijvend antwoord, van een onaantastbare waarheid, dit beroep op voortdurende waakzaamheid, voortdurende inspanning, voortdurende scherpzinnigheid, deze ontvankelijkheid voor nieuwe indrukken, voor iedere nuance, iedere verandering, verenigd met het streven, dit voortdurend bewegende en veranderende, telkens weer tot een harmonisch geheel te maken, waarin het verleden, de traditie, aanwezig doch niet verstard is, dit alles onderscheidt de sterke mens van heden, zowel van de sterke mens van het verleden, die gestolde traditie was, als van de zwakke mens van vandaag, die zich met sensaties probeert te verdoven, of die, onmachtig om de dynamiek van het bestaan te doorstaan, in duizend angsten leeft, zo hij al niet naaide ‘zekerheden’ van fascisme, bolsjewisme, nieuwe middeleeuwen of oude middeleeuwen snakt.
Alleen zij, die het ‘gevaarlijke leven’ (niet het gevaarlijke leven van Mussolini, dat overal door politie-agenten beveiligd is, of dat op z'n best de oppervlakkige gevaar-sensaties van de auto-renner of de auto-bandiet bevat) dat uit de dynamische opvatting der. cultuur voortspruit, kunnen doorstaan, zijn in staat iets tegenover het fascisme te stellen, dat dit fascisme in alle opzichten overtreft. Het fascisme, is vitaliteit en energie, gericht tegen de cultuur, vol cultuur-angst en cultuur-haat. Maar die vitaliteit, die energie, die angst en die haat, zouden de cultuur kunnen ver-
nielen, indien deze zonder zelfbewustzijn, zonder vitaliteit, energie zonder moed en wil tot heersen was.
Alle hoop voor het weerstaan en verslaan van het fascisme ligt besloten in de mogelijkheid van het in onze wereld omhoog komen van een nieuw mensen-type: de dynamische cultuurmens.
De oude geloven weerstaan het fascisme nog, maar meer dan weerstaan doen ze niet, ze zijn in de verdediging, brokkelen af, en ze hebben geen vat meer op de jongere generaties. Het Christendom is nog wel steeds de ondergrond der gehele Westerse beschaving, en evenzeer als het fascisme tegen het Christendom gericht is, evenzeer zijn de tegenstanders van het fascisme voortzetters van de beste Christelijke tradities; maar aangezien de officiële Christenen en hun Kerken en organisaties in de eerste plaats de bestaande politieke en economische toestanden - die uiterst aanvechtbaar zijn - willen behouden, en geen ander geloof hebben dan deze behoudzucht, terwijl hun Christendom alleen in het gegalm van onbegrepen woorden op Zon- en feestdagen bestaat, kan dit officiële Christendom niets meer voor levende, oprechte en intelligente mensen betekenen. Zij die binnen de Kerken dit gemammoniseerd en gemummificeerd Christendom met levende geest trachten te vullen, martelen zich af in een strijd tegen stompzinnige harde winzucht en geslepen huichelarij.
En buiten de kerken vinden we, juist in onze tijd, een ‘Christendom’ aangepast aan de behoeften der vulgaire benden, dat nog onbeschaafder en schaamtelozer is dan dat der kerkgangers. Dáár, in de Oxford-beweging en soortgelijke profanaties, wordt de edelste muziek van de gelovige en aanbiddende ziel, in jazz-kabaal en voetbal-match-gebrul omgezet; daar beveelt men, bij gebrek aan geest, z'n wintertenen of z'n winkel-omzet, in Gods handen, geeft men vertoningen van het exhibitionisme der kleine zielen, laat men een Godsbegrip zien, waarvoor iedere Bosjesman zich zou schamen, en bewijst men, ongewild, hoe rijp de horden zijn voor iedere vulgaire mythe, voor iedere opstand tegen de cultuur, dus ook voor het fascisme.
Natuurlijk is er ook nog een ander Christendom, en men behoeft slechts twee namen te noemen, die totaal verschillende richtingen aangeven, Karl Barth en Denis de Rougemont, om te laten zien hoe schier alle schakeringen van de menselijke geest in zo'n Christendom begrepen kunnen worden, maar we herhalen wat wij
elders in dit boek reeds zeiden: daar waar de Christen het volkomenst Christen is, houdt hij op maatschappelijk mens te zijn, is hij niet van deze wereld - en daar waar hij van deze wereld is, en dus weerstand zou moeten bieden aan het fascisme, geeft zijn geloof hem geen enkel inzicht en geen enkele kracht, die de ongelovige cultuur-mens niet in dezelfde of in meerdere mate bezit. Integendeel, zijn geloof verzwakt zijn kracht als maatschappijmens en spoort hem voortdurend aan tot desertie, want al het aardse is in laatste instantie van te gering allooi voor hem, en zijn inzicht draagt eveneens de sporen van dit gebrek aan essentiële belangstelling. De cultuur interesseert hem niet als cultuur, doch als een bijdrage tot de ere Gods.
Zo kan dan de werkelijke Christen onze bondgenoot zijn in de strijd tegen het fascisme - en ook de kerkelijke Christen voor zover hij niet door z'n maatschappelijke belangen, die bij hem vaak het zwaarste wegen, tot sympathiserende met het fascisme is geworden, kan een bondgenoot zijn in die strijd - maar, hij kan alleen zichzelf en zijn groep vrij van besmetting houden. Hij kan de ziekte-haard niet aantasten, omdat het fascisme geheel en al aards is, uit aardse krachten ontstaat, een aardse mythe schept en alleen op aarde overwonnen kan worden.
Er zijn echter nog andere ‘oude geloven’, die eveneens van Christelijke oorsprong zijn, doch die in de loop der tijden geheel en al vermaatschappelijkt zijn, zodat ze het fascisme op eigen terrein kunnen ontmoeten. Waarom missen ook zij de kracht om iets méér te zijn dan een weerstand, waarom kunnen ook zij, op z'n best, hun posities behouden, zonder in staat te zijn nieuwe veroveringen te maken: de mensen met vertrouwen en. geestdrift te vervullen?
Nemen we het liberalisme. Het heeft toch immers zijn tijden van glorie, van wereldverovering, van imperialisme en dynamisme als cultuurkracht gekend? Het liberalisme is tijden lang een wereldlijk evangelie geweest. Dat was z'n glorie en dat werd z'n noodlot. Over die glorie komen we nog te spreken, want een nieuwe cultuur is alleen mogelijk indien ze van liberalisme doordrenkt is, indien ze zich met alle kracht verzet tegen de heersende mode het liberalisme als een rotte leugen te beschouwen, indien ze beseft, dat het liberalisme wel niet de waarheid, is, maar dan toch een onontbeerlijk deel van de waarheid.
Het noodlot van het liberalisme ligt hierin, dat een wereldlijk evangelie, óf tot werkelijkheid moet worden, een uitdrukking moet vinden in partijen, in regeringen, in staatsinstellingen en maatschappelijke instellingen, in volkswelvaart en volksbeschaving, óf ophoudt ernstig genomen te worden. Een hemels evangelie heeft een veel taaier leven, want het is bijna onmogelijk het op heterdaad te betrappen, een tegenstelling aan te tonen tussen belofte en werkelijkheid. Immers de werkelijkheid van een boven-werkelijk geloof bestaat alleen hierin, dát men er in gelooft. Zolang er dus mensen zijn die in dat geloof leven en sterven, is zijn waarheid bewezen. Men kan de aardse daden van den petroleum-christen aan de kaak stellen, maar hoe moet men de oprechtheid meten van de verklaring dat dit alles hem niet raakt, immers, ‘hier beneden is het niet’.
Maar de liberaal moet hier beneden een wereld maken die in overeenstemming is met zijn aardse evangelie, of hij is verloren. Iedere krotwoning klaagt hem aan, allen die in lompen lopen en allen die in de duisternis blijven ploeteren zonder een kans te hebben naar welvaart en beschaving op te stijgen, zij allen zijn getuigenissen van de onoprechtheid of de zwakte van het liberalisme.
Zwakte is te vergeven aan een opkomende beweging, maar als de liberalen in de machtigste staten van de wereld, als ze in Engeland Frankrijk, U.S.A., Italië regeren, als ze in andere landen sterkere of zwakkere oppositie-partijen vormen - en zo was het in de 19e eeuw - dan is er geen sprake meer van zwakte, of het zou innerlijke zwakte moeten zijn, die naar buiten de indruk van onoprechtheid maakt.
In ieder geval, het liberalisme heeft de verwachtingen die het opwekte niet vervuld. Dit bondgenootschap van naar vrijheid strevende kooplieden en fabrikanten met intellectuelen, zo indrukwekkend dat het de volksmassa met zich meesleepte, werd tot een heerschappij van materieel nog altijd onverzadigde, doch geestelijk bevredigde, kapitalisten, over de intellectuelen en het volk.
Terwijl de meerderheid der intellectuelen deze toestand aanvaardde, kwam een gedeelte ervan in verzet en verbond zich met de volksgroepen tot een nieuwe beweging voor sociale rechtvaardigheid, volkswelvaart en bevrijding der culturele belangen uit de geldheerschappij: het socialisme.
Dat ook dit socialisme gefaald heeft, en waarom het faalde, heb- ben we reeds vastgesteld. Ook het socialisme behoort bij de oude geloven, die alleen nog maar als krachten der verdediging betekenis hebben, doch die voor de aanval op het fascisme te kort schieten.
Maar liberalisme en socialisme hebben niet tevergeefs geleefd. Ontdaan van hun overdrijvingen naar sommige kanten, verlost van hun beperkingen, bevrijd uit de sfeer van het economisme, en het primaat van het culturele aanvaardend, bezitten zij te samen nagenoeg alle materiaal voor een nieuwe beweging, die boven liberalisme, socialisme en fascisme kan uitgaan. Dit betekent natuurlijk niet dat men slechts een paar brokken liberalisme en een paar fragmenten socialisme bij elkaar behoeft te voegen om een nieuwe beweging te krijgen. Het ‘nieuwe’ bestaat juist hierin, dat alles geladen wordt met de sterke wil tot een heerschappij der cultuur.
En cultuur moet hier begrepen worden in de zin van die nooit eindigende tocht naar het onbekende en van de moed om te leven in het raadsel en in de open en veranderende wereld, waarover we reeds spraken. Zo gezien is cultuur een zaak van vrije, onbevreesde mensen, die steeds weer tot -nieuwe tochten, nieuw onderzoek, gereed staan, die er zeker van zijn, dat er nog andere waarheden moeten zijn dan de reeds gevonden waarheden; die er van overtuigd zijn, dat er nog andere schoonheden moeten zijn dan de schoonheid die reeds door kunstenaars werd vastgelegd, nieuwe vormen, nieuwe inhouden, nieuwe aandoeningen, omdat iedere persoonlijkheid een nieuw mens is.
En deze cultuuropvatting is volkomen in strijd met het fascisme dat vijandig staat tegenover deze voortdurende oproep tot individualisme. ‘Individualisme binnen het raam van de gemeenschap’ verkondigt het fascisme, om zo, in theorie althans, te kennen te geven dat het óók persoonlijkheden, óók individualiteiten toelaat, maar binnen zekere grenzen. Het kenmerk evenwel van alle echte individualisme, van alle sterke persoonlijkheid, is dat het zich niet bekommert om ‘het raam van de gemeenschap’, dat het telkens, en telkens weer, de door de gemeenschap getrokken grenspalen omverwerpt, niet om de gemeenschap te vernietigen, maar om haar groter en ruimer te maken. De gemeenschap moge nog zo groot en nog zo machtig zijn - zonder
individualiteiten die haar te eng vinden, die hare waarden betwisten, hare grenzen overschrijden, wordt ze tot een muffe, geesteloze kazerne, tot een ondragelijke gevangenis.
Welk een wereld is die, waarvan Otto Dietrich, perchef van het Derde Rijk, in z'n ‘Die philosophischen Grundlagen des National-sozialismus’ zegt: ‘Ons leidend beginsel is: de gemeenschap boven het individu. Maar dat geldt niet voor den leider; hij alleen heeft recht op persoonlijkheid en individualiteit’1) wat dus zeggen wil dat die voortdurende vernieuwing en verrijking van de ‘gemeenschap’, waarvoor het werk van duizenden grotere en kleinere persoonlijkheden nog altijd onvoldoende is, wordt overgelaten aan één man - die in dit bijzondere geval ook nog niets anders is dan een volksredenaar, wiens ‘persoonlijkheid’ die van de gemiddelde pangermanistische extremist is - die ook in het beste geval, als hij een genie was, niet in staat zou zijn ook maar een gedeelte van die taak naar behoren te vervullen.
De grondwaarheid, dat iedere nieuwe waarde die aan de ‘gemeenschap’ wordt toegevoegd, tot stand komt in een strijd van individuen tegen de, op een bepaald moment, in de gemeenschap heerschende opvattingen, en dat dit optreden door de grote massa wordt aangevoeld als een aantasting van de ‘gemeenschap’, die grondwaarheid is voor fascisten onaanvaardbaar. Het is een ‘liberale’ waarheid die door de collectivisten óf zonder meer wordt afgewezen (fascisten), óf met veel voorbehoud en sabotage wordt erkend (bolsjewisten) óf zonder de ware geestdrift, als iets dat toch eigenlijk in strijd is met de gemeenschaps-religie, wordt aanvaard (socialisten). Zander deze liberale waarheid is er voor wetenschap noch voor kunst, voor moraal noch voor politiek, voor religie noch voor cultuur, levensmogelijkheid.
De fascisten zijn wel het verst van allen, van deze waarheid verwijderd. Ook daar waar ze, (besmet als ze ondanks alles zijn door de liberale wereldbeschouwing, zonder welke de ontwikkeling der wetenschap in het verleden onmogelijk zou zijn geweest) niet durven in te gaan tegen het prestige dat de vrijheid van onderzoek in wetenschappelijke kringen geniet, proberen ze die erkenning onschadelijk te maken door uitspraken als die van Rust: ‘Vrijheid van onderzoek en nationale wereldbeschouwing, zijn de beide peilers waarop de universiteit der toekomst rusten moet’. Dat de ‘nationale wereldbeschouwing’ (opzichzelf al een zonderling iets,
al bestaat ze evengoed als een ‘provinciale’, een Volendamse of een Kattenburgse ‘wereldbeschouwing’) aan het ‘vrije onder- zoek’ zou kunnen worden onderworpen, dat wordt door een dergelijke verklaring bij voorbaat belet.
En zo krijgen we dan ook ‘nationale’ wetenschap, of ‘volkse’ wetenschap - precies zoals de bolsjewiki ons op ‘proletarische’ wetenschap, kunst of cultuur, vergasten, ofschoon naties, volken, proletariaten, alleen maar als consumenten en imitatoren, niet als producenten, iets met wetenschap, kunst, cultuur te maken hebben. Zo krijgen we ook uitspraken als die van Frick: ‘Volk en waarheid rusten op een en dezelfden grond... Wanneer de wetenschap vervreemdt van het volk, vervreemdt ze van de waarheid. Als de wetenschap gebonden is aan het volk, is ze veilig voor afdwalingen’, uitspraken tegenover welke men met het volste recht deze zou kunnen plaatsen: Wat de Fricks en de frikken ‘afdwalingen’ noemen, dat is nu juist het hart en het tastorgaan der wetenschap, der kunst, der cultuur!
Individualisme, in de betekenis van persoonlijkheid en nonconformisme, is het kostbaarste element van een dynamische cultuur, die dus in dit opzicht bewust en vol trots ‘liberaal’ is. Maar dit liberalisme onderscheidt zich van het traditionele liberalisme, doordat het de maatschappij wil organiseren en ordenen, opdat deze een vruchtbare ondergrond voor de groei der persoonlijkheid en der cultuur kan zijn. Dat is, om het in een formule te brengen: ‘socialisme terwille van het individualisme’.
Hiermee zijn de grenzen van. de socialisatie der maatschappij aangegeven, terwijl tevens de erkenning is uitgesproken dat zondereen grote mate van socialisme en collectivisme, geen groei van het individualisme mogelijk is.
De fout dat men, na de ervaringen van bolsjewisme en fascisme, het gehele collectivisme zou verwerpen en het socialisme vanwege z'n ‘collectivistische stank’ zou afwijzen, is niet alleen de gewone extremisten-fout van het vervallen in een ander uiterste en het verlangen naar oplossingen uit één stuk, het is ook de miskenning van de dwingende noodzakelijkheid van standaard en norm, van ordening en plan en dus van collectieve regeling van nagenoeg de gehele materiële verzorging der mensen, in een wereld die, zonder een hoog technisch peil te handhaven, noch welvaart noch vrijheid, noch cultuur kan voortbrengen.
Collectivisme als ere-dienst, hetzij de aanbidding van het kazernisme, hetzij van de geïdealiseerde middeleeuwen met hun geslotenheid, eenheid en harmonie, hetzij van het volk of het ras, de klasse of de gemeenschap - al dit collectivisme is een ziekelijk verschijnsel. Maar collectivisme als zakelijke regeling, dat is precies zo ‘stinkend’ als het bevolkingsregister, de leerplichtwet, de keuringsdienst of een van die duizend andere ‘dwangbuizen’ die men de moderne mens in cultuurlanden om doet, en waartegen de kleine individualistjes altijd sputteren, terwijl iemand met werkelijke individualiteit zich niet kleiner voelt, omdat hij duizend kleinigheden, waaraan hij anders z'n tijd moet verknoeien en z'n individualiteit moet verspillen, door collectieve regelingen ziet opgelost.
Het individualisme zal zich in het algemeen te beperken hebben tot twee, uiterst belangrijke gebieden: de huiskamer, d.w.z. al de zelfgekozen persoonlijke relaties tot mensen en dingen; en de toppen der cultuur, d.w.z. de houding tegenover nieuwe problemen, overwachte situaties en altijd weer terugkerende cultuurcategorieën (het ware, het schone en het goede). Men kan, wat dit laatste betreft, iedere bestaande standaard verwerpen, men kan ook ontkennen dat een standaard mogelijk is, en men zal toch telkens weer nieuwe en tijdelijke standaarden pogen vast te stellen - ook Nietzsche, Kierkegaard, Gide en andere nonconformisten doen dat.
Dat in vele huiskamers in 't geheel geen persoonlijke sfeer is, doch dat ze geheel en al gevuld zijn met uitstralingen der collectiviteiten: de vulgaire krant, of de vulgairste rubrieken van de krant, de banaalste radio-uitzendingen, de confectie-typen van godsdienst, moraal, kunst en politiek enz. enz. dat wordt hier in 't geheel niet bestreden. Belangrijk is alleen, dat men in staat moet zijn, ze voor dat alles te kunnen sluiten, en dat men er wat anders moet kunnen brengen.
Het totalitaire collectivisme kenmerkt zich juist door z'n hardnekkig pogen om dit te beletten, door z'n pogen om op ieder moment overal binnen te dringen en te controleren of er iets ‘afwijkends’ aanwezig is, en dit afwijkende dan naar het concentratiekamp of de brandstapel te brengen. Collectivisme dient dáár afgewezen te worden, waar het beproeft in de intieme sfeer te dringen, en die te vernietigen, en dáár waar het zich bemoeit
met het zoeken, tasten en vinden van de scheppende persoonlijkheid. Noch het een, noch het andere behoort tot z'n competenties, waartoe wel alle gemiddelde regelingen behoren.
Maar de beide ‘liberale’ sferen die we hier aangaven, zijn natuurlijk niet los van elkaar, noch los van het maatschappelijk leven te denken, integendeel ze dringen naar vereniging van gelijkgezinde individuen, en naar pogingen om de maatschappij te overtuigen van de betekenis der nieuw ontdekte waarden. En dat alles is onmogelijk zonder vrije groepsvorming, zonder verenigingsleven, bijeenkomsten van gelijkgezinden, boeken, tijdschriften, kranten, tentoonstellingen. Een partij, hetzij in de politiek, hetzij in de kunst of de wetenschap, (waar men van ‘scholen’ en ‘richtingen’ spreekt), hetzij in de moraal of religie (waar ze ‘kerken’ of ‘bewegingen’ heten), is altijd in laatste instantie een verzameling van vriendenkringen, waarin het optreden van scheppende persoonlijkheden z'n uitwerking heeft gehad.
De aanwezigheid van dit levende netwerk van individuele en vrije collectieve krachten, heft de grote collectieve machten in de maatschappij niet op, maar het tempert ze, het beperkt ze en tegelijkertijd zorgt het er voor, dat het collectivisme lenig blijft, zich vernieuwt en daardoor steviger wordt.
Niet de aanwezigheid van een grote collectivistische sfeer is verwerpelijk, doch de afwezigheid van een individualistische sfeer. Waar het collectivisme in de individualistische sfeer binnendringt en deze probeert te vullen, is het zo eerbiedwaardig als een kankergezwel, en daar is tijdige en radicale vernietiging nodig.
En nu kan men zeggen dat het collectivisme altijd de strekking heeft de gehele maatschappij te vullen, totalitair te worden. Dat is zo; de imperialistische of dynamische strekkingen van het collectieve, bedreigen de maatschappij met een totalitarisme. Maar ook het individualisme heeft soortgelijke strekkingen die de maatschappij met verbrokkeling, chaos en anarchie bedreigen. Dat wil dus zeggen dat de maatschappij nooit een blijvend evenwicht kent, nooit in rust is, zolang die beide krachten aanwezig zijn - en als er slechts één van de twee aanwezig is, dan verkeert ze in doodsgevaar. De maatschappij is op haar best, als beide krachten werken, en, in hun wederzijdse beïnvloeding, voor een voortdurend herstel van het evenwicht zorgen. Maar de bepaling van de voorwaarden waaraan dit evenwicht moet voldoen, kan alleen in de sfeer van
het individualisme geschieden, omdat alleen van uit die sfeer de bewuste leiding van de maatschappij kan komen. Wij zeggen opzettelijk ‘de sfeer van het individualisme’, daarmee bedoelend de vrije groeperingen op cultureel en politiek gebied, omdat niet de minste waarde valt toe te kennen aan ‘Volksuitspraken’, die plaats vinden als de individualistische werkzaamheid onmogelijk is gemaakt of ernstig wordt belemmerd. De uitspraken van een ‘plebiscitaire democratie’ of van een ‘totalitaire’ of ‘collectivistische’ democratie op politiek gebied, hebben evenmin enige betekenis, als de uitspraken van congressen, corporaties en andere dwang-organisaties van geleerden en kunstenaars in de totalitaire landen. Zodra de individualistische werkzaamheid is opgeheven, wordt de gehele maatschappij, de gehele cultuur, statisch en dus stagnerend. Het enige ‘dynamische’ dat gedurende een zekere tijd nog blijft bestaan, is het binnendringen van het collectivisme in de restanten van de individualistische sfeer, die stelselmatig vernietigd worden, totdat de volkomen ‘gelijkschakeling’ is ingetreden.
Men kan deze dynamiek van het fascisme, dit streven naar het totalitaire, zien als een uiting van het ressentiment van de massamens, van de collectivistische massa's, ten aanzien van de scheppende persoonlijkheden, van de werkelijke intellectuelen, de f maatschappelijke élite. Doch een belangrijk voorbehoud moet hier gemaakt worden. Immers de leiding van de collectivistische opstand tegen de cultuur, gaat niet van de massa's uit, die bereid zijn leiding te aanvaarden in alle richtingen, doch van individualiteiten, die op hun manier cultuur-mensen zijn en die ongetwijfeld in de stellige overtuiging verkeren dat zij een nieuwe culturele beweging, een culturele revolutie zelfs, aanvoeren. Tegen de anarchie en de atomisering der maatschappij, menen zij het gemeenschaps-ideaal te vertegenwoordigen, om zo de cultuur te redden. Dat ze deze ‘redding’ voltrekken op een wijze die de ondergang van elke cultuur tengevolge moet hebben, bewijst dat hun inzichten in alle opzichten onjuist zijn, wat niet te verwonderen is, als wij ons herinneren dat zij uitgaan van een mythologische opvatting der cultuur. Het bewijst ook, dat de geestelijke leiders der fascistische beweging, ofschoon ongetwijfeld ‘persoonlijkheden’, geen grote figuren zijn, geen werkelijk scheppende geesten. Want men kan nog zo op de collectivistische mythe verliefd zijn, als men een persoonlijkheid van formaat is, zal men, bijna
instinctmatig, altijd nog ruimte openhouden voor de werking van de individuen, voor de tegenwerking dus, zonder welke het collectivisme doodloopt. We zien dat onder de socialisten bij Marx, bij Rosa Luxenburg en zelfs bij een toch veel minder genuanceerde en veel fanatieker figuur als Lenin. We zien het in de Katholieke Kerk bij alle grote Pausen, kerkleraren en ordestichters, zelfs bij den man die het meest in de roep staat een collectiviteit te hebben gesticht waaraan de individuen volkomen ondergeschikt zijn, bij Loyola, en we zien het daar, zo als bij onderzoek blijkt, in grote mate.
Maar, afgezien van het fascisme, blijkt uit dit alles, hoe het evenwicht tussen de collectivistische en de individualistische sfeer in de maatschappij, telkens weer, tot stand komt, juist in een ‘vrije’ maatschappij. Het blijkt dan, dat er altijd weer individualisten zijn, die zich opwerpen als verdedigers van het collectivisme, en die, in hun drang naar ‘gemeenschap’ en ‘geslotenheid’, de ‘uitwassen van het individualisme’ - zoals ze dat dan zien, en zoals ze ook vaak aanwezig zijn - bestrijden.
Als uitwassen van het individualisme kan men immers iedere Verwaarlozing van de belangen der massa beschouwen, iedere toestand die de millioenen tussen de armoede der werk-slavernij en de verpaupering der werkloosheid bekneld houdt, iedere glorie van een kleine groep die kennelijk verkregen is door het uitbuiten van de massa.
Vooral als bij onderzoek blijkt, dat die kleine groep alles-behalve een culturele élite is, noch een economisch-technische élite, doch dat het winstmotief er oppermachtig is, en dat de denkers, kunstenaars, politici, organisatoren zich bewust, gedwongen, of onbewust, naar het winst-motief richten, dan verenigt zich afkeer van deze heersers met deernis met de onderdrukten, dan ontstaat de overtuiging dat de heersende groepen alleen maar waard zijn om vernietigd te worden, en dat het maatschappelijk evenwicht slechts mogelijk is als er een volkomen ‘gelijkheid’ tot stand kan worden gebracht, als de gemeenschap voorgoed belet, dat individuen hun bijzondere gaven gebruiken om anderen aan zich ondergeschikt te maken.
Tegelijkertijd zijn deze verheerlijkers van een collectivistische wereld gewoonlijk zulke echte individualisten, dat zij zich hun maatschappij niet anders kunnen denken dan in overeenstemming
met de allerhoogste standaard die in de individualistische sfeer aanwezig is, en zo ontstaan allerlei socialistische utopieën wier inhoud een geïdealiseerd collectivisme is.
Het fascistische collectivisme maakt op het eerste gezicht een veel realistischer indruk. Het verwerpt de gelijkheid, erkent en bepleit de noodzakelijkheid van leiders en geleiden. Maar terwijl het om leiders roept, schept het maatschappelijke toestanden en een geestelijke sfeer die het ontstaan van leiders belemmeren. Inplaats van de leider komt de opperbevelhebber, inplaats van de leiders komen de ‘officieren’ en dit alles dan nog van een zeer plebeïsch soort, waarbij de nadruk er op gelegd moet worden dat de ‘opperbevelhebber’ een bureaucratische vervanging van de ‘veldheer’ is, zoals ook de ‘officieren’ slechts zeer toevallig ‘aanvoerders’ en ‘leiders’ zijn. En terwijl dit bureaucratisch systeem in het leger nog van enige waarde kan zijn, dank zij de correcties die de buitenwereld aanbrengt, verliest het zijn bestaanskans, zodra het de gehele wereld vult. Zo wordt dus het hiërarchisch collectivisme der fascisten, even utopisch als het egalitair collectivisme der socialisten. Doch noch het één, noch het ander, kan beletten, dat er altijd weer individualiteiten zullen zijn, die anti-individualistische bewegingen ontketenen.
Een maatschappelijk evenwicht is, zoals we reeds zeiden, alleen mogelijk indien noch het individualisme noch het collectivisme ‘totalitair’ zijn. Is de collectivistische sfeer zeer groot, dan hebben we kans op een zeer stabiele, rustige, middelmatige maatschappij, waarin de massa's vreedzaam leven, in een soort welstand, wier mogelijkheden natuurlijk door de productie-krachten der maatschappij bepaald worden. Een dergelijke maatschappij, zoals b.v. het oude China er een was, heeft voldoende individualisme (in familie-leven en bij de heersende ambtenaren die volgens een examen-systeem uitgekozen zijn en dus in sommige opzichten tot de ‘besten’ behoren) om te kunnen leven, maar onvoldoende om tot bijzondere bloei te komen. Er is ternauwernood nog ontwikkeling in een bepaalde richting, maar er is routine, traditie, geslotenheid, stevigheid - en zonder invloeden van buiten, zou zo'n toestand nog vele eeuwen langer dan ze reeds bestaan heeft, kunnen blijven voortduren.
Is een soortgelijke, respectabele, middelmatigheid, met het geluk, de vrede, de taaie weerstandkracht die er inhaerent aan zijn, een
perspectief dat ons inspireren kan? Er is geen sprake van dat de Westerse mens, zoals de historische ontwikkeling hem gevormd heeft, met iets dergelijks genoegen kan nemen. En nog veel minder natuurlijk met een volslagen collectivisme, dat nog nooit bestaan heeft, maar waarvan we de omtrekken in de fascistische en bolsjewistische landen reeds vaag zien afgetekend. Nogmaals, de ‘dynamiek’ die we er thans nog zien, is de dynamiek nodig voor de vernietiging van het individualisme. In deze ‘dynamiek’ vinden velen thans hun bevrediging, niet beseffend, dat daarna de verstarring, de dood, intreedt. Zij die werkelijk naar die periode verlangen - en die zijn er ook - zijn de zwakke broeders, voor wie, ‘het rusteloos heelal’ een ondragelijke gedachte is. En voor zover het deze aanhangers van het collectivisme betreft, kunnen we fascisme en bolsjewisme als uitingen van levensangst en doodsverlangen beschouwen.
Aan de andere kant zien we maatschappijen waarin het individualisme overheerst, al is er natuurlijk een stuk collectivisme aanwezig, zoals de stam- en de stadsgemeenschap in het oude Hellas, de staat, en de kerk in het oude Europa. Zo'n individualisme brengt een heerlijke, bloeiende en stoutmoedige cultuur voort, maar ten koste van de grote massa, die eenvoudig ‘gebruikt’ wordt om materiaal te leveren ter versterking van de individualistische sfeer. Het gevolg hiervan is, dat een werkelijk vaste en stevige ondergrond ontbreekt, dat er naast voortdurend verzet der grote massa, of, waar dat onmogelijk is, door sabotage, lijdelijk verzet, apathie, ook uitputting en verbrokkeling optreedt, zodat óf snelle instorting van het bereikte óf verbreding van de grondslag aan de orde zijn.
Het bloeitijdperk van Hellas duurt niet eens twee generaties; het bloeitijdperk van het eigenlijke individualistische liberalisme in Engeland duurt niet langer; dan komt reeds het sociaal-liberalisme opzetten, om een verpauperde en met uitsterven bedreigde volksmassa, en daarmee de grondslag der cultuur, te redden.
Uiterst kwetsbaar, steeds op de grens van de chaos, kortademig, zo is de overwegend individualistische cultuur. En als een soort van stevigheid verkregen wordt door een schrikbewind over het volk, dan is iedere vernieuwing van de heersende groepen uitgesloten en dan zien we, hoe, door het uitblijven van nieuwe krachten, de élites snel verworden.
Hoe na aan het hart ons dus ook de cultuur van het individualisme ligt, hoezeer we de overtuiging zijn toegedaan dat zij de enige echte, grootse, stoutmoedige en tegelijkertijd diepzinnige cultuur is, de historie - en vooral de allerjongste historie, die van bolsjewisme en fascisme - leert ons dat zij de sterkte, de stevigheid, de vaste brede ondergrond mist, die nodig zijn voor beveiliging en behoud van het tot stand gebrachte en voor onophoudelijke toevoer van frisse krachten ter versterking en vernieuwing. Het individualisme moet de problemen van de sociale en collectieve sfeer aandurven en oplossen - of het moet ondergaan. Vandaar dat de dynamische cultuur-mens niet alleen te maken heeft met de inhoud van zijn cultuur, maar ook met de maatschappij waarin die cultuur moet leven.
Over de inhoud dier cultuur kan men alleen zeer in 't algemeen en zeer vaag iets zeggen. Dat is niet naar de zin van vele ‘zoekende zielen’ die zekerheid en vastheid willen en die met innige overtuiging beweren, dat een cultuur, die men niet kent, niet inspirerend kan werken. Daar tegenover staat onze overtuiging, dat een cultuur die men wél kent, onderwerp van studie kan zijn, object van waardering, maar geen bron van inspiratie. Een cultuur is nu eenmaal geen spoorboekje waarin we vastgesteld vinden: vertrek zo laat, passeert station A, B, en C zo laat, komt in X dan en dan aan.
We maken ons belachelijk als we zeggen: er is een epos nodig, er moeten weer drama's komen, de muziek moet of zal zus en de film zo, de wetenschappen moeten bezield worden, er is synthese nodig, alleen het Christendom kan ons redden, of een nieuw geloof moet ontstaan. Als we dat allemaal zo goed weten, wat ontbreekt ons dan eigenlijk nog?
Wat ons in werkelijkheid ontbreekt, dat is het weten dat géén cultuur zal ontstaan als iedereen staat te commanderen hoe ze moet zijn, wat mag en wat niet mag. Wat ons ontbreekt, is het inzicht dat cultuur door mensen gemaakt wordt, die wat kunnen. Dat de dichters geen ‘cultuur’ moeten willen maken, maar gedichten, de schilders schilderijen, de wetenschapsmensen stukken wetenschappelijk werk, de filosofen kennisleer of levensbeschouwing; en dat dit allemaal moet gebeuren door mensen die begaafd zijn, die talent of genie hebben, en die door niemand gedwongen worden van te voren vastgestelde normen of waarden of stijlen of
hoe men het ook noemen wil te aanvaarden; en die zelf ook niet bereid zijn zich door iemand de les te laten lezen. Waar het op aan komt, is, dat er honderden mensen van dat gehalte zijn, die werken. En dan zal naderhand wel een meneer komen die overeenkomstigheden en verscheidenheden in dat werk opmerkt en vaststelt: dit en dat waren de kenmerken van die cultuur.
En waar het verder op aan komt, is, dat we ons niet wijs laten maken dat er geen uitgangspunten zijn voor dat culturele werk en dat we, om iets te kunnen presteren, rasse-bewust of klasse-bewust of collectiviteits-bewust zouden moeten worden. Als de rassen niet ál te barbaars, de klassen niet ál te bekrompen en de collectiviteiten niet ál te stompzinnig zijn, dan hebben ze dat aan de cultuur te danken, aan het werk van die honderden individuliteiten, die de afwijking van de waarheden der collectiviteiten vertegenwoordigen.
De collectiviteiten moeten cultuur-bewust worden, en niet omgekeerd. Zij zijn, op z'n best, cultuur-consumenten, geen cultuurproducenten; zij ontvangen altijd méér dan zij geven. En in plaats van te luisteren naar hun geheimzinnige stemmen - die er niet zijn, of die op z'n best de echo van de stemmen der cultuurmakers zijn - inplaats van te wachten op de geheimzinnige krachten die zij de cultuur zouden geven, moet men werken en spreken en geven vanuit de eigen persoonlijkheid, die gevormd is, voor het grootste deel onbewust, ten dele bewust, door het werk der cultuur-dragers in Europa en in de rest van de wereld. Wie zich geroepen gevoelt tradities voort te zetten, zette ze voort; wie ze meent te moeten bestrijden, bestrijde ze. In het ene zowel als in het andere geval, is men erfgenaam van de glorierijke negentiende eeuw, van de liberale cultuur die de persoonlijkheden geleerd heeft trots te zijn op hun persoonlijkheid en die de collectiviteiten voor het eerst de weg naar de persoonlijkheid heeft geopend, de mogelijkheden van bevrijding en verheffing heeft gewezen.
Voor zover de totalitaire bewegingen en systemen nog dichters, kunstenaars, denkers hebben, - ze hebben er niet te veel - zijn ze dat verschuldigd aan de liberale cultuur van wier restanten ze leven, restanten die nog groot genoeg zijn om zélfs in het totalitaire milieu mensen voort te brengen die nog niet geheel barbaar en nummer zijn geworden, maar die barbarisme en kazernisme met de krachten van cultuur en intellect kunnen verdedigen!
Maar laat de doden hunne doden begraven, en de persoonlijkheden van het totalitarisme de vernietiging van de persoonlijkheid verdedigen en verkondigen; zij die willen leven, zullen de heerschappij der cultuur, der persoonlijkheden, der élites, der kaders, der minderheden en der, door die minderheden bewogen, massa's verdedigen.
De dynamiek der cultuur openbaart zich in de eerste plaats hierin, dat men zich geen vrees laat aanjagen door het totalitarisme en z'n woordvoerders, die van de cultuurdragers onderworpenheid, knechtschap, dienstbaarheid eisen, en die ons willen suggeréren dat wij nederige dienaren moeten zijn van de rassen, de klassen, de staten, de partijen, en dat we ons moeten schamen voor individualiteit, voor wat wij kunnen en voor wat wij zijn.
Daartegenover moet de trots der cultuurdragers staan, die weten, dat, zonder hun werk, de wereld geen toekomst heeft en die vastbesloten zijn, de leiding van de wereld, die in de handen van dernagogen is gekomen - zeker, zeker, door de eigen schuld der cultuurdragers - te heroveren, en ditmaal niet toe te laten dat anderen, hetzij volkse of proletarische demagogen, hetzij geldwolven of baantjesjagers, die leiding opnieuw in handen krijgen. Daarvoor zijn dus twee dingen nodig: de cultuur moet zich weer bewust worden van haar waarde; en ze moet zich niet tevreden stellen met een leven terzijde van de maatschappij der materiële en dagelijkse dingen, ze moet die gehele maatschappij willen beheersen en controleren, opdat opstanden tegen de cultuur in 't vervolg uitgesloten zijn.
De cultuur die zich, in de personen van de cultuurscheppers en dragers, weer bewust wordt van haar waarde, dat is de cultuur die weigert te verstarren in het collectivisme en te verstikken in het totalitarisme, die weigert de boodschap te aanvaarden van allen die beweren te weten wat haar mogelijkheden zijn, wat haar grenzen zijn, wat haar doel is; dat is de cultuur die zich zelf nog maar een zwak begin acht, van wat nog alles gedacht, gevoeld, gemaakt kan worden, en wier diepste overtuiging in de woorden uit de Rigveda ligt, die Nietzsche tot motto voor zijn ‘Morgenröthe’ koos ‘Es giebt so viele Morgenröthen, die noch nicht geleuchtet haben’.
In deze wil tot de toekomst en moed tot het onbekende, ligt de geest van een dynamische cultuur. En als die geest er is, zal er ook inhoud en vorm zijn.
Maar dit alles zal er alleen zijn, als de cultuur haar materiële levensmogelijkheden in de wereld behoudt en versterkt, en daarom moet ze zich tot de wereld, tot de maatschappij wenden.
En hier ontmoeten we de cultuur, die in haar eigen rijk een voortdurende vraag en verwondering is, en die voortdurend schept, blijvende waarden - geen eeuwige waarden natuurlijk - tot stand brengt, uit een ongestild en onstilbaar verlangen, in dezelfde houding tegenover politieke en economische toestanden, tegenover de organisatie van de maatschappij. Dat wil zeggen dat ze tegelijkertijd critisch en constructief, onderzoekend en scheppend, ingrijpt en wil ingrijpen. Het verschil tussen de fascist en de cultuurmens ligt niet hierin dat de fascist de man van de daad is, die de wereld ordent, terwijl de cultuurmens alleen maar de wereld beschouwt en onmachtig is tot ordening. De historie is één doorlopend bewijs voor de stelling dat cultuur geen belemmering is voor maatschappelijke organisatie, doch integendeel haar eerste voorwaarde. Trouwens op het engere cultuur-gebied, dat van de kunsten en de wetenschappen, is het toch immers ook zo, dat op de aarzelingen en twijfelingen, op de vage gevoelens en vermoedens, het inzicht en de scheppende daad volgen. En zo volgt ook in de politiek, - met welk woord men alle bemoeiingen met de maatschappij kan aangeven - op de twijfelingen en onderzoekingen van den cultuurmens, het inzicht en de wil om de maatschappij naar dat inzicht te kneden. Zo wil dus ook de cultuurmens tot ordening der maatschappij, tot politiek, komen en zijn bezieling, zijn enthousiasme en zijn energie, hebben een diepere en sterkere grondslag dan de vulgaire mythe der fascisten. Het verschil, voor de oppervlakkige beoordelaar tenminste, bestaat dan hierin, dat de fascist, omdat hij over absolute zekerheden beschikt, veel krachtiger in z'n optreden zal zijn dan de cultuurmens. Maar deze opvatting is geen andere, dan dat de wildeman met de grootste spiermassa's, of de fascist met z'n grote, technisch geweldige legermassa's en z'n fanatisme, niet te verslaan zou zijn door de cultuurmens, die wat materiële kracht betreft zijn gelijke is, wat fanatisme betreft z'n mindere, maar daarom nog niet z'n mindere aan inzicht, berekening en aan wil om te overwinnen.
Het gevoel als verdediger van de cultuur tegenover de barbaren te staan is opzichzelf reeds een geweldige kracht. Maar toch ...
een cultuur die zich alleen maar verdedigt, heeft niet het ware gevoel van haar superioriteit. Het levend en krachtig zijn van een cultuur, uit zich in de wil tot expansie, in de imperialistische begeerte tot het temmen en onderwerpen en beschaven der barbaren. Het is een teken van cultuurverval, als de cultuur ophoudt maatschappelijk gericht te zijn en inkrimpt tot een aesthetisch-ethische, tot een in engere zin ‘geestelijke’ cultuur. Het is een teken van verval, als de cultuurdragers als groep zich van de maatschappij gaan afwenden en alleen maar geestes-specialiteiten worden. Dit betekent natuurlijk niet dat iedere cultuurdrager zich met maatschappelijke vraagstukken moet bezighouden, doch dat een afdoend gedeelte der culturele krachten op het maatschappelijke gericht moet zijn.
En een culturele renaissance uit zich voor een goed deel ook in het besef, bij de cultuurdragers, dat de organisatie der maatschappij, de toestand van productie en consumptie, de welvaart van de grote massa, de hoeveelheid levensvreugde, wil tot werk en tot daden, de opvattingen over moraal, recht, die in de maatschappij leven, van ontzaggelijke betekenis zijn. En dit is in laatste instantie niets anders dan een van de vormen van die expansie-drang, van dat imperialisme, dat er zich niet mee tevreden stelt dat de cultuur hier en daar iets voortreffelijks voortbrengt, maar dat de hele maatschappij, in ieder van haar uitingen en in ieder van haar individuen, voortreffelijk zou willen zien.
Dit moge dan een onmogelijke eis zijn; als die eis gesteld wordt door mensen die de onmogelijkheid er van beseffen, dan komt ze hierop neer, dat men naar een zo hoog mogelijk gemiddelde van de massa en een daarboven uitgaande voortreffelijkheid voor wie dit bereiken kan, streeft, d.w.z. naar een maatschappij die iedere bijzondere individuele ontplooiing, op een grondslag van collectieve welvaart en welopgevoedheid, mogelijk maakt.
Van bijzondere mensen geestdrift vragen voor het tot stand brengen van gemiddelden, lijkt onmogelijk. Het wordt echter mogelijk zodra het veroveren van het gemiddelde een heroïsche taak is, zodra het maatschappelijk peil dus zo diep beneden dat gemiddelde ligt, dat een geweldige worsteling nodig is, een worsteling tegen de machten van behoud en reactie, tegen tyrannen, tegen domheid, traagheid, vooroordeel nodig is, om dat gemiddelde te
bereiken. Dan is het de taak, de worsteling, die de nodige grootsheid en verhevenheid krijgt.
Het wordt ook dán mogelijk, als men er van doordrongen is, van hoeveel betekenis zo'n gemiddelde voor de algemene kracht van de maatschappij, voor de mogelijkheid van het volbrengen van grootsere taken, van het bereiken van de hoogste verhevenheden is. Zodra men er van doordrongen is, dat zelfs de Helleense cultuur op een bodem stond, die vol rottingsprocessen en vol explosiegevaren was, dat het Hellenisme en het gehelleniseerde Rome - afgezien van de geringere waarde hunner cultuur - ondanks aanzienlijke vorderingen in de organisatie der macht, nagenoeg dezelfde of nog grotere gebreken in de organisatie der samenleving laten zien; zodra men zich er van bewust is wat dit moest betekenen, voor de morele sfeer der cultuur zowel als voor de noodzakelijke (maar in zo'n maatschappij bijna onmogelijke)aanvulling der élites, ontstaat de wil: wij moeten dit anders doen; en de kracht om het anders te doen, terwille van de cultuur.
En dezelfde gevoelens ontstaan bij een beschouwing van het liberalisme, dat, als geheel genomen, een der schitterendste en rijkste cultuurtijdperken in de wereldgeschiedenis is - het moet nogmaals herhaald worden tegenover al degenen die het liberalisme haten, omdat het te rijk is om in één formule ondergebracht te worden, (wat trouwens ook met Hellas het geval is, maar daaromtrent bestaat voldoende onwetendheid om het in één formule te vereren en te vergeten) - en dat niettemin aan z'n maatschappelijke gebreken is ondergegaan.
Uit zulke gevoelens en inzichten komt dus de wil voort om de cultuur een grotere zekerheid en duurzaamheid te geven, door een veel zorgvuldiger bewerking van de ‘bodem’ dan tot dusver ooit werd ondernomen. Wie dit onmogelijk acht, omdat het kunstmatig is, moge door het woord ‘bodem’ herinnerd worden aan de landbouw, het oertype der cultuur, die niet bij hakbouw of drie-velden-stelsel is blijven staan, doch die door irrigatie, natuurlijke en kunstmatige bemesting, door gebruik van andere werktuigen, door warmte en glas-gebruik, door tal van andere kunstgrepen, een geweldig vergrote productiviteit en gemiddelde opbrengstzekerheid heeft verkregen.
Het spreekt vanzelf dat de maatschappij geen akker is, en dat dus de landbouw-methoden niet voor de mensen-ordening kunnen gelden, maar evenzeer als het mogelijk is, de ‘cultuur’ die het
dichtst bij de natuur staat - de landbouw - rationeel te behandelen, evenzeer is het mogelijk de cultuur van de mensen, en in de eerste plaats het lagere deel hiervan - behoeftevoorziening en samenwoning der mensen - rationeel te leiden.
Men zou op die wijze dus voor stevige maatschappelijke fundamenten kunnen zorgen en voor de nodige materiële krachten ter verdediging van de cultuur. Men zou dan verder, én omdat een verdediging toch alleen mogelijk is als ze de vijand in eigen land gaat opzoeken en verslaan, én omdat een ordening van een beperkt gebied allerlei technische bezwaren ontmoet, én tenslotte omdat een geslaagde ordening en een sterke cultuur zich willen mededelen aan allen en de wereld willen omvatten, tot een ordening en voor de-cultuur-bewoonbaar-making van de gehele wereld overgaan.
Alleen als de cultuur hiertoe in staat is, als ze tegenover het fascistische imperialisme en streven naar wereldheerschappij, haar eigen imperialisme en eigen streven naar heerschappij zet, hebben we een werkelijk dynamische cultuur en een die overwinningskansen heeft.
In zijn bekende boek ‘De opstand der horden’ heeft Ortega y Gasset, als grote daad die onze cultuur zou kunnen redden ‘de vereniging van Europa’ genoemd, d.w.z. ‘het besluit met de groep van volken van dit continent een grote natie te vormen.’ Alleen dat ‘besluit’ zou, zo meende hij ‘Europa weer nieuw, krachtig leven geven’, het er toe brengen ‘weer in zichzelf (te) gaan geloven en daardoor vanzelf weer hoge eisen aan zich (te) gaan stellen en zich weer onder tucht brengen’.1)
Het is uit het voorgaande wel duidelijk dat wij, ofschoon de grondidee, (die van een nieuw imperialisme als noodzakelijke kracht tot redding van de cultuur) ons volkomen juist voor komt, de zaak niet meer op dezelfde wijze kunnen zien. Niet alleen omdat, toen Ortega zijn boek schreef, het fascisme nog maar een provinciaal geval inplaats van een wereldmacht was,2) zodat de bedreiging en verlokking die hem het belangrijkst scheen, Rusland met z'n groots vijfjaren-plan was, maar ook omdat niet iedere vereniging van Europa, niet ieder groot staatkundig plan, ons een bron van inspiratie lijkt. Afgezien nu van de vraag of een ‘ver-
enigd Europa’ thans nog afdoende zou zijn, ligt immers het zwaartepunt juist in de culturele, en daaruit voortspruitende organisatorische, inhoud van dat Europa. Ook het bolsjewisme en het fascisme maken zich op om de Europese chaos in een ‘orde’ te herscheppen, zij hebben een wereldpolitiek en ideeën van wereldorganisatie in materieel en cultureel opzicht. Ons ontbreekt dit alles, maar dit ontbrekende wordt niet goedgemaakt door uit te roepen ‘ook wij willen Europa, willen de wereld organiseren, ook onze cultuur wil heersen’.
‘Welke cultuur’, zal dan onmiddellijk gevraagd worden? Een cultuur die de voortzetting is van wat wij nu al reeds meer dan een halve eeuw in Europa zien, een cultuur die niet meer liberaal is, die niet socialistisch blijkt te kunnen worden, die met alle irrationalismen flirt en toch niet ontaard genoeg is om zich in de poel van het irrationalisme te storten, en die toch ook geen nieuw rationalisme voortbrengt? Maar vooral, wil men de wereld veroveren voor een cultuur die haar bemoeiingen met de wereld eigenlijk als een zondeval beschouwt, die noch het belang en de noodzakelijkheid van ordening der maatschappij beseft, noch overtuigd imperialistisch is?
Anders gezegd, het is een hopeloze poging om oproepen te doen aan, en daden te verwachten van, alles wat er in de Westerse cultuur uitgeput, alleen nog maar tot redeneren in staat is.
Niet omdat ze sceptisch en relativistisch zijn, moet men delen der cultuur en der cultuurdragers - waartoe vermoedelijk ook Ortega y Gasset zélf behoort - als hopeloos opgeven. Integendeel, dat relativisme en scepticisme zijn onze trots, want daardoor onderscheiden wij ons van de fascistische en andere barbaren, die als dolle stieren naar het absolute of in de degen van de torero rennen; ze zijn ook ons wapen, omdat ze onze geesten lenig, veelzijdig en vrij van opgeblazenheden houden. Maar een werkelijk relativisme, kent de relatieve, en als zodanig zeer grote, waarde van wil, hartstocht en geestdrift, en een werkelijk scepticisme staat sceptisch niet alleen ten opzichte van de overdrijvingen naar de kant van de activiteit, maar nog veel meer ten opzichte van allen die zich sceptici noemen en alleen maar uitgedoofden zijn.
Vandaar dat wij in de eerste plaats hebben willen aangeven, welke elementen in de Westerse, (na de neergang van het liberalisme,
vernieuwing behoevende), cultuur het uitgangspunt voor die vernieuwing kunnen zijn.
Behoud en versterking van de individualistische sfeer en verwijdering uit die sfeer van de ziekelijke hang naar mythe en mystiek, van de romantische overschatting van de waarde der irrationele en collectivistische elementen, om zo te komen tot een bevestigend scepticisme en een actief relativisme, moet dus het uitgangspunt zijn voor een dynamische cultuur, die daardoor tot imperialisme wordt en zo de betekenis van de collectieve sfeer gaat beseffen, om dan in die sfeer de maatschappelijke ordening aan de orde te stellen.
Die maatschappelijke ordening heeft ten doel een cultuur-bodem te verkrijgen, omdat, zonder volksgezondheid en volkskracht, iedere cultuur in de lucht hangt. Hiervan uitgaand komt men dan tot een maatschappelijke organisatie die de welvaart voor allen, dus ook voor de grote massa der bevolking tot eerste doel heeft. Want zonder het verdwijnen van pauperisme, van armoede, ontbering, werkloosheid, onzekerheid, uit de gehele maatschappij, krijgen wij nimmer massa's die onvatbaar zijn voor angst, slaafsheid en demagogie.
Wij beweren niet dat een organisatie van productie en consumptie, die voor allen een minimum levenspeil garandeert, voldoende is om angst en slaafsheid te doen verdwijnen; wij beweren alleen dat zonder zo'n organisatie, iedere poging om levensaanvaarding, zelfbewustzijn, onafhankelijkheidszin en individualiteit te verkrijgen, vruchteloos zal zijn.
Organisatie van het economische leven is dus een onontbeerlijk onderdeel van een culturele renaissance. En ze is in vele opzichten ook een toetssteen voor de geesten. Want zodra die organisatie, en daarmee de problemen van bezit en winst aan de orde zijn, merkt men direct bij wie het ernst is met cultuur en volkskracht, en bij wie de materiële welstand van den ‘meneer’ en z'n kringetje, toch eigenlijk zwaarder weegt dan al die mooie woorden die men voor de cultuur over heeft. En aan de andere kant krijgen we hier een scheiding tussen degenen die in de eerste plaats voor de volkswelvaart ter wille van de cultuur ijveren, en degenen die de opheffing van het privaat-bezit als hoofdzaak zien, tussen cultuursocialisten en economische socialisten, tussen de dynamische cultuurmens en de dogmatische socialist.
Voor de cultuur-mens is het criterium, dat men overal, waar dat in het belang der cultuur en van de daarbij behorende organisatie der maatschappij nodig is, bereid is alle eigendomsverhoudingen ingrijpend te wijzigen en geen halt te maken voor het privaat bezit: cultuurbelang gaat boven eigenbelang. Voor den traditionelen socialist is de onteigening der privaat-bezitters de hoofdzaak. Of de organisatie der productie en consumptie en het verkrijgen van een welvaartspeil, het wenselijker maken om het privaatbezit op tal van gebieden zonder meer te laten voortbestaan, op andere gebieden te laten voortbestaan onder controle, elders weer geheel te doen verdwijnen, dat is voor den traditionelen socialist geen kwestie die overweging verdient - hij wéét nu eenmaal dat zonder ‘onteigening der onteigenaars’ niets van betekenis kan gebeuren, en hij weet tevens dat na de afschaffing van het privaat-bezit alles op rolletjes zal lopen. Doch gelukkig is het aantal socialisten dat zich nog krampachtig aan deze traditie vastklampt, steeds verminderend, en gaat de ene socialistische partij na de andere inzien, dat niet de kwestie van het privaatbezit hoofdzaak is, doch de kwestie van de bekwaamheid waarmee men leiding kan geven aan de productie en waarmee men de consumptie kan organiseren en in evenwicht brengen met de productie.
Hier hebben we dan ook inderdaad de grote problemen die de materiële ondergrond der cultuur betreffen; en hier, in de organisatie van de productie, in het ontwerpen van productie-plannen, in het leiden van bedrijven, in de voortdurende verbinding van wetenschap, techniek en productie, in de voortdurende verbinding van productie en producent, zodat die producent geen fabrieksslaaf doch medewerker aan de productie en belanghebbende is, met wiens persoonlijke eigenschappen en behoeften rekening wordt gehouden; hier in het vinden van evenwicht tussen productie en distributie, tussen consumptie en reserves en accumulatie, hier ligt voor cultuurmensen van een bepaald type een heerlijk arbeidsveld, dat zijn eigen grootsheid en zijn eigen bezieling heeft. ‘Ordening der samenleving’ is echter méér dan een regeling van productie en distributie, dan het organiseren van een economie die zoveel gelijkmatigheid, zoveel reserves voor het opvangen van allerlei schokken bezit, dat ze in staat is, iedere crisis te temperen, door tegenwerkingen te compenseren en hare gevolgen
zo gelijkmatig mogelijk over de maatschappij te verdelen.1) Ordening omvat méér dan het likwideren der werkloosheid als massaal verschijnsel, hoewel reeds dit werk van respectabele omvang en betekenis is. Ordening betekent ook een opvoedingssysteem dat de zelfwerkzaamheid en het zelf denken van de mensen zoveel mogelijk stimuleert, en dat allen die kunnen en willen, de mogelijkheid geeft in de sfeer der cultuur binnen te treden, zonder daarbij belemmeringen te ontmoeten die met rijkdom, stand, ras, samenhangen.
Opvoeding dus tot lid der maatschappij en niet alleen tot beheersing van enige elementaire wetenschap. Het ‘lid der maatschappij’ zijn, omvat de eigenschappen die nodig zijn om z'n plaats in de collectieve sfeer te vinden en om daar z'n werk te doen. De mens dus als deel van het productie-apparaat en als deel van de politieke organisatie, moet over zekere producenten- en burgerdeugden beschikken, deugden die hem door de opvoeding in het gezin, school en maatschappij gesuggereerd worden. Zo gezien behoort dus tot de opvoedings-werkzaamheid ook een gedeelte van de werkzaamheden der dagbladen, der radio-uitzendingen, der massaontspanning op het gebied van sport, film, toneel etc. Er behoort ook bij, alles wat de mens meer belangstelling voor de productie kan geven, z'n vakbekwaamheden en z'n arbeidsvreugde verhoogt. Maar niet alleen als producent doch ook als consument heeft de mens opvoeding nodig. De opvatting dat iedereen wel weet hoe hij, met de middelen waarover hij beschikt, z'n leven zo goed mogelijk kan inrichten en dat men. hem dus op dit gebied maar vrij moet laten, is even gefundeerd als de opvatting dat ieder staatsburger de wet kent. Hij wordt ‘geacht’ de wet te kennen, hij wordt ‘geacht’ te kunnen consumeren, hij wordt ‘geacht’ met zijn kinderen te kunnen omgaan en een liefdeleven te kunnen leiden - hij kán in werkelijkheid ongeveer niets van dat alles, en men moet hem dus op al deze gebieden helpen, mogelijkheden tonen, wenken geven.
Maar daar deze sferen, en de individuele sfeer, daar de cultuurconsumptie en de cultuurproductie, niet scherp te scheiden zijn
en ongemerkt in elkaar overvloeien, is hier de grootste voorzichtigheid geboden. Overal waar men de grenzen van het individuele raakt, moet men niet alleen de dwang, maar ook de te sterke of eenzijdige suggestie vermijden, moet men volstaan met wenken, met het tonen van zoveel mogelijk wegen en kansen en moet men aansporen tot vergelijken en kiezen.
Juist hierdoor onderscheidt de culturele opvoeding zich van de fascistische, die met eenzijdige, tot de grootste sterkte opgevoerde suggestie en met dwang en schrikaanjaging werkt en die, wel verre van de individuele keuze als hoogste resultaat en triomf der opvoeding te begroeten, alles doet om die keuze nooit te doen ontstaan en daar waar ze ontstaat onmogelijk te maken.
Maar waar aan de ene kant ijzeren dwang en reglementering en onafgebroken sterke suggestie in één richting bestaat, daar kan men aan de andere kant niet volstaan met een ‘vrijheid’, die in werkelijkheid een chaos is, een verwarring die de massa, onzeker en hulpeloos overlevert aan de suggestie en druk van het fascisme. Tegenover de gebiedende dwang, moet ook hier het beschermende en wegen wijzende ‘plan’ staan. En ook dit deel van het maatschappelijk plan, zal op een gedeelte van de cultuurdragers een grote aantrekkingskracht uitoefenen, omdat het hun speciale talenten tot z'n recht doet komen en ze een groots arbeidsveld biedt1). Meer dan een vluchtige schets van dit deel der opvoeding kan hier natuurlijk niet gegeven worden, doch zelfs dit is voldoende om te laten zien hoe weinig er op het ogenblik in de niet-fascistische wereld op dit gebied gedaan wordt, en wat er gedaan moet worden om de achterstand in te halen en te voorkomen dat we weerloos blijven staan tegenover de fascistische propaganda en fascistische daden.
Niet anders is het op het engere gebied der politiek, op het gebied dus van de leiding van de staat en van de leiding door de staat, waarover we in het volgend hoofdstuk nog nader komen te spreken. Ook hier kunnen we niet volstaan met het aanklagen van de onderdrukkingssystemen, noch met het aantonen van het gebrek aan efficiency, waartoe dictatoriale en totalitaire regelingen op
den duur moeten leiden. We zien maar al te goed dat, al werken ze dan ook met horten en stoten, ze op belangrijke ogenblikken bijzonder krachtige stoten kunnen geven, stoten tegen welke een chaotische en sloom functionerende democratie niet opgewassen is. De massa's in de fascistische landen, zijn niet geestdriftig gestemd ten aanzien van hun regeringen, maar de regeerders slagen er dan toch maar in, die massa's tot medewerking aan de regeringspolitiek te dwingen, dank zij de werkzaamheid van de enthousiaste fascistische kern. Bij ons zijn de massa's evenmin geestdriftig; ze zijn ontevreden of onverschillig en zonder enig vertrouwen. Ze zullen dat blijven, zolang de politiek zonder grote plannen op economisch en cultureel gebied blijft en zolang de plannen die er zijn, op z'n best economische verbeteringen voorspiegelen, zonder een nieuwe geest en nieuwe mensen te laten zien.
In ieder geval is het een feit, dat de massa's in al de democratische landen bij hun oude sleur blijven, alle veranderingen beletten en onmogelijk maken1). Ook de directe bedreiging van de kant der fascisten, blijkt de massa's tot geen enkele vernieuwing te kunnen bewegen. Ze blijven als klissen aan de oude partijen hangen. Iedere verkiezing geeft slechts een onbetekenende verschuiving te zien, zodat het oude gemanoeuvreer der partijen moet worden voortgezet. Het zou dwaas zijn iets anders te verwachten.
De verandering moet, zoals steeds, uit de individualistische sfeer komen. De cultuurdragers moeten zich ook met de politiek in engere zin gaan bemoeien, en naast de culturele en economische veranderingen, ook die wijzigingen in de wijze van regeren aan de orde stellen, die de democratie nodig heeft om kracht en initiatief te tonen op alle gebieden.
Aangenomen dat dit mogelijk is en dat de suggesties die in de volgende hoofdstukken worden gegeven, voldoende zijn om de indruk te vestigen dat er ook op dit terrein een weg is, die tussen chaos en despotisme door leidt, dan is daarmee nog geen volledige schets van een maatschappelijke ordening ter wille van de cultuur gegeven.
Want al het voorafgaande betrof, om het zo maar te noemen, de
‘inwendige zending’. De nog niet fascistische staten door diep ingrijpende hervormingen te moderniseren, hun achterlijkheid in de collectieve sfeer te doen verdwijnen, dat is één zaak, en een zeer belangrijke zaak. Maar die taak kan niet worden ondernomen, zonder de tegenstelling ‘cultuur-fascisme’ voortdurend te verscherpen. De fascistische dreiging wordt daardoor steeds sterker gevoeld, en de gedachte dat het grootse werk waaraan men begonnen is, door een inval der barbaren vernietigd zou worden, is onduldbaar.
Als men een wereld van cultuur, van vrijheid, van verdraagzaamheid, van rechtvaardigheid., een relativistische en wijze wereld wil maken, dan heeft dat niet alleen tot voorwaarde dat de fascistische dreiging dient te verdwijnen, maar ook dat men beseft, dat een organisatie die wereldomvattend wil zijn, ook, zonder meer, de landen waar nu het fascisme heerst zou moeten insluiten. En wereldomvattend moet en wil zo'n, organisatie volgens culturele beginselen zijn. Ze moet het zijn omdat geen veiligheid voor de cultuur mogelijk is, zolang nog ergens een sterke barbaren-staat, of zelfs maar de mogelijkheid voor het ontstaan van zo'n staat aanwezig is. De Romeinse vrede en de Chinese vrede hebben lang stand gehouden, omdat ze een geweldig gebied omvatten dat sterk genoeg was om de barbaren buiten de grenzen te houden. Maar de expansie hunner rijken ging niet zover dat ze de barbaren iedere levenskans ontnam. Rome is - afgezien van z'n interne gebreken waarop we reeds wezen - ondergegaan omdat het niet de kracht had, of het inzicht, om de Germanen te onderwerpen en te beschaven. De Germanen van toen, waren echter nog slechts zwakke, slecht georganiseerde, stammen. De ‘Germanen’ van thans hebben een geweldig sterke, uiterst agressieve staat, de fascistische staat, gevormd. En behalve die fascistische staat, hebben we het totalitaire wereldrijk Rusland en bovendien nog een groot Aziatisch rijk dat zich in staat van vorming bevindt en dat Japans-fascistisch of Chinees-bolsjewistisch, doch in ieder geval totalitair dreigt te worden, als de Westerse cultuur niet in staat is het te voorkomen. Veiligheid is voor ons slechts mogelijk als we de wereld onze orde opleggen. Zo niet, dan zal zij ons, één van haar totalitaire ordeningen opleggen.
Bovendien moet de ordening op economisch gebied, die voor de stevigheid van onze inwendige structuur nodig is, een minimum omvang bezitten om goed te kunnen werken. Men. kan, zelfs in
een klein land, iets door ordening tot stand brengen, maar dat zal altijd onbevredigend zijn, en een goede regeling is alleen mogelijk als men de beschikking heeft over grote grondstoffengebieden en over grote, door geen tollinies verbroken, afzetgebieden, niet bedreigd door de deloyale concurrentie der totalitaire staten en niet verwrongen doordat de productie ondergeschikt moet worden gemaakt aan de behoefte ener bewapening, die immers nodig blijft, zolang de roofstaten ongebroken zijn.
Er is geen uitweg: willen we leven, dan moeten we de totalitaire wereld aan ons onderwerpen. Dat zou zelfs het geval zijn als onze cultuur alleen maar wilde leven, alleen maar statisch was.
Maar als ze dynamisch is, dan spreekt niet alleen het ‘moeten’, doch ook het ‘willen’. Dan wil ze haar superioriteit tot uitdrukking brengen, in alle landen en bij alle volken. Dan wil ze, hoezeer haar relativisme en scepticisme haar ook iedere lust ontnemen om de wereld tot één standaard-type op cultureel gebied terug te brengen, dat sommige van haar beginselen in de gehele wereld aanvaard worden. Ze wil geen wereld waarin armoede, ontbering, slavernij als grondslagen van een maatschappelijke regeling aanvaard worden, ze wil ook geen wereld waarin het wapengeweld als omgangsmiddel tussen volken en groepen wordt beschouwd, ze wil bovenal geen wereld waarin principieel onverdraagzame groepen, volken of staten dit wapengeweld zouden kunnen gebruiken om anderen hun wil op te leggen. Omdat ze een wereld van rechtvaardigheid en verdraagzaamheid en welvaart wil - daar alleen zo een ondergrond voor cultuur aanwezig is -daarom wil ze de Rijken der onverdraagzamen en der geweldenaars niet naast zich dulden. En dit betekent dat de naaste toekomst ons deze grote veroveringstocht der cultuur moet brengen, ook in politieke vormen, in de vorm van oorlogen, van pacificatie der verslagen barbarenrijken, van voortdurende contrôle, en opvoeding tot onze cultuur, van de bevolking der fascistische staten. Het betekent organisatie op geweldige schaal, der productie en der consumptie, het ontwerpen, wijzigen en toepassen van ‘plannen’ voor industrie, landbouw, verkeer, opvoeding, enz., enz. Door dit aan de orde te stellen doet onze cultuur een beroep op alle mensen-van-de-daad, zowel de oorlogs -als de vredesdaad, een beroep op de organisatoren en kolonisatoren.
Alleen als men de taak der cultuur zó ziet, is er sprake van een
volledige cultuur, komen al haar mogelijkheden en vormen tot z'n recht. Cultuur die uitsluitend artistiek, litterair, filosofisch, ethisch is, leeft maar half. Cultuur moet ook politiek, economisch, organisatorisch en paedagogisch zijn. Alleen dan heeft ze werkelijk levenskracht, is ze dynamisch en is ze daardoor materiëel opgewassen tegen het fascisme, is haar overwinningskans dus - ook bij de voorzichtigste schatting - overwegend groot.
Aan de andere kant is het echter zeker, dat een kwalitatief hogere cultuur die zich alleen beperkt tot het gebied van de ‘geest’, het zal afleggen tegen een lagere, doch materieel sterkere cultuur, die haar geestelijke en materiële krachten tot één hecht georganiseerd geheel heeft weten te verenigen.
Wie zich onoverwinnelijk waant omdat hij geestelijk hoger staat, bewijst daardoor reeds dat hij althans op één punt gééstelijk niet hoger staat, n.l. wat betreft z'n inzicht in de betekenis van het materiële en organisatorische, en in de grenzen die er aan het zuiver geestelijke gesteld zijn. Een dergelijke geestes-hoogmoed komt voor den val.
Ook de troost die de ‘hoog-geestelijke’, doch materieel zwakke, broeders zichzelf plegen te geven, n.1. dat de geest altijd overwint en dat een hoger cultuurvolk als het onderworpen wordt, z'n veroveraars verovert, is niet gefundeerd. Zonder vloot zou Athene het nooit van de Perzen gewonnen hebben. En dat het verslagen werd door het geestelijk minderwaardige Sparta - het prototype van een totalitaire en fascistische staat - is maar al te waar. Ook het schoolboekjesvoorbeeld van de Germanen, die de hogere cultuur van het overwonnen Rome overnamen, heeft weinig om het lijf, aangezien de Germanen alleen de organisatorisch-technische cultuur van Rome hebben overgenomen - dus dat wat wij de materiële cultuur noemen - en de geestelijke cultuur van Rome, de Helleense cultuur dus, vele eeuwen lang zonder enige uitwerking is gebleven, om eerst in de late middeleeuwen langzaam tot enige betekenis te komen.
Voor ons geval geeft dat weinig troost. Organisatorisch-technisch hééft het fascisme onze cultuur reeds overgenomen en - op z'n eigen wijze - verbeterd; en juist met die ‘cultuur’ dreigt het ons te verpletteren. Geestelijk is het fascisme niet wat de Germanen waren (n.1. vrijwel cultuurloos), maar, integendeel, in het bezit van een eigen ‘geestesleven’, dat sterk genoeg is om onze ‘geest’ zo te haten dat het die, o.a. door materiële middelen,
zal verpletteren en uitroeien. Keen, de enige troost die wij hebben, is dat onze eigen cultuur volkomen in staat is het fascisme te weerstaan en te verslaan, indien ze de dynamiek, die in de geestelijke krachten van het liberalisme ligt besloten, weet te materialiseren, door haar in verbinding te brengen met de organisatorischtechnische, politieke en paedagogische krachten die in de socialistische opvatting der maatschappij hun uitdrukking vinden. Wat dan ontstaat, om het even of men het cultuur-socialisme, liberaal-socialisme of sociaal-liberalisme noemt, bezit de dynamiek der cultuur in de geestelijke en in de materiële sfeer, en het is daardoor de meerdere van het fascisme in alle ‘fijnere’, en minstens z'n gelijke in alle ‘grovere’ dingen.
Dan staat de wil tot onze wereldheerschappij tegenover de fascistische wil tot wereldheerschappij; en dan is de overwinning ons. De vraag is echter: kunnen de mogelijkheden van liberalisme en socialisme nog tot werkelijkheid worden en kunnen ze tot een dynamische eenheid worden?