terug  begin  verderprepost

Pieter 't Hoen (1745-1828).

Als staatkundig schrijver tijdelijk van niet geringe beteekenis, behoort 't Hoen als letterkundige niet tot de voorgangers, slechts tot de volgers. Wij verdiepen er ons daarom niet in, of zijne vijanden hem terecht of te onrecht van allerlei jeugdige afdwalingen hebben beschuldigd. Zooveel is zeker, dat hij, echtgenoot en vader geworden, zich tot het pad der deugd

[p. 487]

keerde en door letterkundig werk invloed ten goede trachtte te oefenen op de ontwikkeling van het opgroeiend geslacht.

Van Alphen's succes als kinderdichter zet hem aan 't werk. Nog in hetzelfde jaar, waarin de Kleine Gedichten voor Kinderen van den vromen Hieronymus verschenen (1778), gaf 't Hoen andere uit onder den, aan zijn voorganger ontleenden, titel: Nieuwe Proeve van Klijne Gedichten voor Kinderen. De behoefte aan kinderpoëzie was zóó sterk, dat ook deze navolging tal van koopers vond: het jaar was nog niet om of een derde druk was noodig. Opvoedende kracht hebben ook 't Hoen's versjes vermoedelijk wel gehad; doch als kinderpoëzie staan zij verre ten achter bij Van Alphen's werk. Ook op het staatkundig leven wenschte 't Hoen invloed te oefenen; vandaar dat wij hem, eveneens in 1778, zien optreden met eenige pamfletten in dramatischen vorm (Het Engelsche en Americaansche kaartspel e.a.). Voor iemand met paedagogische en dramatische neigingen moest het nieuwe burgerlijk drama een aantrekkelijk genre zijn; zoo zag dan in 1779 een tooneelspel het licht, getiteld Dorvant of de Zegepraal der Liefde in 4 bedrijven en proza, door 't Hoen geschreven onder den schuilnaam: J.A. Schasz M.D. In het voorbericht deelt de auteur ons mede, dat de uitgave van eenige, uit vreemde talen overgezette, tooneelstukken hem een prikkel was geweest ‘om (z)ijn vermoogen aan het ontwerpen van zedelyke Tooneelstukken te koste te leggen.’

Bij het stuk zelf, goed bedoeld, doch ondanks zijne opgeschroefdheid tamelijk onnoozel, behoeven wij niet stil te staan. De onrustige auteur, wiens beweegredenen tot het schrijven onder een anderen naam wij niet kunnen gissen, liet vooreerst het burgerlijk treurspel rusten, om verder te gaan langs den weg, door hem met zijne pamfletten betreden. In Januari 1781 maakte hij een aanvang met de uitgave van het staatkundig

[p. 488]

blad De Post van den Neder-Rhijn (1781-'87). Weldra deed hij zich in dat blad kennen als heftig patriot; het werd veel gelezen, vond bij de eene partij veel bijval, verbitterde de tegenpartij. In Utrecht werd een proces tegen De Post gevoerd; in Arnhem werd het in 1786 door den ‘Meester van den Scherpen Zwaarde’ openlijk verbrand.

Dat 't Hoen het bij den omkeer van 1787 geraden achtte, de Republiek te verlaten, zal niemand verwonderen; hij nam de wijk naar Frankrijk en woonde o.a. te Duinkerken. In zijne ballingschap hervatte hij ‘meester zijnde van (z)ijnen tijd’ de vroegere letterkundige bezigheid en gaf in 1789 een aantal brieven over de zeden, gewoonten en het leven in de Republiek onder den titel De Vlugtende Wysgeer. Ook het tooneelspel nam hij weer ter hand en begon in 1790 met de uitgaaf van een Vaderlandsche Schouwburg bevattende oorspronkelijke Tooneelstukken; dat magazijn zou stukken bevatten, ontleend aan ‘waare Nederlandsche Gebeurenissen’, die stukken zouden strekken ‘tot verbetering der zeden en opwekking van die aandoeningen van 't hart die de drijfveeren der beste daaden zijn.’ Zoo vinden wij hier dan ettelijke tooneelspelen, klaargemaakt volgens dat recept, zooals De geredde Grenadier, De Beste Broeder, Het Beleg van Alkmaar, Frederik en Charlotte of de Edelmoedige belooning der Deugd, Eduard en Emilia of de Zegepraal der Standvastige Liefde, die ten deele reeds door hunne titels spreken, alle in proza en meerendeels in drie bedrijven. Hier en daar (als b.v. in Frederik en Charlotte) ziet men in den dialoog en de ontwikkeling der handeling, dat stukken als die van Iffland en Kotzebue niet zonder invloed zijn gebleven; doch over het algemeen ontbrak het 't Hoen te zeer aan dramatisch talent dan dat hij een goed of ook maar verdienstelijk stuk zou kunnen voortbrengen.

Een der hier voorkomende stukken onderscheidt zich van de

[p. 489]

overige: Godefroy de Dwingeland.... of de Redder van zijn vaderland (1793). Niet zoozeer door dat het, in proza en 5 bedrijven vervat, door den auteur treurspel genoemd wordt, want naar den vorm verschilt het bitter weinig van de met toneelspel betitelde stukken; doch omdat dit middeleeuwsch-historisch stuk, dat afkeer van tyrannen preekt en opwekt tot waken voor de vrijheid, blijkbaar een politiek strijdstuk was tegen Willem V en den Pruisischen koning die hem steunde. Reeds in den aanvang van het stuk blijkt die bedoeling, waar wij zekere Adeleid en Kunegund in gesprek zien:

 
Adeleid.
 
De kroon en scepter zijn schitterend en verruklijk.
 
Kunegund.
 
In de oogen van die laage zielen, die voor de slaavernij gelijk de wormen voor het stof geschikt zijn; in 't oog der gevoeligen, die de waarde van den mensch kennen, bezitten zij geenen glansch, dan op 't hoofd en in de hand van den vriend der Deugd en der Vrijheid. De schitterende luister van eenen dwingeland is bij den voorstander der vrijheid een verdelgenden bliksemstraal.’

Zoowel hier als in het vervolg, waar Kunegund zich beklaagt, dat de tyran Godefroy ‘de rechten (harer) medeburgeren als vlugtig zand in den wind heeft gestrooid’, ziet men duidelijk dat de auteur het oog had op zijn eigen tijd en den loop der zaken na 1787.

Die loop der zaken bracht een paar jaar later den tyran Godefroy-Willem ten val en Pieter 't Hoen in de Republiek terug. Hij werd benoemd tot Secretaris-Generaal van 's Lands Representanten te Utrecht en kreeg dus in menig opzicht wat hij had gewenscht en waarvoor hij had gestreden. Ook nu echter wacht hem teleurstelling. Met lust en opgewekt-

[p. 490]

heid was hij in 1796 begonnen met De Nieuwe Post van den Neder-Rhyn en zette dat tijdschrift nog drie jaren voort. Maar alras bemerkte hij, dat de nieuwe orde van zaken geen verwezenlijking zijner idealen zou brengen. In eenige zoogenaamde ‘klugtige blyspelen’, pamfletten in dramatischen vorm (De Kwakzalver van Staat, De Geest van Doctor Schasz, Lucifer en Beëlsebub en andere) van het jaar 1796, drijft hij den spot met de revolutionnaire denkbeelden der heerschende partij, laakt de domheid van het volk dat geen beter bestuurders weet te kiezen, stelt het gedrag der Fransche bevrijders aan de kaak. Ook nu school hij weg - en het was hem geraden - achter den Med. Doctor Schasz; maar men mag betwijfelen, of het hem gelukt zal zijn die anonymiteit te handhaven. Naar den vleesche is het 't Hoen althans niet gegaan. Wij hooren minder en minder van hem; blijkbaar is zijn rol uitgespeeld en raakt hij aan lager wal. Een brief in 1810 door hem gericht tot een vroegeren vriend, den Parijschen predikant Marron, is een rechte bedelbrief: ‘Och neem het Uwen Ouden Vriend Pieter niet kwalijk, dat hij de vrijheid neemt U WelEd. Gestr. dezen toetezenden, en UWelEd.'s adsistentie en veel vermogende invloed tot behoud van hem en zijne talrijke familie van 6 kinderen en 3 kindskinderen tot zijnen laste te imploreeren.’

Wie op zijn 65ste jaar zulke brieven moet schrijven, kan zeker geen fortuinlijk man genoemd worden; toen hij eindelijk op 83-jarigen leeftijd stierf, was hij reeds lang vergeten. Om de eerlijkheid en vastheid zijner overtuiging verdient 't Hoen hooger gesteld te worden dan Nomsz en De Witte, al verheft hij zich als auteur niet boven het lage peil, waarop wij dit tweetal zien staan.

prepostterug  begin  verder