Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 3


auteur: G. Kalff


bron: G. Kalff, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 3. J.B. Wolters, Groningen 1907  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 414]

Noord-Nederlanders.
Jan van Hout en Janus Douza.

Er bestaat reden om deze twee verdedigers van Leiden in één adem te noemen: de geschiedschrijver mag niet scheiden, wie zich gedurende hun leven zoo nauw verbonden voelden door den band der vriendschap, door gelijkheid van gevoelens, streven en smaak. Van die vriendschap kunnen wij ons eenige voorstelling vormen uit deze verzen, door Jan van Hout in Douza's Album Amicorum geplaatst:

 
Vruntschap gemaect, in schijn bedect,
 
Vergaet soubijt,
 
Als comt de noot
 
En schielic laect. Mer die verwect
 
Wert in een tijt
 
Van angste groot,
 
Als elc een waect en noot deurbrect -
 
Geen leet noch spijt,
 
Noch storm noch stoot
 
Haer wortel raect, mer onbevlect
 
Blijft, hoe lang 't lijt*),
 
Jae naer*) de doot.
 
1575 i jen Decemb.

Met dit naschrift:

‘Tot een gedencteycken van de geduyrige ende onveranderlicke vruntscappe mitten Hoochgeleerden Edelen Erntfesten Joncheere Johan van der Douz, Heer tot Noortwijc, by tyden van de tweede belegeringe der stadt Leyden, in de uyterste hongernoot en sterfte gemaect, es dit gestelt by my Jan van Hout.’

[p. 415]

Die vriendschap is inderdaad onveranderlijk gebleven. Douza heeft zijnerzijds zijn vriend Van Hout hoog gesteld als mensch en als dichter. Hij heeft hem dikwijls geprezen als ‘Belgicae Princeps lyrae’, hij heeft hem voorspeld dat het late nageslacht hem den roem schenken zou dien de tijdgenoot hem, naar Douza meende, onthield:

 
Saepe venit magno foenore tardus honos
 
................
 
Intervallo opus est. Virtuti haec gratia semper
 
A sera tribui posteritate solet.

In hoever deze voorspelling waarheid bevat, zal eerst kunnen blijken, indien de volledige werken van Van Hout te eeniger tijd zijn teruggevonden. Doch zooveel blijkt reeds nu, dat hij in de geschiedenis onzer letterkunde een plaats verdient nevens de overige dichters van beteekenis uit de tweede helft der zestiende eeuw.

 

Kracht, vooral daarvan spreekt het gebaard forschgeteekend gezicht, waarboven een stalen stormhoed wel zou passen, dat wij op het eenig bekende portret van Jan van Hout zien. Innerlijke kracht, die den jongen van lage kom-af omhoog stuwde tot een aanzienlijke plaats in zijn vaderstad; die hem in staat stelt een leven van onverpoosden en veelzijdigen arbeid te wijden aan de zaak van den opstand eerst, aan den bloei van zijn stad en volk daarna. Zoon van eenvoudige lieden, Leidsche wevers van ouder tot ouder, heeft hij toch misschien een geletterde opvoeding gehad. Of heeft hij zich de kennis van Fransch, Italiaansch, Latijn en van de literatuur dier talen, die wij later bij hem opmerken, door eigen inspanning verworven? Geboren in 1542, wordt hij in 1562 benoemd tot klerk van den secretaris der stad; twee jaar later volgt hif dezen op en blijft die

[p. 416]

waardigheid bekleeden tot zijn dood in 1609. Echter niet onafgebroken. In 1569 wordt hij op aandrang van Bossu als ‘zeer suspect’ ontslagen; met zijn gezin vertoeft hij als balling een paar jaren buitenslands, vooral te Emden, en wint er den kost als notaris.

Wanneer Leiden zich vóór den Prins heeft verklaard, keert hij terug; in 1573 zien wij hem op nieuw als secretaris der stad. De verschrikkingen van het beleg doorstaat hij mede; met Van der Werf, de beide Douza's, Bronchorst en een paar anderen vormt hij de kern der partij in de stad, die verdediging wil tot het uiterste. Na 1575 breken goede jaren voor hem aan. De Prins had hem reeds in 1573 benoemd tot notaris, hij wordt secretaris van Curatoren der Universiteit, is eenige jaren secretaris der vierschaar, heeft de stadsdrukkerij onder zijn beheer.

Hoeveel hij ook werkt voor anderen, hij verwaarloost zijn eigen belangen niet. Noch hij noch zijne vrouw Lysbeth van Wing, van eenvoudige afkomst, hadden geld; bij zijn dood is hij een rijk man; niet voor niets was Hout en Wint zijn zinspreuk. Doch zoo hij veel geld en goed overgewonnen heeft, het was ‘met God en met eere’. Paulus Buys, een zijner vijanden, heeft in een proces Van Hout's eerlijkheid in twijfel getrokken, naar alle waarschijnlijkheid ten onrechte. Met het zelfverdiende geld weet hij zich het leven aangenaam te maken; zijn kleerkast is goed voorzien; wat hij aanschaft, moet degelijk zijn: ‘koffers mit zeer starcke banden, van binnen mit goet lynwaet ende elk mit een doubelt slot’, ‘van goet drooch hout mit goet leer overtrocken ende yseren banden’, ‘goet styf werc mit yseren handvaten, niet alleen ter zyden, mer ooc voor in tmidden’. Hij weet wel waar de beste Spaansche wijn te krijgen is en houdt van een vroolijken maaltijd. Zijn winnende hand is mild - ook voor anderen. In de

[p. 417]

eerste plaats voor zijne ouders, die hij hartelijk lief gehad heeft; later ook ondersteund, ‘twelck voer ons beyden (zijne vrouw en hem) doch een lieve last es geweest’. Goed zoon, is hij ook een goed vader; zijne dochters moeten een degelijke opvoeding hebben; doch van ‘courtisaensche manieren’ en ‘'t joffertgen te spelen’ is haar vader niet gediend. Hoe behartigt hij de opvoeding van zijn zusters kind, Jan Orlers, later burgemeester van Leiden! Maar oom Jan is kort aangebonden. Als de jonge Orlers hem eens een brief zendt van het soort dat wij ‘praatbrieven’ noemen, schrijft zijn oom hem: ‘Wat gaet u over!*) Meyndy, dat ic zo weynich te doen hebbe, dat my ooc lusten zoude brieven te scryven, daer ic niet en weet te scryven! Als ic yet te doen*) hebbe, zal ic wel scryven. Weet gy wel, dat als tschaepken ba zeyt, dat het dan een beet verliest, datter niets costelicker is dan de tijt, twelc ic nu, alle daechs in zo groten werc steeckende en zoo weynich hulps hebbende, gevoel en leer. Quelt mij voorts mit zulcke brieven niet en vaert wel.’

Dat mocht de wind van voren heeten! Ook anderen wisten van dien wind mee te spreken, want Van Hout gooide er wel eens een hard of scherp woord uit, zooals hij later in zijn testament erkende.

Hij was een man die ‘bloed in het oor’ had, om met onze voorouders te spreken. Ds. Taling had het bijna aan den lijve ondervonden, toen hij van den preekstoel af het opschrift der papieren munt, door de Leidsche Vroedschap uitgegeven, scherp afkeurde: Haec Libertatis ergo stond er; het had Haec Religionis ergo moeten zijn. Te hoog rijst de toon der straf-predikatie voor Jan van Hout, naast Van der Werf in het ‘Heerengestoelte’ gezeten en waarschijnlijk van oordeel, dat ook hier de waarheid in 't midden lag. Hij trekt een geladen pistool uit den zak en vraagt Van der Werf: ‘wil ik hem

[p. 418]

er af lichten?’ Maar Van der Werf weet hem gelukkig tegen te houden.

Zoo iemand mag men wel met Oudaen ‘een man van forssen inborst’ noemen. Naar het schijnt, was hij niet vrij van heerschzucht, eigenschap van meer sterke karakters, doch overigens te goeder trouw. Niet haatdragend: de wraak liet hij over aan God, wiens wil de wet was waarnaar hij getracht heeft te leven. Maar dien wil van God vernam hij allereerst uit den door hem zelf gelezen bijbel en uit de stem van het eigen geweten. Hij zal, gelijk ieder ander van zijn tijd, gaarne ter kerk zijn gegaan en daar zoowel als elders geluisterd hebben naar hetgeen de predikanten hem goeds te zeggen hadden. Doch zij moesten niet de wet willen stellen aan de wereldlijke Overheid; niet Ds. Taling is zijn man, maar Cuchlinius en Bastingius, geestverwanten van Oldenbarnevelt.

Als vroom libertijn houdt hij in dit leven den blik gericht op een beter, als humanistisch gevormd kind van zijn tijd is het leven op deze aarde in zijn onderscheiden uitingen hem lief. Aan wetenschap en kunst besteedt hij gaarne den tijd dien zijne drukke bezigheden hem laten; de opkomende Germanistiek wekt zijne belangstelling. Onder zijn vrienden zien wij geleerden als Lipsius, Bertius, Rataller, Modius, den beroemden uitgever Plantijn, den Latijnschen poëet Janus Lernutius, verder Spieghel, Roemer Visscher, Coornhert, Van der Voort. Tot zijne beste vrienden behoorden zeker met Douza, Spieghel en Coornhert. Hij vraagt Spieghel met diens vrouw bij zich te logeeren, wanneer zij te Leiden zullen komen om hun zoon daar school te leggen. Coornhert schrijft onder een aan Van Hout gericht sonnet: ‘Gheeft dan, o Christe, dat u ware doechde in bestendige vrundtscappe te zamen in u vereenicht houwe, u Johan van Hout ende ooc u D.V. Coornhert 1579-7-9.’

[p. 419]

Wie zooveel dichters onder zijne vrienden telde, had ook zelf aanleg en neiging tot de poëzie. Zijn vader was hem daarin voorgegaan. ‘Esser wat nieuws’, schrijft (ao. 1593) de oude man aan zijn te Amsterdam in den boekhandel werkzamen kleinzoon Jan Orlers, ‘tzi van const of om te lesen, zo zend mi wat, schrivende de prys van dien; ic zal u tgelt zenden’. Die Cornelis Meeszoon was blijkbaar een rethorycker van den ouden stempel, maar toch niet geheel afkeerig van het nieuwe. Zijn kleinzoon doet ook aan poëzie; maar hij behoort tot het jongere geslacht en dicht dus sonnetten. Een proefje van zijn kunst heeft hij aan grootvader ter lezing gezonden. ‘Ic hebbe uwe Sonet gezien’, antwoordt deze, ‘Tbehaecht mi redelic wel. Dan gi schryft mi te wilt ende te woest.’ Vermoedelijk doelen deze laatste woorden slechts op het schrift van den jeugdigen sonnettist; wij zouden dat opmaken ook uit hetgeen er onmiddellijk op volgt: ‘Het tafelspeeltgen, dat ic u mede gaf, eest int nette gestelt of niet, zendet mi over. Ic zalt u wel weder behandigen ..... Ic zende u hier beneffens de presenten bi mi ontworpen, dienende opt bovengemelde tafelspel. Noch voor de bestemoer ende u elcx een adieu-referein, dat mogelic tlaetste zal zyn mynre composities ende item (?) voor een goet vrunt’.

De oude Cornelis Meeszoon had dus een tafelspel gemaakt dat, blijkens de ‘presenten’, vermoedelijk op een bruiloft moest worden voorgedragen en dat hij zijn kleinzoon had mêegegeven om het in het net te schrijven. Zoowel dat genre als de ‘adieu-refereinen’ behooren tot de ouderwetsche rethorycker-poëzie, welke wij vroeger hebben leeren kennen. Geen dier stukken is tot ons gekomen. Of wij er veel aan verloren hebben? Voor de kennis der persoonlijkheid van Cornelis Meeszoon waarschijnlijk wel; uit aesthetisch oogpunt zullen zij, te oordeelen naar het weinige dat aan hem mag worden toegeschreven, misschien niet veel beteekend hebben.

[p. 420]

Anders staat het met het werk van zijn zoon Jan.

Van zijne liefde tot de poëzie getuigt hij zelf in het testament dat hij in 1606 maakte. Hij spreekt daar van ‘tgene ic deur de lieflockende, zoete of sotte aentrecselen der poësiën in myn jeucht (ooc sedert) off in gebonden versen (twelc men rym noemt) off in losse ende ongebonden spraecke tsy overgestelt, tzy zelver gemaect, gedroomt of gebeuselt hebbe’. Het berouwt hem, dat hij ‘tzoet gesang der vleyende meerminnen wat te veel gehoors gegeven’, ‘ende niet weynich tyts, die nuttelycker tot ernstiger zaecken waere besteet geweest’, verkwist heeft. Onder zijn werk noemt hij ons zelf in een prozastuk vóór zijn vertaalden Franciscaender: ‘christelicke of geestelicke poëziën, psalmen, oden, sonnetten, grafgedichten, epigrammen ende liefden, geen maechden oren schadelicken noch schandelicken zynde’. Dat hij waarde hechtte aan die poëzie, blijkt ons uit het feit dat hij plan heeft gehad tot een uitgaaf van zijn werk. Doch daartoe is het niet gekomen. Volgens een bepaling in zijn testament moest zijn poëtische nalatenschap in handen worden gesteld van zijn vriend Professor Bertius, die ermede zou mogen handelen naar goeddunken. Wat Bertius met het werk van zijn vriend heeft gedaan en of het misschien nog ergens verscholen ligt, is ons onbekend.

Uit het weinige dat langs andere wegen tot ons kwam, moeten wij trachten ons ten minste eenigermate een voorstelling van Van Hout als dichter te vormen.

Wanneer hij met de beoefening der kunst begonnen is, valt niet met zekerheid te zeggen. Een aanwijzing dienaangaande vinden wij in het bovengenoemd prozastuk, waar hij spreekt over ‘de conste van poëziën, daer inne ic mi noch jong ende onervaren kenne, als dezelve noch geen twee jaren gebruict hebbende, zulx ende inder vugen wy dezelve nu ter tyt gesamentlicken gebruycken, te weten op een zekere mate ende

[p. 421]

yegelycke sillabe op zyn juyste gewichte comende’. Daar Van Hout zich hier richt ‘tot het gezelschap ende de vergaderinge der gener, die hem inde nieuwe universiteyt der stad Leyden ouffenende zijn inde Latynsche of nederduytsche poëziën ende allen anderen lief-hebberen der Nederlandsche sprake’, moet dit stuk na 1575 zijn opgesteld. Er is dus wel reden om aan te nemen, dat hij eerst na het beleg een aanvang gemaakt heeft met de beoefening der poëzie waarvan hij hier spreekt. Doch hij heeft hier het oog op de nieuwe poëzie. Is Jan van Hout dertig jaar geworden, zonder zich ooit te hebben geuit in poëzie, zij het dan ook maar in de ‘edele const van rethorycke?’

Waarschijnlijk komt mij dit niet voor, doch bij gebrek aan gegevens kunnen wij deze vraag niet oplossen.

Vermoedelijk zal de omgang met Douza, waaruit tijdens het beleg zulk een innige vriendschap ontstond, invloed geoefend hebben op Van Hout's letterkundige vorming; de aanvang zijner beoefening van de nieuwe poëzie schijnt althans samen te vallen met dien der vriendschap tusschen hen beiden.

Het wassend gevoel van eigenwaarde, zich openbarend in liefde en achting voor de eigen taal, dat wij vroeger als algemeen verschijnsel dezer tijden aanwezen, is ook in Jan van Hout te zien. In bovengenoemd prozastuk komt hij krachtig op voor het goed recht van ‘onze moederlicke tale’ en tegen hen die in plaats van haar te helpen ‘eren ende vermeren’ zich liever in uitheemsche talen oefenen. Niet minder krachtig verdedigt hij de moedertaal in een gedicht tot den Secretaris der Staten van Holland, Coenraad de Rechtere, dat naar het schijnt na den val van Antwerpen (1585) gemaakt is en aan welks slot hij spreekt over een uitgaaf zijner dichtwerken. Hij doet het Nederlandsch hier optreden als een moeder die zich beklaagt over de oneer, haar door hare kinderen aangedaan;

[p. 422]

Coornhert, Heyns, Van Haecht et Lucas de Heere worden ten voorbeeld gesteld als mannen die hun best doen haar de eer te geven die haar toekomt1).

Evenals bij zoovele anderen gaat ook bij Van Hout de liefde voor de eigen taal samen met bewondering der literatuur van het Zuiden; uit die beide ontwikkelt zich ook bij hem het streven om in eigen taal de uitheemsche meesters na te volgen. ‘Let op den ijver der Italianen’, zegt hij in het gedicht tot De Rechtere, ‘die drie eeuwen lang gewerkt hebben aan den bouw hunner taal; leest hun Petrarca, Boccaccio, Dante, Ariosto, Bembo, Cavalcante, Aretino, Sannazaro. Ook de Franschen vergeet hij niet: Marot wordt als grondlegger van hun taalgebouw genoemd, Ronsard, Baïf, Desportes, Jodelle, Garnier en anderen worden geprezen.

Het kan ons dus niet bevreemden, een letterkundige die zóó vol is van het nieuwe zich te zien keeren tegen het oude; doch opmerkelijk is de heftigheid waarmede hij dit doet.

Volgens Van Hout voerden in dien tijd (c. 1580?) Jan Rap en Jan Hagel den boventoon in de Leidsche, misschien ook andere, Kamers van Rethorycke. De dronkenschap, zoo lang reeds een volkskwaal, vertoonde haar gezwollen gelaat ook bij de oefeningen der broeders. Een vers als: ‘Ghy Licht-hoofden, ghy luy Kan-kijckers, die ons plagen’ leest men eerst in een stuk van 1613, doch de klachten over het ‘beestich ghieten’ zijn al van vroeger datum; de toestanden, waaruit de spreekwijs: ‘Rederijkers Kanne-kijkers’ geboren werd, bestonden blijkbaar reeds lang vóór 1613. Ongetwijfeld hebben zich de weldenkenden daaraan geërgerd, niet het minst zij die onder den invloed der Renaissance zulk een hoog gevoel hadden gekregen van de waardigheid der poëzie. Doch niemand gaf die ergernis lucht op zóó scherpe en bitse wijs als Jan van Hout.

[p. 423]

In de Opdracht van zijn Franciscaender vaart hij uit tegen den ‘hoop redenlooze zinnen of reeckelige zwynen, van de geene die hem zelfs Rethrozynen nommen’ met een felheid alsof hij op den stadswal tegenover de Spanjaarden stond. Zijn minachting voor hun onkunde, zijn verontwaardiging over hun zuipzucht, zijn spot en schimp die aan den Biënkorf doen denken, zooveel hartstocht, zooveel gal en alsem alleen ter wille van de poëzie - dat was iets nieuws in de geschiedenis onzer letterkunde. Niet minder merkwaardig is, in het na de Opdracht volgend proza-stuk, het pleit tegen de vereenzelviging van poëzie en rethorica welke, zooals wij vroeger zagen, vanouds bij de ‘gesellen van rethorycke’ werd aangetroffen. Blijkbaar wil Van Hout de oude en de nieuwe opvatting van poëzie scherp tegenover elkander zetten. Met die nieuwe opvatting hangt zijne beschouwing van het publiek samen: in overeenstemming met Horatius' afkeer van het ‘profanum vulgus en Ronsard's minachting voor het ‘vulgaire’, ontzegt Van Hout aan het groote publiek het recht om over kunst ‘mit goeder onderscheyt ende kennisse te oordeelen’.

 

Onder den invloed der Fransche Renaissance-dichters was het ook, dat hij zijn vertaling van Buchanan's Franciscanus, een hekeldicht tegen de monniken, in de nieuwe maat had gedicht. Hij zelf omschrijft die nieuwe maat aldus: ‘De verssen dan, die ic in den jegenwoordigen Franciscaender gebruyct hebbe, zyn Alexandrins, zoe die bide Francoyzen werden genomt, ende bestaen van zes voeten of twaelf sillaben, hebbende haren val, rustinge, steunsel of ademverhalinge naer de derde voet, twelc de zeste sillabe es, dewelcke ic onder den anderen verdeelt of geschakeert hebbe met masculins opte laetste sillabe rymende ende mit feminins, rymende opte naestlaeste of voor naestlaetste’.

[p. 424]

Hier komt dan de befaamde alexandrijn, bestemd zulk een gewichtige rol in onze literatuur te spelen voor het eerst in theorie te voorschijn, onmiddellijk gevolgd door de praktijk. Toen Van Hout deze theorie uiteenzette, was Van der Noot reeds bezig aan de alexandrijnen van zijne Olimpias; doch ook Van Hout zelf had reeds vroeger alexandrijnen gedicht. Dat hij zijn vertaalden Franciscaender aanduidt met: ‘de jegenwoordige myne eerste vruchten’, mag niet naar de letter worden opgenomen: immers een paar regels verder maakt hij gewag van de overige poëzie, door hem toen reeds gedicht; daaronder waren ook sonnetten die misschien in alexandrijnen waren vervat; doch in elk geval zullen de alexandrijnen Opte Duyfkens de blijde tijdinge brengende van 't Leydsche ontset vóór den Franciscaender zijn geschreven. Wanneer men in dit stukje verzen leest zooals deze:

 
Rondsom men schanssen ziet, naer Noort, Oost, Zuyt en West:
 
Begraven*) isse' alom, den vyant waeckte om winnen yet,
 
Zo dat zijn trotsen mont dorst roemen op het lest:
 
Om hier te raecken in, zelfs Jupin const beginnen niet

en dit slotvers:

 
Vliet wech Spec*), zucht en zecht: dat jegens God quaet strijden zy.

dan treft ons, behalve de gedrongen kracht, de mengeling der nieuwe maat met het rethoryckers-rijm dat een erfenis was van vroegeren tijd. Die gedrongen kracht, die menging van oud en nieuw zullen wij ook in het overig werk van Van Hout opmerken. De alexandrijnen van het sonnet dat hij in 1578 vóór zijn Vrundtbouc plaatste, vertoonen dergelijke rederijkersrijmen; zelfs vinden wij hier een slotvers als:

 
Vliet, cunst-verachters, want voor u staet niet één blat open.
[p. 425]

Een paar gedichten in alexandrijnen van 1577 en 1579 toonen oud en nieuw in vorm in inhoud. Nieuw is de maat; nieuw ook de afwisseling van staand en slepend rijm. Oud is het rethoryckers-rijm dat niet geheel ontbreekt; oud is ook het motief in het gedicht van 1577. Dat stuk is namelijk een vroolijk tafeldicht, ‘twelc een snippe staende mit uytgestrecte wieken in een gebacken pastye in de snebbe hadde’. De snip, hier door Van Hout sprekend ingevoerd, beklaagt zich over haar lot en de wreede behandeling der menschen in denzelfden trant, waarin wij vroeger de gans Alyt in de vijftiend'eeuwsche volkspoëzie hoorden klagen2). Hét andere gedicht, dat een pleidooi bevat voor de vastenavondsvreugd, moet een uiting van den nieuwen tijd heeten; hier immers kant zich de humanistische libertijn met zijn ruime en vrije opvatting van het leven tegen den ‘straffen molic’ van het Kalvinisme die zooveel schuldige en onschuldige vreugd uit het volksleven ging bannen.

Nieuwen wijn in oude zakken vindt men eerst recht, waar Van Hout optreedt als tooneeldichter en zich dan beweegt in de ouderwetsche vormen der ‘edele conste.’ Hij mocht in zijn Franciscaender fel tegen de Rederijkers-Kannekijkers zijn uitgevaren - toen hij de beoefenaars der ‘edele conste’ noodig had voor een goed werk, werd hij voor een oogenblik een hunner en sprak hun taal, zij het ook op zijn wijze. Dat goede werk was de verbouwing van het Sinte-Kathryne gasthuis, sinds lang een lievelingsdenkbeeld van hem. Om de middelen daarvoor te vinden, zette hij een liefdadigheids-loterij op touw, waaraan een rederijkers-wedstrijd verbonden werd. Ter verwelkoming der mededingende Kamers dichtte hij het spel, dat 27 Mei 1596 door de Witte Acoleyen te Leiden vertoond werd. Dit stuk, geschreven in ouderwetsche rethoryckersverzen, dat in zijn vorm alleen door de vijf bedrijven

[p. 426]

(‘uytcomen’) aan den nieuwen tijd herinnert, bevat een reeks van alleen- en samenspraken tusschen allerlei menschen die arm zijn geworden en van een loterij veel verwachten; van een drama heeft het aI even weinig als zoo menig ander ouderwetsch zinnespel.

Het nieuwe is echter ook hier aanwezig. Wij zien het ten eerste in de ‘sprekende’ namen van personages als: ‘Bouwen Aertvelt, een boer’, Steven Golvervliet, een stuyrman’, Winner Gryp-al, een banckier’ en dergelijke. Zulke namen toonen ons, dat men hier te lande de oude blijspeldichters las en bestudeerde; zij herinneren ons ook, dat Jan van Hout eene vertaling der blijspelen van Plautus had gemaakt, of ermee bezig was. Veel duidelijker echter en vollediger zien wij het nieuwe in den inhoud van het stuk. Calleken, de spinster, met haar Vlaamsch vertegenwoordigt onder de Noordnederlanders den stroom van Zuidnederlanders, die zich hier voor het eerst in het drama vertoont. Welk een treffende teekening van het boerenleven dier dagen met al zijn moeiten en nooden geeft Bouwen Aertvelt ons; welk een belangwekkenden kijk in den handel en de zeevaart het verhaal van Steven Golvervliet. De alchimist die ‘den philosophischen steen’ zoekt en de woekeraar-lombardhouder zijn typen van dien tijd. Een paar grepen in het geestelijk leven doet de dichter, waar hij door de parodiëering der verfranschte pleittaal ons aan het streven naar taalzuivering herinnert en Ware Onderwysinge in hare toespraak (vs. 857 vlgg) zijn eigen Stoïsch-getint Christendom doet verkondigen.

Veel moeite zal dit ‘speeltgen’, zooals hij zelf het eenigszins geringschattend noemt, Van Hout niet hebben gekost en men mag betwijfelen of hij er veel waarde aan heeft gehecht; vermoedelijk dichtte hij met een glimlachje, als iemand die wel beter kon. Hooger zal hij zijne proeven van nieuwe poëzie

[p. 427]

hebben geacht, hetzij dan vertaalde of oorspronkelijke. Vertaald werden door hem: de Emblemata van Petrarca en diens sonnet Fontana di dolore, albergo d'ira; stukken van Desportes; Buchanan's leerdicht over de astronomie De sfaera; oden van Horatius; de Basia van Janus Secundus. Van dat alles is slechts weinig tot ons gekomen, doch dat weinige geeft ons een hoogen dunk van zijn talent als dichter. Goed schijnt reeds de vertaling der Horatiaansche ode Eheu fugaces die hij in 1578 in het Album van Aelbrecht van Loo schreef; maar hoe bevallig zijn de vertalingen uit Janus Secundus. Men hoore dezen aanhef van het vijfde Basium:

 
Als mij, Neaera lief, deez zalicheijt geluckt
 
Dat ghij uw borstkens stijf tegens de mijne druckt
 
End' uw twee armkens blanck om mijn' hals hebt geslagen,
 
Als ghij dat montlijn root lieflijck te mijwaerts buckt,
 
Als ick uw zoet ghewicht om mijnen hals moet draghen,
 
......................

deze verzen uit de vertaling der Vijfde Elegie:

 
Waer toe wilt ghij die jong zijt,
 
Dijns voorhoifts glatheit voir zijn tijt
 
Dus met gemaickte fronzen, och, deur warsheit stuijrs omringen?
 
Deez zullen, mij geloift, noch wel
 
Vanselfs becruijpen dit clair vel,
 
Deez zal u (laes) noch vroech genoch den ouderdom thuijs bringen.
 
......................
 
Dair zult ghij violetkens roijt
 
Met rooskens wit, nu thijm minjoijt*),
 
Nu myrtus met uw hantkens teer, nu mateliefkens rapen,
[p. 428]
 
Met zoet anijs: uut welken all'
 
Een hoeiken*) ic u maken sal,
 
Om van dijn aenschijn blanc de hit des somers af te weren,
 
En tzelfde met mijn eigen handt
 
Te passen op dijn hair plaisant:
 
Als ghij van 't gaen vermoet, in 't gras u leêkens zult verneren*)
 
Onder den schim*) van myrt niet swair:
 
En spelen dan schuijlwinxken*) dair,
 
Somwilen oic mijn leidsvrou zijn, nu volgen op mijn hacken.

Duidelijker dan ergens anders in de zestiend'eeuwsche poëzie hoort men hier het voorspel van Hooft's pastorale en minnelyriek. Hoe bekoorlijk deze verzen ook zijn, zij blijven verzen eener vertaling. Doch ook als oorspronkelijk dichter moet Van Hout hoog hebben gestaan. Wanneer hij krachtig wordt bewogen, schrijft hij slag op slag verzen die deze evenaren of overtreffen. Wien kan het bevreemden, dat de verdediger van Leiden zich als dichter dan in zijn kracht toont, wanneer hij een Lofzang op 't ontzet van Leiden ao. 1575 dicht of Leiden's Verlossinge van de Burggraven bezingt; wanneer hij jubelt over Het afbreken van het slot Vreêburg te Utrecht (ao. 1579), Prins Maurits verwelkomt (ao. 1594) of een opschrift stelt voor het voltooid Leidsch stadhuis (ao. 1596)?

Den strofenbouw van het gedicht op het Vreêburg vinden wij terug in dien der vertaalde ode van Horatius, maar overigens heeft elk dezer stukken zijn eigen gang en stem. Wat zij gemeen hebben, is een statelijke ernst, in de beide Lofzangen soms stijgend tot verhevenheid, in de welkomst-ode zich plooiend tot hoofschen zwier, in het Stadhuis-opschrift de drift der gedachte met moeite dwingend in het straffe gareel der zinnen. Hoe voert ons de Lofzang op het Ontzet reeds in de aanvangscoupletten met zich:

[p. 429]
 
I.
 
Gy, wiens gelyk niet wezen zal,
 
Niet is, niet was, Gij die het al
 
Van niet tot wezen hebt geschapen;
 
Gij goede Harder van u Schapen -
 
Leyden uwen naem met recht
 
Tot den hoogen Hemel drecht,
 
Tot den Sterren moet verheffen;
 
Ja veel hooger overtreffen
 
Al u heerelyke daaden
 
Al u heylzaame genaden!
 
 
 
III.
 
U hooge muyren doen gewaar
 
Gewerden zyn, dat hem kwam naar
 
't Behulp der Goddelyker machten;
 
Wanneer u Borgeren versmachten
 
Deur den honger gantsch verneert,
 
Moêloos, bloêloos, uyt geteert,
 
Als den moet heel was verlooren,
 
Door 't gebrek van 't spysbaar kooren,
 
Als door 't woeden van der pesten
 
Weerloos waren uwe vesten.

Opmerkelijk en den tijd kenschetsend is, dat wij de eigenlijke stof van het gedicht Op de verlossinge van de Burchgraven, naar het schijnt, alleen in dit eerste couplet aantreffen:

 
Maeckt u van hier, ghy Honden woedich!
 
Vergeefs is dat ghy myn ansart,
 
Vergeefs is al u nydige hart;
 
Hout op van 't trots geblaf hoochmoedich.
 
En byten bloedich!
[p. 430]

en dat de dichter daarna, zijn dankbaarheid voor het onafhankelijk worden der stad willende uiten, van zelf en als onbewust overgaat in den trant der psalmen Davids, die immers zoo lang reeds de geliefde troost- en dankliederen waren van het om zijne vrijheid worstelend volk. Of hooren wij hier geen weerklank der gewijde harp?

 
Myn geest door angsten veelderhandich
 
En droefheyts dorst by naest verstickt,
 
Hy voedende is, en maeckt verquickt,
 
Terwyl de Sonne ons Duynen sandich
 
Maeckt heet en brandich.
 
 
 
Myn Harder als de ziel wytvluchtich
 
Nu hychde door een jonckheyt dom
 
Naer wegen ongebaent en crom,
 
Daer my 't aenlocksel track quaetruchtich*),
 
Weende en was suchtich.
 
 
 
En met medogentlicken oogen,
 
Heeft hy myn doolingen beschreyt,
 
Oock op 't padt der gerechticheyt
 
(Om tot de stal te keeren moogen)
 
My weer getoogen.

Ook hier is het nieuwe in de poëzie duidelijk zichtbaar; evenals in Marnix' psalmen, zien wij hier de geestelijke lyriek der Hervorming onder den invloed der Renaissance. Maar sterker nog is de tegenstelling tusschen oud en nieuw, indien wij, Houwaert's kreupelrijmen ter ‘blijde incomste’ van Parma of Anjou indachtig, naar Jan van Hout luisteren, die den overwinnaar van Groningen verwelkomt met een ‘onrijmich vreuchden-liedt’ dat aldus aanvangt:

[p. 431]
 
O keyserlicke stam
 
Nassauwen, gy die van
 
Zo cleynen spruytselken
 
Een boom gewerden zijt,
 
Wiens bladeren geruysch
 
Alleenlic niet vervolt
 
Europens cleyne deel,
 
Daer daerde hem vast en vest*),
 
Mer hem zo wijt verbreyt,
 
Tot daer der sonnen lamp
 
Tzy rijst, tzy rust, tzy toocht
 
Van licht van duyster tscheyt*) -
 
Voor u by my bereyt
 
Es van den besten wijn
 
Uus Rijns een lieven dronc
 
Tot vreuchde en vrolicheyt,
 
Mit een goetjonstich hart
 
Dienstwillichlic tot u
 
Geneycht. Nu dan o Prince
 
Het traech verbeyden scheurt.
 
............

Deze jamben hebben datzelfde gespierde en doorwerkte, dat ook de hiervoor aangehaalde oorspronkelijke verzen van Van Hout kenmerkt. De afwezigheid van rijm is iets nieuws. Voor het eerst durft een Nederlandsch dichter door zijn verzen toonen, dat het rijm niet tot het wezen der poëzie behoort. Daarmede niet tevreden, laat hij den zin soms midden in een woord overspringen in een volgend vers. Zoo b.v. in:

 
En zijn gecrolde ma-
 
nen slingert om den cop
[p. 432]

als wilde hij aan de ouderwetsche Rethoryckers nu eens recht duidelijk maken, dat het rhythme het vers beheerscht en desnoods een woord in tweeën splitst.

Jonge kracht, die zich bevrijd voelt en weet van vroeger knellende banden, toont zich hier gepaard met een aan de Ouden ontleende levenswijsheid:

 
Naer overvloedige
 
Bancketten, die mit const
 
En cost zijn toegerust,
 
Den Grooten dicwijl greyt*)
 
Der cleyner sober disch,
 
Den mensch tot onderhout
 
En lijfs-behouft genouch,
 
Van pracht en pralen los.

Het zijn niet de eenige verzen waar Van Hout ons door zijn kernachtig gedrongen of gewrongen vers aan zijn vriend Spieghel doet denken, noch de eenige waar wij den invloed der Stoa in zijn werk waarnemen. Christelijk Stoïcisme immers ademt ook dit opschrift van het Leidsch Stadhuis:

 
‘Indien Godts goetheit U brengt voort
 
Geluk en spoet*), niet trots 't gemoet,
 
Maer neêr wilt dragen;
 
En sent hij, siet, weerom aen boort
 
Angstig verdriet, weest daerom niet
 
Te seer verslagen.
 
U heyl, sulcks hil, en toebehoort*),
 
Danct God, swych stil, so was sijn wil,
 
Begeer, behaegen’.
[p. 433]

Zulke verzen staan, evenals het gedicht in Douza's Album ‘stijf, gelijck een lantsknecht in zijn harnas’, om Vondels woorden te bezigen. Doch laat ons niet voorbijzien, hoe de landsknechten der 16de eeuw zich in dat harnas wisten te roeren en te reppen. Welk een vaart nemen ten slotte die tot Douza gerichte verzen, welk een volheid van kracht is er in die twee kleine stukjes, hoe worstelt de gedachte er met de taal als de kloeke Leidsche burgerij op de wallen der benauwde veste! Die volheid van gedrongen kracht, die soberheid van uitdrukking, dat zoeken naar het eigene in een met kunst gebouwde strofe, die achterstelling van het rijm bij het rhythme, dat streven naar verheffing in den dichter dien Lipsius kenschetste als ‘vulgato sermone nihil vulgatum spirans’ - het was alles reactie tegen de ontaarding eener vroegere kunst. Gaat die reactie hier en daar wat ver, wat hebben wij haar anderzijds mooie en karakteristieke verzen en gedichten te danken! Al betreuren wij, dat Van Hout's nalatenschap slechts voor een klein deel tot ons is gekomen, ook uit het weinige van zijne hand waarin wij ons mogen verheugen, blijkt wel, dat in dezen kloeken patriot een echt dichter leefde, die de vaan der poëzie niet minder hoog heeft gehouden dan die der vrijheid en, met kloeken stap voortgaand langs een rijzend pad, aan latere dichters den weg heeft gewezen naar hooger3).

Janus Douza (1545-1604).

Douza's leven is niet minder vol dan dat van zijn vriend Hautenus, al liep de baan van den Hollandschen edelman door hooger maatschappelijke kringen dan die van den uit Leidsche wevers gesproten burger. Een deel zijner opleiding ontvangt hij

[p. 434]

te Leuven; doch evenals Marnix drijft hij later den spot met de ouderwetsche geleerdheid die hij daar leerde kennen:

 
Nostros quos prope dixeram Magistros,
 
Ni me Lovanium hoc genus Magistros
 
Dicendum docuisset esse Nostros

schertst hij later in de Hendecasyllabi zijner Nova Poëmata. Van Leuven trekt hij naar Douay, waar hij twee jaar blijft en dan naar Parijs, waar hij kennis maakt met Dorat. Een Grieksch vers van Auratos staat op de eerste bladzijde van zijn Album Amicorum. Onmiddellijk op Dorat volgend, komt een ander lid der Pléiade: Baïf, die het ook niet met minder dan Grieksch doet en zich onderteekent als Janos Antonios Baïphios (ao. 1566). Behalve met deze beroemdheden maakt de jonge Hollander er kennis met den geleerden Morellus en zijne drie dochters Kamilla, Lucretia en Diana die elk een Grieksche spreuk in zijn album schrijven. Vóór hen en vóór Dorat en Baïf hadden anderen er hunne namen reeds in geschreven en er verzen of vriendschapsbetuigingen bijgevoegd, zoo b.v. Hadrianus Junius en jonge edelen als Mulert en Van Reede die te Parijs blijkbaar tot zijne kennissen of vrienden behoorden.

Omstreeks 1566 schijnt hij naar Nederland te zijn teruggekeerd. In allen gevalle zien wij hem in dat jaar als lid van het Verbond der Edelen, al komt hij er niet op den voorgrond. Doch hoe zeer de politiek in deze jaren ook zijn hart vervuld moge hebben, Dulces ante omnia Musae is de randspreuk van het portret dat hem voorstelt op zijn 23ste jaar. Welk een innemend uiterlijk! Hoe geestig kijken die sprekende, wijdopenstaande oogen van onder de Spaansche baret met veeren die zijn hoofd dekt; welk een dartele vroolijkheid speelt er in den glimlach om

[p. 435]

den mond waarboven een ontluikende knevel zich vertoont en duikt er weg in de kuiltjes van zijn wangen. Hoe tempert de scherpe neus het goedrond-Hollandsche van dit zonnig gelaat.

Wij vinden dit portret en een ander er veel op gelijkend vóór zijn Album Amicorum en vóór den bundel Latijnsche poëzie, dien hij in 1569 bij Silvius te Antwerpen uitgaf. In de Epigrammata, Silvae en andere afdeelingen van dezen bundel zien wij hem vol van zijne reisherinneringen en zijne geliefde klassieken. Wij vinden er korter of langer gedichten aan Dorat, Baïf, Des Autels (Gulielmus Altarius), aan Nederlandsche humanisten als Giselinus, Junius, Fruterius; een Latijnsche vertaling van Bion's Epitaphium Adonidis en tal van punt- of sneldichten, die onder den invloed van Martialis en dergelijke auteurs zijn ontstaan. Het sierlijk Latijn dier laatste stukken omhult heel wat vleeschelijkheid en zinnelijkheid; ook het vieze ontbreekt er niet: grove uitingen van dartelheid en levenslust in den jonkman, die later in zijne Nova Poëmata met instemming zal wijzen op verzen als dit van Martialis:

 
Lasciva est nobis pagina, vita proba est

en andere dergelijke van Ovidius.

Toen Van der Does dien tweeden bundel in 1576 uitgaf, was hij reeds gehuwd met jonkvrouw Elizabeth van Zuylen die hem twaalf kinderen schonk. Na zijn huwelijk zien wij hem meer op den voorgrond van het staatstooneel komen. In 1572 gaat hij als gezant naar Engeland. Dan komt het beleg, waarvan hij zoo terecht tot Jan van Hout mocht zeggen: ‘quorum adeo pars magna uterque fuimus’. De nieuwe Universiteit telt hem onder haar eerste Curatoren. Zijn liefde tot de poëzie blijft onder dat alles even sterk. In de Nova Poëmata die in 1575 ‘impensis Joannis Hauteni’ het licht zagen, vinden wij tal van stukken over gebeurtenissen en personen van den

[p. 436]

dag. Het spreekt vanzelf dat het beleg er de grootste plaats beslaat; doch behalve de Ode Lugdunenses vinden wij ook stukken op Boisot, In nomen Ducis Albani, De adventu Illustr. Auraici Principis in Bataviam Gratulatio; het laatste stuk doet denken aan Jan van Hout, tot wien hier ook een stuk gericht is. Het volgend jaar kwam er een tweede veel vermeerderde uitgaaf van dezen bundel. Naast de poëzie beoefent douza de wetenschap; hij bewerkt uitgaven van onderscheiden klassieke auteurs. Met tal van geleerden en dichters blijft of raakt hij in kennis. In zijn Album Amicorum zien wij, behalve de vroeger genoemde, tal van namen die er vroeger of later in zijn geschreven: edelen als Mathenesse, Duvenvoorde en de ons bekende Marcus Laurinus, Heer van Watervliet; humanisten als Lipsius, Ratallerus, Laurimannus, Nansius, Becanus, Vulcanius, Gruterus; behalve de Nederlanders zien wij er Duitschers, Schotten, Denen, Polen, Franschen; Roemer Visscher en Jan van Hout schreven er Nederlandsche verzen in, Marnix het vroeger vermeld Latijnsch distichon.

Al die politieke, letterkundige en dichterlijke werkzaamheid rustte op een grondslag van druk familie-leven. Op een tafereel in ‘de Lakenhal’ te Leiden zien wij dezen Jonker Jan te midden van zijn gezin: zijn echtgenoot en negen kinderen, jongens meerendeels, die hun gebleven waren. Op dit familie-tafreel en een ter Leidsche Bibliotheek berustend portret van haar eersten bibliothecaris zien wij Douza anders dan vóór den bundel van 1569. In het krachtig, mager gelaat met zijn forsche scherpe trekken, met de lange zwarte knevels en puntbaard, staan de vinnige oogen nog even wijd open; de onbezorgde vroolijkheid is eruit verdwenen: men kan wel zien, dat deze man veel heeft doorleefd, maar de luimig-spottende trek om den mond is er nog en de groefjes in de wangen zijn nog zichtbaar.

[p. 437]

Zóó ongeveer moet hij er uitgezien hebben, toen hij eerst in 1584 en later, aan het hoofd van een gezantschap, in 1585 naar Engeland trok om Elizabeth de souvereiniteit dezer landen op te dragen. Die zending slaagde maar ten deele, al had zij Leicesters komst ten gevolge. Voor Douza had zij het gevolg dat hij kennis maakte met het Engelsche Hof en Engelsche geleerden en kunstenaars. Ook met den schitterenden jongen edelman en dichter Sir Philip Sidney maakt hij kennis; een door hem uitgegeven werk van Petronius biedt hij ten geschenke aan dezen tweeden ‘arbiter elegantiarum’.

Deze bezoeken aan Engeland gaven hem aanleiding tot het samenstellen van zijn Odarum Britannicarum Liber dat in 1586 te Leiden werd uitgegeven. Onopgemerkt bleef zijn persoon in Engeland blijkbaar niet: in een lofdicht van zekeren Galfredus Whitney vóór dien bundel wordt vol bewondering gesproken over

 
The learned fruites of noble Dousas penne,
 
Whose worthie fame doth to the skyes ascende
 
And far and neare is known to famous men.

Inderdaad, al waren de betuigingen der toenmalige lofdichters nog zoo overdreven - dat Dousa als geleerd dichter een grooten naam had onder zijne tijdgenooten, staat vast. Dat blijkt ook uit de Encomia Dousana die in 1587 te Heidelberg werden uitgegeven door den Duitschen medicus Joannes Posthius, wien Dousa een zijner werken had opgedragen en die deze beleefdheid nu beantwoordde met een poëtischen feestbundel, op zijn aanstichten bijeengebracht door een aantal Hoogduitsche en Nederlandsche dichters.

Terwijl zoo zijn roem als dichter zich verbreidde, steeg hij hooger op de maatschappelijke ladder: in 1591 werd hij lid van de Hoogen Raad. Daardoor werd hij genoodzaakt Leiden

[p. 438]

voor Den Haag te verlaten. Al die wereldlijke voorspoed kon hem het verlies niet vergoeden, dat hij leed door den dood van twee zijner zoons; vooral het afsterven van zijn begaafden oudsten zoon en naamgenoot sloeg hem een hartewond. Hij bleef werken, ook aan de bevordering der wetenschap; door zijne Annales (ao. 1599) wordt hij een van de ‘grondleggers onzer aloude geschiedenis’. Doch, naar men vermeld vindt, kwam hij den dood van zijn oudsten zoon niet te boven. Betrekkelijk jong, immers nog geen zestig jaar oud, sterft hij en wordt in de kerk van zijn heerlijkheid Noordwijk begraven.

 

Dat de Muzen hem inderdaad lief waren, kan reeds gebleken zijn uit het overzicht van zijn Latijnsche poëzie en zijn wetenschappelijk werk. Hoe hoog hij wetenschap en letterkunde stelde, zien wij ook in dien brief aan Jan van Hout (ao. 1576), waar hij verklaart: ‘non minus in libris et literis, quam in curia et foro Rempublicam tractari posse’. Zijne belangstelling in de nieuwere poëzie, met name de Nederlandsche, en zijn eigene schaarsche Nederlandsche gedichten zullen ons dat evenzeer toonen, al hechtte hij zelf daaraan weinig gewicht.

Vóór alles voelde hij zich Latijnsch dichter, zijn Latijnsche poëzie was zijn roem. Onomwonden heeft hij dat aan ‘zijnen goeden vrunt’ Spieghel betuigd in de berijmde Voorreden, door hem op Spieghel's verzoek geschreven voor de eerste uitgave van Stoke's Rijmkroniek (1591):

 
.......... Laet u met uws gelijken
 
De Minen onser spraeck deur een konstrijke geest
 
Voortbrengen aen den dach. Laet Roemers soet geque(e)st*)
 
Deur d'ongehoorde clanc der Nederlandscher Luyten
 
In t'Oost, West, Zuyd en Noord in allen ooren tuyten
 
En maken wijt beroemt den tweeden Martiael;
 
Laet voor my Ian van Hout ons Vaderlandsche Tael
[p. 439]
 
Verrijcken en tgheluyt der Venusijnscher Lieren
 
Verdoven mit tgesangh, iae deur de wolcken swieren
 
Voir den Thebaenschen swan mit zijne vlercken ras,
 
Oic dragen wech den prijs voir Ronsard en Bartas -
 
My zy genouch dat noyt de Leydsch' Academye
 
Tot oneer heeft gestreckt myn Roomsche Poesye,
 
Dat een schoon Myrten-crans naest Everardi Soon*)
 
Ic van Diones hand verkregen heb ten loon.

Die Latijnsche poëzie geeft zeker de meest overtuigende bewijzen van Douza's grondige en veelomvattende kennis der oude Latijnsche dichters, van zijne vertrouwdheid met hun spraakgebruik, hun stijl, hunne beelden en vergelijkingen. Zij geeft ook belangrijke bijdragen tot de kennis van zijn uiterlijk leven, van het staatkundig en wetenschappelijk leven zijner dagen. Dat zij als navolging der klassieke poëzie hoog staat, nemen wij op gezag van Hofman Peerlkamp gaarne aan. Doch de mensch en de dichter Jan van der Does vertoonen er zich voor ons al te zelden. Doorgaans immers spreekt hij er in een aan anderen ontleende taal, met uitdrukkingen, wendingen, beelden, soms zelfs gansche verzen bij andere dichters geborgd. Zelfs waar hij het diepst ontroerd is: waar hij zijn hart lucht geeft over den dood van zijn begaafden oudste, spreekt hij Ovidiaansch. Wij worden wel eens ontroerd door de diepte van zijn leed en getroffen door de bevalligheid zijner welluidende verzen, doch niet zonder dat het pompeusrhetorische van voorgaande en volgende verzen ons heeft ontstemd. Zoo gaat het mij ten minste in deze, door Hofman Peerlkamp hooggeroemde, passage:

 
Dousa fuit, fuimus et nos, dum viveret ille;
 
Mortua nunc trahitur vita superstitibus.
[p. 440]
 
Hei mihi! quae nostro sat erunt fomenta dolori?
 
Quaeve meis dabitur par medicina malis?
 
Menstrua perpetuum reparat dispendia Phoebe,
 
Et redit arboribus per sua damna decor.
 
At tu sic subito exortus simul, extinctusque,
 
Quid, nisi flos herbae solstitialis eras?
 
Vixisti quinis nate ah! dulcissime lustris,
 
Haec spatia aetatis tota fuere tuae.
 
Quid modo fletu expers prodest natura, quid illa
 
Insita Dousaeis durities oculis?
 
Num minus assiduis turgent mea lumina nimbis,
 
Num minus uda frequens mi rigat ora latex?

Wanneer Douza's geest gaande werd, door behoefte aan poëzie gedreven, dan koos hij liefst het Latijn waarmede hij van jongs af zoo vertrouwd was; het Latijn dat door den luister van zijn roem en zijne oudheid alles wat men erin uitte, op hooger plan en in hooger licht beurde. Trof hem iets in de moderne poëzie zóó sterk, dat hij lust kreeg zijn indruk te verwerken in een vertaling, dan koos hij, gelijk zoo menig humanist vóór en na hem, het Latijn. In die taal bracht hij b.v. een paar stukken van Petrarca en van Desportes over.

Zijne vrienden Spieghel en Van Hout beviel die uitsluitende liefde voor het Latijn maar half; Douza moest, oordeelden zij, meer Van der Does zijn en zich aan Hollandsche poëzie wijden. Hij zelf zinspeelt daarop in Van Hout's Vruntbouc; duidelijker blijkt het uit zijne Voorreden vóór Stoke's Rijmkroniek. Sprekend van zijn geringe geschiktheid voor de ‘Duytsche Poesy’, vermeldt hij o.a. dat hij zich wel eens heeft

 
...... verstout een Liedeken te craken
 
Op een dun riedeken om thart van sorgen swair
 
Wat te verquicken.
[p. 441]

Misschien had hij hier het oog op zijne vertalingen van Janus Secundus' Basia. In allen gevalle moeten deze vertalingen genoemd worden als het beste dat ons van zijn Nederlandsch werk bekend is. De gedrongen volheid noch de sierlijke pittigheid van Janus Secundus zijn in de overzetting van Van der Does te vinden; het Hollandsch loopt losser en vrijer, doch het heeft een eigen bijzondere frischheid en bevalligen zwier. Den vorm der Basia heeft de overzetter niet getracht te behouden; hij heeft de door hem gekozen stukken verwerkt tot sonnetten of andere gedichten in alexandrijnen en tal van korte jambische maten, die niet zelden ongemeen bekoorlijk zijn. Zoo b.v. in deze verzen uit het 14de ‘Kusken’:

 
Waer wilt ghij heen? ach troost, keert weer,
 
Ten zal u doch niet rouwen,
 
En wilt mij niet dit montlijn teer,
 
Om een seghwoordt*) onthouwen!
 
Het is mij leet, en zij bereijt
 
T'herroepen mijn quae taele;
 
Te kussen u mij zeer wel greijt,
 
Vergheeft 't mij mer dit maele!

Of ook deze verzen uit het 7de ‘Kusken’:

 
Met hondert kuskens hondertmael,
 
Met hondert duijst, lief êele,
 
Jae duijzent kuskens duijzentmael
 
En duijzentwerf zo veele
 
Als aende locht men sterren ziet
 
Of droppels in den Rhijne,
 
Zoud' ick, zonder ophouden ijet,
 
Deez' oogskens crijstallijne
[p. 442]
 
Met 't montlijn klein
 
En kaecxkens rein
 
Gestadelijck wel kussen;
 
Mair als ick vast
 
Op deez' gepast
 
Myn brandt neem voor te blussen
 
enz.

Evenals in de vertalingen van zijn vriend Van Hout, hoort men ook hier het voorspel van Hooft's minnelyriek. Een enkelen keer schijnt de Hollandsche goedrondheid wat plomp naast het bevallig Latijn, zooals b.v. in de overzetting van het 12de ‘Kusken’; doch misschien was de tamelijk onbeschaamde zinnelijkheid van het oorspronkelijke den vertaler hier te machtig.

Als vertaler kan Douza wedijveren met zijn vriend Van Hout, als oorspronkelijk Nederlandsch dichter blijft hij ver achter hem. Wij kunnen hier trouwens slechts op een drietal stukken wijzen. Over de Voorreden voor Stoke's Rijmkroniek spraken wij reeds. In den aanvang van dat stuk zijn, evenals in den Lofzang op Johannes Secundus wel eenige goede regels of brokken, doch niets dat halen kan bij het beste van Van Hout. Opleggend bij Janus Secundus, rijdt Van der Does een stoute schaats; zijn alleen-rijden is heel wat minder. Nergens blijkt dat zoo duidelijk als in zijne Elegia Belgica aan Janus Gruterus, waarin hij zijne smart lucht geeft over den dood zijner zoons. Want indien ergens, dan mochten wij hier verwachten, dat uit sterke en diepe aandoening poëzie zou geboren zijn. Die verwachting wordt echter niet bevredigd door het veertigtal vierregelige coupletten, waaronder slechts een enkel ons iets van die droefheid in een glimp van poëzie te zien geeft:

[p. 443]
 
Mijn selven meijne ick, die geensins kan verdragen
 
Tverlies van mijn twee soons, van Jan bijzonder, ach!
 
Die mij van alle moeijt zulx te verlichten plach,
 
Dat ick van sorgen vrij mijn hart mocht speelen dragen.

Hier en in een paar andere coupletten hoort men wel den klank en den toon der diepgevoelde droefheid, die uiting zoekt voor wat er beeft in het hart; de stem trilt, doch de woordmuziek die zij voortbrengt, is slechts een zwakke vertolking der sterke ziels-ontroering.

Al heeft Douza dan ook weinig werken van beteekenis nagelaten, reeds als medestander van Van Hout komt hem een plaats toe in de geschiedenis onzer letterkunde. Latijnsch en Nederlandsch dichter beide, verpersoonlijkt hij den invloed der klassieke, vooral der Latijnsche, literatuur op de onze; door zijn omgang en belangstelling, zijn wetenschap, zijn smaak heeft hij auteurs als Jan van Hout en Spieghel gesteund bij hun streven om de ‘Duytsche Poesye’ op hooger baan te brengen; door zijne Latijnsche poëzie gaf hij hun en anderen een voorbeeld, hoe het leven van hun tijd op waardige wijze te verwerken; door enkele vertaalde werken nam hij deel aan den arbeid dergenen, die het Nederlandsch zich leerden plooien en gewennen tot de vertolking van een nieuw gevoels- en gedachtenleven4).