Nu we hebben gezien waarom het fascisme in de naoorlogse wereld kon ontstaan, in hoever het een product is van onze fouten en gebreken, en meer nog van ons gebrek aan deugden, en in hoever het iets dankt aan eigen deugden en meer nog aan eigen vulgariteit, in hoever het z'n uitgangspunt vindt in gerechtvaardigde protesten tegen een slechte werkelijkheid en nog slechtere strekkingen, en in hoever het dit gerechtvaardigde protest in een gevaarlijke waanzin wist te doen verkeren; nu we gezien hebben hoe deze syncretistische beweging tot een macht kon worden, en hoe ze tenslotte, niet uit eigen kracht, maar door zwakte, verdeeldheid en kortzichtigheid der tegenstanders, en met behulp van bekrompen, kortzichtige, conservatieve en reactionaire bondgenoten - valse spelers, die door nog grotere meesters in het vals spelen bedrogen zullen worden - de macht in handen krijgt; nu moeten we onderzoeken hoe dit fascisme z'n macht weet te gebruiken, weet te consolideren, en in hoever er mogelijkheden bestaan, dat dit fascisme zou kunnen verdwijnen, door krachten die zich in de fascistische maatschappij ontwikkelen.
Het is bekend genoeg dat het fascisme, zodra het in de gelegenheid is om de regeringsmacht te gebruiken, de regeringsmachine door z'n eigen mensen laat controleren en bezetten, zonder daarbij ook maar het kleinste onderdeel te verwaarlozen. Het fascisme voelt zich niet veilig, zolang ook het kleinste ambtenaartje niet òf fascist is, of in ieder van z'n bewegingen door lieden die fascist zijn, of hun lot met dat van het fascisme verbinden, gecontroleerd wordt. Maar niet alleen moet het oude regeerapparaat geheel en al door fascisten bezet zijn, doch dit apparaat wordt ontzaglijk vergroot, zodat er na enige tijd geen onderdeeltje van de maatschappij meer bestaat, of het wordt door de fascisten gecontroleerd en gedwongen zich te richten en te bewegen naar de wil van
de heersers. Naast het oude staatsapparaat, of juister, in het verlengde ervan en in de poriën ervan, op alle terreinen die het oude apparaat niet bestreek, ongemoeid liet, komt een nieuw apparaat, niet los staand van het oude, maar er uit voortspruitend, er doorheen en mee samengevlochten, zodat het totaal een netwerk van ongekende dichtheid en stevigheid wordt: het regeringsapparaat van de totalitaire staat.
Totalitair wordt die staat, niet alleen omdat ze zich met alles, met iedere levensuiting, met de politiek en de economie, met de opvoeding en met de kunst, met de filosofie, het recht, de religie, de moraal, het gezinsleven, het sexuele leven, de sport, het gebruik van de vrije tijd, werkelijk met alles, bemoeit. Dat is al verschrikkelijk genoeg en dat zou reeds voldoende zijn om het leven in zo'n staat ondragelijk te maken voor allen die op bepaalde gebieden zelf iets presteren, en die op dat gebied dus geen lesjes, laat staan bevelen, van de staat nodig hebben. Maar werkelijk totalitair wordt een staat eerst, als ze niet alleen zich met alles bemoeit, maar ook iedere andere bemoeiïng belet, als ze het monopolie van bemoeiïngen, het monopolie van levensuiting heeft.
Het fascisme roeit alle politieke organisaties, behalve de fascistische partij, met wortel en tak uit; z'n concentratiekampen zijn vol met actieve tegenstanders van het régime. Het heeft begrepen dat men politieke partijen kan vernietigen, door ze niet alleen iedere bewegingsmogelijkheid - vereniging, vergadering, drukpers - te ontnemen, en iedere propaganda of meningsuiting te beletten en verder nog te straffen met opsluiting of met doodvonnissen, doch door bovendien nog de leiding en het kader dier partijen, alle actieve elementen, op te sluiten of om te brengen. Het weet, dat het op die wijze niet alleen de organisaties vernietigt, maar ook de ‘geest’ van z'n tegenstanders. Want wat is een ‘geest’, als ze geen ‘lichaam’ meer heeft, geen lichaam kan vinden, als iedere poging tot materialisatie van de geest, direct ontdekt en vernietigd wordt? "Wat is een geest, als die geest zich niet openbaren kan, als mensen nog wel ‘anders’ kunnen denken, maar als geen twee mensen elkaar meer in het oor durven fluisteren dàt ze anders denken, niet in een partij, niet in een vakvereniging, in een fabriek, op een kantoor, een laboratorium, een magazijn, niet in een sportvereniging, in een reisgezelschap, een liefhebberij-orkest, zangvereniging, leesclub, niet in een café, op een wandeling, of in de huiskamer - omdat er altijd iemand
luisteren kan, die een aanhanger van het régime is, omdat niemand meer te vertrouwen is, geen man, geen vrouw, geen land. De mens is een sociaal wezen, de mensengeest is sociaal, ontstaat sociaal, plant zich sociaal voort. Ontneem hem iedere sociale mogelijkheid en ge houdt niets over, dan, gedurende nog één generatie, een aantal eenzamen die geestelijk verhongeren en uitdrogen. In de volgende generatie nog een paar zonderlingen. Dan, niets meer. De geest is onsterfelijk, de geest overwint - dat zijn liberale waarheden. In een liberale maatschappij, kan niets op den duur de geest weerstaan, omdat de geest, indien hij politiek onderdrukt wordt, duizend maatschappelijke schuilplaatsen en groeiplaatsen vindt, in het dagelijks leven, in het intieme verkeer, in het culturele verkeer, in de economie. En van uit die schuilplaatsen komt hij weer naar de openbaarheid, naar de politiek. Maar in een totalitaire staat is met ieder van die duizend mogelijkheden rekening gehouden. Die staat is juist totalitair, omdat hij in ieder van die duizend ‘schuilhoeken’ binnentreedt, z'n macht vestigt en als een speurhond achter de ‘vrije geest’ aanrent, hem inhaalt en de strot afbijt - niet van de ‘geest’, maar van de mensen die de dragers van die geest zijn. De ‘geest’, dat zijn mensen. En het fascisme - net als het andere moderne totalitarisme, het stalinisme, - vernietigt die mensen. Waarna de geest de aarde verlaat en tot God terugkeert, als men met alle geweld de fictie van de ‘onsterfelijke geest’ wil handhaven. Het fascisme, zo zou men, in de bij deze fictie behorende terminologie, kunnen zeggen, kan de geest niet vernietigen, maar wel, van deze aarde verdrijven. Wat naar onze mening op hetzelfde neerkomt.
In dit opzicht nu heeft het moderne totalitarisme iets ‘nieuws’ gebracht, waardoor het zich van de oude despotismen onderscheidt. Het nieuwe zit hierin, dat het despotisme wel naar hetzelfde streefde (de onderdrukking van iedere oppositie), maar het niet kon bereiken, omdat het noch over het inzicht in de maatschappij, noch vooral over de techniek der onderdrukking beschikte, die bolsjewisme-stalinisme en fascisme bezitten en gebruiken.
De oude despotismen wisten meestal niet, dat het gebied van de economie een schuilplaats en een krachtcentrum voor rebellen zou kunnen worden. Zij meenden heel verstandig te zijn, als ze kooplieden en fabrikanten rijk lieten worden en ze van tijd tot
tijd zware belastingen lieten betalen of uitschudden. Ze begrepen niet, dat daardoor een wereld bleef bestaan, naast hun eigen politieke wereld, een wereld waarin de verzetgeest kon leven en groeien. Ze wisten ook niet, dat zij, in hun praalzucht en ijdelheid ‘kunsten en wetenschappen’ beschermend, en verheugd als ze kunstenaars en geleerden tot lippendienst konden bewegen of dwingen, dat ze dan voldoende overlieten van het rijk der cultuur, om hun vijanden een levens- en groeikans te geven. Ze wisten niet, als ze de religie gebruikten om de heiligheid van hun gezag te doen verkondigen, dat die religie óók elementen bevatte, die een bijdrage tot de verzetgeest vormden. Ze waren zélf bevangen in een eerbied voor de geest, die tot aarzelingen moest voeren zodra ze met religie, met kunst, met wetenschap te maken hadden.
Ze waren op die gebieden slechts halve despoten, geen totalitaire despoten. Ze hadden ook een zekere eerbied voor de bestaande moraal, zeden en gebruiken, die er toe leidde dat hun bemoeiïngen met het dagelijks leven, met het gezin, slechts incidenteel, niet voortgezet en systematisch en totaal waren. Ze waren bovendien meestal militairen, die geen begrip hadden van de betekenis der economie, en die niet in staat waren tot een ononderbroken bemoeiïng op dit gebied.
Maar zelfs als ze het inzicht hadden bezeten, dat onze moderne totalitairen hebben, als ze bevrijd waren geweest van hun eerbied voor het geestelijke, zoals dat met onze moderne despoten het geval is, dan nog zouden ze niet over de technische middelen beschikt hebben, om een enigszins uitgestrekt gebied op deze wijze te beheersen.
Een régime dat nog het meest overeenkomt met het moderne totalitarisme, had men in Sparta, d.w.z. op provinciale schaal. Daar was het gehele leven, ook de economie, ook de consumptie, ook de betrekkingen tussen personen, ook de cultuur (voor zover aanwezig), aan vaste regels onderworpen, die voor allen golden, en die de consolidatie der bestaande toestanden en de militaire sterkte van de staat beoogden. Dit totalitair régime gold echter alleen voor de heersende klasse, en het was dus niet een stelsel dat zich over de gehele bevolking uitstrekte. De slaven en de halfvrije boeren werden niet volgens totalitaire, maar volgens gewone despotische methoden geregeerd, zij het dan ook dat de totalitaire
groep wat meer eenvormigheid in de onderdrukkingsmethoden legde dan elders het geval was.
Dit hele provinciale staatje echter was zo klein, dat het gemakkelijk van uit het centrum overzien kon worden. En toch was het totalitarisme, (getemperd door de algemeen geldende Griekse tradities en religieuze opvattingen, die voor de leden der herenklasse iets van de vrijheden lieten bestaan welke in de primitieve democratie van barbaren-stammen aanwezig zijn), alleen maar mogelijk, op een armzalige agrarische grondslag, ten koste van alle comfort, verfijning en cultuur. Toen Sparta, zijns ondanks, een wereldmacht werd, bleek het stelsel onhoudbaar, niet toe te passen op grotere schaal. En Sparta verloor eerst z'n wereldpositie, om daarna te verschrompelen en roemloos onder te gaan. Maar behalve Sparta, kent men geen despotisme, dat zó tot in onderdelen georganiseerd was, dat men het met een totalitair régime zou kunnen vergelijken. Men kent in het verleden wèl hiërarchieën, zoals de Egyptische, die sterk gereglementeerd waren, maar hier hebben we, een in de loop der eeuwen gegroeid despotisme, waarin het volk allengs z'n vrijheid verloren heeft, en aan vrijheid verliest wat het aan georganiseerde religie wint. Maar ook hier kan men zich bepalen tot een globale heerschappij over de massa, de Godsdienst zorgt voor heerschappij over de geesten; en de tevredenheid van de massa blijkt gemakkelijk te bewaren - ontbreekt ze een enkele keer dan is geweld gemakkelijk toe te passen. De vrijheid is langzaam ingesluimerd. Wellicht hebben we hier een toestand die enigszins vergelijkbaar is met wat wij zouden krijgen na vele generaties fascistische heerschappij. Met dit verschil, dat de Egyptische maatschappij, zowel voor de heersende als voor de onderdrukte klassen, een grotere mate van individuele bewegingsvrijheid kent, dan de totalitaire systemen geven. Wat ons in de totalitaire systemen het eerst treft, is hun capaciteit in het onderdrukken van opstandige, naar vrijheid verlangende bewegingen, en in dit opzicht zijn zij niet te vergelijken met een systeem als het Egyptische, waarin van opstandigheid niets te bemerken valt, omdat het eerst in de historie treedt, als de vaste ordening reeds verkregen is.
We moeten daarom voor het zoeken naar een analogie, later gevormde rijken nemen, de rijken der Assyriërs, Perzen, die van de Hellenistische en de Romeinse periode, de absolute monarchieën van latere tijden, van Byzantium tot het Tsarenrijk.
Hier zien we, dat geen enkel machtsapparaat er in slaagt dergelijke rijken volkomen te beheersen. Iedere despotie werkt - zolang ze nog krachtig is - als een grove zeef, die alle grote stukken verzet opvangt en tegenhoudt; maar zolang het verzet fijner is, kan men het niet ontdekken, niet opsporen. Ieder rijk heeft z'n bijna ontoegankelijke gebieden, bergen, wouden, moerassen, woestijnen, die een wijkplaats bieden; alle grote steden hebben wijken, die niet in alle finesses kunnen worden gecontroleerd; hier is het een kasteel van een edelman, daar een hoeve, ginds een klooster, elders een universiteit, die een zekere mate van toevlucht en veiligheid bieden voor mensen met afwijkende meningen. Een apparaat, uitgebreid genoeg om alles te controleren en te onderzoeken, is voor geen enkele staat te dragen, het zou de inkomsten van de grootste rijken verteren, want de productie is nog te weinig ontwikkeld om zulke lasten te kunnen dragen. Grote groepen der bevolking staan onverschillig of vijandig tegenover de heersers, en omringen de vijanden van het régime met een sfeer van welwillendheid en hulp. De heersers en hun trawanten stuiten overal op vijandigheid of lijdelijk verzet. En al is dit alles niet voldoende om een régime ten val te brengen, het is voldoende om een leven naast het régime mogelijk te maken: de ‘geest van verzet’ kan blijven leven in de talloze ‘niemandslanden’ der maatschappij, wachtend op betere tijden.
Hoe kan men in een maatschappij, die geen grotere snelheid kent dan het paard, een uitgestrekt rijk tot in alle uithoeken contrôleren; hoe kan een betrekkelijk klein corps van bureaucraten alles nagaan wat in de huizen en in de binnenkamers geschiedt? Als men er niet in slaagt de gehele bevolking, door een algemeen aanvaarde ideologie, tot instemming met de bestaande toestanden te bewegen, en dit is, behalve in Egypte en tot op zekere hoogte in China, nergens het geval geweest, is de maatschappij oncontrôleerbaar.
Later, als de techniek zich ontwikkelt, de arbeid productiever wordt, kan het regeringsapparaat uitgebreid worden en is de contrôleringstechniek verfijnder. Maar juist die technisch-industriële ontwikkeling vindt plaats onder voorwaarden die een grotere individuele vrijheid nodig maken, onder voorwaarden die tot een kapitalistische maatschappij leiden.
En nu staan de regeringen voor deze moeilijkheid: als ze hun druk op de maatschappij vergroten, maken ze de kapitalistische ont-
wikkeling onmogelijk, en zonder die ontwikkeling kunnen ze geen goed functionerend contrôle-apparaat in stand houden. Ze moeten dus het kapitalisme een zekere armslag geven, maar daardoor moeten ze tevens de opstandige ‘geest’ levensmogelijkheden geven. Het Tsaristisch Rusland is het sprekende voorbeeld van een dergelijke toestand1). En hier zagen we, dat in een maatschappij met kapitalistische structuur, ondanks spoorwegen, telefoon, auto's, telegraaf e.d., geen volledige controle van een ontevreden volk mogelijk is.
Eerst de Bolsjewiki hebben het probleem der ‘volledige contrôle’ - een andere uitdrukking voor ‘permanente en tot in alle onderdelen georganiseerde terreur’ - nagenoeg opgelost. Daarvoor was nodig:
1e. Dat de heersende groep over een tamelijk grote actieve aanhang in het volk beschikt, een ‘partij’ die de regering met geestdrift en hartstocht helpt bij het opsporen van gevaarlijke elementen. De despotieën van vroeger moesten dit werk doen, met een kleine heersende kaste plus betaalde helpers; thans is de heersende kaste groter, het aantal betaalde helpers kan groter zijn, en hierbij komen dan nog de talrijke vrijwilligers.
2e. Moet de heersende groep, door middel van de staat, het economische leven volkomen beheersen en contrôleren. Zonder dergelijke maatregelen is men steeds afhankelijk van de meesters der economie, men moet deze bepaalde vrijheden geven, en zo blijft de toestand bestaan van een despotie met vrije eilanden, van welke vrijheid dan de ontevredenen gebruik kunnen maken. Zonder uitbreiding van het collectivisme tot in de economische sector is geen volledige contrôle mogelijk. Tegelijkertijd moet de contrôle over de andere sectoren versterkt worden.
Dit brengt ons bij 3e. De toepassing van alle hulpmiddelen der moderne techniek in het onderdrukkingsapparaat, zodat het beheerste gebied vrijwel volkomen van de buitenwereld wordt afgesneden, terwijl iedere sector ervan systematisch onderzocht kan worden. Alle ongewenste elementen kunnen verwijderd, zo nodig gedood of in gevangenissen opgesloten, in andere gevallen
in concentratiekampen worden geïsoleerd. Vooral het concentratiekamp geeft de mogelijkheid, grote aantallen onschadelijk te maken, en ze bovendien nog bepaalde werkzaamheden in dienst van het régime te laten verrichten (aanleg van wegen, kanalen, versterkingen e.d.), waardoor de gevangenen in staatsslaven worden veranderd en productief zijn. De behandeling der gevangenen in de concentratiekampen, is dan van dien aard, dat de terugkerenden bijna steeds geestelijk en lichamelijk gebroken zijn, zodat ze dus een waarschuwing vormen voor allen die neiging tot verzet hebben. Daardoor en door de geruchten die uit de concentratiekampen naar buiten komen, zijn deze een voortdurende aansporing tot gehoorzaamheid en onderwerping.
Doch dit alles is nog maar één kant van de werkzaamheid der moderne despotie, de negatieve kant.
Veel belangrijker is de positieve kant, de voortdurende beïnvloeding der bevolking door de heersers.
Terwijl dus aan de ene kant, het gebied van de buitenwereld wordt afgesneden, de ontevredenen worden opgespoord, vernietigd of geïsoleerd, wordt aan de andere kant iedere levensuiting op een voor de staat gewenste wijze georganiseerd.
Dat de opvoeding van de gehele jeugd, het voorbereidend en lager onderwijs, geheel en al in de geest van het régime wordt gegeven, spreekt vanzelf, Maar hiermee is men niet tevreden. Ook de vrije tijd van de jeugd wordt onder staatscontrôle geplaatst. Het kinderspel wordt in jeugdverenigingen georganiseerd, die de kinderen geheel en al in militaire zin bezig houden, volgens de principes dat gehoorzaamheid de hoogste deugd is, dat lichamelijke ontwikkeling veel belangrijker is dan geestelijke ontwikkeling, dat denken iets minderwaardigs is, voor zover het niet bestaat in het accepteren van wat de leiders der jeugd verkondigen.
Het kind wordt dus, in de gevoelige leeftijd, geheel en al geladen met ‘staats-deugden’, en zoveel mogelijk onttrokken aan de ‘verderfelijke’ invloed van het gezin, dat én oude tradities van vrijheid, én individuele trekken zou kunnen aankweken.
De fabrikatie van de ‘massa-mens’, volgens een vast cliché, begint dus bij de jeugd en ze wordt systematisch voortgezet. Van de kinder-organisaties gaat men over naar de jeugdorganisaties, vandaar naar de arbeidsdienst, d.w.z. naar ‘concentratie-kampen met betere behandeling’ waar opnieuw ‘gehoorzaamheid’ en
‘lichamelijke arbeid’ de alles dominerende beginselen zijn, dan naar de militaire dienst, waar dit alles nog eens extra wordt aangedikt.
De zo opgevoede staats-mens, komt er al bijna automatisch toe, z'n werkzaamheden in fabriek, bedrijf, op hoeve of kantoor, als staatsdienst te beschouwen, maar bovendien is hij. ook daar georganiseerd in het ‘arbeidsfront’ of in ‘arbeiders-corporaties’, in de door de staat beheerste en gecontroleerde vakverenigingen. Niettemin is het nodig er voor te zorgen, dat hij in z'n vrije tijd niet aan de beïnvloeding ontsnapt. Vandaar dat z'n vrije tijd georganiseerd is, dat hij in ‘Dopolavoro’ of ‘Kraft durch Freude’ z'n vermaaks-organisaties vindt, vacantie houdt en op reis gaat met z'n organisatie, z'n avonden in die kring doorbrengt. Grijpt hij naar een krant, hij grijpt altijd een regeringskrant, andere zijn er niet meer. Uit de bibliotheken zijn de ‘gevaarlijke’ boeken verwijderd, en bovendien is er voorlichting en contrôle met betrekking tot z'n lectuur.
Luisteren naar een ander radioprogramma dan dat van z'n eigen land, is verboden en gevaarlijk. En als men naar het geoorloofde programma luistert, hoort men slechts geoorloofde dingen, zoals men ook slechts geoorloofde films, toneelstukken, romans, etc. etc. tot z'n beschikking heeft.
De middelbare scholen en universiteiten moeten natuurlijk een iets grotere bewegingsvrijheid geven, maar de luxe-staatshondjes aan kettingen van tien meter, zijn niet zo erg veel vrijer dan de huis en tuin-honden aan kettingen van één meter. Ook zij hebben trouwens hun organisaties, die wijzen op de plichten welke de ‘geleerden’ t.o.v. het régime hebben.
Bij dit alles komen dan nog de propaganda-campagnes van het régime, de radio-toespraken van de leiders waarnaar ieder verplicht is te luisteren, de nationale gedenkdagen en feesten, die het hele land overdekken met vlaggen, muziek, demonstraties en redevoeringen, in de geest van het régime.
Misschien kunnen mensen, die reeds geestelijk gevormd waren toen het fascisme aan de macht kwam, deze geweldige druk weerstaan. Maar hoeveel kans is er, dat kinderen, opgevoed onder het régime, mensen die nooit iets anders gekend hebben, tot opvattingen komen, die afwijken van de algemeen geldende? En als ze al tot afwijkende opvattingen zouden komen, wat kunnen ze en wat moeten ze er mee doen? Ze kunnen slechts, bij gebrek aan aan-
knopingspunten, vrienden, lectuur, tot uitingen komen waardoor ze hun ketterse gezindheid verraden, en zichzelf overleveren aan de altijd waakzame mensen en organisaties, die de staat beschermen tegen alle gevaren.
De ongehoorzame, ketterse, mens heeft geen andere kansen meer, dan de dood, de gevangenis, het concentratiekamp.
De conformist daarentegen, heeft alle kansen die de maatschappij maar bieden kan. Als hij ijverig en vlug van begrip voor de geopenbaarde waarheden is, kan hij uit de jeugdorganisatie naar de partij overgaan, en als hij zich daar voorbeeldig gedraagt, staan alle mogelijkheden die het régime geeft, voor hem open.
De partij, is in de totalitaire staten een zeer bijzonder lichaam, doch geenzins van zo gecompliceerde aard, als de geleerden, die talloze verhandelingen hebben geschreven over de betrekkingen tussen partij en staat, veronderstellen. Wie die betrekkingen juridisch wil vaststellen, stuit op moeilijkheden, want zelfs in Italië, waar de partij een grondwettelijk omschreven functie heeft, kan men de betekenis der partij niet uit de wet, doch alleen uit historie en praktijk leren kennen.
Historisch is de partij de vereniging van de lieden die het fascistisch régime hebben voorbereid en ingesteld, de belichaming van de fascistische idee, en dus, in het groot gezien, het verbond van de fascisten uit overtuiging - al is, bij het groter worden van de kansen op de macht, het aantal aanhangers uit berekening natuurlijk reeds zeer aanzienlijk geweest. Maar de kern der partij wordt gevormd door fascisten uit overtuiging, en deze lieden stellen zich, na aan de macht te zijn gekomen, ten doel de hele maatschappij naar hun opvattingen in te richten, van hun geest te doordringen en van andersdenkenden te zuiveren.
De partij is dus het verbond van de trouwste en energiekste aanhangers van het fascisme. Zodra ze de macht veroverd heeft, kan ze zich niet meer, zoals vroeger, aanvullen met vrijwilligers - ze zou overstroomd worden door conjunctuur-fascisten. Ze kan zich alleen aanvullen, door uit de massa van de adspiranten, diegenen uit te zoeken die de meeste waarborgen bieden voor de trouw aan het régime en voortzetting van het régime in de geest van de mythe. Ze is en blijft dus de selectie van de zuiverste fascisten, en ze heeft tot taak overal en alles te contrôleren op fascistische zuiverheid. Aangezien die zuiverheid z'n uitdrukking vindt in den
Leider, en, van hem uitgaand, in de hogere en lagere onderleiders en kaderleden, heeft ze tot taak de bevelen van den Leider en het kader strikt toe te passen, en in alle staatsorganen en maatschappelijke organen aanwezig te zijn, niet alleen als contrôlerende, maar ook als stimulerende factor. Extra betrouwbaarheid en extra ijver voor het régime zijn haar kenmerkende eigenschappen, en zo wordt ze dus op den duur tot een georganiseerde heersende klasse, wier functie het handhaven en versterken van de fascistische heerschappij is. Op den duur moet de partij de betrouwbare en energieke heden leveren, die alle enigszins belangrijke maatschappelijke functies bezetten. Zolang ze dat nog niet kan, omdat het aantal technisch geschoolde lieden dat de partij oplevert nog te gering is, moet ze de technici, op economisch, militair en cultureel gebied, contrôleren, en er voor zorgen dat deze hun machtsposities niet tegen of ten nadele van de partij gebruiken. Het doel is dus: een partij van trouwe, energieke en bekwame lieden; maar trouw en energie zijn het eerst nodige, want, vóór alles, gaat de zekerheid van het régime.
Zo heeft het régime dus de beschikking over een dubbel apparaat: ze heeft het gewone staatsapparaat, dat alle regeringen bezitten, een zeer groot apparaat, omdat de staat zich met alles, politiek, leger, economie, cultuur bemoeit. En ze heeft daarnaast een selectie van getrouwen die op leven en dood met het régime verbonden zijn.
De fascisten weten, dat de val van het régime niet alleen betekent dat zij hun bevoorrechte posities, hun baantjes, kwijt raken. Ze weten ook, dat in zo'n geval alle aanhangers van het régime, de leden der partij, rijp zijn voor schavot, gevangenis of concentratiekamp. Vandaar dat ze tot iedere prijs het régime zullen handhaven, dat ze voor niets zullen terugdeinzen om pogingen tot opstand te bedwingen. En aangezien ze dit weten, zullen ze alle belangrijke posities van militaire en industriële aard, òf alleen aan eigen mensen toevertrouwen, òf zo zorgvuldig contrôleren dat gevaar voor het régime uitgesloten moet zijn.
Als we nu dus nogmaals de nieuwe despotieën overzien, dan vinden we als hun kenmerken, dat de heersende groep streng georganiseerd is, alle sleutelstellingen bezet, zwaar bewapend is, en over alle middelen der moderne techniek beschikt. We vulden verder, dat de staat, in handen van die heersers, alle maatschappelijke
gebieden beheerst of contrôleert en geen enkele levensmogelijkheid terzijde van de staat meer toelaat. Het staatsapparaat is zo innig verbonden met het nieuwe régime, dat de val van dit régime ook voor allen die dit apparaat vormen, een gevaar, of op z'n minst een onzekerheid voor het behoud van de functie betekent, zodat het bestaan van een talrijke groep afhangt van het voortbestaan van het régime. Wij vinden daarenboven dat het régime de opkomende generatie volkomen in zijn geest opvoedt, en een voortdurende geestelijke druk uitoefent op jongeren en ouderen, ze allen isolerend van iedere andere wereldbeschouwing. We voegen er aan toe, dat de grote massa der mensen, van nature niet tot zelfstandigheid en het zoeken van eigen wegen geneigd is, doch tot het volgen van het in hun omgeving gebruikelijke. Alleen door het werken van een nonconformistische élite, komt de massa op den duur tot wijzigingen in haar levenshouding. Die élite wordt door het fascisme uitgeroeid, bewaakt en voor zover mogelijk - de nieuwe generatie - in zich opgenomen. We zien bovendien, dat het fascisme, door z'n economische organisatie, in staat is, een einde te maken aan de werkloosheid, en de arbeiders-massa een verzekerd, zij het dan ook voorlopig schamel, bestaan te geven en zo bij die massa een zekere tevredenheid en angst voor diepgaande veranderingen te doen postvatten. We zien ook, dat de oude en nieuwe middenstand door het fascisme bevredigd worden in hun standsgevoel, in hun verlangen naar bescherming tegen het proletariaat, terwijl bovendien het staatsapparaat en het partijapparaat geweldige mogelijkheden openen voor de nieuwe middenstand, en de jongere generatie van de oude middenstand. Zodoende is het aantal werkelijk diep ontevredenen met het fascistisch régime niet zeer groot, terwijl die ontevredenen geatomiseerd en machteloos zijn. Het aantal aanhangers van het régime en het aantal lieden wier bestaan en leven van z'n behoud afhangen, is aanzienlijk, en dit aantal is door z'n organisatie en door z'n bezit van alle machtsmiddelen, gemakkelijk in staat om iedere ontevredenheid te onderdrukken.
Als we ons nu nog herinneren, dat het fascisme het gehele volk toenemende welvaart en heerlijkheid belooft, doordat het de positie van dit volk in de wereld zal versterken, om ten slotte tot wereldheerschappij en alle daaruit voortvloeiende machtsgevoelens en materiële voordelen te komen, dan is het gemakkelijk te begrijpen, dat een dergelijk régime op den duur, naast een zeer
grote aanhang en een massa voor het régime ongevaarlijke meelopers, slechts een klein aantal blijvend ontevreden en diep ontevreden tegenstanders overhoudt. Het oude anti-fascisme sterft af, wordt uitgeroeid, is machteloos. De nieuwe generatie kent niets anders meer dan het fascisme. Geen ontevredenheden krijgen kans tot een nieuw anti-fascisme uit te groeien.
De geschiedenis leert ons, dat zelfs het oude despotisme., hoe slecht ook georganiseerd, hoe gering ook vaak z'n aanhang, niettemin vaak eeuwen lang z'n macht kon handhaven, en slechts een heel enkele keer door de, in z'n eigen gebied heersende, ontevredenheid ten val werd gebracht. Meestal waren het oorzaken van buiten - oorlogen -, of een combinatie van externe en interne moeilijkheden die zo'n despotisme ten val brachten.
Waarop berust dan de verwachting dat het fascisme - of het bolsjewisme om nogmaals aan het bestaan van dit type van totalitair despotisme te herinneren - door krachten opkomend uit z'n eigen gebied, door ontevredenheid van het eigen volk, ten val gebracht zou worden?
Waarop berust de verwachting, dat een ‘proletarische revolutie’ - notabene van een proletariaat zonder eigen partijen en organisaties, een proletariaat dat een vast bestaan heeft en dat geheel en al in militaire en half-militaire organisaties is samengevat en zo bewaakt - een einde zou maken aan de sterkste staatsmacht die de wereld nog ooit gekend heeft?
Deze en dergelijke verwachtingen hebben geen enkele reële ondergrond. Ze berusten ten dele op de hardnekkigheid waarmee hopeloos verouderde proletarische en marxistische socialisten aan hun geheiligde tradities vasthouden: het proletariaat moet de revolutie maken, het kapitalisme vernietigen en het socialisme brengen.
Weliswaar heeft ‘het proletariaat’ nog nooit in een of andere moderne staat een revolutie kunnen maken, anders dan in aansluiting op een door die staat verloren oorlog. Weliswaar is het fascisme geen kapitalisme meer, doch een, zich in de richting van een ‘socialisme-zonder-vrijheid’ ontwikkelende, door de staat, en volgens het staatsbelang, geleide economie; maar waar moeten de armen van geest nog aan geloven, als zelfs de tegenstelling ‘kapitalisme-socialisme’ niet meer geldig blijkt te zijn? Weliswaar bewijzen én fascisme én bolsjewisme, dat er een soort
van totalitair, despotisch collectivisme mogelijk is, dat aan de economische definitie van ‘socialisme’ voldoet, en dat ons daardoor laat zien, dat socialisme-zonder-meer, een triest ideaal, zo al niet een gevaarlijk ideaal is. Maar de armen van geest blijven hun proletarische revolutie tegen het fascisme verwachten, omdat ze anders zouden moeten erkennen dat ze geen toekomst meer hebben, dat ze geen begrip meer hebben van de ontwikkelingsmogelijkheden der maatschappij, en dat ze dus opnieuw zouden moeten gaan bestuderen en denken, inplaats van troost te vinden bij de alleen-zaligmakende schema's en uitspraken van Marx. Voor een ander gedeelte, berusten dergelijke verwachtingen, op de denkluiheid en geestelijke lafheid van ouderwetse liberalen en democraten, die, als ze deze verwachting opgaven en erkenden dat het fascisme niet aan eigen tegenstellingen ten onder zal gaan, rekening zouden moeten houden met een langdurig bestaan van het fascisme, met een reeks van pogingen der fascistische staten om hun macht uit te breiden ten koste van de liberale en democratische staten, d.w.z. met oorlog. En allen die weigeren met dit alternatief rekening te houden, moeten dus wel geloven dat het fascisme door interne tegenstellingen ten gronde zal gaan, dat de machteloze democraten en arbeiders een zwaar gewapend régime zouden omverwerpen! Of, aangezien zoiets rijkelijk utopisch is, dat de industriëlen en grondbezitters, de kerken en andere conservatieve of reactionaire instellingen, alleen, of samen met de arbeiders en met het officierscorps, met de legerleiding, een eind zouden maken aan de heerschappij der fascisten.
Het loont nauwelijks de moeite deze verwachtingen te confronteren met de werkelijkheid. De werkelijkheid, is niet alleen, dat de arbeiders-bevolking ten dele tevreden, voor een ander gedeelte onverschillig of verbitterd, maar als geheel machteloos is. De werkelijkheid is ook, dat de andere ‘machten’, op wie de hoop gevestigd is, stervende machten zijn. Het waren machten, zolang ze de leiding van de staat in handen hadden, of zolang deze zich in handen van hun geestverwanten bevond. Toen ze de staatsmacht aan de fascisten overgaven, tekenden ze hun eigen doodvonnis. Toen bleek, dat de gangbare voorstelling, dat de staat een werktuig is van kapitalisten, clericalen, militairen etc, slechts een schijnwaarheid is, ontstaan doordat de staat z'n eigen belangen het best meende te dienen door grondbezitters, bankiers,
industriëlen, clericalen, hoge militairen, zoveel mogelijk te steunen en daarvoor in ruil ook weer hun steun - in 't algemeen - te ontvangen. Maar terwijl de staat bestaan kan zonder de steun van kapitalisten, clericalen etc, kunnen zij niet zonder staatshulp bestaan. En zo zien we dat, zodra het fascisme de staatsmacht in handen heeft, de macht van al die andere groeperingen begint te tanen. De kerken, als de best georganiseerde, over de meeste aanhangers beschikkende macht, pogen met het fascisme tot overeenstemming te komen, wat op den duur niet gelukt, want het fascisme erkent ook op ‘geestelijk’ gebied geen macht naast zich: ‘Er is maar één God en Mohammed is zijn profeet’ - Er is maar één uitverkoren volk, dat de aardse God is, en de Leider is z'n profeet1). Maar de kerken, of ze nu al compromis of strijd kiezen, blijken niet bestand tegen het verenigde geweld van de nieuwe mythe en de staatsmacht. Ze verliezen snel hun massaaanhang en worden óf aanhangsel van de fascistische staat, óf groepen van een handjevol innig overtuigden, groepen die nog merendeels uit ouderen bestaan. Wat zal, na enige generaties, nog van die kerken over zijn? Als machten tegen het fascisme; hadden ze kunnen en moeten optreden om het fascisme te beletten aan de macht te komen - nu zijn ze stervende machten.
Niet anders staat het met de kapitalisten. Ook zij hebben het ogenblik om hun macht te gebruiken laten voorbijgaan, en in hun bekrompenheid het fascisme vaak nog gesteund. Nu hebben ze de keus als helpers van het fascisme op te treden, of vernietigd te worden. En de jonge generaties uit het kapitalistisch milieu, gebruiken hun betrekkelijk bevoorrechte posities, om in het staatsapparaat binnen te komen en zich met het fascisme te verbinden. Wie tegenstand biedt wordt vernietigd. En als het fascisme dit doet, wint het nog aan populariteit bij de grote massa, want dan is het ‘anti-kapitalistisch’, wat voor de massa hetzelfde is als ‘socialistisch’. Van deze, wanhopig om hun voordeeltjes kruipende kapitalisten, te verwachten dat ze het fascisme zouden bestrijden, laat staan omverwerpen, dat is alweer een illusie.
En de legerleiding? Daar waar een legerleiding met veel prestige,
en een gesloten officierscorps is, vormt deze groep een macht waarmee het fascisme in den aanvang rekening moet houden. In den aanvang, doch iedere dag minder. Zolang er een klein beroepsleger is, zou dit in staat zijn, met behulp van andere groepen het fascisme te weerstaan en te verslaan. Laat het die kans voorbijgaan, dan weet het fascisme heel goed hoe het de macht van de beroepsofficieren moet breken, n.l. door het beroepsleger te veranderen in een geweldig volksleger. Dan hebben de officieren weldra niet langer soldaten onder zich, die onder alle omstandigheden de bevelen hunner officieren volgen, doch slechts zolang als die bevelen niet in strijd zijn met die van de hoogste macht, de fascistische staat. Verzetten de officieren zich hiertegen, dan zijn ze rebellen en alle fascistische soldaten, geholpen door de gewapende partij-formaties, zullen die rebellen zonder aarzelen neerschieten. Maar bovendien betekent uitbreiding van het leger, vergroting van het officierencorps, binnentreden van nieuwe, fascistische officieren, die zich tegen de ‘oude kliek’ zonder bedenking zullen verzetten als de staat dit eist. Fascistische officieren en promotie-hongerige officieren, zullen hun trouw aan staat en partij laten merken, telkens als er een wrijving tussen de legerleiding en de staatsleiding ontstaat. En het resultaat is, dat in die wrijving, de legerleiding, (als zelfstandige macht) wordt weggewreven en dat ze, steeds meer fascistisch gezinde opperofficieren en officieren bevattend, tot een instrument van het fascisme wordt. Als dit in de loop van enkele jaren reeds het geval is, dan behoeft men niet te vragen wat er na één of meer generaties, van de zelfstandige macht van het leger zal zijn overgebleven. Men kan dus op z'n best verwachten dat de oppositionele krachten, die in de fascistische maatschappij uit de voorafgaande periode zijn overgebleven, in de jaren die direct op de machtsverschuiving volgen, in staat zouden zijn, het fascisme ten val te brengen, als dit door andere oorzaken, door schokken van buiten, gebroken en in verwarring geraakt is. Men kan moeilijk verwachten dat die oude krachten, zonder hulp van buiten, sterk genoeg zouden zijn om zelfs maar een oppositie van enige betekenis te voeren. Men kan nog moeilijker verwachten dat ze na tien, twintig jaar, na een of twee generaties nog iets zouden kunnen tot stand brengen, ja zelfs nog maar bestaan.
Nu kan men natuurlijk z'n hoop vestigen op conflicten in de fas-
cistische beweging zelf. Maar de structuur dier beweging maakt de kans op verzet van groepen fascisten tegen de centrale leiding, tegen den Leider, nagenoeg nihil. Zolang de leider nog over z'n normale capaciteiten beschikt, is een oppositie: een opstand tegen het fascistische ‘allerhoogste’, tegen het beginsel, en tegen de machtspositie die men inneemt, een machtspositie van wier behoud het bestaan en het leven van al die fascisten afhangt. Dit gevoel, dat oppositie en leiding toch een overwegend gemeenschappelijk belang hebben, maakt dat de opposities óf uit een handvol desperado's bestaan, vastbesloten doch machteloos, óf, als ze groter zijn, zo aarzelend optreden, zo bang zijn voor hun eigen overwinning, dat ze gemakkelijk door de leiding neergeslagen kunnen worden, of wanneer ze zouden zegevieren dit alleen kunnen en willen doen op een wijze die geen fundamentele veranderingen brengt.
En dezelfde factoren werken ook na de dood van den oorspronkelijken Leider. De richting die de meeste waarborgen biedt voor het behoud van de macht, verenigt gemakkelijk de overweldigende meerderheid van de partij achter zich, d.w.z. de partijbureaucratie zorgt er voor, dat de strijd om de opvolging geen catastrofaal karakter aanneemt. (Een voorbeeld hiervan hebben we gezien na de dood van Lenin; al was toen het totalitarisme in Rusland nog niet sterk genoeg om wrijvingen in de heersende partij te verhinderen, de positie van de partij zélf, werd geen ogenblik in het geding gebracht). Ook al zou de een of andere adspirant-leider gebruik willen maken van krachten die buiten de partij liggen, dan nog zou hij eerst die krachten, die door de partij onderdrukt worden, weer moeten vrij maken, en opkweken om ze werkelijk te kunnen gebruiken. En iedere poging hiertoe, brengt hem in strijd met de partij en veroorzaakt zo zijn ondergang. Men kan zich voorstellen dat een figuur van het type Goering, tegen de partij-bureaucratie in, een beroep zou doen op leger, kapitalisten, kerken, maar dan is het nog de vraag of de legerleiders, de kapitalisten, de kerkelijke overheden, de moed en de energie zouden hebben om onmiddellijk met hem in zee te gaan en het partij-apparaat te breken - gesteld dat het nog mogelijk is. En dus, ofschoon het geval niet ondenkbaar is, dat een strijd om de opvolging, tot ondergang van het fascisme zou kunnen leiden, de kans is zo klein, en er zou een dergelijke gelukkige samenloop van omstandigheden voor nodig zijn, dat een anti-fascisme, met
niets anders dan de hoop op zoveel geluk, inzicht en vastberadenheid aan de eigen kant, en zoveel tegenslag, domheid en aarzeling bij den vijand, niet veel meer reële grondslagen heeft dan de dagdromen der emigranten.
Men moet dus wel tot de conclusie komen, dat de kansen op ondergang van het fascisme, van binnen uit, ongeveer nihil zijn, en dat het gepraat hierover, alleen maar dient om de onwil te Verbergen om zich ernstig bezig te houden met de oorlog. De oorlog is de enige werkelijk grote mogelijkheid tot de ondergang van het fascisme. De oorlog is tevens, in een wereld met fascistische staten, de voor de hand liggende mogelijkheid in de internationale politiek. Maar de oorlog is ook een zaak waarbij de ‘democraten’ zelf betrokken zijn, een zaak die niet op de brede rug van de ‘ontwikkeling’ is af te schuiven. En dus praat men duizendmaal liever over de ‘ontwikkeling’, die in de fascistische landen alles voor ons in orde zal maken, zonder dat we een hand behoeven uit-te-steken, dan over de oorlog, die we zelf zouden moeten voeren.
Aangezien de oorlog echter niet los te maken is van iedere beschouwing over de toekomstmogelijkheden en historische plaats Van het fascisme, kunnen wij ons niet veroorloven deze realiteit te ontvluchten en niets anders dan de interne mogelijkheden voor de ondergang van het fascisme te bespreken, en we zullen dus deze kwestie en alles wat er mee samenhangt moeten onderzoeken. Voor we echter hiertoe overgaan moeten we nog enige opmerkingen maken over de betekenis van het apparaat der fascistische beweging voor de verdere ontwikkeling van het fascisme, mede omdat dit verband houdt met de oorlogsmogelijkheden.
De fascistische beweging is, zoals we ons herinneren, als ze aan de macht komt, vrijwel uitsluitend samengesteld uit twee bevolkingsgroepen, n.l. uit de oude en nieuwe middenstand, die het kader, de leiding en een groot gedeelte van de aanhang leveren, en uit de paupers, werklozen en ongeschoolden, die de ‘knokploegen’ en een ander groot deel van de aanhang leveren. Ze is dus samengesteld uit het maatschappelijk aanhangsel en bezinksel, benevens uit een deel der voorhoede-groep; ze mist de grote basis- en middengroep der maatschappij. Haar invloed op deze basis-groep, wordt natuurlijk wel groter door het feit dat het gehele machtsapparaat in handen der fascisten komt, dat de restanten van de
voorhoede groep, voor zover ze niet uitgeroeid worden, zich onderwerpen. Daardoor wint het fascisme aan prestige, en langzamerhand gaat een deel van de basis-groep, de leiding van de kadergroep volgend, de fascistische opvattingen aanvaarden. Toch is dit maar een gering gedeelte, want men vergeet in de basis-groep niet, dat het democratische kader vermoord of in de concentratiekampen ligt, dat de nieuwe fascisten uit angst of uit carrière-overwegingen tot hun nieuwe houding gekomen zijn, en dat men zelf wel machteloos, verslagen, doch niet overtuigd is, zodat men ook alleen maar uit lijfsbehoud of winzucht het fascisme aanvaardt.
Het fascisme wint dus de basis-groep niet, al biedt deze geen tegenstand en al marcheert ze, uit vrees of uit baatzucht, met het fascisme mee. Deze groep van pl.m. 45 % der bevolking, blijkt slechts voor een klein gedeelte tot een fascistische overtuiging te brengen te zijn. De verdwijning der werkloosheid en de grotere bestaanszekerheid brengen deze groep tot een soort van welwillende neutraliteit t.o.v. het régime en tevens - gevoegd bij de afwezigheid van voorlichting en van uitingsmogelijkheden - tot een politieke onverschilligheid; maar van geestdrift voor het régime valt weinig te merken.
Het fascisme hoopt er in te slagen, de jongere generatie van deze groep, door onafgebroken beïnvloeding, propaganda en organisatie, tot z'n aanhangers te maken, en dit lijkt ons zeer wel mogelijk, zodat dan na een of twee generaties, het fascisme een vaste en brede grondslag zou hebben, en zich over alle maatschappelijke groepen zou uitstrekken. Voorlopig is dit echter niet het geval, en door dit ontbreken van evenwicht en vastheid, behoudt het fascisme het pathologisch karakter, dat het van den aanvang af had, ook nadat het aan de macht gekomen is. Eigenlijk worden de pathologische trekken nog versterkt, want het aan de macht komen, brengt altijd teleurstellingen bij een deel der aanhangers, waardoor de structuur der beweging eenigszins gewijzigd wordt. Teleurgesteld is b.v. een gedeelte van de onderste lagen, de maatschappelijke achterhoede, die gehoopt had, na het aan de macht komen, naar hartelust de beest uit te kunnen hangen, terwijl het fascisme juist in de allereerste tijd zeer voorzichtig moet zijn teneinde niet alle vijanden op een hoop te drijven. Hierdoor ontstaan spanningen tussen de S.A.-klasse en de voorhoede (middenstand, of S.S.-klasse) die met een nederlaag van de S.A. of soortgelijke ‘extremisten’ eindigen, (Roehm), waarna de meerderheid van de
S.A. zich aan de partij-leiding onderwerpt, doch niettemin een extremistische druk blijft uitoefenen, iedere kans op gewelddadigheden aangrijpt, en daardoor de onvaste en pathologische aard van het systeem accentueert.
Teleurgesteld is ook een gedeelte van de oorspronkelijke kern, die, na het aan de macht komen, de sterker en sterker wordende toevloed van conjunctuur-fascisten bespeurt, en ervaart dat deze conjunctuur-fascisten een macht van betekenis gaan vormen. De ‘idealisten’ van de kerngroep hebben geen begrip voor het manoeuvreren dat in de eerste periode noodzakelijk is, ze kunnen hun opvattingen over de nationale wedergeboorte, moeilijk verenigen met de actie, die aanvankelijk het uiterlijk heeft van een verbond met kapitalisten en militairen tegen de arbeiders. Het ‘socialisme’ dat zij willen, is nergens te zien, de arbeiders blijven onverschillig en vijandig, de S.A. mishandelt machtelozen, wat zij afkeuren, maar blijft ontevreden, omdat ze niet naar hartelust de rijken mag plunderen - (dat is het S.A.-socialisme) - en sommigen hunner verbinden zich dus met de S.A. tegen het kapitalisme, en worden verpletterd, terwijl anderen, die wat meer inzicht hebben, een soort edel-fascistische druk op het régime blijven uitoefenen, en weer anderen teleurgesteld uit de beweging verdwijnen.
Al deze verschijnselen verzwakken de oude fascistische groep, die juist na het aan de macht komen een geweldig apparaat nodig heeft om het staatsapparaat te kunnen overnemen, de bevolking te kunnen contrôleren, de opvoeding, de propaganda etc. te kunhen beginnen. Het resultaat van de verzwakking van de kern en de vergroting van het apparaat, is natuurlijk, dat de conjunctuurfascisten een enorme plaats in dit apparaat gaan innemen. Zowel in de hogere functies, waar de oude en nieuwe middenstand duizenden baantjesjagers leveren, als in de lagere, waar de maatschappelijke achterhoede en de onderste lagen van de arbeidersklasse voor de nodige candidaten zorgen.
Deze conjunctuur-fascisten moeten hun late toetreden tot de beweging compenseren door een geweldige ijver, uitbundige geestdrift, tomeloze energie. Ze zijn bovendien, omdat ze wel weten dat zij bij de val van het fascisme tot de eerste slachtoffers zullen behoren, voortdurend in de weer om alle mogelijke vijanden van het fascisme op te sporen en uit te roeien, en ze zijn in dit opzicht zonder genade. Voeg hier aan toe, dat de maatschappelijke achter-
hoede toch reeds altijd tot plunderen en mishandelen bereid is, vol sensatiebehoefte en wreedheid is, en men zal begrijpen, dat het fascistisch apparaat, in alle opzichten onevenwichting, extremistisch, tot overmaat van ijver en energie geneigd, én door de toestand waarin het zich bevindt, én door z'n samenstelling, tot alle wreedheden en sadismen overhelt.
Maar behalve dus het feit, dat iedere actie, door de leiders van het fascisme op touw gezet, tot beestachtigheden moet leiden, als een apparaat bestaande uit conjunctuur-lieden en ondermensen die actie moet ten uitvoer brengen, heeft dit alles nog een verder gaande betekenis. Terwijl in andere bewegingen, het oorspronkelijke extremisme meestal geremd wordt door een bureaucratisch apparaat, zodat het resultaat een gematigde energie is, krijgt men bij het fascisme een versterking van het oorspronkelijke extremisme, door een extremistisch apparaat. De op zich zelf reeds dynamische aard van alle nieuwe ideeën, die in hun imperialisme de wereld willen veroveren, wordt in het fascisme reeds van den aanvang af, door de vulgariteit van de mythe, door opeenstapeling van irrationalisme en gevoelscultus, extra-dynamisch, duidelijk pathologisch. Als hier dan nog bij komen, het gevoel van onzekerheid, ontstaan door het missen van de sympathie der arbeidersbevolking, en de extremistische druk van het apparaat, dan ontstaat dat ultra-dynamisch, ultra-pathologisch wezen van een fascisme-aan-de-macht, van de fascistische staat. En hiermee hebben we rekening te houden als we de toekomst van het fascisme willen nagaan.
Aan de ene kant hebben we dan deze ongeëvenaarde ophoping van dynamische krachten, aan de andere kant het verlangen naar orde, veiligheid, regelmaat, zekerheid, waardoor een ander gedeelte van de bevolking - de oude middenstand vooral - naar het fascisme gedreven werd. Zonder die orde en de daarbij behorende welvaart, loopt het fascisme gevaar dit deel van z'n aanhangers te verhezen en nooit de grote massa te kunnen winnen of te behouden. Men moet dus, met dynamische middelen, een politiek voeren, die een grote geordende en welvarende staat kan scheppen.
Anders gezegd: men moet imperialistisch zijn, zowel door de drang van de actieve groepen die het régime z'n apparaat en z'n geestdrift geven, als terwille van de passieve groepen, die men al-
leen door toenemende welvaart, met het régime kan verzoenen. Wilde men alleen welvaart, men zou die kunnen nastreven, door een economische organisatie van de staat die men beheerst, door een socialisme, zoals de arbeiders en de oude middenstand zich dat voorstellen, een vreedzaam samenleven met andere volleen, en een tevreden leven op de grondslag ener georganiseerde productie. Maar dit is ongeveer het maag-socialisme waartegen de kern der fascistische beweging zich altijd verzet heeft en zal blijven verzetten.
Wilde men alleen dynamiek, men zou die misschien zeer lang kunnen verkrijgen door de inspanning die nodig is om de staat, de productie, de cultuur, te organiseren, door voortdurende propaganda, demonstraties, volksfeesten, vlaggen, vaandels, marstempo's, kabaal in alle vormen, en door de nodige campagnes tegen de interne vijanden (Joden, Kerken, Kapitalisten), bij welke gelegenheden geranseld en ‘ontladen’ kan worden. Maar het is zeer twijfelachtig of de hoeveelheden dynamisme die men opgehoopt heeft, op deze wijze voldoende afzetgebied kunnen vinden. Bovendien zijn de dynamische methoden van een pathologische heersende klasse, niet bevorderlijk voor het scheppen van welvaart en orde. Het apparaat is buitengewoon kostbaar, de methode van regeren-op-theatrale-wijze, is al evenmin goedkoop, en ten slotte is de vreedzame omgang met andere staten, zeer weinig bevorderlijk voor het versterken van de opvatting dat men een geheel nieuw element op aarde is.
De welvaart kan en moet dus op andere wijze verkregen worden, op een wijze die geheel in overeenstemming is met de mythe van het uitverkoren volk, op een wijze die de dynamiek voor het grootste deel naar ‘buiten’ kan richten, d.w.z. door andere volleen te onderwerpen, een groot rijk te stichten, waarin het eigen volk het heersende zal zijn; zodat ook de geringste zoon van dat volk een heerser over buitenlanders zal zijn, en tegelijkertijd de welvaart zal verkrijgen die uit de arbeid der ‘lagere volken’ is ontstaan. Men moet een wereldrijk stichten, om een groot economisch geheel te krijgen dat zich beter leent voor de organisatie der welvaart, dan het betrekkelijk kleine staatsgebied waarop men leeft, en men moet in dat wereldrijk het leidersvolk zijn, zoals de fascisten in het eigen volle de leidersgroep zijn.
De verovering van een wereldrijk, dat is de enige realisatie van het fascisme, die een ‘synthese’ kan geven aan alle tegenstrijdige
krachten die in het fascisme en bij zijn aanhang aanwezig zijn. Al de dynamische verlangens van heerschappij, van strijd, heroïek en offering, al de sadistische verlangens van plundering, marteling, vernedering, zich uitleven, al de statische verlangens van welvaart, rust, orde, veiligheid, kunnen slechts hun synthese vinden, in het ‘wereldrijk’, dat in een reeks van oorlogen veroverd wordt, oorlogen die heroïek en opoffering vragen, die gelegenheid tot zich uitleven bieden en die een geweldig rijk te beheersen, controleren en zuiveren (na iedere overwinning kan de S.A. jarenlang ‘zuiveren’) zullen geven, en die uiteindelijk ook de veiligheid brengen die binnen de grenzen van de machtigste aller staten te vinden is, en de welvaart, zeker voor allen die tot het uitverkoren volk behoren.
Zo is dus de oorlog de synthese en de resultante van alle tegenstellingen en krachten die in het fascisme aanwezig zijn, en daarom behoeft men de tegenstanders van het fascisme, die hopen dat het fascisme aan interne tegenstellingen te gronde zal gaan, of dat het op den duur gematigder zal worden, niet eens te antwoorden dat zelfs de oude despotismen, zwak en inwendig rot als ze waren, en achterlijk in alle opzichten vergeleken bij het georganiseerde fascisme, nooit uit zich-zelf zijn ondergegaan, nooit alleen door interne ontwikkeling, maar steeds (mede) door schokken van buiten, door oorlogen. Men behoeft niet het bewijs te leveren dat het fascisme slechts op één wijze kan verdwijnen, ten val gebracht, vernietigd kan worden, n.l. door oorlog. Het fascisme zèlf, komt ons meer dan halverwege tegemoet, want evengoed als wij het slechts kunnen vernietigen door oorlogen, kan het zélf slechts tot volledige ontwikkeling komen, en leven, door oorlogen.
Vandaar dan ook, dat het fascisme alleen daar tot volkomen ontplooiïng kan komen, waar oorlogsmogelijkheden aanwezig zijn, en alleen dáár een werkelijk gevaar is, waar de droom van de wereldheerschappij enigszins correspondeert met de voorhanden krachten en kansen.
Het is niet voldoende, dat het verlangen naar veiligheid en orde, van de middenstand, zich keert tegen proletarische en bolsjewistische bedreigingen, het is niet voldoende, dat de intellectuelen en de nieuwe middenstand de afkeer van de maag-mensen en de kudde-idealen tot uiting willen brengen, het is zelfs niet voldoende, dat een geheel volk zich als onderdrukte, als ‘proletarische’
natie beschouwt, om tot een volledige ontplooiing van het fascisme te komen. Het ene kan tot het verlangen naar reactionaire en sterke regeringen leiden, zonder dat dit fascisme wordt; het andere is niet voldoende om een sterke volksbeweging te worden, het is een nuance in het intellectuele en daardoor in het politieke leven, een nuance die evengoed in revolutionair-socialistische als in radicaal-katholieke of -christelijke bewegingen tot uiting kan komen; het derde kan in een overdreven nationalisme z'n uitdrukking vinden. En zelfs een vereniging er van, leidt slechts tot die schijn-fascismen, die we in Polen en Hongarije, in Portugal en in sommige Zuid- of Centraal-Amerikaanse staten zagen ontstaan, of tot de machteloze fascismen in Frankrijk en Engeland.
Ernstig wordt het fascisme slechts, als àl deze elementen hun bekroning krijgen, door de mogelijkheid, dat het, tot fascistische staat geworden, volk, andere volleen zou kunnen onderwerpen, en tot een grote mogendheid, tot een wereldrijk zou kunnen worden.
Welke vooruitzichten hebben dan Hongaren of Roemenen, Polen of Finnen, of al die kleine staten die aanloopjes naar het fascisme hebben gemaakt? Geen enkel, want de grote mogendheden, tussen welke zij geklemd zitten, geven op onverbiddelijke wijze de grenzen aan van hun grootste machtsontplooiïng, en wat fascisme wilde worden, brengt het niet verder dan reactionair en agressief nationalisme.
Als minimum voor een fascistische ontplooiing, is dus een staat van omvang en kracht van de Italiaanse nodig, een staat die in z'n omgeving de grote mogendheid is, en die dus, zolang Duitsland machteloos was, de illusie kon hebben én de Donaugebieden, én de Balkan, én een groot deel van de Middellandse-zee-omgeving te beheersen en zo tot de grootste macht van het Europese continent, tussen Rusland en Engeland-Frankrijk, te worden.
Toen Duitsland een fascistische staat werd, en z'n macht begon te ontwikkelen, werden de Italianen uit het Donau-gebied en de Balkan verdreven, en nadien is het Italiaanse fascisme óf een aanhangsel van Duitsland, óf een ‘avontuur in likwidatie’, dat z'n pogingen tot heerschappij beperkt ziet door de Frans-Engelse macht, waartegen het slechts als aanhangsel van Duitsland kan optreden.
Het Italiaanse fascisme, dat tot ontplooiïng gekomen is in een land met een achterlijke economie en zeer geringe natuurlijke hulpbronnen, een land zonder grondstoffen en zonder gemoderniseerde landbouw, een land met geringe industriële productiviteit en beperkt organisatievermogen, een. land tenslotte dat in de moderne tijden geen militaire of politiek imperialistische traditie heeft1), dit Italiaanse fascisme heeft van den aanvang af slechts zeer geringe kansen gehad om een wereldmacht te worden, kansen die het door z'n samengaan met Duitsland volkomen verloren heeft, zodat het thans tot geen volledige ontplooiing meer in staat is.
Vandaar dat het Italiaanse fascisme reeds van den aanvang af, een niet geheel ernstige indruk maakte, en in de laatste jaren een volkomen onernstige politiek van rooftochten op punten van ondergeschikte betekenis voert, een politiek van roof-avonturen, die het tegendeel is van een werkelijk imperialisme. Bij die avonturen is dan ook nog aan het licht gekomen, dat de militaire waarde van het Italiaanse fascisme, zelfs tegenover half bewapende tegenstanders, zoals in Spanje (in Abessynië stond men tegenover ongewapende tegenstanders, die men met de uiterste krachtsinspanning kon overvleugelen) ongeveer nihil is, zodat het Italiaanse fascisme meer en meer een caricaturale beweging gaat worden, die slechts een copy en een onderdeel van het Duitse is.
Om overeenkomstige redenen kan het fascisme in een land als Nederland nooit uit zich zelf een macht worden, het mist dé imperialistische bekroning, die het alleen zou kunnen krijgen als de Nederlandse fascisten het zwaartepunt hunner politiek legden in de aansluiting bij Duitsland, en in het opgenomen worden in de imperialistische triomfen van dat rijk. In dat geval echter zou het ophouden, zelfs in die geringe mate ‘Nederlands’ fascisme te zijn, als het thans is, en zou het niets anders dan een ‘Anschluss’ - beweging zijn, wat het thans wel in wezen, maar niet in alle opzichten is. Het zou dan aanvankelijk tot een zeer klein groepje inkrimpen, maar daartegenover op den duur kunnen triomferen...
als het Duitse fascisme triomfeert1). Over de kansen van het Duitse fascisme, het enige werkelijk ernstig te nemen en het enige gevaarlijke, schrijven wij nog.
Maar men komt tot een verkeerde opvatting omtrent de kansen die het fascisme in de wereld heeft, indien men de talloze nationale bewegingen, die zichzelf fascisme noemen en die allen ongetwijfeld hun ontstaan danken aan één of meer van de factoren die tezamen het fascisme vormen, voor ‘vol’ zouden aanzien, als volledige fascismen zou beschouwen, terwijl ze in de meeste gevallen slechts verminkte fascismen of schijnfascismen zijn.
Is het fascisme dan geen wereldbeweging, en bewijzen al die aanloopjes tot het fascisme dan niet, dat er overal materiaal gereed ligt voor de vorming van fascistische bewegingen? Die aanloopjes bewijzen, dat enige van de factoren die tot het fascisme kunnen leiden, overal aanwezig zijn, en in zover is het fascisme internationaal. Om concreet te zijn: het verzet tegen het arbeiderisme, tegen de dictatuur van het proletariaat, tegen een economistische wereldbeschouwing, tegen de heerschappij der middelmatigheid en der kudde-cultuur is ongetwijfeld internationaal. En voor zover het fascisme dus een uiting is, van het ontwakend zelfbewustzijn van de oude en de nieuwe middenstand m de maatschappij, is het een wereldbeweging, maar een wereldbeweging die in verkeerde banen is geraakt, doordat zij zich verbonden heeft met allerlei nationalismen en daardoor reeds van den aanvang af de kans gemist heeft, méér te worden dan de nationale kaders toelaten. Als die nationale kaders nu zeer beperkt zijn, en dit is in de meeste gevallen zo, dan hangt de toekomst van het fascisme af van de toekomst der naties. En aangezien de meeste naties geen toekomst meer hebben, is daarmee het lot van de meeste fascismen bezegeld. Toekomst heeft het fascisme alleen, voor zover het zich meester gemaakt heeft van grote nationale staten, die kans hebben op de wereldheerschappij.
Welke nationale staten hebben een dergelijke kans? Het aantal is
zeer gering. Want de ontwikkeling van de wereld heeft het aantal grote mogendheden van de eerste rang zo beperkt, dat we de. wereld in een paar ‘blokken’ kunnen verdelen, die nog in aanmerking komen voor de wereldmacht.
We hebben dan 1 o. het Angelsaksische blok, bestaande uit de Verenigde Staten van Noord Amerika en Engeland, met in hun gevolg, Zuid-Amerika, de Britse Dominions en koloniën, Frankrijk en z'n overzeese gebieden en wellicht nog een paar andere landen, 2 o. Duitsland met z'n invloedssfeer in Midden, Zuid-Oost en Zuid-Europa, Italië vermoedelijk inbegrepen. 3 o. Rusland met Siberië en z'n invloedssferen in Azië, wellicht ook Voor-Azië. 4 o. Japan, dat bezig is een Aziatisch rijk te veroveren en dat zich meester poogt te maken van China, (een rijk, dat op den duur veel méér aangewezen lijkt te zijn om leiding te geven aan een groot Aziatisch blok).
Van die vier blokken zijn er drie totalitair. Duitsland, Rusland en Japan. Maar werkelijk fascistisch is alleen Duitsland. Japan verkeert in een overgangstoestand, en het zou fascistisch kunnen worden; maar het is van de vier blokken verreweg het zwakst, heeft de minst brede basis, de meest verouderde cultuur; en het speelt in de grote strijd om de wereldheerschappij nog maar een ondergeschikte rol. Rusland, heeft een geweldig brede en gezonde basis, maar het totalitair régime is er in dergelijke moeilijkheden geraakt, dat de kracht van het blok meer potentieel dan reëel is. Het Russische blok wordt bedreigd door het Duitse en het Japanse. Het Angelsaksische blok heeft dezelfde vijanden, zodat dus een bondgenootschap tussen Duitsland en Japan enerzijds, de Russen en Angelsaksers anderzijds, voor de hand ligt. In het ééne bondgenootschap is het Duitse blok van overwegende betekenis, en daardoor wordt de resultante ervan fascistisch. In het andere domineren de Angelsaksers, en geven het een democratische resultante. Angelsaksers en Russen zijn de gelukkige bezitters van nagenoeg alles wat er in de wereld aan belangrijke grondstoffen, aan vruchtbare gebieden, aan opgehoopte rijkdommen te vinden is - ze hebben geen behoefte aan land, aan grondstoffen, aan territoriale veroveringen, ze zijn bevredigd en vreedzaam, voor zover ze niet, zoals de Russen, door het imperialisme van een idee worden voortbewogen. Maar zelfs in dàt geval, heeft die idee nog zoveel expansiemogelijkheden en consolidatie-noodzakelijkheden op eigen gebied, dat ze voorlopig vreedzaam is.
Duitsers en Japanners daarentegen beschikken slechts over beperkte, betrekkelijk arme gebieden, ze moeten de grondstoffengebieden en de uitgestrektheden die nodig zijn voor een werkelijk wereldrijk, nog veroveren; ze zijn nog bezig met de vorming van hun rijken, ze zijn onbevredigd, agressief, roofzuchtig.
Ze staan voor de keus zich aan te passen aan de wereld zoals die nu eenmaal is, zoals de historische ontwikkeling die gemaakt heeft, of die gehele ontwikkeling te niet te doen, de wereld te breken en een wereld met nieuwe zwaartepunten, nieuwe verdelingen, nieuwe rijken en een nieuwe beschaving te maken.
De strijd gaat in wezen tussen het Duitse fascisme en de Angelsaksische, democratische, Westersche beschaving. Het fascisme, is een poging om de ontwikkeling van de Westerse beschaving tegen te houden, om die beschaving met militaire middelen te breken, en op haar ruïnen een nieuwe, totalitaire, beschaving te bouwen.
In de loop van haar ontwikkeling is de Westerse beschaving, voortzetting van de Grieks-Romeinse beschaving (en van de Voor-Aziatische beschavingen, uit wier contact met het Hellenisme, het Christendom is ontstaan), een individualistische, rationalistische, technisch-industriële beschaving, met een Christelijk-democratische moraal geworden.
Met de Christelijke moraal bedoelen we hier niet de opvatting, die men wel voor Christelijk door wilde doen gaan, dat alle zielen gelijk zijn voor God, en dat dus ook alle mensen gelijk zijn, doch de opvatting, dat de zielen weliswaar nooit gelijk zijn, dat er uitverkoren en verworpen, hoger en lager, beter en slechter is, maar dat er geen ‘waardeloze’ zielen zijn, dat iedere ziel, ieder mens dus, een minimum waarde heeft, beneden welke men niet kan gaan, waarmee men rekening moet houden. Christendom, is hier dus de erkenning, dat ook ‘de geringste onder de broederen’ recht heeft op hulp, op steun, op welwillendheid; dat men dus moet streven naar een samenleving, niet gebouwd op het principe ‘heer-slaaf’, maar op het principe ‘sterkere en zwakkere broeders’. Vandaar dat ‘broederschap’ die sommigen als een fraze zonder meer beschouwen, met welke men bij een onderzoek der democratie niets kan aanvangen1), omdat ze ‘sociologisch en psychologisch nietszeggend’ is, (en die ook in werkelijkheid vaak een fraze is, als men, dat wat bereikt is, vergelijkt met dat wat nodig
zou zijn om van ‘broederschap’ te kunnen spreken), toch als richtinggevend gevoel, als grondstemming, in de democratie aanwezig is.
Onze Westerse democratie onderscheidt zich van de democratie der barbaren-stammen, van de soldaten-kameraadschap, of van de solidariteit der arbeiders, doordat ze, de rechten van de collectiviteit tempert door de rechten van het individu.
De collectiviteit heeft wel méér rechten dan het individu, maar niet àlle rechten tegenover het individu - er is een minimum van persoonlijke rechten waaraan de collectiviteit niet kan raken, behalve dan als voor speciale gevallen en voor een vastgestelde tijd een andere regeling wordt gemaakt, die dan zo duidelijk een uitzonderingsgeval is, dat hieruit geen gevaren voor de algemene toestand kunnen voortvloeien. Bovendien zijn alle rechten die de collectiviteit bezit, afgeleid van de individuele rechten: de individuen maken collectiviteiten, van af de simpelste vereniging, tot aan de staat, en geven die collectiviteiten macht en recht. De individuen kunnen de collectiviteiten veranderen en vernieuwen. Geen collectiviteit is iets anders, dan een resultante van individuele krachten; vandaar dat alle mystiek waarmee men collectiviteiten wil omkleden, door en door leugenachtig en gevaarlijk is. De staat is er voor de individuen, niet de individuen voor de staat. En de grondslag voor de betrekkingen tussen individuen, móet de ‘welwillendheid’ zijn, die men als alledaagse, voor het gebruik geschikte, vorm van ‘broederschap’ moet zien. Die welwillendheid brengt met zich mee, dat men overtuiging en overreding als normale vormen van omgang, zowel tussen de individuen onderling, als tussen de collectiviteiten en de individuen, of tussen de collectiviteiten onderling beschouwt, en de dwang, de angstaanjaging, het geweld, als abnormale, zoveel mogelijk te vermijden vormen. De wetten moeten geëerbiedigd worden, niet terwille van de wet, of van de staat, maar terwille van de individuen die voor zichzelf die wetten gemaakt hebben.
Doch dit alles is slechts een abstracte beschouwing, die eerst tot haar recht zou kunnen komen, als we de groei der Westerse beschaving concreet konden nagaan, iets wat buiten de bedoeling van dit boek valt.
Waar we in ons verband mee te maken hebben, is, dat de Westerse beschaving, ontstaan in het tegenwoordige Frankrijk, rondom
de as Londen-Parijs-Rome, een ontwikkelingsgang heeft doorlopen, die haar tot een unicum in de wereldgeschiedenis maakt.
Terwijl andere beschavingen zich beperkten tot een kleiner of groter gebied rondom hun oorsprong en slechts aanraking hadden met die beschavingen, die aan de grenzen daarvan lagen, heeft de Westerse beschaving, niet alleen een grotere of kleinere invloed verkregen in geheel Europa, maar bovendien heeft ze Noord- en Zuid-Amerika tot haar kolonie gemaakt en ze volkomen verwesterd, iets wat ook met Australië en tot grote hoogte met Zuid-Afrika geschied is.
Maar deze ongekende uitbreiding in de ruimte is hiermee nog maar ten dele aangegeven, want, vooral in de loop van de 19e eeuw, bleek geen enkele andere beschaving zich aan de invloed van het Westen te kunnen onttrekken. Was reeds vroeger de politieke macht van het Westen zo groot geweest, dat andere beschavingen ophielden een politieke rol te spelen (indien ze zich niet als de Russisch-Byzantijnse min of meer wisten aantepassen), in de loop van de 19e eeuw, was niet alleen de technisch-industriële kracht zo groot geworden, dat alle landen, van Egypte tot Japan, en van Brits-Indië en China tot Perzië en Arabië, die techniek en industrie moesten overnemen, maar dat ze, behalve deze materiële cultuur, ook tal van elementen der geestelijke cultuur overnamen. Niet alleen techniek en industrie, maar de bij die techniek en industrie behorende wetenschap en denkwijze (rationalisme) werden aanvaard en, gewijzigd door invloeden van eigen cultuur, zelfstandig verwerkt. Ook de levensgewoonten en de morele en politieke cultuur der Westerlingen, maakten, evenals hun kunst, litteratuur, filosofie, een diepe indruk op de élite der andere culturen, die in dit verband ook de democratische inzichten in maatschappij en staat, tot de hare maakte.
Die verwestering heeft men wel ‘oppervlakkig’ genoemd, omdat de grote volksmassa er slechts in enkele technisch-industriële uiterlijkheden iets mee te maken had, maar dit is een oppervlakkige redenering, want ook in het Westen zijn niet de grote volksmassa's het beslissende element in de cultuur, doch de elites. En het feit dat de élite in Japan en China, Brits-Indië en Turkije, de Westerse cultuur tot zich nam, en meer zelfs nog, het feit dat ze die zelfstandig poogde te verwerken en met de eigen cultuur te verbinden (men denke aan Soen-ját-Sen en Gandhi), was de grootste triomf die het Westen kou behalen, omdat het de zeker-
heid bracht, dat op den duur ook de kaders en de massa's, naar hun vermogen, de weg der élites zouden opgaan.
Het bewees, dat de Westerse cultuur elementen bevat voor een universele cultuur, dat ze niet alleen een cultuur voor West-Europa en z'n Amerikaanse en andere volksplantingen is, of voor geheel Europa, Rusland inbegrepen, dat ze niet beperkt behoeft te blijven tot het blanke ras, maar dat alle andere rassen, en wat belangrijker is, alle andere volken, staten en culturen, de Westerse cultuur kunnen opnemen en verwerken.
Die elementen, die door anderen, als typisch. Westers, in de eigen cultuur werden gebracht, om diep gevoelde tekorten aan te vullen, zijn juist die elementen die het fascisme uit onze cultuur wil verwijderen. Het zijn de individualistische, wetenschappelijk-rationalistische, humanistisch-democratische elementen, dat wat de fascisten het ‘demo-liberalisme’ noemen. Dat demo-liberalisme is er in geslaagd, de élites van bijna alle volken en rassen te overtuigen van zijn superioriteit, ze er van te doordringen, dat zonder die beginselen, geen beschaving volledig, geen regeringsstelsel op den duur mogelijk is, en dat men te kiezen heeft, tussen demo-liberalisme of duisternis en tyrannie.
Met demo-liberalisme bedoelen we hier natuurlijk niet, de vervalsingen die onder de invloed van kooplieden en industriëlen, van het ‘kapitalisme’ dus, in de opvattingen der culturele élite werden aangebracht. Tegen de kapitalistische verminkingen, waardoor het liberalisme tot Manchesterdom werd, hebben de werkelijke elites geprotesteerd in de vorm van socialistische theorie en arbeidersbeweging, een protest, dat op zich zelf noodzakelijk en gerechtvaardigd was, al is door de eenzijdigheid van dit protest, door het niet kunnen vinden van de noodzakelijke evenwichten tussen socialisme en individualisme, weer veel onheil gesticht. Maar het protest bewijst, dat het demo-liberalisme zichzelf voortdurend kan corrigeren, en dus ook in dat opzicht aan de hoogste eisen voldoet, welke aan een cultuur gesteld kunnen worden.
Niettemin blijft het de grote fout van de Westerse cultuur dat ze, bij haar triomftocht over de gehele wereld, de kracht heeft gemist om in haar eigen gebied orde op zaken te stellen. Ze heeft noch een redelijke oplossing voor de sociale kwestie in haar kernlanden weten te vinden, (en de strijd tussen Manchesterisme en Arbeiderisme laten voortbestaan), noch heeft ze, in een wereld waarin
het contact tussen staten en volken steeds intenser werd, een organisatie van het politieke en economische leven tot stand gebracht. De anarchie der staten en de anarchie der economische groeperingen werd steeds groter, om tenslotte tot de wereldoorlog van 1914 te leiden.
Die oorlog bewees, dat het voortbestaan der ongecontroleerde souvereine staten en der ongecontroleerde economische machten, een dodelijk gevaar vormde. Maar vooral bewees hij, dat de organisatie van Europa een dringende noodzaak was. Doch die organisatie is buitengewoon moeilijk, omdat Europa het geboorteland der Westerse cultuur is, en omdat zich daar, in de loop der eeuwen, talrijke grotere en kleinere staten gevormd hebben, met verschillende talen, met culturele bijzonderheden, met eigen economische concentraties, staten, die allen voldoende overeenstemming vertonen om samengaan mogelijk te maken, en voldoende verschillen om samengaan zeer moeilijk te maken.
Duitsland nu, heeft in 1914 een poging gedaan om dit Europa te organiseren, tot een eenheidsstaat, naar Pruisisch model. Die poging kwam, in z'n consekwenties, neer op een vernietiging van alle andere staten, op een onderdrukken van alle culturele nuances, op het verpletteren van dat wat het wezen der Westerse cultuur is: het individualisme, waarvoor in de grauwe Pruisische kazernestaat, die door het overwegen van z'n collectivistische elementen bewees, nog slechts oppervlakkig verwesterd te zijn, géén, of ternauwernood enige plaats was.
Aan de ene kant bewees de oorlog, dat de Europese anarchie onhoudbaar was, en dat de een of andere vorm behoorde te worden gevonden, om de eenheid van de Westerse beschaving tot stand te brengen; aan de andere kant bewees hij, dat die unificatie niet kon geschieden door Duitsland, want een onder Duitse leiding verenigd Europa, zou wel ‘verenigd’, maar geen ‘Europa’, geen Westerse beschaving, doch alleen een groter Duitsland, een nieuwe kazernistische beschaving, of zoals we het in de laatste jaren zijn gaan noemen, een fascisme zijn.
Zo kan men de oorlog van 1914 zien, als de eerste worsteling, tussen een nog onbewust fascisme en een verouderde, Manchesteristische, vorm der Westerse cultuur.
In die strijd heeft Duitsland de nederlaag geleden, maar, en hierop moet de nadruk gelegd worden, niet doordat het oude Europa z'n
superioriteit bewees, maar doordat de nieuwe grote Westerse mogendheid, de U.S.A., op het toneel verscheen. Europa bleek, toen reeds, onmachtig te zijn om zelf orde op zaken te stellen. De politieke en economische leiding van de Westerse beschaving bleek te zijn overgegaan op Amerika, dat evenwel cultureel nog niet op de hoogte bleek te staan van z'n taak.
De Duitse poging vond vanzelfsprekend verbitterde tegenstand in Europa, tegenstand bij de volken méér nog dan bij de regeringen. Wie Europa verenigen wil, zo werd toen reeds duidelijk, zal het moeten doen op Westerse wijze, d.w.z. met handhaving van een groot deel der eigenaardigheden van het historisch gegroeide, op democratische en federalistische wijze en niet op fascistisch-totalitaire manier.
Men kan hier tegenover plaatsen de opmerking, dat de grote gecentraliseerde staten van Europa toch ook niet op democratische, doch integendeel op zeer autoritaire wijze gevormd zijn. Maar hier moeten wij herinneren aan het verschil tussen de oude despotie en de moderne totale staat. Vergeleken met de totale staat, is de gecentraliseerde staat van het verleden, zelfs als hij autoritair en despotisch is, toch nog federalistisch en democratisch, want hij bemoeit zich slechts met enkele delen van het openbare leven en niet, zoals de totale staat, met alles en met ieder detail. Bovendien is, na de vorming der grote staten, juist een versterking der democratie, der verscheidenheid en der individuele rechten, binnen het raam van de centrale staten, waar te nemen.
Een ander wijze om tot het vormen van wereldrijken te komen, dan één die zo groot mogelijke ruimte biedt voor de eigenaardigheden der verenigde volken, is zelfs in het verleden niet mogelijk geweest. Niet dat men een volk met geweld onderwerpt, is hier het beslissende, want het breken van de tegenstand, die andere staten of stammen bieden, is in het verleden altijd nodig geweest om tot de vorming van een wereldrijk te komen; en ook in de naaste toekomst is de nieuwe organisatie der Westerse beschaving en de daarmee samenhangende organisatie van Europa, ondenkbaar zonder oorlogen en zonder onderwerping van staten, die zich, zoals Duitsland en Italië, tegen de Westerse beschaving verzetten. Maar het rijk, dat gesticht werd, was alleen dàn van blijvende aard, indien men de onderworpen volken behandelde op een wijze, die rekening hield met hun eigenaardigheden, en wanneer men er
in slaagde die volken de cultuur der veroveraars te doen aanvaarden, of wel indien men zelf de cultuur der onderworpenen geheel of ten dele overnam. Alleen als men dat deed, zijn er blijvende wereldrijken gesticht. Bewust of onbewust streven naar, of aanvaarden van, vermenging der culturen, dat is het geheim waardoor de werkelijke wereldrijken zich onderscheiden van de gebiedsopeenhopingen, die louter op militaire successen berusten. Rome is hier het grote voorbeeld van een militaire gebiedsverovering, die naar onze maatstaven meedogenloos en wreed genoeg was, maar die tevens verdraagzaam genoeg was, als het de culturen (godsdiensten) der overwonnenen betrof, die wist te leren en over te nemen, als het hogere culturen ontmoette, in Griekenland, in Egypte, in het Nabije Oosten, en wist te geven en te onderwijzen, als het met lagere culturen, in West-Europa in aanraking kwam. En in dat opzicht is Rome het tegendeel van het totalitaire Duitsland, van het fascisme, dat alles beneden zich acht, van niets en niemand wil leren, geen enkel volk een spoor van eigen leven gunt, maar evenmin die andere volleen tot het eigen peil wil optrekken, ze alleen maar als slaven wil behandelen, zodat een wereld onder Duitse heerschappij een kasten-maatschappij op wereld-schaal zou worden, waarin al de niet-Nordische mensen voor eeuwig tot knechtschap gedoemd zouden zijn.
Hiertegenover staat het assimilatie-vermogen der democratie, die op de duur alle volleen de weg naar culturele verheffing opent, wat nooit duidelijker bewezen is, dan door de verbreiding der ‘demo-liberale’ cultuur over de gehele aarde, in de loop vooral der 19e eeuw, een verschijnsel, waarop wij reeds wezen, en dat ondanks alle fouten en beperkingen, voortspruitend uit de fouten en beperkingen van het Manchesterdom, toch een wonderbaarlijke prestatie genoemd moet worden.
Het zou, als men de dingen abstract beschouwt, en geen rekening houdt met de reële krachten - wat we hier achter natuurlijk wèl zullen doen - mogelijk zijn, dat het fascisme, en in dit geval dus het Duitse fascisme, eerst Europa veroverde en tot een eenheid maakte en dan, met dat Verenigde Europa, de wereldheerschappij zou bemachtigen. Maar dan zou ook de gehele wereld zich naar één model moeten laten stampen, en dan zou niet alleen de Westerse beschaving verdwenen zijn, maar dan zouden tevens al de oude beschavingen, de Russische, Chinese, Japanse, Indische
Perzische, Turkse e.a., die op het ogenblik bezig zijn zich door verbinding met de Westerse beschaving te vernieuwen, en die daardoor ongekende mogelijkheden openen voor de toekomst, en van wier inwerking op onze beschaving we nog slechts een flauw vermoeden kunnen hebben - dan zou dus dat alles vernietigd zijn, en de toekomst van al die volken zou geen andere inhoud meer hebben, dan het dienen van de Nordische heren! Het is duidelijk, dat een dergelijke ontwikkeling hoogst onwaarschijnlijk is, en dat de tegenkrachten, die opgewekt worden door een dergelijk streven naar de wereldheerschappij, zo talrijk en zo groot zijn, dat de onmogelijkheid ervan, ook zonder verdere bewijzen, voor de hand ligt.
De wereldontwikkeling wijst zeer zeker in een bepaalde richting, in de richting van de vorming van steeds grotere politieke en economische eenheden, en daardoor het verdwijnen van de kleine nationale staten, (wier omvang en bevolking niet groter zijn, dan die van het tegenwoordige Duitsland, van Engeland, Frankrijk Italië, om van de nog kleinere staatjes niet te spreken) als souvereine eenheden. Het is een onmogelijkheid, dat de Europese staatjes - en iets anders dan ‘staatjes’ zijn er ten Oosten van Rusland niet - zich in hun tegenwoordige vorm handhaven. Ze kunnen slechts blijven bestaan door een voortdurende economische en politieke oorlogstoestand te handhaven, een gewapende vrede, onderbroken door crisis en oorlog. Vandaar dat het Duitse pogen van 1914, om eerst één grote Midden-Europese, en daarna een Europese en een wereldstaat te scheppen, in de richting der noodzakelijke ontwikkeling ging, al was het dan ook tegelijkertijd een poging om die ontwikkeling te forceren en om haar in vormen te dwingen, die niet verenigbaar zijn met de Westerse beschaving; progressief in uiterlijke vorm, reactionair in alle beginselen van politieke en sociale organisatie en van culturele inhoud. En die reactionaire trekken zijn nog veel sterker in de poging, die thans door het fascistische Duitsland ondernomen wordt.
De oorlog van 1914 liet zien, dat de andere Europese staten niet, of ternauwernood, tegen het Duitse geweld opgewassen waren en dat liet reeds vermoeden, dat ze ook wel niet in staat zouden zijn de organisatie der Westerse wereld te voltrekken, nadat Duitsland als macht was uitgeschakeld. Niet alleen waren het de Amerikanen, die de uiteindelijke overwinning brachten, het waren ook
de Amerikanen, die, als enigen, beseften, dat het doel van de oorlog, de verplettering van het Duitse militarisme (van de totalitaire idee in haar oude vorm) eerst bereikt zou zijn, als men naar Berlijn oprukte en door het bezetten van Duitsland het prestige van het militarisme een onherstelbare slag toebracht1). En het waren opnieuw de Amerikanen, die een eerste poging deden om de nieuwe en noodzakelijke organisatie van de wereld volgens de beginselen der Westerse beschaving tot stand te brengen, op democratische en federatieve grondslag, in de Volkenbond.
Ongetwijfeld was de Volkenbondsgedachte in bijna alle opzichten aanvechtbaar, omdat ze tegelijkertijd een te-weinig en een te-veel bevatte, en dus buiten de realiteit stond. Ze schoot te kort, omdat het handhaven van de souvereiniteit der samenstellende staten, ieder werkelijk federalisme, iedere werkelijke organisatie van politiek en economie uitsloot; ze schoot ook te kort, omdat ze in één poging de gehele wereld wilde omvatten, in plaats van zich te bepalen tot die staten, die voldoende beïnvloed waren door de Westerse cultuur, om regelingen op democratische grondslag, met een evenwicht tussen het individuele en sociale, tot stand te kunnen brengen.
Ze schoot te kort, omdat ze zich op het standpunt van het ‘zelfbeschikkingsrecht’ der volken stelde, in plaats van op het democratische standpunt. Het zelfbeschikkingsrecht betekende, dat men het ontstaan en het sterker worden van anti-democratische groeperingen en staten moest toelaten en dat men zich niet eens kon verzetten, als deze in de Volkenbond hun sabotage bedreven. Het betekende ook, dat men geen versterking van de democratie in de wereld kon bevorderen, dat men de democratie beperkte tot de grenzen die ze in 1918 had, in plaats van, in overeenstemming met de imperialistische behoeften van iedere grote idee, nieuwe gebieden voor haar te winnen. Terwijl dus de taaie had moeten zijn, én versteviging van de democratie in landen als U.S.A., Engeland, Frankrijk, én steunen van de democratische tendenzen in Duitsland, Rusland, China, etc., de steun aan alle democratische staten of groepen, de bestrijding van alle anti-democraten, werd van de aanvang af de passiviteit het leidend beginsel.
Hieruit bleek, dat de ontwerpers van de Volkenbond, ofschoon zij de gedachte, die tijdens de oorlog zo belangrijk was geweest voor
de bezieling der democraten, de gedachte, dat men de wereld veilig moest maken voor de democratie, tot een realiteit wilden maken, toch deze gedachte onvoldoende doordacht hadden, dat zij er nog niet aan toe waren om ‘in beschavingen’ en ‘in continenten’ te denken. De poging moest mislukken, omdat de Amerikanen zèlf er nog niet voldoende rijp voor waren, laat staan de Engelsen of de Fransen.
De Engelsen dachten, en denken ook heden voor een groot deel nog, in termen van hun ‘Imperium’, dat geen Imperium, is, omdat het geen andere grondslag heeft dan een Europees staatje van 40 millioen inwoners, dat grote overzeese gebieden verkregen had, in een tijd toen de overige staten nog niet sterk genoeg waren om een wereldpolitiek te voeren, een Europees staatje, dat de verdeeldheid van Europa en de onderlinge oorlogen der andere Europese staatjes gebruikte om een geweldig handelsgebied te bezetten.
Niet de organisatie, maar de desorganisatie van Europa, was het middel der Engelse politiek geweest om tot z'n ‘Imperium’ te komen. Het geeft geen zin dit den Engelsen te verwijten, integendeel, het was de enige methode om tot macht, welvaart en beschaving te komen en ze heeft er toe geleid, dat in Engeland zelf een ontplooiing der democratie mogelijk was, en dat de levenskunst der democratie, berustend op het compromis, tot erfdeel der Britse élite en op de duur van de hele Angelsaksische wereld kon worden. Zonder die levenskunst, die de antipode van het fascisme is, kan geen ‘wapening der gematigden’ geen organisatie van de wereld in de geest der vrijheid tot stand komen. Maar op heden is het duidelijk, dat de desorganisatie van Europa sedert lang geen grondslag voor een politiek meer kan zijn: Engeland moet Europa organiseren - in ieder geval meewerken aan de organisatie ervan - of Duitsland zal Europa onderwerpen en met het fascistische Europa het kleine Engeland vernietigen en pogen zich meester te maken van het Britse Imperium, dat trouwens onder die omstandigheden uit elkaar zal vallen, voor een deel (Canada, Australië, Zuid-Afrika) zich rondom Amerika zal groeperen, en voor een ander deel (India) zal pogen zelfstandig te worden, óf zich bij een Aziatisch blok zal aansluiten.
Frankrijk heeft in het verleden een Europese politiek gevoerd, die zich beperkte tot het verhinderen van een te grote machts-
ontwikkeling door Duitsland en Oostenrijk. In 1918 werd Oostenrijk uiteengescheurd en Duitsland werd militair machteloos gemaakt, en dit had inderdaad het uitgangspunt kunnen worden voor een organisatie van Europa, maar Frankrijk wilde juist de chaotische toestand van direct na de oorlog bestendigen, zonder evenwel zelfs daartoe de kracht te bezitten - ten dele ten gevolge van Engelse politiek, die Duitsland versterkte om het weer tegen Frankrijk te kunnen uitspelen. Door zijn houding bewees Frankrijk, geen positieve bijdrage te kunnen leveren tot het bereiken van de Europese eenheid.
Zowel Frankrijk als Engeland hebben daarna, tegenover de fascistische agressie bewezen, dat ze zelfs niet eens meer in staat geacht mogen worden de Westerse cultuur in haar tegenwoordige, zeer onvolmaakte vorm, te bevestigen, laat staat de noodzakelijke uitbreiding in de ruimte en in de inhoud er aan te geven. Anders gezegd, de Europese staten blijken niet meer over de kracht, de vitaliteit, het inzicht te beschikken, om de Westerse cultuur tegen het fascisme te beschermen. Ze zullen wellicht nog voldoende levenswil bezitten om hun eigen bestaan te verdedigen, maar het zou van een ongegrond optimisme getuigen, te geloven, dat zij, zelfs als ze als overwinnaars uit de aanstaande en onvermijdelijke oorlog te voorschijn traden, de leiding zonden kunnen nemen, voor een zo geweldige taak als de organisatie van Europa en van de wereld, in de zin van de Westerse cultuur.
Het is zelfs de vraag, of zij nog over de wil beschikken om weerstand te bieden aan de fascistische agressie, en of ze niet te zeer uitgeput zijn, om zelfs nog voor de verdediging hunner directe belangen te vechten en de ontzettende offers te brengen, die daarvoor nodig zijn.
Deze vraag, die men na de even kortzichtige als eerloze ‘vrede van München’ wel gedwongen is te stellen, omdat deze ‘vrede’ door een uitbundige manifestatie van pacifisme in Engeland en Frankrijk gevolgd werd, is daarom van de allergrootste betekenis omdat ‘pacifisme’ altijd het zekerste teken is van een culturele decadentie. Die vraag gaat dus ver uit boven de kwestie, of Engeland en Frankrijk nog de kracht zullen hebben zich tegen het fascisme te verzetten. Want men is wel gedwongen verder te redeneren en te vragen: als Frankrijk en Engeland, de stamlanden der Westerse cultuur, zo zichtbaar in een toestand van deca-
dentie verkeren, is dat dan niet het beste bewijs, dat die gehele Westerse ‘demo-liberale’ cultuur in haar laatste stadium gekomen is, en moeten wij dan het fascisme niet zien als die, thans nog barbaarse, oerkracht, die de historische functie heeft, een verrotte wereld te vernietigen, opdat ruimte kan ontstaan voor een nieuwe, frisse, jonge, levenskrachtige cultuur? Is dan het snelle en blijkbaar onweerstaanbare succes van het fascisme niet voor de hand liggend, omdat het de toekomst vertegenwoordigt, en spruit ons verzet tegen het fascisme niet voort uit onze onmacht om het nieuwe te begrijpen, dat aan de poorten klopt en waarvan wij, in onze afgeleefde verfijning, alleen het barbaarse zien, zonder in staat te zijn de beloften te beseffen, die deze jonge k