Het fascisme en de nieuwe vrijheid


auteur: Jacques de Kadt


bron: Jacques de Kadt, Het fascisme en de nieuwe vrijheid. Em. Querido's Uitgeversmaatschappij, Amsterdam 1939  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 278]

X. De toekomst der westerse beschaving.

Nu we hebben gezien waarom het fascisme in de naoorlogse wereld kon ontstaan, in hoever het een product is van onze fouten en gebreken, en meer nog van ons gebrek aan deugden, en in hoever het iets dankt aan eigen deugden en meer nog aan eigen vulgariteit, in hoever het z'n uitgangspunt vindt in gerechtvaardigde protesten tegen een slechte werkelijkheid en nog slechtere strekkingen, en in hoever het dit gerechtvaardigde protest in een gevaarlijke waanzin wist te doen verkeren; nu we gezien hebben hoe deze syncretistische beweging tot een macht kon worden, en hoe ze tenslotte, niet uit eigen kracht, maar door zwakte, verdeeldheid en kortzichtigheid der tegenstanders, en met behulp van bekrompen, kortzichtige, conservatieve en reactionaire bondgenoten - valse spelers, die door nog grotere meesters in het vals spelen bedrogen zullen worden - de macht in handen krijgt; nu moeten we onderzoeken hoe dit fascisme z'n macht weet te gebruiken, weet te consolideren, en in hoever er mogelijkheden bestaan, dat dit fascisme zou kunnen verdwijnen, door krachten die zich in de fascistische maatschappij ontwikkelen.

Het is bekend genoeg dat het fascisme, zodra het in de gelegenheid is om de regeringsmacht te gebruiken, de regeringsmachine door z'n eigen mensen laat controleren en bezetten, zonder daarbij ook maar het kleinste onderdeel te verwaarlozen. Het fascisme voelt zich niet veilig, zolang ook het kleinste ambtenaartje niet òf fascist is, of in ieder van z'n bewegingen door lieden die fascist zijn, of hun lot met dat van het fascisme verbinden, gecontroleerd wordt. Maar niet alleen moet het oude regeerapparaat geheel en al door fascisten bezet zijn, doch dit apparaat wordt ontzaglijk vergroot, zodat er na enige tijd geen onderdeeltje van de maatschappij meer bestaat, of het wordt door de fascisten gecontroleerd en gedwongen zich te richten en te bewegen naar de wil van

[p. 279]

de heersers. Naast het oude staatsapparaat, of juister, in het verlengde ervan en in de poriën ervan, op alle terreinen die het oude apparaat niet bestreek, ongemoeid liet, komt een nieuw apparaat, niet los staand van het oude, maar er uit voortspruitend, er doorheen en mee samengevlochten, zodat het totaal een netwerk van ongekende dichtheid en stevigheid wordt: het regeringsapparaat van de totalitaire staat.

Totalitair wordt die staat, niet alleen omdat ze zich met alles, met iedere levensuiting, met de politiek en de economie, met de opvoeding en met de kunst, met de filosofie, het recht, de religie, de moraal, het gezinsleven, het sexuele leven, de sport, het gebruik van de vrije tijd, werkelijk met alles, bemoeit. Dat is al verschrikkelijk genoeg en dat zou reeds voldoende zijn om het leven in zo'n staat ondragelijk te maken voor allen die op bepaalde gebieden zelf iets presteren, en die op dat gebied dus geen lesjes, laat staan bevelen, van de staat nodig hebben. Maar werkelijk totalitair wordt een staat eerst, als ze niet alleen zich met alles bemoeit, maar ook iedere andere bemoeiïng belet, als ze het monopolie van bemoeiïngen, het monopolie van levensuiting heeft.

Het fascisme roeit alle politieke organisaties, behalve de fascistische partij, met wortel en tak uit; z'n concentratiekampen zijn vol met actieve tegenstanders van het régime. Het heeft begrepen dat men politieke partijen kan vernietigen, door ze niet alleen iedere bewegingsmogelijkheid - vereniging, vergadering, drukpers - te ontnemen, en iedere propaganda of meningsuiting te beletten en verder nog te straffen met opsluiting of met doodvonnissen, doch door bovendien nog de leiding en het kader dier partijen, alle actieve elementen, op te sluiten of om te brengen. Het weet, dat het op die wijze niet alleen de organisaties vernietigt, maar ook de ‘geest’ van z'n tegenstanders. Want wat is een ‘geest’, als ze geen ‘lichaam’ meer heeft, geen lichaam kan vinden, als iedere poging tot materialisatie van de geest, direct ontdekt en vernietigd wordt? "Wat is een geest, als die geest zich niet openbaren kan, als mensen nog wel ‘anders’ kunnen denken, maar als geen twee mensen elkaar meer in het oor durven fluisteren dàt ze anders denken, niet in een partij, niet in een vakvereniging, in een fabriek, op een kantoor, een laboratorium, een magazijn, niet in een sportvereniging, in een reisgezelschap, een liefhebberij-orkest, zangvereniging, leesclub, niet in een café, op een wandeling, of in de huiskamer - omdat er altijd iemand

[p. 280]

luisteren kan, die een aanhanger van het régime is, omdat niemand meer te vertrouwen is, geen man, geen vrouw, geen land. De mens is een sociaal wezen, de mensengeest is sociaal, ontstaat sociaal, plant zich sociaal voort. Ontneem hem iedere sociale mogelijkheid en ge houdt niets over, dan, gedurende nog één generatie, een aantal eenzamen die geestelijk verhongeren en uitdrogen. In de volgende generatie nog een paar zonderlingen. Dan, niets meer. De geest is onsterfelijk, de geest overwint - dat zijn liberale waarheden. In een liberale maatschappij, kan niets op den duur de geest weerstaan, omdat de geest, indien hij politiek onderdrukt wordt, duizend maatschappelijke schuilplaatsen en groeiplaatsen vindt, in het dagelijks leven, in het intieme verkeer, in het culturele verkeer, in de economie. En van uit die schuilplaatsen komt hij weer naar de openbaarheid, naar de politiek. Maar in een totalitaire staat is met ieder van die duizend mogelijkheden rekening gehouden. Die staat is juist totalitair, omdat hij in ieder van die duizend ‘schuilhoeken’ binnentreedt, z'n macht vestigt en als een speurhond achter de ‘vrije geest’ aanrent, hem inhaalt en de strot afbijt - niet van de ‘geest’, maar van de mensen die de dragers van die geest zijn. De ‘geest’, dat zijn mensen. En het fascisme - net als het andere moderne totalitarisme, het stalinisme, - vernietigt die mensen. Waarna de geest de aarde verlaat en tot God terugkeert, als men met alle geweld de fictie van de ‘onsterfelijke geest’ wil handhaven. Het fascisme, zo zou men, in de bij deze fictie behorende terminologie, kunnen zeggen, kan de geest niet vernietigen, maar wel, van deze aarde verdrijven. Wat naar onze mening op hetzelfde neerkomt.

 

In dit opzicht nu heeft het moderne totalitarisme iets ‘nieuws’ gebracht, waardoor het zich van de oude despotismen onderscheidt. Het nieuwe zit hierin, dat het despotisme wel naar hetzelfde streefde (de onderdrukking van iedere oppositie), maar het niet kon bereiken, omdat het noch over het inzicht in de maatschappij, noch vooral over de techniek der onderdrukking beschikte, die bolsjewisme-stalinisme en fascisme bezitten en gebruiken.

De oude despotismen wisten meestal niet, dat het gebied van de economie een schuilplaats en een krachtcentrum voor rebellen zou kunnen worden. Zij meenden heel verstandig te zijn, als ze kooplieden en fabrikanten rijk lieten worden en ze van tijd tot

[p. 281]

tijd zware belastingen lieten betalen of uitschudden. Ze begrepen niet, dat daardoor een wereld bleef bestaan, naast hun eigen politieke wereld, een wereld waarin de verzetgeest kon leven en groeien. Ze wisten ook niet, dat zij, in hun praalzucht en ijdelheid ‘kunsten en wetenschappen’ beschermend, en verheugd als ze kunstenaars en geleerden tot lippendienst konden bewegen of dwingen, dat ze dan voldoende overlieten van het rijk der cultuur, om hun vijanden een levens- en groeikans te geven. Ze wisten niet, als ze de religie gebruikten om de heiligheid van hun gezag te doen verkondigen, dat die religie óók elementen bevatte, die een bijdrage tot de verzetgeest vormden. Ze waren zélf bevangen in een eerbied voor de geest, die tot aarzelingen moest voeren zodra ze met religie, met kunst, met wetenschap te maken hadden.

Ze waren op die gebieden slechts halve despoten, geen totalitaire despoten. Ze hadden ook een zekere eerbied voor de bestaande moraal, zeden en gebruiken, die er toe leidde dat hun bemoeiïngen met het dagelijks leven, met het gezin, slechts incidenteel, niet voortgezet en systematisch en totaal waren. Ze waren bovendien meestal militairen, die geen begrip hadden van de betekenis der economie, en die niet in staat waren tot een ononderbroken bemoeiïng op dit gebied.

Maar zelfs als ze het inzicht hadden bezeten, dat onze moderne totalitairen hebben, als ze bevrijd waren geweest van hun eerbied voor het geestelijke, zoals dat met onze moderne despoten het geval is, dan nog zouden ze niet over de technische middelen beschikt hebben, om een enigszins uitgestrekt gebied op deze wijze te beheersen.

 

Een régime dat nog het meest overeenkomt met het moderne totalitarisme, had men in Sparta, d.w.z. op provinciale schaal. Daar was het gehele leven, ook de economie, ook de consumptie, ook de betrekkingen tussen personen, ook de cultuur (voor zover aanwezig), aan vaste regels onderworpen, die voor allen golden, en die de consolidatie der bestaande toestanden en de militaire sterkte van de staat beoogden. Dit totalitair régime gold echter alleen voor de heersende klasse, en het was dus niet een stelsel dat zich over de gehele bevolking uitstrekte. De slaven en de halfvrije boeren werden niet volgens totalitaire, maar volgens gewone despotische methoden geregeerd, zij het dan ook dat de totalitaire

[p. 282]

groep wat meer eenvormigheid in de onderdrukkingsmethoden legde dan elders het geval was.

Dit hele provinciale staatje echter was zo klein, dat het gemakkelijk van uit het centrum overzien kon worden. En toch was het totalitarisme, (getemperd door de algemeen geldende Griekse tradities en religieuze opvattingen, die voor de leden der herenklasse iets van de vrijheden lieten bestaan welke in de primitieve democratie van barbaren-stammen aanwezig zijn), alleen maar mogelijk, op een armzalige agrarische grondslag, ten koste van alle comfort, verfijning en cultuur. Toen Sparta, zijns ondanks, een wereldmacht werd, bleek het stelsel onhoudbaar, niet toe te passen op grotere schaal. En Sparta verloor eerst z'n wereldpositie, om daarna te verschrompelen en roemloos onder te gaan. Maar behalve Sparta, kent men geen despotisme, dat zó tot in onderdelen georganiseerd was, dat men het met een totalitair régime zou kunnen vergelijken. Men kent in het verleden wèl hiërarchieën, zoals de Egyptische, die sterk gereglementeerd waren, maar hier hebben we, een in de loop der eeuwen gegroeid despotisme, waarin het volk allengs z'n vrijheid verloren heeft, en aan vrijheid verliest wat het aan georganiseerde religie wint. Maar ook hier kan men zich bepalen tot een globale heerschappij over de massa, de Godsdienst zorgt voor heerschappij over de geesten; en de tevredenheid van de massa blijkt gemakkelijk te bewaren - ontbreekt ze een enkele keer dan is geweld gemakkelijk toe te passen. De vrijheid is langzaam ingesluimerd. Wellicht hebben we hier een toestand die enigszins vergelijkbaar is met wat wij zouden krijgen na vele generaties fascistische heerschappij. Met dit verschil, dat de Egyptische maatschappij, zowel voor de heersende als voor de onderdrukte klassen, een grotere mate van individuele bewegingsvrijheid kent, dan de totalitaire systemen geven. Wat ons in de totalitaire systemen het eerst treft, is hun capaciteit in het onderdrukken van opstandige, naar vrijheid verlangende bewegingen, en in dit opzicht zijn zij niet te vergelijken met een systeem als het Egyptische, waarin van opstandigheid niets te bemerken valt, omdat het eerst in de historie treedt, als de vaste ordening reeds verkregen is.

We moeten daarom voor het zoeken naar een analogie, later gevormde rijken nemen, de rijken der Assyriërs, Perzen, die van de Hellenistische en de Romeinse periode, de absolute monarchieën van latere tijden, van Byzantium tot het Tsarenrijk.

[p. 283]

Hier zien we, dat geen enkel machtsapparaat er in slaagt dergelijke rijken volkomen te beheersen. Iedere despotie werkt - zolang ze nog krachtig is - als een grove zeef, die alle grote stukken verzet opvangt en tegenhoudt; maar zolang het verzet fijner is, kan men het niet ontdekken, niet opsporen. Ieder rijk heeft z'n bijna ontoegankelijke gebieden, bergen, wouden, moerassen, woestijnen, die een wijkplaats bieden; alle grote steden hebben wijken, die niet in alle finesses kunnen worden gecontroleerd; hier is het een kasteel van een edelman, daar een hoeve, ginds een klooster, elders een universiteit, die een zekere mate van toevlucht en veiligheid bieden voor mensen met afwijkende meningen. Een apparaat, uitgebreid genoeg om alles te controleren en te onderzoeken, is voor geen enkele staat te dragen, het zou de inkomsten van de grootste rijken verteren, want de productie is nog te weinig ontwikkeld om zulke lasten te kunnen dragen. Grote groepen der bevolking staan onverschillig of vijandig tegenover de heersers, en omringen de vijanden van het régime met een sfeer van welwillendheid en hulp. De heersers en hun trawanten stuiten overal op vijandigheid of lijdelijk verzet. En al is dit alles niet voldoende om een régime ten val te brengen, het is voldoende om een leven naast het régime mogelijk te maken: de ‘geest van verzet’ kan blijven leven in de talloze ‘niemandslanden’ der maatschappij, wachtend op betere tijden.

Hoe kan men in een maatschappij, die geen grotere snelheid kent dan het paard, een uitgestrekt rijk tot in alle uithoeken contrôleren; hoe kan een betrekkelijk klein corps van bureaucraten alles nagaan wat in de huizen en in de binnenkamers geschiedt? Als men er niet in slaagt de gehele bevolking, door een algemeen aanvaarde ideologie, tot instemming met de bestaande toestanden te bewegen, en dit is, behalve in Egypte en tot op zekere hoogte in China, nergens het geval geweest, is de maatschappij oncontrôleerbaar.

Later, als de techniek zich ontwikkelt, de arbeid productiever wordt, kan het regeringsapparaat uitgebreid worden en is de contrôleringstechniek verfijnder. Maar juist die technisch-industriële ontwikkeling vindt plaats onder voorwaarden die een grotere individuele vrijheid nodig maken, onder voorwaarden die tot een kapitalistische maatschappij leiden.

En nu staan de regeringen voor deze moeilijkheid: als ze hun druk op de maatschappij vergroten, maken ze de kapitalistische ont-

[p. 284]

wikkeling onmogelijk, en zonder die ontwikkeling kunnen ze geen goed functionerend contrôle-apparaat in stand houden. Ze moeten dus het kapitalisme een zekere armslag geven, maar daardoor moeten ze tevens de opstandige ‘geest’ levensmogelijkheden geven. Het Tsaristisch Rusland is het sprekende voorbeeld van een dergelijke toestand1). En hier zagen we, dat in een maatschappij met kapitalistische structuur, ondanks spoorwegen, telefoon, auto's, telegraaf e.d., geen volledige controle van een ontevreden volk mogelijk is.

 

Eerst de Bolsjewiki hebben het probleem der ‘volledige contrôle’ - een andere uitdrukking voor ‘permanente en tot in alle onderdelen georganiseerde terreur’ - nagenoeg opgelost. Daarvoor was nodig:

1e. Dat de heersende groep over een tamelijk grote actieve aanhang in het volk beschikt, een ‘partij’ die de regering met geestdrift en hartstocht helpt bij het opsporen van gevaarlijke elementen. De despotieën van vroeger moesten dit werk doen, met een kleine heersende kaste plus betaalde helpers; thans is de heersende kaste groter, het aantal betaalde helpers kan groter zijn, en hierbij komen dan nog de talrijke vrijwilligers.

2e. Moet de heersende groep, door middel van de staat, het economische leven volkomen beheersen en contrôleren. Zonder dergelijke maatregelen is men steeds afhankelijk van de meesters der economie, men moet deze bepaalde vrijheden geven, en zo blijft de toestand bestaan van een despotie met vrije eilanden, van welke vrijheid dan de ontevredenen gebruik kunnen maken. Zonder uitbreiding van het collectivisme tot in de economische sector is geen volledige contrôle mogelijk. Tegelijkertijd moet de contrôle over de andere sectoren versterkt worden.

Dit brengt ons bij 3e. De toepassing van alle hulpmiddelen der moderne techniek in het onderdrukkingsapparaat, zodat het beheerste gebied vrijwel volkomen van de buitenwereld wordt afgesneden, terwijl iedere sector ervan systematisch onderzocht kan worden. Alle ongewenste elementen kunnen verwijderd, zo nodig gedood of in gevangenissen opgesloten, in andere gevallen

[p. 285]

in concentratiekampen worden geïsoleerd. Vooral het concentratiekamp geeft de mogelijkheid, grote aantallen onschadelijk te maken, en ze bovendien nog bepaalde werkzaamheden in dienst van het régime te laten verrichten (aanleg van wegen, kanalen, versterkingen e.d.), waardoor de gevangenen in staatsslaven worden veranderd en productief zijn. De behandeling der gevangenen in de concentratiekampen, is dan van dien aard, dat de terugkerenden bijna steeds geestelijk en lichamelijk gebroken zijn, zodat ze dus een waarschuwing vormen voor allen die neiging tot verzet hebben. Daardoor en door de geruchten die uit de concentratiekampen naar buiten komen, zijn deze een voortdurende aansporing tot gehoorzaamheid en onderwerping.

 

Doch dit alles is nog maar één kant van de werkzaamheid der moderne despotie, de negatieve kant.

Veel belangrijker is de positieve kant, de voortdurende beïnvloeding der bevolking door de heersers.

Terwijl dus aan de ene kant, het gebied van de buitenwereld wordt afgesneden, de ontevredenen worden opgespoord, vernietigd of geïsoleerd, wordt aan de andere kant iedere levensuiting op een voor de staat gewenste wijze georganiseerd.

Dat de opvoeding van de gehele jeugd, het voorbereidend en lager onderwijs, geheel en al in de geest van het régime wordt gegeven, spreekt vanzelf, Maar hiermee is men niet tevreden. Ook de vrije tijd van de jeugd wordt onder staatscontrôle geplaatst. Het kinderspel wordt in jeugdverenigingen georganiseerd, die de kinderen geheel en al in militaire zin bezig houden, volgens de principes dat gehoorzaamheid de hoogste deugd is, dat lichamelijke ontwikkeling veel belangrijker is dan geestelijke ontwikkeling, dat denken iets minderwaardigs is, voor zover het niet bestaat in het accepteren van wat de leiders der jeugd verkondigen.

Het kind wordt dus, in de gevoelige leeftijd, geheel en al geladen met ‘staats-deugden’, en zoveel mogelijk onttrokken aan de ‘verderfelijke’ invloed van het gezin, dat én oude tradities van vrijheid, én individuele trekken zou kunnen aankweken.

De fabrikatie van de ‘massa-mens’, volgens een vast cliché, begint dus bij de jeugd en ze wordt systematisch voortgezet. Van de kinder-organisaties gaat men over naar de jeugdorganisaties, vandaar naar de arbeidsdienst, d.w.z. naar ‘concentratie-kampen met betere behandeling’ waar opnieuw ‘gehoorzaamheid’ en

[p. 286]

‘lichamelijke arbeid’ de alles dominerende beginselen zijn, dan naar de militaire dienst, waar dit alles nog eens extra wordt aangedikt.

De zo opgevoede staats-mens, komt er al bijna automatisch toe, z'n werkzaamheden in fabriek, bedrijf, op hoeve of kantoor, als staatsdienst te beschouwen, maar bovendien is hij. ook daar georganiseerd in het ‘arbeidsfront’ of in ‘arbeiders-corporaties’, in de door de staat beheerste en gecontroleerde vakverenigingen. Niettemin is het nodig er voor te zorgen, dat hij in z'n vrije tijd niet aan de beïnvloeding ontsnapt. Vandaar dat z'n vrije tijd georganiseerd is, dat hij in ‘Dopolavoro’ of ‘Kraft durch Freude’ z'n vermaaks-organisaties vindt, vacantie houdt en op reis gaat met z'n organisatie, z'n avonden in die kring doorbrengt. Grijpt hij naar een krant, hij grijpt altijd een regeringskrant, andere zijn er niet meer. Uit de bibliotheken zijn de ‘gevaarlijke’ boeken verwijderd, en bovendien is er voorlichting en contrôle met betrekking tot z'n lectuur.

Luisteren naar een ander radioprogramma dan dat van z'n eigen land, is verboden en gevaarlijk. En als men naar het geoorloofde programma luistert, hoort men slechts geoorloofde dingen, zoals men ook slechts geoorloofde films, toneelstukken, romans, etc. etc. tot z'n beschikking heeft.

De middelbare scholen en universiteiten moeten natuurlijk een iets grotere bewegingsvrijheid geven, maar de luxe-staatshondjes aan kettingen van tien meter, zijn niet zo erg veel vrijer dan de huis en tuin-honden aan kettingen van één meter. Ook zij hebben trouwens hun organisaties, die wijzen op de plichten welke de ‘geleerden’ t.o.v. het régime hebben.

Bij dit alles komen dan nog de propaganda-campagnes van het régime, de radio-toespraken van de leiders waarnaar ieder verplicht is te luisteren, de nationale gedenkdagen en feesten, die het hele land overdekken met vlaggen, muziek, demonstraties en redevoeringen, in de geest van het régime.

Misschien kunnen mensen, die reeds geestelijk gevormd waren toen het fascisme aan de macht kwam, deze geweldige druk weerstaan. Maar hoeveel kans is er, dat kinderen, opgevoed onder het régime, mensen die nooit iets anders gekend hebben, tot opvattingen komen, die afwijken van de algemeen geldende? En als ze al tot afwijkende opvattingen zouden komen, wat kunnen ze en wat moeten ze er mee doen? Ze kunnen slechts, bij gebrek aan aan-

[p. 287]

knopingspunten, vrienden, lectuur, tot uitingen komen waardoor ze hun ketterse gezindheid verraden, en zichzelf overleveren aan de altijd waakzame mensen en organisaties, die de staat beschermen tegen alle gevaren.

De ongehoorzame, ketterse, mens heeft geen andere kansen meer, dan de dood, de gevangenis, het concentratiekamp.

De conformist daarentegen, heeft alle kansen die de maatschappij maar bieden kan. Als hij ijverig en vlug van begrip voor de geopenbaarde waarheden is, kan hij uit de jeugdorganisatie naar de partij overgaan, en als hij zich daar voorbeeldig gedraagt, staan alle mogelijkheden die het régime geeft, voor hem open.

 

De partij, is in de totalitaire staten een zeer bijzonder lichaam, doch geenzins van zo gecompliceerde aard, als de geleerden, die talloze verhandelingen hebben geschreven over de betrekkingen tussen partij en staat, veronderstellen. Wie die betrekkingen juridisch wil vaststellen, stuit op moeilijkheden, want zelfs in Italië, waar de partij een grondwettelijk omschreven functie heeft, kan men de betekenis der partij niet uit de wet, doch alleen uit historie en praktijk leren kennen.

Historisch is de partij de vereniging van de lieden die het fascistisch régime hebben voorbereid en ingesteld, de belichaming van de fascistische idee, en dus, in het groot gezien, het verbond van de fascisten uit overtuiging - al is, bij het groter worden van de kansen op de macht, het aantal aanhangers uit berekening natuurlijk reeds zeer aanzienlijk geweest. Maar de kern der partij wordt gevormd door fascisten uit overtuiging, en deze lieden stellen zich, na aan de macht te zijn gekomen, ten doel de hele maatschappij naar hun opvattingen in te richten, van hun geest te doordringen en van andersdenkenden te zuiveren.

De partij is dus het verbond van de trouwste en energiekste aanhangers van het fascisme. Zodra ze de macht veroverd heeft, kan ze zich niet meer, zoals vroeger, aanvullen met vrijwilligers - ze zou overstroomd worden door conjunctuur-fascisten. Ze kan zich alleen aanvullen, door uit de massa van de adspiranten, diegenen uit te zoeken die de meeste waarborgen bieden voor de trouw aan het régime en voortzetting van het régime in de geest van de mythe. Ze is en blijft dus de selectie van de zuiverste fascisten, en ze heeft tot taak overal en alles te contrôleren op fascistische zuiverheid. Aangezien die zuiverheid z'n uitdrukking vindt in den

[p. 288]

Leider, en, van hem uitgaand, in de hogere en lagere onderleiders en kaderleden, heeft ze tot taak de bevelen van den Leider en het kader strikt toe te passen, en in alle staatsorganen en maatschappelijke organen aanwezig te zijn, niet alleen als contrôlerende, maar ook als stimulerende factor. Extra betrouwbaarheid en extra ijver voor het régime zijn haar kenmerkende eigenschappen, en zo wordt ze dus op den duur tot een georganiseerde heersende klasse, wier functie het handhaven en versterken van de fascistische heerschappij is. Op den duur moet de partij de betrouwbare en energieke heden leveren, die alle enigszins belangrijke maatschappelijke functies bezetten. Zolang ze dat nog niet kan, omdat het aantal technisch geschoolde lieden dat de partij oplevert nog te gering is, moet ze de technici, op economisch, militair en cultureel gebied, contrôleren, en er voor zorgen dat deze hun machtsposities niet tegen of ten nadele van de partij gebruiken. Het doel is dus: een partij van trouwe, energieke en bekwame lieden; maar trouw en energie zijn het eerst nodige, want, vóór alles, gaat de zekerheid van het régime.

Zo heeft het régime dus de beschikking over een dubbel apparaat: ze heeft het gewone staatsapparaat, dat alle regeringen bezitten, een zeer groot apparaat, omdat de staat zich met alles, politiek, leger, economie, cultuur bemoeit. En ze heeft daarnaast een selectie van getrouwen die op leven en dood met het régime verbonden zijn.

De fascisten weten, dat de val van het régime niet alleen betekent dat zij hun bevoorrechte posities, hun baantjes, kwijt raken. Ze weten ook, dat in zo'n geval alle aanhangers van het régime, de leden der partij, rijp zijn voor schavot, gevangenis of concentratiekamp. Vandaar dat ze tot iedere prijs het régime zullen handhaven, dat ze voor niets zullen terugdeinzen om pogingen tot opstand te bedwingen. En aangezien ze dit weten, zullen ze alle belangrijke posities van militaire en industriële aard, òf alleen aan eigen mensen toevertrouwen, òf zo zorgvuldig contrôleren dat gevaar voor het régime uitgesloten moet zijn.

 

Als we nu dus nogmaals de nieuwe despotieën overzien, dan vinden we als hun kenmerken, dat de heersende groep streng georganiseerd is, alle sleutelstellingen bezet, zwaar bewapend is, en over alle middelen der moderne techniek beschikt. We vulden verder, dat de staat, in handen van die heersers, alle maatschappelijke

[p. 289]

gebieden beheerst of contrôleert en geen enkele levensmogelijkheid terzijde van de staat meer toelaat. Het staatsapparaat is zo innig verbonden met het nieuwe régime, dat de val van dit régime ook voor allen die dit apparaat vormen, een gevaar, of op z'n minst een onzekerheid voor het behoud van de functie betekent, zodat het bestaan van een talrijke groep afhangt van het voortbestaan van het régime. Wij vinden daarenboven dat het régime de opkomende generatie volkomen in zijn geest opvoedt, en een voortdurende geestelijke druk uitoefent op jongeren en ouderen, ze allen isolerend van iedere andere wereldbeschouwing. We voegen er aan toe, dat de grote massa der mensen, van nature niet tot zelfstandigheid en het zoeken van eigen wegen geneigd is, doch tot het volgen van het in hun omgeving gebruikelijke. Alleen door het werken van een nonconformistische élite, komt de massa op den duur tot wijzigingen in haar levenshouding. Die élite wordt door het fascisme uitgeroeid, bewaakt en voor zover mogelijk - de nieuwe generatie - in zich opgenomen. We zien bovendien, dat het fascisme, door z'n economische organisatie, in staat is, een einde te maken aan de werkloosheid, en de arbeiders-massa een verzekerd, zij het dan ook voorlopig schamel, bestaan te geven en zo bij die massa een zekere tevredenheid en angst voor diepgaande veranderingen te doen postvatten. We zien ook, dat de oude en nieuwe middenstand door het fascisme bevredigd worden in hun standsgevoel, in hun verlangen naar bescherming tegen het proletariaat, terwijl bovendien het staatsapparaat en het partijapparaat geweldige mogelijkheden openen voor de nieuwe middenstand, en de jongere generatie van de oude middenstand. Zodoende is het aantal werkelijk diep ontevredenen met het fascistisch régime niet zeer groot, terwijl die ontevredenen geatomiseerd en machteloos zijn. Het aantal aanhangers van het régime en het aantal lieden wier bestaan en leven van z'n behoud afhangen, is aanzienlijk, en dit aantal is door z'n organisatie en door z'n bezit van alle machtsmiddelen, gemakkelijk in staat om iedere ontevredenheid te onderdrukken.

Als we ons nu nog herinneren, dat het fascisme het gehele volk toenemende welvaart en heerlijkheid belooft, doordat het de positie van dit volk in de wereld zal versterken, om ten slotte tot wereldheerschappij en alle daaruit voortvloeiende machtsgevoelens en materiële voordelen te komen, dan is het gemakkelijk te begrijpen, dat een dergelijk régime op den duur, naast een zeer

[p. 290]

grote aanhang en een massa voor het régime ongevaarlijke meelopers, slechts een klein aantal blijvend ontevreden en diep ontevreden tegenstanders overhoudt. Het oude anti-fascisme sterft af, wordt uitgeroeid, is machteloos. De nieuwe generatie kent niets anders meer dan het fascisme. Geen ontevredenheden krijgen kans tot een nieuw anti-fascisme uit te groeien.

De geschiedenis leert ons, dat zelfs het oude despotisme., hoe slecht ook georganiseerd, hoe gering ook vaak z'n aanhang, niettemin vaak eeuwen lang z'n macht kon handhaven, en slechts een heel enkele keer door de, in z'n eigen gebied heersende, ontevredenheid ten val werd gebracht. Meestal waren het oorzaken van buiten - oorlogen -, of een combinatie van externe en interne moeilijkheden die zo'n despotisme ten val brachten.

Waarop berust dan de verwachting dat het fascisme - of het bolsjewisme om nogmaals aan het bestaan van dit type van totalitair despotisme te herinneren - door krachten opkomend uit z'n eigen gebied, door ontevredenheid van het eigen volk, ten val gebracht zou worden?

 

Waarop berust de verwachting, dat een ‘proletarische revolutie’ - notabene van een proletariaat zonder eigen partijen en organisaties, een proletariaat dat een vast bestaan heeft en dat geheel en al in militaire en half-militaire organisaties is samengevat en zo bewaakt - een einde zou maken aan de sterkste staatsmacht die de wereld nog ooit gekend heeft?

Deze en dergelijke verwachtingen hebben geen enkele reële ondergrond. Ze berusten ten dele op de hardnekkigheid waarmee hopeloos verouderde proletarische en marxistische socialisten aan hun geheiligde tradities vasthouden: het proletariaat moet de revolutie maken, het kapitalisme vernietigen en het socialisme brengen.

Weliswaar heeft ‘het proletariaat’ nog nooit in een of andere moderne staat een revolutie kunnen maken, anders dan in aansluiting op een door die staat verloren oorlog. Weliswaar is het fascisme geen kapitalisme meer, doch een, zich in de richting van een ‘socialisme-zonder-vrijheid’ ontwikkelende, door de staat, en volgens het staatsbelang, geleide economie; maar waar moeten de armen van geest nog aan geloven, als zelfs de tegenstelling ‘kapitalisme-socialisme’ niet meer geldig blijkt te zijn? Weliswaar bewijzen én fascisme én bolsjewisme, dat er een soort

[p. 291]

van totalitair, despotisch collectivisme mogelijk is, dat aan de economische definitie van ‘socialisme’ voldoet, en dat ons daardoor laat zien, dat socialisme-zonder-meer, een triest ideaal, zo al niet een gevaarlijk ideaal is. Maar de armen van geest blijven hun proletarische revolutie tegen het fascisme verwachten, omdat ze anders zouden moeten erkennen dat ze geen toekomst meer hebben, dat ze geen begrip meer hebben van de ontwikkelingsmogelijkheden der maatschappij, en dat ze dus opnieuw zouden moeten gaan bestuderen en denken, inplaats van troost te vinden bij de alleen-zaligmakende schema's en uitspraken van Marx. Voor een ander gedeelte, berusten dergelijke verwachtingen, op de denkluiheid en geestelijke lafheid van ouderwetse liberalen en democraten, die, als ze deze verwachting opgaven en erkenden dat het fascisme niet aan eigen tegenstellingen ten onder zal gaan, rekening zouden moeten houden met een langdurig bestaan van het fascisme, met een reeks van pogingen der fascistische staten om hun macht uit te breiden ten koste van de liberale en democratische staten, d.w.z. met oorlog. En allen die weigeren met dit alternatief rekening te houden, moeten dus wel geloven dat het fascisme door interne tegenstellingen ten gronde zal gaan, dat de machteloze democraten en arbeiders een zwaar gewapend régime zouden omverwerpen! Of, aangezien zoiets rijkelijk utopisch is, dat de industriëlen en grondbezitters, de kerken en andere conservatieve of reactionaire instellingen, alleen, of samen met de arbeiders en met het officierscorps, met de legerleiding, een eind zouden maken aan de heerschappij der fascisten.

 

Het loont nauwelijks de moeite deze verwachtingen te confronteren met de werkelijkheid. De werkelijkheid, is niet alleen, dat de arbeiders-bevolking ten dele tevreden, voor een ander gedeelte onverschillig of verbitterd, maar als geheel machteloos is. De werkelijkheid is ook, dat de andere ‘machten’, op wie de hoop gevestigd is, stervende machten zijn. Het waren machten, zolang ze de leiding van de staat in handen hadden, of zolang deze zich in handen van hun geestverwanten bevond. Toen ze de staatsmacht aan de fascisten overgaven, tekenden ze hun eigen doodvonnis. Toen bleek, dat de gangbare voorstelling, dat de staat een werktuig is van kapitalisten, clericalen, militairen etc, slechts een schijnwaarheid is, ontstaan doordat de staat z'n eigen belangen het best meende te dienen door grondbezitters, bankiers,

[p. 292]

industriëlen, clericalen, hoge militairen, zoveel mogelijk te steunen en daarvoor in ruil ook weer hun steun - in 't algemeen - te ontvangen. Maar terwijl de staat bestaan kan zonder de steun van kapitalisten, clericalen etc, kunnen zij niet zonder staatshulp bestaan. En zo zien we dat, zodra het fascisme de staatsmacht in handen heeft, de macht van al die andere groeperingen begint te tanen. De kerken, als de best georganiseerde, over de meeste aanhangers beschikkende macht, pogen met het fascisme tot overeenstemming te komen, wat op den duur niet gelukt, want het fascisme erkent ook op ‘geestelijk’ gebied geen macht naast zich: ‘Er is maar één God en Mohammed is zijn profeet’ - Er is maar één uitverkoren volk, dat de aardse God is, en de Leider is z'n profeet1). Maar de kerken, of ze nu al compromis of strijd kiezen, blijken niet bestand tegen het verenigde geweld van de nieuwe mythe en de staatsmacht. Ze verliezen snel hun massaaanhang en worden óf aanhangsel van de fascistische staat, óf groepen van een handjevol innig overtuigden, groepen die nog merendeels uit ouderen bestaan. Wat zal, na enige generaties, nog van die kerken over zijn? Als machten tegen het fascisme; hadden ze kunnen en moeten optreden om het fascisme te beletten aan de macht te komen - nu zijn ze stervende machten.

Niet anders staat het met de kapitalisten. Ook zij hebben het ogenblik om hun macht te gebruiken laten voorbijgaan, en in hun bekrompenheid het fascisme vaak nog gesteund. Nu hebben ze de keus als helpers van het fascisme op te treden, of vernietigd te worden. En de jonge generaties uit het kapitalistisch milieu, gebruiken hun betrekkelijk bevoorrechte posities, om in het staatsapparaat binnen te komen en zich met het fascisme te verbinden. Wie tegenstand biedt wordt vernietigd. En als het fascisme dit doet, wint het nog aan populariteit bij de grote massa, want dan is het ‘anti-kapitalistisch’, wat voor de massa hetzelfde is als ‘socialistisch’. Van deze, wanhopig om hun voordeeltjes kruipende kapitalisten, te verwachten dat ze het fascisme zouden bestrijden, laat staan omverwerpen, dat is alweer een illusie.

En de legerleiding? Daar waar een legerleiding met veel prestige,

[p. 293]

en een gesloten officierscorps is, vormt deze groep een macht waarmee het fascisme in den aanvang rekening moet houden. In den aanvang, doch iedere dag minder. Zolang er een klein beroepsleger is, zou dit in staat zijn, met behulp van andere groepen het fascisme te weerstaan en te verslaan. Laat het die kans voorbijgaan, dan weet het fascisme heel goed hoe het de macht van de beroepsofficieren moet breken, n.l. door het beroepsleger te veranderen in een geweldig volksleger. Dan hebben de officieren weldra niet langer soldaten onder zich, die onder alle omstandigheden de bevelen hunner officieren volgen, doch slechts zolang als die bevelen niet in strijd zijn met die van de hoogste macht, de fascistische staat. Verzetten de officieren zich hiertegen, dan zijn ze rebellen en alle fascistische soldaten, geholpen door de gewapende partij-formaties, zullen die rebellen zonder aarzelen neerschieten. Maar bovendien betekent uitbreiding van het leger, vergroting van het officierencorps, binnentreden van nieuwe, fascistische officieren, die zich tegen de ‘oude kliek’ zonder bedenking zullen verzetten als de staat dit eist. Fascistische officieren en promotie-hongerige officieren, zullen hun trouw aan staat en partij laten merken, telkens als er een wrijving tussen de legerleiding en de staatsleiding ontstaat. En het resultaat is, dat in die wrijving, de legerleiding, (als zelfstandige macht) wordt weggewreven en dat ze, steeds meer fascistisch gezinde opperofficieren en officieren bevattend, tot een instrument van het fascisme wordt. Als dit in de loop van enkele jaren reeds het geval is, dan behoeft men niet te vragen wat er na één of meer generaties, van de zelfstandige macht van het leger zal zijn overgebleven. Men kan dus op z'n best verwachten dat de oppositionele krachten, die in de fascistische maatschappij uit de voorafgaande periode zijn overgebleven, in de jaren die direct op de machtsverschuiving volgen, in staat zouden zijn, het fascisme ten val te brengen, als dit door andere oorzaken, door schokken van buiten, gebroken en in verwarring geraakt is. Men kan moeilijk verwachten dat die oude krachten, zonder hulp van buiten, sterk genoeg zouden zijn om zelfs maar een oppositie van enige betekenis te voeren. Men kan nog moeilijker verwachten dat ze na tien, twintig jaar, na een of twee generaties nog iets zouden kunnen tot stand brengen, ja zelfs nog maar bestaan.

 

Nu kan men natuurlijk z'n hoop vestigen op conflicten in de fas-

[p. 294]

cistische beweging zelf. Maar de structuur dier beweging maakt de kans op verzet van groepen fascisten tegen de centrale leiding, tegen den Leider, nagenoeg nihil. Zolang de leider nog over z'n normale capaciteiten beschikt, is een oppositie: een opstand tegen het fascistische ‘allerhoogste’, tegen het beginsel, en tegen de machtspositie die men inneemt, een machtspositie van wier behoud het bestaan en het leven van al die fascisten afhangt. Dit gevoel, dat oppositie en leiding toch een overwegend gemeenschappelijk belang hebben, maakt dat de opposities óf uit een handvol desperado's bestaan, vastbesloten doch machteloos, óf, als ze groter zijn, zo aarzelend optreden, zo bang zijn voor hun eigen overwinning, dat ze gemakkelijk door de leiding neergeslagen kunnen worden, of wanneer ze zouden zegevieren dit alleen kunnen en willen doen op een wijze die geen fundamentele veranderingen brengt.

En dezelfde factoren werken ook na de dood van den oorspronkelijken Leider. De richting die de meeste waarborgen biedt voor het behoud van de macht, verenigt gemakkelijk de overweldigende meerderheid van de partij achter zich, d.w.z. de partijbureaucratie zorgt er voor, dat de strijd om de opvolging geen catastrofaal karakter aanneemt. (Een voorbeeld hiervan hebben we gezien na de dood van Lenin; al was toen het totalitarisme in Rusland nog niet sterk genoeg om wrijvingen in de heersende partij te verhinderen, de positie van de partij zélf, werd geen ogenblik in het geding gebracht). Ook al zou de een of andere adspirant-leider gebruik willen maken van krachten die buiten de partij liggen, dan nog zou hij eerst die krachten, die door de partij onderdrukt worden, weer moeten vrij maken, en opkweken om ze werkelijk te kunnen gebruiken. En iedere poging hiertoe, brengt hem in strijd met de partij en veroorzaakt zo zijn ondergang. Men kan zich voorstellen dat een figuur van het type Goering, tegen de partij-bureaucratie in, een beroep zou doen op leger, kapitalisten, kerken, maar dan is het nog de vraag of de legerleiders, de kapitalisten, de kerkelijke overheden, de moed en de energie zouden hebben om onmiddellijk met hem in zee te gaan en het partij-apparaat te breken - gesteld dat het nog mogelijk is. En dus, ofschoon het geval niet ondenkbaar is, dat een strijd om de opvolging, tot ondergang van het fascisme zou kunnen leiden, de kans is zo klein, en er zou een dergelijke gelukkige samenloop van omstandigheden voor nodig zijn, dat een anti-fascisme, met

[p. 295]

niets anders dan de hoop op zoveel geluk, inzicht en vastberadenheid aan de eigen kant, en zoveel tegenslag, domheid en aarzeling bij den vijand, niet veel meer reële grondslagen heeft dan de dagdromen der emigranten.

Men moet dus wel tot de conclusie komen, dat de kansen op ondergang van het fascisme, van binnen uit, ongeveer nihil zijn, en dat het gepraat hierover, alleen maar dient om de onwil te Verbergen om zich ernstig bezig te houden met de oorlog. De oorlog is de enige werkelijk grote mogelijkheid tot de ondergang van het fascisme. De oorlog is tevens, in een wereld met fascistische staten, de voor de hand liggende mogelijkheid in de internationale politiek. Maar de oorlog is ook een zaak waarbij de ‘democraten’ zelf betrokken zijn, een zaak die niet op de brede rug van de ‘ontwikkeling’ is af te schuiven. En dus praat men duizendmaal liever over de ‘ontwikkeling’, die in de fascistische landen alles voor ons in orde zal maken, zonder dat we een hand behoeven uit-te-steken, dan over de oorlog, die we zelf zouden moeten voeren.

Aangezien de oorlog echter niet los te maken is van iedere beschouwing over de toekomstmogelijkheden en historische plaats Van het fascisme, kunnen wij ons niet veroorloven deze realiteit te ontvluchten en niets anders dan de interne mogelijkheden voor de ondergang van het fascisme te bespreken, en we zullen dus deze kwestie en alles wat er mee samenhangt moeten onderzoeken. Voor we echter hiertoe overgaan moeten we nog enige opmerkingen maken over de betekenis van het apparaat der fascistische beweging voor de verdere ontwikkeling van het fascisme, mede omdat dit verband houdt met de oorlogsmogelijkheden.

 

De fascistische beweging is, zoals we ons herinneren, als ze aan de macht komt, vrijwel uitsluitend samengesteld uit twee bevolkingsgroepen, n.l. uit de oude en nieuwe middenstand, die het kader, de leiding en een groot gedeelte van de aanhang leveren, en uit de paupers, werklozen en ongeschoolden, die de ‘knokploegen’ en een ander groot deel van de aanhang leveren. Ze is dus samengesteld uit het maatschappelijk aanhangsel en bezinksel, benevens uit een deel der voorhoede-groep; ze mist de grote basis- en middengroep der maatschappij. Haar invloed op deze basis-groep, wordt natuurlijk wel groter door het feit dat het gehele machtsapparaat in handen der fascisten komt, dat de restanten van de

[p. 296]

voorhoede groep, voor zover ze niet uitgeroeid worden, zich onderwerpen. Daardoor wint het fascisme aan prestige, en langzamerhand gaat een deel van de basis-groep, de leiding van de kadergroep volgend, de fascistische opvattingen aanvaarden. Toch is dit maar een gering gedeelte, want men vergeet in de basis-groep niet, dat het democratische kader vermoord of in de concentratiekampen ligt, dat de nieuwe fascisten uit angst of uit carrière-overwegingen tot hun nieuwe houding gekomen zijn, en dat men zelf wel machteloos, verslagen, doch niet overtuigd is, zodat men ook alleen maar uit lijfsbehoud of winzucht het fascisme aanvaardt.

Het fascisme wint dus de basis-groep niet, al biedt deze geen tegenstand en al marcheert ze, uit vrees of uit baatzucht, met het fascisme mee. Deze groep van pl.m. 45 % der bevolking, blijkt slechts voor een klein gedeelte tot een fascistische overtuiging te brengen te zijn. De verdwijning der werkloosheid en de grotere bestaanszekerheid brengen deze groep tot een soort van welwillende neutraliteit t.o.v. het régime en tevens - gevoegd bij de afwezigheid van voorlichting en van uitingsmogelijkheden - tot een politieke onverschilligheid; maar van geestdrift voor het régime valt weinig te merken.

Het fascisme hoopt er in te slagen, de jongere generatie van deze groep, door onafgebroken beïnvloeding, propaganda en organisatie, tot z'n aanhangers te maken, en dit lijkt ons zeer wel mogelijk, zodat dan na een of twee generaties, het fascisme een vaste en brede grondslag zou hebben, en zich over alle maatschappelijke groepen zou uitstrekken. Voorlopig is dit echter niet het geval, en door dit ontbreken van evenwicht en vastheid, behoudt het fascisme het pathologisch karakter, dat het van den aanvang af had, ook nadat het aan de macht gekomen is. Eigenlijk worden de pathologische trekken nog versterkt, want het aan de macht komen, brengt altijd teleurstellingen bij een deel der aanhangers, waardoor de structuur der beweging eenigszins gewijzigd wordt. Teleurgesteld is b.v. een gedeelte van de onderste lagen, de maatschappelijke achterhoede, die gehoopt had, na het aan de macht komen, naar hartelust de beest uit te kunnen hangen, terwijl het fascisme juist in de allereerste tijd zeer voorzichtig moet zijn teneinde niet alle vijanden op een hoop te drijven. Hierdoor ontstaan spanningen tussen de S.A.-klasse en de voorhoede (middenstand, of S.S.-klasse) die met een nederlaag van de S.A. of soortgelijke ‘extremisten’ eindigen, (Roehm), waarna de meerderheid van de

[p. 297]

S.A. zich aan de partij-leiding onderwerpt, doch niettemin een extremistische druk blijft uitoefenen, iedere kans op gewelddadigheden aangrijpt, en daardoor de onvaste en pathologische aard van het systeem accentueert.

Teleurgesteld is ook een gedeelte van de oorspronkelijke kern, die, na het aan de macht komen, de sterker en sterker wordende toevloed van conjunctuur-fascisten bespeurt, en ervaart dat deze conjunctuur-fascisten een macht van betekenis gaan vormen. De ‘idealisten’ van de kerngroep hebben geen begrip voor het manoeuvreren dat in de eerste periode noodzakelijk is, ze kunnen hun opvattingen over de nationale wedergeboorte, moeilijk verenigen met de actie, die aanvankelijk het uiterlijk heeft van een verbond met kapitalisten en militairen tegen de arbeiders. Het ‘socialisme’ dat zij willen, is nergens te zien, de arbeiders blijven onverschillig en vijandig, de S.A. mishandelt machtelozen, wat zij afkeuren, maar blijft ontevreden, omdat ze niet naar hartelust de rijken mag plunderen - (dat is het S.A.-socialisme) - en sommigen hunner verbinden zich dus met de S.A. tegen het kapitalisme, en worden verpletterd, terwijl anderen, die wat meer inzicht hebben, een soort edel-fascistische druk op het régime blijven uitoefenen, en weer anderen teleurgesteld uit de beweging verdwijnen.

Al deze verschijnselen verzwakken de oude fascistische groep, die juist na het aan de macht komen een geweldig apparaat nodig heeft om het staatsapparaat te kunnen overnemen, de bevolking te kunnen contrôleren, de opvoeding, de propaganda etc. te kunhen beginnen. Het resultaat van de verzwakking van de kern en de vergroting van het apparaat, is natuurlijk, dat de conjunctuurfascisten een enorme plaats in dit apparaat gaan innemen. Zowel in de hogere functies, waar de oude en nieuwe middenstand duizenden baantjesjagers leveren, als in de lagere, waar de maatschappelijke achterhoede en de onderste lagen van de arbeidersklasse voor de nodige candidaten zorgen.

Deze conjunctuur-fascisten moeten hun late toetreden tot de beweging compenseren door een geweldige ijver, uitbundige geestdrift, tomeloze energie. Ze zijn bovendien, omdat ze wel weten dat zij bij de val van het fascisme tot de eerste slachtoffers zullen behoren, voortdurend in de weer om alle mogelijke vijanden van het fascisme op te sporen en uit te roeien, en ze zijn in dit opzicht zonder genade. Voeg hier aan toe, dat de maatschappelijke achter-

[p. 298]

hoede toch reeds altijd tot plunderen en mishandelen bereid is, vol sensatiebehoefte en wreedheid is, en men zal begrijpen, dat het fascistisch apparaat, in alle opzichten onevenwichting, extremistisch, tot overmaat van ijver en energie geneigd, én door de toestand waarin het zich bevindt, én door z'n samenstelling, tot alle wreedheden en sadismen overhelt.

 

Maar behalve dus het feit, dat iedere actie, door de leiders van het fascisme op touw gezet, tot beestachtigheden moet leiden, als een apparaat bestaande uit conjunctuur-lieden en ondermensen die actie moet ten uitvoer brengen, heeft dit alles nog een verder gaande betekenis. Terwijl in andere bewegingen, het oorspronkelijke extremisme meestal geremd wordt door een bureaucratisch apparaat, zodat het resultaat een gematigde energie is, krijgt men bij het fascisme een versterking van het oorspronkelijke extremisme, door een extremistisch apparaat. De op zich zelf reeds dynamische aard van alle nieuwe ideeën, die in hun imperialisme de wereld willen veroveren, wordt in het fascisme reeds van den aanvang af, door de vulgariteit van de mythe, door opeenstapeling van irrationalisme en gevoelscultus, extra-dynamisch, duidelijk pathologisch. Als hier dan nog bij komen, het gevoel van onzekerheid, ontstaan door het missen van de sympathie der arbeidersbevolking, en de extremistische druk van het apparaat, dan ontstaat dat ultra-dynamisch, ultra-pathologisch wezen van een fascisme-aan-de-macht, van de fascistische staat. En hiermee hebben we rekening te houden als we de toekomst van het fascisme willen nagaan.

Aan de ene kant hebben we dan deze ongeëvenaarde ophoping van dynamische krachten, aan de andere kant het verlangen naar orde, veiligheid, regelmaat, zekerheid, waardoor een ander gedeelte van de bevolking - de oude middenstand vooral - naar het fascisme gedreven werd. Zonder die orde en de daarbij behorende welvaart, loopt het fascisme gevaar dit deel van z'n aanhangers te verhezen en nooit de grote massa te kunnen winnen of te behouden. Men moet dus, met dynamische middelen, een politiek voeren, die een grote geordende en welvarende staat kan scheppen.

Anders gezegd: men moet imperialistisch zijn, zowel door de drang van de actieve groepen die het régime z'n apparaat en z'n geestdrift geven, als terwille van de passieve groepen, die men al-

[p. 299]

leen door toenemende welvaart, met het régime kan verzoenen. Wilde men alleen welvaart, men zou die kunnen nastreven, door een economische organisatie van de staat die men beheerst, door een socialisme, zoals de arbeiders en de oude middenstand zich dat voorstellen, een vreedzaam samenleven met andere volleen, en een tevreden leven op de grondslag ener georganiseerde productie. Maar dit is ongeveer het maag-socialisme waartegen de kern der fascistische beweging zich altijd verzet heeft en zal blijven verzetten.

Wilde men alleen dynamiek, men zou die misschien zeer lang kunnen verkrijgen door de inspanning die nodig is om de staat, de productie, de cultuur, te organiseren, door voortdurende propaganda, demonstraties, volksfeesten, vlaggen, vaandels, marstempo's, kabaal in alle vormen, en door de nodige campagnes tegen de interne vijanden (Joden, Kerken, Kapitalisten), bij welke gelegenheden geranseld en ‘ontladen’ kan worden. Maar het is zeer twijfelachtig of de hoeveelheden dynamisme die men opgehoopt heeft, op deze wijze voldoende afzetgebied kunnen vinden. Bovendien zijn de dynamische methoden van een pathologische heersende klasse, niet bevorderlijk voor het scheppen van welvaart en orde. Het apparaat is buitengewoon kostbaar, de methode van regeren-op-theatrale-wijze, is al evenmin goedkoop, en ten slotte is de vreedzame omgang met andere staten, zeer weinig bevorderlijk voor het versterken van de opvatting dat men een geheel nieuw element op aarde is.

De welvaart kan en moet dus op andere wijze verkregen worden, op een wijze die geheel in overeenstemming is met de mythe van het uitverkoren volk, op een wijze die de dynamiek voor het grootste deel naar ‘buiten’ kan richten, d.w.z. door andere volleen te onderwerpen, een groot rijk te stichten, waarin het eigen volk het heersende zal zijn; zodat ook de geringste zoon van dat volk een heerser over buitenlanders zal zijn, en tegelijkertijd de welvaart zal verkrijgen die uit de arbeid der ‘lagere volken’ is ontstaan. Men moet een wereldrijk stichten, om een groot economisch geheel te krijgen dat zich beter leent voor de organisatie der welvaart, dan het betrekkelijk kleine staatsgebied waarop men leeft, en men moet in dat wereldrijk het leidersvolk zijn, zoals de fascisten in het eigen volle de leidersgroep zijn.

De verovering van een wereldrijk, dat is de enige realisatie van het fascisme, die een ‘synthese’ kan geven aan alle tegenstrijdige

[p. 300]

krachten die in het fascisme en bij zijn aanhang aanwezig zijn. Al de dynamische verlangens van heerschappij, van strijd, heroïek en offering, al de sadistische verlangens van plundering, marteling, vernedering, zich uitleven, al de statische verlangens van welvaart, rust, orde, veiligheid, kunnen slechts hun synthese vinden, in het ‘wereldrijk’, dat in een reeks van oorlogen veroverd wordt, oorlogen die heroïek en opoffering vragen, die gelegenheid tot zich uitleven bieden en die een geweldig rijk te beheersen, controleren en zuiveren (na iedere overwinning kan de S.A. jarenlang ‘zuiveren’) zullen geven, en die uiteindelijk ook de veiligheid brengen die binnen de grenzen van de machtigste aller staten te vinden is, en de welvaart, zeker voor allen die tot het uitverkoren volk behoren.

 

Zo is dus de oorlog de synthese en de resultante van alle tegenstellingen en krachten die in het fascisme aanwezig zijn, en daarom behoeft men de tegenstanders van het fascisme, die hopen dat het fascisme aan interne tegenstellingen te gronde zal gaan, of dat het op den duur gematigder zal worden, niet eens te antwoorden dat zelfs de oude despotismen, zwak en inwendig rot als ze waren, en achterlijk in alle opzichten vergeleken bij het georganiseerde fascisme, nooit uit zich-zelf zijn ondergegaan, nooit alleen door interne ontwikkeling, maar steeds (mede) door schokken van buiten, door oorlogen. Men behoeft niet het bewijs te leveren dat het fascisme slechts op één wijze kan verdwijnen, ten val gebracht, vernietigd kan worden, n.l. door oorlog. Het fascisme zèlf, komt ons meer dan halverwege tegemoet, want evengoed als wij het slechts kunnen vernietigen door oorlogen, kan het zélf slechts tot volledige ontwikkeling komen, en leven, door oorlogen.

Vandaar dan ook, dat het fascisme alleen daar tot volkomen ontplooiïng kan komen, waar oorlogsmogelijkheden aanwezig zijn, en alleen dáár een werkelijk gevaar is, waar de droom van de wereldheerschappij enigszins correspondeert met de voorhanden krachten en kansen.

Het is niet voldoende, dat het verlangen naar veiligheid en orde, van de middenstand, zich keert tegen proletarische en bolsjewistische bedreigingen, het is niet voldoende, dat de intellectuelen en de nieuwe middenstand de afkeer van de maag-mensen en de kudde-idealen tot uiting willen brengen, het is zelfs niet voldoende, dat een geheel volk zich als onderdrukte, als ‘proletarische’

[p. 301]

natie beschouwt, om tot een volledige ontplooiing van het fascisme te komen. Het ene kan tot het verlangen naar reactionaire en sterke regeringen leiden, zonder dat dit fascisme wordt; het andere is niet voldoende om een sterke volksbeweging te worden, het is een nuance in het intellectuele en daardoor in het politieke leven, een nuance die evengoed in revolutionair-socialistische als in radicaal-katholieke of -christelijke bewegingen tot uiting kan komen; het derde kan in een overdreven nationalisme z'n uitdrukking vinden. En zelfs een vereniging er van, leidt slechts tot die schijn-fascismen, die we in Polen en Hongarije, in Portugal en in sommige Zuid- of Centraal-Amerikaanse staten zagen ontstaan, of tot de machteloze fascismen in Frankrijk en Engeland.

Ernstig wordt het fascisme slechts, als àl deze elementen hun bekroning krijgen, door de mogelijkheid, dat het, tot fascistische staat geworden, volk, andere volleen zou kunnen onderwerpen, en tot een grote mogendheid, tot een wereldrijk zou kunnen worden.

Welke vooruitzichten hebben dan Hongaren of Roemenen, Polen of Finnen, of al die kleine staten die aanloopjes naar het fascisme hebben gemaakt? Geen enkel, want de grote mogendheden, tussen welke zij geklemd zitten, geven op onverbiddelijke wijze de grenzen aan van hun grootste machtsontplooiïng, en wat fascisme wilde worden, brengt het niet verder dan reactionair en agressief nationalisme.

Als minimum voor een fascistische ontplooiing, is dus een staat van omvang en kracht van de Italiaanse nodig, een staat die in z'n omgeving de grote mogendheid is, en die dus, zolang Duitsland machteloos was, de illusie kon hebben én de Donaugebieden, én de Balkan, én een groot deel van de Middellandse-zee-omgeving te beheersen en zo tot de grootste macht van het Europese continent, tussen Rusland en Engeland-Frankrijk, te worden.

Toen Duitsland een fascistische staat werd, en z'n macht begon te ontwikkelen, werden de Italianen uit het Donau-gebied en de Balkan verdreven, en nadien is het Italiaanse fascisme óf een aanhangsel van Duitsland, óf een ‘avontuur in likwidatie’, dat z'n pogingen tot heerschappij beperkt ziet door de Frans-Engelse macht, waartegen het slechts als aanhangsel van Duitsland kan optreden.

[p. 302]

Het Italiaanse fascisme, dat tot ontplooiïng gekomen is in een land met een achterlijke economie en zeer geringe natuurlijke hulpbronnen, een land zonder grondstoffen en zonder gemoderniseerde landbouw, een land met geringe industriële productiviteit en beperkt organisatievermogen, een. land tenslotte dat in de moderne tijden geen militaire of politiek imperialistische traditie heeft1), dit Italiaanse fascisme heeft van den aanvang af slechts zeer geringe kansen gehad om een wereldmacht te worden, kansen die het door z'n samengaan met Duitsland volkomen verloren heeft, zodat het thans tot geen volledige ontplooiing meer in staat is.

Vandaar dat het Italiaanse fascisme reeds van den aanvang af, een niet geheel ernstige indruk maakte, en in de laatste jaren een volkomen onernstige politiek van rooftochten op punten van ondergeschikte betekenis voert, een politiek van roof-avonturen, die het tegendeel is van een werkelijk imperialisme. Bij die avonturen is dan ook nog aan het licht gekomen, dat de militaire waarde van het Italiaanse fascisme, zelfs tegenover half bewapende tegenstanders, zoals in Spanje (in Abessynië stond men tegenover ongewapende tegenstanders, die men met de uiterste krachtsinspanning kon overvleugelen) ongeveer nihil is, zodat het Italiaanse fascisme meer en meer een caricaturale beweging gaat worden, die slechts een copy en een onderdeel van het Duitse is.

Om overeenkomstige redenen kan het fascisme in een land als Nederland nooit uit zich zelf een macht worden, het mist dé imperialistische bekroning, die het alleen zou kunnen krijgen als de Nederlandse fascisten het zwaartepunt hunner politiek legden in de aansluiting bij Duitsland, en in het opgenomen worden in de imperialistische triomfen van dat rijk. In dat geval echter zou het ophouden, zelfs in die geringe mate ‘Nederlands’ fascisme te zijn, als het thans is, en zou het niets anders dan een ‘Anschluss’ - beweging zijn, wat het thans wel in wezen, maar niet in alle opzichten is. Het zou dan aanvankelijk tot een zeer klein groepje inkrimpen, maar daartegenover op den duur kunnen triomferen...

[p. 303]

als het Duitse fascisme triomfeert1). Over de kansen van het Duitse fascisme, het enige werkelijk ernstig te nemen en het enige gevaarlijke, schrijven wij nog.

Maar men komt tot een verkeerde opvatting omtrent de kansen die het fascisme in de wereld heeft, indien men de talloze nationale bewegingen, die zichzelf fascisme noemen en die allen ongetwijfeld hun ontstaan danken aan één of meer van de factoren die tezamen het fascisme vormen, voor ‘vol’ zouden aanzien, als volledige fascismen zou beschouwen, terwijl ze in de meeste gevallen slechts verminkte fascismen of schijnfascismen zijn.

Is het fascisme dan geen wereldbeweging, en bewijzen al die aanloopjes tot het fascisme dan niet, dat er overal materiaal gereed ligt voor de vorming van fascistische bewegingen? Die aanloopjes bewijzen, dat enige van de factoren die tot het fascisme kunnen leiden, overal aanwezig zijn, en in zover is het fascisme internationaal. Om concreet te zijn: het verzet tegen het arbeiderisme, tegen de dictatuur van het proletariaat, tegen een economistische wereldbeschouwing, tegen de heerschappij der middelmatigheid en der kudde-cultuur is ongetwijfeld internationaal. En voor zover het fascisme dus een uiting is, van het ontwakend zelfbewustzijn van de oude en de nieuwe middenstand m de maatschappij, is het een wereldbeweging, maar een wereldbeweging die in verkeerde banen is geraakt, doordat zij zich verbonden heeft met allerlei nationalismen en daardoor reeds van den aanvang af de kans gemist heeft, méér te worden dan de nationale kaders toelaten. Als die nationale kaders nu zeer beperkt zijn, en dit is in de meeste gevallen zo, dan hangt de toekomst van het fascisme af van de toekomst der naties. En aangezien de meeste naties geen toekomst meer hebben, is daarmee het lot van de meeste fascismen bezegeld. Toekomst heeft het fascisme alleen, voor zover het zich meester gemaakt heeft van grote nationale staten, die kans hebben op de wereldheerschappij.

 

Welke nationale staten hebben een dergelijke kans? Het aantal is

[p. 304]

zeer gering. Want de ontwikkeling van de wereld heeft het aantal grote mogendheden van de eerste rang zo beperkt, dat we de. wereld in een paar ‘blokken’ kunnen verdelen, die nog in aanmerking komen voor de wereldmacht.

We hebben dan 1 o. het Angelsaksische blok, bestaande uit de Verenigde Staten van Noord Amerika en Engeland, met in hun gevolg, Zuid-Amerika, de Britse Dominions en koloniën, Frankrijk en z'n overzeese gebieden en wellicht nog een paar andere landen, 2 o. Duitsland met z'n invloedssfeer in Midden, Zuid-Oost en Zuid-Europa, Italië vermoedelijk inbegrepen. 3 o. Rusland met Siberië en z'n invloedssferen in Azië, wellicht ook Voor-Azië. 4 o. Japan, dat bezig is een Aziatisch rijk te veroveren en dat zich meester poogt te maken van China, (een rijk, dat op den duur veel méér aangewezen lijkt te zijn om leiding te geven aan een groot Aziatisch blok).

Van die vier blokken zijn er drie totalitair. Duitsland, Rusland en Japan. Maar werkelijk fascistisch is alleen Duitsland. Japan verkeert in een overgangstoestand, en het zou fascistisch kunnen worden; maar het is van de vier blokken verreweg het zwakst, heeft de minst brede basis, de meest verouderde cultuur; en het speelt in de grote strijd om de wereldheerschappij nog maar een ondergeschikte rol. Rusland, heeft een geweldig brede en gezonde basis, maar het totalitair régime is er in dergelijke moeilijkheden geraakt, dat de kracht van het blok meer potentieel dan reëel is. Het Russische blok wordt bedreigd door het Duitse en het Japanse. Het Angelsaksische blok heeft dezelfde vijanden, zodat dus een bondgenootschap tussen Duitsland en Japan enerzijds, de Russen en Angelsaksers anderzijds, voor de hand ligt. In het ééne bondgenootschap is het Duitse blok van overwegende betekenis, en daardoor wordt de resultante ervan fascistisch. In het andere domineren de Angelsaksers, en geven het een democratische resultante. Angelsaksers en Russen zijn de gelukkige bezitters van nagenoeg alles wat er in de wereld aan belangrijke grondstoffen, aan vruchtbare gebieden, aan opgehoopte rijkdommen te vinden is - ze hebben geen behoefte aan land, aan grondstoffen, aan territoriale veroveringen, ze zijn bevredigd en vreedzaam, voor zover ze niet, zoals de Russen, door het imperialisme van een idee worden voortbewogen. Maar zelfs in dàt geval, heeft die idee nog zoveel expansiemogelijkheden en consolidatie-noodzakelijkheden op eigen gebied, dat ze voorlopig vreedzaam is.

[p. 305]

Duitsers en Japanners daarentegen beschikken slechts over beperkte, betrekkelijk arme gebieden, ze moeten de grondstoffengebieden en de uitgestrektheden die nodig zijn voor een werkelijk wereldrijk, nog veroveren; ze zijn nog bezig met de vorming van hun rijken, ze zijn onbevredigd, agressief, roofzuchtig.

Ze staan voor de keus zich aan te passen aan de wereld zoals die nu eenmaal is, zoals de historische ontwikkeling die gemaakt heeft, of die gehele ontwikkeling te niet te doen, de wereld te breken en een wereld met nieuwe zwaartepunten, nieuwe verdelingen, nieuwe rijken en een nieuwe beschaving te maken.

De strijd gaat in wezen tussen het Duitse fascisme en de Angelsaksische, democratische, Westersche beschaving. Het fascisme, is een poging om de ontwikkeling van de Westerse beschaving tegen te houden, om die beschaving met militaire middelen te breken, en op haar ruïnen een nieuwe, totalitaire, beschaving te bouwen.

 

In de loop van haar ontwikkeling is de Westerse beschaving, voortzetting van de Grieks-Romeinse beschaving (en van de Voor-Aziatische beschavingen, uit wier contact met het Hellenisme, het Christendom is ontstaan), een individualistische, rationalistische, technisch-industriële beschaving, met een Christelijk-democratische moraal geworden.

Met de Christelijke moraal bedoelen we hier niet de opvatting, die men wel voor Christelijk door wilde doen gaan, dat alle zielen gelijk zijn voor God, en dat dus ook alle mensen gelijk zijn, doch de opvatting, dat de zielen weliswaar nooit gelijk zijn, dat er uitverkoren en verworpen, hoger en lager, beter en slechter is, maar dat er geen ‘waardeloze’ zielen zijn, dat iedere ziel, ieder mens dus, een minimum waarde heeft, beneden welke men niet kan gaan, waarmee men rekening moet houden. Christendom, is hier dus de erkenning, dat ook ‘de geringste onder de broederen’ recht heeft op hulp, op steun, op welwillendheid; dat men dus moet streven naar een samenleving, niet gebouwd op het principe ‘heer-slaaf’, maar op het principe ‘sterkere en zwakkere broeders’. Vandaar dat ‘broederschap’ die sommigen als een fraze zonder meer beschouwen, met welke men bij een onderzoek der democratie niets kan aanvangen1), omdat ze ‘sociologisch en psychologisch nietszeggend’ is, (en die ook in werkelijkheid vaak een fraze is, als men, dat wat bereikt is, vergelijkt met dat wat nodig

[p. 306]

zou zijn om van ‘broederschap’ te kunnen spreken), toch als richtinggevend gevoel, als grondstemming, in de democratie aanwezig is.

Onze Westerse democratie onderscheidt zich van de democratie der barbaren-stammen, van de soldaten-kameraadschap, of van de solidariteit der arbeiders, doordat ze, de rechten van de collectiviteit tempert door de rechten van het individu.

De collectiviteit heeft wel méér rechten dan het individu, maar niet àlle rechten tegenover het individu - er is een minimum van persoonlijke rechten waaraan de collectiviteit niet kan raken, behalve dan als voor speciale gevallen en voor een vastgestelde tijd een andere regeling wordt gemaakt, die dan zo duidelijk een uitzonderingsgeval is, dat hieruit geen gevaren voor de algemene toestand kunnen voortvloeien. Bovendien zijn alle rechten die de collectiviteit bezit, afgeleid van de individuele rechten: de individuen maken collectiviteiten, van af de simpelste vereniging, tot aan de staat, en geven die collectiviteiten macht en recht. De individuen kunnen de collectiviteiten veranderen en vernieuwen. Geen collectiviteit is iets anders, dan een resultante van individuele krachten; vandaar dat alle mystiek waarmee men collectiviteiten wil omkleden, door en door leugenachtig en gevaarlijk is. De staat is er voor de individuen, niet de individuen voor de staat. En de grondslag voor de betrekkingen tussen individuen, móet de ‘welwillendheid’ zijn, die men als alledaagse, voor het gebruik geschikte, vorm van ‘broederschap’ moet zien. Die welwillendheid brengt met zich mee, dat men overtuiging en overreding als normale vormen van omgang, zowel tussen de individuen onderling, als tussen de collectiviteiten en de individuen, of tussen de collectiviteiten onderling beschouwt, en de dwang, de angstaanjaging, het geweld, als abnormale, zoveel mogelijk te vermijden vormen. De wetten moeten geëerbiedigd worden, niet terwille van de wet, of van de staat, maar terwille van de individuen die voor zichzelf die wetten gemaakt hebben.

Doch dit alles is slechts een abstracte beschouwing, die eerst tot haar recht zou kunnen komen, als we de groei der Westerse beschaving concreet konden nagaan, iets wat buiten de bedoeling van dit boek valt.

 

Waar we in ons verband mee te maken hebben, is, dat de Westerse beschaving, ontstaan in het tegenwoordige Frankrijk, rondom

[p. 307]

de as Londen-Parijs-Rome, een ontwikkelingsgang heeft doorlopen, die haar tot een unicum in de wereldgeschiedenis maakt.

Terwijl andere beschavingen zich beperkten tot een kleiner of groter gebied rondom hun oorsprong en slechts aanraking hadden met die beschavingen, die aan de grenzen daarvan lagen, heeft de Westerse beschaving, niet alleen een grotere of kleinere invloed verkregen in geheel Europa, maar bovendien heeft ze Noord- en Zuid-Amerika tot haar kolonie gemaakt en ze volkomen verwesterd, iets wat ook met Australië en tot grote hoogte met Zuid-Afrika geschied is.

Maar deze ongekende uitbreiding in de ruimte is hiermee nog maar ten dele aangegeven, want, vooral in de loop van de 19e eeuw, bleek geen enkele andere beschaving zich aan de invloed van het Westen te kunnen onttrekken. Was reeds vroeger de politieke macht van het Westen zo groot geweest, dat andere beschavingen ophielden een politieke rol te spelen (indien ze zich niet als de Russisch-Byzantijnse min of meer wisten aantepassen), in de loop van de 19e eeuw, was niet alleen de technisch-industriële kracht zo groot geworden, dat alle landen, van Egypte tot Japan, en van Brits-Indië en China tot Perzië en Arabië, die techniek en industrie moesten overnemen, maar dat ze, behalve deze materiële cultuur, ook tal van elementen der geestelijke cultuur overnamen. Niet alleen techniek en industrie, maar de bij die techniek en industrie behorende wetenschap en denkwijze (rationalisme) werden aanvaard en, gewijzigd door invloeden van eigen cultuur, zelfstandig verwerkt. Ook de levensgewoonten en de morele en politieke cultuur der Westerlingen, maakten, evenals hun kunst, litteratuur, filosofie, een diepe indruk op de élite der andere culturen, die in dit verband ook de democratische inzichten in maatschappij en staat, tot de hare maakte.

Die verwestering heeft men wel ‘oppervlakkig’ genoemd, omdat de grote volksmassa er slechts in enkele technisch-industriële uiterlijkheden iets mee te maken had, maar dit is een oppervlakkige redenering, want ook in het Westen zijn niet de grote volksmassa's het beslissende element in de cultuur, doch de elites. En het feit dat de élite in Japan en China, Brits-Indië en Turkije, de Westerse cultuur tot zich nam, en meer zelfs nog, het feit dat ze die zelfstandig poogde te verwerken en met de eigen cultuur te verbinden (men denke aan Soen-ját-Sen en Gandhi), was de grootste triomf die het Westen kou behalen, omdat het de zeker-

[p. 308]

heid bracht, dat op den duur ook de kaders en de massa's, naar hun vermogen, de weg der élites zouden opgaan.

Het bewees, dat de Westerse cultuur elementen bevat voor een universele cultuur, dat ze niet alleen een cultuur voor West-Europa en z'n Amerikaanse en andere volksplantingen is, of voor geheel Europa, Rusland inbegrepen, dat ze niet beperkt behoeft te blijven tot het blanke ras, maar dat alle andere rassen, en wat belangrijker is, alle andere volken, staten en culturen, de Westerse cultuur kunnen opnemen en verwerken.

Die elementen, die door anderen, als typisch. Westers, in de eigen cultuur werden gebracht, om diep gevoelde tekorten aan te vullen, zijn juist die elementen die het fascisme uit onze cultuur wil verwijderen. Het zijn de individualistische, wetenschappelijk-rationalistische, humanistisch-democratische elementen, dat wat de fascisten het ‘demo-liberalisme’ noemen. Dat demo-liberalisme is er in geslaagd, de élites van bijna alle volken en rassen te overtuigen van zijn superioriteit, ze er van te doordringen, dat zonder die beginselen, geen beschaving volledig, geen regeringsstelsel op den duur mogelijk is, en dat men te kiezen heeft, tussen demo-liberalisme of duisternis en tyrannie.

Met demo-liberalisme bedoelen we hier natuurlijk niet, de vervalsingen die onder de invloed van kooplieden en industriëlen, van het ‘kapitalisme’ dus, in de opvattingen der culturele élite werden aangebracht. Tegen de kapitalistische verminkingen, waardoor het liberalisme tot Manchesterdom werd, hebben de werkelijke elites geprotesteerd in de vorm van socialistische theorie en arbeidersbeweging, een protest, dat op zich zelf noodzakelijk en gerechtvaardigd was, al is door de eenzijdigheid van dit protest, door het niet kunnen vinden van de noodzakelijke evenwichten tussen socialisme en individualisme, weer veel onheil gesticht. Maar het protest bewijst, dat het demo-liberalisme zichzelf voortdurend kan corrigeren, en dus ook in dat opzicht aan de hoogste eisen voldoet, welke aan een cultuur gesteld kunnen worden.

Niettemin blijft het de grote fout van de Westerse cultuur dat ze, bij haar triomftocht over de gehele wereld, de kracht heeft gemist om in haar eigen gebied orde op zaken te stellen. Ze heeft noch een redelijke oplossing voor de sociale kwestie in haar kernlanden weten te vinden, (en de strijd tussen Manchesterisme en Arbeiderisme laten voortbestaan), noch heeft ze, in een wereld waarin

[p. 309]

het contact tussen staten en volken steeds intenser werd, een organisatie van het politieke en economische leven tot stand gebracht. De anarchie der staten en de anarchie der economische groeperingen werd steeds groter, om tenslotte tot de wereldoorlog van 1914 te leiden.

 

Die oorlog bewees, dat het voortbestaan der ongecontroleerde souvereine staten en der ongecontroleerde economische machten, een dodelijk gevaar vormde. Maar vooral bewees hij, dat de organisatie van Europa een dringende noodzaak was. Doch die organisatie is buitengewoon moeilijk, omdat Europa het geboorteland der Westerse cultuur is, en omdat zich daar, in de loop der eeuwen, talrijke grotere en kleinere staten gevormd hebben, met verschillende talen, met culturele bijzonderheden, met eigen economische concentraties, staten, die allen voldoende overeenstemming vertonen om samengaan mogelijk te maken, en voldoende verschillen om samengaan zeer moeilijk te maken.

Duitsland nu, heeft in 1914 een poging gedaan om dit Europa te organiseren, tot een eenheidsstaat, naar Pruisisch model. Die poging kwam, in z'n consekwenties, neer op een vernietiging van alle andere staten, op een onderdrukken van alle culturele nuances, op het verpletteren van dat wat het wezen der Westerse cultuur is: het individualisme, waarvoor in de grauwe Pruisische kazernestaat, die door het overwegen van z'n collectivistische elementen bewees, nog slechts oppervlakkig verwesterd te zijn, géén, of ternauwernood enige plaats was.

Aan de ene kant bewees de oorlog, dat de Europese anarchie onhoudbaar was, en dat de een of andere vorm behoorde te worden gevonden, om de eenheid van de Westerse beschaving tot stand te brengen; aan de andere kant bewees hij, dat die unificatie niet kon geschieden door Duitsland, want een onder Duitse leiding verenigd Europa, zou wel ‘verenigd’, maar geen ‘Europa’, geen Westerse beschaving, doch alleen een groter Duitsland, een nieuwe kazernistische beschaving, of zoals we het in de laatste jaren zijn gaan noemen, een fascisme zijn.

Zo kan men de oorlog van 1914 zien, als de eerste worsteling, tussen een nog onbewust fascisme en een verouderde, Manchesteristische, vorm der Westerse cultuur.

In die strijd heeft Duitsland de nederlaag geleden, maar, en hierop moet de nadruk gelegd worden, niet doordat het oude Europa z'n

[p. 310]

superioriteit bewees, maar doordat de nieuwe grote Westerse mogendheid, de U.S.A., op het toneel verscheen. Europa bleek, toen reeds, onmachtig te zijn om zelf orde op zaken te stellen. De politieke en economische leiding van de Westerse beschaving bleek te zijn overgegaan op Amerika, dat evenwel cultureel nog niet op de hoogte bleek te staan van z'n taak.

De Duitse poging vond vanzelfsprekend verbitterde tegenstand in Europa, tegenstand bij de volken méér nog dan bij de regeringen. Wie Europa verenigen wil, zo werd toen reeds duidelijk, zal het moeten doen op Westerse wijze, d.w.z. met handhaving van een groot deel der eigenaardigheden van het historisch gegroeide, op democratische en federalistische wijze en niet op fascistisch-totalitaire manier.

 

Men kan hier tegenover plaatsen de opmerking, dat de grote gecentraliseerde staten van Europa toch ook niet op democratische, doch integendeel op zeer autoritaire wijze gevormd zijn. Maar hier moeten wij herinneren aan het verschil tussen de oude despotie en de moderne totale staat. Vergeleken met de totale staat, is de gecentraliseerde staat van het verleden, zelfs als hij autoritair en despotisch is, toch nog federalistisch en democratisch, want hij bemoeit zich slechts met enkele delen van het openbare leven en niet, zoals de totale staat, met alles en met ieder detail. Bovendien is, na de vorming der grote staten, juist een versterking der democratie, der verscheidenheid en der individuele rechten, binnen het raam van de centrale staten, waar te nemen.

Een ander wijze om tot het vormen van wereldrijken te komen, dan één die zo groot mogelijke ruimte biedt voor de eigenaardigheden der verenigde volken, is zelfs in het verleden niet mogelijk geweest. Niet dat men een volk met geweld onderwerpt, is hier het beslissende, want het breken van de tegenstand, die andere staten of stammen bieden, is in het verleden altijd nodig geweest om tot de vorming van een wereldrijk te komen; en ook in de naaste toekomst is de nieuwe organisatie der Westerse beschaving en de daarmee samenhangende organisatie van Europa, ondenkbaar zonder oorlogen en zonder onderwerping van staten, die zich, zoals Duitsland en Italië, tegen de Westerse beschaving verzetten. Maar het rijk, dat gesticht werd, was alleen dàn van blijvende aard, indien men de onderworpen volken behandelde op een wijze, die rekening hield met hun eigenaardigheden, en wanneer men er

[p. 311]

in slaagde die volken de cultuur der veroveraars te doen aanvaarden, of wel indien men zelf de cultuur der onderworpenen geheel of ten dele overnam. Alleen als men dat deed, zijn er blijvende wereldrijken gesticht. Bewust of onbewust streven naar, of aanvaarden van, vermenging der culturen, dat is het geheim waardoor de werkelijke wereldrijken zich onderscheiden van de gebiedsopeenhopingen, die louter op militaire successen berusten. Rome is hier het grote voorbeeld van een militaire gebiedsverovering, die naar onze maatstaven meedogenloos en wreed genoeg was, maar die tevens verdraagzaam genoeg was, als het de culturen (godsdiensten) der overwonnenen betrof, die wist te leren en over te nemen, als het hogere culturen ontmoette, in Griekenland, in Egypte, in het Nabije Oosten, en wist te geven en te onderwijzen, als het met lagere culturen, in West-Europa in aanraking kwam. En in dat opzicht is Rome het tegendeel van het totalitaire Duitsland, van het fascisme, dat alles beneden zich acht, van niets en niemand wil leren, geen enkel volk een spoor van eigen leven gunt, maar evenmin die andere volleen tot het eigen peil wil optrekken, ze alleen maar als slaven wil behandelen, zodat een wereld onder Duitse heerschappij een kasten-maatschappij op wereld-schaal zou worden, waarin al de niet-Nordische mensen voor eeuwig tot knechtschap gedoemd zouden zijn.

Hiertegenover staat het assimilatie-vermogen der democratie, die op de duur alle volleen de weg naar culturele verheffing opent, wat nooit duidelijker bewezen is, dan door de verbreiding der ‘demo-liberale’ cultuur over de gehele aarde, in de loop vooral der 19e eeuw, een verschijnsel, waarop wij reeds wezen, en dat ondanks alle fouten en beperkingen, voortspruitend uit de fouten en beperkingen van het Manchesterdom, toch een wonderbaarlijke prestatie genoemd moet worden.

 

Het zou, als men de dingen abstract beschouwt, en geen rekening houdt met de reële krachten - wat we hier achter natuurlijk wèl zullen doen - mogelijk zijn, dat het fascisme, en in dit geval dus het Duitse fascisme, eerst Europa veroverde en tot een eenheid maakte en dan, met dat Verenigde Europa, de wereldheerschappij zou bemachtigen. Maar dan zou ook de gehele wereld zich naar één model moeten laten stampen, en dan zou niet alleen de Westerse beschaving verdwenen zijn, maar dan zouden tevens al de oude beschavingen, de Russische, Chinese, Japanse, Indische

[p. 312]

Perzische, Turkse e.a., die op het ogenblik bezig zijn zich door verbinding met de Westerse beschaving te vernieuwen, en die daardoor ongekende mogelijkheden openen voor de toekomst, en van wier inwerking op onze beschaving we nog slechts een flauw vermoeden kunnen hebben - dan zou dus dat alles vernietigd zijn, en de toekomst van al die volken zou geen andere inhoud meer hebben, dan het dienen van de Nordische heren! Het is duidelijk, dat een dergelijke ontwikkeling hoogst onwaarschijnlijk is, en dat de tegenkrachten, die opgewekt worden door een dergelijk streven naar de wereldheerschappij, zo talrijk en zo groot zijn, dat de onmogelijkheid ervan, ook zonder verdere bewijzen, voor de hand ligt.

De wereldontwikkeling wijst zeer zeker in een bepaalde richting, in de richting van de vorming van steeds grotere politieke en economische eenheden, en daardoor het verdwijnen van de kleine nationale staten, (wier omvang en bevolking niet groter zijn, dan die van het tegenwoordige Duitsland, van Engeland, Frankrijk Italië, om van de nog kleinere staatjes niet te spreken) als souvereine eenheden. Het is een onmogelijkheid, dat de Europese staatjes - en iets anders dan ‘staatjes’ zijn er ten Oosten van Rusland niet - zich in hun tegenwoordige vorm handhaven. Ze kunnen slechts blijven bestaan door een voortdurende economische en politieke oorlogstoestand te handhaven, een gewapende vrede, onderbroken door crisis en oorlog. Vandaar dat het Duitse pogen van 1914, om eerst één grote Midden-Europese, en daarna een Europese en een wereldstaat te scheppen, in de richting der noodzakelijke ontwikkeling ging, al was het dan ook tegelijkertijd een poging om die ontwikkeling te forceren en om haar in vormen te dwingen, die niet verenigbaar zijn met de Westerse beschaving; progressief in uiterlijke vorm, reactionair in alle beginselen van politieke en sociale organisatie en van culturele inhoud. En die reactionaire trekken zijn nog veel sterker in de poging, die thans door het fascistische Duitsland ondernomen wordt.

 

De oorlog van 1914 liet zien, dat de andere Europese staten niet, of ternauwernood, tegen het Duitse geweld opgewassen waren en dat liet reeds vermoeden, dat ze ook wel niet in staat zouden zijn de organisatie der Westerse wereld te voltrekken, nadat Duitsland als macht was uitgeschakeld. Niet alleen waren het de Amerikanen, die de uiteindelijke overwinning brachten, het waren ook

[p. 313]

de Amerikanen, die, als enigen, beseften, dat het doel van de oorlog, de verplettering van het Duitse militarisme (van de totalitaire idee in haar oude vorm) eerst bereikt zou zijn, als men naar Berlijn oprukte en door het bezetten van Duitsland het prestige van het militarisme een onherstelbare slag toebracht1). En het waren opnieuw de Amerikanen, die een eerste poging deden om de nieuwe en noodzakelijke organisatie van de wereld volgens de beginselen der Westerse beschaving tot stand te brengen, op democratische en federatieve grondslag, in de Volkenbond.

Ongetwijfeld was de Volkenbondsgedachte in bijna alle opzichten aanvechtbaar, omdat ze tegelijkertijd een te-weinig en een te-veel bevatte, en dus buiten de realiteit stond. Ze schoot te kort, omdat het handhaven van de souvereiniteit der samenstellende staten, ieder werkelijk federalisme, iedere werkelijke organisatie van politiek en economie uitsloot; ze schoot ook te kort, omdat ze in één poging de gehele wereld wilde omvatten, in plaats van zich te bepalen tot die staten, die voldoende beïnvloed waren door de Westerse cultuur, om regelingen op democratische grondslag, met een evenwicht tussen het individuele en sociale, tot stand te kunnen brengen.

Ze schoot te kort, omdat ze zich op het standpunt van het ‘zelfbeschikkingsrecht’ der volken stelde, in plaats van op het democratische standpunt. Het zelfbeschikkingsrecht betekende, dat men het ontstaan en het sterker worden van anti-democratische groeperingen en staten moest toelaten en dat men zich niet eens kon verzetten, als deze in de Volkenbond hun sabotage bedreven. Het betekende ook, dat men geen versterking van de democratie in de wereld kon bevorderen, dat men de democratie beperkte tot de grenzen die ze in 1918 had, in plaats van, in overeenstemming met de imperialistische behoeften van iedere grote idee, nieuwe gebieden voor haar te winnen. Terwijl dus de taaie had moeten zijn, én versteviging van de democratie in landen als U.S.A., Engeland, Frankrijk, én steunen van de democratische tendenzen in Duitsland, Rusland, China, etc., de steun aan alle democratische staten of groepen, de bestrijding van alle anti-democraten, werd van de aanvang af de passiviteit het leidend beginsel.

Hieruit bleek, dat de ontwerpers van de Volkenbond, ofschoon zij de gedachte, die tijdens de oorlog zo belangrijk was geweest voor

[p. 314]

de bezieling der democraten, de gedachte, dat men de wereld veilig moest maken voor de democratie, tot een realiteit wilden maken, toch deze gedachte onvoldoende doordacht hadden, dat zij er nog niet aan toe waren om ‘in beschavingen’ en ‘in continenten’ te denken. De poging moest mislukken, omdat de Amerikanen zèlf er nog niet voldoende rijp voor waren, laat staan de Engelsen of de Fransen.

 

De Engelsen dachten, en denken ook heden voor een groot deel nog, in termen van hun ‘Imperium’, dat geen Imperium, is, omdat het geen andere grondslag heeft dan een Europees staatje van 40 millioen inwoners, dat grote overzeese gebieden verkregen had, in een tijd toen de overige staten nog niet sterk genoeg waren om een wereldpolitiek te voeren, een Europees staatje, dat de verdeeldheid van Europa en de onderlinge oorlogen der andere Europese staatjes gebruikte om een geweldig handelsgebied te bezetten.

Niet de organisatie, maar de desorganisatie van Europa, was het middel der Engelse politiek geweest om tot z'n ‘Imperium’ te komen. Het geeft geen zin dit den Engelsen te verwijten, integendeel, het was de enige methode om tot macht, welvaart en beschaving te komen en ze heeft er toe geleid, dat in Engeland zelf een ontplooiing der democratie mogelijk was, en dat de levenskunst der democratie, berustend op het compromis, tot erfdeel der Britse élite en op de duur van de hele Angelsaksische wereld kon worden. Zonder die levenskunst, die de antipode van het fascisme is, kan geen ‘wapening der gematigden’ geen organisatie van de wereld in de geest der vrijheid tot stand komen. Maar op heden is het duidelijk, dat de desorganisatie van Europa sedert lang geen grondslag voor een politiek meer kan zijn: Engeland moet Europa organiseren - in ieder geval meewerken aan de organisatie ervan - of Duitsland zal Europa onderwerpen en met het fascistische Europa het kleine Engeland vernietigen en pogen zich meester te maken van het Britse Imperium, dat trouwens onder die omstandigheden uit elkaar zal vallen, voor een deel (Canada, Australië, Zuid-Afrika) zich rondom Amerika zal groeperen, en voor een ander deel (India) zal pogen zelfstandig te worden, óf zich bij een Aziatisch blok zal aansluiten.

Frankrijk heeft in het verleden een Europese politiek gevoerd, die zich beperkte tot het verhinderen van een te grote machts-

[p. 315]

ontwikkeling door Duitsland en Oostenrijk. In 1918 werd Oostenrijk uiteengescheurd en Duitsland werd militair machteloos gemaakt, en dit had inderdaad het uitgangspunt kunnen worden voor een organisatie van Europa, maar Frankrijk wilde juist de chaotische toestand van direct na de oorlog bestendigen, zonder evenwel zelfs daartoe de kracht te bezitten - ten dele ten gevolge van Engelse politiek, die Duitsland versterkte om het weer tegen Frankrijk te kunnen uitspelen. Door zijn houding bewees Frankrijk, geen positieve bijdrage te kunnen leveren tot het bereiken van de Europese eenheid.

Zowel Frankrijk als Engeland hebben daarna, tegenover de fascistische agressie bewezen, dat ze zelfs niet eens meer in staat geacht mogen worden de Westerse cultuur in haar tegenwoordige, zeer onvolmaakte vorm, te bevestigen, laat staat de noodzakelijke uitbreiding in de ruimte en in de inhoud er aan te geven. Anders gezegd, de Europese staten blijken niet meer over de kracht, de vitaliteit, het inzicht te beschikken, om de Westerse cultuur tegen het fascisme te beschermen. Ze zullen wellicht nog voldoende levenswil bezitten om hun eigen bestaan te verdedigen, maar het zou van een ongegrond optimisme getuigen, te geloven, dat zij, zelfs als ze als overwinnaars uit de aanstaande en onvermijdelijke oorlog te voorschijn traden, de leiding zonden kunnen nemen, voor een zo geweldige taak als de organisatie van Europa en van de wereld, in de zin van de Westerse cultuur.

 

Het is zelfs de vraag, of zij nog over de wil beschikken om weerstand te bieden aan de fascistische agressie, en of ze niet te zeer uitgeput zijn, om zelfs nog voor de verdediging hunner directe belangen te vechten en de ontzettende offers te brengen, die daarvoor nodig zijn.

Deze vraag, die men na de even kortzichtige als eerloze ‘vrede van München’ wel gedwongen is te stellen, omdat deze ‘vrede’ door een uitbundige manifestatie van pacifisme in Engeland en Frankrijk gevolgd werd, is daarom van de allergrootste betekenis omdat ‘pacifisme’ altijd het zekerste teken is van een culturele decadentie. Die vraag gaat dus ver uit boven de kwestie, of Engeland en Frankrijk nog de kracht zullen hebben zich tegen het fascisme te verzetten. Want men is wel gedwongen verder te redeneren en te vragen: als Frankrijk en Engeland, de stamlanden der Westerse cultuur, zo zichtbaar in een toestand van deca-

[p. 316]

dentie verkeren, is dat dan niet het beste bewijs, dat die gehele Westerse ‘demo-liberale’ cultuur in haar laatste stadium gekomen is, en moeten wij dan het fascisme niet zien als die, thans nog barbaarse, oerkracht, die de historische functie heeft, een verrotte wereld te vernietigen, opdat ruimte kan ontstaan voor een nieuwe, frisse, jonge, levenskrachtige cultuur? Is dan het snelle en blijkbaar onweerstaanbare succes van het fascisme niet voor de hand liggend, omdat het de toekomst vertegenwoordigt, en spruit ons verzet tegen het fascisme niet voort uit onze onmacht om het nieuwe te begrijpen, dat aan de poorten klopt en waarvan wij, in onze afgeleefde verfijning, alleen het barbaarse zien, zonder in staat te zijn de beloften te beseffen, die deze jonge kracht in zich sluit?

 

Een dergelijke voorstelling van zaken is niets anders, dan het maken van een analogie tussen de ondergang van het Romeinse rijk (zoals die volgens de conventionele opvattingen zou zijn gebeurd) en de a.s. ondergang der Westerse beschaving. In beide gevallen zouden het dan de barbaren zijn, die een decadente beschaving de genadestoot geven en daarna, na eeuwen van ‘duisternis’, een hoger beschavingspeil bereiken dan het vorige. Maar de oppervlakkigheid van de analogie treedt bij ieder nader onderzoek aan de dag. De Duitsers (en de Italianen), die onze beschaving bedreigen, zijn alleen ‘barbaren’ in de moreel-humanistische betekenis van het woord, doch in technisch opzicht, in wetenschappelijk opzicht en in hun historische ontwikkeling behoren ze tot de Westerse beschaving. Ze zijn geen ‘barbaren’ in de zin, waarin de oude Germanen het waren, nl. volken, die niet, of slechts oppervlakkig, aanraking hebben gehad met de beschavingen, waaraan ze grenzen. Waar we hier dus mee te maken hebben, is een strijd binnen de Westerse beschaving zèlf, om de heerschappij over die beschaving. En tegelijkertijd om de vraag, of die beschaving fascistisch georganiseerd zal worden, dan wel democratisch. Waarbij dan direct opgemerkt moet worden, dat de democratie volkomen bij de aard der Westerse beschaving past, dat zij alleen die beschaving levend, soepel, vatbaar voor verandering en vernieuwing kan maken en houden, terwijl het fascisme op de duur tot verstarring leidt.

Het fascisme is geen ‘jonger’ principe dan de democratie, doch integendeel een veel ouder beginsel dan dat van het demo-libera-

[p. 317]

lisme, van het georganiseerde, met de behoeften der maatschappij rekening houdende, individualisme. Het fascisme is het principe van de voor eens en voor altijd vastgestelde sacrale traditie, die voor vaders en zonen, kinderen en kindskinderen geldt en waaraan niet getornd mag worden. Het verzet zich krampachtig tegen het breken van de ‘korst der gewoonten’, d.w.z. tegen de wet der cultuur zelf. Er is dus geen sprake van, dat een nieuwere beschaving tegen een oudere optrekt, als het fascisme zijn strijd tegen het demo-liberalisme voert - in tegendeel het zijn de restanten van het oude, die zich in het fascisme krampachtig verweren tegen het demo-liberalisme, dat van uit het Westen in Duitsland en Italië, in Oost- en Zuid-Europa vaste voet probeert te krijgen. Men roept niet voor niets ‘Wodan’ en de ‘wolvin van het Capitool’ op tegen de ‘negentiende eeuw’!

 

Maar het vervolg op de ‘negentiende eeuw’ is noch Wodan, noch Rome, het is de ‘twintigste eeuw’, de eeuw, waarin de nationale staten tot een internationale federatie verenigd worden. De Westerse beschaving zal, zoals iedere beschaving, op de duur moeten komen tot wat A.J. Toynbee noemt haar ‘universele staat’, d.w.z. de staat, die het gehele gebied dier beschaving omvat, zoals Rome b.v. het gehele gebied der Helleense en Hellenistische beschaving omvatte. Zal Duitsland nu voor de Westerse beschaving zijn, wat Rome voor de Helleense was? Zal Duitsland niet alleen Midden- en Zuid-Oost-Europa, maar ook West-Europa en... Amerika onderwerpen? Ziehier de vraag, die gesteld moet worden. En nu wordt het duidelijk, dat de eigenlijke strijd, die aan de orde is, niet die is tussen Duitsland en West-Europa, tussen Duitsland en Engeland-Frankrijk, maar die tussen Duitsland en Amerika, tussen Hitler en Roosevelt.

Aan de ene kant staat de methode der verovering en onderwerping, aan de andere kant. die der vereniging. Duitsland moet, om te kunnen slagen, staat na staat stukbreken, onderwerpen, blijven beheersen, de bevolking onderdrukken, de élites uitroeien. Zó alleen kan het zijn fascistische idee verwezenlijken.

Amerika behoeft slechts te verenigen, zoals het in de loop van z'n geschiedenis met zichzelf gedaan heeft. Het behoeft slechts overeenstemming te bereiken tussen staten en bevolkingsgroepen, het behoeft slechts de Angelsaksische kunst van het compromis op een nog grotere schaal toe te passen, dan dat in de Engelse en

[p. 318]

Amerikaanse wereld tot dusver gebeurd is. Reeds daardoor is z'n taak gemakkelijker dan die van Duitsland. Het wekt minder weerstanden en vijandschappen op. Amerika kan ‘bondgenoot’ zijn, om in een bondgenootschap door z'n natuurlijke positie ‘leider’ te worden. Duitsland is te klein en te arm om, als bondgenoot, tot leider te kunnen worden. Als bondgenoot is het slechts een staat van iets meer betekenis dan Frankrijk of Italië, van geringere betekenis dan het Britse rijk. Vandaar dat het niet tot een bondgenootschap kan behoren, niet in een federatief verband kan leven, de andere staten moet vernietigen, om alleen als enige onafhankelijke en heersende staat over te blijven. Dit alles is voldoende om de kans op een Duitse overwinning van de aanvang af uitgesloten te achten. Duitsland zou van Europa, van het gebied der Westerse beschaving, één grote, door Duitsers beheerste, nationale staat willen maken. Maar de Westerse beschaving heeft een aantal grotere en kleinere nationale staten doen ontstaan, die alleen te verenigen zijn in federatief verband, met behoud van een groot deel hunner bijzonderheden, aanvankelijk slechts als een eenheid optredend tegen het buitenland, en op economisch gebied; hun culturele betrekkingen versterkend, en wellicht op de duur tot engere culturele eenheid samengroeiend. Een dergelijke groei is onverenigbaar met het principe van nationale souvereiniteit en onaantastbaarheid, het vooronderstelt de bereidheid om in een groter verband op te gaan. Die bereidheid vindt men in Europa eigenlijk nergens, vandaar dat de vereniging van Europa op zulke moeilijkheden stuit, ofschoon het inzicht, dat die vereniging nodig is, vrij algemeen aanwezig is.

Maar hoe kan men die vereniging overlaten aan een staat als Duitsland, die alle andere aan zich ondergeschikt zou willen maken, een staat wiens belangen telkens op de belangen der anderen botsen. En toch is Duitsland de enige Europese staat, die de kracht zou hebben om een heel eind in de richting dier vereniging te gaan. Frankrijk en Engeland hebben die kracht niet. Maar ze hebben vermoedelijk wel voldoende kracht om zich te verzetten tegen een Duitse overheersing.

De enige werkelijke oplossing is dus, dat Europa verenigd wordt onder leiding van een staat, die niet Europees is in de zin van het directe belang en de directe overheersing, die groot en rijk genoeg is om geen behoefte te hebben aan het gebied der andere staten, en die toch Europees is, omdat ze tot de Westerse, de

[p. 319]

Europese cultuur behoort. Een staat, die ook belang heeft bij de vereniging van het gebied der Westerse cultuur, omdat zonder die vereniging geen organisatie van de wereld mogelijk is, omdat geen vreedzame ontwikkeling verwacht kan worden, zolang de nationale staten oorlogen, en de nationale economieën crisissen veroorzaken. Een staat tenslotte, die zich moet verzetten tegen pogingen om Europa in fascistische zin te verenigen, omdat zo'n fascistisch Europa, zo'n ‘groter-Duitsland’ dus, een voortdurende bedreiging zou vormen voor de instellingen en de welvaart van die staat: Amerika.

 

Het is, zeiden wij reeds, geen toeval dat Amerika reeds in het begin van de 20ste eeuw een eerste poging in de richting dier vereniging deed: De Volkenbond. Maar niet alleen was de Volkenbond een poging, die te weinig doordacht was opgezet, nog belangrijker was het feit, dat het toenmalige Amerika nog niet rijp bleek te zijn voor een dergelijke wereldpolitiek.

Weldra kregen de isolationisten weer de overhand, de lieden, die meenden, dat de welvaart van Amerika geen verband hield met de toestanden in de wereld en dat men, door zich met Europa te bemoeien, een mal idealisme aan de dag legde. De enige manier om zich met Europa bezig te houden, bestond volgens deze ‘zakelijke’ lieden in het beleggen van zoveel mogelijk kapitaal in Europese zaken, waardoor men niet alleen flinke winsten zou maken, maar ook, zonder politieke bemoeiing, Europa in z'n macht zou krijgen. Deze ‘zakelijke’ redenering bleek, zoals dat vaker met zulke berekeningen het geval is, niet te kloppen. De anarchie in de wereld - ook in Europa - was één der hoofdzaken van de crisis, die Amerika in 1929 trof, een crisis, die in diepte en omvang alle vorigen te boven ging. En de economische redenering, dat kapitaal-bezit macht is, bewees haar dwaasheid in reeksen van milliarden aan waardeloze leningen en bevroren credieten. Er bleek opnieuw, dat kapitaal alleen macht is, als men over de politieke macht beschikt om de schuldenaren te dwingen hun schulden te betalen en aan hun verdere verplichtingen te voldoen. De Amerikaanse crisis had echter nog een diepergaande betekenis: ze was een verpletterende nederlaag van de ‘zakenlieden’, d.w.z. van de lieden, die zonder enig sociaal inzicht, zonder enig begrip van economische en maatschappelijke organisatie, geen andere drijfveer en geen richtsnoer hadden dan hun persoonlijk winstbejag.

[p. 320]

Deze zakenlieden waren de ‘helden’ van Amerika geweest het voorbeeld voor allen, de toonaangevende persoonlijkheden, die hun stempel op de politiek en de ‘cultuur’ drukten. Eerst toen het prestige van deze vertegenwoordigers der Manchester-opvattingen een flinke knak gekregen had, kon Amerika rijp worden voor grotere dingen dan de winst-anarchie, kon het zijn interne aangelegenheden pogen te organiseren, zijn economie op planmatige wijze gaan bekijken, en niet meer de winst, maar de mens tot het middelpunt van het maatschappelijk leven maken. Deze wending van anarchie naar organisatie - waarbij organisatie niet de vernietiging van het individualisme beoogt, doch integendeel de versterking ervan door het scheppen van gunstige condities - maakt dat de U.S.A. ook inzicht gaan krijgen in de betekenis van organisatie der wereld-economie en der wereld-politiek. Precies zoals de Amerikaan in zijn eigen land van het oude ongeorganiseerde individualisme tot het nieuwe georganiseerde individualisme is gekomen, zo wil hij in de wereld tot een nieuwe georganiseerde toestand van vrede en welvaart komen, en zo stelt hij het parool aan de orde: democratische organisatie van de wereld. Hij stelt het bewust tegenover het streven der dictatoren: fascistische organisatie van de wereld. Hij doet het zelfbewust en zeker van zijn enorme krachten, niet bereid zich te onderwerpen aan de dictatoren, niet bereid met die dictatoren tot een overeenstemming te komen, ze enige concessie te doen. Niet bereid enige concessie te doen aan een stelsel, dat hij terecht ziet als de doodsvijand van dat individualisme, dat de schoonste vrucht is van de Westerse beschaving, het individualisme, dat in de loop der tijden zijn systemen en organisatie-vormen zal hebben te wijzigen, maar dat die wijzigingen slechts aanbrengt om een steeds intensere cultus van het individu mogelijk te maken.

Terwijl men in Frankrijk en Engeland angstig en laf zoekt naar mogelijkheden om met de dictators in vrede te kunnen leven, bereid is tot alle concessies, tot iedere knieval en eerloosheid terwille van de vrede, zegt Amerika, dat alleen de vernietiging van alle dictatoren, de Duitse en Italiaanse, de Russische en de Japanse, kan leiden tot de enige organisatie van de wereld, die democratisch is, d.w.z. die de belangen van individuen, groepen en staten in een, steeds voor verandering vatbaar, evenwicht met elkaar weet te brengen.

Men vindt die Amerikaanse opvattingen het best samengevat in

[p. 321]

een redevoering, die Franklin D. Roosevelt op 5 December 1938 hield, te Chapel Hill, toen de universiteit van North-Carolina hem het ere-doctoraat in de rechten verleende. Hij zei toen o.a.: ‘Er mogen in de wereld mensen zijn, die menen, dat een gedrild volk, waarvan alle gedachten en daden geleid worden door één man, sommigen de soort van veiligheid zal geven, die hun bevalt, doch, welke overtuigingen ik er ook op nahoud, geen is sterker dan mijn vast geloof, dat de veiligheid en het welzijn van het Amerikaanse volk het best gediend worden door de democratische beginselen, welke het land sterk en groot gemaakt hebben... De toekomst berust niet op toeval alleen, niet op louter aanpassing of louter fatalisme, maar op de positieve actie, die wij in Amerika ondernemen. Wat Amerika in de komende paar jaren doet of nalaat te doen, zal nog eeuwen lang van veel grotere invloed op de geschiedenis van het mensdom zijn, dan de meesten van de hier aanwezigen ooit bewust zal worden. Wij zijn niet slechts de grootste en machtigste democratie in de gehele wereld, doch vele andere democratieën verwachten van ons, dat wij de leiding zullen nemen, opdat de wereld behouden zal blijven.’

Ziehier niet alleen de getuigenis van een roeping, maar ook van een zo omvangrijke en grootse roeping als wij bedoelden, toen we spraken over de dynamiek der cultuur, over het imperialisme van de democratische idee.

Er is wel een belangrijke wijziging in de situatie gekomen, sedert de periode van 1914-1918. Toen waren het Frankrijk en Engeland, die de leiding namen van het verzet tegen de Duitse agressie, terwijl Amerika eerst in de loop van de ontwikkeling aan die actie ging deelnemen. Thans ligt het zwaartepunt duidelijk in Amerika. Het initiatief berust niet langer bij Engeland, laat staan bij Frankrijk - de leiding van de Westerse beschaving is aan Amerika gekomen. En daar begint men dit hoe langer hoe meer te beseffen en er naar te handelen.

 

Het is begrijpelijk, dat men in landen als Engeland en Frankrijk, die tot voor kort de voornaamste Westelijke staten waren, deze wijziging nog niet aanvaarden wil, zich nog verzet tegen de nieuwe situatie. Dit is vooral het geval in de heersende groepen, die tot voor de oorlog van 1914 heersers der wereld waren. In deze, kapitalistische, kringen wil men nog op de oude manier doormodderen, en liever dan de leiding der U.S.A. te aanvaarden, een leiding die

[p. 322]

op de duur tot een sterke democratisering en socialisering van het hele openbare leven zou moeten leiden, wil men proberen tot een overeenstemming met het fascisme te komen. De politiek van Chamberlain en Flandin is veel meer gericht tegen de consequenties van het Rooseveltisme, waardoor zij internationaal hun souvereiniteit en nationaal hun machtsposities zouden verliezen, dan tegen het ‘bolsjewisme’ dat ze, ter rechtvaardiging van hun verzet tegen een anti-fascistische politiek, als het gevaar aan de kim, dat aan het eind van de oorlog Europa zou bedreigen, telkens aanwijzen of suggereren. Immers terwijl ze het ene ogenblik dat bolsjewisme als gevaar aankondigen, beklagen ze zich het volgende ogenblik over de zwakte van Rusland, waardoor ze niet op dat land kunnen rekenen bij een eventuele oorlog met Duitsland. Het één sluit het ander uit.

Wat ze echter inderdaad vrezen is, dat na een nederlaag van Duitsland, de Verenigde Staten de onbetwistbare leiders van de wereld zullen zijn, en dat het dan niet meer gelukken zal, Roosevelt1) of diens opvolger te beletten, de wereld op democratische grondslag te ordenen, d.w.z. op een grondslag die het handhaven van de ‘souvereiniteit’ der staten en de machtsposities der kapitalisten uitsluit. Dat is in 1918, tegen Wilson, nog gelukt, omdat Amerika nog te weinig bewust was van zijn taak, en omdat de Europese volksmassa's nog te zeer in de ban waren van een negatief, extremistisch, socialisme, om een constructieve politiek op internationaal en nationaal gebied te kunnen ondersteunen. Maar waar Wilson faalde, zal Roosevelt slagen, omdat thans Amerika beseft, dat men, Europa aan zijn lot overlatend, een nieuwe chaos en een nieuwe gevarenhaard schept, en omdat de Europese massa's door de fascistische bedreiging, een positief democratische wil tot energieke hervormingen hebben gekregen. De volksmassa's in Europa zijn bereid, de leiding van een Rooseveltiaans Amerika te aanvaarden, dit begrijpen zelfs verstandige conservatieven als Eden en Churchill in Engeland. Maar de Chamberlains willen liever heel het vasteland van Europa aan Duitsland uitleveren, dan een oorlog te voeren, die toch ook een einde zou maken aan hun machtspositie - aan de machtspositie van een kliekje van kapitalisten en groot-grondbezitters en parasieten in Engeland.

Evenwel hebben noch de Chamberlains, noch de Flandin-Daladiers

[p. 323]

het in hun macht, de vrede met het fascisme te handhaven, want het fascisme bepaalt zich niet tot het verslinden van de Oost- en Zuid-Europese gebieden, die het van de Chamberlains cadeau gekregen heeft, het maakt ook aanspraak op de directe machtsposities van Engeland en Frankrijk, en een aantasting hiervan kan geen Engelse of Franse regering toestaan, zonder omvergeworpen te worden.

Bij ieder verder-gaande uitbreiding van de fascistische macht (Rijnland, Oostenrijk, Tsjecho) kost het de Chamberlains steeds meer moeite, de vrede te handhaven. Er komt een moment, waarop de dynamiek van het fascisme het zijn pleitbezorgers in het Westen, de Chamberlains en Daladiers, niet langer mogelijk maakt hun politiek van concessies voort te zetten. Zo is dus het einde van die politiek: de oorlog. En aangezien de concessies de macht van het fascisme versterkt en die van Engeland en Frankrijk verzwakt hebben, kan die oorlog door Engeland-Frankrijk niet meer gewonnen worden zonder Amerikaanse steun, zodat aan het eind van de oorlog Amerika de beslissende positie inneemt, precies wat de Chamberlains wilden vermijden, en wat ze nog hadden kunnen vermijden, als in ze 1933-1935 het, toen nog zwakke, Hitler-Duitsland hadden ten val gebracht.

 

Intussen, het feit dat men in Frankrijk en Engeland regeringen van het type Laval, Flandin, Blum, Daladier of Mac-Donald, Baldwin, Chamberlain heeft, bewijst voldoende, dat die landen niet meer over voldoende energie en inzicht beschikken om een politiek in grote stijl te voeren.

Daarnaast is er dan het verschijnsel van het pacifisme. In de overgrote meerderheid der gevallen, heeft dit pacifisme niets gemeen met een liefde tot de naasten en de verderen, met een gevoel van broederschap, zo sterk, dat men zijn medemensen onder geen voorwaarde meer wil bestrijden. Het heeft ook niets te maken met die ‘geestelijke weerbaarheid’ die zich sterk genoeg weet, of meent te weten, om het wapengeweld door propaganda, door het voorbeeld van heldhaftig gedragen leed, door hef gebruik van andere middelen (staking, fabrieksbezetting, lijdelijk verzet) die een geweldige geestkracht, zelfbeheersing, inzicht vragen, door geestelijke en geweldloze strijd te kunnen overwinnen.

De gemiddelde pacifist hier in het Westen is een kleinzielig, haatdragend, lasterend manneke, dat iedere opoffering voor een grote

[p. 324]

gedachte onzinnig vindt, dat liever de hele wereld in slavernij en eerloosheid wil zien ondergaan, dan zijn eigen lieve leventje in gevaar brengen. De massa's grijpen naar pacifistische en antikapitalistische argumenten, omdat hun werkelijk motief, de angst en het bekrompenste egoïsme, te weinig eerbiedwaardig is om indruk te maken. Dit pacifisme is dus niets anders dan één van de wijzen, waarop de invloed van de ‘maag-mens’ tot uiting komt, één van de uitingen van toenemende vervlakking en van de heerschappij der middelmatigen. En dit is, zoals we reeds zagen, een toestand, die er op wijst, dat de élites hun invloed verloren hebben, verzwakt of verdwenen zijn.

De lange periode van nagenoeg onbedreigde heerschappij van het Westen heeft die verzwakking der élites in de hand gewerkt, terwijl daarna de reeds besproken uitwerking van de crisis op de middengroepen tot verdere verwarring en verzwakking leidde. In dezelfde periode, waarin de U.S.A. een land van pioniers was, een continent in bezit moest nemen, uit immigranten van allerlei oorsprong een natie moest maken, of waarin Duitsland zijn positie in de wereld moest veroveren, leefde men in West-Europa in de waan van de vanzelfsprekendheid der wereldheerschappij. Thans nu dit tijdperk ten einde is, nu bedreigingen van allerlei aard zich opdoen, zal als gevolg hiervan ook in West-Europa op de duur nieuwe élite-vorming optreden; maar dit is een vrij langdurig proces - een proces, dat alleen maar mogelijk is in een democratische maatschappij - en dat proces, waarvan we thans de eerste sporen kunnen waarnemen in een land als Engeland b.v., heeft nog geen practische uitwerking op de massa, die dus nog voorlopig in de ‘pacifistische’ angst-toestand blijft verkeren.

Dit pacifisme is ongetwijfeld dus een teken van decadentie; maar betekent het ook, zoals de fascisten gaarne aannemen, dat de Westerse cultuur niet meer over voldoende vitaliteit beschikt om de aanvallen van het fascisme af te slaan en, zich van haar inzinking herstellend, een nieuwe ontwikkelingsfaze in te gaan?

 

De fascisten zouden misschien gelijk hebben, als die Westerse cultuur beperkt was tot West-Europa. Dan zou het herstelproces wellicht te laat komen, om het fascisme buiten de poorten te houden. En als het fascisme zich meester gemaakt heeft van een land, dan wordt daar inderdaad ieder ander proces dan dat der ‘gelijkschakeling’, dat op de duur tot totale verstarring leidt, afgebroken.

[p. 325]

Maar de Westerse cultuur heeft haar vitaliteit bewezen door tijdig geweldige reserves te vormen, reserves waarvan de U.S.A. de grootste zijn, maar die men in Midden-Amerika (Mexico!) en Zuid-Amerika, in Zuid-Afrika en Australië, en zelfs, in andere vormen, in Rusland, China, Brits-Indië, Turkije, Perzië vindt. Natuurlijk kan de verwestering in Rusland en de andere in hetzelfde verband genoemde landen een fascistische richting inslaan, als het eigenlijke Westen fascistisch zou worden. Maar een cultuur, die haar vitaliteit bewezen heeft door het verwesteren van nagenoeg de gehele wereld, is in ieder geval minder uitgeput dan de fascisten willen doen voorkomen. Wat met West-Europa gebeurd is, is niets anders, dan dat de kolonie Amerika machtiger is geworden dan het moederland; en dat deze machtige kolonie thans, voorgoed of voor een bepaalde periode, de leiding neemt om de taak, nodig voor het behoud der Westerse beschaving, te volbrengen.

Die taak is de vorming van de ‘universele staat’ der Westerse cultuur, van de politieke en economische organisatie dier cultuur, volgens haar eigen democratische beginselen. En het fascisme is, van uit dit perspectief gezien, niets anders dan het krampachtig verzet der in democratisch opzicht achtergebleven, nationalistische staten, tegen een regeling, die de nationale kaders doorbreekt om ‘universeel’ te kunnen zijn.

De toestand is dus deze: een paar kleine, cultureel achtergebleven landen, zoals Duitsland en Italië, worstelen wanhopig om te ontsnappen aan een proces, dat hen dwingen wil zich te schikken in een universele regeling. Ze willen zich aan geen enkele internationale regeling onderwerpen, met geen enkel ander belang dan het eigene rekening houden. En dit is, in het complex van omstandigheden, die tot vorming van een universele staat dwingen, alleen mogelijk als zij er in slagen het gehele Westen tot een aanhangsel van hun eigen nationale staat te maken.

De vorming van zelfstandige fascistische staten in Engeland, Frankrijk, Amerika, zou geen enkele oplossing brengen, want het zou de tegenstand, waarop Duitsland stuit, alleen maar kunnen versterken. Een fascistisch Italië kan wellicht genoegen nemen met de positie van knechtschap, die het thans t.o.v. Duitsland inneemt, een fascistisch Engeland of Amerika zou dat natuurlijk niet doen, doch integendeel van zijn kant op onderwerping van alle andere staten aansturen. De enige werkelijke oplossing is de

[p. 326]

democratische, die alle naties de machtspositie geeft, die ze door hun capaciteiten kunnen verwerven in de vreedzame wedijver. De fascistische staten zijn de staten, die weten, dat ze onder die omstandigheden een ondergeschikte positie zullen innemen en die nu, door gebruik van geweld, aan dit lot willen ontsnappen. Geen gevoel van macht, doch integendeel het gevoel van niet opgewassen te zijn tegen de vreedzame concurrentie van andere staten, drijft de fascistische landen tot hun houding.

 

Het fascistisch verzet tegen de vorming van de universele staat der Westerse beschaving, neemt dus de vorm aan van aanvalsoorlogen, die de fascistische staten in hun omgeving ontketenen. Daar waar de Westerse beschaving door een reeks van omstandigheden haar veerkracht verloren heeft, is het antwoord op die fascistische aanvallen, een angstig terugdeinzen. Dat voert dan veelal tot de conclusie, dat de gehele Westerse beschaving verloren is, of dat tenminste de liberale ontwikkelingsfaze dier beschaving afgesloten is. Noch het één, noch het ander is juist.

De Westerse beschaving zou evenmin verloren geacht kunnen worden, omdat Frankrijk en Engeland zouden ophouden haar leidende mogendheden te zijn, als ze verloren was, toen Portugal en Spanje en Holland ophielden leiding te geven, en hun plaats aan Frankrijk, Engeland en Oostenrijk moesten afstaan. Een beschaving is nooit dood, zolang ze zich uitbreidt en nieuwe gebieden koloniseert of oude gebieden van haar geest doordringt. De Westerse beschaving, die twee gehele werelddelen (Amerika en Australië) gekoloniseerd heeft en daar machtige, nog aan het begin van hun ontwikkeling staande, staten gesticht heeft; die bovendien grote oude gebieden als China en India tot nieuw leven heeft gebracht en daar nieuwe beschavingen (die men Anglo-Chinees en Anglo-Indisch zou kunnen noemen) aan het vormen is, die beschaving is niet uitgeleefd, en ze is niet te vergelijken met het Romeinse rijk, dat reeds eeuwen vóór zijn ondergang een stagnerend en rottend gebied vormde. En het is, in die beschaving, het liberalisme, dat die nieuwe en oude gebieden in bezit genomen en bewerkt heeft, terwijl het fascisme en zijn nationalistische en militairistische voorlopers zich beperken tot gebieden, die nog nooit geheel bevrijd waren van de feodale restanten, en tot gebieden, die bekneld zitten tussen het nieuwe Westen (d.i. Amerika en z'n aanhangsels aan de overkant van de Atlantische

[p. 327]

Oceaan: Engeland, Frankrijk e.d.) en Rusland, waarin zich een nieuwe Anglo-Slavische beschaving aan het vormen is, door het Bolsjewisme heen1).

 

Het is gewenst op deze plaats even stil te staan bij de betekenis die aan Rusland en het Bolsjewisme in dit verband moet worden toegekend.

Wat Rusland zèlf betreft, het kan misschien zonderling schijnen, dat het hier telkens als iets bijkomstigs behandeld wordt, terwijl toch tallozen in Rusland de toekomst-staat menen te zien, de bakermat van een nieuwe beschaving, en de eigenlijke tegenpool van het fascisme, getuige de vaak gehoorde leuze: fascisme of bolsjewisme.

Het is daarom gewenst, enkele opmerkingen te maken over wezen en toekomst van Rusland, opmerkingen die, om de reeds in het ‘Voorwoord’ van dit boek aangegeven redenen, kort zullen moeten zijn.

1e. De tegenstelling bolsjewisme-fascisme is voor ons reeds daarom onaanvaardbaar, omdat zowel de Russische als de Duits-Italiaanse Staat tot eenzelfde type behoren: de autoritaire en totalitaire Staat. Het uitgangspunt moge dan anders geweest zijn, Rusland moge begonnen zijn als een experiment van het proletarische socialisme, op den duur is het een totalitaire Staat geworden, de meest totalitaire van alle staten, omdat ook nagenoeg de gehele economie volgens het totalitaire schema georganiseerd is, een proces dat in Duitsland en Italië nog slechts ten dele voltooid is. Daarentegen zijn de feitelijke politieke en culturele toestanden in de drie staten vrijwel van hetzelfde type, terwijl op alle gebieden steeds meer overeenkomst te bemerken valt.

2e. De tegenstelling is er dan ook niet een van bolsjewisme en fascisme, doch van Rusland en Duitsland. Een land als Italië kan zich - of moet zich - op den duur aan Duitsland onderwerpen, omdat het armer, zwakker, kleiner dan Duitsland is, doch Rusland is een werelddeel, met een geografische basis even stevig, als de Duitse zwak is, met een enorme, bijna onuitputtelijke grondstoffenrijkdom - terwijl Duitsland in bijna alle opzichten grondstoffengebrek heeft - met een bevolking die dubbel zo

[p. 328]

groot is als de Duitse en die zich veel sneller vermeerdert, terwijl tenslotte Duitsland probeert in de Russische zône (Oostzeestaten, Slavische gebieden in Oost- en Z.O.-Europa) binnen te dringen, en Rusland de weg naar Oostzee en Middellandse zee verspert, om maar niet te spreken over het Duitse verlangen naar de Oekraïne, het Don-gebied en de petroleumvelden van Bakoe. Het ligt voor de hand dat een wereldrijk als Rusland zich niet kan en wil onderwerpen aan een Midden-Europees staatje van middelmatige afmetingen, dat het in geen enkel opzicht als z'n meerdere kan zien. Reeds de zelfhandhaving van de autoritaire Russische regering, belet haar enige concessie van betekenis aan het buitenland te doen, wil ze niet onmiddellijk alle gezag in het eigen land verliezen. Bovendien beschouwt men in Rusland zichzelf als een jong volk en een jonge staat - met heel wat meer recht dan de Duitsers dit doen - die een geweldige toekomst hebben, terwijl men het Duitse fascisme als de laatste stuiptrekking van een ondergaande wereld ziet, zodat men niet de minste neiging heeft om voor dit Duitsland te capituleren. Zo is op den duur een botsing tussen de twee totalitaire machten Rusland en Duitsland onvermijdelijk, waarbij Rusland het voordeel heeft, dat het rijk en groot genoeg is, om te kunnen wachten en z'n eigen gebied te ontginnen, terwijl Duitsland alleen door aan te vallen en te veroveren, tot een werkelijke wereldmacht kan worden.

Zo kan Rusland zich verbinden met de staten van het Westen, die evenmin behoefte aan uitbreiding en verovering hebben, en zo kan Rusland, samen met deze bondgenoten, de fascistische aanvallers vernietigen.

3e. De vraag is nu of Rusland, na zo'n overwinning, geen vooruitzichten heeft om z'n bondgenoten, de Westerse staten te overheersen en tot de wereldbeheersende macht te worden, doordat het zowel de Europese als de Aziatische staten dwingt om het ‘bolsjewisme’ te aanvaarden?

Op deze vraag antwoorden wij ontkennend, om de volgende redenen.

a. Een nederlaag van Duitsland is - of de Russen dit willen of niet - tegelijkertijd een nederlaag van alle totalitaire systemen. De oorlog tegen Duitsland wordt onder leiding van de democratische staten; onder de uiteindelijke leiding van Amerika, en niet onder die van Rusland gevoerd. De overwinning zal een overwinning der democratische wereldbeschouwing zijn, en daar-

[p. 329]

door een indirecte nederlaag voor het in Rusland heersende systeem.

b. De hoop van de Russen is, dat het verdwijnen van het fascistische régime in Duitsland (en Italië), een chaos zou veroorzaken, waarvan de bolsjewiki zouden kunnen profiteren om in die landen een bolsjewistische dictatuur te doen ontstaan, terwijl tegelijkertijd het, door de oorlog ontredderde, Oost- en Zuid-Oost-Europa, onder Russische invloed zou komen. Deze hoop houdt geen rekening met het psychologisch feit dat in de overwonnen landen, na de nederlaag van het fascisme, een afkeer van ieder totalitair systeem te verwachten is, dat het opleggen van een bolsjewisme aan de landen tussen Duitsland en Rusland, op hetzelfde nationale verzet zou stuiten als in 1918-'19, en dat de democratische landen, na het fascisme verslagen te hebben, nergens een ander totalitair systeem kunnen toelaten.

c) De pogingen van de Russen om het bolsjewisme tot een wereldmacht te maken, zullen niet alleen op het verzet van de West-Europese landen stuiten, maar ook op het verzet van het Chinese volk, dat, zowel voor zover het z'n boerenmassa's, als voor zover het z'n leidende groepen betreft, te zeer door familieindividualisme en bezits-zelfstandigheid beheerst wordt, om het bolsjewisme te aanvaarden. Tenslotte stuit het natuurlijk ook op de Amerikaanse democratische concepties, en dit is beslissend, omdat, al moge Rusland ook een groot en door de natuur goed bedeeld gebied zijn, het noch wat grondstoffen, noch wat techniek, noch wat geaccumuleerde rijkdom, noch wat beheersing der zeeën betreft, tegen een door Amerika geleid, democratisch blok opgewassen is.

d) Het moet dus òf tot een conflict komen tussen Rusland en het democratisch blok, òf de twee blokken blijven naast elkaar leven; en in dat geval is de meest voor de hand liggende ontwikkelingsgang, dat de crisis van het bolsjewisme, die tot nu toe geleid heeft tot een noodtoestand, zodanig verscherpt wordt, dat de val van het régime aan de orde komt. De crisis van het bolsjewisme kan hier slechts in grote trekken omschreven worden. Ze vindt haar oorsprong in de onmogelijke taak die de bolsjewiki probeerden te vervullen, door in een arm en achterlijk land, tegen de intellectuelen, middengroepen en tegen de grote massa van de boerenbevolking, dus tegen de overweldigende meerderheid van het volk in, en slechts steunend op een deel van een

[p. 330]

betrekkelijk zwak en onontwikkeld industrie-proletariaat, een maatschappelijke orde te scheppen naar de opvattingen van het proletarische socialisme.

De volslagen onmogelijkheid van deze onderneming leidde reeds spoedig tot een terugtocht over de gehele linie, die onder de naam van Nieuwe Economische Politiek (N.E.P.) bekend is, een poging om een verzoening tussen het régime en de massa der bevolking, de boeren, tot stand te brengen. Toen het bleek dat de consequentie van de N.E.P. niet anders kon zijn dan het herstel der democratie, weigerde het régime, dat z'n organisatie vindt in de Communistische Partij, deze weg te aanvaarden, doch koos de weg van een volkomen totalitair régime, dat het gehele economische politieke en culturele leven van het land beheerst en reglementeert. Dit is de weg van de Vijfjaren-plannen, de weg van Stalin, de weg van verscherpte terreur en de vorming van een nieuwe heersersklasse.

Dit alles ontmoet een voortdurende weerstand van de kant van het volk, zodat het régime zich alleen door onafgebroken dwang en ‘zuiveringen’ kan handhaven, terwijl de welvaart van de massa der bevolking slechts in onbevredigende mate toeneemt, en de economische ontwikkeling van het land zich onder voortdurende schokken en noodtoestanden voltrekt.

Terreur en crisis in permanentie, dat is de toestand waarin het tegenwoordige Rusland zich bevindt.

En deze toestand is zo ernstig, dat velen zich afvragen of het régime bestand zal zijn tegen de geweldige druk van een oorlog. Zal het tijdens de oorlog ineenstorten, of zal het de oorlog doorstaan? Zal het reeds tijdens de oorlog gedwongen zijn, een zekere zeggenschap aan de volksmassa's te geven?

Het zou ons te ver voeren, al deze vragen te beantwoorden. Het feit dat ze gesteld moeten worden, bewijst reeds dat een dergelijk régime te veel met zichzelf te doen zal hebben om gevaarlijk te zijn voor de buitenwereld.

Aangenomen nu, dat het régime de oorlog doorstaat, én zich niet stort in een avontuur tegen de democratische landen - een avontuur dat het niet zou overleven - dan zal het aan het einde van de oorlog, omringd door een, progressief en sociaal, democratisch régime, niet alleen niet in staat zijn dit régime te bestrijden of er enige aantrekkingskracht op uit te oefenen (trouwens sedert jaren oefent Rusland alleen nog aantrekkingskracht uit

[p. 331]

op paupers en ontwortelde intellectuelen), maar het zal zèlf, in steeds toenemende mate, onder de invloed van de omringende wereld komen. De ontevredenheid die in Rusland bestaat en die door de oorlogslasten zal toenemen, wordt door de aantrekkingskracht welke het democratische blok op Rusland zal uitoefenen, zó versterkt, dat we òf een uitbarsting krijgen, waardoor het régime ten val wordt gebracht, òf dat het régime, door hervormingen, een vreedzame overgang naar de democratie mogelijk maakt. In beide gevallen is het uiteindelijk resultaat: de overgang van het bolsjewistisch totalitarisme naar de democratie - een zich aanpassen aan, en inschakelen in, de Westerse beschaving.

Anders dan in het fascistische Duitsland, dat oorspronkelijk tot de Westerse beschaving behoorde, en dat nu in een krampachtig verzet tegen het Westen, zijn ‘bijzonderheid’ moet bewijzen, is in Rusland, gedurende de bolsjewistische periode, het prestige der Westerse beschaving altijd zeer groot geweest.

De oorspronkelijke Bolsjewiki (Lenin zowel als Trotski) streefden bewust naar verwestering van Rusland. En het Stalin-régime kenmerkt zich door het ten voorbeeld stellen van het ‘Amerikanisme’ aan het achterlijke Rusland. Alle pogingen om een ‘collectivistische’ of ‘proletarische’ cultuur te vormen zijn telkens weer mislukt; men moest opnieuw en opnieuw terugkeren tot de ‘individualistische’ cultuur van het Westen.

Het tegenwoordige Rusland heeft géén eigen cultuur, doch een Westerse cultuur, verwrongen door het politiek systeem. Zo is ook de Russische economie niets anders dan een, door het politiek systeem verwrongen, Westerse economie. Het eenige ‘oorspronkelijke’ in het tegenwoordige Rusland is de ‘politiek’ en deze is niets anders dan het totalitarisme.

Na een nederlaag van het politieke totalitarisme in de wereld, heeft Rusland te weinig eigens over, om de druk van het zegevierende Westen te kunnen weerstaan. Het politieke systeem zal zich meer en meer onthullen als wat het in werkelijkheid is, nl. een dwangsysteem. En het resultaat zal zijn, dat dit systeem, langs evolutionaire of revolutionaire weg, verdwijnt en dat de verwestering van Rusland aanvaard wordt.

Als deze verwestering niet meer kunstmatig, door politieke of economische dwang, belet wordt, dan eerst komt het tijdperk, waarin de westerse cultuur, door de werkelijke eigenaardigheden van het

[p. 332]

Russische milieu, beinvloed en vervormd zal worden, en waarin op den duur, een Anglo-Slavische beschaving ontstaan zal - nie1 de cultuur van het bolsjewisme, maar de cultuur die na het bolsjewisme komt.

Ziehier, in een al te schematisch betoog, waarom ik de mening dat het bolsjewistische Rusland, een beslissende, ja zelfs de hoofdkracht, der toekomst zal zijn, niet kan delen, en waarom het bolsjewisme in dit boek als een ‘bijkomstigheid’ behandeld wordt1.

 

Uit het bovenstaande blijkt wel dat, naar onze mening, Rusland niet over de krachten beschikt om, in de naaste toekomst, leiding te geven aan het wereldgebeuren. Het zwaartepunt ligt nog altijd bij de Westerse staten.

Het is dus geen wonder, dat, terwijl Engeland en Frankrijk terugwijken voor het fascisme, Amerika, het nieuwe middelpunt der Westerse beschaving, hoe langer hoe meer een bewust en agressief anti-fascisme ontwikkelt. Zoals de fascistische partijen in West-Europa, Duitse partijen zijn, zo zijn de anti-fascistische partijen, Amerikaanse partijen.

Maar terwijl de vrienden van Duitsland de volkomen vernietiging en slavernij moeten bepleiten van de staat, waarin zij leven (de onderwerping aan Duitsland, dat niet voldoende prestige heeft om in Engeland en Frankrijk als meester aanvaard te worden) kunnen de vrienden van Amerika, samenwerking, inschakeling in een groter geheel, met behoud van alle eigenaardigheden, bepleiten, onder leiding van een Amerika, dat in Europa reeds een geweldig prestige heeft. Daarom kunnen de vrienden van Duitsland wel gedurende een zekere tijd, steunend op de pacifisten, het toegeven aan de Duitse eisen doorzetten, maar ze kunnen de volkomen onderwerping van het eigen land aan het fascisme niet door hun volken doen aanvaarden. Dat wil dus zeggen, dat uiteindelijk de oorlog met het fascisme op de dagorde komt te staan.

[p. 333]

En dit betekent tevens het ingrijpen van Amerika, de uiteindelijke verplettering van het fascisme en de vorming van de universele staat der Westerse beschaving, onder Amerikaanse leiding.

Er is geen reden, waarom ook in de toekomst een ondergaan van de Westerse cultuur aan de orde zou zijn. Wat men het ondergaan van culturen pleegt te noemen, is gewoonlijk niets anders dan het stokken van het proces van de circulatie der elites, waardoor dan de aanwezige elites niet meer aangevuld en vervangen worden.

Doch in een democratische maatschappij is steeds zoveel beweging, wrijving, strijd, dat het versletene weggevoerd wordt en het sterke naar boven kan komen. Dit is één element voor de blijvende lenigheid der cultuur. Het andere is, dat zij door voortdurende aanraking met de Russische, Chinese, Indische en wellicht op de duur andere beschavingen (b.v. Neger-culturen) een voortdurende beïnvloeding ondergaat en beïnvloeding geeft, waardoor ze voor verstarring gevrijwaard is. Indien een ‘wapening der gematigden’ dan tevens zorg draagt voor het wegnemen der catastrofale elementen (oorlog en revolutie), dan is er geen reden om een andere ondergang der Westerse beschaving te voorzien, dan haar overgang in een nieuwe, in de loop der eeuwen ontstaande, beschaving, wier karakter thans nog niet aan te geven is.

 

In dit grote proces, is het fascisme dus niets anders geweest dan het laatste verzet van feodale nationalismen tegen de vorming van staten, die al de nationale staten van een cultuurgebied tot één universele staat verenigen. Dergelijke pogingen om zich tegen een ontwikkeling, die door culturele, politieke en economische krachten veroorzaakt wordt, te verzetten, dragen altijd het karakter van wat A.J. Toynbee noemt, een ‘tour de force’, waardoor het land of de heersende klasse of de beschaving, die het beproeven, alle krachten in een bepaalde richting concentreren, in een krampachtige houding verstarren en het vermogen van aanpassing en differentiatie verliezen. En de meest voorkomende vorm van zo'n ‘tour de force’ is het militairisme, waardoor het hele gebied in een legerkamp herschapen wordt (Assyrië, Sparta, het Osmaanse Rijk, Pruisen) een toestand, die we thans ook bij het fascisme waarnemen. Zo'n ‘tour de force’ kan natuurlijk slagen, en zich zelfs hele tijdperken handhaven. Doch uit alles wat in de vorige hoofdstukken en in dit hoofdstuk is uiteengezet,

[p. 334]

volgt wel, dat de kans van slagen - voor zover men het gelukken van een tour de force ‘slagen’ mag noemen - voor het fascisme practisch gesproken ongeveer nihil is.

Daarentegen is de kans ongeveer honderd procentig, dat het experiment, waaraan de vorige generatie reeds toe was, het experiment, dat ze in 1918 ondernam, doch waarvoor ze niet rijp bleek te zijn, zodat er slechts de misgeboorte van een ‘Volkenbond’ uit voortkwam, door de generatie, die haar opvolgt, zal worden voortgezet met meer inzicht, meer kracht en meer succes. Dat inzicht en die kracht, die meerdere rijpheid zal zij voor een groot gedeelte te danken hebben aan de beproevingen, die de economische en politieke anarchie in de periode na 1918 haar hebben opgelegd, beproevingen, wier resultaat en wier allerergste manifestatie, het fascisme is geweest.

Zo is dus het fascisme in alle opzichten als een ‘straf voor onze zonden’, of voor ‘de zonden onzer vaderen’, te zien. Als een straf voor het tekortschieten der Europese élites op cultureel, sociaal, economisch en politiek gebied. Als een straf voor het - materialisme, dat tot de cultus van het comfort, de maag-mens en het arbeiderisme leidde, als een straf voor een tot middelmatigheidscultus en vervlakking ontaarde democratie, als een straf voor de cultus van het irrationele, die tot een overheersing der driftinstincten, der beestachtigheid en der vulgaire mythe moest leiden, als een straf voor de cultus van het collectivisme, die tot totalitarisme en tot vernietiging der persoonlijkheid moest leiden, als een straf voor het gebrek aan visie, aan grootsheid, aan imperialisme bij de democraten, waardoor het bekrompen militaire imperialisme van ‘Blut und Boden’ aantrekkingskracht kon krijgen.

 

Dit alles wijst er op, dat het niet voldoende is het fascisme van thans te verslaan en te vernietigen, ofschoon dit vanzelfsprekend ons ‘eerst nabijliggend plichtje’ is. Maar als we alleen dit plichtje vervullen en dan de rest aan ‘de ontwikkeling’ overlaten, dan zal uit de na-fascistische wereld, uit de wereld van na de nieuwe grote oorlog, die onvermijdelijk en nodig is, een nieuwe anarchie, een nieuw irrationalisme, een nieuwe mythe van het collectivisme, een nieuw tekort aan individualisme, aan dynamische cultuur, aan matiging en aan elites ontstaan, een tekort, dat ons een nieuw ‘fascisme’ moet brengen, d.w.z. een nieuwe beweging, die

[p. 335]

een andere naam zal dragen, andere karaktertrekken zal hebben, maar die, juist als het fascisme, een verwrongen, krampachtig en dwaas protest, en een gevaarlijk protest op de koop toe, zal zijn tegen de tekortkomingen der maatschappij. Daarom is bestrijding van het fascisme alleen dan volledig, indien het àl de oorzaken van het fascisme wegneemt.

Voor zover het fascisme de rebellie is van de achterlijke, kleine, nationale staten tegen de internationalisatie en federalisatie van de wereld, tegen het vormen van universele staten der grote beschavingen en tegen de vreedzame samenwerking dier staten, moet dat fascisme worden neergeslagen en vernietigd en moet, in een democratische wereld, de volledige ontwapening voltrokken worden, en iedere poging tot nieuwe militaire machtsvorming meedogenloos verijdeld worden, door een voortdurende bewapende contrôle, uit te oefenen door die staten, die door traditie en inzicht anti-militair zijn, en wier machtspositie van die aard is, dat ze noch gebiedsuitbreiding, noch heerschappij over andere volken wensen. Die contrôle moet echter vergezeld gaan van een economische regeling die berust op georganiseerde productie in grote, continenten omvattende, economische eenheden, afschaffing van de tolmuren en de protectionistische belemmeringen, georganiseerde distributie der grondstoffen en uitwisseling van producten tussen de economische eenheden.

Landen als Duitsland, moeten voor de keus staan om, òf toe te treden tot de universele Westerse staat - voorlopig natuurlijk onder strenge politieke contrôle inzake de politieke en culturele democratie en de militaire aangelegenheden - en dan dezelfde economische rechten en voordelen te krijgen als alle andere leden van de federatie, óf er buiten te blijven en dan economisch geblokkeerd en geboycot te worden, natuurlijk ook met behoud van de politiek-militaire contrôle. Er is, wat deze dingen betreft, geen andere keus dan die tussen onderwerping - waarop, na een zekere periode, gelijkberechtiging moet volgen, als die onderwerping ernstig en volkomen blijkt te zijn - of vernietiging. De veiligheid van de andere landen laat geen tussen-oplossing toe. Voor zover het fascisme echter een uiting van protest is - een verkeerd gericht en verward protest, dat door z'n verbinding met het nationalisme reactionair wordt - van protest der middengroepen tegen de pogingen om de wereld te proletariseren, om de arbeider tot maat aller dingen te maken, en de dictatuur der

[p. 336]

economistische wereldbeschouwing te vestigen, heeft het fascisme een volkomen gerechtvaardigde oorsprong. In zover is het een verzet van het individualisme, tegen een totalitair collectivisme. En dit gerechtvaardigde deel van het protest, mag niet, met de vernietiging van het fascisme, eveneens vernietigd worden. Het fascisme verslaan, om het te doen plaats maken voor bolsjewisme, of voor het één of ander proletarisch socialisme, heeft even weinig zin, als het fascisme te vernietigen om het Manchester-kapitalisme vrij baan te geven. Zou men alleen dit bereiken, dan zullen nieuwe protest- en verzetbewegingen ontstaan, die heel gemakkelijk weer in radicale eenzijdige bewegingen zullen ontaarden, bewegingen die een werkelijke culturele organisatie van de wereld belemmeren.

Hier is het dus niet voldoende het fascisme te verslaan, men moet het ook ontwortelen, door z'n gerechtvaardigde kern in andere vormen tot uitdrukking te doen komen. Van die ‘andere vormen’ zien we de eerste voorbeelden in het Rooseveltisme in Amerika en in het plan-socialisme of het personnalisme1) in Europa, vormen, die de proletarisering beletten en die het liberalisme, in sociaal verband, laten voortbestaan.

Doch het fascisme is ook nog iets anders, het is immers het verzet van de menselijke achterhoeden tegen de last der beschaving, een verzet, dat zich verenigt met de romantische protesten tegen de rede, die door een deel van de élites worden aangeheven. Deze verbinding geeft ons dat mengsel van mystiek en beestachtigheid, dat zo karakteristiek is voor de fascistische bewegingen en dat trouwens karakteristiek is voor alle bewegingen, wier stuwende kracht een vulgaire, voor massagebruik geschikte en de elites opzettelijk benevelende, ‘mythe’ is.

Ook hier weer is een neerslaan van het fascisme onvoldoende, want de culturele en de materiële misères blijven dan bestaan, en daaruit worden dan telkens weer nieuwe vulgaire mythen geboren. Het antwoord op deze oorsprongen van het fascisme moet dus tweeledig zijn. Voor de maatschappelijke achterhoede, moet dit antwoord bestaan, in de vorming van een wereld, die een einde maakt aan de materiële misère en die dus de achterhoede ont-

[p. 337]

Wapent, door haar welstand, zekerheid, veiligheid, orde en tucht te geven. Alleen als de élites er in slagen zo'n wereld te maken, zullen zij voldoende prestige hebben om de massa te bewegen tot het aanvaarden van de lasten der beschaving. Maar die élite zal slechts slagen, als zij zelf haar protest tegen de rede opgeeft, niet om te vervallen in een eng rationalisme, dat het bestaan van het irrationele loochent en dus zelf niets anders is dan een wetenschapsbijgeloof, een vulgaire mythe van de rede of de vooruitgang, maar als ze het protest tegen de rede opgeeft, om de nooit eindigende strijd voor de cultuur te aanvaarden, op de grondslag van een rationalisme, dat cultureel verantwoord is, en dat dus plaats biedt voor het irrationele, dat altijd in de natuur, het leven en de cultuur is en zal blijven. Ook hier hebben wij dus: aanvaarding van gerechtvaardigde protesten, die in het fascisme, in gevaarlijke vormen, hun uitdrukking hebben gevonden en die, in andere vormen, in de na-fascistische wereld tot hun recht zullen moeten komen. Het fascisme is rebellie en protest. De rebellie moet worden neergeslagen. Het protest moet worden onderzocht. En voor zover het gerechtvaardigd blijkt, moet het aanvaard worden en op andere, niet-fascistische, wijze bevrediging vinden.

 

Uit dit alles blijkt wel, dat niet ieder verzet tegen het fascisme waarde voor de toekomst heeft. Er zijn vele soorten van antifascisme, die niets anders zijn dan ‘fascismen’ met andere uitgangspunten, andere oorsprong, andere klasse-samenstelling, ander ressentiment. Ze dragen dan ook terecht andere namen, maar ze zijn van dezelfde slechte cultuur-kwaliteit. Niet alleen het bolsjewisme behoort tot die anti-fascismen, die, als ze de overwinning zouden behalen, ons alleen maar in een andere hel zouden brengen. Alle andere totalitaire wereldbeschouwingen zijn van dezelfde kwaliteit. Als de Katholieken tegen het fascisme protesteren, dan is dit het verzet van het ene totalitarisme tegen het andere. Daar waar ze slechts enigszins macht kunnen uitoefenen, geven de Roomsen blijk van dezelfde onverdraagzaamheid en hetzelfde obscurantisme als de fascisten. Men denke slechts aan het oude Oostenrijk, aan Portugal, Franco-Spanje of het optreden der Roomsen in Limburg en Noord-Brabant. Het ideaal der Roomsen zijn de Middeleeuwen, d.w.z. de heerschappij van hun kerk over de maatschappij, met de bijbehorende kettervervolgingen, waarbij het begrip ketter op de duur ook voor de geringste

[p. 338]

afwijking gold. Op het ogenblik maken de Roomsen reclame voor een nieuwe editie van de Middeleeuwen, de z.g. ‘corporatieve maatschappij’, alsof niet die maatschappelijke orde door de beste. mensen van die tijden als een ondragelijk juk gevoeld werd, een. stagnerende en bekrompen wereld, waaraan men tenslotte door een reeks van opstanden, oorlogen, revoluties en hervormingen is ontsnapt. Zeker, er zijn Katholieke democraten, die geen herhaling van dat verleden wensen, maar dat komt, doordat zij zozeer de invloed hebben ondergaan van hun democratische en dus niet-Roomse omgeving, dat zij zelf, zonder het te weten en te willen, ketterse afwijkingen vertonen, die de kerk moet dulden, zolang zij in een bepaald land en in de wereld slechts een minderheid is. Overigens behoeft men het Roomse totalitarisme niet ernstig te nemen als gevaar, want in de fascistische landen heeft het geen spoor van kans, en in de rest van de wereld is het te zeer afhankelijk van de omgeving, om tot een totale heerschappij te kunnen komen. Maar het is een onbetrouwbare bondgenoot, steeds bereid gemene zaak te maken met reactionaire en despotische machten. En alleen als onder de invloed van de Katholieken in de democratische landen (U.S.A., Frankrijk, Engeland) een diepingrijpende kerkhervorming tot stand kwam, waardoor de reactionaire Italiaans-Spaanse groep, die nu sedert eeuwen de kerk beheerst, haar macht verloor, zou het Katholicisme één der krachten van de toekomstige samenleving kunnen worden, maar nooit meer dan één der krachten, en dus niet een totalitaire factor. Doch ook vele ‘democratische’ stromingen bergen grote gevaren in zich, in al de gevallen, waarin hun democratie er een is, van vervlakking en van het neerhalen naar lage gemiddelden, van eredienst der massa. Ook dus het democratische arbeiderssocialisme, ofschoon te verkiezen boven alle fascistische en totalitaire stromingen, kan een belemmering voor de culturele ontplooiïng worden, omdat het de cultus der middelmatigheid en der tevredenheid is. Terwijl, aan de andere kant, het grijpgrage individualisme der kapitalistische winstmakers, ons slechts naar nieuwe chaos, crisis en anarchie kan voeren, en geweldige hoeveelheden explosieve verbittering ophoopt.

 

Wij moeten dus uitgaan van het inzicht, dat met de vernietiging van het fascisme, hoe dringend noodzakelijk die ook is, nog slechts een mogelijkheid gegeven is, voor een betere ontwikkelingsgang,

[p. 339]

niet een zekerheid. Wij moeten er aan toevoegen, het inzicht, dat de wereld van vóór het fascisme niet een ideale wereld of zelfs maar een dragelijke wereld was, die we moeten trachten te doen terugkeren. Integendeel, die wereld was een in bijna alle opzichten afschuwelijke en verdoemde wereld. Uit haar is het fascisme opgekomen. In een soortgelijke wereld wachten ons nieuwe fascismen. Willen wij dat niet, dan is een andere koers nodig. Tegelijk met de vernietiging van het fascisme, moeten de grondslagen voor een andere wereld gelegd worden. De oorlog ter vernietiging van het fascisme is nodig en belangrijk. Maar nodiger en belangrijker nog, is een vrede, de vrede, die na de vernietiging van het fascisme tot stand gebracht moet worden, de vrede, die de mogelijkheden voor de groei van een nieuwe wereld dient in te sluiten.

Wat nodig is voor zo'n nieuwe wereld, hebben we in de vorige hoofdstukken aangegeven; en het is onnodig hier nog eens te herhalen, waarom alleen een wapening der gematigden de waarborgen kan geven voor een dynamische cultuur en voor de inspiratie, die ons boven de mythe uitheft. Het is óók overbodig te herhalen, dat wij boven de klassenstrijd uit moeten om van de strijd om de cultuur ons levensbelang te maken, en dat de strijd om de cultuur, de strijd tegen de ondermens is, die alleen werkelijk gevoerd kan worden, als we tot de vorming van een nieuwe élite kunnen komen, een nieuwe aristocratie, die zich partij stelt, niet alleen tegen het fascisme, maar ook tegen alle andere vormen van kazernisme, totalitarisme, nationalisme en proletarisme.

Maar het is wellicht niet overbodig er op te wijzen, dat alleen als we nú reeds, met al de kracht die in ons is, pogen tot vorming van een dergelijke élite te komen, de kans bestaat, dat we enige invloed kunnen uitoefenen op de strijd tegen het fascisme en op de vorming van de na-fascistische wereld. De gedachte dat, aangezien de oorlog tegen het fascisme onvermijdelijk is, en aangezien die oorlog op de vernietiging van het fascisme zal uitlopen, ook daarna alles wel in orde zal komen, is een domme en gevaarlijke waan. Het is niets anders dan het idealiseren van de tegenstanders van het fascisme, onze tijdelijke bondgenoten. Het is het idealiseren van een samenraapsel van belangen en begeerten, die voor een groot deel niet beter zijn dan de fascistische.

Men denke slechts één moment aan een vrede, op wiens totstandkomen de Chamberlains en Halifaxen, de Daladiers en Lavals een belangrijke invloed zouden uitoefenen, en men ziet de stomp-

[p. 340]

zinnigheid, de corruptie, de geestelijke lafheid, het gebrek aan alle visie en alle grootse plannen, direct voor zich.

En laat men niet in de waan verkeren, dat de Amerikanen wel in orde zullen maken, wat de Chamberlains willen bederven. Wij moeten ook Amerika niet idealiseren, juist te minder, omdat we zien, dat het een grote historische missie heeft, en dat het zich meer en meer daarvan bewust wordt. Maar met dat al, is Amerika nog slechts bezig zich te ontworstelen aan de tradities van een egoïstisch kapitalisme, aan de tradities van de winstmakerij met alle middelen. Een land van zakenlieden zonder cultuur, van dollar-aanbidders, van grove en voor demagogie vatbare massa's, van leiders, die noch door kennis en fijngevocligheid, noch door overmaat van scrupules uitblinken, zo'n land wordt, ook na een louterende crisis, geen land met sterke, cultureel hoogstaande élites. En bovendien, aangenomen zelfs, dat de leiding bij democratische aristocraten als Roosevelt blijft berusten, en dat onder die leiding een élite gevormd wordt, tendele van direct Amerikaanse oorsprong, tendele bestaande uit de beste elementen, die door het fascisme uit Europa zijn verjaagd, zelfs dan nog zou een overmaat van macht, een nergens stuiten op weerstanden, een nergens ontmoeten van pogingen tot beïnvloeding, voor de Amerikanen noodlottig zijn.

De ordening van de wereld is alleen mogelijk, als ze niet door één staat wordt vastgesteld, maar als in zoveel mogelijk landen élites gevormd zijn, die hun invloed op die ordening pogen uit te oefenen, élites die in grote trekken de cultuur-politiek verdedigen, die we hier hebben geschetst, élites die ook in het algemeen de Amerikaanse wereldpolitiek steunen, maar die zelfstandig genoeg zijn om zich te verzetten tegen een gestandariseerde regeling, waarin de vele nuances van de Westerse cultuur niet tot hun recht zouden komen en waardoor de verbindingen van de Westerse cultuur met de andere culturen zouden worden afgesneden.

 

Waar het dus op aan komt, is de vorming van zulke élites in zoveel mogelijk landen, élites die, zonder in internationalistische fraseologie te vervallen, begrip en waardering voor elkaar hebben, tot samenwerking bereid en in staat zijn, en geen andere maatstaf aanleggen, dan die der culturele capaciteiten; over de grenzen van ras en volk, staat en taal, stand en engere overtuiging heen. Wat

[p. 341]

we hier ‘engere overtuiging’ noemen, dat zijn de religies of filosofieën, die men persoonlijk het hoogste acht en die men natuurlijk, als men zich daartoe gedrongen voelt, door anderen mag pogen te doen aanvaarden. Men zal echter moeten leren, het eigen geloof en het eigen inzicht te zien als één van de vele mogelijkheden, die binnen een open, steeds veranderende, cultuur liggen, om zo tot de verdraagzaamheid der actieven en wijzen te komen, tot het besef van de noodzakelijkheid van strijd, botsingen en compromissen.

Het vormen van zulke élites is het werk van allen, die zich daartoe geroepen voelen en die weten, dat een élite gekenmerkt wordt door wat ze presteert, en niet door het opeisen van voorrechten aan het werk van anderen ontleend. Vandaar dat een élite zich nooit kan presenteren als een élite, doch alleen als een richting, een groep, een partij, die invloed wil uitoefenen op het maatschappelijk gebeuren. Eerst aan het gehalte van haar werkzaamheden en aan het gehalte van haar invloed, kan men op de duur de élite herkennen en haar onderscheiden van schijn-élites, van groeperingen, wier optreden de maatschappij naar een chaos of een totalitaire verstarring zou kunnen voeren.

Het fascisme is, zoals een onderzoek naar het gehalte en de samenhang van z'n ideeën en motieven (een onderzoek, dat bevestigd en versterkt wordt door de confrontatie met de practijk) bewezen heeft, het resultaat van het optreden ener schijn-élite. Het kenmerk van een schijn-élite is niet, dat er voor haar streven geen spoor van gerechtvaardigde oorzaak te vinden is. Integendeel, het gevaarlijke karakter van een schijn-élite zit juist hierin, dat ze gerechtvaardigde protesten verbindt met versleten ideeën, bekrompen, onjuiste opvattingen en primitieve driften. Daardoor krijgt ze al die fanatieke en wrede trekken, die reactionnaire uitwerking en die demagogische inhoud, die we dan ook bij het fascisme waarnemen.

De schijn-élite is gevaarlijk, omdat ze niet in alle opzichten ongegrond is, doch in sommige opzichten uitgaat van verwerpelijke toestanden, die bestreden moeten worden, en die zij beweert te bestrijden, wat haar een aanhang geeft, zowel van direct belanghebbenden, als van idealisten met een groot tekort aan kennis en critische zin, die niettemin hun idealistische aard niet verloochenen en door opoffering en toewijding een zekere werfkracht en een zeker prestige aan zo'n beweging geven.

[p. 342]

Zo is ook het fascisme een gevaarlijke beweging, omdat ze, ofschoon ook enige gerechtvaardigde protesten in zich sluitend, als geheel beschouwd een vulgaire, reactionnaire, zich tegen de noodzakelijk geworden veranderingen in de wereld verzettende, de cultuur bedreigende, beweging is. Indien het fascisme de overwinning zou behalen, zou het niet alleen de wereld in een reeks van veroverings- en onderwerpings-oorlogen storten, maar het zou ook, op de duur, alle volken behalve het Duitse, tot slaven van de Duitsers maken, en het Duitse volk zelf tot een militaire cohorte, onderworpen aan den Leider en aan de bureaucratie der heersende partij. Het zou in de gehele wereld een totalitair bewind instellen, waardoor op de duur alle cultuur en alle élitevorming onmogelijk zouden worden gemaakt, en alleen nog het gemechaniseerde, domme en wrede blonde beest op aarde zou overblijven. Intussen, de kans op een fascistische triomf is, zoals wij reeds uiteenzetten, ongeveer nihil. Op voorwaarde natuurlijk, dat het fascistische gevaar nooit onderschat, doch integendeel in z'n volle omvang begrepen wordt.

Om de werkelijke betekenis van dit gevaar te doen inzien werd dit boek geschreven.

 

Maar ook nog om een andere reden.

Om te doen zien, dat we het fascisme wel kunnen verslaan, maar niet definitief kunnen overwinnen, als we niet de oorzaken van het fascisme wegnemen, de misstanden, die z'n ontstaan mogelijk maakten, doen verdwijnen; als we niet van onze kant breken met de vóór-fascistische wereld en er voor zorgen, dat de na-fascistische wereld er een is, van sociale rechtvaardigheid en welstand, van internationale politieke en economische ordening, van maatschappelijke organisatie en individuele vrijheid; een wereld, die de mogelijkheden voor culturele ontplooiing en bloei biedt, een wereld van onbegrensde mogelijkheden, omdat zij de moed en de durf der pioniers met de bezinning der wijzen weet te verbinden. Het fascisme kan alleen dan definitief overwonnen worden, als we een wereld weten te maken, die bewoonbaar is, zowel voor de massa als voor de élite, een wereld, die niet is autoritair, collectivistisch en totalitair, maar die de krachten van haar culturele dynamiek onophoudelijk toegevoerd krijgt uit een sterke en stevige ondergrond, welke tegelijkertijd sociaal en liberaal, en dus in de volle omvang, cultureel, economisch en politiek, ‘democra-

[p. 343]

tisch’ is. In de richting van zo'n democratie ligt de toekomst van de Westerse beschaving, de toekomst van alle volgende, en, naar wij hopen, hogere beschavingen. Voor die toekomst moet men werken; nu, in het aangezicht van het fascistische gevaar, en later, als het fascisme zal zijn vernietigd. En als dat geschiedt, dan heeft het fascisme de historische functie gehad, ons, door lijden en bezinning, rijp te maken voor deze grootse toekomst.