meer gegoeden en hooger ontwikkelden kring plaatste dan den Delftschen werkmanszoon te beurt viel. Te Haarlem uit Remonstrantsche ouders geboren, studeerde hij te Leiden in de medicijnen en promoveerde er reeds in 1770. Dan krijgt hij gelegenheid om buitenslands - maar onder gunstiger omstandigheden dan Paape - levens-ervaring en menschenkennis op te doen, zijn oordeel te scherpen, zijn blik te verruimen. Na zijn promotie trekt hij met Van Kinsbergen naar Rusland; voorspoediger dan Swildens, vindt hij er werk: hij krijgt een aanstelling aan de kadettenschool te St.-Petersburg. Op een reis door de landen aan de Zwarte Zee leert hij Rusland en het Russische volk beter kennen. Na zijn terugkeer vestigt hij zich als dokter bij de marine te Amsterdam. Aan dat verblijf in den vreemde gedurende de beste jaren zijner ontwikkeling zal men ten deele de frischheid van geest en de onbevangenheid van blik moeten toeschrijven, welke Van Woensel als auteur kenmerken. Die eigenschappen openbaart hij vooral in het tijdschrift De Lantaarn, dat hij in 1792 onder den schuilnaam ‘Amurath-Effendi, Hekim-Bachi’ begon uittegeven en tot 1801 voortzette.
In zijn kracht zien wij hem vooral na 1795, toen de oude Republiek bezweken en een nieuwe orde van zaken tot stand was gekomen; daarom zullen wij eerst in de tweede helft van dit deel uitvoeriger over hem spreken. Wat hij als auteur vermag, toont hij echter ook reeds vóór 1795 hier en daar; zoo b.v. in zijn scherpe en vermakelijke polemiek tegen een schrijver der Monthly Review, die hem voor een ‘aap van Sterne’ had uitgemaakt.
Wie, als Van Woensel, menschenkennis paarde aan bezadigdheid, gezond verstand aan onbevangenheid van oordeel, en daarbij zulk een vaardige pen bezat, kon nog goede diensten bewijzen aan de algemeene zaak. Dat hij zulks inderdaad gedaan heeft, zullen wij in het vervolg van dit deel zien14).