Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 5


auteur: G. Kalff


bron: G. Kalff, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 5. J.B. Wolters, Groningen 1910  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Pieter Langendijk (1683-1756).

De beste nabloeier der zeventiend'eeuwsche lyriek kwam op in Zuid-Holland, die van het zeventiend'eeuwsche blijspel in Noord-Holland. Beiden zijn door den tijdgenoot onsterfelijk verklaard; beiden - dat zegt meer - niet geheel voor ons gestorven. Bij veel verschil toonen zij toch ook overeenkomst: beider leven is door de zon van het geluk schaars verhelderd en verwarmd; de baan van Poot loopt aanvankelijk in de zon, doch eindigt in de schaduwen van den tegenspoed; voor Langendijk wordt het na zijn eerste jeugd nooit recht licht en de schaduw over zijn pad verzwaart zich, naarmate hij het eind nadert. Beiden steken uit boven hun omgeving; doch die omgeving oefent een ongunstigen invloed op hun ontwikkeling als kunstenaar.

Langendijk's vader, metselaarsbaas uit de buurt van Alkmaar, had zich te Haarlem gevestigd; daar werd zijn zoon Pieter geboren. Zijn jongensjaren waren misschien de gelukkigste van zijn leven; met warmte spreekt hij later over zijne zwerftochten met zijn vrienden Beck en Van Steenwyk door den Hout, langs het Haarlemmer-meer en naar ‘de blanke duinen’. Weldra echter wordt de knaap naar Amsterdam gezonden en geplaatst onder de leiding van den bekenden taalkundige Willem Sewel, van wien hij ook wat Latijn leert. Fortuinlijk gaat het zijn

[p. 470]

familie niet: de vader sterft; de moeder trekt naar Den Haag waar zij een linnenwinkeltje opzet; de jonge Pieter wordt wever en leert zelf de patronen voor ‘gaarendamast en servetten’ teekenen. De vruchten van zijn werk zet hij te Amsterdam van de hand. Langzamerhand kan hij als patroonteekenaar den kost winnen voor zich en zijn moeder. In 1722 vestigt hij zich met haar te Haarlem. Jan van Gyzen, wever als hij, wordt een zijner vrienden; hij komt in kennis met de rederijkers der Kamer Trou Moet Blycken, wordt spoedig hun Factor en blijft dat tot zijn dood. Zijn huiselijk leven wordt veronaangenaamd door het slecht humeur zijner moeder, die ten slotte aan den drank raakt. Met haar dood in 1727 schijnt een beter leven voor hem aantebreken; hij trouwt met Joannetta Sennepart; doch met deze ziekelijke en verkwistende vrouw komt hij van den regen in den drop. Dat naargeestig huwelijksleven eindigt in 1739 door haar dood.

Zijn Factorschap moge hem soms eenige afleiding hebben bezorgd - er kan weinig verheffends zijn geweest in den omgang met weinig ontwikkelde rijmelaars, die ver zijn in het houden van ‘vrindelyke maaltyden’ en zes flesschen wijn verwedden om erachter te komen of broeder Jan van Rixtel 230 pond weegt of niet. Langendyk's aangeboren of veroverde gelijkmoedigheid helpt hem berusten in zijn leven; maar de fortuin wordt hem niet gunstiger. Financieel gaat hij achteruit; de talrijke bruiloftsdichten die hij maakt voor de Van Lennepen, de Teiler's, De Haan's, De Neufville's en anderen zullen hem waarschijnlijk wel iets maar toch geen schatten hebben aangebracht. In 1747 moet hij zijn verzameling boeken en prenten verkoopen. Ten slotte komt het zoover, dat de Stedelijke Regeering hem een kostelooze plaatsing in het Proveniershuis aanbiedt; zijnerzijds moet hij daarvoor ‘sig als een Stads Historieschrijver laten employeren’. Hij zet een groot werk over Haarlem op het

[p. 471]

touw, maar laat dat webbe onvoltooid: in 1756 slaat de Dood hem de spoel uit de hand.

 

In zijn lang leven heeft Langendyk vrij wat voortgebracht; doch, evenals het werk van Poot, is ook het zijne onderling zeer ongelijk: blijvende waarde hebben alleen zijn blijspelen en kluchten getoond; zijn overige poëzie heeft eenig belang voor de kennis zijner persoonlijkheid, doch is uit literairaesthetisch oogpunt van geringe beteekenis.

Nadat hij, zestienjarige, door zijn eerste tooneelstuk Don Quichot op de bruiloft van Kamacho de aandacht op zich had gevestigd, komt hij in aanraking met oudere en jongere dichters en dichtgenootschappers: Ludolf Smids, Laurens Bake, Daniël Willink, de leden van het Genootschap ‘Constantia et Labore’; in het Voorbericht van zijn Krelis Louwen spreekt hij van ‘het voortreffelyk kunstgenootschap ‘Nil Volentibus Arduum’. Den invloed der poëzie van Vondel en Hooft kunnen wij ook in zijn poëzie waarnemen; Huygens' puntdichten volgde hij na in de zijne. Uit verscheidene zijner dichtstukken van grooter of kleiner omvang leeren wij hem kennen als een man die, van Doopsgezinde afkomst, zich kant tegen de heerschzucht van geestelijken; in zijn gedichten van historischen aard behandelt hij de voorname gebeurtenissen van dien tijd in binnen- en buitenland; het nationaliteitsgevoel doet er zich hooren en blaast zich hier en daar op tot uitingen als deze tegen Engeland na den vrede van Utrecht:

 
Maar Holland, dus van u versmeeten,
 
Staat pal. Gy krygt het nimmer kleen.

Wij kunnen in de gedichten over de staatkundige gebeurtenissen in de Republiek waarnemen, hoe de aanvankelijk staatsgezinde langzamerhand meer Oranje-gezind wordt.

[p. 472]

Zijn bruiloftsdichten, deels in den trant van dialogische herders- en visscherszangen, onderscheiden zich weinig van de tallooze overige dezer dagen; gladde conventioneele poëzie, verwant met de kunst der Lairesse's en Van der Werff's, die door Langendyk en Poot werden bewonderd. Ook in het burleske volgt Langendyk de paden zijner voorgangers: vandaar een stukje als Teder Afscheid (I, 322), pathetisch aanvangend, boertig eindigend; gedichten als Blaaskakeriana (IV, 337), een parodie van Swaanenburg en wie hem geleken; een parodie van Jan Vos' Aran en Titus (III, 461); een andere van de Eneïs, getiteld De Eneas van Virgilius in zyn Zondags Pak (I, 451). Het zout ontbreekt in deze stukken niet geheel, maar het is doorgaans grof.

Komisch talent van beter allooi toont Langendyk in zijn kluchten en blijspelen: Don Quichot (c. 1700); Het Wederzyds Huwelyks Bedrog, De Zwetser (1712); Krelis Louwen, De Wiskunstenaars (1715); Quincampoix, Arlequin Actionist (1720); De Bedriegery van Cartouche (1732); Xantippe, Papirius, Spiegel der Vaderlandsche Kooplieden, vroeger door hem op touw gezet, in zijn ouderdom weer opgevat en, behalve het laatste, voltooid. De, door hem berijmde, vertaling van Addison's Cato (1715) en de, uit het Fransch vertaalde, Caton d'Utique (1720) kunnen wij buiten beschouwing laten; in het komisch drama vooral ligt Langendyk's beteekenis als dichter; die kluchten en blijspelen eischen uitvoeriger behandeling dan zijn overig werk.

 

De door Langendyk behandelde stoffen onderscheiden zich in hoofdzaak weinig van die welke wij hebben aangetroffen bij de klucht- en blijspeldichters van het vierde geslacht der 17de eeuw. Sommige zijn ontleend aan een roman of een novelle: Don Quichot, waar wij den ‘ingenioso hidalgo’ met

[p. 473]

zijn trouwen Sancho op een boerenbruiloft aantreffen, aan het negende boek van Cervantes' meesterwerk; het Wederzyds Huwelyks Bedrog aan een roman van dien tijd: Vermakelyke Vryagie van den kaalen Utrechtsen Edelman en de niet hebbende Geldersche Juffer (1698); wij zien daar een huwelijk tusschen twee die zich rijk en voornaam voordoen tegenover elkander, waardoor beiden bedrogen uitkomen.

In andere vinden wij een bewerking van een vroeger te onzent gedramatizeerde stof: de Zwetser vertoont vrij wat overeenkomst met Vos' klucht van De Mof; Hans Zwetser, die zich uitgeeft voor een adellijk Duitsch kapitein, staat naar de hand van Izabel, dochter van Ernst, een voornaam heer; Karel, ook een vrijer van Isabel, is den vader te burgerlijk; natuurlijk komt de mof er bekaaid af; de stof van Krelis Louwen: een dronken boer, dien de vrijer zijner stiefdochter een dag lang in den waan houdt dat hij Alexander de Groote is, om hem zoo te genezen van zijn zucht naar hoogheid, vindt men o.a. in Vos' Robbert Leverworst en Fokkens' Dronkken Hansje; de stof van de Wiskunstenaars: een schaking uit een herberg, was in 1690 door J. van Ryndorp in zijn, aan het Fransch ontleend, stukje De geschaakte bruid verwerkt.

Quincampoix, en Arlequin Actionist, voorstellingen van den toenmaligen windhandel, zijn grepen uit het leven van dien tijd; zoo ook de Spiegel der Vaderlandsche Kooplieden, waarin wij het verval van den koopmansstand zien.

Xantippe, uit het leven van Socrates, en Papirius, ontleend aan de Saturnalia van Macrobius, waren iets nieuws: het ontzag voor de oudheid immers had tot dusver niet gedoogd, dat men een klassieke stof in blijspel of klucht behandelde; hier zien wij dus een der nawerkingen van de vroeger vermelde ‘Querelle des anciens et des modernes’. Xantippe onderscheidt zich bovendien door een persoonlijk

[p. 474]

element; de dichter zelf zegt in zijn puntdicht Op Xantippe (IV, 351):

 
'k Hoef om Xantippe na den Schouwburg nooit te gaan
 
.....................
 
'k Zie die Comedie in myn huis genoeg voor niet.

Gelijk zoovelen zijner voorgangers heeft Langendyk den invloed van het Fransche blijspel, met name dien van Molière, ondervonden. Arlequin Actionist, een dolle klucht, was een navolging uit het Fransch; De bedriegery van Cartouche berijming van een, door een ander vertaald, stuk van Le Grand. De slimme knechts uit Wed. Huwelyks Bedrog, De Zwetser, Krelis Louwen waren Fransche immigranten; een tooneel uit Wed. Huw. (IV, 3) herinnert aan een dergelijk uit Le dépit amoureux; een ander (IV, 9) aan ‘Monsieur Dimanche’ uit Don Juan.

Ook voor Langendyk bestaat het verschil tusschen klucht en blijspel hierin, dat de klucht slechts één, het blijspel drie of vijf bedrijven telt; dat de eerste ‘als onder gemeene persoonen voorvallende verbeeld word’, het laatste ‘onder persoonen van staat’. Ook voor hem moeten beide een zedelijke strekking hebben; in het ‘Nabericht’ van Xantippe noemt hij ‘de opleiding tot de deugd’ zelfs ‘het allervoornaamste oogmerk van een Blyspel’. Doch indien zijn kluchten en blijspelen dan in meer dan een opzicht voortzetting van het laat-zeventiend'eeuwsch komisch drama moeten heeten - zij dragen toch een eigen stempel. Wat Langendyk van de meeste zijner voorgangers onderscheidt, is zijn gevoel voor de eischen van het tooneel en zijn dramatische techniek. Zijne stukken zijn meerendeels welgebouwd, hebben een vluggen gang, houden den toeschouwer vast, bevatten tal van aardige, grappige of boertige tooneelen: in Don Quichot den Waalschen kok Vetlasoepe met zijn schuimspaan tegenover den hidalgo

[p. 475]

die zijn zwaard niet uit de scheede kan krijgen; het bruiloftsvolk met een kroon, met dansers en muzikanten ten tooneele; Sancho in de deken gejonast; in De Zwetser den snoevenden Hans aan het spinnewiel; in Krelis Louwen Kees in de bakermat, later slapend op een ledikant met zijn hof om zich heen, daarna als vorst met zijn ‘sluyerkroon’ getooid, rookend en drinkend op den troon; in Wiskunstenaars de beide disputeerende geleerden; in Quincampoix den windhandel in een koffiehuis met al zijn schreeuwerige drukte; in Spiegel der Vaderlandsche kooplieden het huiselijk leven onder de gegoede standen op verdienstelijke wijze voorgesteld. In zijn karakteristiek der personages van lageren stand slaagt Langendyk doorgaans beter dan in die der hoogere standen; zijn boeren, zijn dorpsrijmer, zijn meiden en knechts staan als dramatisch werk hooger dan zijn edelen, zijn deftige kooplieden, zijn vrouwen en meisjes uit den gegoeden stand; zijn Sancho is beter dan zijn Don Quichot. In verband daarmede is ook de taal zijner personages van hoogeren stand dikwijls even stijf-deftig als die uit het laat-zeventiend'eeuwsch blijspel, terwijl wij een levendigen natuurlijken dialoog vinden, waar personages uit de lagere standen aan het woord zijn. Op menige plaats in zijn werk heeft de taal iets van de frischheid en de kleur die ons komisch drama in zijn besten tijd kenmerken; het verwondert ons niet in Het Wederzyds Huwelyks Bedrog (III, 6) een staaltje der oude volkspoëzie (leugen-poëzie) aantetreffen.

 

De goede eigenschappen dezer kluchten en blijspelen, gepaard met hun kieschheid van taal en toestanden, hebben Langendyk als tooneeldichter voor vergetelheid bewaard: zijn stukken werden, evenals die zijner voorgangers Asselyn en Bernagie, telkens herdrukt en gespeeld. Breero was der achttiende eeuw te rauw, Bernagie's stukken verdwenen in

[p. 476]

het laatst dier eeuw van het tooneel - Asselyn en Langendyk bleef men spelen tot in de 19de eeuw. Onze eigen tijd heeft, met terzijdestelling van Asselyn, Breero en Bernagie een enkele maal, Langendyk meer dan eens op de planken gebracht.

Zoo mag dan ook van hem gelden, dat hij niet geheel voor ons gestorven is. In genialiteit en rijkdom van aanleg de mindere van Breero en Asselyn, staat hij in zijn streven om het komisch drama tot een school der deugd te maken en eruit te weren wat voor de gegoede standen aanstootelijk heette of was, dicht bij Bernagie; doch hij overtrof dezen door zijn inzicht in het wezen van het drama, door zijn handigheid en zijn takt. De natuurlijke vroolijkheid en de lust tot dramatische levens-uitbeelding, die wij in Bernagie missen, zijn in Langendyk wel aanwezig, doch zij hebben iets gedempts; hetzelfde gedempte dat wij zien în zijn groot strak baardeloos gelaat, door Pronk naar het leven geteekend. Naar het leven! doch er is bijna geen leven in dit onaandoenlijk, door een pruikje omgeven, gezicht; is er eenige verborgen luim in oogen en mond, dan durft zij zich toch nauwelijks vertoonen. Zoo moet hij gekeken hebben, als hij stond voor de Haarlemsche deftigheden, wier bruiloften hij bezong; op ‘Trou moet Blycken’ zullen deze stijve trekken zich wel ontspannen hebben.

Langendyk's ontzag voor Maecenaten en Dichtgenootschappers hield gelijken tred met zijn eerbied voor de taalregels, die hem zelfs in ‘de straattaal der gemeene personaadjes’ de geslachten der zelfstandige naamwoorden in acht deed nemen. Evenals Poot heeft Langendyk zich niet kunnen onttrekken aan den ongunstigen invloed, door zijn tijd en zijn tijdgenooten op hem geoefend; desniettegenstaande heeft hij het hem aangeboren talent geopenbaard in een aantal kluchten en blijspelen, die veel goeds en verdienstelijks bevatten. Hij

[p. 477]

is de laatste vertegenwoordiger van het komisch drama, dat met Breero en Hooft zoo schitterend begonnen was. Het zou lang duren, voordat er een Nederlandsch blijspeldichter optrad die hem evenaarde of overtrof14).