|
|
|
| |
| | | |
X. De toekomst der westerse beschaving.
Nu we hebben gezien waarom het fascisme in de naoorlogse wereld kon ontstaan, in
hoever het een product is van onze fouten en gebreken, en meer nog van ons
gebrek aan deugden, en in hoever het iets dankt aan eigen deugden en meer nog
aan eigen vulgariteit, in hoever het z'n uitgangspunt vindt in gerechtvaardigde
protesten tegen een slechte werkelijkheid en nog slechtere strekkingen, en in
hoever het dit gerechtvaardigde protest in een gevaarlijke waanzin wist te doen
verkeren; nu we gezien hebben hoe deze syncretistische beweging tot een macht
kon worden, en hoe ze tenslotte, niet uit eigen kracht, maar door zwakte,
verdeeldheid en kortzichtigheid der tegenstanders, en met behulp van bekrompen,
kortzichtige, conservatieve en reactionaire bondgenoten - valse spelers, die
door nog grotere meesters in het vals spelen bedrogen zullen worden - de macht
in handen krijgt; nu moeten we onderzoeken hoe dit fascisme z'n macht weet te
gebruiken, weet te consolideren, en in hoever er mogelijkheden bestaan, dat dit
fascisme zou kunnen verdwijnen, door krachten die zich in de fascistische
maatschappij ontwikkelen.
Het is bekend genoeg dat het fascisme, zodra het in de gelegenheid is om de
regeringsmacht te gebruiken, de regeringsmachine door z'n eigen mensen laat
controleren en bezetten, zonder daarbij ook maar het kleinste onderdeel te
verwaarlozen. Het fascisme voelt zich niet veilig, zolang ook het kleinste
ambtenaartje niet òf fascist is, of in ieder van z'n bewegingen door lieden die
fascist zijn, of hun lot met dat van het fascisme verbinden, gecontroleerd
wordt. Maar niet alleen moet het oude regeerapparaat geheel en al door fascisten
bezet zijn, doch dit apparaat wordt ontzaglijk vergroot, zodat er na enige tijd
geen onderdeeltje van de maatschappij meer bestaat, of het wordt door de
fascisten gecontroleerd en gedwongen zich te richten en te bewegen naar de wil
van | | | | de heersers. Naast het oude staatsapparaat, of juister, in het
verlengde ervan en in de poriën ervan, op alle terreinen die het oude apparaat
niet bestreek, ongemoeid liet, komt een nieuw apparaat, niet los staand van het
oude, maar er uit voortspruitend, er doorheen en mee samengevlochten, zodat het
totaal een netwerk van ongekende dichtheid en stevigheid wordt: het
regeringsapparaat van de totalitaire staat.
Totalitair wordt die staat, niet alleen omdat ze zich met alles, met iedere
levensuiting, met de politiek en de economie, met de opvoeding en met de kunst,
met de filosofie, het recht, de religie, de moraal, het gezinsleven, het sexuele
leven, de sport, het gebruik van de vrije tijd, werkelijk met alles, bemoeit.
Dat is al verschrikkelijk genoeg en dat zou reeds voldoende zijn om het leven in
zo'n staat ondragelijk te maken voor allen die op bepaalde gebieden zelf iets
presteren, en die op dat gebied dus geen lesjes, laat staan bevelen, van de
staat nodig hebben. Maar werkelijk totalitair wordt een staat eerst, als ze niet
alleen zich met alles bemoeit, maar ook iedere andere bemoeiïng belet, als ze
het monopolie van bemoeiïngen, het monopolie van levensuiting heeft.
Het fascisme roeit alle politieke organisaties, behalve de fascistische partij,
met wortel en tak uit; z'n concentratiekampen zijn vol met actieve tegenstanders
van het régime. Het heeft begrepen dat men politieke partijen kan vernietigen,
door ze niet alleen iedere bewegingsmogelijkheid - vereniging, vergadering,
drukpers - te ontnemen, en iedere propaganda of meningsuiting te beletten en
verder nog te straffen met opsluiting of met doodvonnissen, doch door bovendien
nog de leiding en het kader dier partijen, alle actieve elementen, op te sluiten
of om te brengen. Het weet, dat het op die wijze niet alleen de organisaties
vernietigt, maar ook de ‘geest’ van z'n tegenstanders. Want wat is een ‘geest’,
als ze geen ‘lichaam’ meer heeft, geen lichaam kan vinden, als iedere poging tot
materialisatie van de geest, direct ontdekt en vernietigd wordt? "Wat is een
geest, als die geest zich niet openbaren kan, als mensen nog wel ‘anders’ kunnen
denken, maar als geen twee mensen elkaar meer in het oor durven fluisteren dàt
ze anders denken, niet in een partij, niet in een vakvereniging, in een fabriek,
op een kantoor, een laboratorium, een magazijn, niet in een sportvereniging, in
een reisgezelschap, een liefhebberij-orkest, zangvereniging, leesclub, niet in
een café, op een wandeling, of in de huiskamer - omdat er altijd iemand | | | | luisteren kan, die een aanhanger van het régime is, omdat niemand
meer te vertrouwen is, geen man, geen vrouw, geen land. De mens is een sociaal
wezen, de mensengeest is sociaal, ontstaat sociaal, plant zich sociaal voort.
Ontneem hem iedere sociale mogelijkheid en ge houdt niets over, dan, gedurende
nog één generatie, een aantal eenzamen die geestelijk verhongeren en uitdrogen.
In de volgende generatie nog een paar zonderlingen. Dan, niets meer. De geest is
onsterfelijk, de geest overwint - dat zijn liberale waarheden. In een liberale
maatschappij, kan niets op den duur de geest weerstaan, omdat de geest, indien
hij politiek onderdrukt wordt, duizend maatschappelijke schuilplaatsen en
groeiplaatsen vindt, in het dagelijks leven, in het intieme verkeer, in het
culturele verkeer, in de economie. En van uit die schuilplaatsen komt hij weer
naar de openbaarheid, naar de politiek. Maar in een totalitaire staat is met
ieder van die duizend mogelijkheden rekening gehouden. Die staat is juist
totalitair, omdat hij in ieder van die duizend ‘schuilhoeken’ binnentreedt, z'n
macht vestigt en als een speurhond achter de ‘vrije geest’ aanrent, hem inhaalt
en de strot afbijt - niet van de ‘geest’, maar van de mensen die de dragers van
die geest zijn. De ‘geest’, dat zijn mensen. En het fascisme - net als het
andere moderne totalitarisme, het stalinisme, - vernietigt die mensen. Waarna de
geest de aarde verlaat en tot God terugkeert, als men met alle geweld de fictie
van de ‘onsterfelijke geest’ wil handhaven. Het fascisme, zo zou men, in de bij
deze fictie behorende terminologie, kunnen zeggen, kan de geest niet
vernietigen, maar wel, van deze aarde verdrijven. Wat naar onze mening op
hetzelfde neerkomt.
In dit opzicht nu heeft het moderne totalitarisme iets ‘nieuws’ gebracht,
waardoor het zich van de oude despotismen onderscheidt. Het nieuwe zit hierin,
dat het despotisme wel naar hetzelfde streefde (de onderdrukking van iedere
oppositie), maar het niet kon bereiken, omdat het noch over het inzicht in de
maatschappij, noch vooral over de techniek der onderdrukking beschikte, die
bolsjewisme-stalinisme en fascisme bezitten en gebruiken.
De oude despotismen wisten meestal niet, dat het gebied van de economie een
schuilplaats en een krachtcentrum voor rebellen zou kunnen worden. Zij meenden
heel verstandig te zijn, als ze kooplieden en fabrikanten rijk lieten worden en
ze van tijd tot | | | | tijd zware belastingen lieten betalen of
uitschudden. Ze begrepen niet, dat daardoor een wereld bleef bestaan, naast hun
eigen politieke wereld, een wereld waarin de verzetgeest kon leven en groeien.
Ze wisten ook niet, dat zij, in hun praalzucht en ijdelheid ‘kunsten en
wetenschappen’ beschermend, en verheugd als ze kunstenaars en geleerden tot
lippendienst konden bewegen of dwingen, dat ze dan voldoende overlieten van het
rijk der cultuur, om hun vijanden een levens- en groeikans te geven. Ze wisten
niet, als ze de religie gebruikten om de heiligheid van hun gezag te doen
verkondigen, dat die religie óók elementen bevatte, die een bijdrage tot de
verzetgeest vormden. Ze waren zélf bevangen in een eerbied voor de geest, die
tot aarzelingen moest voeren zodra ze met religie, met kunst, met wetenschap te
maken hadden.
Ze waren op die gebieden slechts halve despoten, geen totalitaire despoten. Ze
hadden ook een zekere eerbied voor de bestaande moraal, zeden en gebruiken, die
er toe leidde dat hun bemoeiïngen met het dagelijks leven, met het gezin,
slechts incidenteel, niet voortgezet en systematisch en totaal waren. Ze waren
bovendien meestal militairen, die geen begrip hadden van de betekenis der
economie, en die niet in staat waren tot een ononderbroken bemoeiïng op dit
gebied.
Maar zelfs als ze het inzicht hadden bezeten, dat onze moderne totalitairen
hebben, als ze bevrijd waren geweest van hun eerbied voor het geestelijke, zoals
dat met onze moderne despoten het geval is, dan nog zouden ze niet over de
technische middelen beschikt hebben, om een enigszins uitgestrekt gebied op deze
wijze te beheersen.
Een régime dat nog het meest overeenkomt met het moderne totalitarisme, had men
in Sparta, d.w.z. op provinciale schaal. Daar was het gehele leven, ook de
economie, ook de consumptie, ook de betrekkingen tussen personen, ook de cultuur
(voor zover aanwezig), aan vaste regels onderworpen, die voor allen golden, en
die de consolidatie der bestaande toestanden en de militaire sterkte van de
staat beoogden. Dit totalitair régime gold echter alleen voor de heersende
klasse, en het was dus niet een stelsel dat zich over de gehele bevolking
uitstrekte. De slaven en de halfvrije boeren werden niet volgens totalitaire,
maar volgens gewone despotische methoden geregeerd, zij het dan ook dat de
totalitaire | | | | groep wat meer eenvormigheid in de
onderdrukkingsmethoden legde dan elders het geval was.
Dit hele provinciale staatje echter was zo klein, dat het gemakkelijk van uit het
centrum overzien kon worden. En toch was het totalitarisme, (getemperd door de
algemeen geldende Griekse tradities en religieuze opvattingen, die voor de leden
der herenklasse iets van de vrijheden lieten bestaan welke in de primitieve
democratie van barbaren-stammen aanwezig zijn), alleen maar mogelijk, op een
armzalige agrarische grondslag, ten koste van alle comfort, verfijning en
cultuur. Toen Sparta, zijns ondanks, een wereldmacht werd, bleek het stelsel
onhoudbaar, niet toe te passen op grotere schaal. En Sparta verloor eerst z'n
wereldpositie, om daarna te verschrompelen en roemloos onder te gaan. Maar
behalve Sparta, kent men geen despotisme, dat zó tot in onderdelen georganiseerd
was, dat men het met een totalitair régime zou kunnen vergelijken. Men kent in
het verleden wèl hiërarchieën, zoals de Egyptische, die sterk gereglementeerd
waren, maar hier hebben we, een in de loop der eeuwen gegroeid despotisme,
waarin het volk allengs z'n vrijheid verloren heeft, en aan vrijheid verliest
wat het aan georganiseerde religie wint. Maar ook hier kan men zich bepalen tot
een globale heerschappij over de massa, de Godsdienst zorgt voor heerschappij
over de geesten; en de tevredenheid van de massa blijkt gemakkelijk te bewaren -
ontbreekt ze een enkele keer dan is geweld gemakkelijk toe te passen. De
vrijheid is langzaam ingesluimerd. Wellicht hebben we hier een toestand die
enigszins vergelijkbaar is met wat wij zouden krijgen na vele generaties
fascistische heerschappij. Met dit verschil, dat de Egyptische maatschappij,
zowel voor de heersende als voor de onderdrukte klassen, een grotere mate van
individuele bewegingsvrijheid kent, dan de totalitaire systemen geven. Wat ons
in de totalitaire systemen het eerst treft, is hun capaciteit in het
onderdrukken van opstandige, naar vrijheid verlangende bewegingen, en in dit
opzicht zijn zij niet te vergelijken met een systeem als het Egyptische, waarin
van opstandigheid niets te bemerken valt, omdat het eerst in de historie treedt,
als de vaste ordening reeds verkregen is.
We moeten daarom voor het zoeken naar een analogie, later gevormde rijken nemen,
de rijken der Assyriërs, Perzen, die van de Hellenistische en de Romeinse
periode, de absolute monarchieën van latere tijden, van Byzantium tot het
Tsarenrijk.
| | | |
Hier zien we, dat geen enkel machtsapparaat er in slaagt dergelijke rijken
volkomen te beheersen. Iedere despotie werkt - zolang ze nog krachtig is - als
een grove zeef, die alle grote stukken verzet opvangt en tegenhoudt; maar zolang
het verzet fijner is, kan men het niet ontdekken, niet opsporen. Ieder rijk
heeft z'n bijna ontoegankelijke gebieden, bergen, wouden, moerassen, woestijnen,
die een wijkplaats bieden; alle grote steden hebben wijken, die niet in alle
finesses kunnen worden gecontroleerd; hier is het een kasteel van een edelman,
daar een hoeve, ginds een klooster, elders een universiteit, die een zekere mate
van toevlucht en veiligheid bieden voor mensen met afwijkende meningen. Een
apparaat, uitgebreid genoeg om alles te controleren en te onderzoeken, is voor
geen enkele staat te dragen, het zou de inkomsten van de grootste rijken
verteren, want de productie is nog te weinig ontwikkeld om zulke lasten te
kunnen dragen. Grote groepen der bevolking staan onverschillig of vijandig
tegenover de heersers, en omringen de vijanden van het régime met een sfeer van
welwillendheid en hulp. De heersers en hun trawanten stuiten overal op
vijandigheid of lijdelijk verzet. En al is dit alles niet voldoende om een
régime ten val te brengen, het is voldoende om een leven naast het régime
mogelijk te maken: de ‘geest van verzet’ kan blijven leven in de talloze
‘niemandslanden’ der maatschappij, wachtend op betere tijden.
Hoe kan men in een maatschappij, die geen grotere snelheid kent dan het paard,
een uitgestrekt rijk tot in alle uithoeken contrôleren; hoe kan een betrekkelijk
klein corps van bureaucraten alles nagaan wat in de huizen en in de binnenkamers
geschiedt? Als men er niet in slaagt de gehele bevolking, door een algemeen
aanvaarde ideologie, tot instemming met de bestaande toestanden te bewegen, en
dit is, behalve in Egypte en tot op zekere hoogte in China, nergens het geval
geweest, is de maatschappij oncontrôleerbaar.
Later, als de techniek zich ontwikkelt, de arbeid productiever wordt, kan het
regeringsapparaat uitgebreid worden en is de contrôleringstechniek verfijnder.
Maar juist die technisch-industriële ontwikkeling vindt plaats onder voorwaarden
die een grotere individuele vrijheid nodig maken, onder voorwaarden die tot een
kapitalistische maatschappij leiden.
En nu staan de regeringen voor deze moeilijkheid: als ze hun druk op de
maatschappij vergroten, maken ze de kapitalistische ont- | | | | wikkeling
onmogelijk, en zonder die ontwikkeling kunnen ze geen goed functionerend
contrôle-apparaat in stand houden. Ze moeten dus het kapitalisme een zekere
armslag geven, maar daardoor moeten ze tevens de opstandige ‘geest’
levensmogelijkheden geven. Het Tsaristisch Rusland is het sprekende voorbeeld
van een dergelijke toestand1). En hier
zagen we, dat in een maatschappij met kapitalistische structuur, ondanks
spoorwegen, telefoon, auto's, telegraaf e.d., geen volledige controle van een
ontevreden volk mogelijk is.
Eerst de Bolsjewiki hebben het probleem der ‘volledige contrôle’ - een andere
uitdrukking voor ‘permanente en tot in alle onderdelen georganiseerde terreur’ -
nagenoeg opgelost. Daarvoor was nodig:
1e. Dat de heersende groep over een tamelijk grote actieve aanhang in het volk
beschikt, een ‘partij’ die de regering met geestdrift en hartstocht helpt bij
het opsporen van gevaarlijke elementen. De despotieën van vroeger moesten dit
werk doen, met een kleine heersende kaste plus betaalde helpers; thans is de
heersende kaste groter, het aantal betaalde helpers kan groter zijn, en hierbij
komen dan nog de talrijke vrijwilligers.
2e. Moet de heersende groep, door middel van de staat, het economische leven
volkomen beheersen en contrôleren. Zonder dergelijke maatregelen is men steeds
afhankelijk van de meesters der economie, men moet deze bepaalde vrijheden
geven, en zo blijft de toestand bestaan van een despotie met
vrije eilanden, van welke vrijheid dan de ontevredenen gebruik kunnen maken.
Zonder uitbreiding van het collectivisme tot in de economische sector is geen
volledige contrôle mogelijk. Tegelijkertijd moet de contrôle over de andere
sectoren versterkt worden.
Dit brengt ons bij 3e. De toepassing van alle hulpmiddelen der moderne techniek
in het onderdrukkingsapparaat, zodat het beheerste gebied vrijwel volkomen van
de buitenwereld wordt afgesneden, terwijl iedere sector ervan systematisch
onderzocht kan worden. Alle ongewenste elementen kunnen verwijderd, zo nodig
gedood of in gevangenissen opgesloten, in andere gevallen | | | | in
concentratiekampen worden geïsoleerd. Vooral het concentratiekamp geeft de
mogelijkheid, grote aantallen onschadelijk te maken, en ze bovendien nog
bepaalde werkzaamheden in dienst van het régime te laten verrichten (aanleg van
wegen, kanalen, versterkingen e.d.), waardoor de gevangenen in staatsslaven
worden veranderd en productief zijn. De behandeling der gevangenen in de
concentratiekampen, is dan van dien aard, dat de terugkerenden bijna steeds
geestelijk en lichamelijk gebroken zijn, zodat ze dus een waarschuwing vormen
voor allen die neiging tot verzet hebben. Daardoor en door de geruchten die uit
de concentratiekampen naar buiten komen, zijn deze een voortdurende aansporing
tot gehoorzaamheid en onderwerping.
Doch dit alles is nog maar één kant van de werkzaamheid der moderne despotie, de
negatieve kant.
Veel belangrijker is de positieve kant, de voortdurende beïnvloeding der
bevolking door de heersers.
Terwijl dus aan de ene kant, het gebied van de buitenwereld wordt afgesneden, de
ontevredenen worden opgespoord, vernietigd of geïsoleerd, wordt aan de andere
kant iedere levensuiting op een voor de staat gewenste wijze georganiseerd.
Dat de opvoeding van de gehele jeugd, het voorbereidend en lager onderwijs,
geheel en al in de geest van het régime wordt gegeven, spreekt vanzelf, Maar
hiermee is men niet tevreden. Ook de vrije tijd van de jeugd wordt onder
staatscontrôle geplaatst. Het kinderspel wordt in jeugdverenigingen
georganiseerd, die de kinderen geheel en al in militaire zin bezig houden,
volgens de principes dat gehoorzaamheid de hoogste deugd is, dat lichamelijke
ontwikkeling veel belangrijker is dan geestelijke ontwikkeling, dat denken iets
minderwaardigs is, voor zover het niet bestaat in het accepteren van wat de
leiders der jeugd verkondigen.
Het kind wordt dus, in de gevoelige leeftijd, geheel en al geladen met
‘staats-deugden’, en zoveel mogelijk onttrokken aan de ‘verderfelijke’ invloed
van het gezin, dat én oude tradities van vrijheid, én individuele trekken zou
kunnen aankweken.
De fabrikatie van de ‘massa-mens’, volgens een vast cliché, begint dus bij de
jeugd en ze wordt systematisch voortgezet. Van de kinder-organisaties gaat men
over naar de jeugdorganisaties, vandaar naar de arbeidsdienst, d.w.z. naar
‘concentratie-kampen met betere behandeling’ waar opnieuw ‘gehoorzaamheid’ en
| | | | ‘lichamelijke arbeid’ de alles dominerende beginselen zijn, dan
naar de militaire dienst, waar dit alles nog eens extra wordt aangedikt.
De zo opgevoede staats-mens, komt er al bijna automatisch toe, z'n werkzaamheden
in fabriek, bedrijf, op hoeve of kantoor, als staatsdienst te beschouwen, maar
bovendien is hij. ook daar georganiseerd in het ‘arbeidsfront’ of in
‘arbeiders-corporaties’, in de door de staat beheerste en gecontroleerde
vakverenigingen. Niettemin is het nodig er voor te zorgen, dat hij in z'n vrije
tijd niet aan de beïnvloeding ontsnapt. Vandaar dat z'n vrije tijd georganiseerd
is, dat hij in ‘Dopolavoro’ of ‘Kraft durch Freude’ z'n vermaaks-organisaties
vindt, vacantie houdt en op reis gaat met z'n organisatie, z'n avonden in die
kring doorbrengt. Grijpt hij naar een krant, hij grijpt altijd een
regeringskrant, andere zijn er niet meer. Uit de bibliotheken zijn de
‘gevaarlijke’ boeken verwijderd, en bovendien is er voorlichting en contrôle met
betrekking tot z'n lectuur.
Luisteren naar een ander radioprogramma dan dat van z'n eigen land, is verboden
en gevaarlijk. En als men naar het geoorloofde programma luistert, hoort men
slechts geoorloofde dingen, zoals men ook slechts geoorloofde films,
toneelstukken, romans, etc. etc. tot z'n beschikking heeft.
De middelbare scholen en universiteiten moeten natuurlijk een iets grotere
bewegingsvrijheid geven, maar de luxe-staatshondjes aan kettingen van tien
meter, zijn niet zo erg veel vrijer dan de huis en tuin-honden aan kettingen van
één meter. Ook zij hebben trouwens hun organisaties, die wijzen op de plichten
welke de ‘geleerden’ t.o.v. het régime hebben.
Bij dit alles komen dan nog de propaganda-campagnes van het régime, de
radio-toespraken van de leiders waarnaar ieder verplicht is te luisteren, de
nationale gedenkdagen en feesten, die het hele land overdekken met vlaggen,
muziek, demonstraties en redevoeringen, in de geest van het régime.
Misschien kunnen mensen, die reeds geestelijk gevormd waren toen het fascisme aan
de macht kwam, deze geweldige druk weerstaan. Maar hoeveel kans is er, dat
kinderen, opgevoed onder het régime, mensen die nooit iets anders gekend hebben,
tot opvattingen komen, die afwijken van de algemeen geldende? En als ze al tot
afwijkende opvattingen zouden komen, wat kunnen ze en wat moeten ze er mee doen?
Ze kunnen slechts, bij gebrek aan aan- | | | | knopingspunten, vrienden,
lectuur, tot uitingen komen waardoor ze hun ketterse gezindheid verraden, en
zichzelf overleveren aan de altijd waakzame mensen en organisaties, die de staat
beschermen tegen alle gevaren.
De ongehoorzame, ketterse, mens heeft geen andere kansen meer, dan de dood, de
gevangenis, het concentratiekamp.
De conformist daarentegen, heeft alle kansen die de maatschappij maar bieden kan.
Als hij ijverig en vlug van begrip voor de geopenbaarde waarheden is, kan hij
uit de jeugdorganisatie naar de partij overgaan, en als hij zich daar
voorbeeldig gedraagt, staan alle mogelijkheden die het régime geeft, voor hem
open.
De partij, is in de totalitaire staten een zeer bijzonder lichaam, doch geenzins
van zo gecompliceerde aard, als de geleerden, die talloze verhandelingen hebben
geschreven over de betrekkingen tussen partij en staat, veronderstellen. Wie die
betrekkingen juridisch wil vaststellen, stuit op moeilijkheden, want zelfs in
Italië, waar de partij een grondwettelijk omschreven functie heeft, kan men de
betekenis der partij niet uit de wet, doch alleen uit historie en praktijk leren
kennen.
Historisch is de partij de vereniging van de lieden die het fascistisch régime
hebben voorbereid en ingesteld, de belichaming van de fascistische idee, en dus,
in het groot gezien, het verbond van de fascisten uit overtuiging - al is, bij
het groter worden van de kansen op de macht, het aantal aanhangers uit
berekening natuurlijk reeds zeer aanzienlijk geweest. Maar de kern der partij
wordt gevormd door fascisten uit overtuiging, en deze lieden stellen zich, na
aan de macht te zijn gekomen, ten doel de hele maatschappij naar hun opvattingen
in te richten, van hun geest te doordringen en van andersdenkenden te zuiveren.
De partij is dus het verbond van de trouwste en energiekste aanhangers van het
fascisme. Zodra ze de macht veroverd heeft, kan ze zich niet meer, zoals
vroeger, aanvullen met vrijwilligers - ze zou overstroomd worden door
conjunctuur-fascisten. Ze kan zich alleen aanvullen, door uit de massa van de
adspiranten, diegenen uit te zoeken die de meeste waarborgen bieden voor de
trouw aan het régime en voortzetting van het régime in de geest van de mythe. Ze
is en blijft dus de selectie van de zuiverste fascisten, en ze heeft tot taak
overal en alles te contrôleren op fascistische zuiverheid. Aangezien die
zuiverheid z'n uitdrukking vindt in den | | | | Leider, en, van hem
uitgaand, in de hogere en lagere onderleiders en kaderleden, heeft ze tot taak
de bevelen van den Leider en het kader strikt toe te passen, en in alle
staatsorganen en maatschappelijke organen aanwezig te zijn, niet alleen als
contrôlerende, maar ook als stimulerende factor. Extra betrouwbaarheid en extra
ijver voor het régime zijn haar kenmerkende eigenschappen, en zo wordt ze dus op
den duur tot een georganiseerde heersende klasse, wier functie het handhaven en
versterken van de fascistische heerschappij is. Op den duur moet de partij de
betrouwbare en energieke heden leveren, die alle enigszins belangrijke
maatschappelijke functies bezetten. Zolang ze dat nog niet kan, omdat het aantal
technisch geschoolde lieden dat de partij oplevert nog te gering is, moet ze de
technici, op economisch, militair en cultureel gebied, contrôleren, en er voor
zorgen dat deze hun machtsposities niet tegen of ten nadele van de partij
gebruiken. Het doel is dus: een partij van trouwe, energieke en bekwame lieden;
maar trouw en energie zijn het eerst nodige, want, vóór alles, gaat de zekerheid
van het régime.
Zo heeft het régime dus de beschikking over een dubbel apparaat: ze heeft het
gewone staatsapparaat, dat alle regeringen bezitten, een zeer groot apparaat,
omdat de staat zich met alles, politiek, leger, economie, cultuur bemoeit. En ze
heeft daarnaast een selectie van getrouwen die op leven en dood met het régime
verbonden zijn.
De fascisten weten, dat de val van het régime niet alleen betekent dat zij hun
bevoorrechte posities, hun baantjes, kwijt raken. Ze weten ook, dat in zo'n
geval alle aanhangers van het régime, de leden der partij, rijp zijn voor
schavot, gevangenis of concentratiekamp. Vandaar dat ze tot iedere prijs het
régime zullen handhaven, dat ze voor niets zullen terugdeinzen om pogingen tot
opstand te bedwingen. En aangezien ze dit weten, zullen ze alle belangrijke
posities van militaire en industriële aard, òf alleen aan eigen mensen
toevertrouwen, òf zo zorgvuldig contrôleren dat gevaar voor het régime
uitgesloten moet zijn.
Als we nu dus nogmaals de nieuwe despotieën overzien, dan vinden we als hun
kenmerken, dat de heersende groep streng georganiseerd is, alle
sleutelstellingen bezet, zwaar bewapend is, en over alle middelen der moderne
techniek beschikt. We vulden verder, dat de staat, in handen van die heersers,
alle maatschappelijke | | | | gebieden beheerst of contrôleert en geen
enkele levensmogelijkheid terzijde van de staat meer toelaat. Het staatsapparaat
is zo innig verbonden met het nieuwe régime, dat de val van dit régime ook voor
allen die dit apparaat vormen, een gevaar, of op z'n minst een onzekerheid voor
het behoud van de functie betekent, zodat het bestaan van een talrijke groep
afhangt van het voortbestaan van het régime. Wij vinden daarenboven dat het
régime de opkomende generatie volkomen in zijn geest opvoedt, en een
voortdurende geestelijke druk uitoefent op jongeren en ouderen, ze allen
isolerend van iedere andere wereldbeschouwing. We voegen er aan toe, dat de
grote massa der mensen, van nature niet tot zelfstandigheid en
het zoeken van eigen wegen geneigd is, doch tot het volgen van het in hun
omgeving gebruikelijke. Alleen door het werken van een nonconformistische élite,
komt de massa op den duur tot wijzigingen in haar levenshouding. Die élite wordt
door het fascisme uitgeroeid, bewaakt en voor zover mogelijk - de nieuwe
generatie - in zich opgenomen. We zien bovendien, dat het fascisme, door z'n
economische organisatie, in staat is, een einde te maken aan de werkloosheid, en
de arbeiders-massa een verzekerd, zij het dan ook voorlopig schamel, bestaan te
geven en zo bij die massa een zekere tevredenheid en angst voor diepgaande
veranderingen te doen postvatten. We zien ook, dat de oude en nieuwe middenstand
door het fascisme bevredigd worden in hun standsgevoel, in hun verlangen naar
bescherming tegen het proletariaat, terwijl bovendien het staatsapparaat en het
partijapparaat geweldige mogelijkheden openen voor de nieuwe middenstand, en de
jongere generatie van de oude middenstand. Zodoende is het aantal werkelijk diep
ontevredenen met het fascistisch régime niet zeer groot, terwijl die
ontevredenen geatomiseerd en machteloos zijn. Het aantal aanhangers van het
régime en het aantal lieden wier bestaan en leven van z'n behoud afhangen, is
aanzienlijk, en dit aantal is door z'n organisatie en door z'n bezit van alle
machtsmiddelen, gemakkelijk in staat om iedere ontevredenheid te onderdrukken.
Als we ons nu nog herinneren, dat het fascisme het gehele volk toenemende
welvaart en heerlijkheid belooft, doordat het de positie van dit volk in de
wereld zal versterken, om ten slotte tot wereldheerschappij en alle daaruit
voortvloeiende machtsgevoelens en materiële voordelen te komen, dan is het
gemakkelijk te begrijpen, dat een dergelijk régime op den duur, naast een zeer
| | | | grote aanhang en een massa voor het régime ongevaarlijke
meelopers, slechts een klein aantal blijvend ontevreden en diep ontevreden
tegenstanders overhoudt. Het oude anti-fascisme sterft af, wordt uitgeroeid, is
machteloos. De nieuwe generatie kent niets anders meer dan het fascisme. Geen
ontevredenheden krijgen kans tot een nieuw anti-fascisme uit te groeien.
De geschiedenis leert ons, dat zelfs het oude despotisme., hoe slecht ook
georganiseerd, hoe gering ook vaak z'n aanhang, niettemin vaak eeuwen lang z'n
macht kon handhaven, en slechts een heel enkele keer door de, in z'n eigen
gebied heersende, ontevredenheid ten val werd gebracht. Meestal waren het
oorzaken van buiten - oorlogen -, of een combinatie van externe en interne
moeilijkheden die zo'n despotisme ten val brachten.
Waarop berust dan de verwachting dat het fascisme - of het bolsjewisme om
nogmaals aan het bestaan van dit type van totalitair despotisme te herinneren -
door krachten opkomend uit z'n eigen gebied, door ontevredenheid van het eigen
volk, ten val gebracht zou worden?
Waarop berust de verwachting, dat een ‘proletarische revolutie’ - notabene van
een proletariaat zonder eigen partijen en organisaties, een proletariaat dat een
vast bestaan heeft en dat geheel en al in militaire en half-militaire
organisaties is samengevat en zo bewaakt - een einde zou maken aan de sterkste
staatsmacht die de wereld nog ooit gekend heeft?
Deze en dergelijke verwachtingen hebben geen enkele reële ondergrond. Ze berusten
ten dele op de hardnekkigheid waarmee hopeloos verouderde proletarische en
marxistische socialisten aan hun geheiligde tradities vasthouden: het
proletariaat moet de revolutie maken, het kapitalisme vernietigen en het
socialisme brengen.
Weliswaar heeft ‘het proletariaat’ nog nooit in een of andere moderne staat een
revolutie kunnen maken, anders dan in aansluiting op een door die staat verloren
oorlog. Weliswaar is het fascisme geen kapitalisme meer, doch een, zich in de
richting van een ‘socialisme-zonder-vrijheid’ ontwikkelende, door de staat, en
volgens het staatsbelang, geleide economie; maar waar moeten de armen van geest
nog aan geloven, als zelfs de tegenstelling ‘kapitalisme-socialisme’ niet meer
geldig blijkt te zijn? Weliswaar bewijzen én fascisme én bolsjewisme, dat er een
soort | | | | van totalitair, despotisch collectivisme mogelijk is, dat aan
de economische definitie van ‘socialisme’ voldoet, en dat ons daardoor laat
zien, dat socialisme-zonder-meer, een triest ideaal, zo al niet een gevaarlijk
ideaal is. Maar de armen van geest blijven hun proletarische revolutie tegen het
fascisme verwachten, omdat ze anders zouden moeten erkennen dat ze geen toekomst
meer hebben, dat ze geen begrip meer hebben van de ontwikkelingsmogelijkheden
der maatschappij, en dat ze dus opnieuw zouden moeten gaan bestuderen en denken,
inplaats van troost te vinden bij de alleen-zaligmakende schema's en uitspraken
van Marx. Voor een ander gedeelte, berusten dergelijke verwachtingen, op de
denkluiheid en geestelijke lafheid van ouderwetse liberalen en democraten, die,
als ze deze verwachting opgaven en erkenden dat het fascisme niet aan eigen
tegenstellingen ten onder zal gaan, rekening zouden moeten houden met een
langdurig bestaan van het fascisme, met een reeks van pogingen der fascistische
staten om hun macht uit te breiden ten koste van de liberale en democratische
staten, d.w.z. met oorlog. En allen die weigeren met dit alternatief rekening te
houden, moeten dus wel geloven dat het fascisme door interne tegenstellingen ten
gronde zal gaan, dat de machteloze democraten en arbeiders een zwaar gewapend
régime zouden omverwerpen! Of, aangezien zoiets rijkelijk utopisch is, dat de
industriëlen en grondbezitters, de kerken en andere conservatieve of
reactionaire instellingen, alleen, of samen met de arbeiders en met het
officierscorps, met de legerleiding, een eind zouden maken aan de heerschappij
der fascisten.
Het loont nauwelijks de moeite deze verwachtingen te confronteren met de
werkelijkheid. De werkelijkheid, is niet alleen, dat de arbeiders-bevolking ten
dele tevreden, voor een ander gedeelte onverschillig of verbitterd, maar als
geheel machteloos is. De werkelijkheid is ook, dat de andere ‘machten’, op wie
de hoop gevestigd is, stervende machten zijn. Het waren machten, zolang ze de
leiding van de staat in handen hadden, of zolang deze zich in handen van hun
geestverwanten bevond. Toen ze de staatsmacht aan de fascisten overgaven,
tekenden ze hun eigen doodvonnis. Toen bleek, dat de gangbare voorstelling, dat
de staat een werktuig is van kapitalisten, clericalen, militairen etc, slechts
een schijnwaarheid is, ontstaan doordat de staat z'n eigen belangen het best
meende te dienen door grondbezitters, bankiers, | | | | industriëlen,
clericalen, hoge militairen, zoveel mogelijk te steunen en daarvoor in ruil ook
weer hun steun - in 't algemeen - te ontvangen. Maar terwijl de staat bestaan
kan zonder de steun van kapitalisten, clericalen etc, kunnen zij niet zonder staatshulp bestaan. En zo zien we dat, zodra het fascisme
de staatsmacht in handen heeft, de macht van al die andere groeperingen begint
te tanen. De kerken, als de best georganiseerde, over de meeste aanhangers
beschikkende macht, pogen met het fascisme tot overeenstemming te komen, wat op
den duur niet gelukt, want het fascisme erkent ook op ‘geestelijk’ gebied geen
macht naast zich: ‘Er is maar één God en Mohammed is zijn profeet’ - Er is maar
één uitverkoren volk, dat de aardse God is, en de Leider is z'n profeet1). Maar de kerken, of ze nu al compromis of
strijd kiezen, blijken niet bestand tegen het verenigde geweld van de nieuwe
mythe en de staatsmacht. Ze verliezen snel hun massaaanhang en worden óf
aanhangsel van de fascistische staat, óf groepen van een handjevol innig
overtuigden, groepen die nog merendeels uit ouderen bestaan. Wat zal, na enige
generaties, nog van die kerken over zijn? Als machten tegen het fascisme; hadden
ze kunnen en moeten optreden om het fascisme te beletten aan de macht te komen -
nu zijn ze stervende machten.
Niet anders staat het met de kapitalisten. Ook zij hebben het ogenblik om hun
macht te gebruiken laten voorbijgaan, en in hun bekrompenheid het fascisme vaak
nog gesteund. Nu hebben ze de keus als helpers van het fascisme op te treden, of
vernietigd te worden. En de jonge generaties uit het kapitalistisch milieu,
gebruiken hun betrekkelijk bevoorrechte posities, om in het staatsapparaat
binnen te komen en zich met het fascisme te verbinden. Wie tegenstand biedt
wordt vernietigd. En als het fascisme dit doet, wint het nog aan populariteit
bij de grote massa, want dan is het ‘anti-kapitalistisch’, wat voor de massa
hetzelfde is als ‘socialistisch’. Van deze, wanhopig om hun voordeeltjes
kruipende kapitalisten, te verwachten dat ze het fascisme zouden bestrijden,
laat staan omverwerpen, dat is alweer een illusie.
En de legerleiding? Daar waar een legerleiding met veel prestige, | | | | en
een gesloten officierscorps is, vormt deze groep een macht waarmee het fascisme
in den aanvang rekening moet houden. In den aanvang, doch iedere dag minder.
Zolang er een klein beroepsleger is, zou dit in staat zijn, met behulp van
andere groepen het fascisme te weerstaan en te verslaan. Laat het die kans
voorbijgaan, dan weet het fascisme heel goed hoe het de macht van de
beroepsofficieren moet breken, n.l. door het beroepsleger te veranderen in een
geweldig volksleger. Dan hebben de officieren weldra niet langer soldaten onder
zich, die onder alle omstandigheden de bevelen hunner officieren volgen, doch
slechts zolang als die bevelen niet in strijd zijn met die van de hoogste macht,
de fascistische staat. Verzetten de officieren zich hiertegen, dan zijn ze
rebellen en alle fascistische soldaten, geholpen door de gewapende
partij-formaties, zullen die rebellen zonder aarzelen neerschieten. Maar
bovendien betekent uitbreiding van het leger, vergroting van het
officierencorps, binnentreden van nieuwe, fascistische officieren, die zich
tegen de ‘oude kliek’ zonder bedenking zullen verzetten als de staat dit eist.
Fascistische officieren en promotie-hongerige officieren, zullen hun trouw aan
staat en partij laten merken, telkens als er een wrijving tussen de legerleiding
en de staatsleiding ontstaat. En het resultaat is, dat in die wrijving, de
legerleiding, (als zelfstandige macht) wordt weggewreven en dat ze, steeds meer
fascistisch gezinde opperofficieren en officieren bevattend, tot een instrument
van het fascisme wordt. Als dit in de loop van enkele jaren reeds het geval is,
dan behoeft men niet te vragen wat er na één of meer generaties, van de
zelfstandige macht van het leger zal zijn overgebleven. Men kan dus op z'n best
verwachten dat de oppositionele krachten, die in de fascistische maatschappij
uit de voorafgaande periode zijn overgebleven, in de jaren die direct op de
machtsverschuiving volgen, in staat zouden zijn, het fascisme ten val te
brengen, als dit door andere oorzaken, door schokken van buiten, gebroken en in
verwarring geraakt is. Men kan moeilijk verwachten dat die oude krachten, zonder
hulp van buiten, sterk genoeg zouden zijn om zelfs maar een oppositie van enige
betekenis te voeren. Men kan nog moeilijker verwachten dat ze na tien, twintig
jaar, na een of twee generaties nog iets zouden kunnen tot stand brengen, ja
zelfs nog maar bestaan.
Nu kan men natuurlijk z'n hoop vestigen op conflicten in de fas- | | | | cistische beweging zelf. Maar de structuur dier beweging maakt de kans op
verzet van groepen fascisten tegen de centrale leiding, tegen den Leider,
nagenoeg nihil. Zolang de leider nog over z'n normale capaciteiten beschikt, is
een oppositie: een opstand tegen het fascistische ‘allerhoogste’, tegen het
beginsel, en tegen de machtspositie die men inneemt, een machtspositie van wier
behoud het bestaan en het leven van al die fascisten afhangt. Dit gevoel, dat
oppositie en leiding toch een overwegend gemeenschappelijk belang hebben, maakt
dat de opposities óf uit een handvol desperado's bestaan, vastbesloten doch
machteloos, óf, als ze groter zijn, zo aarzelend optreden, zo bang zijn voor hun
eigen overwinning, dat ze gemakkelijk door de leiding neergeslagen kunnen
worden, of wanneer ze zouden zegevieren dit alleen kunnen en willen doen op een
wijze die geen fundamentele veranderingen brengt.
En dezelfde factoren werken ook na de dood van den oorspronkelijken Leider. De
richting die de meeste waarborgen biedt voor het behoud van de macht, verenigt
gemakkelijk de overweldigende meerderheid van de partij achter zich, d.w.z. de
partijbureaucratie zorgt er voor, dat de strijd om de opvolging geen
catastrofaal karakter aanneemt. (Een voorbeeld hiervan hebben we gezien na de
dood van Lenin; al was toen het totalitarisme in Rusland nog niet sterk genoeg
om wrijvingen in de heersende partij te verhinderen, de positie van de partij
zélf, werd geen ogenblik in het geding gebracht). Ook al zou de een of andere
adspirant-leider gebruik willen maken van krachten die buiten de partij liggen,
dan nog zou hij eerst die krachten, die door de partij onderdrukt worden, weer
moeten vrij maken, en opkweken om ze werkelijk te kunnen gebruiken. En iedere
poging hiertoe, brengt hem in strijd met de partij en veroorzaakt zo zijn
ondergang. Men kan zich voorstellen dat een figuur van het type Goering, tegen
de partij-bureaucratie in, een beroep zou doen op leger, kapitalisten, kerken,
maar dan is het nog de vraag of de legerleiders, de kapitalisten, de kerkelijke
overheden, de moed en de energie zouden hebben om onmiddellijk met hem in zee te
gaan en het partij-apparaat te breken - gesteld dat het nog mogelijk is. En dus,
ofschoon het geval niet ondenkbaar is, dat een strijd om de opvolging, tot
ondergang van het fascisme zou kunnen leiden, de kans is zo klein, en er zou een
dergelijke gelukkige samenloop van omstandigheden voor nodig zijn, dat een
anti-fascisme, met | | | | niets anders dan de hoop op zoveel geluk,
inzicht en vastberadenheid aan de eigen kant, en zoveel tegenslag, domheid en
aarzeling bij den vijand, niet veel meer reële grondslagen heeft dan de
dagdromen der emigranten.
Men moet dus wel tot de conclusie komen, dat de kansen op ondergang van het
fascisme, van binnen uit, ongeveer nihil zijn, en dat het gepraat hierover,
alleen maar dient om de onwil te Verbergen om zich ernstig bezig te houden met
de oorlog. De oorlog is de enige werkelijk grote mogelijkheid tot
de ondergang van het fascisme. De oorlog is tevens, in een wereld met
fascistische staten, de voor de hand liggende mogelijkheid in de
internationale politiek. Maar de oorlog is ook een zaak waarbij de
‘democraten’ zelf betrokken zijn, een zaak die niet op de brede rug van de
‘ontwikkeling’ is af te schuiven. En dus praat men duizendmaal liever over de
‘ontwikkeling’, die in de fascistische landen alles voor ons in orde zal maken,
zonder dat we een hand behoeven uit-te-steken, dan over de oorlog, die we zelf
zouden moeten voeren.
Aangezien de oorlog echter niet los te maken is van iedere beschouwing over de
toekomstmogelijkheden en historische plaats Van het fascisme, kunnen wij ons
niet veroorloven deze realiteit te ontvluchten en niets anders dan de interne
mogelijkheden voor de ondergang van het fascisme te bespreken, en we zullen dus
deze kwestie en alles wat er mee samenhangt moeten onderzoeken. Voor we echter
hiertoe overgaan moeten we nog enige opmerkingen maken over de betekenis van het
apparaat der fascistische beweging voor de verdere ontwikkeling van het
fascisme, mede omdat dit verband houdt met de oorlogsmogelijkheden.
De fascistische beweging is, zoals we ons herinneren, als ze aan de macht komt,
vrijwel uitsluitend samengesteld uit twee bevolkingsgroepen, n.l. uit de oude en
nieuwe middenstand, die het kader, de leiding en een groot gedeelte van de
aanhang leveren, en uit de paupers, werklozen en ongeschoolden, die de
‘knokploegen’ en een ander groot deel van de aanhang leveren. Ze is dus
samengesteld uit het maatschappelijk aanhangsel en bezinksel, benevens uit een
deel der voorhoede-groep; ze mist de grote basis- en middengroep der
maatschappij. Haar invloed op deze basis-groep, wordt natuurlijk wel groter door
het feit dat het gehele machtsapparaat in handen der fascisten komt, dat de
restanten van de | | | | voorhoede groep, voor zover ze niet uitgeroeid
worden, zich onderwerpen. Daardoor wint het fascisme aan prestige, en
langzamerhand gaat een deel van de basis-groep, de leiding van de kadergroep
volgend, de fascistische opvattingen aanvaarden. Toch is dit maar een gering
gedeelte, want men vergeet in de basis-groep niet, dat het democratische kader
vermoord of in de concentratiekampen ligt, dat de nieuwe fascisten uit angst of
uit carrière-overwegingen tot hun nieuwe houding gekomen zijn, en dat men zelf
wel machteloos, verslagen, doch niet overtuigd is, zodat men ook alleen maar uit
lijfsbehoud of winzucht het fascisme aanvaardt.
Het fascisme wint dus de basis-groep niet, al biedt deze geen tegenstand en al
marcheert ze, uit vrees of uit baatzucht, met het fascisme mee. Deze groep van
pl.m. 45 % der bevolking, blijkt slechts voor een klein gedeelte tot een
fascistische overtuiging te brengen te zijn. De verdwijning der werkloosheid en
de grotere bestaanszekerheid brengen deze groep tot een soort van welwillende
neutraliteit t.o.v. het régime en tevens - gevoegd bij de afwezigheid van
voorlichting en van uitingsmogelijkheden - tot een politieke onverschilligheid;
maar van geestdrift voor het régime valt weinig te merken.
Het fascisme hoopt er in te slagen, de jongere generatie van deze groep, door
onafgebroken beïnvloeding, propaganda en organisatie, tot z'n aanhangers te
maken, en dit lijkt ons zeer wel mogelijk, zodat dan na een of twee generaties,
het fascisme een vaste en brede grondslag zou hebben, en zich over alle
maatschappelijke groepen zou uitstrekken. Voorlopig is dit echter niet het
geval, en door dit ontbreken van evenwicht en vastheid, behoudt het fascisme het
pathologisch karakter, dat het van den aanvang af had, ook nadat het aan de
macht gekomen is. Eigenlijk worden de pathologische trekken nog versterkt, want
het aan de macht komen, brengt altijd teleurstellingen bij een deel der
aanhangers, waardoor de structuur der beweging eenigszins gewijzigd wordt.
Teleurgesteld is b.v. een gedeelte van de onderste lagen, de maatschappelijke
achterhoede, die gehoopt had, na het aan de macht komen, naar hartelust de beest
uit te kunnen hangen, terwijl het fascisme juist in de allereerste tijd zeer
voorzichtig moet zijn teneinde niet alle vijanden op een hoop te drijven.
Hierdoor ontstaan spanningen tussen de S.A.-klasse en de voorhoede (middenstand,
of S.S.-klasse) die met een nederlaag van de S.A. of soortgelijke ‘extremisten’
eindigen, (Roehm), waarna de meerderheid van de | | | | S.A. zich aan de
partij-leiding onderwerpt, doch niettemin een extremistische druk blijft
uitoefenen, iedere kans op gewelddadigheden aangrijpt, en daardoor de onvaste en
pathologische aard van het systeem accentueert.
Teleurgesteld is ook een gedeelte van de oorspronkelijke kern, die, na het aan de
macht komen, de sterker en sterker wordende toevloed van conjunctuur-fascisten
bespeurt, en ervaart dat deze conjunctuur-fascisten een macht van betekenis gaan
vormen. De ‘idealisten’ van de kerngroep hebben geen begrip voor het
manoeuvreren dat in de eerste periode noodzakelijk is, ze kunnen hun opvattingen
over de nationale wedergeboorte, moeilijk verenigen met de actie, die
aanvankelijk het uiterlijk heeft van een verbond met kapitalisten en militairen
tegen de arbeiders. Het ‘socialisme’ dat zij willen, is nergens te zien, de
arbeiders blijven onverschillig en vijandig, de S.A. mishandelt machtelozen, wat
zij afkeuren, maar blijft ontevreden, omdat ze niet naar hartelust de rijken mag
plunderen - (dat is het S.A.-socialisme) - en sommigen hunner verbinden zich dus
met de S.A. tegen het kapitalisme, en worden verpletterd, terwijl anderen, die
wat meer inzicht hebben, een soort edel-fascistische druk op het régime blijven
uitoefenen, en weer anderen teleurgesteld uit de beweging verdwijnen.
Al deze verschijnselen verzwakken de oude fascistische groep, die juist na het
aan de macht komen een geweldig apparaat nodig heeft om het staatsapparaat te
kunnen overnemen, de bevolking te kunnen contrôleren, de opvoeding, de
propaganda etc. te kunhen beginnen. Het resultaat van de verzwakking van de kern
en de vergroting van het apparaat, is natuurlijk, dat de conjunctuurfascisten
een enorme plaats in dit apparaat gaan innemen. Zowel in de hogere functies,
waar de oude en nieuwe middenstand duizenden baantjesjagers leveren, als in de
lagere, waar de maatschappelijke achterhoede en de onderste lagen van de
arbeidersklasse voor de nodige candidaten zorgen.
Deze conjunctuur-fascisten moeten hun late toetreden tot de beweging compenseren
door een geweldige ijver, uitbundige geestdrift, tomeloze energie. Ze zijn
bovendien, omdat ze wel weten dat zij bij de val van het fascisme tot de eerste
slachtoffers zullen behoren, voortdurend in de weer om alle mogelijke vijanden
van het fascisme op te sporen en uit te roeien, en ze zijn in dit opzicht zonder
genade. Voeg hier aan toe, dat de maatschappelijke achter- | | | | hoede
toch reeds altijd tot plunderen en mishandelen bereid is, vol sensatiebehoefte
en wreedheid is, en men zal begrijpen, dat het fascistisch apparaat, in alle
opzichten onevenwichting, extremistisch, tot overmaat van ijver en energie
geneigd, én door de toestand waarin het zich bevindt, én door z'n samenstelling,
tot alle wreedheden en sadismen overhelt.
Maar behalve dus het feit, dat iedere actie, door de leiders van het fascisme op
touw gezet, tot beestachtigheden moet leiden, als een apparaat bestaande uit
conjunctuur-lieden en ondermensen die actie moet ten uitvoer brengen, heeft dit
alles nog een verder gaande betekenis. Terwijl in andere bewegingen, het
oorspronkelijke extremisme meestal geremd wordt door een bureaucratisch
apparaat, zodat het resultaat een gematigde energie is, krijgt men bij het
fascisme een versterking van het oorspronkelijke extremisme, door een
extremistisch apparaat. De op zich zelf reeds dynamische aard van alle nieuwe
ideeën, die in hun imperialisme de wereld willen veroveren, wordt in het
fascisme reeds van den aanvang af, door de vulgariteit van de mythe, door
opeenstapeling van irrationalisme en gevoelscultus, extra-dynamisch, duidelijk
pathologisch. Als hier dan nog bij komen, het gevoel van onzekerheid, ontstaan
door het missen van de sympathie der arbeidersbevolking, en de extremistische
druk van het apparaat, dan ontstaat dat ultra-dynamisch, ultra-pathologisch
wezen van een fascisme-aan-de-macht, van de fascistische staat. En hiermee
hebben we rekening te houden als we de toekomst van het fascisme willen nagaan.
Aan de ene kant hebben we dan deze ongeëvenaarde ophoping van dynamische
krachten, aan de andere kant het verlangen naar orde, veiligheid, regelmaat,
zekerheid, waardoor een ander gedeelte van de bevolking - de oude middenstand
vooral - naar het fascisme gedreven werd. Zonder die orde en de daarbij
behorende welvaart, loopt het fascisme gevaar dit deel van z'n aanhangers te
verhezen en nooit de grote massa te kunnen winnen of te behouden. Men moet dus,
met dynamische middelen, een politiek voeren, die een grote geordende en
welvarende staat kan scheppen.
Anders gezegd: men moet imperialistisch zijn, zowel door de drang van de actieve
groepen die het régime z'n apparaat en z'n geestdrift geven, als terwille van de
passieve groepen, die men al- | | | | leen door toenemende welvaart, met
het régime kan verzoenen. Wilde men alleen welvaart, men zou die kunnen
nastreven, door een economische organisatie van de staat die men beheerst, door
een socialisme, zoals de arbeiders en de oude middenstand zich dat voorstellen,
een vreedzaam samenleven met andere volleen, en een tevreden leven op de
grondslag ener georganiseerde productie. Maar dit is ongeveer het
maag-socialisme waartegen de kern der fascistische beweging zich altijd verzet
heeft en zal blijven verzetten.
Wilde men alleen dynamiek, men zou die misschien zeer lang kunnen verkrijgen door
de inspanning die nodig is om de staat, de productie, de cultuur, te
organiseren, door voortdurende propaganda, demonstraties, volksfeesten, vlaggen,
vaandels, marstempo's, kabaal in alle vormen, en door de nodige campagnes tegen
de interne vijanden (Joden, Kerken, Kapitalisten), bij welke gelegenheden
geranseld en ‘ontladen’ kan worden. Maar het is zeer twijfelachtig of de
hoeveelheden dynamisme die men opgehoopt heeft, op deze wijze voldoende
afzetgebied kunnen vinden. Bovendien zijn de dynamische methoden van een
pathologische heersende klasse, niet bevorderlijk voor het scheppen van welvaart
en orde. Het apparaat is buitengewoon kostbaar, de methode van
regeren-op-theatrale-wijze, is al evenmin goedkoop, en ten slotte is de
vreedzame omgang met andere staten, zeer weinig bevorderlijk voor het versterken
van de opvatting dat men een geheel nieuw element op aarde is.
De welvaart kan en moet dus op andere wijze verkregen worden, op een wijze die
geheel in overeenstemming is met de mythe van het uitverkoren volk, op een wijze
die de dynamiek voor het grootste deel naar ‘buiten’ kan richten, d.w.z. door
andere volleen te onderwerpen, een groot rijk te stichten, waarin het eigen volk
het heersende zal zijn; zodat ook de geringste zoon van dat volk een heerser
over buitenlanders zal zijn, en tegelijkertijd de welvaart zal verkrijgen die
uit de arbeid der ‘lagere volken’ is ontstaan. Men moet een wereldrijk stichten,
om een groot economisch geheel te krijgen dat zich beter leent voor de
organisatie der welvaart, dan het betrekkelijk kleine staatsgebied waarop men
leeft, en men moet in dat wereldrijk het leidersvolk zijn, zoals de fascisten in
het eigen volle de leidersgroep zijn.
De verovering van een wereldrijk, dat is de enige realisatie
van het fascisme, die een ‘synthese’ kan geven aan alle tegenstrijdige | | | | krachten die in het fascisme en bij zijn aanhang aanwezig zijn. Al
de dynamische verlangens van heerschappij, van strijd, heroïek en offering, al
de sadistische verlangens van plundering, marteling, vernedering, zich uitleven,
al de statische verlangens van welvaart, rust, orde, veiligheid, kunnen slechts
hun synthese vinden, in het ‘wereldrijk’, dat in een reeks van oorlogen veroverd
wordt, oorlogen die heroïek en opoffering vragen, die gelegenheid tot zich
uitleven bieden en die een geweldig rijk te beheersen, controleren en zuiveren
(na iedere overwinning kan de S.A. jarenlang ‘zuiveren’) zullen geven, en die
uiteindelijk ook de veiligheid brengen die binnen de grenzen van de machtigste
aller staten te vinden is, en de welvaart, zeker voor allen die tot het
uitverkoren volk behoren.
Zo is dus de oorlog de synthese en de resultante van alle tegenstellingen en
krachten die in het fascisme aanwezig zijn, en daarom behoeft men de
tegenstanders van het fascisme, die hopen dat het fascisme aan interne
tegenstellingen te gronde zal gaan, of dat het op den duur gematigder zal
worden, niet eens te antwoorden dat zelfs de oude despotismen, zwak en inwendig
rot als ze waren, en achterlijk in alle opzichten vergeleken bij het
georganiseerde fascisme, nooit uit zich-zelf zijn ondergegaan, nooit alleen door
interne ontwikkeling, maar steeds (mede) door schokken van buiten, door
oorlogen. Men behoeft niet het bewijs te leveren dat het fascisme slechts op één
wijze kan verdwijnen, ten val gebracht, vernietigd kan worden, n.l. door oorlog.
Het fascisme zèlf, komt ons meer dan halverwege tegemoet, want evengoed als wij
het slechts kunnen vernietigen door oorlogen, kan het zélf slechts tot volledige
ontwikkeling komen, en leven, door oorlogen.
Vandaar dan ook, dat het fascisme alleen daar tot volkomen ontplooiïng kan komen,
waar oorlogsmogelijkheden aanwezig zijn, en alleen dáár een werkelijk gevaar is,
waar de droom van de wereldheerschappij enigszins correspondeert met de
voorhanden krachten en kansen.
Het is niet voldoende, dat het verlangen naar veiligheid en orde, van de
middenstand, zich keert tegen proletarische en bolsjewistische bedreigingen, het
is niet voldoende, dat de intellectuelen en de nieuwe middenstand de afkeer van
de maag-mensen en de kudde-idealen tot uiting willen brengen, het is zelfs niet
voldoende, dat een geheel volk zich als onderdrukte, als ‘proletarische’ | | | | natie beschouwt, om tot een volledige ontplooiing van het fascisme
te komen. Het ene kan tot het verlangen naar reactionaire en sterke regeringen
leiden, zonder dat dit fascisme wordt; het andere is niet voldoende om een
sterke volksbeweging te worden, het is een nuance in het intellectuele en
daardoor in het politieke leven, een nuance die evengoed in
revolutionair-socialistische als in radicaal-katholieke of -christelijke
bewegingen tot uiting kan komen; het derde kan in een overdreven nationalisme
z'n uitdrukking vinden. En zelfs een vereniging er van, leidt slechts tot die
schijn-fascismen, die we in Polen en Hongarije, in Portugal en in sommige Zuid-
of Centraal-Amerikaanse staten zagen ontstaan, of tot de machteloze fascismen in
Frankrijk en Engeland.
Ernstig wordt het fascisme slechts, als àl deze elementen hun bekroning krijgen,
door de mogelijkheid, dat het, tot fascistische staat geworden, volk, andere
volleen zou kunnen onderwerpen, en tot een grote mogendheid, tot een wereldrijk
zou kunnen worden.
Welke vooruitzichten hebben dan Hongaren of Roemenen, Polen of Finnen, of al die
kleine staten die aanloopjes naar het fascisme hebben gemaakt? Geen enkel, want
de grote mogendheden, tussen welke zij geklemd zitten, geven op onverbiddelijke
wijze de grenzen aan van hun grootste machtsontplooiïng, en wat fascisme wilde
worden, brengt het niet verder dan reactionair en agressief nationalisme.
Als minimum voor een fascistische ontplooiing, is dus een staat van omvang en
kracht van de Italiaanse nodig, een staat die in z'n omgeving de grote
mogendheid is, en die dus, zolang Duitsland machteloos was, de illusie kon
hebben én de Donaugebieden, én de Balkan, én een groot deel van de
Middellandse-zee-omgeving te beheersen en zo tot de grootste macht van het
Europese continent, tussen Rusland en Engeland-Frankrijk, te worden.
Toen Duitsland een fascistische staat werd, en z'n macht begon te ontwikkelen,
werden de Italianen uit het Donau-gebied en de Balkan verdreven, en nadien is
het Italiaanse fascisme óf een aanhangsel van Duitsland, óf een ‘avontuur in
likwidatie’, dat z'n pogingen tot heerschappij beperkt ziet door de
Frans-Engelse macht, waartegen het slechts als aanhangsel van Duitsland kan
optreden.
| | | |
Het Italiaanse fascisme, dat tot ontplooiïng gekomen is in een land met een
achterlijke economie en zeer geringe natuurlijke hulpbronnen, een land zonder
grondstoffen en zonder gemoderniseerde landbouw, een land met geringe
industriële productiviteit en beperkt organisatievermogen, een. land tenslotte
dat in de moderne tijden geen militaire of politiek imperialistische traditie
heeft1),
dit Italiaanse fascisme heeft van den aanvang af slechts zeer geringe kansen
gehad om een wereldmacht te worden, kansen die het door z'n samengaan met
Duitsland volkomen verloren heeft, zodat het thans tot geen volledige
ontplooiing meer in staat is.
Vandaar dat het Italiaanse fascisme reeds van den aanvang af, een niet geheel
ernstige indruk maakte, en in de laatste jaren een volkomen onernstige politiek
van rooftochten op punten van ondergeschikte betekenis voert, een politiek van
roof-avonturen, die het tegendeel is van een werkelijk imperialisme. Bij die
avonturen is dan ook nog aan het licht gekomen, dat de militaire waarde van het
Italiaanse fascisme, zelfs tegenover half bewapende tegenstanders, zoals in
Spanje (in Abessynië stond men tegenover ongewapende tegenstanders, die men met
de uiterste krachtsinspanning kon overvleugelen) ongeveer nihil is, zodat het
Italiaanse fascisme meer en meer een caricaturale beweging gaat worden, die
slechts een copy en een onderdeel van het Duitse is.
Om overeenkomstige redenen kan het fascisme in een land als Nederland nooit uit
zich zelf een macht worden, het mist dé imperialistische bekroning, die het
alleen zou kunnen krijgen als de Nederlandse fascisten het zwaartepunt hunner
politiek legden in de aansluiting bij Duitsland, en in het opgenomen worden in
de imperialistische triomfen van dat rijk. In dat geval echter zou het ophouden,
zelfs in die geringe mate ‘Nederlands’ fascisme te zijn, als het thans is, en
zou het niets anders dan een ‘Anschluss’ - beweging zijn, wat het thans wel in
wezen, maar niet in alle opzichten is. Het zou dan aanvankelijk tot een zeer
klein groepje inkrimpen, maar daartegenover op den duur kunnen triomferen... | | | | als het Duitse fascisme triomfeert1). Over de kansen van het Duitse fascisme, het enige werkelijk
ernstig te nemen en het enige gevaarlijke, schrijven wij nog.
Maar men komt tot een verkeerde opvatting omtrent de kansen die het fascisme in
de wereld heeft, indien men de talloze nationale bewegingen, die zichzelf
fascisme noemen en die allen ongetwijfeld hun ontstaan danken aan één of meer
van de factoren die tezamen het fascisme vormen, voor ‘vol’
zouden aanzien, als volledige fascismen zou beschouwen, terwijl ze in de meeste
gevallen slechts verminkte fascismen of schijnfascismen zijn.
Is het fascisme dan geen wereldbeweging, en bewijzen al die aanloopjes tot het
fascisme dan niet, dat er overal materiaal gereed ligt voor de vorming van
fascistische bewegingen? Die aanloopjes bewijzen, dat enige van de factoren die
tot het fascisme kunnen leiden, overal aanwezig zijn, en in zover is het
fascisme internationaal. Om concreet te zijn: het verzet tegen het arbeiderisme,
tegen de dictatuur van het proletariaat, tegen een economistische
wereldbeschouwing, tegen de heerschappij der middelmatigheid en der
kudde-cultuur is ongetwijfeld internationaal. En voor zover het fascisme dus een
uiting is, van het ontwakend zelfbewustzijn van de oude en de nieuwe middenstand
m de maatschappij, is het een wereldbeweging, maar een wereldbeweging die in
verkeerde banen is geraakt, doordat zij zich verbonden heeft met allerlei
nationalismen en daardoor reeds van den aanvang af de kans gemist heeft, méér te
worden dan de nationale kaders toelaten. Als die nationale kaders nu zeer
beperkt zijn, en dit is in de meeste gevallen zo, dan hangt de toekomst van het
fascisme af van de toekomst der naties. En aangezien de meeste naties geen
toekomst meer hebben, is daarmee het lot van de meeste fascismen bezegeld.
Toekomst heeft het fascisme alleen, voor zover het zich meester gemaakt heeft
van grote nationale staten, die kans hebben op de wereldheerschappij.
Welke nationale staten hebben een dergelijke kans? Het aantal is | | | | zeer gering. Want de ontwikkeling van de wereld heeft het aantal grote
mogendheden van de eerste rang zo beperkt, dat we de. wereld in een paar
‘blokken’ kunnen verdelen, die nog in aanmerking komen voor de wereldmacht.
We hebben dan 1 o. het Angelsaksische blok, bestaande uit de
Verenigde Staten van Noord Amerika en Engeland, met in hun gevolg, Zuid-Amerika,
de Britse Dominions en koloniën, Frankrijk en z'n overzeese gebieden en wellicht
nog een paar andere landen, 2 o. Duitsland met z'n
invloedssfeer in Midden, Zuid-Oost en Zuid-Europa, Italië vermoedelijk
inbegrepen. 3 o. Rusland met Siberië en z'n invloedssferen
in Azië, wellicht ook Voor-Azië. 4 o. Japan, dat bezig is
een Aziatisch rijk te veroveren en dat zich meester poogt te maken van China,
(een rijk, dat op den duur veel méér aangewezen lijkt te zijn om leiding te
geven aan een groot Aziatisch blok).
Van die vier blokken zijn er drie totalitair. Duitsland, Rusland en Japan. Maar
werkelijk fascistisch is alleen Duitsland. Japan verkeert in een
overgangstoestand, en het zou fascistisch kunnen worden; maar het is van de vier
blokken verreweg het zwakst, heeft de minst brede basis, de meest verouderde
cultuur; en het speelt in de grote strijd om de wereldheerschappij nog maar een
ondergeschikte rol. Rusland, heeft een geweldig brede en gezonde basis, maar het
totalitair régime is er in dergelijke moeilijkheden geraakt, dat de kracht van
het blok meer potentieel dan reëel is. Het Russische blok wordt bedreigd door
het Duitse en het Japanse. Het Angelsaksische blok heeft dezelfde vijanden,
zodat dus een bondgenootschap tussen Duitsland en Japan enerzijds, de Russen en
Angelsaksers anderzijds, voor de hand ligt. In het ééne bondgenootschap is het
Duitse blok van overwegende betekenis, en daardoor wordt de resultante ervan
fascistisch. In het andere domineren de Angelsaksers, en geven het een
democratische resultante. Angelsaksers en Russen zijn de gelukkige bezitters van
nagenoeg alles wat er in de wereld aan belangrijke grondstoffen, aan vruchtbare
gebieden, aan opgehoopte rijkdommen te vinden is - ze hebben geen behoefte aan
land, aan grondstoffen, aan territoriale veroveringen, ze zijn bevredigd en
vreedzaam, voor zover ze niet, zoals de Russen, door het imperialisme van een
idee worden voortbewogen. Maar zelfs in dàt geval, heeft die idee nog zoveel
expansiemogelijkheden en consolidatie-noodzakelijkheden op eigen gebied, dat ze
voorlopig vreedzaam is.
| | | |
Duitsers en Japanners daarentegen beschikken slechts over beperkte, betrekkelijk
arme gebieden, ze moeten de grondstoffengebieden en de uitgestrektheden die
nodig zijn voor een werkelijk wereldrijk, nog veroveren; ze zijn nog bezig met
de vorming van hun rijken, ze zijn onbevredigd, agressief, roofzuchtig.
Ze staan voor de keus zich aan te passen aan de wereld zoals die nu eenmaal is,
zoals de historische ontwikkeling die gemaakt heeft, of die gehele ontwikkeling
te niet te doen, de wereld te breken en een wereld met nieuwe zwaartepunten,
nieuwe verdelingen, nieuwe rijken en een nieuwe beschaving te maken.
De strijd gaat in wezen tussen het Duitse fascisme en de
Angelsaksische, democratische, Westersche beschaving. Het fascisme, is
een poging om de ontwikkeling van de Westerse beschaving tegen te houden, om die
beschaving met militaire middelen te breken, en op haar ruïnen een nieuwe,
totalitaire, beschaving te bouwen.
In de loop van haar ontwikkeling is de Westerse beschaving, voortzetting van de
Grieks-Romeinse beschaving (en van de Voor-Aziatische beschavingen, uit wier
contact met het Hellenisme, het Christendom is ontstaan), een
individualistische, rationalistische, technisch-industriële beschaving, met een
Christelijk-democratische moraal geworden.
Met de Christelijke moraal bedoelen we hier niet de opvatting, die men wel voor
Christelijk door wilde doen gaan, dat alle zielen gelijk zijn voor God, en dat
dus ook alle mensen gelijk zijn, doch de opvatting, dat de zielen weliswaar
nooit gelijk zijn, dat er uitverkoren en verworpen, hoger en lager, beter en
slechter is, maar dat er geen ‘waardeloze’ zielen zijn, dat iedere ziel, ieder
mens dus, een minimum waarde heeft, beneden welke men niet kan gaan, waarmee men
rekening moet houden. Christendom, is hier dus de erkenning, dat ook ‘de
geringste onder de broederen’ recht heeft op hulp, op steun, op welwillendheid;
dat men dus moet streven naar een samenleving, niet gebouwd op het principe
‘heer-slaaf’, maar op het principe ‘sterkere en zwakkere broeders’. Vandaar dat
‘broederschap’ die sommigen als een fraze zonder meer beschouwen, met welke men
bij een onderzoek der democratie niets kan aanvangen1),
omdat ze ‘sociologisch en psychologisch nietszeggend’ is, (en die ook in
werkelijkheid vaak een fraze is, als men, dat wat bereikt is, vergelijkt met dat
wat nodig | | | | zou zijn om van ‘broederschap’ te kunnen spreken), toch
als richtinggevend gevoel, als grondstemming, in de democratie aanwezig is.
Onze Westerse democratie onderscheidt zich van de democratie der
barbaren-stammen, van de soldaten-kameraadschap, of van de solidariteit der
arbeiders, doordat ze, de rechten van de collectiviteit tempert
door de rechten van het individu.
De collectiviteit heeft wel méér rechten dan het individu, maar niet àlle rechten
tegenover het individu - er is een minimum van persoonlijke rechten waaraan de
collectiviteit niet kan raken, behalve dan als voor speciale gevallen en voor
een vastgestelde tijd een andere regeling wordt gemaakt, die dan zo duidelijk
een uitzonderingsgeval is, dat hieruit geen gevaren voor de algemene toestand
kunnen voortvloeien. Bovendien zijn alle rechten die de collectiviteit bezit,
afgeleid van de individuele rechten: de individuen maken collectiviteiten, van
af de simpelste vereniging, tot aan de staat, en geven die collectiviteiten
macht en recht. De individuen kunnen de collectiviteiten veranderen en
vernieuwen. Geen collectiviteit is iets anders, dan een resultante van
individuele krachten; vandaar dat alle mystiek waarmee men collectiviteiten wil
omkleden, door en door leugenachtig en gevaarlijk is. De staat is er voor de
individuen, niet de individuen voor de staat. En de grondslag voor de
betrekkingen tussen individuen, móet de ‘welwillendheid’ zijn, die men als
alledaagse, voor het gebruik geschikte, vorm van ‘broederschap’ moet zien. Die
welwillendheid brengt met zich mee, dat men overtuiging en overreding als
normale vormen van omgang, zowel tussen de individuen onderling, als tussen de
collectiviteiten en de individuen, of tussen de collectiviteiten onderling
beschouwt, en de dwang, de angstaanjaging, het geweld, als abnormale, zoveel
mogelijk te vermijden vormen. De wetten moeten geëerbiedigd worden, niet
terwille van de wet, of van de staat, maar terwille van de individuen die voor
zichzelf die wetten gemaakt hebben.
Doch dit alles is slechts een abstracte beschouwing, die eerst tot haar recht zou
kunnen komen, als we de groei der Westerse beschaving concreet konden nagaan,
iets wat buiten de bedoeling van dit boek valt.
Waar we in ons verband mee te maken hebben, is, dat de Westerse beschaving,
ontstaan in het tegenwoordige Frankrijk, rondom | | | | de as
Londen-Parijs-Rome, een ontwikkelingsgang heeft doorlopen, die haar tot een
unicum in de wereldgeschiedenis maakt.
Terwijl andere beschavingen zich beperkten tot een kleiner of groter gebied
rondom hun oorsprong en slechts aanraking hadden met die beschavingen, die aan
de grenzen daarvan lagen, heeft de Westerse beschaving, niet alleen een grotere
of kleinere invloed verkregen in geheel Europa, maar bovendien heeft ze Noord-
en Zuid-Amerika tot haar kolonie gemaakt en ze volkomen verwesterd, iets wat ook
met Australië en tot grote hoogte met Zuid-Afrika geschied is.
Maar deze ongekende uitbreiding in de ruimte is hiermee nog maar ten dele
aangegeven, want, vooral in de loop van de 19e eeuw, bleek geen enkele andere
beschaving zich aan de invloed van het Westen te kunnen onttrekken. Was reeds
vroeger de politieke macht van het Westen zo groot geweest, dat andere
beschavingen ophielden een politieke rol te spelen (indien ze zich niet als de
Russisch-Byzantijnse min of meer wisten aantepassen), in de loop van de 19e
eeuw, was niet alleen de technisch-industriële kracht zo groot geworden, dat
alle landen, van Egypte tot Japan, en van Brits-Indië en China tot Perzië en
Arabië, die techniek en industrie moesten overnemen, maar dat ze, behalve deze
materiële cultuur, ook tal van elementen der geestelijke cultuur overnamen. Niet
alleen techniek en industrie, maar de bij die techniek en industrie behorende
wetenschap en denkwijze (rationalisme) werden aanvaard en, gewijzigd door
invloeden van eigen cultuur, zelfstandig verwerkt. Ook de levensgewoonten en de
morele en politieke cultuur der Westerlingen, maakten, evenals hun kunst,
litteratuur, filosofie, een diepe indruk op de élite der andere culturen, die in
dit verband ook de democratische inzichten in maatschappij en staat, tot de hare
maakte.
Die verwestering heeft men wel ‘oppervlakkig’ genoemd, omdat de grote volksmassa
er slechts in enkele technisch-industriële uiterlijkheden iets mee te maken had,
maar dit is een oppervlakkige redenering, want ook in het Westen zijn niet de
grote volksmassa's het beslissende element in de cultuur, doch de elites. En het
feit dat de élite in Japan en China, Brits-Indië en Turkije, de Westerse cultuur
tot zich nam, en meer zelfs nog, het feit dat ze die zelfstandig poogde te
verwerken en met de eigen cultuur te verbinden (men denke aan Soen-ját-Sen en
Gandhi), was de grootste triomf die het Westen kou behalen, omdat het de zeker-
| | | | heid bracht, dat op den duur ook de kaders en de massa's, naar
hun vermogen, de weg der élites zouden opgaan.
Het bewees, dat de Westerse cultuur elementen bevat voor een universele cultuur,
dat ze niet alleen een cultuur voor West-Europa en z'n Amerikaanse en andere
volksplantingen is, of voor geheel Europa, Rusland inbegrepen, dat ze niet
beperkt behoeft te blijven tot het blanke ras, maar dat alle andere rassen, en
wat belangrijker is, alle andere volken, staten en culturen, de Westerse cultuur
kunnen opnemen en verwerken.
Die elementen, die door anderen, als typisch. Westers, in de eigen cultuur werden
gebracht, om diep gevoelde tekorten aan te vullen, zijn juist die
elementen die het fascisme uit onze cultuur wil verwijderen. Het zijn
de individualistische, wetenschappelijk-rationalistische,
humanistisch-democratische elementen, dat wat de fascisten het
‘demo-liberalisme’ noemen. Dat demo-liberalisme is er in geslaagd, de élites van
bijna alle volken en rassen te overtuigen van zijn superioriteit, ze er van te
doordringen, dat zonder die beginselen, geen beschaving volledig, geen
regeringsstelsel op den duur mogelijk is, en dat men te kiezen heeft, tussen
demo-liberalisme of duisternis en tyrannie.
Met demo-liberalisme bedoelen we hier natuurlijk niet, de vervalsingen die onder
de invloed van kooplieden en industriëlen, van het ‘kapitalisme’ dus, in de
opvattingen der culturele élite werden aangebracht. Tegen de kapitalistische
verminkingen, waardoor het liberalisme tot Manchesterdom werd, hebben de
werkelijke elites geprotesteerd in de vorm van socialistische theorie en
arbeidersbeweging, een protest, dat op zich zelf noodzakelijk en gerechtvaardigd
was, al is door de eenzijdigheid van dit protest, door het niet kunnen vinden
van de noodzakelijke evenwichten tussen socialisme en individualisme, weer veel
onheil gesticht. Maar het protest bewijst, dat het demo-liberalisme zichzelf
voortdurend kan corrigeren, en dus ook in dat opzicht aan de hoogste eisen
voldoet, welke aan een cultuur gesteld kunnen worden.
Niettemin blijft het de grote fout van de Westerse cultuur dat ze, bij haar
triomftocht over de gehele wereld, de kracht heeft gemist om in haar eigen
gebied orde op zaken te stellen. Ze heeft noch een redelijke oplossing voor de
sociale kwestie in haar kernlanden weten te vinden, (en de strijd tussen
Manchesterisme en Arbeiderisme laten voortbestaan), noch heeft ze, in een wereld
waarin | | | | het contact tussen staten en volken steeds intenser werd,
een organisatie van het politieke en economische leven tot stand gebracht. De
anarchie der staten en de anarchie der economische groeperingen werd steeds
groter, om tenslotte tot de wereldoorlog van 1914 te leiden.
Die oorlog bewees, dat het voortbestaan der ongecontroleerde souvereine staten en
der ongecontroleerde economische machten, een dodelijk gevaar vormde. Maar
vooral bewees hij, dat de organisatie van Europa een dringende noodzaak was.
Doch die organisatie is buitengewoon moeilijk, omdat Europa het geboorteland der
Westerse cultuur is, en omdat zich daar, in de loop der eeuwen, talrijke grotere
en kleinere staten gevormd hebben, met verschillende talen, met culturele
bijzonderheden, met eigen economische concentraties, staten, die allen voldoende
overeenstemming vertonen om samengaan mogelijk te maken, en voldoende
verschillen om samengaan zeer moeilijk te maken.
Duitsland nu, heeft in 1914 een poging gedaan om dit Europa te organiseren, tot
een eenheidsstaat, naar Pruisisch model. Die poging kwam, in z'n consekwenties,
neer op een vernietiging van alle andere staten, op een onderdrukken van alle
culturele nuances, op het verpletteren van dat wat het wezen der Westerse
cultuur is: het individualisme, waarvoor in de grauwe Pruisische kazernestaat,
die door het overwegen van z'n collectivistische elementen bewees, nog slechts
oppervlakkig verwesterd te zijn, géén, of ternauwernood enige plaats was.
Aan de ene kant bewees de oorlog, dat de Europese anarchie onhoudbaar was, en dat
de een of andere vorm behoorde te worden gevonden, om de eenheid van de Westerse
beschaving tot stand te brengen; aan de andere kant bewees hij, dat die
unificatie niet kon geschieden door Duitsland, want een onder Duitse leiding
verenigd Europa, zou wel ‘verenigd’, maar geen ‘Europa’, geen Westerse
beschaving, doch alleen een groter Duitsland, een nieuwe kazernistische
beschaving, of zoals we het in de laatste jaren zijn gaan noemen, een fascisme
zijn.
Zo kan men de oorlog van 1914 zien, als de eerste worsteling, tussen een nog
onbewust fascisme en een verouderde, Manchesteristische, vorm der Westerse
cultuur.
In die strijd heeft Duitsland de nederlaag geleden, maar, en hierop moet de
nadruk gelegd worden, niet doordat het oude Europa z'n | | | | superioriteit bewees, maar doordat de nieuwe grote Westerse mogendheid, de
U.S.A., op het toneel verscheen. Europa bleek, toen reeds, onmachtig te zijn om
zelf orde op zaken te stellen. De politieke en economische leiding van de
Westerse beschaving bleek te zijn overgegaan op Amerika, dat evenwel cultureel
nog niet op de hoogte bleek te staan van z'n taak.
De Duitse poging vond vanzelfsprekend verbitterde tegenstand in Europa,
tegenstand bij de volken méér nog dan bij de regeringen. Wie Europa verenigen
wil, zo werd toen reeds duidelijk, zal het moeten doen op Westerse wijze, d.w.z.
met handhaving van een groot deel der eigenaardigheden van het historisch
gegroeide, op democratische en federalistische wijze en niet op
fascistisch-totalitaire manier.
Men kan hier tegenover plaatsen de opmerking, dat de grote gecentraliseerde
staten van Europa toch ook niet op democratische, doch integendeel op zeer
autoritaire wijze gevormd zijn. Maar hier moeten wij herinneren aan het verschil
tussen de oude despotie en de moderne totale staat. Vergeleken met de totale
staat, is de gecentraliseerde staat van het verleden, zelfs als hij autoritair
en despotisch is, toch nog federalistisch en democratisch, want hij bemoeit zich
slechts met enkele delen van het openbare leven en niet, zoals de totale staat,
met alles en met ieder detail. Bovendien is, na de vorming der grote staten,
juist een versterking der democratie, der verscheidenheid en der individuele
rechten, binnen het raam van de centrale staten, waar te nemen.
Een ander wijze om tot het vormen van wereldrijken te komen, dan één die zo groot
mogelijke ruimte biedt voor de eigenaardigheden der verenigde volken, is zelfs
in het verleden niet mogelijk geweest. Niet dat men een volk met geweld
onderwerpt, is hier het beslissende, want het breken van de tegenstand, die
andere staten of stammen bieden, is in het verleden altijd nodig geweest om tot
de vorming van een wereldrijk te komen; en ook in de naaste toekomst is de
nieuwe organisatie der Westerse beschaving en de daarmee samenhangende
organisatie van Europa, ondenkbaar zonder oorlogen en zonder onderwerping van
staten, die zich, zoals Duitsland en Italië, tegen de Westerse beschaving
verzetten. Maar het rijk, dat gesticht werd, was alleen dàn van blijvende aard,
indien men de onderworpen volken behandelde op een wijze, die rekening hield met
hun eigenaardigheden, en wanneer men er | | | | in slaagde die volken de
cultuur der veroveraars te doen aanvaarden, of wel indien men zelf de cultuur
der onderworpenen geheel of ten dele overnam. Alleen als men dat deed, zijn er
blijvende wereldrijken gesticht. Bewust of onbewust streven naar, of aanvaarden
van, vermenging der culturen, dat is het geheim waardoor de werkelijke
wereldrijken zich onderscheiden van de gebiedsopeenhopingen, die louter op
militaire successen berusten. Rome is hier het grote voorbeeld van een militaire
gebiedsverovering, die naar onze maatstaven meedogenloos en wreed genoeg was,
maar die tevens verdraagzaam genoeg was, als het de culturen (godsdiensten) der
overwonnenen betrof, die wist te leren en over te nemen, als het hogere culturen
ontmoette, in Griekenland, in Egypte, in het Nabije Oosten, en wist te geven en
te onderwijzen, als het met lagere culturen, in West-Europa in aanraking kwam.
En in dat opzicht is Rome het tegendeel van het totalitaire Duitsland, van het
fascisme, dat alles beneden zich acht, van niets en niemand wil leren, geen
enkel volk een spoor van eigen leven gunt, maar evenmin die andere volleen tot
het eigen peil wil optrekken, ze alleen maar als slaven wil behandelen, zodat
een wereld onder Duitse heerschappij een kasten-maatschappij op wereld-schaal
zou worden, waarin al de niet-Nordische mensen voor eeuwig tot knechtschap
gedoemd zouden zijn.
Hiertegenover staat het assimilatie-vermogen der democratie, die op de duur alle
volleen de weg naar culturele verheffing opent, wat nooit duidelijker bewezen
is, dan door de verbreiding der ‘demo-liberale’ cultuur over de gehele aarde, in
de loop vooral der 19e eeuw, een verschijnsel, waarop wij reeds wezen, en dat
ondanks alle fouten en beperkingen, voortspruitend uit de fouten en beperkingen
van het Manchesterdom, toch een wonderbaarlijke prestatie genoemd moet worden.
Het zou, als men de dingen abstract beschouwt, en geen rekening houdt met de
reële krachten - wat we hier achter natuurlijk wèl zullen doen - mogelijk zijn,
dat het fascisme, en in dit geval dus het Duitse fascisme, eerst Europa
veroverde en tot een eenheid maakte en dan, met dat Verenigde Europa, de
wereldheerschappij zou bemachtigen. Maar dan zou ook de gehele wereld zich naar
één model moeten laten stampen, en dan zou niet alleen de Westerse beschaving
verdwenen zijn, maar dan zouden tevens al de oude beschavingen, de Russische,
Chinese, Japanse, Indische | | | | Perzische, Turkse e.a., die op het
ogenblik bezig zijn zich door verbinding met de Westerse beschaving te
vernieuwen, en die daardoor ongekende mogelijkheden openen voor de toekomst, en
van wier inwerking op onze beschaving we nog slechts een flauw vermoeden kunnen
hebben - dan zou dus dat alles vernietigd zijn, en de toekomst van al die volken
zou geen andere inhoud meer hebben, dan het dienen van de Nordische heren! Het
is duidelijk, dat een dergelijke ontwikkeling hoogst onwaarschijnlijk is, en dat
de tegenkrachten, die opgewekt worden door een dergelijk streven naar de
wereldheerschappij, zo talrijk en zo groot zijn, dat de onmogelijkheid ervan,
ook zonder verdere bewijzen, voor de hand ligt.
De wereldontwikkeling wijst zeer zeker in een bepaalde richting, in de richting
van de vorming van steeds grotere politieke en economische eenheden, en daardoor
het verdwijnen van de kleine nationale staten, (wier omvang en bevolking niet
groter zijn, dan die van het tegenwoordige Duitsland, van Engeland, Frankrijk
Italië, om van de nog kleinere staatjes niet te spreken) als souvereine
eenheden. Het is een onmogelijkheid, dat de Europese staatjes - en iets anders
dan ‘staatjes’ zijn er ten Oosten van Rusland niet - zich in hun tegenwoordige
vorm handhaven. Ze kunnen slechts blijven bestaan door een voortdurende
economische en politieke oorlogstoestand te handhaven, een gewapende vrede,
onderbroken door crisis en oorlog. Vandaar dat het Duitse pogen van 1914, om
eerst één grote Midden-Europese, en daarna een Europese en een wereldstaat te
scheppen, in de richting der noodzakelijke ontwikkeling ging, al was het dan ook
tegelijkertijd een poging om die ontwikkeling te forceren en om haar in vormen
te dwingen, die niet verenigbaar zijn met de Westerse beschaving; progressief in
uiterlijke vorm, reactionair in alle beginselen van politieke en sociale
organisatie en van culturele inhoud. En die reactionaire trekken zijn nog veel
sterker in de poging, die thans door het fascistische Duitsland ondernomen
wordt.
De oorlog van 1914 liet zien, dat de andere Europese staten niet, of
ternauwernood, tegen het Duitse geweld opgewassen waren en dat liet reeds
vermoeden, dat ze ook wel niet in staat zouden zijn de organisatie der Westerse
wereld te voltrekken, nadat Duitsland als macht was uitgeschakeld. Niet alleen
waren het de Amerikanen, die de uiteindelijke overwinning brachten, het waren
ook | | | | de Amerikanen, die, als enigen, beseften, dat het doel van de
oorlog, de verplettering van het Duitse militarisme (van de totalitaire idee in
haar oude vorm) eerst bereikt zou zijn, als men naar Berlijn oprukte en door het
bezetten van Duitsland het prestige van het militarisme een onherstelbare slag
toebracht1). En het waren opnieuw de Amerikanen, die een eerste poging deden om de
nieuwe en noodzakelijke organisatie van de wereld volgens de beginselen der
Westerse beschaving tot stand te brengen, op democratische en federatieve
grondslag, in de Volkenbond.
Ongetwijfeld was de Volkenbondsgedachte in bijna alle opzichten aanvechtbaar,
omdat ze tegelijkertijd een te-weinig en een te-veel bevatte, en dus buiten de
realiteit stond. Ze schoot te kort, omdat het handhaven van de souvereiniteit
der samenstellende staten, ieder werkelijk federalisme, iedere werkelijke
organisatie van politiek en economie uitsloot; ze schoot ook te kort, omdat ze
in één poging de gehele wereld wilde omvatten, in plaats van zich te bepalen tot
die staten, die voldoende beïnvloed waren door de Westerse cultuur, om
regelingen op democratische grondslag, met een evenwicht tussen het individuele
en sociale, tot stand te kunnen brengen.
Ze schoot te kort, omdat ze zich op het standpunt van het ‘zelfbeschikkingsrecht’
der volken stelde, in plaats van op het democratische standpunt. Het
zelfbeschikkingsrecht betekende, dat men het ontstaan en het sterker worden van
anti-democratische groeperingen en staten moest toelaten en dat men zich niet
eens kon verzetten, als deze in de Volkenbond hun sabotage bedreven. Het
betekende ook, dat men geen versterking van de democratie in de wereld kon
bevorderen, dat men de democratie beperkte tot de grenzen die ze in 1918 had, in
plaats van, in overeenstemming met de imperialistische behoeften van iedere
grote idee, nieuwe gebieden voor haar te winnen. Terwijl dus de taaie had moeten
zijn, én versteviging van de democratie in landen als U.S.A., Engeland,
Frankrijk, én steunen van de democratische tendenzen in Duitsland, Rusland,
China, etc., de steun aan alle democratische staten of groepen, de bestrijding
van alle anti-democraten, werd van de aanvang af de passiviteit het leidend beginsel.
Hieruit bleek, dat de ontwerpers van de Volkenbond, ofschoon zij de gedachte, die
tijdens de oorlog zo belangrijk was geweest voor | | | | de bezieling der
democraten, de gedachte, dat men de wereld veilig moest maken voor de
democratie, tot een realiteit wilden maken, toch deze gedachte onvoldoende
doordacht hadden, dat zij er nog niet aan toe waren om ‘in beschavingen’ en ‘in
continenten’ te denken. De poging moest mislukken, omdat de Amerikanen zèlf er
nog niet voldoende rijp voor waren, laat staan de Engelsen of de Fransen.
De Engelsen dachten, en denken ook heden voor een groot deel nog, in termen van
hun ‘Imperium’, dat geen Imperium, is, omdat het geen andere grondslag heeft dan
een Europees staatje van 40 millioen inwoners, dat grote overzeese gebieden
verkregen had, in een tijd toen de overige staten nog niet sterk genoeg waren om
een wereldpolitiek te voeren, een Europees staatje, dat de verdeeldheid van
Europa en de onderlinge oorlogen der andere Europese staatjes gebruikte om een
geweldig handelsgebied te bezetten.
Niet de organisatie, maar de desorganisatie van Europa, was het middel der
Engelse politiek geweest om tot z'n ‘Imperium’ te komen. Het geeft geen zin dit
den Engelsen te verwijten, integendeel, het was de enige methode om tot macht,
welvaart en beschaving te komen en ze heeft er toe geleid, dat in Engeland zelf
een ontplooiing der democratie mogelijk was, en dat de levenskunst der
democratie, berustend op het compromis, tot erfdeel der Britse élite en op de
duur van de hele Angelsaksische wereld kon worden. Zonder die levenskunst, die
de antipode van het fascisme is, kan geen ‘wapening der gematigden’ geen
organisatie van de wereld in de geest der vrijheid tot stand komen. Maar op
heden is het duidelijk, dat de desorganisatie van Europa sedert lang geen
grondslag voor een politiek meer kan zijn: Engeland moet Europa organiseren - in
ieder geval meewerken aan de organisatie ervan - of Duitsland zal Europa
onderwerpen en met het fascistische Europa het kleine Engeland vernietigen en
pogen zich meester te maken van het Britse Imperium, dat trouwens onder die
omstandigheden uit elkaar zal vallen, voor een deel (Canada, Australië,
Zuid-Afrika) zich rondom Amerika zal groeperen, en voor een ander deel (India)
zal pogen zelfstandig te worden, óf zich bij een Aziatisch blok zal aansluiten.
Frankrijk heeft in het verleden een Europese politiek gevoerd, die zich beperkte
tot het verhinderen van een te grote machts- | | | | ontwikkeling door
Duitsland en Oostenrijk. In 1918 werd Oostenrijk uiteengescheurd en Duitsland
werd militair machteloos gemaakt, en dit had inderdaad het uitgangspunt kunnen
worden voor een organisatie van Europa, maar Frankrijk wilde juist de chaotische
toestand van direct na de oorlog bestendigen, zonder evenwel zelfs daartoe de
kracht te bezitten - ten dele ten gevolge van Engelse politiek, die Duitsland
versterkte om het weer tegen Frankrijk te kunnen uitspelen. Door zijn houding
bewees Frankrijk, geen positieve bijdrage te kunnen leveren tot het bereiken van
de Europese eenheid.
Zowel Frankrijk als Engeland hebben daarna, tegenover de fascistische agressie
bewezen, dat ze zelfs niet eens meer in staat geacht mogen worden de Westerse
cultuur in haar tegenwoordige, zeer onvolmaakte vorm, te bevestigen, laat staat
de noodzakelijke uitbreiding in de ruimte en in de inhoud er aan te geven.
Anders gezegd, de Europese staten blijken niet meer over de kracht, de
vitaliteit, het inzicht te beschikken, om de Westerse cultuur tegen het fascisme
te beschermen. Ze zullen wellicht nog voldoende levenswil bezitten om hun eigen
bestaan te verdedigen, maar het zou van een ongegrond optimisme getuigen, te
geloven, dat zij, zelfs als ze als overwinnaars uit de aanstaande en
onvermijdelijke oorlog te voorschijn traden, de leiding zonden kunnen nemen,
voor een zo geweldige taak als de organisatie van Europa en van de wereld, in de
zin van de Westerse cultuur.
Het is zelfs de vraag, of zij nog over de wil beschikken om
weerstand te bieden aan de fascistische agressie, en of ze niet te zeer uitgeput
zijn, om zelfs nog voor de verdediging hunner directe belangen te vechten en de
ontzettende offers te brengen, die daarvoor nodig zijn.
Deze vraag, die men na de even kortzichtige als eerloze ‘vrede van München’ wel
gedwongen is te stellen, omdat deze ‘vrede’ door een uitbundige manifestatie van
pacifisme in Engeland en Frankrijk gevolgd werd, is daarom van de allergrootste
betekenis omdat ‘pacifisme’ altijd het zekerste teken is van een culturele
decadentie. Die vraag gaat dus ver uit boven de kwestie, of Engeland en
Frankrijk nog de kracht zullen hebben zich tegen het fascisme te verzetten. Want
men is wel gedwongen verder te redeneren en te vragen: als Frankrijk en
Engeland, de stamlanden der Westerse cultuur, zo zichtbaar in een toestand van
deca- | | | | dentie verkeren, is dat dan niet het beste bewijs, dat die
gehele Westerse ‘demo-liberale’ cultuur in haar laatste stadium gekomen is, en
moeten wij dan het fascisme niet zien als die, thans nog barbaarse, oerkracht,
die de historische functie heeft, een verrotte wereld te vernietigen, opdat
ruimte kan ontstaan voor een nieuwe, frisse, jonge, levenskrachtige cultuur? Is
dan het snelle en blijkbaar onweerstaanbare succes van het fascisme niet voor de
hand liggend, omdat het de toekomst vertegenwoordigt, en spruit ons verzet tegen
het fascisme niet voort uit onze onmacht om het nieuwe te begrijpen, dat aan de
poorten klopt en waarvan wij, in onze afgeleefde verfijning, alleen het
barbaarse zien, zonder in staat te zijn de beloften te beseffen, die deze jonge
kracht in zich sluit?
Een dergelijke voorstelling van zaken is niets anders, dan het maken van een
analogie tussen de ondergang van het Romeinse rijk (zoals die volgens de
conventionele opvattingen zou zijn gebeurd) en de a.s. ondergang der Westerse
beschaving. In beide gevallen zouden het dan de barbaren zijn, die een decadente
beschaving de genadestoot geven en daarna, na eeuwen van ‘duisternis’, een hoger
beschavingspeil bereiken dan het vorige. Maar de oppervlakkigheid van de
analogie treedt bij ieder nader onderzoek aan de dag. De Duitsers (en de
Italianen), die onze beschaving bedreigen, zijn alleen ‘barbaren’ in de
moreel-humanistische betekenis van het woord, doch in technisch opzicht, in
wetenschappelijk opzicht en in hun historische ontwikkeling behoren ze tot de
Westerse beschaving. Ze zijn geen ‘barbaren’ in de zin, waarin de oude Germanen
het waren, nl. volken, die niet, of slechts oppervlakkig, aanraking hebben gehad
met de beschavingen, waaraan ze grenzen. Waar we hier dus mee te maken hebben,
is een strijd binnen de Westerse beschaving zèlf, om de heerschappij over die
beschaving. En tegelijkertijd om de vraag, of die beschaving fascistisch
georganiseerd zal worden, dan wel democratisch. Waarbij dan direct opgemerkt
moet worden, dat de democratie volkomen bij de aard der Westerse beschaving
past, dat zij alleen die beschaving levend, soepel, vatbaar
voor verandering en vernieuwing kan maken en houden, terwijl het fascisme op de
duur tot verstarring leidt.
Het fascisme is geen ‘jonger’ principe dan de democratie, doch integendeel een
veel ouder beginsel dan dat van het demo-libera- | | | | lisme, van het
georganiseerde, met de behoeften der maatschappij rekening houdende,
individualisme. Het fascisme is het principe van de voor eens en voor altijd
vastgestelde sacrale traditie, die voor vaders en zonen, kinderen en
kindskinderen geldt en waaraan niet getornd mag worden. Het verzet zich
krampachtig tegen het breken van de ‘korst der gewoonten’, d.w.z. tegen de wet
der cultuur zelf. Er is dus geen sprake van, dat een nieuwere beschaving tegen
een oudere optrekt, als het fascisme zijn strijd tegen het demo-liberalisme
voert - in tegendeel het zijn de restanten van het oude, die zich in het
fascisme krampachtig verweren tegen het demo-liberalisme, dat van uit het Westen
in Duitsland en Italië, in Oost- en Zuid-Europa vaste voet probeert te krijgen.
Men roept niet voor niets ‘Wodan’ en de ‘wolvin van het Capitool’ op tegen de
‘negentiende eeuw’!
Maar het vervolg op de ‘negentiende eeuw’ is noch Wodan, noch Rome, het is de
‘twintigste eeuw’, de eeuw, waarin de nationale staten tot een internationale
federatie verenigd worden. De Westerse beschaving zal, zoals iedere beschaving,
op de duur moeten komen tot wat A.J. Toynbee noemt haar
‘universele staat’, d.w.z. de staat, die het gehele gebied dier beschaving
omvat, zoals Rome b.v. het gehele gebied der Helleense en Hellenistische
beschaving omvatte. Zal Duitsland nu voor de Westerse beschaving zijn, wat Rome
voor de Helleense was? Zal Duitsland niet alleen Midden- en Zuid-Oost-Europa,
maar ook West-Europa en... Amerika onderwerpen? Ziehier de vraag, die gesteld
moet worden. En nu wordt het duidelijk, dat de eigenlijke strijd, die aan de
orde is, niet die is tussen Duitsland en West-Europa, tussen Duitsland en
Engeland-Frankrijk, maar die tussen Duitsland en Amerika, tussen Hitler en
Roosevelt.
Aan de ene kant staat de methode der verovering en onderwerping, aan de andere
kant. die der vereniging. Duitsland moet, om te kunnen slagen, staat na staat
stukbreken, onderwerpen, blijven beheersen, de bevolking onderdrukken, de élites
uitroeien. Zó alleen kan het zijn fascistische idee verwezenlijken.
Amerika behoeft slechts te verenigen, zoals het in de loop van z'n geschiedenis
met zichzelf gedaan heeft. Het behoeft slechts overeenstemming te bereiken
tussen staten en bevolkingsgroepen, het behoeft slechts de Angelsaksische kunst
van het compromis op een nog grotere schaal toe te passen, dan dat in de Engelse
en | | | | Amerikaanse wereld tot dusver gebeurd is. Reeds daardoor is z'n
taak gemakkelijker dan die van Duitsland. Het wekt minder weerstanden en
vijandschappen op. Amerika kan ‘bondgenoot’ zijn, om in een bondgenootschap door
z'n natuurlijke positie ‘leider’ te worden. Duitsland is te klein en te arm om,
als bondgenoot, tot leider te kunnen worden. Als bondgenoot is het slechts een
staat van iets meer betekenis dan Frankrijk of Italië, van geringere betekenis
dan het Britse rijk. Vandaar dat het niet tot een bondgenootschap kan behoren,
niet in een federatief verband kan leven, de andere staten moet vernietigen, om
alleen als enige onafhankelijke en heersende staat over te blijven. Dit alles is
voldoende om de kans op een Duitse overwinning van de aanvang af uitgesloten te
achten. Duitsland zou van Europa, van het gebied der Westerse beschaving, één
grote, door Duitsers beheerste, nationale staat willen maken. Maar de Westerse
beschaving heeft een aantal grotere en kleinere nationale staten doen ontstaan,
die alleen te verenigen zijn in federatief verband, met behoud van een groot
deel hunner bijzonderheden, aanvankelijk slechts als een eenheid optredend tegen
het buitenland, en op economisch gebied; hun culturele betrekkingen versterkend,
en wellicht op de duur tot engere culturele eenheid samengroeiend. Een
dergelijke groei is onverenigbaar met het principe van nationale souvereiniteit
en onaantastbaarheid, het vooronderstelt de bereidheid om in een groter verband
op te gaan. Die bereidheid vindt men in Europa eigenlijk nergens, vandaar dat de
vereniging van Europa op zulke moeilijkheden stuit, ofschoon het inzicht, dat
die vereniging nodig is, vrij algemeen aanwezig is.
Maar hoe kan men die vereniging overlaten aan een staat als Duitsland, die alle
andere aan zich ondergeschikt zou willen maken, een staat wiens belangen telkens
op de belangen der anderen botsen. En toch is Duitsland de enige Europese staat,
die de kracht zou hebben om een heel eind in de richting dier vereniging te
gaan. Frankrijk en Engeland hebben die kracht niet. Maar ze hebben vermoedelijk
wel voldoende kracht om zich te verzetten tegen een Duitse overheersing.
De enige werkelijke oplossing is dus, dat Europa verenigd wordt onder leiding van
een staat, die niet Europees is in de zin van het directe belang en de directe
overheersing, die groot en rijk genoeg is om geen behoefte te hebben aan het
gebied der andere staten, en die toch Europees is, omdat ze tot de Westerse, de
| | | | Europese cultuur behoort. Een staat, die ook belang heeft bij
de vereniging van het gebied der Westerse cultuur, omdat zonder die vereniging
geen organisatie van de wereld mogelijk is, omdat geen vreedzame ontwikkeling
verwacht kan worden, zolang de nationale staten oorlogen, en de nationale
economieën crisissen veroorzaken. Een staat tenslotte, die zich moet verzetten
tegen pogingen om Europa in fascistische zin te verenigen, omdat zo'n
fascistisch Europa, zo'n ‘groter-Duitsland’ dus, een voortdurende bedreiging zou
vormen voor de instellingen en de welvaart van die staat: Amerika.
Het is, zeiden wij reeds, geen toeval dat Amerika reeds in het begin van de 20ste
eeuw een eerste poging in de richting dier vereniging deed: De Volkenbond. Maar
niet alleen was de Volkenbond een poging, die te weinig doordacht was opgezet,
nog belangrijker was het feit, dat het toenmalige Amerika nog niet rijp bleek te
zijn voor een dergelijke wereldpolitiek.
Weldra kregen de isolationisten weer de overhand, de lieden, die meenden, dat de
welvaart van Amerika geen verband hield met de toestanden in de wereld en dat
men, door zich met Europa te bemoeien, een mal idealisme aan de dag legde. De
enige manier om zich met Europa bezig te houden, bestond volgens deze
‘zakelijke’ lieden in het beleggen van zoveel mogelijk kapitaal in Europese
zaken, waardoor men niet alleen flinke winsten zou maken, maar ook, zonder
politieke bemoeiing, Europa in z'n macht zou krijgen. Deze ‘zakelijke’
redenering bleek, zoals dat vaker met zulke berekeningen het geval is, niet te
kloppen. De anarchie in de wereld - ook in Europa - was één der hoofdzaken van
de crisis, die Amerika in 1929 trof, een crisis, die in diepte en omvang alle
vorigen te boven ging. En de economische redenering, dat kapitaal-bezit macht
is, bewees haar dwaasheid in reeksen van milliarden aan waardeloze leningen en
bevroren credieten. Er bleek opnieuw, dat kapitaal alleen macht is, als men over
de politieke macht beschikt om de schuldenaren te dwingen hun schulden te
betalen en aan hun verdere verplichtingen te voldoen. De Amerikaanse crisis had
echter nog een diepergaande betekenis: ze was een verpletterende nederlaag van
de ‘zakenlieden’, d.w.z. van de lieden, die zonder enig sociaal inzicht, zonder
enig begrip van economische en maatschappelijke organisatie, geen andere
drijfveer en geen richtsnoer hadden dan hun persoonlijk winstbejag. | | | | Deze zakenlieden waren de ‘helden’ van Amerika geweest het voorbeeld voor
allen, de toonaangevende persoonlijkheden, die hun stempel op de politiek en de
‘cultuur’ drukten. Eerst toen het prestige van deze vertegenwoordigers der
Manchester-opvattingen een flinke knak gekregen had, kon Amerika rijp worden
voor grotere dingen dan de winst-anarchie, kon het zijn interne aangelegenheden
pogen te organiseren, zijn economie op planmatige wijze gaan bekijken, en niet
meer de winst, maar de mens tot het middelpunt van het maatschappelijk leven
maken. Deze wending van anarchie naar organisatie - waarbij organisatie niet de
vernietiging van het individualisme beoogt, doch integendeel de versterking
ervan door het scheppen van gunstige condities - maakt dat de U.S.A. ook inzicht
gaan krijgen in de betekenis van organisatie der wereld-economie en der
wereld-politiek. Precies zoals de Amerikaan in zijn eigen land van het oude
ongeorganiseerde individualisme tot het nieuwe georganiseerde individualisme is
gekomen, zo wil hij in de wereld tot een nieuwe georganiseerde toestand van
vrede en welvaart komen, en zo stelt hij het parool aan de orde: democratische
organisatie van de wereld. Hij stelt het bewust tegenover het streven der
dictatoren: fascistische organisatie van de wereld. Hij doet het zelfbewust en
zeker van zijn enorme krachten, niet bereid zich te onderwerpen aan de
dictatoren, niet bereid met die dictatoren tot een overeenstemming te komen, ze
enige concessie te doen. Niet bereid enige concessie te doen aan een stelsel,
dat hij terecht ziet als de doodsvijand van dat individualisme, dat de schoonste
vrucht is van de Westerse beschaving, het individualisme, dat in de loop der
tijden zijn systemen en organisatie-vormen zal hebben te wijzigen, maar dat die
wijzigingen slechts aanbrengt om een steeds intensere cultus van het individu
mogelijk te maken.
Terwijl men in Frankrijk en Engeland angstig en laf zoekt naar mogelijkheden om
met de dictators in vrede te kunnen leven, bereid is tot alle concessies, tot
iedere knieval en eerloosheid terwille van de vrede, zegt Amerika, dat alleen de
vernietiging van alle dictatoren, de Duitse en Italiaanse, de Russische en de
Japanse, kan leiden tot de enige organisatie van de wereld, die democratisch is,
d.w.z. die de belangen van individuen, groepen en staten in een, steeds voor
verandering vatbaar, evenwicht met elkaar weet te brengen.
Men vindt die Amerikaanse opvattingen het best samengevat in | | | | een
redevoering, die Franklin D. Roosevelt op 5 December 1938 hield, te Chapel Hill,
toen de universiteit van North-Carolina hem het ere-doctoraat in de rechten
verleende. Hij zei toen o.a.: ‘Er mogen in de wereld mensen zijn, die menen, dat
een gedrild volk, waarvan alle gedachten en daden geleid worden door één man,
sommigen de soort van veiligheid zal geven, die hun bevalt, doch, welke
overtuigingen ik er ook op nahoud, geen is sterker dan mijn vast geloof, dat de
veiligheid en het welzijn van het Amerikaanse volk het best gediend worden door
de democratische beginselen, welke het land sterk en groot gemaakt hebben... De
toekomst berust niet op toeval alleen, niet op louter aanpassing of louter
fatalisme, maar op de positieve actie, die wij in Amerika ondernemen. Wat Amerika in de komende paar jaren doet of nalaat te doen, zal
nog eeuwen lang van veel grotere invloed op de geschiedenis van het mensdom
zijn, dan de meesten van de hier aanwezigen ooit bewust zal worden. Wij
zijn niet slechts de grootste en machtigste democratie in de gehele wereld, doch
vele andere democratieën verwachten van ons, dat wij de leiding zullen nemen,
opdat de wereld behouden zal blijven.’
Ziehier niet alleen de getuigenis van een roeping, maar ook van een zo
omvangrijke en grootse roeping als wij bedoelden, toen we spraken over de
dynamiek der cultuur, over het imperialisme van de democratische idee.
Er is wel een belangrijke wijziging in de situatie gekomen, sedert de periode van
1914-1918. Toen waren het Frankrijk en Engeland, die de leiding namen van het
verzet tegen de Duitse agressie, terwijl Amerika eerst in de loop van de
ontwikkeling aan die actie ging deelnemen. Thans ligt het zwaartepunt duidelijk
in Amerika. Het initiatief berust niet langer bij Engeland, laat staan bij
Frankrijk - de leiding van de Westerse beschaving is aan Amerika gekomen. En
daar begint men dit hoe langer hoe meer te beseffen en er naar te handelen.
Het is begrijpelijk, dat men in landen als Engeland en Frankrijk, die tot voor
kort de voornaamste Westelijke staten waren, deze wijziging nog niet aanvaarden
wil, zich nog verzet tegen de nieuwe situatie. Dit is vooral het geval in de
heersende groepen, die tot voor de oorlog van 1914 heersers der wereld waren. In
deze, kapitalistische, kringen wil men nog op de oude manier doormodderen, en
liever dan de leiding der U.S.A. te aanvaarden, een leiding die | | | | op
de duur tot een sterke democratisering en socialisering van het hele openbare
leven zou moeten leiden, wil men proberen tot een overeenstemming met het
fascisme te komen. De politiek van Chamberlain en Flandin is veel meer gericht
tegen de consequenties van het Rooseveltisme, waardoor zij internationaal hun
souvereiniteit en nationaal hun machtsposities zouden verliezen, dan tegen het
‘bolsjewisme’ dat ze, ter rechtvaardiging van hun verzet tegen een
anti-fascistische politiek, als het gevaar aan de kim, dat aan het eind van de
oorlog Europa zou bedreigen, telkens aanwijzen of suggereren. Immers terwijl ze
het ene ogenblik dat bolsjewisme als gevaar aankondigen, beklagen ze zich het
volgende ogenblik over de zwakte van Rusland, waardoor ze niet op dat land
kunnen rekenen bij een eventuele oorlog met Duitsland. Het één sluit het ander
uit.
Wat ze echter inderdaad vrezen is, dat na een nederlaag van Duitsland, de
Verenigde Staten de onbetwistbare leiders van de wereld zullen zijn, en dat het
dan niet meer gelukken zal, Roosevelt1) of diens opvolger te
beletten, de wereld op democratische grondslag te ordenen,
d.w.z. op een grondslag die het handhaven van de ‘souvereiniteit’ der staten en
de machtsposities der kapitalisten uitsluit. Dat is in 1918, tegen Wilson, nog
gelukt, omdat Amerika nog te weinig bewust was van zijn taak, en omdat de
Europese volksmassa's nog te zeer in de ban waren van een negatief,
extremistisch, socialisme, om een constructieve politiek op internationaal en
nationaal gebied te kunnen ondersteunen. Maar waar Wilson faalde, zal Roosevelt
slagen, omdat thans Amerika beseft, dat men, Europa aan zijn lot overlatend, een
nieuwe chaos en een nieuwe gevarenhaard schept, en omdat de Europese massa's
door de fascistische bedreiging, een positief democratische wil tot energieke
hervormingen hebben gekregen. De volksmassa's in Europa zijn bereid, de leiding
van een Rooseveltiaans Amerika te aanvaarden, dit begrijpen zelfs verstandige
conservatieven als Eden en Churchill in Engeland. Maar de Chamberlains willen
liever heel het vasteland van Europa aan Duitsland uitleveren, dan een oorlog te
voeren, die toch ook een einde zou maken aan hun machtspositie - aan de
machtspositie van een kliekje van kapitalisten en groot-grondbezitters en
parasieten in Engeland.
Evenwel hebben noch de Chamberlains, noch de Flandin-Daladiers | | | | het
in hun macht, de vrede met het fascisme te handhaven, want het fascisme bepaalt
zich niet tot het verslinden van de Oost- en Zuid-Europese gebieden, die het van
de Chamberlains cadeau gekregen heeft, het maakt ook aanspraak op de directe
machtsposities van Engeland en Frankrijk, en een aantasting hiervan kan geen
Engelse of Franse regering toestaan, zonder omvergeworpen te worden.
Bij ieder verder-gaande uitbreiding van de fascistische macht (Rijnland,
Oostenrijk, Tsjecho) kost het de Chamberlains steeds meer moeite, de vrede te
handhaven. Er komt een moment, waarop de dynamiek van het fascisme het zijn
pleitbezorgers in het Westen, de Chamberlains en Daladiers, niet langer mogelijk
maakt hun politiek van concessies voort te zetten. Zo is dus het einde van die
politiek: de oorlog. En aangezien de concessies de macht van het fascisme
versterkt en die van Engeland en Frankrijk verzwakt hebben, kan die oorlog door
Engeland-Frankrijk niet meer gewonnen worden zonder Amerikaanse steun, zodat aan
het eind van de oorlog Amerika de beslissende positie inneemt, precies wat de
Chamberlains wilden vermijden, en wat ze nog hadden kunnen vermijden, als in ze
1933-1935 het, toen nog zwakke, Hitler-Duitsland hadden ten val gebracht.
Intussen, het feit dat men in Frankrijk en Engeland regeringen van het type
Laval, Flandin, Blum, Daladier of Mac-Donald, Baldwin, Chamberlain heeft,
bewijst voldoende, dat die landen niet meer over voldoende energie en inzicht
beschikken om een politiek in grote stijl te voeren.
Daarnaast is er dan het verschijnsel van het pacifisme. In de overgrote
meerderheid der gevallen, heeft dit pacifisme niets gemeen met een liefde tot de
naasten en de verderen, met een gevoel van broederschap, zo sterk, dat men zijn
medemensen onder geen voorwaarde meer wil bestrijden. Het heeft ook niets te
maken met die ‘geestelijke weerbaarheid’ die zich sterk genoeg weet, of meent te
weten, om het wapengeweld door propaganda, door het voorbeeld van heldhaftig
gedragen leed, door hef gebruik van andere middelen (staking, fabrieksbezetting,
lijdelijk verzet) die een geweldige geestkracht, zelfbeheersing, inzicht vragen,
door geestelijke en geweldloze strijd te kunnen overwinnen.
De gemiddelde pacifist hier in het Westen is een kleinzielig, haatdragend,
lasterend manneke, dat iedere opoffering voor een grote | | | | gedachte
onzinnig vindt, dat liever de hele wereld in slavernij en eerloosheid wil zien
ondergaan, dan zijn eigen lieve leventje in gevaar brengen. De massa's grijpen
naar pacifistische en antikapitalistische argumenten, omdat hun werkelijk
motief, de angst en het bekrompenste egoïsme, te weinig eerbiedwaardig is om
indruk te maken. Dit pacifisme is dus niets anders dan één van de wijzen, waarop
de invloed van de ‘maag-mens’ tot uiting komt, één van de uitingen van
toenemende vervlakking en van de heerschappij der middelmatigen. En dit is,
zoals we reeds zagen, een toestand, die er op wijst, dat de élites hun invloed
verloren hebben, verzwakt of verdwenen zijn.
De lange periode van nagenoeg onbedreigde heerschappij van het Westen heeft die
verzwakking der élites in de hand gewerkt, terwijl daarna de reeds besproken
uitwerking van de crisis op de middengroepen tot verdere verwarring en
verzwakking leidde. In dezelfde periode, waarin de U.S.A. een land van pioniers
was, een continent in bezit moest nemen, uit immigranten van allerlei oorsprong
een natie moest maken, of waarin Duitsland zijn positie in de wereld moest
veroveren, leefde men in West-Europa in de waan van de vanzelfsprekendheid der
wereldheerschappij. Thans nu dit tijdperk ten einde is, nu bedreigingen van
allerlei aard zich opdoen, zal als gevolg hiervan ook in West-Europa op de duur
nieuwe élite-vorming optreden; maar dit is een vrij langdurig proces - een
proces, dat alleen maar mogelijk is in een democratische maatschappij - en dat
proces, waarvan we thans de eerste sporen kunnen waarnemen in een land als
Engeland b.v., heeft nog geen practische uitwerking op de massa, die dus nog
voorlopig in de ‘pacifistische’ angst-toestand blijft verkeren.
Dit pacifisme is ongetwijfeld dus een teken van decadentie; maar betekent het
ook, zoals de fascisten gaarne aannemen, dat de Westerse cultuur niet meer over
voldoende vitaliteit beschikt om de aanvallen van het fascisme af te slaan en,
zich van haar inzinking herstellend, een nieuwe ontwikkelingsfaze in te gaan?
De fascisten zouden misschien gelijk hebben, als die Westerse cultuur beperkt was
tot West-Europa. Dan zou het herstelproces wellicht te laat komen, om het
fascisme buiten de poorten te houden. En als het fascisme zich meester gemaakt
heeft van een land, dan wordt daar inderdaad ieder ander proces dan dat der
‘gelijkschakeling’, dat op de duur tot totale verstarring leidt, afgebroken. | | | | Maar de Westerse cultuur heeft haar vitaliteit bewezen door tijdig
geweldige reserves te vormen, reserves waarvan de U.S.A. de grootste zijn, maar
die men in Midden-Amerika (Mexico!) en Zuid-Amerika, in Zuid-Afrika en
Australië, en zelfs, in andere vormen, in Rusland, China, Brits-Indië, Turkije,
Perzië vindt. Natuurlijk kan de verwestering in Rusland en de andere in
hetzelfde verband genoemde landen een fascistische richting inslaan, als het
eigenlijke Westen fascistisch zou worden. Maar een cultuur, die haar vitaliteit
bewezen heeft door het verwesteren van nagenoeg de gehele wereld, is in ieder
geval minder uitgeput dan de fascisten willen doen voorkomen. Wat met
West-Europa gebeurd is, is niets anders, dan dat de kolonie Amerika machtiger is
geworden dan het moederland; en dat deze machtige kolonie thans, voorgoed of
voor een bepaalde periode, de leiding neemt om de taak, nodig voor het behoud
der Westerse beschaving, te volbrengen.
Die taak is de vorming van de ‘universele staat’ der Westerse cultuur, van de
politieke en economische organisatie dier cultuur, volgens haar eigen
democratische beginselen. En het fascisme is, van uit dit perspectief gezien,
niets anders dan het krampachtig verzet der in democratisch opzicht
achtergebleven, nationalistische staten, tegen een regeling, die de nationale
kaders doorbreekt om ‘universeel’ te kunnen zijn.
De toestand is dus deze: een paar kleine, cultureel achtergebleven landen, zoals
Duitsland en Italië, worstelen wanhopig om te ontsnappen aan een proces, dat hen
dwingen wil zich te schikken in een universele regeling. Ze willen zich aan geen
enkele internationale regeling onderwerpen, met geen enkel ander belang dan het
eigene rekening houden. En dit is, in het complex van omstandigheden, die tot
vorming van een universele staat dwingen, alleen mogelijk als zij er in slagen
het gehele Westen tot een aanhangsel van hun eigen nationale staat te maken.
De vorming van zelfstandige fascistische staten in Engeland, Frankrijk, Amerika,
zou geen enkele oplossing brengen, want het zou de tegenstand, waarop Duitsland
stuit, alleen maar kunnen versterken. Een fascistisch Italië kan wellicht
genoegen nemen met de positie van knechtschap, die het thans t.o.v. Duitsland
inneemt, een fascistisch Engeland of Amerika zou dat natuurlijk niet doen, doch
integendeel van zijn kant op onderwerping van alle andere staten aansturen. De
enige werkelijke oplossing is de | | | | democratische, die alle naties de
machtspositie geeft, die ze door hun capaciteiten kunnen verwerven in de
vreedzame wedijver. De fascistische staten zijn de staten, die weten, dat ze
onder die omstandigheden een ondergeschikte positie zullen
innemen en die nu, door gebruik van geweld, aan dit lot willen ontsnappen.
Geen gevoel van macht, doch integendeel het gevoel van niet opgewassen te zijn
tegen de vreedzame concurrentie van andere staten, drijft de fascistische landen
tot hun houding.
Het fascistisch verzet tegen de vorming van de universele staat
der Westerse beschaving, neemt dus de vorm aan van aanvalsoorlogen, die de
fascistische staten in hun omgeving ontketenen. Daar waar de Westerse beschaving
door een reeks van omstandigheden haar veerkracht verloren heeft, is het
antwoord op die fascistische aanvallen, een angstig terugdeinzen. Dat voert dan
veelal tot de conclusie, dat de gehele Westerse beschaving verloren is, of dat
tenminste de liberale ontwikkelingsfaze dier beschaving afgesloten is. Noch het
één, noch het ander is juist.
De Westerse beschaving zou evenmin verloren geacht kunnen worden, omdat Frankrijk
en Engeland zouden ophouden haar leidende mogendheden te zijn, als ze verloren
was, toen Portugal en Spanje en Holland ophielden leiding te geven, en hun
plaats aan Frankrijk, Engeland en Oostenrijk moesten afstaan. Een beschaving is
nooit dood, zolang ze zich uitbreidt en nieuwe gebieden koloniseert of oude
gebieden van haar geest doordringt. De Westerse beschaving, die twee gehele
werelddelen (Amerika en Australië) gekoloniseerd heeft en daar machtige, nog aan
het begin van hun ontwikkeling staande, staten gesticht heeft; die bovendien
grote oude gebieden als China en India tot nieuw leven heeft gebracht en daar
nieuwe beschavingen (die men Anglo-Chinees en Anglo-Indisch zou kunnen noemen)
aan het vormen is, die beschaving is niet uitgeleefd, en ze is niet te
vergelijken met het Romeinse rijk, dat reeds eeuwen vóór zijn ondergang een
stagnerend en rottend gebied vormde. En het is, in die beschaving, het
liberalisme, dat die nieuwe en oude gebieden in bezit genomen en bewerkt heeft,
terwijl het fascisme en zijn nationalistische en militairistische voorlopers
zich beperken tot gebieden, die nog nooit geheel bevrijd waren van de feodale
restanten, en tot gebieden, die bekneld zitten tussen het nieuwe Westen (d.i.
Amerika en z'n aanhangsels aan de overkant van de Atlantische | | | | Oceaan: Engeland, Frankrijk e.d.) en Rusland, waarin zich een nieuwe
Anglo-Slavische beschaving aan het vormen is, door het Bolsjewisme heen1).
Het is gewenst op deze plaats even stil te staan bij de betekenis die aan Rusland
en het Bolsjewisme in dit verband moet worden toegekend.
Wat Rusland zèlf betreft, het kan misschien zonderling schijnen, dat het hier
telkens als iets bijkomstigs behandeld wordt, terwijl toch tallozen in Rusland
de toekomst-staat menen te zien, de bakermat van een nieuwe beschaving, en de
eigenlijke tegenpool van het fascisme, getuige de vaak gehoorde leuze: fascisme
of bolsjewisme.
Het is daarom gewenst, enkele opmerkingen te maken over wezen en toekomst van
Rusland, opmerkingen die, om de reeds in het ‘Voorwoord’ van dit boek aangegeven
redenen, kort zullen moeten zijn.
1e. De tegenstelling bolsjewisme-fascisme is voor ons reeds daarom
onaanvaardbaar, omdat zowel de Russische als de Duits-Italiaanse Staat tot
eenzelfde type behoren: de autoritaire en totalitaire Staat. Het uitgangspunt
moge dan anders geweest zijn, Rusland moge begonnen zijn als een experiment van
het proletarische socialisme, op den duur is het een totalitaire Staat geworden,
de meest totalitaire van alle staten, omdat ook nagenoeg de gehele economie
volgens het totalitaire schema georganiseerd is, een proces dat in Duitsland en
Italië nog slechts ten dele voltooid is. Daarentegen zijn de feitelijke
politieke en culturele toestanden in de drie staten vrijwel van hetzelfde type,
terwijl op alle gebieden steeds meer overeenkomst te bemerken
valt.
2e. De tegenstelling is er dan ook niet een van bolsjewisme en fascisme, doch van
Rusland en Duitsland. Een land als Italië kan zich - of moet zich - op den duur
aan Duitsland onderwerpen, omdat het armer, zwakker, kleiner dan Duitsland is,
doch Rusland is een werelddeel, met een geografische basis even stevig, als de
Duitse zwak is, met een enorme, bijna onuitputtelijke grondstoffenrijkdom -
terwijl Duitsland in bijna alle opzichten grondstoffengebrek heeft - met een
bevolking die dubbel zo | | | | groot is als de Duitse en die zich veel
sneller vermeerdert, terwijl tenslotte Duitsland probeert in de Russische zône
(Oostzeestaten, Slavische gebieden in Oost- en Z.O.-Europa) binnen te dringen,
en Rusland de weg naar Oostzee en Middellandse zee verspert, om maar niet te
spreken over het Duitse verlangen naar de Oekraïne, het Don-gebied en de
petroleumvelden van Bakoe. Het ligt voor de hand dat een wereldrijk als Rusland
zich niet kan en wil onderwerpen aan een Midden-Europees staatje van
middelmatige afmetingen, dat het in geen enkel opzicht als z'n meerdere kan
zien. Reeds de zelfhandhaving van de autoritaire Russische regering, belet haar
enige concessie van betekenis aan het buitenland te doen, wil ze niet
onmiddellijk alle gezag in het eigen land verliezen. Bovendien beschouwt men in
Rusland zichzelf als een jong volk en een jonge staat - met heel wat meer recht
dan de Duitsers dit doen - die een geweldige toekomst hebben, terwijl men het
Duitse fascisme als de laatste stuiptrekking van een ondergaande wereld ziet,
zodat men niet de minste neiging heeft om voor dit Duitsland te capituleren. Zo
is op den duur een botsing tussen de twee totalitaire machten Rusland en
Duitsland onvermijdelijk, waarbij Rusland het voordeel heeft, dat het rijk en
groot genoeg is, om te kunnen wachten en z'n eigen gebied te ontginnen, terwijl
Duitsland alleen door aan te vallen en te veroveren, tot een werkelijke
wereldmacht kan worden.
Zo kan Rusland zich verbinden met de staten van het Westen, die evenmin behoefte
aan uitbreiding en verovering hebben, en zo kan Rusland, samen met deze
bondgenoten, de fascistische aanvallers vernietigen.
3e. De vraag is nu of Rusland, na zo'n overwinning, geen vooruitzichten heeft om
z'n bondgenoten, de Westerse staten te overheersen en tot de
wereldbeheersende macht te worden, doordat het zowel de Europese als de
Aziatische staten dwingt om het ‘bolsjewisme’ te aanvaarden?
Op deze vraag antwoorden wij ontkennend, om de volgende redenen.
a. Een nederlaag van Duitsland is - of de Russen dit willen of
niet - tegelijkertijd een nederlaag van alle totalitaire systemen. De oorlog
tegen Duitsland wordt onder leiding van de democratische
staten; onder de uiteindelijke leiding van Amerika, en niet onder die van
Rusland gevoerd. De overwinning zal een overwinning der democratische
wereldbeschouwing zijn, en daar- | | | | door een indirecte nederlaag voor
het in Rusland heersende systeem.
b. De hoop van de Russen is, dat het verdwijnen van het
fascistische régime in Duitsland (en Italië), een chaos zou veroorzaken, waarvan
de bolsjewiki zouden kunnen profiteren om in die landen een bolsjewistische
dictatuur te doen ontstaan, terwijl tegelijkertijd het, door de oorlog
ontredderde, Oost- en Zuid-Oost-Europa, onder Russische invloed zou komen. Deze
hoop houdt geen rekening met het psychologisch feit dat in de overwonnen landen,
na de nederlaag van het fascisme, een afkeer van ieder
totalitair systeem te verwachten is, dat het opleggen van een bolsjewisme aan de
landen tussen Duitsland en Rusland, op hetzelfde nationale verzet zou stuiten
als in 1918-'19, en dat de democratische landen, na het fascisme verslagen te
hebben, nergens een ander totalitair systeem kunnen toelaten.
c) De pogingen van de Russen om het bolsjewisme tot een wereldmacht te maken,
zullen niet alleen op het verzet van de West-Europese landen stuiten, maar ook
op het verzet van het Chinese volk, dat, zowel voor zover het z'n boerenmassa's,
als voor zover het z'n leidende groepen betreft, te zeer door
familieindividualisme en bezits-zelfstandigheid beheerst wordt, om het
bolsjewisme te aanvaarden. Tenslotte stuit het natuurlijk ook op de Amerikaanse
democratische concepties, en dit is beslissend, omdat, al moge Rusland ook een
groot en door de natuur goed bedeeld gebied zijn, het noch wat grondstoffen,
noch wat techniek, noch wat geaccumuleerde rijkdom, noch wat beheersing der
zeeën betreft, tegen een door Amerika geleid, democratisch blok opgewassen is.
d) Het moet dus òf tot een conflict komen tussen Rusland en het democratisch
blok, òf de twee blokken blijven naast elkaar leven; en in dat geval is de meest
voor de hand liggende ontwikkelingsgang, dat de crisis van het bolsjewisme, die
tot nu toe geleid heeft tot een noodtoestand, zodanig verscherpt wordt, dat de
val van het régime aan de orde komt. De crisis van het bolsjewisme kan hier
slechts in grote trekken omschreven worden. Ze vindt haar oorsprong in de
onmogelijke taak die de bolsjewiki probeerden te vervullen, door in een arm en
achterlijk land, tegen de intellectuelen, middengroepen en tegen de grote massa
van de boerenbevolking, dus tegen de overweldigende meerderheid van het volk in,
en slechts steunend op een deel van een | | | | betrekkelijk zwak en
onontwikkeld industrie-proletariaat, een maatschappelijke orde te scheppen naar
de opvattingen van het proletarische socialisme.
De volslagen onmogelijkheid van deze onderneming leidde reeds spoedig tot een
terugtocht over de gehele linie, die onder de naam van Nieuwe Economische
Politiek (N.E.P.) bekend is, een poging om een verzoening tussen het régime en
de massa der bevolking, de boeren, tot stand te brengen. Toen het bleek dat de
consequentie van de N.E.P. niet anders kon zijn dan het herstel der democratie,
weigerde het régime, dat z'n organisatie vindt in de Communistische Partij, deze
weg te aanvaarden, doch koos de weg van een volkomen totalitair régime, dat het
gehele economische politieke en culturele leven van het land beheerst en
reglementeert. Dit is de weg van de Vijfjaren-plannen, de weg van Stalin, de weg
van verscherpte terreur en de vorming van een nieuwe heersersklasse.
Dit alles ontmoet een voortdurende weerstand van de kant van het volk, zodat het
régime zich alleen door onafgebroken dwang en ‘zuiveringen’ kan handhaven,
terwijl de welvaart van de massa der bevolking slechts in onbevredigende mate
toeneemt, en de economische ontwikkeling van het land zich onder voortdurende
schokken en noodtoestanden voltrekt.
Terreur en crisis in permanentie, dat is de toestand waarin het tegenwoordige
Rusland zich bevindt.
En deze toestand is zo ernstig, dat velen zich afvragen of het régime bestand zal
zijn tegen de geweldige druk van een oorlog. Zal het tijdens de oorlog
ineenstorten, of zal het de oorlog doorstaan? Zal het reeds tijdens de oorlog
gedwongen zijn, een zekere zeggenschap aan de volksmassa's te geven?
Het zou ons te ver voeren, al deze vragen te beantwoorden. Het feit dat ze
gesteld moeten worden, bewijst reeds dat een dergelijk régime te veel met
zichzelf te doen zal hebben om gevaarlijk te zijn voor de buitenwereld.
Aangenomen nu, dat het régime de oorlog doorstaat, én zich niet stort in een
avontuur tegen de democratische landen - een avontuur dat het niet zou overleven
- dan zal het aan het einde van de oorlog, omringd door een, progressief en
sociaal, democratisch régime, niet alleen niet in staat zijn dit régime te
bestrijden of er enige aantrekkingskracht op uit te oefenen (trouwens sedert
jaren oefent Rusland alleen nog aantrekkingskracht uit | | | | op paupers
en ontwortelde intellectuelen), maar het zal zèlf, in steeds toenemende mate,
onder de invloed van de omringende wereld komen. De ontevredenheid die in
Rusland bestaat en die door de oorlogslasten zal toenemen, wordt door de
aantrekkingskracht welke het democratische blok op Rusland zal uitoefenen, zó
versterkt, dat we òf een uitbarsting krijgen, waardoor het régime ten val wordt
gebracht, òf dat het régime, door hervormingen, een vreedzame overgang naar de
democratie mogelijk maakt. In beide gevallen is het uiteindelijk resultaat: de
overgang van het bolsjewistisch totalitarisme naar de democratie - een zich
aanpassen aan, en inschakelen in, de Westerse beschaving.
Anders dan in het fascistische Duitsland, dat oorspronkelijk tot de Westerse
beschaving behoorde, en dat nu in een krampachtig verzet tegen het Westen, zijn
‘bijzonderheid’ moet bewijzen, is in Rusland, gedurende de bolsjewistische
periode, het prestige der Westerse beschaving altijd zeer groot geweest.
De oorspronkelijke Bolsjewiki (Lenin zowel als Trotski) streefden bewust naar
verwestering van Rusland. En het Stalin-régime kenmerkt zich door het ten
voorbeeld stellen van het ‘Amerikanisme’ aan het achterlijke Rusland. Alle
pogingen om een ‘collectivistische’ of ‘proletarische’ cultuur te vormen zijn
telkens weer mislukt; men moest opnieuw en opnieuw terugkeren tot de
‘individualistische’ cultuur van het Westen.
Het tegenwoordige Rusland heeft géén eigen cultuur, doch een Westerse cultuur,
verwrongen door het politiek systeem. Zo is ook de Russische economie niets
anders dan een, door het politiek systeem verwrongen, Westerse economie. Het
eenige ‘oorspronkelijke’ in het tegenwoordige Rusland is de ‘politiek’ en deze
is niets anders dan het totalitarisme.
Na een nederlaag van het politieke totalitarisme in de wereld, heeft Rusland te
weinig eigens over, om de druk van het zegevierende Westen te kunnen weerstaan.
Het politieke systeem zal zich meer en meer onthullen als wat het in
werkelijkheid is, nl. een dwangsysteem. En het resultaat zal zijn, dat dit
systeem, langs evolutionaire of revolutionaire weg, verdwijnt en dat de
verwestering van Rusland aanvaard wordt.
Als deze verwestering niet meer kunstmatig, door politieke of economische dwang,
belet wordt, dan eerst komt het tijdperk, waarin de westerse cultuur, door de
werkelijke eigenaardigheden van het | | | | Russische milieu, beinvloed en
vervormd zal worden, en waarin op den duur, een Anglo-Slavische beschaving
ontstaan zal - nie1 de cultuur van het bolsjewisme, maar de cultuur die na het
bolsjewisme komt.
Ziehier, in een al te schematisch betoog, waarom ik de mening dat het bolsjewistische Rusland, een beslissende, ja zelfs de
hoofdkracht, der toekomst zal zijn, niet kan delen, en waarom het bolsjewisme in
dit boek als een ‘bijkomstigheid’ behandeld wordt1.
Uit het bovenstaande blijkt wel dat, naar onze mening, Rusland niet over de
krachten beschikt om, in de naaste toekomst, leiding te geven aan het
wereldgebeuren. Het zwaartepunt ligt nog altijd bij de Westerse staten.
Het is dus geen wonder, dat, terwijl Engeland en Frankrijk terugwijken voor het
fascisme, Amerika, het nieuwe middelpunt der Westerse beschaving, hoe langer hoe
meer een bewust en agressief anti-fascisme ontwikkelt. Zoals de fascistische
partijen in West-Europa, Duitse partijen zijn, zo zijn de anti-fascistische
partijen, Amerikaanse partijen.
Maar terwijl de vrienden van Duitsland de volkomen vernietiging en slavernij
moeten bepleiten van de staat, waarin zij leven (de onderwerping aan Duitsland,
dat niet voldoende prestige heeft om in Engeland en Frankrijk als meester
aanvaard te worden) kunnen de vrienden van Amerika, samenwerking, inschakeling
in een groter geheel, met behoud van alle eigenaardigheden, bepleiten, onder
leiding van een Amerika, dat in Europa reeds een geweldig prestige heeft. Daarom
kunnen de vrienden van Duitsland wel gedurende een zekere tijd, steunend op de
pacifisten, het toegeven aan de Duitse eisen doorzetten, maar ze kunnen de
volkomen onderwerping van het eigen land aan het fascisme niet door hun volken
doen aanvaarden. Dat wil dus zeggen, dat uiteindelijk de oorlog met het fascisme
op de dagorde komt te staan. | | | | En dit betekent tevens het ingrijpen
van Amerika, de uiteindelijke verplettering van het fascisme en de vorming van
de universele staat der Westerse beschaving, onder Amerikaanse leiding.
Er is geen reden, waarom ook in de toekomst een ondergaan van de Westerse cultuur
aan de orde zou zijn. Wat men het ondergaan van culturen pleegt te noemen, is
gewoonlijk niets anders dan het stokken van het proces van de circulatie der
elites, waardoor dan de aanwezige elites niet meer aangevuld en vervangen
worden.
Doch in een democratische maatschappij is steeds zoveel beweging, wrijving,
strijd, dat het versletene weggevoerd wordt en het sterke naar boven kan komen.
Dit is één element voor de blijvende lenigheid der cultuur. Het andere is, dat
zij door voortdurende aanraking met de Russische, Chinese, Indische en wellicht
op de duur andere beschavingen (b.v. Neger-culturen) een voortdurende
beïnvloeding ondergaat en beïnvloeding geeft, waardoor ze voor verstarring
gevrijwaard is. Indien een ‘wapening der gematigden’ dan tevens zorg draagt voor
het wegnemen der catastrofale elementen (oorlog en revolutie), dan is er geen
reden om een andere ondergang der Westerse beschaving te voorzien, dan haar
overgang in een nieuwe, in de loop der eeuwen ontstaande, beschaving, wier
karakter thans nog niet aan te geven is.
In dit grote proces, is het fascisme dus niets anders geweest dan het laatste
verzet van feodale nationalismen tegen de vorming van staten, die al de
nationale staten van een cultuurgebied tot één universele staat verenigen.
Dergelijke pogingen om zich tegen een ontwikkeling, die door culturele,
politieke en economische krachten veroorzaakt wordt, te verzetten, dragen altijd
het karakter van wat A.J. Toynbee noemt, een ‘tour de force’, waardoor het land
of de heersende klasse of de beschaving, die het beproeven, alle krachten in een
bepaalde richting concentreren, in een krampachtige houding verstarren en het
vermogen van aanpassing en differentiatie verliezen. En de meest voorkomende
vorm van zo'n ‘tour de force’ is het militairisme, waardoor het hele gebied in
een legerkamp herschapen wordt (Assyrië, Sparta, het Osmaanse Rijk, Pruisen) een
toestand, die we thans ook bij het fascisme waarnemen. Zo'n ‘tour de force’ kan
natuurlijk slagen, en zich zelfs hele tijdperken handhaven. Doch uit alles wat
in de vorige hoofdstukken en in dit hoofdstuk is uiteengezet, | | | | volgt
wel, dat de kans van slagen - voor zover men het gelukken van een tour de force
‘slagen’ mag noemen - voor het fascisme practisch gesproken ongeveer nihil is.
Daarentegen is de kans ongeveer honderd procentig, dat het experiment, waaraan de
vorige generatie reeds toe was, het experiment, dat ze in 1918 ondernam, doch
waarvoor ze niet rijp bleek te zijn, zodat er slechts de misgeboorte van een
‘Volkenbond’ uit voortkwam, door de generatie, die haar opvolgt, zal worden
voortgezet met meer inzicht, meer kracht en meer succes. Dat
inzicht en die kracht, die meerdere rijpheid zal zij voor een groot gedeelte te
danken hebben aan de beproevingen, die de economische en politieke anarchie in
de periode na 1918 haar hebben opgelegd, beproevingen, wier resultaat en wier
allerergste manifestatie, het fascisme is geweest.
Zo is dus het fascisme in alle opzichten als een ‘straf voor onze zonden’, of
voor ‘de zonden onzer vaderen’, te zien. Als een straf voor het tekortschieten
der Europese élites op cultureel, sociaal, economisch en politiek gebied. Als
een straf voor het - materialisme, dat tot de cultus van het comfort, de
maag-mens en het arbeiderisme leidde, als een straf voor een tot
middelmatigheidscultus en vervlakking ontaarde democratie, als een straf voor de
cultus van het irrationele, die tot een overheersing der driftinstincten, der
beestachtigheid en der vulgaire mythe moest leiden, als een straf voor de cultus
van het collectivisme, die tot totalitarisme en tot vernietiging der
persoonlijkheid moest leiden, als een straf voor het gebrek aan visie, aan
grootsheid, aan imperialisme bij de democraten, waardoor het bekrompen militaire
imperialisme van ‘Blut und Boden’ aantrekkingskracht kon krijgen.
Dit alles wijst er op, dat het niet voldoende is het fascisme van thans te
verslaan en te vernietigen, ofschoon dit vanzelfsprekend ons ‘eerst nabijliggend
plichtje’ is. Maar als we alleen dit plichtje vervullen en dan de rest aan ‘de
ontwikkeling’ overlaten, dan zal uit de na-fascistische wereld, uit de wereld
van na de nieuwe grote oorlog, die onvermijdelijk en nodig is, een nieuwe
anarchie, een nieuw irrationalisme, een nieuwe mythe van het collectivisme, een
nieuw tekort aan individualisme, aan dynamische cultuur, aan matiging en aan
elites ontstaan, een tekort, dat ons een nieuw ‘fascisme’ moet brengen, d.w.z.
een nieuwe beweging, die | | | | een andere naam zal dragen, andere
karaktertrekken zal hebben, maar die, juist als het fascisme, een verwrongen,
krampachtig en dwaas protest, en een gevaarlijk protest op de koop toe, zal zijn
tegen de tekortkomingen der maatschappij. Daarom is bestrijding van het fascisme
alleen dan volledig, indien het àl de oorzaken van het fascisme wegneemt.
Voor zover het fascisme de rebellie is van de achterlijke, kleine, nationale
staten tegen de internationalisatie en federalisatie van de wereld, tegen het
vormen van universele staten der grote beschavingen en tegen de vreedzame
samenwerking dier staten, moet dat fascisme worden neergeslagen en vernietigd en
moet, in een democratische wereld, de volledige ontwapening voltrokken worden,
en iedere poging tot nieuwe militaire machtsvorming meedogenloos verijdeld
worden, door een voortdurende bewapende contrôle, uit te oefenen door die
staten, die door traditie en inzicht anti-militair zijn, en wier machtspositie
van die aard is, dat ze noch gebiedsuitbreiding, noch heerschappij over andere
volken wensen. Die contrôle moet echter vergezeld gaan van een economische
regeling die berust op georganiseerde productie in grote, continenten
omvattende, economische eenheden, afschaffing van de tolmuren en de
protectionistische belemmeringen, georganiseerde distributie der grondstoffen en
uitwisseling van producten tussen de economische eenheden.
Landen als Duitsland, moeten voor de keus staan om, òf toe te treden tot de
universele Westerse staat - voorlopig natuurlijk onder strenge politieke
contrôle inzake de politieke en culturele democratie en de militaire
aangelegenheden - en dan dezelfde economische rechten en voordelen te krijgen
als alle andere leden van de federatie, óf er buiten te blijven en dan
economisch geblokkeerd en geboycot te worden, natuurlijk ook met behoud van de
politiek-militaire contrôle. Er is, wat deze dingen betreft, geen andere keus
dan die tussen onderwerping - waarop, na een zekere periode, gelijkberechtiging
moet volgen, als die onderwerping ernstig en volkomen blijkt te zijn - of
vernietiging. De veiligheid van de andere landen laat geen tussen-oplossing toe.
Voor zover het fascisme echter een uiting van protest is - een verkeerd gericht
en verward protest, dat door z'n verbinding met het nationalisme reactionair
wordt - van protest der middengroepen tegen de pogingen om de wereld te
proletariseren, om de arbeider tot maat aller dingen te maken, en de dictatuur
der | | | | economistische wereldbeschouwing te vestigen, heeft het
fascisme een volkomen gerechtvaardigde oorsprong. In zover is het een verzet van
het individualisme, tegen een totalitair collectivisme. En dit gerechtvaardigde
deel van het protest, mag niet, met de vernietiging van het fascisme, eveneens
vernietigd worden. Het fascisme verslaan, om het te doen plaats maken voor
bolsjewisme, of voor het één of ander proletarisch socialisme, heeft even weinig
zin, als het fascisme te vernietigen om het Manchester-kapitalisme vrij baan te
geven. Zou men alleen dit bereiken, dan zullen nieuwe protest- en
verzetbewegingen ontstaan, die heel gemakkelijk weer in radicale eenzijdige
bewegingen zullen ontaarden, bewegingen die een werkelijke culturele organisatie
van de wereld belemmeren.
Hier is het dus niet voldoende het fascisme te verslaan, men moet het ook
ontwortelen, door z'n gerechtvaardigde kern in andere vormen tot uitdrukking te
doen komen. Van die ‘andere vormen’ zien we de eerste voorbeelden in het
Rooseveltisme in Amerika en in het plan-socialisme of het personnalisme1) in Europa, vormen, die de proletarisering
beletten en die het liberalisme, in sociaal verband, laten voortbestaan.
Doch het fascisme is ook nog iets anders, het is immers het verzet van de
menselijke achterhoeden tegen de last der beschaving, een verzet, dat zich
verenigt met de romantische protesten tegen de rede, die door een deel van de
élites worden aangeheven. Deze verbinding geeft ons dat mengsel van mystiek en
beestachtigheid, dat zo karakteristiek is voor de fascistische bewegingen en dat
trouwens karakteristiek is voor alle bewegingen, wier stuwende kracht een
vulgaire, voor massagebruik geschikte en de elites opzettelijk benevelende,
‘mythe’ is.
Ook hier weer is een neerslaan van het fascisme onvoldoende, want de culturele en
de materiële misères blijven dan bestaan, en daaruit worden dan telkens weer
nieuwe vulgaire mythen geboren. Het antwoord op deze oorsprongen van het
fascisme moet dus tweeledig zijn. Voor de maatschappelijke achterhoede, moet dit
antwoord bestaan, in de vorming van een wereld, die een einde maakt aan de
materiële misère en die dus de achterhoede ont- | | | | Wapent, door haar
welstand, zekerheid, veiligheid, orde en tucht te geven. Alleen als de élites er
in slagen zo'n wereld te maken, zullen zij voldoende prestige hebben om de massa
te bewegen tot het aanvaarden van de lasten der beschaving. Maar die élite zal
slechts slagen, als zij zelf haar protest tegen de rede opgeeft, niet om te
vervallen in een eng rationalisme, dat het bestaan van het irrationele loochent
en dus zelf niets anders is dan een wetenschapsbijgeloof, een vulgaire mythe van
de rede of de vooruitgang, maar als ze het protest tegen de rede opgeeft, om de
nooit eindigende strijd voor de cultuur te aanvaarden, op de grondslag van een
rationalisme, dat cultureel verantwoord is, en dat dus plaats biedt voor het
irrationele, dat altijd in de natuur, het leven en de cultuur is en zal blijven.
Ook hier hebben wij dus: aanvaarding van gerechtvaardigde protesten, die in het
fascisme, in gevaarlijke vormen, hun uitdrukking hebben gevonden en die, in
andere vormen, in de na-fascistische wereld tot hun recht zullen moeten komen.
Het fascisme is rebellie en protest. De rebellie moet worden neergeslagen. Het
protest moet worden onderzocht. En voor zover het gerechtvaardigd blijkt, moet
het aanvaard worden en op andere, niet-fascistische, wijze bevrediging vinden.
Uit dit alles blijkt wel, dat niet ieder verzet tegen het fascisme waarde voor de
toekomst heeft. Er zijn vele soorten van antifascisme, die niets anders zijn dan
‘fascismen’ met andere uitgangspunten, andere oorsprong, andere
klasse-samenstelling, ander ressentiment. Ze dragen dan ook terecht andere
namen, maar ze zijn van dezelfde slechte cultuur-kwaliteit. Niet alleen het
bolsjewisme behoort tot die anti-fascismen, die, als ze de overwinning zouden
behalen, ons alleen maar in een andere hel zouden brengen. Alle andere
totalitaire wereldbeschouwingen zijn van dezelfde kwaliteit. Als de Katholieken
tegen het fascisme protesteren, dan is dit het verzet van het ene totalitarisme
tegen het andere. Daar waar ze slechts enigszins macht kunnen uitoefenen, geven
de Roomsen blijk van dezelfde onverdraagzaamheid en hetzelfde obscurantisme als
de fascisten. Men denke slechts aan het oude Oostenrijk, aan Portugal,
Franco-Spanje of het optreden der Roomsen in Limburg en Noord-Brabant. Het
ideaal der Roomsen zijn de Middeleeuwen, d.w.z. de heerschappij van hun kerk
over de maatschappij, met de bijbehorende kettervervolgingen, waarbij het begrip
ketter op de duur ook voor de geringste | | | | afwijking gold. Op het
ogenblik maken de Roomsen reclame voor een nieuwe editie van de Middeleeuwen, de
z.g. ‘corporatieve maatschappij’, alsof niet die maatschappelijke orde door de
beste. mensen van die tijden als een ondragelijk juk gevoeld werd, een.
stagnerende en bekrompen wereld, waaraan men tenslotte door een reeks van
opstanden, oorlogen, revoluties en hervormingen is ontsnapt. Zeker, er zijn
Katholieke democraten, die geen herhaling van dat verleden wensen, maar dat
komt, doordat zij zozeer de invloed hebben ondergaan van hun democratische en
dus niet-Roomse omgeving, dat zij zelf, zonder het te weten en te willen,
ketterse afwijkingen vertonen, die de kerk moet dulden, zolang zij in een
bepaald land en in de wereld slechts een minderheid is. Overigens behoeft men
het Roomse totalitarisme niet ernstig te nemen als gevaar, want in de
fascistische landen heeft het geen spoor van kans, en in de rest van de wereld
is het te zeer afhankelijk van de omgeving, om tot een totale heerschappij te
kunnen komen. Maar het is een onbetrouwbare bondgenoot, steeds bereid gemene
zaak te maken met reactionaire en despotische machten. En alleen als onder de
invloed van de Katholieken in de democratische landen (U.S.A., Frankrijk,
Engeland) een diepingrijpende kerkhervorming tot stand kwam, waardoor de
reactionaire Italiaans-Spaanse groep, die nu sedert eeuwen de kerk beheerst,
haar macht verloor, zou het Katholicisme één der krachten van de toekomstige
samenleving kunnen worden, maar nooit meer dan één der krachten, en dus niet een
totalitaire factor. Doch ook vele ‘democratische’ stromingen bergen grote
gevaren in zich, in al de gevallen, waarin hun democratie er een is, van
vervlakking en van het neerhalen naar lage gemiddelden, van eredienst der massa.
Ook dus het democratische arbeiderssocialisme, ofschoon te verkiezen boven alle
fascistische en totalitaire stromingen, kan een belemmering voor de culturele
ontplooiïng worden, omdat het de cultus der middelmatigheid en der tevredenheid
is. Terwijl, aan de andere kant, het grijpgrage individualisme der
kapitalistische winstmakers, ons slechts naar nieuwe chaos, crisis en anarchie
kan voeren, en geweldige hoeveelheden explosieve verbittering ophoopt.
Wij moeten dus uitgaan van het inzicht, dat met de vernietiging van het fascisme,
hoe dringend noodzakelijk die ook is, nog slechts een mogelijkheid gegeven is, voor een betere ontwikkelingsgang, | | | | niet een zekerheid. Wij moeten er aan toevoegen, het
inzicht, dat de wereld van vóór het fascisme niet een ideale wereld of zelfs
maar een dragelijke wereld was, die we moeten trachten te doen terugkeren.
Integendeel, die wereld was een in bijna alle opzichten afschuwelijke en
verdoemde wereld. Uit haar is het fascisme opgekomen. In een soortgelijke wereld
wachten ons nieuwe fascismen. Willen wij dat niet, dan is een andere koers
nodig. Tegelijk met de vernietiging van het fascisme, moeten de grondslagen voor
een andere wereld gelegd worden. De oorlog ter vernietiging van het fascisme is
nodig en belangrijk. Maar nodiger en belangrijker nog, is een vrede, de vrede,
die na de vernietiging van het fascisme tot stand gebracht moet worden, de
vrede, die de mogelijkheden voor de groei van een nieuwe wereld dient in te
sluiten.
Wat nodig is voor zo'n nieuwe wereld, hebben we in de vorige hoofdstukken
aangegeven; en het is onnodig hier nog eens te herhalen, waarom alleen een
wapening der gematigden de waarborgen kan geven voor een dynamische cultuur en
voor de inspiratie, die ons boven de mythe uitheft. Het is óók overbodig te
herhalen, dat wij boven de klassenstrijd uit moeten om van de strijd om de
cultuur ons levensbelang te maken, en dat de strijd om de cultuur, de strijd
tegen de ondermens is, die alleen werkelijk gevoerd kan worden, als we tot de
vorming van een nieuwe élite kunnen komen, een nieuwe aristocratie, die zich
partij stelt, niet alleen tegen het fascisme, maar ook tegen alle andere vormen
van kazernisme, totalitarisme, nationalisme en proletarisme.
Maar het is wellicht niet overbodig er op te wijzen, dat alleen als we nú reeds,
met al de kracht die in ons is, pogen tot vorming van een dergelijke élite te
komen, de kans bestaat, dat we enige invloed kunnen uitoefenen op de strijd
tegen het fascisme en op de vorming van de na-fascistische wereld. De gedachte
dat, aangezien de oorlog tegen het fascisme onvermijdelijk is, en aangezien die
oorlog op de vernietiging van het fascisme zal uitlopen, ook daarna alles wel in
orde zal komen, is een domme en gevaarlijke waan. Het is niets anders dan het
idealiseren van de tegenstanders van het fascisme, onze tijdelijke bondgenoten.
Het is het idealiseren van een samenraapsel van belangen en begeerten, die voor
een groot deel niet beter zijn dan de fascistische.
Men denke slechts één moment aan een vrede, op wiens totstandkomen de
Chamberlains en Halifaxen, de Daladiers en Lavals een belangrijke invloed zouden
uitoefenen, en men ziet de stomp- | | | | zinnigheid, de corruptie, de
geestelijke lafheid, het gebrek aan alle visie en alle grootse plannen, direct
voor zich.
En laat men niet in de waan verkeren, dat de Amerikanen wel in orde zullen maken,
wat de Chamberlains willen bederven. Wij moeten ook Amerika niet idealiseren,
juist te minder, omdat we zien, dat het een grote historische missie heeft, en
dat het zich meer en meer daarvan bewust wordt. Maar met dat al, is Amerika nog
slechts bezig zich te ontworstelen aan de tradities van een egoïstisch
kapitalisme, aan de tradities van de winstmakerij met alle middelen. Een land
van zakenlieden zonder cultuur, van dollar-aanbidders, van grove en voor
demagogie vatbare massa's, van leiders, die noch door kennis en
fijngevocligheid, noch door overmaat van scrupules uitblinken, zo'n land wordt,
ook na een louterende crisis, geen land met sterke, cultureel hoogstaande
élites. En bovendien, aangenomen zelfs, dat de leiding bij democratische
aristocraten als Roosevelt blijft berusten, en dat onder die leiding een élite
gevormd wordt, tendele van direct Amerikaanse oorsprong, tendele bestaande uit
de beste elementen, die door het fascisme uit Europa zijn verjaagd, zelfs dan
nog zou een overmaat van macht, een nergens stuiten op weerstanden, een nergens
ontmoeten van pogingen tot beïnvloeding, voor de Amerikanen noodlottig zijn.
De ordening van de wereld is alleen mogelijk, als ze niet door één staat wordt
vastgesteld, maar als in zoveel mogelijk landen élites gevormd zijn, die hun
invloed op die ordening pogen uit te oefenen, élites die in grote trekken de
cultuur-politiek verdedigen, die we hier hebben geschetst, élites die ook in het
algemeen de Amerikaanse wereldpolitiek steunen, maar die zelfstandig genoeg zijn
om zich te verzetten tegen een gestandariseerde regeling, waarin de vele nuances
van de Westerse cultuur niet tot hun recht zouden komen en waardoor de
verbindingen van de Westerse cultuur met de andere culturen zouden worden
afgesneden.
Waar het dus op aan komt, is de vorming van zulke élites in zoveel mogelijk
landen, élites die, zonder in internationalistische fraseologie te vervallen,
begrip en waardering voor elkaar hebben, tot samenwerking bereid en in staat
zijn, en geen andere maatstaf aanleggen, dan die der culturele capaciteiten;
over de grenzen van ras en volk, staat en taal, stand en engere overtuiging
heen. Wat | | | | we hier ‘engere overtuiging’ noemen, dat zijn de religies
of filosofieën, die men persoonlijk het hoogste acht en die men natuurlijk, als
men zich daartoe gedrongen voelt, door anderen mag pogen te doen aanvaarden. Men
zal echter moeten leren, het eigen geloof en het eigen inzicht te zien als één
van de vele mogelijkheden, die binnen een open, steeds veranderende, cultuur
liggen, om zo tot de verdraagzaamheid der actieven en wijzen te komen, tot het
besef van de noodzakelijkheid van strijd, botsingen en compromissen.
Het vormen van zulke élites is het werk van allen, die zich daartoe geroepen
voelen en die weten, dat een élite gekenmerkt wordt door wat ze presteert, en
niet door het opeisen van voorrechten aan het werk van anderen ontleend. Vandaar
dat een élite zich nooit kan presenteren als een élite, doch alleen als een
richting, een groep, een partij, die invloed wil uitoefenen op het
maatschappelijk gebeuren. Eerst aan het gehalte van haar werkzaamheden en aan
het gehalte van haar invloed, kan men op de duur de élite herkennen en haar
onderscheiden van schijn-élites, van groeperingen, wier optreden de maatschappij
naar een chaos of een totalitaire verstarring zou kunnen voeren.
Het fascisme is, zoals een onderzoek naar het gehalte en de samenhang van z'n
ideeën en motieven (een onderzoek, dat bevestigd en versterkt wordt door de
confrontatie met de practijk) bewezen heeft, het resultaat van het optreden ener
schijn-élite. Het kenmerk van een schijn-élite is niet, dat er voor haar streven
geen spoor van gerechtvaardigde oorzaak te vinden is. Integendeel, het
gevaarlijke karakter van een schijn-élite zit juist hierin, dat ze
gerechtvaardigde protesten verbindt met versleten ideeën, bekrompen, onjuiste
opvattingen en primitieve driften. Daardoor krijgt ze al die fanatieke en wrede
trekken, die reactionnaire uitwerking en die demagogische inhoud, die we dan ook
bij het fascisme waarnemen.
De schijn-élite is gevaarlijk, omdat ze niet in alle opzichten ongegrond is, doch
in sommige opzichten uitgaat van verwerpelijke toestanden, die bestreden moeten
worden, en die zij beweert te bestrijden, wat haar een aanhang geeft, zowel van
direct belanghebbenden, als van idealisten met een groot tekort aan kennis en
critische zin, die niettemin hun idealistische aard niet verloochenen en door
opoffering en toewijding een zekere werfkracht en een zeker prestige aan zo'n
beweging geven. | | | |
Zo is ook het fascisme een
gevaarlijke beweging, omdat ze, ofschoon ook enige gerechtvaardigde protesten in
zich sluitend, als geheel beschouwd een vulgaire, reactionnaire, zich tegen de
noodzakelijk geworden veranderingen in de wereld verzettende, de cultuur
bedreigende, beweging is. Indien het fascisme de overwinning zou behalen, zou
het niet alleen de wereld in een reeks van veroverings- en
onderwerpings-oorlogen storten, maar het zou ook, op de duur, alle volken
behalve het Duitse, tot slaven van de Duitsers maken, en het Duitse volk zelf
tot een militaire cohorte, onderworpen aan den Leider en aan de bureaucratie der
heersende partij. Het zou in de gehele wereld een totalitair bewind instellen,
waardoor op de duur alle cultuur en alle élitevorming onmogelijk zouden worden
gemaakt, en alleen nog het gemechaniseerde, domme en wrede blonde beest op aarde
zou overblijven. Intussen, de kans op een fascistische triomf is, zoals wij
reeds uiteenzetten, ongeveer nihil. Op voorwaarde natuurlijk, dat het
fascistische gevaar nooit onderschat, doch integendeel in z'n volle omvang
begrepen wordt.
Om de werkelijke betekenis van dit gevaar te doen inzien werd dit boek
geschreven.
Maar ook nog om een andere reden.
Om te doen zien, dat we het fascisme wel kunnen verslaan, maar niet definitief
kunnen overwinnen, als we niet de oorzaken van het fascisme wegnemen, de
misstanden, die z'n ontstaan mogelijk maakten, doen verdwijnen; als we niet van
onze kant breken met de vóór-fascistische wereld en er voor zorgen, dat de
na-fascistische wereld er een is, van sociale rechtvaardigheid en welstand, van
internationale politieke en economische ordening, van maatschappelijke
organisatie en individuele vrijheid; een wereld, die de mogelijkheden voor
culturele ontplooiing en bloei biedt, een wereld van onbegrensde mogelijkheden,
omdat zij de moed en de durf der pioniers met de bezinning der wijzen weet te
verbinden. Het fascisme kan alleen dan definitief overwonnen worden, als we een
wereld weten te maken, die bewoonbaar is, zowel voor de massa als voor de élite,
een wereld, die niet is autoritair, collectivistisch en totalitair, maar die de
krachten van haar culturele dynamiek onophoudelijk toegevoerd krijgt uit een
sterke en stevige ondergrond, welke tegelijkertijd sociaal en
liberaal, en dus in de volle omvang, cultureel, economisch
en politiek, ‘democra- | | | | tisch’ is. In de richting van zo'n
democratie ligt de toekomst van de Westerse beschaving, de toekomst van alle
volgende, en, naar wij hopen, hogere beschavingen. Voor die toekomst moet men
werken; nu, in het aangezicht van het fascistische gevaar, en later, als het
fascisme zal zijn vernietigd. En als dat geschiedt, dan heeft het fascisme de
historische functie gehad, ons, door lijden en bezinning, rijp te maken voor
deze grootse toekomst.
|
1)Ook b.v. het Frankrijk van
Napoleon III, in een zeer ontwikkeld kapitalistisch milieu. Wie het Tweede
Keizerrijk met het ‘Derde Rijk’ vergelijkt, ziet direct wat een geweldig
grote vrijheid het ‘Bonapartisme’ de bevolking nog laat.
1)Terecht zegt Karl Barth in een op 5 Dec. 1938 te Zürich
gehouden predikanten-vergadering: ‘De kerk kan niet anders dan in het
nationaal-socialisme een nieuwe Islam zien, de Duitse Mythos als een andere
Allah en Hitler als een nieuwe Mohammed’ - Zie de verslagen o.a. in ‘Het
Volk’ 8-12 en N.R.C. 9-12.
1)Men vergelijke b.v. de ontwikkeling van
Piëmont-Sardinië, de kern van het moderne Italië, met die van Pruisen, de
kern van het moderne Duitsland. Terwijl Pruisen uit eigen kracht, door
militaire overwinningen groot geworden is, werd Piëmont het, door hulp van
buiten, en ondanks een onafgebroken reeks van militaire nederlagen.
1)Het
Vlaamse fascisme b.v., heeft iets grotere kansen dan het Nederlandse, omdat
het een verzet is tegen de Waals-Franse druk in België, en een
Groot-Nederlands ideaal naar voren kan brengen, wat voor de Vlamingen iets
betekent (aansluiting bij een groter land: Nederland) voor de Nederlanders
niets (omdat ze al een eigen staat hebben); maar de grenzen van
Groot-Nederlandse beweging worden ten slotte bepaald door....
Duitsland
1)Zie b.v. Prof. W. Bonger: ‘Problemen der democratie’, blz. 15.
1)Zie hiervoor b.v. de beginhoofdstukken
van Benoist-Méchin: ‘Histoire de l'Armée allemande depuis l'Armistice
I’
1)Overigens gaat
Roosevelt in die kringen door voor ‘bolsjewiek’!
1)Zo is ook Japan bekneld tussen
Amerika- Australië en de zich vormende Anglo-Indische, Anglo-Chinese en
Anglo-Russische beschavingen. Vandaar het Keizeristisch Samoerai-fascisme
van Japan.
1Zij
die een uitvoerig en beredeneerd betoog over deze dingen wensen, kunnen dit
natuurlijk alleen in de litteratuur over Rusland vinden, waarvoor ik verwijs
naar de boeken van Boris Souvarine (‘Staline’), Yvon (‘Ce qu'est devenue la
Kévolution Russe’ en ‘L'U.R.S.S. telle qu'elle est’), Ciliga (‘In het land
van de groote leugen’), Arthur Rosenberg, (‘Geschichte des Bolschewismus’),
Franz Borkenau (‘The Communist International’), en naar mijn eigen ‘Van
Tsarisme tot Stalinisme’.
1)Voor het personnalisme zie E. Mounier: ‘Manifeste au
service du personnalisme’ en Denis de Rougemont: ‘Politique de la personne’
en ‘Penser avec les mains’.
|
|