terug  begin  verderprepost
[p. 232]

IX. De wapening der gematigden.

De essentie van een dynamische, een levende, voor ontwikkeling, groei, verandering vatbare cultuur, is, wat we hebben aangeduid met het ‘leven in het raadsel’. Het is daarom zeer begrijpelijk, dat aan deze cultuur slechts weinigen deel hebben. Leven van het ‘leven in het raadsel’, kunnen slechts zij, die de capaciteiten hebben, telkens nieuwe vragen te stellen, en de moed om de onderzoekingstochten te aanvaarden die nodig zijn voor de pogingen om de gestelde vragen te beantwoorden. Aan deze eigenschappen herkent men steeds weer de ‘élite’. Zó alleen kan men onderscheid maken tussen de vele schijn-élites en de werkelijke élite. De schijn-élite, is die vrij grote verzameling van lieden die een intellectuele of artistieke of andere training hebben gehad, hetzij door opvoeding, hetzij door het leven in een cultureel milieu, en die nu een zekere vaardigheid hebben gekregen in het stellen van vragen, soms alleen op één bepaald gebied, soms zelfs zo alzijdig als voor één persoon mogelijk is, terwijl tevens een grote mate van flinkheid aanwezig is voor het instellen van een onderzoek. Evenwel blijkt op een bepaald punt, op een bepaald moment, dat we Her slechts met training, met een meer of minder diep gewortelde trainings-gewoonte te doen hebben, en niet met een, tot een tweede natuur geworden cultuur-gewoonte.

Bij de ‘specialiteiten’ blijkt dit het gemakkelijkst, daar houdt de cultuurmens op, zodra men buiten het beroep, het vak komt; wat dan overblijft is de gewone massamens, goedgelovig, hulpeloos en van een ontstellende intellectuele luiheid en lafheid. Bij de ‘algemeen ontwikkelden’ kost het vaak veel meer moeite om tot het punt te komen, waar de onwil of de onmacht tot het verder vragen blijkt, waar de een of andere angst tot het aanvaarden van een schijnoplossing leidt. Natuurlijk kennen we hier ook de gevallen waarin het niet de minste moeite kost te ontdekken, dat de grote

[p. 233]

staatsman die aan de spits van een cultuurvolk staat, geen diepere ideeën heeft dan de gemiddelde parapluie-dragende respectabele burger, of dat de fameuze filosoof hetzelfde kinderlijke geloof heeft in z'n ingewikkelde terminologie, als de massamens in z'n krant of z'n kerk. Maar ook in de moeilijker te ontmaskeren cultuur-pose is tenslotte de pose te ontdekken.

 

Nu is er natuurlijk heel veel in deze toestand, waarmee we geen genoegen kunnen en mogen nemen. Het is bijv. niet in orde dat een groot rijk geregeerd wordt door een manneke met parapluieideeën, of dat een woord-gelovige voor filosoof doorgaat, maar in het algemeen is het feit dat er slechts een kleine élite, een grotere schijn-élite en een nog grotere massa is, opzichzelf moeilijk te wijzigen door verklaringen dat het anders behoorde te zijn. Wat we kunnen en moeten doen, als we de zaak in orde willen hebben, dat is, er voor te zorgen dat aan het hoofd der politiek een politiek georienteerd élite-mens komt, dat de filosofische élite gerespecteerd en de filosofische woord-jongleurs niet ernstig genomen worden. Geschiedt dit, dan is de uitwerking hiervan veel belangrijker voor de wereld dan bijv. het vergroten der élite, als die élite tegelijkertijd machteloos blijft.

De vraag of de élite te vergroten zon zijn, en in 't algemeen of de cijfers die ons gegeven worden over de variaties van het verstand1), cijfers die, met enige correcties, ook wel zullen gelden voor de verdere vormen van begaafdheid en die dus een beeld geven van de waarde van de diverse ‘totale persoonlijkheden’, de vraag dus of die cijfers onveranderlijk zijn, kunnen we hier niet nader onderzoeken. Het is ook niet nodig, want aangenomen dat een andere structuur der maatschappij een gunstiger toestand zou kunnen scheppen, dan nog is dit alles toekomst-muziek, en dan nog zullen we geen ander uitgangspunt hebben dan de thans bestaande toestanden, die ons de beschikking geven over 2½ % zwakzinnigen, 25 % minder begaafden, 45 % gemiddeld begaafden,

[p. 234]

25 % die ‘vlug’ van verstand, en 2½ % die ‘knap’ of ‘begaafd’ zijn.

De 2½ % echter van de ‘knappen’ en ‘begaafden’, d.w.z. 150.000 op de 6 millioen van de volwassen bevolking van Nederland, zijn nog geenszins een ‘élite’. Ze zijn veel eer wat wij de schijn-élite genoemd hebben: de knappe en begaafde, maar gespecialiseerde en vooral niet originele, professoren en advocaten, artsen en ingenieurs, zakenlieden en bedrijfsleiders, onderwijzers en ambtenaren, journalisten en kunstenaars, politici en regeerders. Als men de werkelijke élite zoekt, dan komt men bij de 2 à 3 % van de ‘begaafden’ terecht, en eerst als men in die groep van 3 à 4000 een scherpe selectie gaat houden, krijgt men het héél kleine groepje van werkelijk superieure persoonlijkheden, die voor de cultuur van een volk van overwegende betekenis zijn, mensen die men bij name zou kunnen noemen.

Wat voor de cultuur, zowel in haar geestelijke als in haar materiële vormen van overwegend belang is, is niet dat dit handjevol mensen belangrijk groter wordt, maar wel dat het in de gelegenheid is, werkelijk leiding te geven en dat het niet weggedrongen wordt door de schijn-élite, door ‘begaafde’ charlatans, of door ‘knappe’ zwendelaars, door handige, maar ook brutale lieden die wel wat kunnen, maar die toch op hun gebied niet het beste kunnen, en die daarom hun tekort aanvullen met connecties en relaties, met demagogie of salon-charme, in 't kort de valse spelers en valse munters op het gebied der élite-waarden.

 

De werkelijke toestand onzer cultuur is hierdoor gekenmerkt, dat men in de topleidingen van wetenschap, lamst, politiek, economie, moraal, hier en daar een enkel élite-mens aantreft, omringd door een aantal valse munters, en dat men verder een aantal-élitemensen in de lagere regionen vindt, waar ze in een staat van dienstbaarheid belangrijk werk doen, maar toch niet tot hun recht komen, omdat ze moeten gehoorzamen aan de schijn-elite van de valse munters.

Het fascisme heeft ons doen beseffen dat deze toestand wel erg is, maar dat het toch nog veel erger kan, en dat een topleiding mogelijk is, geheel samengesteld uit valse munters, terwijl de élitemensen zelfs niet in de lagere regionen voldoende armslag hebben om belangrijk werk te doen. Wie tegenover het fascisme, de heerschappij der cultuur stelt, bedoelt dus een toestand waarbij

[p. 235]

de topleidingen althans in hun meerderheid uit élite-mensen bestaan en waarbij er bewust naar gestreefd wordt, het aantal tot de schijn-élite behorende personen in die leidingen, voortdurend te verminderen.

De strijd die hiervoor gevoerd moet worden kan zich echter niet afspelen binnen de betrekkelijk kleine groep die door schijn-élite en élite, door knappe, begaafde en superieure mensen gevormd wordt. Ze speelt zich af door de gehele maatschappij heen, ze raakt zowel de leiding als de massa.

 

Als ik in dit verband spreek over ‘de wapening der gematigden’, dan bedoel ik dit in tweeërlei zin. In de eerste plaats dat de grote gemiddelde massa in de maatschappij, die samengesteld is uit de 45 % gemiddelden, de 25 % vluggen en het grootste deel van de 2½ % begaafden, dat dit blok van bijna 75 % der bevolking, alleen tot z'n recht kan komen, als het de leiding van de kleine élite, van de dynamische cultuur-mensen aanvaardt, waardoor het tot de volledigste ontplooiing van z'n eigen mogelijkheden kan komen, waardoor het tot helpende en steunende factor in de cultuur wordt, inplaats van tot werktuig der valse munters, die de gemiddelden voor hun vulgair en noodlottig spel gebruiken, en die, met behulp der minderwaardige elementen, de gemiddelden tyranniseren en de minst begaafde delen ervan tegen de andere uitspelen.

En in de tweede plaats bedoel ik, dat de élite zichzelf alleen kan handhaven en ontplooien, als ze tot het inzicht komt dat ze, zonder de steun van de gematigden, overvleugeld zal worden door de charlatans en demagogen, en dat ze zichzelf zal afmartelen in een hopeloze strijd tegen een, niet gemiddelde en gematigde, doch minderwaardige en tegen de culturele élite opgezweepte maatschappij.

De stelling, dat de maatschappij tóch altijd vijandig zal staan tegenover de élite, tegenover het ‘onbegrepen genie’, wordt door deze opvatting niet aangevochten. Ook in de best ingerichte maatschappij zullen de gematigden het genie niet begrijpen, en z'n werkzaamheid (het aanvechten van geldende en geheiligde standaarden, het aantonen dat de aanvaarde antwoorden onjuist zijn en dat nieuwe vragen gesteld moeten worden - het ‘openen’ dus van een ‘gesloten’ wereld) als onaangenaam, storend, vijandig, ervaren. Maar juist omdat dit soort vijandigheid toch al

[p. 236]

altijd aanwezig zal zijn, en de strijd ertegen op zichzelf al zwaar genoeg is, bestaat er niet de minste behoefte, aan het laten voortbestaan, of het oproepen, van die vormen van vijandigheid, die door een goede maatschappelijke strategie opgeheven kunnen worden.

Ook een gestroomlijnde auto heeft met de natuurlijke weerstanden te maken, maar men laat het stroomlijnen niet na, ‘omdat er tóch weerstand is’. Integendeel, men probeert op deze wijze de weerstand zo gering mogelijk te maken. Zo is er ook een zekere mate van ‘stroomlijnen’ van de maatschappij mogelijk, waardoor wel niet alle weerstanden verdwijnen, maar toch de weerstand tegen de élite zo gering mogelijk wordt, de ‘cultuur-snelheid’ zo groot mogelijk.

Het is een bekend verschijnsel in de wereld der techniek dat men tot aan het einde van de vorige eeuw, eigenlijk alleen maar oog had voor ophoping van kracht.1) Als men het gewenste resultaat niet kon bereiken door een machine van 100 PK, dan zette men er een van 200 of 1000 PK neer, zonder na te gaan of het wellicht mogelijk zou zijn, door het wegnemen van wrijvingen, door betere plaatsing, of door andere methoden van organisatie, het gewenste resultaat te bereiken. Soortgelijke mis-verstanden bestaan op cultureel gebied, waar slechts zelden onderzocht wordt wat de beschikbare krachten zouden kunnen presteren, indien zoveel mogelijk wrijvingen en belemmeringen werden weggenomen.

We hebben een dergelijk besef dus nodig, zowel bij de gemiddelde mensen, als bij de élite. De vraag is, of de mogelijkheid bestaat, dat men zowel in de ene groep als in de andere groep tot dat besef kan komen en een dergelijke oplossing wil aanvaarden?

 

Laten wij eerst deze kwestie bekijken vanuit het standpunt der massa. De ‘massa’ die wij hier ontmoeten, is geen andere, dan die welke wij in vorige hoofdstukken als ‘middengroepen’ hebben leren kennen. Dat behoeft geen betoog voor de kleine groep der ‘knappen’ en ‘begaafden’, en evenmin voor de 25 % der bevolking die volgens de intelligentie-tests tot de ‘vluggen’ behoren. Met uitzondering van een handjevol kapitalisten en heden wier levensstandaard gelijk is aan die der kapitalisten, zijn zij èn naar hun levensgewoonten èn naar hun mentaliteit ‘middenstand’ immers deze 27½ % vervullen de commerciële, technische en

[p. 237]

administratieve tussen-functies, de middelbare functies, de administratieve posten, de vrije en hogere beroepen. Het is natuurlijk mogelijk dat hun levensstandaard tengevolge van crisis, werkloosheid, of andere omstandigheden van maatschappelijke of persoonlijke aard, beneden het niveau van de middenstand ligt, maar dat is voor ons geval van geen betekenis.

De grote groep, die 45 % der bevolking bevat, is nagenoeg geheel samengesteld uit wat men gewoonlijk ‘arbeiders’ pleegt te noemen, benevens uit kleine boeren en winkel- en magazijnpersoneel. Tot deze groep behoren echter in 't algemeen de halfgeschoolde en de geschoolde arbeiders, d.w.z. die arbeiders die, zoals wij vroeger reeds opmerkten, óf reeds ‘verburgerlijkt’ zijn, óf op het punt staan om te verburgerlijken, en die alleen door de fouten van het ‘arbeiderisme’ aan de ene kant, door de fouten van de ‘élite’ aan de andere kant, weigeren zichzelf als ‘middengroepen’ te zien.

Die fouten maken het de fascisten mogelijk, een groot gedeelte van de groepen der vluggen en begaafden tot zich te trekken, die beheerst worden door vrees voor een dictatuur van het arbeiderisme. Dit wordt vooral mogelijk, als het extremisme in de arbeidersbeweging er toe geleid heeft, dat de communisten een groot gedeelte van de groep der ‘minder begaafden’ (een groep die zij, samen met de fascisten beheersen), als aanhang hebben gekregen. De fascisten zijn gewoonlijk zeer sterk in die groep der ‘minder begaafden’, zeer zwak daarentegen in de groep der gemiddelden, die overwegend democratisch is.

In een normale maatschappij beschikken de democraten over deze ‘gemiddelden’, over de overgrote meerderheid der vluggen en begaafden, terwijl de minder begaafden, bij gebrek aan iets anders gedwongen worden de ‘gemiddelden’ te volgen. Komen echter de fascisten en communisten tot macht over de minder begaafden, terwijl de communisten bovendien bij het achterlijkste deel van de gemiddelden nogal wat aanhang krijgen, dan bestaat de kans dat de vrees voor het ‘bolsjewisme’, gevoegd bij het zwakke en fantasieloze optreden der democraten, een groot gedeelte van de ‘vlugge’ en ‘begaafde’ elementen, van de typische middenstand dus, naar het fascisme drijft. Een dergelijke toestand versterkt het prestige der fascisten, zodat ze zelfs ook enige aanhang krijgen bij het beste deel der ‘gemiddelden’, ofschoon deze groep zo goed als onvatbaar is voor communisme en fascisme.

[p. 238]

Alles bij elkaar beginnen de fascisten dan een belangrijke macht te vormen, vooral gevaarlijk omdat ze zo'n groot contingent minder begaafden bevat, wat haar gewelddadig optreden en het uitoefenen van terreur in de hand werkt, en tevens gevaarlijk omdat ze zoveel ontevreden en verbitterde middelbare en hogere middenstanders bevat, wat haar invloed in het openbare leven, in staatsapparaat, leger, kantoren, bedrijven, (technici), middelbare en hogere scholen, pers e.d. onevenredig groot maakt.

Bij een dergelijke toestand zijn de extremisten, fascisten en communisten samen, in staat een normaal regeren ernstig te bemoeilijken. De gematigden zijn te zwak in hun optreden, zij missen een sterke leiding en stevige kaders, juist omdat de fascisten reeds zoveel invloed hebben in de groepen die het grootste deel van leiding en kaders leveren. En de chaos die hierdoor ontstaat, drijft nog meer mensen naar de extremisten, met name naar de fascisten. Er is dan nog slechts een kleinigheid nodig, bijv. dat de conservatieve vleugel der gematigden meent dat men de fascisten moet laten regeren om ze tot matiging te brengen, en de ramp is geschied.

Op bladzijde 239 volgt een staatje dat enige toestanden in de maatschappij illustreert met cijfers die onze opvattingen uitdrukken.

 

Deze cijfers zijn niet willekeurig, doch ze zijn, wat de totalen betreft in overeenstemming met de Duitse verkiezingsuitslagen. De percentages in de verschillende maatschappelijke groepen zijn evenmin willekeurig.

Alle onderzoekingen bewijzen, dat de groep die wij G noemen, Het sterkste bolwerk der democratie is, en dat ook het triomferende fascisme hier niet kan binnendringen, evenmin als de communisten. De groep H is bijna even veilig, doch enigszins voor communistische, en op den duur, zij het in mindere mate, voor fascistische invloed vatbaar. De duitse sociaal-democratie heeft zelfs onder de ergste druk van fascisten en communisten - zolang er nog vrije verkiezing en waren, dus tot eind 1932-niet meer dan 20 % van haar hoogste aantal zetels verloren (van 153 in 192S tot 121 in 1932) en niet meer dan 10 % van haar gemiddelde aantal (± 130). Hetzelfde verschijnsel zien we bij de andere Duitse partij, die in hoofdzaak democratisch was, het Katholieke Centrum. De werkelijk gevaarlijke groepen voor de democratie en voor het

[p. 239]



illustratie

[p. 240]

behoud van een gematigde koers in de maatschappij, zijn de groepen O en V. Hiervan is O van weinig betekenis. Slavenopstanden zijn wel onaangenaam, doch niet dodelijk voor de maatschappelijke orde. De zéér gevaarlijke groep in de maatschappij, is de groep V, met haar leidinggevende en de maatschappij beheersende intellectuelen en half- en kwart-intellectuelen, die in normale tijden democratisch en gematigd (vaak ook conservatief) zijn, doch die, onder de invloed van crisis, inflatie, oorlog, onder de invloed van een algemene geestelijke crisis, die haar oorzaken vooral vindt in het tekortschieten van de leiding der gematigden, onder de invloed van arbeideristische en bolsjewistische bedreiging, voor een belangrijk deel gewonnen kan worden door de fascistische leiders, d.w.z. door begaafde, tot de schijn-élite behorende, valse munters. Men zou dit proces, het overgaan van een zeer groot deel der V-groep naar het fascisme, de ‘ontwapening der gematigden’ kunnen noemen. En de grote zaak waar het om gaat, is geen andere dan: hoe voorkomen wij deze ontwapening en hoe maken wij de ‘wapening’ zo sterk mogelijk.

Het eerste antwoord op deze vraag moet luiden: men moet beginnen met te erkennen en klaar te beseffen, dat die éne groep, die V-groep de sleutelpositie inneemt in de maatschappij, en dat men z'n eigen sterkte moet afmeten naar de invloed die men in die groep heeft. Hoe belangrijk ook de G-groep en zelfs de H-groep mogen zijn, ze komen alleen tot hun recht als ze in verbinding staan met de V-groep. Zonder de kaders, zijn de ‘gemiddelden’ slechts van geringe waarde, zijn ze ‘ontwapend’.

Wil men echter de kaders winnen, dan zal men de O-groep niet moeten behandelen als een soort van edel-proletariërs, wier gunst men vóór alles moet zien te verwerven en naar wier smaak men zich moet richten, doch men moet ze behandelen naar wat ze in werkelijkheid zijn: hulpbehoevenden, die men uit zedelijke overwegingen moet helpen, en die men ook uit maatschappelijk inzicht op een hoger peil moet proberen te brengen, opdat hun krachten niet verloren gaan voor de maatschappij en zich niet richten tegen die maatschappij, reserves waaruit misschien in de toekomst nog veel ongebruikte kracht te putten valt, en tenslotte arbeiders, die door hun arbeid een bijdrage leveren in het geheel - een bescheiden bijdrage, maar één die er dan toch óók moet zijn, wil alles goed functionneren.

[p. 241]

Hier moet echter steeds aan toegevoegd worden, dat deze groep leiding nodig heeft, en niet in staat is leiding te geven, al kan ze, onder de invloed van demagogen, heel veel tegenleiding geven. Wat men nooit mag doen, dat is: proberen de demagogen (communisten en fascisten) te bestrijden door nog méér te bieden, nog harder te verkondigen, dat de O-groep het zout der aarde is. Men moet bereid zijn deze groep te steunen, maar ook haar in bedwang te houden.

Hetzelfde geldt, met het nodige grote onderscheid, ook voor de H- en de G-groep. Met het nodige onderscheid, want deze groepen zijn inderdaad onmisbaar voor de maatschappij en zij zijn niet hulpbehoevend, doch krachtig, stevig, en terecht doordrongen van een besef van eigenwaarde. Wat men hier steeds moet beseffen, dat is, dat er nog hogere waarden zijn dan die welke door deze groepen vertegenwoordigd worden, en dat de middelmatigheid, ofschoon onmisbaar, een gevaar kan worden, als zij de alleen-heerschappij wil gaan uitoefenen. Immers, al heeft deze groep een grote betekenis voor de materiële sfeer der cultuur, al zou er zonder haar geen landbouw en geen industrie, maar ook geen organisatie van de economie en van de staat mogelijk zijn - waarbij nooit vergeten mag worden, dat die organisatie en die techniek niet háár werk zijn, doch het werk van de echte élite en dat zé toegepast worden onder leiding van het kader dat uit de V-groep komt - voor de cultuur in engere zin, de geestelijke cultuur, heeft ze slechts betekenis als consument, en dan nog slechts als zeer passief consument.

Niettemin is een dergelijke grote groep van, in 't algemeen arbeidzame, flinke, stevige en rustige mensen, een weldaad voor de maatschappij, die zonder deze sterke ruggegraat onmogelijk zou kunnen functionneren. Deze groep is bovendien een onuitputtelijk reservoir voor vernieuwing en kadervorming, zij zorgt voor aanvulling van de verliezen die door het verbruik van kader en élite ontstaan, verliezen voortkomend uit het feit dat de kaders en élites in het algemeen niet zélf voor een grote nakomelingschap zorgen. Al is het aantal ‘begaafden’ dat zij voortbrengt, percentsgewijze ook klein, door de geweldige omvang der H- G-groep, die bijna de helft der bevolking omvat, is het totale aantal toch aanzienlijk. En zo kan deze groep, als ze in behoorlijke condities leeft, er voor zorgen dat de circulatie der élites een gelijkmatiger verloop heeft dan volgens Pareto

[p. 242]

en andere aanhangers van een catastrofen-leer, het geval zou zijn. Maar ook in dit geval is de voorwaarde: het kennen en erkennen van eigen grenzen, het afwijzen van zelfverheerlijkings-neigingen die haar door demagogen worden opgedrongen, het zich verzetten tegen de ontbindende invloeden die de beneden haar liggende groep op haar uitoefent, en het aanvaarden van het voorbeeld dat de boven haar staande groepen geven. Dit laatste natuurlijk niet critiekloos, maar met het inzicht dat ook die groepen allesbehalve volmaakt zijn, en dus tal van slechte voorbeelden geven.

 

Inderdaad is de V-groep, zoals wij reeds herhaaldelijk lieten uitkomen, in het geheel geen ideale groep. Reeds haar vatbaarheid voor het fascisme wijst op het tegendeel. Ofschoon, zoals we vroeger zagen, allerlei redenen aanwezig waren, om tegen de ‘geest der eeuw’ in verzet te komen, ofschoon het materialisme en economisme, het arbeiderisme en de cultus der middelmatigheid en nuttigheid, en tenslotte het gevaar van een proletarische dictatuur, een verzet motiveerden, behoorde er toch een schromelijk gebrek aan inzicht toe, een hang naar het verwarde, chaotische, irrationele, de vulgaire mythe, om, als vorm van protest, juist het fascisme te kiezen.

Ook al is dit geen verontschuldiging voor het gebrek aan inzicht dat bij de democratische intellectuelen en bij de leiders der arbeidersbeweging bestond, het wijst toch ook op grote kortzichtigheid, troebelheid en bekrompen egoïsme bij de half-intellectuelen en intellectuelen van de bedoelde groep. Alleen een afwezigheid van originaliteit en scheppende kracht kan ertoe leiden, dat men niet ontdekte, dat het fascisme op z'n best de aan de orde zijnde problemen aanraakte, doch nergens een oplossing gaf, nergens een nieuwe kijk op de dingen bleek te hebben, niets anders deed, dan de vraagstukken van de twintigste eeuw, met oud-Romeinse of oud-Germaanse mythen omsluieren, en een kunstmatige verbinding tot stand brengen tussen de oude roofstaat-ideologieën en de moderne techniek, wat dan tenslotte tot de heerschappij van van een totalitair collectivisme van militaire aard leidde.

Het fascisme, als lappendeken van nationalisme - tot rassisme opgezweept - totalitair collectivisme, militairisme en irrationalisme, heeft ongetwijfeld de kracht van ieder syncretistisch geloof, het geeft vele groepen de gelegenheid om uit te kiezen waarom ze op het fascisme verliefd willen worden: de een terwille van natie

[p. 243]

of ras, de ander terwille van een allesomvattende organisatie der maatschappij, een totalitair collectivisme dat óók een soort socialisme is, de derde terwille van het leger, de militaire machtspositie of het oorlogsavontuur, de vierde om der wille van de irrationalistische mythe en de daardoor mogelijke exaltaties en gevoelsuitstortingen. Het fascisme neemt dus overal z'n winst, is van alle markten thuis, kan alle groepen bevredigen, en behoeft niet logisch te zijn, omdat z'n aanhangers altijd alleen maar die éne kant ervan zien, waardoor zij zich tot de beweging aangetrokken gevoelen. De aanwezigheid van andere, tegenstrijdige, krachten wordt op z'n best als onbetekenende ontsiering gezien en weggeredeneerd.

Maar dit kan alleen, indien de betrokkenen niet in staat zijn een geheel complex te overzien, de kracht van alle samenstellende factoren te bepalen, en na te gaan in hoever die factoren elkaar opheffen, en wat de resultante van dit alles moet zijn. Anders gezegd, men is niet in staat tot een zelfstandig wetenschappelijk onderzoek, noch tot het behoorlijk gebruiken van de resultaten van andere onderzoekingen.

 

Dit is echter juist het algemene kenmerk van de V-groep, die we daarom ook een ‘schijn-élite’ genoemd hebben. Er is in deze groep een verbluffende onevenredigheid tussen vakkennis en ‘algemene ontwikkeling’, met welke op zichzelf reeds typerende uitdrukking men cultuur bedoelt. Inderdaad bestaan er geen instituten die iemand tot cultureel of zelfs maar tot beschaafd mens opvoeden. En het kenmerk van de V-groep is immers, dat ze zo perfect, althans met heel veel hardnekkigheid en inspanning, is opgevoed, geschoold.

De personen die de bedoelde groep vormen, hebben allen lager onderwijs, voor een gedeelte uitgebreid lager onderwijs, gehad. Dit is dan de achterhoede der groep, die dan verder geschoold wordt door nijverheids- of technisch onderwijs, door cursussen voor acten en diploma's. Maar terwijl de lagere school nog zoiets als algemene ontwikkeling gaf (vooral doordat de onderwijzer, die onderwijs geeft in alle ‘vakken’, de gelegenheid heeft om te wijzen op wat tussen de vakken ligt, en wat ze verbindt) en onze enige encyclopedische school is, zijn de cursussen etc. etc. reeds niets meer dan vakonderwijs. Aan ‘cultuur’ wordt, na het verlaten der lagere school, nog slechts bij toeval iets gedaan.

[p. 244]

Men moet evenwel niet denken, dat de z.g. ‘middelbare’ inrichtingen, voor wat betreft algemene ontwikkeling, erg veel mee: geven aan de toekomstige middengroep en voorhoede van de ‘vluggen, knappen en begaafden’, dan de lagere school reed; gedaan heeft. Onze middelbare scholen geven geen ‘opvoeding’ doch alleen instructie in een groot aantal ‘vakken’, zonder in één enkel van die ‘vakken’ méér dan een zeer elementaire kennis te geven.

Een goed leerling van een middelbare school, zou na afloop ‘specialiteit’ (natuurlijk zeer oppervlakkig) kunnen zijn, in eer twintigtal vakken, van gymnastiek tot fysika en grieks - zonder daardoor enige cultuur te hebben verkregen. Wat men aan cultuur opdoet, komt zo toevallig erbij, als men het geluk heeft een behoorlijk leraar te treffen (dit behoeft met de aard van het vals heel weinig te maken te hebben: ofschoon bijv. het tekenonderwijs zich gemakkelijk zou lenen voor ‘cultuur’ - de beeldende kunsten - is het meeste tekenonderwijs in het geheel niet cultureel, terwijl er daarentegen chemici of wiskundigen zijn, die hun leerlingen een inzicht in de natuurwetten of in de denkwetten bijbrengen), wat gezien de opleiding die deze heren gehad hebben, inderdaad een ‘tref’ is.

De vakken die zich het gemakkelijkst lenen voor cultuuropvoeding (geschiedenis, litteratuur) worden meestal zo bête mogelijk als ‘vakken’ behandeld, en aangezien ze als zodanig tot de tweederangsvakken behoren (bij een onderwijs dat met - verkeerde - opvattingen van ‘nuttigheid’ werkt), nemen de leerlingen deze vakken niet ernstig en verlaten de school, en beklimmen de hoge scholen, zonder enige cultuur of zelfs maar besef van de belangrijkheid der cultuur.

Op die hogescholen worden ze dan eerst duchtig ‘speciaal’ getramd voor dit of dat, en het eindresultaat is de cultuur-barbaar met een academische, graad. Z'n cultuur heeft hij dan uit de krant, de radio, gesprekken met mensen uit z'n kringetje of door toevallige ontmoetingen opgedaan, en alleen als z'n cultuurverlangen door aanleg zeer sterk is, ontstaat een beschaafd mens. Als student kan men dan nog wel eens naar cultuur streven, maar dat wordt als een luxe beschouwd, die men zich kan veroorloven zolang de ‘ernst van het leven’ nog niet aangebroken is. Die ernst, in de ‘kille’ maatschappij, bestaat dan in baantjesjagerij

[p. 245]

of, in het beste geval, in verdere en verdere ‘specialisatie’. Die specialisatie is op zichzelf natuurlijk nodig en belangrijk, maar ze leidt vaak nergens toe, omdat de specialist een bijna absolute onwetendheid heeft omtrent alles wat buiten z'n ‘vakje’ ligt, daardoor zelfs niet in staat is in z'n ‘vak’ iets te presteren, laat staan een cultuur-mens te zijn.

Vooral als men de ‘cultuur in haar verband met de maatschappij’ als de volledige cultuur beschouwt, is het tekort in de bedoelde groep ontstellend groot. Men kan nog altijd wel een aantal intellectuelen met een litteraire, aesthetische, of met een moreel-religieuse cultuur vinden. Het aantal met een volledige filosofische cultuur - zowel denk-filosofie als levens-filosofie - is veel kleiner, want gewoonlijk wordt de denkfilosofie bedreven door lieden die niets dan woorden en geen kennis te hunner beschikking hebben, om over te ‘denken’, terwijl de ‘levensfilosofie’ meestal het domein is van zonderlingen die nooit geleefd hebben en ook niet weten hoe anderen leven.

En ontstellend klein, is het aantal ‘intellectuelen’ met een sociologische cultuur, het aantal kenners van de maatschappij en van haar culturele en materiële behoeften en mogelijkheden.

 

Natuurlijk is deze toestand niet in alle landen hetzelfde en niet overal even erg. In sommige landen wordt werkelijk enige culturele opvoeding gegeven, met het gevolg dat bijv. de Franse intellectueel gewoonlijk over een algemene ontwikkeling op litterair-aesthetisch en zelfs op filosofisch-ethisch gebied beschikt, maar dit alles is dóór en dóór traditioneel. En alleen het feit dat die traditie niet zo heel slecht is, (ze is nl. ‘liberaal’ in de zin van de Franse revolutie) maakt dat deze cliché-mens een zekere weetgierigheid en openheid blijft behouden. Een verschijnsel echter, als het succes van de ‘Action française’ bij de Franse intellectuelen (vooral vóór de oorlog) wijst er op dat een dergelijke cultuur gemakkelijk aangevreten kan worden indien van de werkelijke élite (in dit geval Bergson, Maurras, Barrès, Brunetière) reactionnaire invloeden uitgaan.

Ook in Duitsland had men vóór de oorlog een cultuur-opvoeding, die in Pruisisch-Wilhelminische stijl gehouden was en dus een drillen tot een nationalistisch militairisme was, waartegen dan de restanten van het Goethe-Schiller-humanisme enigszins in verzet kwamen. Na de oorlog verdween deze speciale vorm van militai-

[p. 246]

risme-in-de-cultuur, van de voorgrond (tot droefenis van vele leraren en hoogleraren der oudere generatie), evenwel slechts om plaats te maken voor een ander soort militairisme: de autoritaire cultuur.

In Duitsland vond men het type van de veelwetende intellectueel, die zijn gebrek aan denkkracht probeerde te verbergen achter de kracht waarmee hij allerlei ‘autoriteiten’ napraatte. Het Duitse voorbeeld, dat ons de noodlottige gevolgen van een onafgebroken culturele druk op de schijn-élite laat zien, leidt tot een zekere waardering voor de Angelsaksische methode van bijna volstrekte afwezigheid van culturele opvoeding, indien tenminste die afwezigheid wordt gecompenseerd door vrije cultuur-organisaties, zoals de Engelse debating-clubs, en indien op de achtergrond, zoals in Engeland, belangrijke cultuurdragers van liberale gezindheid staan. Aan dit Engelse cultuurleven nemen alleen ‘vrijwilligers’ deel, terwijl in Duitsland iedereen opgecommandeerd werd. Het gevolg hiervan was, dat het scheen alsof Duitsland - in de Weimar-tijd - een bloeiend cultuurleven had, en alsof Engeland niet in de schaduw kon staan van al die grondige en kranige Duitse intellectuelen. De Duitsers waren hiervan rotsvast overtuigd, en nog altijd gelooft het merendeel van de Duitse emigranten dat in de republiek van Weimar een schitterend cultuurleven bestond en dat de toenmalige Duitse cultuur bovenaan stond in de wereld, en dat zijzelf, als overblijfselen hiervan, ver boven de Engelsen uitsteken. Zij begrijpen nog altijd niet, dat Weimar niets dan dril en naäperij was, dat de organisatie van de Duitse cultuur ongetwijfeld beter was dan die van de Engelse, doch dat men de leegte en de middelmatigheid, niet de cultuur, organiseerde. Nu is de V-groep uit de aard van de. zaak middelmatig, doch georganiseerde middelmatigheid is een gevaar, terwijl vrije middelmatigheid, door vrijwillige selectie, tot haar hoogste mogelijkheden kan komen. Zo heeft Engeland een cultureel leven, ook in z'n kadergroepen, terwijl Duitsland, zelfs in de periode van Weimar een soort van culturele arbeidsdienst kende.

 

Doch al deze nationale nuancen, hoe belangrijk ook, kunnen niets veranderen aan de hoofdzaak, nl. dat het maatschappelijk kader een tekort vertoont zowel aan cultuur in engere zin, als aan maatschappelijke cultuur.

Dit uit zich dan het duidelijkst, in het bekend verschijnsel van

[p. 247]

de ‘afkeer van de politiek’ bij de intellectuelen. Afkeer of onverschilligheid die soms, onder de invloed van maatschappelijke druk, vrees en afgunst, tot voorkeur voor een romantische politiek, die ‘tegen alle politiek’ gericht is - in onze tijd het fascisme - kan worden, en die dan van hetzelfde gebrek aan politieke cultuur getuigt, als de vroegere afkeer.

Werkelijke cultuur en het daarbij behorend maatschappelijk inzicht, zou de leden van de bedoelde groep dit doen beseffen: We zijn wel niet de maatschappelijke élite, de cultuurscheppers, maar wij zijn toch het meest verwant aan die élite, omdat wij de cultuurdragers- en verbreiders zijn. Wij zijn het publiek dat de cultuurscheppers nodig hebben, het publiek, dat begrijpen, meevoelen en verder dragen kan. Precies zoals we op andere gebieden, hogere en lagere functies bekleden - niet de hoogste - en er voor zorgen dat op die posten leiding wordt gegeven, zo hebben we ook een leidinggevende functie in de politiek, waar we er voor moeten zorgen dat de inzichten van de culturele élite worden verder gedragen en worden toegepast. Mee te werken aan de leiding van de maatschappij, niet als leiders, maar als onderleiders, als hoger en lager kader, is dus de taak die uit onze maatschappelijke positie voortvloeit. Verwaarlozen we die taak, dan wordt het veel moeilijker, misschien zelfs onmogelijk, voor belangrijke maatschappelijke ideeën om weerklank en toepassing te vinden, wat het functionneren van de maatschappij belemmert, tot achterstand en stokking moet leiden, uitbarstingen waarschijnlijk maakt, achterstanden doet ontstaan en onze eigen groep isoleert.

Willen we dat voorkomen, dan hebben we de plicht maatschappelijk werk te doen, d.w.z. politiek werk te doen. En deze werkzaamheden van opvoeding en organisatie (opvoeding van de massa tot politiek - d.i. tot maatschappelijk - inzicht, wil, plichtsbesef, opvoeding tot maatschappelijke arbeid en tot cultuur, organisatie van de massa tot politieke krachtgroepen, en organisatie van de staat, de cultuur, de economie), deze werkzaamheden sluiten volkomen aan bij ons normale werk.

Doen wij dit werk niet, dan zal het door niet-competenten of door demagogen gedaan worden, en dan zijn wij tenslotte het kind van de rekening. Laten we ons niet aanstellen alsof wij te hoog staan om aan politiek te doen, aangezien wij te veel persoonlijkheid zijn om massa-werk te doen. We zijn, als alles goed gaat, misschien persoonlijkheden, maar we zijn geen genieën doch

[p. 248]

tussen-mensen, verbindingen tussen genie en massa. Eerlijk gezegd hebben we allemaal een beroep - of we willen het graag hebben - we hebben een huishouden en kinderen, net als de meeste andere normale mensen. Niemand kan in ons optreden meer buitensporigs ontdekken dan in het optreden van de gewone mensen. We zijn burgers, of zo men wil klein-burgers, aangezien we in de meeste gevallen slechts kleine inkomens hebben. Zoals wij, zijn er duizenden, of in de uitzonderingsgevallen, honderden. U bent professor: wel, in Nederland en Frankrijk en Engeland en Amerika zijn honderden, neen duizenden professoren - waarom dan doen of je een zeldzaam creatuur, een genie bent. We zijn dus klein-burgers, en er is geen enkele reden om ons daarvoor te schamen, aangezien wij al het belangrijke werk doen in de maatschappij en aangezien wij er voorzorgen dat ze behoorlijk functionneert.

Zeker, een genie is méér dan een klein-burger, maar al degenen die geen genie zijn, en die zich aanstellen alsof ze het zijn, die allerlei bijzondere voorrechten eisen, vanwege hun genialiteit, die zich aan geen regels willen onderwerpen, omdat zij zulke bijzondere scheppingen Gods zijn, al die aanstellers en kwasten, met hun ‘persoonlijkheid’ chantage plegende onbenullen, egoïsten en parasieten, zij allen staan beneden de beschaafde, gevoelige, flinke en iets kunnende klein-burger.

De klein-burger, bereid om eerbied te hebben voor wie méér is dan hij, (de genieën en de grote talenten), in staat om die meerderheid te beseffen en iets er van door te geven, die klein-burger met talent, inzicht en energie, met beschaving en verlangen naar cultuur, met z'n begrip voor de grootheid van orde en organisatie, met z'n wil tot rechtvaardigheid en verdraagzaamheid, is wel slechts een gemiddelde en gematigde, maar hij staat boven de chaos, de dierlijkheid, de roofzucht en de wreedheid.

Men veracht hem, omdat hij het avontuur niet najaagt, maar als zijn avontuur nu eens bestond in het scheppen van orde, cultuurmogelijkheden, rechtvaardigheid en verdraagzaamheid in de wereld? Dat is een groter, grootser en gevaarlijker avontuur dan het profiteren van de chaos. Het avontuur van den kleinburger is het avontuur van de arbeid, de ontginning, het afweren, verslaan en vernietigen der barbaren. Het is geen romantisch avontuur, het is een cultuur-avontuur.

Welnu dan, als dit alles zo is, waarom zou men dan niet pogen dit

[p. 249]

grote werk te volbrengen, tegen de roofdieren en barbaren, tegen de chaos-makers en extremisten in? En dat is politiek, de politiek der gematigden. Een politiek die alleen mogelijk is, als de gematigden hun posten betrekken en hun plicht doen door er, naarmate van hun kunnen, als hoger of lager kader op te treden. En beginnen met het zotte vooroordeel tegen de politiek te overwinnen, omdat men eindelijk beseft dat politiek niets anders is dan het streven om de behoorlijke mensen hun plaats in een behoorlijke wereld te geven.

 

Het besef dat ‘politiek’ geen verachtelijke bezigheid is, doch het in daden omzetten van z'n gevoel van verantwoordelijkheid voor maatschappij en cultuur, begint thans weer wakker te worden bij talrijke leden van die groep, die, na eerst de liberale en de socialistische politiek te hebben gedragen, sedert het eind van de vorige eeuw tot aan ongeveer 1933, meende, de politiek te kunnen overlaten aan aantal routiniers, om zelf ongestoord bezig te kunnen blijven met allerlei liefhebberijen die, ten onrechte, voor cultuur aangezien werden.

De impuls die uitging van het bolsjewisme moest bijna zonder uitwerking blijven, omdat het bolsjewisme niet de nadruk legde op de cultuur, maar op de economie. Die impuls heeft echter een indirecte uitwerking, een reactie tengevolge gehad, reactie, gewekt, doordat het bolsjewisme dreigde de gehele V-groep te vernietigen ten behoeve van de groepen der half-geschoolden of der ongeschoolden. Deze dreiging maakte de intellectuelen en half-intellectuelen vatbaar voor een politiek, die hier haar kansen zag en de gelegenheid wist te gebruiken: het fascisme.

En nu begint men in te zien dat die politiek alleen ongedaan kan worden gemaakt door een contra-politiek, die geen andere kan zijn dan een cultuur-politiek.

Men kan natuurlijk betwisten dat er geen andere mogelijkheden zijn dan fascisme of cultuur. We horen in onze tijd vaak, dat de enige werkelijke oplossing zou zijn: het Christendom.

Maar ook zij die het ernstig menen met een Christelijke politiek, mensen dus van het type Van E. Stanley Jones, de man die naar z'n eigen getuigenis ‘bezeten’ is ‘van de gedachte van het Koninkrijk Gods op aarde’, erkennen dat het Christendom om te kunnen zegevieren ‘een politieke machine’ nodig heeft. Shaw citerend, die gezegd heeft: ‘Jezus is een reëele persoon, een feit,

[p. 250]

een kracht als de electriciteit, waarvoor slechts de passende politieke machine behoeft te worden uitgevonden om haar op de menselijke verhoudingen te kunnen toepassen met revolutionnair effect’, vervolgt hij: ‘Er behoeft slechts een passende politieke organisatie voor te worden uitgevonden! Die taak is de taak van onze generatie... Daarom doen wij een beroep op alle mensen, die in het publieke leven staan in onze gebouwen van wetenschap, studenten en professoren, in onze zakenwereld, in de wereld der arbeidersbeweging en in de Kerk, om een politieke en economische machine uit te vinden, waarmee de geest van Christus, de geest van het Koninkrijk in de menselijke verhoudingen tot uitdrukking kan worden gebracht.’1)

Ik citeer Jones, omdat hij ongetwijfeld een mens met nobele bedoelingen is, wiens Christendom men niet mag gelijkstellen met dat van de ‘politieke Christenen’, die wij in Holland zo goed kennen, en wier soortgenoten in Oostenrijk, Portugal en Franco-Spanje overduidelijk hebben bewezen, dat zij ‘Christus’ zeggen en ‘kapitalisme’ bedoelen. Welnu, wat kan deze oprechte Christen, Stanley Jones, anders doen, dan een aansporing richten tot de intellectuelen en half-intellectuelen, om zich in de politiek te begeven, een politiek te maken?

Hoe die politiek moet zijn, daarop geeft het Christendom dus geen antwoord; dat antwoord zullen wij zelf moeten geven. Wat is dan de zin van het Christendom in die politiek? Jones meent: het zegt ons hoe ‘de geest’ van die politiek moet zijn. Maar wat is die geest? Rechtvaardigheid? Men zou het kunnen beredeneren, en vele Christenen zullen uitroepen: rechtvaardigheid is niet voldoende, er moet ‘liefde’ zijn. Maar als wij, ook met wat minder tevreden, omdat we nu eenmaal gematigden zijn, vragen om wat ‘verdraagzaamheid’, dan merken we dat de Christelijke Liefde zo totalitair is, dat ze geen andere opvattingen naast zich duldt, en dus een wereld wil maken waarin geen verdraagzaamheid nodig is, omdat er geen verscheidenheid meer zal zijn, doch alleen maar één kijk, op de dingen, één geloof, één godsdienst. Het behoeft, na alles wat wij over cultuur en mythe schreven, geen betoog, dat wij een dergelijke simplistische cultuur-opvatting niet kunnen delen. Wij bepalen ons dus tot het registreren van de erkenning dat ‘een politiek’ nodig is, dat het Christendom er geen

[p. 251]

heeft, en dat er een beroep gedaan moet worden op de intellectuelen om een politiek te maken.

Stanley Jones heeft elders gepoogd duidelijk te maken, waarom hij het Christendom iets ‘hogers’ acht, dan de gewone politieke bewegingen. Hij citeert dan met instemming Niebuhr: ‘Het conflict tussen Christendom en Communisme, is het conflict tussen een godsdienst die geen adaequate politieke strategie bezit, en een sociaal idealisme dat ten onrechte zijn politieke strategie heeft opgevoerd tot een religie.’1)

Dat kàn juist zijn, voorzover het betreft het ‘Communisme’, waarmee in dit verband het Bolsjewisme bedoeld wordt. Dit heeft inderdaad van z'n ‘politieke strategie’ een ‘religie’ gemaakt. Maar wat bewijst dit? Alleen maar, dat het bolsjewisme aan een zodanige armoede van inhoud lijdt, dat het z'n uiterlijke kant moest gaan ophemelen, tot religie maken. Als dat ‘sociaal idealisme’ van het bolsjewisme werkelijk sterk en groot was geweest, clan was dát tot religie geworden, en niet het machtsmiddel, de partij en haar dictatuur, waarmee men dat sociaal idealisme tot werkelijkheid beweerde te zullen maken. Het bolsjewisme is een religie, bij welke de Kerk belangrijker is geworden dan de inhoud van het geloof - iets wat niet alleen aan wereldlijke bewegingen overkomen is!

Maar ook als men bedoelt, dat ‘sociaal idealisme’ onvoldoende is, om een beweging gelijkwaardig te doen zijn aan een godsdienst, dan zouden we dit kunnen onderschrijven, want het ‘sociale’ is ongetwijfeld slechts een deel van het volle mensenleven. Doch aan de andere kant zijn wij van mening, dat ‘cultuur’ die én het sociale én het individuele omvat, hoger is dan welke godsdienst ook, en dat redeneringen als die van Niebuhr-Jones wel recht hebben tegenover een communistische beweging, doch niet tegenover een cultuur-beweging, zoals wij die in de voorafgaande hoofdstukken hebben aangegeven.

Wie tegenover het fascisme het Christendom wil plaatsen, (zelfs het Christendom van Stanley Jones, van Barth, Unamuno, de Rougemont, Bernanos - over dat van Colijn, Kersten, Goseling c.s. spreken we niet, als het om respectabele dingen gaat - of van de vele wereldlijke auteurs, die, zoals Huizinga en Steinhausen, in laatste instantie toch weer alles van de religie verwachten)

[p. 252]

vergeet, dat het Christendom van onze tijd, noch een sociale, noch een culturele inhoud heeft.

Men zou het dus eerst volkomen moeten vernieuwen, en na die vernieuwing rest ons: een moderne cultuur, waarin het Christendom als een belangrijke traditie overblijft. Die Christelijke traditie in onze cultuur, het Christendom als één van onze oorsprongen, loochenen wij ook niet. Maar het is natuurlijk een eenzijdigheid en een tekort, als we van één onzer oorsprongen verwachten dat ze zou kunnen geven, wat al onze oorsprongen, en het inzicht in het heden, slechts met de uiterste Krachtsinspanning kunnen doen: een dynamische cultuur.

 

Als we echter de noodzakelijkheid van een dergelijke cultuur, van een culturele renaissance betogen, dan dienen wij er ons van bewust te zijn, dat de groep der intellectuelen en half-intellectuelen wel een belangrijke rol kan spelen in zo'n renaissance, doch geen beslissende rol. De beslissing kan alleen uitgaan van een werkelijke élite, d.w.z. van het zeer geringe aantal vrije cultuurscheppers, van de grote denkers en dichters. Van de denkers, die een nieuwe wereldbeschouwing, een inzicht in natuur, mens, maatschappij verkondigen, die van uit dit inzicht de individuele en de maatschappelijke moraal die nodig is aangeven, om zo te komen tot de wenselijke en mogelijke betrekkingen tussen de mensen en tot de instellingen in maatschappij en staat die nodig zijn. Zo worden de wegen tot verwezenlijking van deze inzichten gewezen, d.w.z. de politiek aangegeven. Doch dit alles is alleen mogelijk, als deze inzichten tot inspiratie worden voor de denkers, de kunstenaars en de grote daadmensen, de politieke leiders.

Geschiedt dit, dan zullen de intellectuelen, na een zekere tijd, de druk van die nieuwe inzichten en gevoelens bemerken en op den duur in steeds grotere mate er voor gewonnen worden, om op hun beurt dit uit te dragen naar de verwante groepen.

Het is natuurlijk mogelijk dat dit proces niet plaats vindt. Het is mogelijk dat we geen élite meer hebben (of een élite die niet gevoelig is voor de noden en de behoeften van onze tijd en onze maatschappij, wat een andere manier is om te zeggen dat we géén élite meer hebben, want een verkalkte élite is geen élite), of dat de élite niet meer in staat is de intellectuelen te beïnvloeden. De afwezigheid van een élite, is het niet te weerspreken teken van de

[p. 253]

ondergang ener cultuur en ener maatschappij. En ook het feit dat een élite niet meer in staat is - op den duur en na veel strijd - haar inzichten aan de maatschappij op te leggen, is een teken voor het onafwendbaar geworden zijn van de ondergang.1)

De vraag of wij nog een élite hebben en of onze intellectuelen te beïnvloeden zijn, zullen wij eerst in het volgend hoofdstuk nader onderzoeken, maar hier kan er al wel op gewezen worden, dat dit boek geen zin zou hebben, indien de schrijver in de onafwendbaarheid van de ondergang onzer beschaving geloofde.

Hij meent, integendeel, dat onze cultuur nog levend is, dat zij, die de kracht gehad heeft om in een vorige generatie een Freud en een Einstein, een Valéry en een Lawrence voort te brengen, ook de kracht zal hebben, om in onze generatie de culturele en politieke inzichten voort te brengen die voor de redding van onze beschaving nodig zijn.

De andere vraag, of onze intellectuelen, onze maatschappelijke en culturele kaders deze inzichten zullen aanvaarden en verder dragen, mag al evenmin ontkennend beantwoord worden. Onze maatschappij heeft ongetwijfeld bewezen - het fascisme is de proef op de som, maar verschijnselen als de Oxford-beweging spreken een niet minder duidelijke taal, en het succes van de Rusland-cultus bij een ander deel onzer intellectuelen bevestigt het nogmaals - dat ze uiterst vatbaar is voor allerlei vulgaire mythen en voor allerlei rottige romantiek en exaltatie. Maar aan de andere kant, bewijzen zelfs deze verschijnselen, dàt ze vatbaar is voor invloeden en druk, dàt ze zoekt naar oplossingen, dàt ze zich bewust is van haar crisis-toestand, en dat ze wegen uit het gevaar en uit de misère wil vinden, dat ze wel ziek, maar niet verkalkt is, dat ze nog een surplus aan levenskracht en levensverlangen heeft. En dit is in eerste instantie reeds een winst. Maar de aanwezigheid van een élite en van kaders kan ons - aangenomen dat de technisch-economische hulpbronnen waarover de maatschappij beschikt, rijk genoeg zijn, wat bij ons het geval is, zoals we nog uitvoeriger zullen betogen - alleen dan helpen, als die élite dan ook werkelijk inziet wat het typische ziektegeval van onze tijd is, en wat de weg naar de genezing moet zijn.

[p. 254]

Typerend voor deze tijd, is de denkangst bij degenen wier functie het denken is, bij de élite. Onze élite is in zekere zin ‘gematigd’, ze verlangt naar gebondenheid, naar grenzen, naar vastheid, naar geslotenheid, terwijl haar functie juist behoort te zijn, de eeuwige vraag, de onvoldaanheid, de openheid, en de poëzie van het nog niet verwezenlijkte. De kaders, en in nog grotere mate de massa's, zijn ‘extremistisch’, willen het onmogelijke direct tot stand brengen, wat, gezien hun toch altijd aanwezig tekort in het denken, op voortdurende opgewondenheid, sensatiezucht, hysterie, onmatigheid in alle opzichten, uitloopt. De vermetelheid van de onbekwamen en de traagheid van de bekwamen, hebben tengevolge dat we in een soort gekkenhuis leven, maar dan in een gekkenhuis met bang geworden artsen en bewakers.

Nu is in een wereld vermetelheid nodig. Maar die vermetelheid mag alleen aanwezig zijn bij degenen die over de nodige remmen, de nodige contrôle en berekening beschikken, om altijd weer de grens tussen vermetelheid en waanzin te kunnen trekken, om te zorgen dat tussen verlangens, visioenen, inspiraties enerzijds, en aanwezige krachten, weerstanden, gevaren anderzijds, een compromis tot stand komt. Deze erkenning van het realiteitsbeginsel, deze matiging, onderscheidt het genie van de waanzinnige, de élite van de charlatans, demagogen en bezetenen, Cromwell, Napoleon en Lenin, van Mussolini, Stalin en Hitler.

Wat wij nodig hebben, is een élite, vermetel in haar gevoelens en in haar denken, maar door haar denken tevens gematigd in het toepassen van haar ideeën op de maatschappij; gematigd, maar - omdat achter die matiging de vermetelheid en de gloed liggen - tevens wilskrachtig, vastberaden, doorzettend.

Aan de andere kant hebben wij massa's nodig, geklemd tussen kaders, die het extremisme op alle gebieden, binnen de perken houden, die door de élite worden aangegeven. De vermetelheden der altijd naar exaltatie en orgasme strevende massa, moeten niet aangewakkerd worden, zoals dit gebeurt door de fascisten, de bolsjewisten en proletariaatsverheerlijkers, de oxfordianen en anderen, die de toch reeds opgewondenen nog een extra dosis religieuze vervoering willen geven; ze moeten niet aangewakkerd worden, zoals al de gevoelsverheerlijkers, schijn-élites, valse munters en demagogen dat willen - ze moeten getemperd en gematigd worden.

 

Er moet eerbied zijn voor de orde - maar dan moet er ook een

[p. 255]

progressieve, royale, scheppende orde zijn. Géén orde, zoals onze conservatieven en reactionnairen die willen, een verarmende, uitzuigende, alles dooddrukkende, deflationistische orde.

Is het niet merkwaardig, dat onze orde-schreeuwers de massa opvoeden tot de hysterie van de fascistische vergaderingen en demonstraties, tot de waanzin der persoonsvergoding? Deze lieden zijn er in geslaagd, om zelfs hysterisch te worden over discipline, orde, tucht, d.w.z. over de anti-hysterie.1) En zij die het fascisme beweren te bestrijden, zetten meestal tegenover de fascistische opwinding, een andere opwinding, die van dezelfde kwaliteit is. Niet de bezieling der cultuur, maar de ‘bezieling’ der reclame-campagne, met ‘leuzen’ en ‘vlaggen’ en ‘trompetten’ - dingen die opzichzelf niet ontoelaatbaar zijn, maar die het worden zodra ze de hoofdzaak gaan vormen, zodra er geen inhoud meer is en alleen maar hartstocht en geestdrift, om het even of het fascistische, anti-fascistische, religieuze, atheïstische of andere opwinding is.

Eerbied voor de orde - maar dan ook orde die eerbied afdwingt, door haar ruimte van geest en door haar kracht van daden. Discipline en tucht - maar dan ook maatschappelijke toestanden, die discipline en tucht in de maatschappij, (iets heel anders dan discipline en tucht in het leger, of op het werk) mogelijk maken. De fascisten en andere, autoritaire en conservatieven verheerlijkers van orde en tucht, nemen het leger meestal tot voorbeeld. In het leger echter kent men noch orde, noch tucht, noch discipline - men kent er alleen angst en dwang; met het gevolg dat de soldaten zich, waar het maar mogelijk is, als zwijnen gedragen. In de fabrieken bestond tot voor kort evenmin discipline, alleen maar dwang, iets wat bijv. nooit begrepen is door de proletarische socialisten, die de fabrieken als leerscholen voor maatschappelijk gedrag beschouwden, terwijl ieder die een fabriek ziet uitgaan of aangaan, weet dat er hier alleen sprake is van druk, waarop het antwoord is: behoefte aan uitbarstingen in de vrije tijd, anders gezegd het zoeken naar sensaties zoals voetbalwedstrijden en soortgelijke vermaken, fascistische, bolsjewistische en oxfordistische ‘bewegingen’. Als het nu, in sommige fabrieken, iets beter

[p. 256]

gesteld is, dan komt dat omdat er werkelijke discipline bestaat, nl. het aanwijzen van een taak die volbracht kan worden met een maximum van interesse en een minimum van controle en druk.

Maatschappelijke discipline is alleen mogelijk bij degenen die maatschappelijke belangstelling en inzicht hebben, en die dus hun plaats weten te vinden, hun taak volbrengen, onder controle, doch met een minimum van. dwang en druk.

Ook dit zijn elementen van ‘matiging’, en zonder deze matiging bij de massa, die haar plaats heeft gevonden, niet als heerser, niet als stormram, niet als slavenkudde, maar als onontbeerlijke maatschappelijke factor, als goederenproducent en cultuurconsument, is orde en evenwicht onbestaanbaar.

Maar wie kan die massa tot matiging opvoeden, wie kan in onze tijd, waar ieder op de hartstochten der massa speculeert, ze opzweept en cultiveert, de nodige druk uitoefenen, de kracht ontwikkelen die de hartstochten binnen zekere grenzen houdt? Dat kan alleen een ‘partij’ van gematigden, de partij der matiging. Een partij, uitgaande van de élite, invloed krijgend onder het. maatschappelijk kader, z'n invloed vergrotend door uit alle groepen de beste elementen tot zich te trekken, om zo, op den duur, als een sterk weefsel door de gehele maatschappij heen te lopen, de gematigden wapenend, de onmatigen tot kalmte en beperking aansporend of dwingend. Een stoutmoedige élite die zichzelf weet te matigen, intelligente kaders, doordrongen van de noodzakelijkheid van progressie en matiging, een massa die deze roep volgt en die op den duur tot beschaving weet te komen - ‘beschaving, is maat houden’ - ziedaar de grote tegenkracht, die niet alleen het fascisme kan verslaan, maar die er ons ook wat beters voor in de plaats geeft. Natuurlijk alleen als we cultuur en beschaving zien zoals dat in de vorige hoofdstukken van dit boek bedoeld werd.

 

Men kan de vraag stellen of de wijze waarop in het voorafgaande over élite, kader en massa werd gesproken, geen grote gevaren in zich bergt. Het gevaar vooral van indeling van de maatschappij in vaste lagen, in een heersende, een uitvoerende en een gehoorzamende groep. Een dergelijke indeling leidt maar al te gemakkelijk tot het ontstaan van een bevoorrechte en genietende kaste aan de top, een onderdrukte en slavende kaste aan de basis der maatschappij.

Dit gevaar bestaat, maar het bestaat alleen, wanneer de indeling

[p. 257]

wordt ‘vastgelegd’, wanneer officieel en wettelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de ene groep en de andere, voorrechten worden toegekend uitsluitend berustend op het feit, dat men tot een bepaalde groep behoort. Iets geheel anders is het echter indien het onderscheid, dat in werkelijkheid bestaat (omdat het uit de capaciteiten der mensen voortspruit), zich in het vrije spel der culturele krachten kan openbaren, en wanneer er in de eerste plaats voor zorggedragen wordt, dat deze vrije en natuurlijke selectie zich iedere dag opnieuw kan voltrekken. Of om het te zeggen met gebruikmaking van de bekende terminologie, indien de grondslag van onze samenleving ‘democratisch’ is.

Democratie is de toestand, waarin de maatschappelijke positie der individuen niet berust op een behoren bij een bepaalde groep, niet berust op afstamming, bloed, ras, bezit, organisatie, maar uitsluitend op capaciteit. Democratie is de toestand, die gelijke rechten voor allen als uitgangspunt heeft, zodat de toestand die uiteindelijk ontstaat, berust op het resultaat der ongelijke capaciteiten. Democratie is onverenigbaar met een van die talloze vaste indelingen in de maatschappij, die fascisten, corporatisten, bolsjewisten, (alleen de mens van proletarische afkomst is betrouwbaar, alleen de industrie-arbeider is een volledig mens) gelovigen, (alleen de leden van een bepaalde kerk zijn volledige mensen), kapitalistische liberalen (alleen de leden van families met bepaalde welstand zijn volledige mensen) en anderen hebben ingesteld of zouden willen instellen. Democratie is de enige dynamische, voortdurend veranderende en dus alle voorrechten, die niet op de actuele prestatie berusten, uitsluitende, maatschappijvorm.

 

Als wij over een élite spreken, en we doen dat in democratische zin, dan bedoelen we daarmee de mensen die de hoogste en de meest oorspronkelijke prestaties leveren op het gebied der cultuur (in haar volledige omvang gezien, dus de materiële sfeer inbegrepen), en die dat doen op het ogenblik dat we die élite proberen vast te stellen. Dit houdt in, dat een élite een altijd wisselende samenstelling heeft, omdat de individuen die haar vormen hun capaciteiten kunnen verliezen; men behoort alleen tot een élite zolang men élite-werk levert.

En dit betekent dus, dat men niet benoemd of aangesteld kan worden tot lid van een elite, dat de ‘élite’ geen aanwijsbaar

[p. 258]

college is, dat op de een of andere wijze macht uitoefent, doch niets anders dan het aanwezig zijn van een aantal bijzondere mensen die ieder op hun gebied bijzonder werk leveren, en die daardoor invloed uitoefenen op de cultuur.

Reeds het feit dat de meningen sterk zullen uiteenlopen over de vraag: wie behoort tot de élite? maakt, dat wat wij hierboven over élite schreven, slechts het schematiseren van een proces is, niet het propageren van het instellen van colleges, groepen of standen. Wie tot de maatschappelijke élite behoort, dat blijkt in tal van gevallen eerst achteraf, als het door de tijdsafstand mogelijk is geworden de betekenis van personen en hun werk te overzien. Waar het dus op aan komt, dat is het besef dat er een maatschappelijke élite moet zijn, wier opvattingen richtinggevend behoren te zijn, zodat men moet pogen, die élite te ontdekken in haar werk, en zich van de betekenis van dit werk te doordringen. De élite-gedachte is dus een richtinggevende gedachte voor liet functionneren van de maatschappij, het is geen propaganda voor een maatschappelijke instelling.

En op dezelfde wijze is de kader-gedachte een richtsnoer. Want al kan men in het algemeen wel vermoeden dat personen die bepaalde functies bekleden, bepaalde opvoeding hebben gehad, méér kans hebben tot de culturele kaders te behoren dan anderen, we hebben er reeds op gewezen, dat hier vaak sprake blijkt te zijn van een schijn-élite, dat specialisatie op één gebied de mensen vaak tot ‘massa’ maakt in cultureel opzicht, terwijl omgekeerd, natuurlijke begaafdheid, mensen met een massa-opvoeding en een massa-beroep tot cultuur-kader maakt. Daarom is ook hier het democratische criterium het enige dat gelden mag: tot het cultuur-kader behoort men alleen krachtens z'n prestaties, niet krachtens stand, graad of functie.

En met de massa staat het niet anders: tot de massa behoren zij die het culturele leven niet aankunnen of die er zich van afwenden omdat ze andere vreugden zoeken. Men is ‘massa’ door z'n capaciteiten of door z'n gebrek aan capaciteiten. Of men ‘massa’ is, blijkt door de wijze van leven en van optreden.

 

Bij een dergelijke conceptie van cultuur en maatschappij is de democratie een onmisbare atmosfeer. Zonder de mogelijkheid voor allen om zover te komen als hun aanleg het toelaat, zonder ook de voortdurende mogelijkheid van uiting, van critiek, van

[p. 259]

aanvechting en van ondersteuning der prestaties, is geen dynamische cultuur mogelijk. Wat dan weer meebrengt: die vrijheden van drukpers, vereniging en vergadering, van groeps- en partijvorming, van actie op alle gebieden, die de maatschappij en de cultuur voor verstening vrijwaren.

Aan die democratie zit dan onverbrekelijk vast, het waarborgen van een minimum-bestaan voor al de leden van de maatschappij, opdat niet, de rechten die men formeel bezit, door de honger of de bedreiging met honger, ongedaan worden gemaakt. Dat tegenover het recht op een minimumloon of -bestaan, ook de plicht tot een minimum-prestatie, voor allen die niet lichamelijk of geestelijk tot de non-valeurs behoren, komt te staan, ligt voor de hand.

Men kan hiertegen opmerken dat de toestand, waarbij gelijke rechten gegeven worden aan mensen van ongelijke capaciteiten, toch niet rechtvaardig is, en dat dus de democratie al te gemakkelijk in heerschappij van de massa der talentlozen kan ontaarden. Maar wie zo spreekt begrijpt de kern der democratie niet. Immers de democratie geeft niet allen gelijke rechten, doch allen een minimum-recht. Daarenboven geeft ze alle begaafden het recht van hun capaciteiten gebruik te maken en daardoor een grotere invloed en macht, en dus in feite een groter recht, te verkrijgen dan de onbegaafden. De democratie doet de ezel geen mogelijkheid aan de hand tot geniale zetten en het daaruit voortspruitende maatschappelijke prestige; ze verplicht het genie niet tot ezelachtigheid en tot de minimum-positie die hiervan het gevolg is. Democratie opent dus, voorzover enige regeling dit kan doen, de weg voor het tot gelding komen van capaciteit, talent en genie.

Op die wijze brengt ze, door botsing, wrijving, discussie, worsteling heen, een hiërarchie der capaciteiten tot stand, die ongetwijfeld niet volmaakt zal zijn, maar die dan ook voortdurend aangevochten en gewijzigd kan worden.

Daartegenover stelt het fascisme, stelt het bolsjewisme,, stelt iedere autoritaire hiërarchie van kerk of geloof, door z'n vaste, eens en voor al vastgestelde, reeks van waardeschattingen, een regeling die de pretentie heeft voor eeuwig te gelden, en die alleen maar juist zou kunnen zijn, als hij die ze had vastgesteld, God zélf was, een onfeilbare, alwetende voorzienigheid. Voorzover men noch Adolf Hitler (of Mussolini), noch Stalin (of Lenin of Marx), noch de Paus (of Thomas van Aquino), noch de Bijbel, als zodanig

[p. 260]

beschouwt, rest ons alleen het voortdurende zoeken en verbeteren, met de daarbij behorende risico's van dwalen, en fouten en ongelukken maken.

Vandaar dat de kern van de democratie is, dat ze ons herinnert aan onze voortdurende feilbaarheid, en dat ze waarschuwt, dat alleen voortdurende inspanning en wakkerheid, ons kan behoeden voor dwaling, verstening en verval.

 

Dit behoeft natuurlijk niet te betekenen, dat een aanvaarding van het democratisch beginsel, ook de aanvaarding van iedere democratische regeling, die vandaag bestaat, insluit. Integendeel, de aanvechtbaarheid van alle bestaande regelingen is in de democratie inbegrepen. Doch dit wil ook weer niet zeggen, dat men bereid behoeft te zijn, al het geschreeuw dat tegenwoordig tegen de democratie wordt aangeheven, ernstig te nemen.

Daar is, om een voorbeeld te noemen, het geschreeuw tegen het algemeen kiesrecht. Maar wat wil men dan eigenlijk? Wil men bepaalde groepen van de bevolking de mogelijkheid ontnemen zich met de openbare zaak te bemoeien, terwijl die zaak zich met allen en alles bemoeit? Zo ja, dan schept men een rechteloze massa, d.w.z. een vorm van slavernij, met al de gevaren van explosie en rotting die daaraan voor de maatschappij verbonden zijn. Zo neen, hoe meent men dan correctie te kunnen aanbrengen? Laten we de zaak eens ‘modern wetenschappelijk’ stellen. Wil men van de gehele bevolking de intelligentie quotienten vaststellen? Dat zou ongetwijfeld heel nuttig zijn. En dan? Stemmen geven naar verhouding tot de I.Q.'s? Maar welke verhouding? En welke waarborg heeft men dan, dat de lieden met hogere I.Q.'s, ook een behoorlijke tijd besteden aan studie van politieke en maatschappelijke, culturele aangelegenheden? Mijn ervaring is, dat men bij de meeste beroepsintellectuelen, op politiek, economisch en sociaal gebied, een domheid aantreft, zo groot, dat men de politiek georganiseerde arbeiders, relatief, als genieën zou kunnen beschouwen, ook al hebben die arbeiders dan gewoonlijk lagere I.Q.'s en al is men, zoals ik, er ver van verwijderd die arbeiders voor politieke genieën of zelfs maar talenten te houden. Maar ze hebben, op dit punt, een scholing die m'n vriend de arts of m'n vriend de wiskundeprofessor en ook m'n vriend de musicus of de litterator - overigens allemaal aardige jongens - missen. Wat dan? Een politiek examen? Volgens welke maatstaven en door

[p. 261]

wie af te nemen? We komen op die wijze alleen maar tot onzin of onmogelijkheden. En ik houd het dus maar met het zo aangevochten algemeen kiesrecht.

Ik houd mij er aan, omdat ik weet, dat er in feite géén gelijkheid bestaat van politieke rechten. Er is een minimumrecht: het algemeen kiesrecht. Maar daarenboven heeft, in de democratie, ieder die politieke capaciteiten heeft, het recht en de mogelijkheid invloed uit te oefenen op z'n medeburgers. En door die invloed, versterkt door organisaties, door vergaderingen, geschriften etc. etc. hebben sommige lieden de mogelijkheid een politieke invloed uit te oefenen die duizenden malen zo groot is, als die éne stem die zij, zoals ieder ander, uitbrengen. Op deze wijze werkt de hiërarchie van de politieke capaciteiten in de democratie, en daarom zijn alle bezwaren tegen het algemeen kiesrecht en tegen de democratische verkiezingen, zoals we die ook van fascistische kant horen, bij nadere beschouwing, zo bijna volkomen waardeloos.

 

Er wordt in onze tijd oneindig veel gepraat over de fouten en gebreken der democratie, maar in het algemeen slaagt men er niet in, de werkelijk aanwezige tekorten te ontdekken. Dat de democratie langzaam functionneert, is soms waar, maar het behoeft niet waar te zijn, en het is geen gevolg van het democratisch stelsel. Als er geen sterke druk is van uit de maatschappij, als de élites, de kaders, de massa's, niet door grote ideeën, sterke wil tot verandering of vernieuwing in een of andere richting bezield zijn, als er geen omvangrijke plannen en ingrijpende wetten voor het parlement komen, dan ligt het voor de hand, dat het parlement gezapig keuvelt over kleine dingen. Maar als de wil tot grote en snelle veranderingen in de maatschappij aanwezig is, dan krijgen we parlementen, die snel de voorstellen van bekwame en energieke regeringen verwerken en tot wet doen worden. Want dan hebben we in het land krachtige partijen, wier strijd tot principiële beslissingen leidt, wier overwinning de vorming van flinke en talentvolle regeringen tengevolge heeft. Niet de democratie was aan het sukkelen, in de periode van traagheid en kleinheid die we achter de rug hebben, maar er was verwarring bij de élite, moedeloosheid en verwildering bij het kader en de massa, en dus waren de resultaten op alle gebieden naar evenredigheid.

Klachten over de bureaucratie zijn vaak gegrond, maar ieder stelsel dat z'n bezieling, z'n stuwende kracht mist, brengt een

[p. 262]

bureaucratie voort - de bureaucratie der autocratische en despotische régimes is maar al te berucht.

Corruptie, is er in de democratische wereld ongetwijfeld, maar ze is er niet door, doch ondanks de democratie, ze is een gevolg van het halverwege blijven steken der democratie, zowel op economisch als op politiek terrein, ze is een gevolg van het verslappen van de echt democratische geest van critiek en onderzoek. En met dat al, is ze nog altijd vriendelijk en goedaardig in vergelijking met de corruptie die in systemen van willekeur, rechteloosheid en critiekloosheid, zoals het fascistische, het bolsjewistische etc. ontstaat... en verborgen blijft.

Een democratie, beweert men, is niet opgewassen tegen bijzondere omstandigheden, grote noden, dringende behoeften. Ze kan geen snelle doortastende maatregelen nemen, ze strompelt altijd achter de gebeurtenissen aan, ze is altijd defensief, nooit in de aanval. Dit alles zijn kenmerken van een verzwakte, een zieke, een ondergaande democratie - het zijn ook kenmerken van een autoritair of totalitair regime in z'n nadagen. En zelfs in z'n opkomst, kent de totalitaire staat, dictators met huilbuien en perioden van besluiteloosheid, die alleen daarom niet dodelijk zijn, omdat men aan de andere kant nog erger huilt en nog besluitelozer is. Maar een democratie heeft wel degelijk de mogelijkheid z'n regering de meest uitgebreide volmachten te geven voor een zekere periode en dus een energieke regering in staat te stellen alle krachten te concentreren op de actie die nodig is. Clemenceau en Lloyd George, tijdens de wereldoorlog, zijn voorbeelden van dictators binnen het raam der democratie. Franklin D. Roosevelt, in onze dagen, laat zien dat democratie en actie elkaar niet behoeven uit te sluiten.

Een democratie is niet van nature passief en defensief, ze is het zodra ze geen grote ideeën, geen sterke bezieling, geen geweldige plannen meer heeft, zodra ze niet meer ‘imperialistisch’ is.

 

En hier komen we opnieuw bij de grondfout der huidige democratie: ze is een democratie die teert op de ideeën, de bezieling, de energie der élites van het verleden; ze heeft thans geen élite, of ze luistert nog niet naar haar élite, ze meent nog maar al te vaak te kunnen volstaan met het tot middelmatigheid afgesleten verleden. Ze is niet in verval en verzwakt omdat ze democratie is, maar omdat ze een democratie is, die niet beseft, of nog niet be-

[p. 263]

seft, waarvoor ze in onze dagen moet vechten, wat haar bezielende kracht moet zijn; een democratie die zich zelf nog niet ziet als kampvechter voor een dynamische cultuur. Doch zelfs in die omstandigheden biedt de democratie nog de meeste mogelijkheden: tot inzicht komen in het bestaande tekort is alleen mogelijk in een democratie, in een sfeer van onderzoek, critiek, discussie, die in geen enkele andere maatschappij-vorm aanwezig is. Daarom geeft de democratie, en zij alleen, mogelijkheid tot regeneratie, tot een circulatie der élites. In een despotie volgt, op het sterven der élites, verrotting, waaraan alleen de totale ondergang van de maatschappij, veroorzaakt door krachten die van buiten komen, een einde maakt.

 

Intussen, de democratie, zoals ze hier beschreven werd, en zoals ze in werkelijkheid ook is, blijkt een heerschappij der élites en der kaders te zijn, een toestand die op verzet stuit bij de aanhangers ener absolute gelijkheid en bij de tegenstanders van elke heerschappij over mensen. Met het bekende marxistische uitvluchtje, dat in de klasseloze samenleving ‘de regering over mensen, plaats maakt voor de regeling van zaken’ zijn we natuurlijk niet geholpen, want iedere regeling van zaken is slechts mogelijk in de vorm van een heerschappij over mensen. En zo zouden we dus altijd ongelijkheid, altijd regeerders en geregeerden, altijd boven en beneden behouden. In naam van de ‘benedenste laag’ wordt hiertegen geprotesteerd door mensen, die zelf natuurlijk tot het kader of tot de élite behoren, maar wier hart vol is van deernis voor de onderliggenden, en van afkeer voor alle heersers, omdat heersen ‘onzedelijk’ zou zijn.

Een dergelijke opvatting kunnen wij niet delen: als heersen onzedelijk is, dan is alle leven onzedelijk, want leven is een vorm van beheersen der omgeving. En dan zouden Schopenhauer en Boeddha gelijk hebben, voor wie eerst met het uitblussen van de levenswil, met het ingaan in Nirwana, de ware gelukzaligheid intreedt. Voor allen, die niet de gelukzaligheid, maar het leven, met z'n tragedie en z'n komedie, met z'n verheven, z'n lage en z'n belachelijke kanten het belangwekkendst vinden, d.w.z. voor alle mensen, Schopenhauer en Boeddha inbegrepen, (die zonder het leven geen verheerlijking van het verzinken in het niet hadden kunnen geven), is het leven een uitgangspunt en niet een zedelijkheid of onzedelijkheid. En het heersen kan dan uitsluitend be-

[p. 264]

oordeeld worden naar z'n inhoud, niet naar z'n overal in de mensen-wereld te constateren aanwezigheid.

We zouden alleen de stelling kunnen onderzoeken van die consequente anarchisten, die, zoals de Amerikaan Max Nomad1), verkondigen dat iedere heerschappij in het verleden een onderdrukking van de ‘onderste lagen’ der maatschappij geweest is, en dat iedere heerschappij in de toekomst (ook een heerschappij van syndicalisten en anarchisten) hetzelfde zal zijn, zodat ons slechts rest, de eeuwige opstand, de ‘permanente revolutie’, te prediken en de onderste lagen aan te sporen iedere regering omver te werpen. Tegenover deze opvatting staat het feit, dat ‘revoluties’ hun oorsprong nooit hebben in de onderste, doch uitsluitend in de bovenste lagen van de maatschappij. Proletariaten, onderdrukten, slaven, armen of massa's, zijn hulptroepen in de revoluties, wier. leidende krachten uit de kaders en de élites komen. Revoluties komen alleen voor, als de conflicten die tussen groepen van élite en kader ontstaan, slechts op gewelddadige wijze opgelost kunnen worden, d.w.z. als er geen democratie is, of een schijndemocratie. Maar hoe zouden de onderste lagen, zonder hulp van boven, in staat zijn tot meer dan slavenopstanden zonder enig uitzicht? Trouwens, het gevoel van onderdrukt te zijn, kan de onderste lagen alleen maar door de kaders en élites bijgebracht worden - en de geschiedenis bewijst hoe moeilijk het is de onderdrukten te doen beseffen, dàt ze onderdrukten zijn. Anders gezegd: ontevredenheid is geen vanzelfsprekende toestand aan de basis der maatschappij, en alle theorieën, die er van uitgaan dat de ontevredenheid der massa's de bewegende kracht in de geschiedenis is, berusten op een verkeerd inzicht, Juist omdat de massa's zo gemakkelijk tot tevredenheid te brengen zijn, hebben zelfs despotische regimes zo'n taai leven, ook nog als het lot der massa's er meer dan afschuwelijk is.

 

Maar is het noodzakelijk dat de massa in een materiële noodtoestand verkeert? De materiële nood der massa is immers het uitgangspunt van al die betogen over de onvermijdelijkheid der ‘permanente revolutie’. Hiertegenover plaatsen wij het feit, dat, bij een bepaalde stand der techniek, inderdaad de misère der massa een bijna niet te vermijden toestand is. Bijna niet te vermijden,

[p. 265]

omdat het tegendeel een zodanig gevoel voor rechtvaardigheid, een zodanige afwezigheid van ijdelheid en praalzucht bij de heersers zou veronderstellen, dat we die van mensen niet kunnen verwachten. En zelfs dàn zou het nog de vraag zijn, of, bij een primitieve techniek, cultuur mogelijk is, anders dan ten koste van de ontbering der massa.

Doch de technische capaciteiten van de Westerse beschaving, maken het probleem van de armoede ten onzent niet alleen tot een oplosbaar, doch zelfs tot een gemakkelijk oplosbaar probleem.

Wij zijn in staat, als we die organisatie van de materiële cultuur in de collectieve sfeer, waarover hier reeds geschreven werd, energiek ter hand te nemen, alle mensen een minimum bestaan te waarborgen, en daardoor niet slechts de volledige grondslag der democratie tot stand te brengen, maar ook alle materiële factoren die tot een ‘opstand der horden’ zouden kunnen leiden, voorgoed te elimineren.

Over blijven dan de culturele factoren, die zo'n opstand mogelijk zouden kunnen maken. Deze kwestie hebben we reeds ten dele onder het oog gezien, toen we de opvoedingstaak bespraken die de élite en de kaders hebben te volbrengen. De andere kant ervan houdt direct verband met wat we over de ‘permanente revolutie’ schreven. Ze is deze, dat de massa juist daarom ‘massa’ is, omdat zij geen verder gaande behoeften heeft (en geen verder gaande behoeften heeft; omdat ze geen verder gaande capaciteiten heeft), dan een regelmatig, veilig, beschut bestaan, het uitoefenen van de een of andere eenvoudige werkzaamheid, en het bezitten van voldoende vrije tijd om die in het gezin, of met allerlei liefhebberijen en genoegens te kunnen besteden. Een samenleving, die haar massa's, dát weet te. verschaffen, en onze samenleving is er toe in staat, behoeft geen opstanden van de ‘onderste lagen’ meer te vrezen.

Hiermee is tevens het karakter van de massa bepaald.

Massa is, wie door z'n capaciteiten en z'n behoeften, bij de minimum-prestaties en de bescheiden verlangens thuis behoort. Of men massa is, blijkt uit wat men tot stand brengt en uit wat men aspireert. Wie tevreden is met wat de collectieve sfeer te bieden heeft, is massa. En dat is opzichzelf even respectabel, als de hogere capaciteiten en de hogere aspiraties - het is namelijk een feit. Men kan nu nog den beruchten man ten tonele voeren, die niets

[p. 266]

presteert en enorm veel eist. Welnu, die man bestaat niet. Hij is eenvoudig iemand die wél wat presteert, doch die z'n juiste functie niet gevonden heeft. De man ‘met de grote bek’ maar ‘die niets kan’ is in werkelijkheid een man die wèl wat kan, maar voor wie een maatschappij ‘die niets kan’, noch de opvoedingskansen, noch de prestatie-kansen heeft weten te scheppen. Men zou bijv. Adolf Hitler twintig jaar geleden bij de ‘niets-kunners’ hebben geplaatst, en er zijn nu nog altijd ‘intellectuelen’ die dat doen. Ik beweer dat die ‘intellectuelen’ ongelooflijk stompzinnig zijn, en dat Hitler een man is met zeer bijzondere capaciteiten, eenman die in een goed functionnerende maatschappij een plaats in de hogere kaders zou hebben ingenomen en belangrijk werk zou hebben kunnen doen. Het was de maatschappij, die Hitler geen andere kans gaf, dan die van leider der fascisten, en die op deze wijze boet voor eigen fouten.

Tenslotte, het geval nemend van den volslagen onbekwamen demagoog in een goed functionerende maatschappij - wie zou hij door z'n op niets berustende demagogie in beweging kunnen brengen? De tevreden massa's, de bekwame, door hun grootse taak in beslag genomen kaders, de verheven en wijze élites? Niemand immers! Hem zou alleen de zelfmoord of het gekkenhuis resten.

 

Maar, zo zal men wellicht opmerken, waar blijft in een dergelijke maatschappij, met tevreden massa's, die ontevredenheid met het bereikte, die dan toch de stuwende kracht der maatschappij is, die haar belet tot een domme, goed werkende, machine te worden, die haar belet te verstenen en in te slapen. Een maatschappij zonder ontevredenheid, dat zou inderdaad het einde aller dingen zijn. Maar wie beweert dat die ontevredenheid van de massa moet of kan komen? De werkelijke ontevredenheid, we zeiden het reeds, komt van de élites. Die ontevredenheid is inhaerent aan de cultuur, aan het besef van ‘het leven in het raadsel’, het is de ontevredenheid met het antwoord op de ‘open vraag’. En die ontevredenheid plant zich voort door de kaders en bereikt de massa's en vernieuwt en beweegt de maatschappij.

Er behoeft dus geen vrees te bestaan voor stilstand en zelfgenoegzaamheid in een wereld die elites heeft, een wereld die een dynamische cultuur bezit.

Waar evenwel op gewezen moet worden, dat is dat we in onze wereld te maken hebben, zowel met een massa die vaste normen

[p. 267]

wil, die rust en zekerheid en stilstand verlangt, als met een élite die steeds nieuwe normen stelt. Juist daarom is er in de maatschappij plaats, én voor collectivisme, én voor individualisme, én voor de kaders die de nieuwe normen naar het collectivisme overbrengen, en die de collectiviteiten tot beweging, tot aanpassing aan nieuwe normen weten te brengen. Maar niet alleen deze taak, verbinding te zijn tussen de élite en de massa, hebben ze. Ook omgekeerd zijn zij verbinding tussen de collectiviteit en de individuele sfeer, brengen ze de bezwaren, protesten, wensen van de collectiviteiten over, en voorkomen daardoor dat de élites ‘ontworteld’ worden, de ene geniale inval op de andere stapelen en de levensvatbaarheid van hun invallen weigeren te onderzoeken. Zij dwingen de élites tot matiging en ze zijn dus een belangrijk element in die wapening der gematigden, die voorkomt dat het extremisme, van een stuwende, tot een vernietigende kracht zou worden.

In onze tijd, nu we niet alleen met een extremisme aan de top te maken hebben - integendeel, onze crisis bestaat juist in een onderdrukking der elites en in een te geringe stuwkracht aan de top - doch juist met een extremisme aan de basis der maatschappij, is hun taak juist in hoofdzaak de strijd tegen dat extremisme, maar dat mag ons niet beletten om in te zien dat, in de toekomst, hun taak veel meer zal liggen in de strijd tegen het conservatisme der massa's, dan tegen hun extremisme. Op het ogenblik is, wat conservatief behoort te zijn, extremistisch, en wat dynamisch behoort te zijn - en daardoor neiging heeft tot extremisme - conservatief. Maar nogmaals, dit is een crisistoestand. En die crisistoestand kan eerst eindigen als men haar als zodanig ziet.

 

Uit dit alles volgt dus dat een maatschappelijke orde mogelijk is, zonder ellende, verrotting en uitbarstingen in de onderste lagen, zonder bandeloosheid, willekeur en tyrannie in de bovenste lagen, een maatschappij die de grote betekenis van matiging en gematigdheid beseft, zonder als geheel het juk der middelmatigheid te aanvaarden. Het harmonische is niet het middelmatige, maar de vereniging van het geniale en de matiging.

In de sfeer van het individuele blijft natuurlijk de tragedie bestaan, in velerlei vormen, zowel voor de gewone mens als voor het genie. Een wereld zonder persoonlijk leed, zonder teleurstellingen,

[p. 268]

ontgoochelingen, smarten, verlangens die niet in vervulling gaan, weerstanden die niet overwonnen kunnen worden, krachten die te kort schieten - zo'n wereld is een onmogelijkheid. En dat is goed ook, want als ze mogelijk werd zou ze een wereld zonder stimulans en zonder beweging, een middelmatige wereld zijn. Maar wat in de sfeer van het individuele onmogelijk en ongewenst is, dat is in de sfeer van het collectieve wel degelijk mogelijk en ook wenselijk. Een genie is altijd een explosie en een tragedie, maar een genie is een individu, en ook wat de oppervlakkige waarnemers het harmonische genie noemen, (bijv. Goethe of Einstein), blijkt, bij nadere beschouwing, uit een reeks van overwinningen, maar ook van nederlagen te bestaan.

Een maatschappij echter is niet ‘geniaal’ of ‘middelmatig’ - ze is goed of slecht georganiseerd. En als ze goed georganiseerd en dus gematigd is, dan houdt dat in, dat ze ruimte biedt voor gewone, bekwame en geniale mensen, en dat ze van hun aller krachten gebruik weet te maken, om telkens weer, door de werking van élite, kader en massa, een evenwicht tot stand te brengen, telkens weer een kunstmatige toestand van harmonie, een kunstwerk op maatschappelijk gebied te scheppen.

‘Telkens weer’, want de opvatting van een maatschappelijke organisatie die voor goed klaar is, die niet voortdurend veranderd moet worden, die niet voortdurend door grotere of kleinere groepen als onvolmaakt, drukkend, knellend gevoeld wordt, is een kinderachtige utopisterij. Ook in een goede organisatie zal strijd, en scherpe strijd moeten blijven, en de gematigden zullen altijd gewapend moeten blijven om te voorkomen, dat die strijd de grenzen van het ‘scherpe’ overschrijdt, en dat ze tot extremisme, tot catastrophe, wordt.

Wat mogelijk is, dat is, dat door een goede maatschappelijke organisatie, door democratie en planmatigheid, zoveel wrijvingsvlakken worden weggenomen, dat de collectieve sfeer minder energie verbruikt, en dat er dus een grotere hoeveelheid energie overblijft voor de individuele sfeer, voor de volheid en de intensiteit van het leven, en dat men bovendien, met wat in de collectieve sfeer aan energie aanwezig is, constructief werk kan verrichten, de wereld overdekken met werken van schoonheid, gezondheid, met alles wat de volkskracht versterkt.

Dit alles zal evenwel eerst mogelijk zijn, als in de élites zèlf, de zin voor matiging, compromis, harmonie versterkt wordt. Er zijn

[p. 269]

genieën van de matiging, van het compromis, van de harmonie mogelijk. In de maatschappelijke sfeer hebben de Engelse staatslieden heel wat ha die geest gepresteerd, en de Engelse maatschappij is er steviger en rijker aan uitingsmogelijkheden door geworden, de Engelse cultuur is veel dieper en belangrijker dan de Duitse van voor Hitler - na Hitler heeft men in Duitsland, zoals reeds vaker hier gezegd werd, nog slechts cultuur-restanten - al hebben dan de Duitsers ook altijd het hoogste woord gehad. Een genie van het compromis op maatschappelijk gebied is een van de behoeften van onze tijd. Lenin zou zo iemand geweest zijn, als hij niet bezeten was geweest door het marxistisch-proletarische dogma; Franklin Roosevelt zou het zijn, indien z'n kennis van de maatschappij omvangrijker en dieper was. Maar hun verschijnen bewijst, dat er in die richting verdere mogelijkheden liggen en dat het dus zin heeft over de noodzakelijkheid van gematigde élite-mensen te spreken.

 

Een wapening der gematigden, zal zich in de eerste plaats richten, tegen de twee catastrofale verschijnselen bij uitnemendheid - op maatschappelijk gebied - de oorlog en de revolutie.

In beide gevallen betekent gematigdheid natuurlijk niet dat men z'n vertrouwen stelt in dierbare woorden, in ‘morele herbewapening’ of andere bovennatuurlijke dingen, wier uitwerking men dan vermoedelijk ook alleen in een bovennatuurlijke sfeer zal bemerken, aangezien er hier op aarde nooit iets van te bespeuren valt. De geestelijk herbewapende lieden van het type Chamberlain Halifax, Baldwin, Runciman en Lansbury, zijn in de praktijk de ergste handlangers van het fascisme geweest.

De revolutie is alleen uit te schakelen door een sterke beweging voor een democratische en geplande maatschappij, een beweging die er in slaagt, in een vrij snel tempo, stukken van haar program te realiseren, en zo te komen tot de ‘verlossing uit het proletariaat’ van de groepen die thans in het proletariaat, d.w.z. in ontbering en bestaansonzekerheid, verkeren. Een democratische staatsinrichting, een georganiseerde economie, en een wettelijk gewaarborgd minimum-inkomen voor alle staatsburgers, dat zijn de drie zuilen die een revolutie-vrije maatschappij dragen.

En terwijl men bezig is deze zuilen op te richten, dient tevens gestreden te worden - met alle kracht en zonder concessies, tegen de pogingen om, door relletjes en stakingen, een chaotische toe-

[p. 270]

stand te doen ontstaan, uit welker troebelheden sommige groepen van ‘proletariërs’ wellicht een visje naar boven zouden kunnen halen. Het verzet tegen de ‘spontane volksbewegingen’ d.w.z. tegen alles wat een chaos kan doen ontstaan, tegen iedere heerschappij of doorbraak der primitieve instincten, is de eerste voorwaarde om te komen tot georganiseerde bewegingen, die zichzelf en de maatschappij beheersen, die een ‘wapening der gematigden’ zijn en die daarom ook iets blijvends en stevigs tot stand kunnen brengen: een positieve en constructieve welvaartspolitiek. Het typisch voorbeeld van ‘spontane volksbewegingen’, die dodelijk zijn voor een welvaartspolitiek, zijn de fabrieksbezettingen en stakingsgolven die in Frankrijk, na de verkiezingsoverwinning van het Volksfront, aan de orde waren, en onder wier bedreiging sociale wetten tot stand kwamen, in een tempo dat de economische structuur van het land in een chaotische toestand bracht, terwijl bovendien het optreden der arbeiders, door zijn politieke chantage, een voorbode scheen te zijn van de ‘dictatuur van het proletariaat’ en van de volkomen verachting voor het niet-proletarische deel der bevolking, met het gevolg dat alles wat zich niet wilde laten verproletariseren, tegen dit soort socialisme in 't geweer moest komen. In Frankrijk begon dezelfde stemming te heersen, die in Italië na de fabrieksbezetting had bestaan, en die in Duitsland, door de arbeideristische bedreiging, de groei van het fascisme heeft bevorderd. De verzwakking van Frankrijk en de versterking van het Duitse fascisme zijn het eindresultaat geweest.

Het zal zaak zijn, ook in de toekomst, dit arbeiders-extremisme krachtig te bestrijden. In de toekomst, want thans zijn de arbeiders, uit vrees voor het fascisme, nagenoeg overal en over de gehele linie tot matiging gekomen. Maar bij een nederlaag van het fascisme, is er weer grote kans op een ‘nieuwe revolutionaire golf,’ en een golf van arbeiders-extremisme. Gelukt het niet, dit extremisme te bedwingen en de ‘revolutie’ af te wenden door een sterke politiek van ‘matiging’ (een progressieve politiek dus), dan krijgen wij óf een heerschappij van het bolsjewisme, d.w.z. van het proletarische fascisme, óf, na een zekere tijd, een herleving van het fascisme der middengroepen. Daarom is een wapening der gematigden zo nodig.

 

De andere onverzoenlijke vijand van een gematigde, een culturele,