I. Balladen en romancen.Het is geen toeval noch willekeur, dat juist deze liederen hier de eerste plaats innemen; in zekeren zin hebben zij er recht op als eerstgeborenen. Evenals in de letterkunde der meeste beschaafde volken, is ook bij ons de epische poëzie de oudste, al bestond ze hier voornamelijk uit vertalingen. De verhalende liederen nu, die men tot de episch-lyrische poëzie kan brengen, sluiten zich nauw aan bij de epische poëzie en vormen als het ware een overgang tusschen de twee dichtsoorten epos en lyriek. Hij, die eenigszins bekend is met onze epische ridderpoëzie, zal zich dan ook spoedig thuis gevoelen in de wereld, waarheen balladen en romancen hem lokken. Want hier als daar ziet hij de edelvrouwen, die ‘op hogher salen ligghen’ en den geliefde verwachten of ten tinnen naar hem uitzien, de jonkvrouwen, die den minnaar verbeiden in den ‘bogaert’ en met sneeuwwitte handen kransen vlechten bij de fontein; die met zonsopgang de nachtelijke rustplaats onder de groene linde verlaten en met den beminde verder rijden door het geurige bosch, waar de vogels ontwaken, de dauw nog op bloemen en kruiden ligt en het zonlicht in de bladeren begint te spelen. Ook hier woont men op hooge kasteelen, kleedt men zich in zijden gewaden, vlecht men parelsnoeren door de blonde haren en drinkt den koelen wijn uit gouden schalen. Maar daarnevens ziet hij de ruwe zeden, roof en moord, vrouwen die geschaakt en verkracht
worden, roofridders die tol eischen of de weerloozen in donkere kerkers gevangen houden, arme melaatschen, die van elk geschuwd, in eenzaamheid hun ellendig leven leiden, graven en hertogen, die hunne vrouwen en dochters met vuistslagen ter aarde werpen en adellijke jonkvrouwen, die hunne minnesmart achter de kloostermuren trachten te vergeten of met het wichtige ridderzwaard een graf graven voor den geliefde, dien zij ‘versmoort in syn bloet’ onder de groene linde gevonden hebben. En te midden van deze bonte en schitterende ridderwereld herkent hij roemrijke schimmen uit vroegere eeuwen: hij ziet den trouwen Hildebrand huiswaarts rijdende en in gevecht met zijnen hem onbekenden zoon, in ‘Mi Adel’ meent hij de schoone Gudrun te herkennen, eene reuzin draagt den Jager uit Grieken over hemelhooge bergen en heer Halewijn zingt zijn tooverlied, dat allen die het hooren dwingt te volgen. Is zoo het verleden nog in het heden zichtbaar, ook ‘wat worden zal’ is reeds te bespeuren. Want een boer bedriegt de edelvrouwe, die zich uit hebzucht aan hem heeft prijs gegeven, een ridder verbergt zich in een meelzak om de schoone molenaarsdochter te kunnen genaken en adellijke vrouwen boeleeren met schrijvers en knechten; niet ver meer zijn de mannen en vrouwen van den derden stand, die weldra de plaatsen van ridders en jonkvrouwen zullen innemen. Wil men een eenigszins geregeld overzicht van onzen balladen- en romancenschat verkrijgen, dan moet men zich m.i. het eerst wijden aan eene beschouwing van diegene, welke nog herinneringen bevatten aan den voorchristelijken tijd, aan heidendom en oudgermaansche mythen of sagen om daarna tot de eigenlijke ridderromancen over te gaan. Wel zijn die liederen soms met toevoegsels van lateren tijd vermengd, in een enkel geval tot onkenbaar wordens toe, maar inhoud en vorm beide leveren toch bij de meeste overvloedige bewijzen om hunne afkomst te staven. Een onzer oudste liederen is zeker het lied van Halewijn 1) . |
1) Hor. Belg. II, no. 9. Ook bij Willems no. 49, de Coussemaeker no. 45, Böhme no. 15, Uhland no. 74 D. en elders.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De held van dit verhaal is een toovenaar, die door de onweerstaanbare macht van zijn gezang de maagden dwingt hem te volgen en hen dan vermoordt. Eindelijk echter slaat ook zijne ure, want zijn laatste slachtoffer houwt hem het hoofd af. Het nederlandsche lied verplaatst ons reeds dadelijk bij den aanvang ‘in medias res’ en is daarin echt episch, gelijk het in den snellen, soms springenden verhaaltrant geheel het karakter der ballade vertoont.
Aldus vangt het lied aan, dat in veertig dergelijke strofen het verhaal bevat. Een schoon koningskind hoort de verleidelijke tonen. Zij smeekt achtereenvolgens vader, moeder en zuster om tot den zanger te mogen gaan, maar allen weigeren en waarschuwen haar: ‘die derwaert gaen en keeren niet.’ Van haren broeder verkrijgt zij eindelijk het gewenschte ‘oorlof.’ Nu tooit zij zich met hare schoonste gewaden en vertrekt. Er is iets onbeschrijfelijk bekoorlijks in de schildering van die schoone koningsdochter: de kroon van goud op het blonde haar, in de met paarlen bezette keerle (opperkleed), die het met gouden banden gesnoerde keursje en het roode met gouden knoopjes versierde onderkleed zichtbaar laat, schrijlings op haar paard gezeten, zoo rijdt zij zingend door het bosch en den zanger te gemoet. Spoedig is hij gevonden en rijden zij naast elkander voort. En niet lang hebben zij gereden of.
Hij deelt haar mede, dat zij sterven moet; zij zelf moge beslissen op welke wijze en als zij het zwaard gekozen heeft, spreekt zij tot hem:
Haar besluit is genomen. Terwijl hij zijn kleed en dus ook zijn zwaard uit de hand legt, houwt zij hem met snellen slag het hoofd af. Zingend is zij gekomen en zingend rijdt zij weer huiswaarts met het afgehouwen hoofd bij zich.
Triomfeerend rijdt zij Halewijns moeder voorbij, steekt den horen, die aan de poort van het vaderlijk kasteel hangt en wordt met gejuich ontvangen.
Ziedaar den inhoud in het kort wedergegeven. Het nederlandsche lied is zeker zeer oud. Allereerst duidt de stof dat aan, ook trekken van ruwheid, zooals b.v. dat het jonge meisje het afgehouwen hoofd bij het haar neemt, in eene bron wascht en mede naar huis neemt, waar het onder een feestmaal op tafel prijkt. Ook de melodie schijnt op ouderdom te wijzen 1) evenals de zuivere vorm van het lied 2) , de vele assoneerende rijmen 3) en de echt epische herhalingen der zelfde strofen. Ik zou het in de 14e eeuw misschien in de 15e willen plaatsen, maar beken gaarne in dezen geene zekerheid te kunnen geven. Over het algemeen is het uiterst moeilijk den juisten tijd te bepalen, waarin deze verhalende liederen zijn vervaardigd; slechts enkele leveren daartoe voldoende gegevens en dit lied, werd eerst in onzen tijd door Willems afgeschreven van losse en voor het volk gedrukte blaadjes. De naam: Halewijn was zeer bekend, vooral in de liederpoëzie. Zoo treffen wij een koning Alewijn aan in het lied van Mooi Aaltje, dat ook zeer oud is en eveneens in een later te bespreken lied, waarin melding wordt gemaakt van een ‘hir Alewyn’. De Coussemaeker haalt een plaats aan uit de ‘Histoire de Flandre’ van Kervyn de Lettenhove, waarin gesproken wordt over ‘un |
2) Daarover uitvoeriger in het hoofdstuk over: Vorm en samenstelling.
3) als: gaet, bewaert; lyve, zyde; rok, knop; galge, zalve.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
brigand redoutable’, wien de naam Allowin (qui prend tout) gegeven zou zijn en die naderhand den naam Bavo had aangenomen. Op voorbeeld van den heer K. d. L. brengt hij de geschiedenis van Halewijn in verband met het leven van dien roover. Ik acht het veiliger dit in het midden te laten, vooral daar wij later dikwijls zullen opmerken, hoe weinig het volk zich bekreunt om namen en slechts de feiten onthoudt om die aan een of anderen bekenden naam vast te knoopen. Over de geschiedenis van dezen toovenaar met zijn verleidelijk lied kan men uit Böhme's uitnemend werk allerlei wetenwaardigs vernemen. Wij lezen daar o.a. ‘De tooverkoning Halewijn, die door de macht van zijn lied de harten zóó wist te verstrikken, dat allen die het hoorden bij hem wilden zijn, die argelooze maagden lokte om ze dan te dooden, totdat eene koningsdochter hem overwon, is niemand anders dan Wodan, die zich als speelman van wonderbare kunstvaardigheid in het gebied van sprookjes en volkssagen heeft teruggetrokken......................................... Als zanger met onweerstaanbare toovermacht gelijkt Halewijn op den zweedschen watergod ‘Strömkarl’, van wiens lokkende, betooverende melodiëen de sage vertelt: dat slechts tien van de elf mochten gespeeld worden; bij de elfde die aan den Geest der nacht en zijne schare toekomt, zouden tafels en banken, kannen en bekers, grijsaards en bestjes, zelfs kinderen in de wieg dansen. Wie van hem onderricht heeft ontvangen, is meester in de kunst en kan spelen, dat de boomen dansen en het water in zijn loop stil staat. Ook de zanger Horand uit de Gudrun-sage heeft mythische trekken: in hem is onder een anderen naam de ontzagwekkende gestalte van den oppergod Wodan verborgen, die voor den uitvinder en beoefenaar der dichtkunst wordt gehouden.’ Ik heb deze uitgebreide toelichting overgenomen, omdat zij den met deze zaken onbekenden lezer op de hoogte brengt van veel, dat hij noodig heeft om dergelijke liederen te begrijpen en de veranderingen te kunnen nagaan, waaraan zij in den loop der tijden zijn blootgesteld. Dat onder den persoon van Halewijn
de oppergod Wodan schuilt, neem ik op gezag van Grimm gaarne aan. Dat hij buitendien ook gelijkenis vertoont met den zweedschen ‘Strömkarl’ dus met een nikker 1) kan ik ook zelf aantoonen uit een verwant noorsch lied 2) . Het is getiteld ‘Nykkjen’ (d.i. de nikker) en behoort blijkbaar tot een veel ouder tijdperk dan het onze. Merkwaardig genoeg heeft het oude noorsche lied geheel denzelfden vorm als het nederlandsche (tweeregelige strofen en in elken regel vier heffingen). Hier is het echter de watergeest, die door het gezang wordt aangelokt:
Want de watergeesten zijn hartstochtelijke minnaars van zang en dans 3) . De nikker voert het meisje met zich en wordt door haar doodgestoken.
Oorspronkelijk is dat zeker niet zoo geweest. Zeer waarschijnlijk zal in vroegere lezingen de stervelinge niet de zege hebben behaald op den nikker, maar omgekeerd. Terecht zegt Bugge dan ook, dat dit slot wel ontleend zal zijn aan een ander lied, waarin de schaker een mensch was 4) . De oorspronkelijke inhoud der sage, die ook in het nederlandsche lied bezongen is, was naar mijne meening eene liefdebetrekking tusschen een watergeest en een sterveling, eene betrekking, die haren oorsprong wel te danken zal hebben aan het innerlijk welbehagen, |
1) ‘Nicker’ of ‘necker’ was de gewone naam voor watergeesten hier te lande. Zie v.d. Bergh. Ned. Myth. bl. 180.
2) In de ‘Gamle Norske Folkeviser udgivne af Sophus Bugge bl. 66.
3) ‘Die Liebe der Elben zu Spiel, Gesang und Tanz zeigt sich nirgends mächtiger als bei ihnen’ zegt Simrock op bl. 448 zijner ‘Mythologie’ van de watergeesten sprekende.
4) t.a.p. Slutningen (nl. van een ander deensch lied) er mer aegte end den i Optegnelserne fra Telemarken (de bovenaangehaalde) hvor Jomfruen draeber Nökken med sin kniv, hvilket Traek vistnok er laant fra en anden Vise, hvor Forföreren var et Menneske.’
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
dat de natuurmensch ondervond, als zijne van de jacht vermoeide ledematen op het fijne rivierzand rustten en de koele golfjes om hem heen kabbelden. Of wie heeft ooit onder ruischende populieren, eenzaam, half gekleed op het frissche oevergras gelegen en straks daarna half zittend, half liggend in het koele, doorzichtige rivierwater geluisterd naar het gemurmel der golfjes om hem heen en Goethe's ‘Fischer’ er niet beter door begrepen? Keeren wij tot Halewijn terug. In lateren tijd moet de watergeest in een mensch veranderd zijn en uit dat tijdperk is ons lied afkomstig. Is er dan geen nederlandsch lied uit vroegeren tijd geweest, waarin de waterman voorkwam? Wie zal het zeggen? Vreemd zou het zeker niet zijn, want ik herinner mij zeer goed als knaap van Overijselsche boeren allerlei verhalen te hebben gehoord over den ‘watersnaak.’ Dit was een monster, dat volgens hen in een vijver op zeker buitengoed huisde en ieder die het water te na kwam, er in sleurde. Indien dan het geloof aan watergeesten zelfs nu nog niet geheel verdwenen is, dan moet het eens diep hebben geworteld in de gemoederen des volks. Hetgeen in ons lied Halewijn als bovennatuurlijk wezen kenmerkt, is slechts zijn gezang en hoe weinig licht zou die eene eerste strofe geven, indien wij geene andere aanwijzingen hadden dan deze. Oorspronkelijk bestond dat gezang uit de tooverrunen, waarmede elfen en dwergen zelfs de vogels deden zwijgen en het water stilstaan. Zoo lezen wij in het lied van de ‘Dvergens Datter.’ 1) .
en op de bekende plaats in de ‘Gudrun’ 2) lezen wij van den zanger Horant: |
1) Udvalgte Danske Viser (v. Nyeryp. e.a.) I, 282.
2) Uitgave van Martin str. 379.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
In eene verwante engelsche ballade 1) is het evenzoo gegaan. Ook hier is de nikker tot een ridder geworden, een ‘outlandish knight,’ die het meisje meelokt. Hier is de tooverzang verdwenen, maar daarentegen is de dood in het water gebleven. De inkleeding van het verhaal is vrij wel dezelfde als in het nederlandsche lied. Het is echter opmerkelijk, hoezeer de bijzonderheden in al deze liederen verschillen. Zoo worden in het nederlandsche lied zes strofen gewijd aan de kleeding der koningsdochter (str. 11-16); in het boven aangehaalde noorsche lied is het juist de kleeding van den nikker, die zoo uitvoerig wordt beschreven (str. 7-11.) Ook in het engelsche lied neemt het meisje eene list te baat om haren beul te verschalken, maar zij ontleent die aan het vrouwelijk schaamtegevoel; daarom zegt zij:
Nauwelijks heeft hij zich omgewend of:
En triomfantelijk laat zij er op volgen:
Er bestaat nog een nederlandsch lied, dat tot de Halewijn-sage in betrekking staat 2) . Ook daarin treffen wij al aanstonds |
1) vgl. Minstrelsy of the English border by Frederick Sheldon bl. 194. ‘The Outlandish knight.’
2) Opgenomen in de Hor. Belg. II, no. 29. H. v. F. nam het over uit een 18e eeuwsch volksliedboekje: ‘de vrolyke Oost-indiesvaarder,’ vgl. Hor. Belg. t.a.p. Ik trof het echter ook aan in: Scheltema's verzameling bl. 924 en de twee eerste regels van het lied ontleen ik aan den daar voorkomenden tekst, die mij ouder en beter toeschijnt.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
de macht van den tooverzang aan. Het lied begint nl. aldus:
Hij voert haar met zich en op hare weigering hem te huwen, slaat hij haar het hoofd af. De tekst is geheel bedorven, zoodat het dikwijls moeilijk valt den gang van zaken te onderscheiden. Maar dit is toch duidelijk, dat het meisje wordt meegelokt door het onweerstaanbare lied en door den zanger vermoord wordt. Ook herinnert de negende strofe vrij duidelijk aan het lied van Halewijn. Wanneer de schaker zijn slachtoffer het hoofd heeft afgeslagen, gaat het lied aldus voort:
Eene strofe, die doet denken aan de 33ste van het Halewijnslied, waar wij lezen:
al is de verhouding daar omgekeerd. Eene vergelijking met de drie verwante duitsche liederen van Ulinger, Adelger en Gert Olbert 1) toont ons, dat de aavangsstrofen der twee eerste liederen vrij wel overeenkomen met die van het tweede nederlandsche lied. Ik lees b.v. in B. |
1) Uhland's Alte Hoch. u. Niederd. volksl. no. 73 A, B. & C.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ook deze liederen behooren tot de sage ‘vom Mädchenräuber’ of de Blauwbaardsage, zooals Böhme zich uitdrukt en die laatste benaming doet ons de liederen weer van een ander standpunt beschouwen. Hooren wij eerst wat de duitsche onderzoekingen ons leeren. ‘De sage van den maagdenroover’ zegt Böhme 1) ‘is zeer verbreid en heeft aanleiding gegeven tot een aanmerkelijk aantal duitsche, nederlandsche en zweedsche volksliederen ... De roover heet Ulrich, Holdrich, ridder Ulinger of zooals in het nederlandsch Halewijn. De stof schijnt uit Noord-Frankrijk oorspronkelijk en spoedig van daar naar Duitschland te zijn overgebracht ................... Maar er bestaat toch meer grond om aan te nemen, dat onze liederen van den Maagdenroover ontstaan zijn uit verhalen over melaatsche roovers, die hunne vrouwen of geroofde maagden en kinderen achtereenvolgens doodden om zich met het bloed der vermoorden te wasschen.’ In de twee eerste duitsche liederen is het ook weer de ridder, die die door zijn lied eene jonkvrouw medelokt en haar dan wil vermoorden; in die poging wordt hij verhinderd door den broeder van het meisje. Ieder weet, dat men dezen toestand eveneens in het sprookje van Blauwbaard aantreft. In het derde, het nederduitsche lied van Gert Olbert is van den tooverzang geen sprake; daarentegen vertoont het vele trekken van overeenkomst met het eerste nederlandsche Halewijnlied. Ook hier wordt haar de keus gegeven, hoe zij wil sterven:
|
1) t.a.p. bl. 62. Hier als elders lever ik eene zoo getrouw mogelijke vertaling. Overal aan den voet der bladzijde tevens den origineelen tekst te geven ware zeker niet kwaad. Het was mij echter ondoenlijk wegens den omvang, dien het toch reeds omvangrijke boek dan zou hebben verkregen. Waar het echter noodig is, citeer ik bovendien.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Als in het nederlandsche lied kiest zij het laatste. Ook hier wendt het meisje de list aan om den roover zijn opperkleed te doen uittrekken:
En die list wordt met denzelfden uitslag bekroond; ook hier ontmoet het meisje op haren terugweg des moordenaars moeder, die naar heur zoon vraagt. De door het meisje gebruikte list komt alleen voor in het nederlandsche en in het platduitsche lied. In de twee hoogduitsche liederen is het juist de roover, die zijn slachtoffer haar kostbaar opperkleed wil ontnemen alvorens haar op te hangen, (vgl. A. 17 en 18 en B. 14 en 15.) Zoo zegt ook ‘the outlandish knight:’
Ik heb de verschillende bewerkingen dezer liederen medegedeeld en punten van verschil en overeenkomst aangewezen om den lezer als van zelf te brengen tot de gevolgtrekking, dat men in onze Halewijn-liederen velerlei invloed kan waarnemen. De betooverende macht van het ‘liedekyn’ komt voor in al de behandelde liederen behalve in het engelsche en het platduitsche, dat overigens echter het dichtst bij het eerste en voornaamste nederlandsche lied staat. Dat tooverlied is een mythisch element, dat wij als van zelf verbinden met den watergeest van de noorsche bewerking; hij moge er dan door aangelokt worden of er anderen mede verleid hebben. Later is de nikker in een ridder veranderd, maar hoezeer hij nog altijd naar zijn element, het water blijft haken, blijkt uit het engelsche verhaal, waar de ‘Outlandish Knight’ zijn slachtoffer in de zee wil werpen, uit den ‘waterstrom’ waarin Gert Olbert de ‘sköne Helena’ wil verdrinken, misschien ook
uit de ‘klare bron’ en de ‘diepe fontein’ der nederlandsche liederen en uit de bron ‘der war mit blut umbrunnen’ van een der hoogduitsche liederen (A. 9.) De macht van den tooverzang echter is hem, ook na zijn overgang tot ridder bijgebleven en de vele jonkvrouwen, die hij verlokt, maken hem tot een Blauwbaard en stellen hem in het oog der middeleeuwsche dichters en zangers op eene lijn met de melaatsche ridders of roovers, die kuische jonkvrouwen moorden om in hun bloed genezing te vinden. Op die wijze heeft men, naar ik mij voorstel, het oorspronkelijke, mythische element met latere middeleeuwsche sagen verbonden. Ik kan deze beschouwing niet verder uitstrekken, maar wijs er alleen nog op, dat het nederlandsche lied ook voorkomt onder de in onzen tijd te Brugge verzamelde liederen 1) . Het draagt daar den titel: Roland en vangt dan ook aan:
Dit lied telt 63 strofen en is verwaterd en gerekt; overal is de naam van Roland voor dien van Halewijn in de plaats gekomen en van het tooverlied is hier geene sprake. In een later te bespreken lied voorkomende in de verzameling van de Coussemaker 2) is koning Halewijn in de plaats getreden van den Heer van Brunswijk, die in den ouden, oorspronkelijken tekst van dat lied voorkomt. Verder zijn er twee strofen in het voornaamste nederlandsche lied, welke tot dusver niet besproken werden. Als de koningsdochter Halewijn heeft gedood, spreekt zijn afgehouwen hoofd nog deze woorden:
Maar het meisje weet zich te wachten; zij is op hare hoede en weigert. En op nieuw klinkt het: |
1) In de ‘Chants populaires Flamands’ der Hh. Lootens en Feys.
2) no. 46. ‘Halewyn en het kleine kind.’
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
En het antwoord luidt:
Blijkbaar zouden die twee maatregelen den toovenaar het leven hebben teruggeschonken. In het nederduitsche lied vind ik de eerste strofe terug:
Altemaal nieuwe bewijzen voor het bovennatuurlijke element in ons lied. Maar van waar komen die hoorn en die zalfpot? Ook de verhouding der verschillende liederen en hunne onderlinge betrekking tot elkander moet nog verklaard worden. Het zijn vraagstukken, die ik gaarne zou willen oplossen, zoo ik er kans toe zag. Daarin zou echter alleen door eene afzonderlijke, uitvoerige behandeling der geheele sage kunnen voorzien worden. Danielken 1) .Bracht Halewijns tooverzang ons in aanraking met de germaansche godenwereld, ook het lied ‘van heer Danielken’ hoort daar te huis, al schijnt ‘vrou Venus’ met wier naam de zijne onafscheidelijk verbonden is dat tegen te spreken. Zeven jaren heeft heer Daniel in den Venusberg doorgebracht, als hij eindelijk berouw gevoelt over zijn zondig leven en Vrouw Venus aankondigt, dat hij boete wil gaan doen in de eeuwige stad. Te vergeefs tracht zij hem te weerhouden, haar roode mond heeft zijne macht over hem verloren, hij neemt den staf ter hand en komt bij den paus vergiffenis en opbeuring zoeken. Maar hoe wordt de vermoeide pelgrim teleurgesteld! Na het aanhooren der biecht zegt de heilige vader:
|
1) A.L. no. 160. Willems no. 51. Hor. Belg. II. no. 4.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
En om den boetvaardigen zondaar nog duidelijker te toonen, dat voor hem geene hoop op genade bestaat, steekt hij een dorren stok in de aarde en spreekt:
Troosteloos keert Daniel weder in den Venusberg terug en nu baat het niet meer, dat na drie dagen werkelijk rozen aan den stok bloeien, noch dat de paus ‘bode ende wederbode’ zendt om den verstootene die blijde boodschap te verkondigen. Zooals velen reeds weten en anderen misschien na deze korte inhoudsopgave zullen opmerken, schuilt hier onder een nederlandschen naam de bekende minnezanger Tannhäuser. Dat desniettegenstaande dit lied tot het germaansche heidendom in betrekking staat, zal spoedig duidelijk worden na deze woorden van Grimm 1) : ‘De sage van Tannhäuser in den Venusberg is eene der aantrekkelijkste van de middeneeuwen; daarin worden het verlangen naar het vroegere heidendom en de hardheid der christelijke geestelijken op roerende wijze geschilderd. De berouwvolle, ridderlijke zanger Tannhäuser wil boete doen voor een in wellust doorgebracht leven; omdat hem echter absolutie zijner zonden wordt geweigerd, keert hij tot den dienst der wellust (de hel) terug... Zeer zeker zijn in de Tannhäusersage germaansch-mythische elementen verbonden met christelijke denkbeelden. In Venus herkent men de duitsche godin Holda (vrouw Holle), die ten gevolge eener verwensching op eene eenzame plaats in holle bergen woont en daar evenals eene koningin der dwergen hare luimen botviert en luisterrijk hof houdt. Daar klinkt verleidelijke muziek, wordt gezang en dans gehoord en leeft men slechts voor de liefde. Enkele menschen begeven zich tot haar en leiden daar een zalig leven; soms vindt men haar onder de ‘wilde jacht.’ De grijsaard, van wien Tannhäuser afscheid moet nemen is de trouwe Eckart; misschien is hij een heidensch priester; een van de hovelingen der godin, haar heraut en begeleider. Hij zit bij den |
1) Aangehaald bij Böhme, t.a.p. bl. 84.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Venusberg en waarschuwt de menschen, evenals hij ze waarschuwt tegen de wilde jacht.’ (In het nederlandsche lied vinden wij hem in str. 7:
‘Het volk heeft den Venusberg gelijk gesteld met de hel, zooals sage en liederen aantoonen. Met deze mythe nu werd een historisch persoon verbonden: de ridderlijke zanger Tannhäuser, wiens losbandig, zwervend leven zeer goed bij de oude sage past. Waarom in een verwant oudnederlandsch lied de held den naam Daniel draagt, is niet uitgemaakt.’ De geleerde Grässe is het in dezen niet geheel met Grimm eens 1) . Hij gelooft niet aan ‘Frau Holda,’ maar meent (en op goeden grond, dunkt mij) dat de sage oorspronkelijk betrekking zal hebben gehad op eene ‘Wasserfrau.’ Verder zegt hij nog: ‘In elk geval heeft de sage drie tijdperken van ontwikkeling doorleefd: eerst was zij zuiver heidensch d.w.z. eene elfengeschiedenis van het verkeer tusschen een sterveling en eene elf, daarop werd zij “gekerstend” (christelijk gemaakt) en eindelijk bracht men haar over op den dichter Tannhäuser.’ Het staat niet aan mij te beslissen, wie der twee geleerden gelijk heeft, al deelde ik reeds mede, dat Grässe's voorstelling mij aannemelijker voorkwam. Beiden zijn het er echter over eens, dat evenals in de Halewijnsage, ook hier een oorspronkelijk mythisch element verbonden is geworden met latere middeneeuwsche verhalen. Keeren wij na deze lange doch noodzakelijke uitweiding tot het nederlandsche lied terug. Dat het geene zelfstandige bewerking der sage is, blijkt al spoedig, wanneer wij het vergelijken met eenige der talrijke duitsche liederen, welke deze stof behandelen 2) . Beschouwen wij b.v. de eerste strofe: |
1) Vgl. ‘Der Tannhäuser und der ewige Jude von Dr. J.G. Th. Grässe’ Dresden. 1861. 2e aufl. bl. 18 en 19.
2) Eene opgave daarvan bij Böhme bl 82-87. Ik heb de drie bij Uhland voorkomende teksten no. 297 A.B. en C. als grondslag der vergelijking genomen.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Duidelijk is die laatste regel niet. Zoo hij al iets beteekent, dan is dat zeer onbeholpen uitgedrukt. (Wat hem door de liefde van vrouw Venus gebeurd is?) Wanneer wij echter bij Uhland in de eerste strofe van een der liederen (no. 297 A.) lezen:
dan wordt het m.i. duidelijk, dat de bewerker van het nederlandsche lied deze strofe heeft willen vertalen, maar haar niet heeft begrepen. Hij heeft het duitsche: Minne opgevat als een gemeen zelfst. naamwoord, terwijl het hier eene personificatie der liefde, de persoon van Venus voorstelt, gelijk zoo dikwijls in het middelhoogduitsch 1) . Door het geheele lied vind ik telkens strofen of alleenstaande regels, die teruggevonden worden dàn eens alleen in A., dàn eens in B., dan eens in C., in A en B. enz. Men vergelijke b.v.
Begreep de bewerker ook hier het duitsch wel goed?
|
1) Zoo b.v. bij Walther von der Vogelweide:
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Strofe 5 komt in alle lezingen voor, hoewel in eenigszins verschillende vormen. Str. 6-13 komen in hoofdzaak in A. en B. voor, voornamelijk echter in B. 16-23, al is de overeenkomst niet altijd letterlijk. Men vergelijke:
Ook str. 15-18, die ik hier niet zal uitschrijven vindt men in het nederduitsch terug (B. str. 27, 28, 24, 26 en 26). Nog een bewijs dat de bewerking waarschijnlijk niet zelfstandig is, meen ik te vinden in de zevende strofe van het nederlandsche lied, die ik hier te voren aanhaalde. Wij lezen daar in den tweeden regel: ‘Neemt oorlof aen die grysen’ dat onbegrijpelijk is. In de duitsche liederen staat: ‘nemet orlof van dem grisen’ (B. 16.) en ‘nemet urlob von dem greisen’ (A. 15.) Het is duidelijk, dat daar de ‘treue Eckart’ bedoeld wordt, die als wachter bij den berg zit. Maar hoe zou de nederlandsche bewerker er ooit toe hebben kunnen komen om van ‘die grisen’ te spreken, indien hij daarvan bewust ware geweest? Of moet hier aan corruptie van den tekst worden gedacht? Ik geloof het niet, want ik herinner mij niet dergelijke corrupties meer te hebben aangetroffen. Wanneer men dus ziet, dat de meeste strofen van het nederlandsche lied in hoofdzaak teruggevonden worden in de duitsche liederen, dat die overeenkomst zich dikwijls uitstrekt tot dezelfde woorden en uitdrukkingen en dat sommige plaatsen in het nederlandsche lied alleen verklaard kunnen worden door vergelijking met het duitsch, dan zal men wel mogen aannemen, dat de bewerker van het nederlandsche lied de duitsche liederen gekend en gevolgd heeft. Dat de volgorde der strofen in onze bewerking niet overeenkomt met die van een der duitsche liederen is reeds gebleken. Daar de volgorde der strofen aldaar volstrekt niet met
die van het nederlandsche lied overeenkomt, is het waarschijnlijk, dat de duitsche liederen den bewerker slechts door mondelinge overdracht bekend zijn geworden. Dat dan dezelfde gedachtengang niet in acht werd genomen, is licht verklaarbaar. Tot dusver werd nog niet aangeroerd, waarom de held van van het nederlandsche lied Daniel heet. De eenige, die eene poging doet tot verklaring hiervan, is Willems. Hij zegt nl. 1) ‘Waerom de held in het vlaemsche lied den naem van heer Daniel draegt en zijn zusters kinderen gezegd worden te Ronse (Renaix) te woonen, verklaere ik niet te weten. Misschien vindt men in de omstreken dier stad een Venusberg. Onder de romanhelden in het gezelschap van koning Artus treft men ook een' her Daniel aen en men kent verschillende Venusbergen, anders gezegd bergen waer vrouw Holda in woonde (die eerst laet in de middeleeuwen den naem van Venus verkreeg) by voorbeeld in den nederlandschen roman van Margaretha van Limburg.’ Dat een heer Daniel genoemd wordt onder de leden der ronde tafel, is zoo, maar het brengt ons niet veel verder. Ik heb de door W. bedoelde plaats vergeleken 2) en bevond toen, dat in die opsomming van ridders, welke deel uitmaakten ‘von der edlen taffelruude’ alleen Daniel's naam zonder meer vermeld wordt. Wij lezen daar:
Men zou daaruit opmaken, dat Wygoleis en her Daniel dezelfde persoon zijn. Echter heb ik bij eene lezing van het volksboek van Wigoleis 3) niets kunnen vinden, dat mij aan ons lied herinnerde. Mogelijk echter dat Wirnt von Gravenberg's Wigoleis zoo iets bevat. En verder herinner ik er aan, dat men reeds in een lied van de Casteleyn (c. 1488-1550) leest: ‘O schoonste ut vrau Venus berch.’ 4) . |
1) Zie Oude Vlaemsche Liederen bl. 129.
2) V.d. Hagen's Literarischer Grundriss bl. 188.
3) In Simrock's Deutsche Volksbücher II, 1.
4) Diversche Liedekens III, 4.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Laat ons nu eens nagaan, waar in het lied zelf over dien ‘heer Daniel’ gesproken wordt. Ten eerste zien wij, dat in de aanvangsstrofe zijn naam voor dien van Tannhäuser in de plaats is gesteld; verder in strofe 14, 18, 19 en 20 en eindelijk overal, waar in de duitsche liederen Tannhäuser's naam genoemd is. Geene der vier zoo even genoemde strofen komt in de duitsche liederen voor. In str. 14 lezen wij:
In str. 18-20:
Zooals ik reeds zeide, vindt men deze strofen niet in de duitsche liederen terug; nergens wordt van Tannhäuser's kinderen gesproken. Is het dan niet waarschijnlijk, dat deze vier strofen behooren tot een afzonderlijk lied, waarvan, werkelijk een heer Daniel de held was en dat door den bewerker met het Tannhäuser-lied is samengesmolten? Dat dit laatste meer dan eens gebeurde, zal ik in het vervolg van dit boek duidelijk kunnen aantoonen. In de merkwaardige voorbeelden, die ik daarvan kan aanwijzen, zijn echter steeds twee gelijksoortige liederen tot een versmolten; dat ligt dan ook in den aard der zaak en zal ook hier wel het geval zijn. De
vraag is dan slechts dat lied van heer Daniel te ontdekken, indien dat ten minste mogelijk is en het niet den weg is gegaan van zoovele andere liederen, welke geheel verloren zijn of waarvan wij slechts den titel of den aanvangsregel kennen. Blijkbaar zijn echter ook de vier bedoelde strofen oud. Dat blijkt b.v. uit de assoneerende rijmen (kinder: vriendinne; sitten: schincken; spelende: ghesweghen); uit het aanbieden van wijn door de gastvrouw zelve, dat als een teeken van hooge eer werd beschouwd 1) ; uit de ‘seven camerieren’ - zeven is, zooals men weet, het vaste getal in de oude epische gedichten en de vorm: cameriere is ouder dan de tegenwoordige: kamenier. De uitdrukking: ‘al lachende ende al spelende’ lees ik ook in het oude lied van Brunenborch, dat minstens uit de 15e eeuw dagteekent, maar zeker wel ouder is. Wij vinden daar: 2)
Met deze opmerking is de zaak zeker nog verre van opgelost, maar is mijne voorstelling juist, dan hebben wij toch iets gewonnen, al was het slechts in het stellen der vraag. Die samensmelting der twee liederen zal dan waarschijnlijk geschied zijn door hem, die zich in de toegevoegde slotstrofe (welke niet in het duitsch voorkomt) aanduidt met deze woorden:
|
1) Wij zien dat b.v. in het duitsche Hildebrandslied (Uhl. no. 132, 20.) Hadubrand heeft juist aan zijne moeder medegedeeld, dat de gewaande gevangene haar echtgenoot is en hij vervolgt dan:
2) Hor. Belg. II, no. 6, 17.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Daar het lied reeds in het A.L. dus reeds in 1544, voorkomt, stel ik deze bewerking minstens in de eerste jaren der 16e eeuw, maar houd het voor waarschijnlijk, dat zij reeds in de laatste helft der 15e eeuw vervaardigd is. De twee Koningsdochterkens 1) .Grässe zegt van de Tanhäuser-sage, dat zij ‘christianisirt’ - gekerstend - werd. En niet alleen die sage onderging dergelijke veranderingen. Elk weet, hoe de eerste verkondigers van het Christendom dikwijls tot allerlei kunstgrepen hunne toevlucht moesten nemen om het heidendom uit de harten des volks te verdrijven, hoe zij aan heidensche godheden en gebruiken een christelijke tint wisten te geven, die de oorspronkelijke kleur welhaast aan het oog zou onttrekken, al bleef ze hier en daar doorschemeren. Ook in de poëzie trok men tegen het heidendom ten strijde. Zoo moesten de Heliand en Otfrid's Krist de duitsche ‘Recken’ uit het heldentijdperk van het tooneel dringen en ook later is die strooming in de letterkunde steeds zichtbaar. ‘Want gelijk de wereldlijke kunst in Karel en Arthur het middenpunt had van eenen geheelen sagenkring, zoo had de gewijde poëzie in Christus haren held en om hem schaarde zich weldra een breede rij van heiligen en martelaren, wier eigenaardige geestelijke heldendaden met evenveel geestdrift gevierd, werden als die van Roeland of Walewijn.’ 2) Ook in de liederpoëzie is datzelfde streven merkbaar. In de 15e eeuw zijn tal van wereldlijke liederen omgewerkt tot geestelijke en ik meen dat iets dergelijks geschied is met het lied, dat ik nu zal behandelen. Eerst in onzen tijd werd het door de Coussemaeker uit den mond des volks opgeschreven, maar het is ontwijfelbaar uit veel vroegeren tijd afkomstig. Reeds een kort overzicht kan dat duidelijk maken. Men oordeele zelf; het lied vangt aan:
|
1) De Coussemaeker. no. 49.
2) Jonckbloet. Gesch. der Mul. Dichtkunst II, 251.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De vader brengt zijne gestorvene dochters in twee wagentjes naar ‘de hemelsche poorte;’ het jongste maagdeken wordt binnengelaten, maar de oudste ter helle verwezen.
Hare ontvangst in de hel wordt aldus beschreven;
De heer Ronse, die het lied aan de C. zond, schreef er bij: ‘Le texte de cette saga ne nous est pas parvenu fidèlement; on peut néanmoins reconnaître, que le fond en est fort ancien’ en de C. acht dit eene ‘remarque judicieuse.’ Waarom is mij niet duidelijk. En toch zal ieder, dunkt mij, na de lezing van het lied erkennen, dat hier genoeg viel aan te wijzen, dat aan oude tijden herinnert. Ten eerste, de aanhef die op dien van een sprookje gelijkt: - Een koning die hadde twee dochterkens. - Dan de tegenstelling der goede en der booze dochter, welke zoo dikwijls onder allerlei vormen in de sprookjeswereld terugkeert; de prinses, die met een gouden kroontje op het hoofd ten dans gaat, het sterven in één nacht en de daarbij aangegeven tijden: zonsopgang
en middernacht. Ook het laatste gedeelte - de vermelding van het aanbrengen van een stoel en een kussen en het aanbieden van een dronk, komt reeds in de oudste liederen voor 1) . En dan de drank van sulfer en pek, de ‘vuyle stank’ die in de middeleeuwsche helleschilderingen zulk een belangrijk element is, de grondelooze beker, waaruit het meisje drinkt - mij dunkt, er waren bewijzen genoeg om die ‘remarque judicieuse’ te staven. Ik kan dan ook niet anders denken, of wij hebben hier te doen met een zeer oud lied, met een sprookje, waaraan in lateren tijd (waarschijnlijk door een geestelijke) eene christelijk-stichtelijke strekking is gegeven. Talloos toch zijn in de sprookjesliteratuur die verhalen van broeders of zusters, die bij gelegenheid van de eene of andere moeilijke onderneming, een grijsaard, dwerg of vermomde toovergodin ontmoeten en geloond worden, elk naar de wijze, waarop hij of zij zich gedraagt 2) . Als voorbeeld wijs ik op het bekende verhaal van ‘Frau Holle.’ 3) Daar wordt verhaald van eene weduwe, die twee dochters had. De eene - hare stiefdochter - was schoon en arbeidzaam, de andere - hare eigene dochter - was leelijk en lui. Terwijl het schoone meisje eens bij eene bron zit te spinnen, valt de spoel in het water. In hare radeloosheid springt zij die na en als zij weer tot zich zelf komt, is zij in de liefelijke beemden, waar vrouw Holle woont. Zij verricht ook hier weer met de gewone vlijt allerlei diensten en geniet daarvoor een gelukkig leven. Maar als het heimwee haar bevangt, kan zij niet langer blijven. Op hare |
1) Zoo in A.L. No. 34 (een oudt liedeken’)
2) Ik wijs o.a. op het verhaal uit de Duizend-en-eene nacht: ‘De drie prinsen en de wondervogel’ op Grimm's Kinder und Hausmärchen no. 57 ‘Der goldene Vogel,’ en no. 13 ‘Die drei Männlein im Walde.
3) t.a.p. no. 24.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bede wordt zij door vrouw Holle voor eene groote poort geleid, de deuren ontsluiten zich en juist als zij er door wil gaan, valt een gouden regen op haar en al het goud blijft aan hare kleeren hangen tot loon voor zooveel trouwe diensten. Nu zendt de stiefmoeder ook hare eigene dochter naar de bron. Ook deze komt tot vrouw Holle, maar verloochent haren aard niet. Al spoedig wordt de dienst haar opgezegd en ook zij voor de groote poort gebracht. Als zij er echter door wil gaan, wordt een groote ketel pik over haar uitgestort en al het pik blijft aan haar hangen, haar leven lang. Ik geef dit verhaal niet uit voor de bron van ons lied, maar slechts als een voorbeeld van gelijksoortige sprookjes. Houdt men dat in het oog, dan zal men wel eenige overeenkomst bespeuren, misschien tot in de poort bij vrouw Holle en de helsche en hemelsche poorten van het lied. Ook in het duitsch werd eene dergelijke stof in liederen bezongen. Zoo teekende Simrock uit den mond des volks een lied op, dat hij ‘Höllenstrafe’ noemt 1) en Von Erlach deelt een dergelijk lied mede onder onder den titel ‘Die drei Königstöchter’ 2) . Het eerste lied vangt aan:
Dat van Von Erlach luidt aldus:
|
1) Die deutschen Volkslieder no. 68.
2) Die Volkslieder der Deutschen III, 65. Ook het lied van Simrock heeft hij opgenomen in II, 573 schoon met varianten.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Zij gaan allen op weg naar de hemelpoort. Sint Peter laat de twee oudsten binnen, maar de jongste moet ter helle; ‘want’ zegt de heilige:
De duivel neemt haar tot zich; zij wordt op een gloeienden stoel gezet en een gloeiende beker wordt haar in de hand gegeven:
Ik wijs nog op de afwisseling van strofen van drie of meer regels, die zoowel in het nederlandsche als in het eene bij Von Erlach opgeteekende lied voorkomen. Ook hier op, dat Simrock het lied vond in de omstreken van Bonn, terwijl de tekst van von E. een volkslied is van het eiland Rügen; blijkbaar was het verhaal dus zeer bekend en verbreid. De duitsche liederen zullen wel op dezelfde wijs ontstaan zijn als het nederlandsche. De rozen en leliën, waarmede de twee oudste zusters gesierd worden, de naalden, waarmede men de jongste zuster beprikt, behooren dan ook thuis in de sprookjeswereld. En hiermede nemen wij voorloopig afscheid van goden en watergeesten, van toovenaars en feeën en richten het oog naar historischen bodem, waar Hildebrand en Wolfdietrich ons wenken. Hildebrand 1) .Leefde de machtige koning der Oost-Goten ‘Von Berne Dieterich’ nog lang in de harten van het duitsche volk voort, zijn trouwe dienaar Hildebrand werd evenmin vergeten en reeds in de 8e eeuw werd hij de hoofdpersoon van een op zichzelf staand gedicht in nedersaksischen tongval geschreven. Maar ook in de volgende eeuwen bleef zijne nagedachtenis bewaard en steeds weer zong men van den terugkeer des helds naar Verona, van de vijandelijke ontmoeting met zijnen hem onbekenden |
1) A.L. no. 83 ‘Van den Ouden Hillebrant.’
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
zoon op den weg derwaarts, van hunne herkenning en hunnen gezamenlijken terugkeer naar vrouw Goedele. Dat is dan ook de inhoud van het lied, dat ten minste in de eerste helft der 16e eeuw ten onzent in druk bekend werd en bewerkt is naar duitsche voorbeelden. Tot beter verstand van hetgeen volgen zal, breng ik nog even de stof, waarvan in ons lied sprake is, in herinnering: Diederik van Berne (zooals de koning der Oost-Goten Theodorik ten onzent heette) is met zijn trouwen dienaar Hildebrand naar het hof van Attila gevlucht om zijnen vijand Odoacer te ontgaan. Na dertig jaren komt de oude Hildebrand naar Bern (Verona) terug en ontmoet onderweg zijn zoon Hadubrand, dien hij als een kind verlaten heeft. Zij geraken in strijd, de vader overwint den zoon en dwingt hem zijnen naam te noemen, waarna de herkenning volgt. Samen trekken zij nu naar vrouw Goedele, die haren echtgenoot niet dadelijk herkent, maar door haren zoon van het gebeurde wordt onderricht. Dat het nederlandsche lied in den vorm, waarin wij het kennen, uit het duitsch is vertaald, daarover kan geen twijfel zijn voor elk, die het slechts vluchtig vergelijkt met de duitsche liederen. Willen wij echter trachten iets vast te stellen omtrent wijze en tijd der vertaling, dan moeten wij natuurlijk in de eerste plaats weten, welk lied als voorbeeld heeft gediend. Hooren wij eerst Hofemann van Fallersleben: ‘Das niederländische Lied ist ganz nachgebildet dem deutschen, wie es sich in fliegenden Blättern seit dem Anfang des 16. Jahrh. erhalten hat, S. Uhland no. 132 und die Nachweisungen S. 1013. Die 17e Strophe findet sich im deutschen nicht und die Schlussstrophe ist von der deutschen 'ganz verschieden.’ Hij haalt daarop eenige voorbeelden aan van duitsche woorden als: merke en tsoheime, die geheel en al duitsch zijn en eenige woorden en uitdrukkingen, die door den vertaler ‘ganz missverstanden sind.’ H. v. F. heeft bij deze uitspraak echter geene rekening gehouden (en kon dat misschien ook niet) met de nederduitsche bewerking van het Hildebrandslied. Wel is deze, zooals de uitgever
Karl Bartsch zegt 1) ‘im wesentlichen nur umschreibung aus dem hochdeutschen Dialekte,’ maar zij heeft toch ook veel, dat men niet in het hoogduitsch vindt. En wanneer wij nu zien, dat al die volgens H. v. F. ‘ganz missverstandene’ uitdrukkingen vertalingen zijn uit het nederduitsch en dat het nederlandsche lied bovendien meer trekken van gelijkheid vertoont met het nederduitsche dan met het hoogduitsche, dan zal men wel mogen aannemen - wat men trouwens ook reeds zou verwachten - dat de bewerker zich bij zijne vertaling van het nederduitsche lied bediend heeft. Om die punten van overeenkomst te duidelijker te doen opmerken, zal ik de voornaamste plaatsen der drie bewerkingen naast elkander rangschikken. Al dadelijk wordt onze aandacht getrokken door het verschil van namen en daarover wil ik vooraf even spreken. Het hd. lied (bij Uhland) noemt Hildebrand's echtgenoote ‘fraw Ute’ en dien naam draagt zij ook in de heldensage. In de nederlandsche bewerking vinden wij daarvoor ‘vrou Goedele.’ Deze overgang, die anders niet licht verklaarbaar zou zijn, wordt duidelijk, als wij in de nederduitsche bewerking ‘frow Gûde’ lezen. Nu was toch de overgang gemakkelijker, want (zooals wij ook later zullen zien) de liederdichters willen ook in de namen der personen nationaal blijven en Goedele is de nederlandsche naam, die het meest op Gûde gelijkt 2) . Zoo heet Hildebrands zoon in het hd. Alebrant, eene verbastering van Hadubrand. In de nederlandsche bewerking heet hij eenvoudig: de jonghe Hillebrant en ook dat vinden wij terug in het nederduitsch, waar gesproken wordt van ‘din sön de Hillebrant’ en ‘den jungen Hillebrant.’ De verdere plaatsen zijn: |
1) Germania, 7, 284.
2) Echter kwam de vorm: Gût ook reeds in het hoogd. voor, maar toch niet in den door H. v. F. als voorbeeld aangegeven tekst. Böhme vermeldt eene ‘erweiterte Fassung in 29 Strophen,’ die voor 1472 vervaardigd is en daar leest men ‘fraw Gut ich nie empflag.’ Hoe is men daartoe gekomen?
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Na dit overzicht is het, dunkt mij, meer dan waarschijnlijk, dat het nederduitsche lied tot voorbeeld diende. Maar daarmee is nog niet alles gezegd, want op verschillende plaatsen wijkt de nederlandsche bewerking van haar vermoedelijk voorbeeld af. Van waar komen die afwijkingen en wat leeren zij ons omtrent onze bewerking? Om die vraag zoo goed mogelijk te beantwoorden, zullen wij die plaatsen eerst weer dienen na te gaan. Reeds dadelijk in den eersten regel bespeuren wij verschil. In het nederlandsche lied: ‘Ic wil te lande riden,’ in het nederduitsch: ‘Ick wil to lande ût rîden,’ en in het hoogduitsch: ‘Ich will zu land ausreiten.’ Nu is ‘te lande riden’ de oude mnl. uitdrukking voor: naar zijn eigen land terugrijden of terugkeeren 2) . De duitsche lezingen geven natuurlijk ook een goeden zin; 3) echter vindt men in een H.S. der 15e eeuw ‘Ich solt zu |
1) l. teghen uwen spoet?
2) Vgl. b.v. Stoke V, 851 en de opmerking daarover. Ook VII, 179 en Lorreinen I, 1398. In het Oud Amsterdamsch eu Haerlemsch Oud Liedboek echter ‘te lant uut riden.’
3) Böhme t.a.p. bl. 5.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
lande ritten.’ De duur van Hildebrands afwezigheid is in het nederlandsche lied: ‘drie en dertich jaren,’ in 't hoog- en nederduitsch twee en dertig, in de H.D. lezing bij Böhme: ‘dertig’ Ik geloof, dat dit verschil weinig te beteekenen heeft, maar in str. 3 is de afwijking van meer belang:
Wat een ‘bruin schild’ was, begreep de vertaler blijkbaar niet meer en dat wij eertijds een woord ‘bronie’ hadden, schijnt hem onbekend te zijn geweest.
De vertaler begreep hier van het duitsch niet veel. Dat hij voor den ‘rosengarden’ de ‘groene gaerde’ in de plaats zette, laat zich begrijpen. Het mag betwijfeld worden of dit ook den nederduitschen bewerker wel duidelijk was; in het hoogduitsch toch leest men: ‘Do er zum rosengarten ausreit.’ Ook het woord ‘arbeit’ in dezen zin begreep hij niet meer; vroeger kenden wij het echter wel. De geheele strofe heeft dan ook bij de overbrenging veel geleden en ziet er verwaterd uit.
De bewerker schreef hier onzin, terwijl het duitsch toch duidelijk was en geene moeite kon geven. In str. 8, vs. 5 en str. 9, vs. 1 vindt men op nieuw het weglaten van het epitheton ‘bruin’ bij schild, ofschoon de maat, vooral in str. 9 toch duidelijk aanwijst, dat er een woord moet zijn weggevallen.
In het duitsch is hier nog de oude gewoonte der ridder- en heldenpoëzie gevolgd nl. om verschillende zaken, die op strijd en liefde betrekking hadden meer aan te duiden dan bij hunnen naam te noemen. Dit kon in dien tijd gebeuren, omdat het auditorium aan dat halve woord genoeg had. Onze bewerker echter was blijkbaar geen ‘bon entendeur,’ want wat hij er voor in de plaats zet, is niet veel meer dan een stoplap.
Dat een man zoover zou kunnen springen, achtte de bewerker onmogelijk; daarom laat hij het paard dien sprong doen 1) .
En toch heeft de bewerker nog in de vorige regels:
Op het onderscheid tusschen de nederlandsche woorden ‘vrouw’ en ‘wijf’ dat vroeger in acht werd genomen, lette hij dus niet meer 2) . In str. 12 der nederlandsche bewerking lezen wij: (Wij zijn in het heetst van den strijd). |
1) In het O.A. en Haerl. Oudt Liedboek springt het springt het paard noch slechts ‘twintich voeten.’
2) Eerst, nadat ik dit geschreven had, zag ik in Dr. Franck's ‘Alexander’ (IV, 1019 noot) dat men de beide woorden soms ook nevens elkander gebruikte. Mijne bewijsplaats verliest daardoor in waarde.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De vier eerste regels dezer strofe lezen wij noch in het hoognoch in het nederduitsch, wel de vier laatsten, waarmede de strofe in het hoog- en nederduitsch aanvangt. Hoe kwam de bewerker dan aan die regels? zijn ze door hem zelf ter verduidelijking er bij gemaakt? Maar laten wij onze opsomming eerst ten einde brengen:
Het hoogduitsch vertoont hier gelijkenis met het nederlandsch. Wij lezen daar:
Dat de jonge Hildebrand na de smartelijke ontdekking, dat hij zijn eigen vader wonden heeft toegebracht, zegt:
was den nederlandschen bewerker wat heel bar. Hij vervangt het daarom door: ‘in mynder herten draghen’ d.w.z.: daaraan wil ik steeds gedachtig blijven. Maar hoe weinig past die zachtmoedige vriendelijkheid in den mond der ruwe krijgers uit den heldentijd en welk een forschen toets missen wij daardoor in de teekening. De 17e strofe is geheel en al ingevoegd. Als nl. de herkenning heeft plaats gehad, spreken Hildebrand
en zijn zoon blijkbaar af, dat deze zijn vader als gevangene met zich naar Bern zal voeren om aldus onbekend tot vrouw Goedele te kunnen komen. In de duitsche liederen wordt echter eerst later van die gevangenschap gewag gemaakt, de hoorders moesten dat zelf maar raden. Of werd dit misschien genoegzaam aangeduid door den gouden krans, welken de jonge Hillebrand om zijn helm draagt? Nadat het gevecht is afgeloopen, leest men toch in het nederduitsch (en ook in 't H.D.), dat de jonge Hillebrand Bern binnenreed en er volgt dan:
De vertaler vond dit echter onduidelijk en voegde er daarom eene geheele strofe tusschen, waarin de vader zegt:
Ook in str. 19 voegt hij nog eens weer twee regels in, welke niet in de duitsche liederen voorkomen en op nieuw bewijzen, hoe zeer hij vreesde onduidelijk te zullen zijn. Hij vangt die strofe nl. aan met de regels:
De jonge Hildebrand plaatst zijn tot nog toe onbekenden vader aan het boveneinde der tafel en dat bevreemdt zijne moeder te recht, omdat een gevangen man natuurlijk zjjne plaats aan het ondereind moest vinden. Vandaar dat in de duitsche liederen alleen gezegd wordt:
Den nederlandschen bewerker was dat nog niet genoeg; hij laat den zoon zijnen vader zelfs boven ‘vrouw Goedele’ plaatsen:
Zou een ‘hovesc’ dichter dat hebben kunnen doen? Eindelijk verschilt ook het slot van het nederlandsche lied geheel van dat der duitsche liederen. Op de vraag zijner moeder, waarom de gevangene eene eereplaats krijgt, maakt heur zoon haar met de waarheid bekend en hij wekt haar op hem alle eer te bewijzen:
En zij geeft hem gehoor:
Dat de gastvrouw zelve den gast wijn aanbood, was een teeken van hoogachting, waarop ik elders gewezen heb. De nederlandsche bewerker kende dit gebruik echter niet meer. Bij hem gaat alles huiselijker toe en zegt de jonge Hillebrant alleen:
Daarop volgt dan ook: (str. 21).
Ook van die dankbaarheid jegens God weten de duitsche liederen niets. De drie laatste regels zijn slechts eene herhaling van die in str. 15. Maar ook in str. 8 lezen wig nog eens: ‘Behoet god dat leven mijn’ en str. 16 ‘God sterc ons op die vaert’. Al die plaatsen zijn invoegsels van den nederlandschen bewerker. Uit de vier laatste regels van het nederlandsche lied
blijkt, dat den vervaardiger de localiteit van zijn verhaal niet duidelijk was. In den aanvang laat hij den ouden Hildebrand zeggen: ‘Ic wil te lande riden’ en dat later verklaren door ‘Te Barnen in dat lant’. Onderweg komt hij zijn zoon tegen en na het gevecht zegt hij: (str. 16.)
Zij keeren dan samen naar vrouw Goedele (die zich toch ook te Bern bevond) en als de herkenning plaats heeft gehad, zegt Hildebrand op nieuw:
De duitsche liederen spreken dan ook niet van scheiden. Zij laten den ouden Hillebrand zich bekend maken op eene in de duitsche heldensage gebruikelijke wijze. Wanneer ‘frow Gûde’, waarschijnlijk nog altijd ongeloovig, met den beker in de hand voor haren echtgenoot komt en hem dien aanbiedt, laat hij een gouden ring daarin vallen als herkenningsteeken 1) . De nederlandsche bewerker was, naar het schijnt, niet bekend met dat gebruik en maakte dus een slot van eigen maaksel aan zijn lied. Indien wij nu aan het eind dezer vergelijking nog eens terugzien, dan meen ik te kunnen vaststellen: de vertaler begreep het duitsch niet altijd en was onbekend met ridderlijke gebruiken. Verder heeft hij hier eene strofe verwaterd, daar een forschen trek verzacht, in het algemeen het lied tammer en huisbakkener gemaakt; overigens is de taal zijner overbrenging vrij zuiver. Deze dingen in verband brengende met zijne vroomheid, die, waar zij kon, Gods naam invoegde, zou ik niet ongeneigd zijn hem |
1) Ook in het hoogduitsch aldus. De ring als herkenningsteeken komt ook voor in het lied van den hertog van Brunswijk en het lied van Moringer (Böhme No. 6, Uhl. No. 298).
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
voor een geestelijke te houden; dat een liedjeszanger de bewerker zou zijn geweest, kan ik niet aannemen. Zijn de ingevoegde strofen van den bewerker zelf of vertaalde hij die naar een anderen tekst? Tot mijn spijt ben ik niet in de gelegenheid geweest de ‘erweiterte Fassung’ waarvan Böhme spreekt, to vergelijken en ik kan hierover dus geen oordeel vellen. Voorloopig zou ik niet denken, dat ze van den bewerker zelf zijn. De kunstgreep door den ouden Hildebrand in den strijd aangewend 1) kan toch niet door hem uitgevonden zijn? Daarvoor is zij, meen ik, te oud en de bewerker is anders niet op de hoogte van dergelijke zaken. En wanneer zou deze bewerking ontstaan zijn? Het nederduitsche lied, dat blijkbaar het voorbeeld van het nederlandsche was, werd omtrent 1560 te Lubeck gedrukt 2) en daaruit blijkt hoe weinig men op een dergelijk jaartal alleen kan afgaan, want de nederlandsche vertaling komt reeds in het Antwerpsche Liederboek (1544) voor. Daaruit volgt, dat het nederduitsche lied ten minste vóór dien tijd ontstaan moet zijn. Het hoogduitsche lied, dat weer aan het nederduitsche ten voorbeeld strekte, is zeer oud en kan tot de 13e eeuw teruggebracht worden 3) . Zoo oud is onze bewerking natuurlijk niet. De taal van ons lied, ook die der ingevoegde strofen schijnen mij toe op de 15e eeuw te wijzen; in het laatst dier eeuw, kan deze bewerking vervaardigd zijn geworden. Daarmede is m.i. echter niet bewezen, dat het lied hier niet vroeger bekend kan zijn geweest. Integendeel, ik ben eer geneigd aan te nemen, dat men ten minste het verhaal veel langer kende. |
1)
2) Zie Böhme t.a.p. bl. 4
3) De bewijzen daarvoor geeft Böhme t.a.p. bl. 5.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
In de 16e eeuw was het lied ‘van den ouden Hillebrant’ algemeen bekend; dat blijkt uit de opname in het Antwerpsche Liederboek en uit het groote aantal liederen, die gezongen werden op de wijze ‘van den ouden Hillebrant’; in de 17e eeuw werd het opgenomen in het Haerlems Oudt Liedboeck en komt het nog dikwijls voor om de wijs van andere liederen aan te geven; in den aanvang der 18e eeuw wordt het nog voor het volk gedrukt op losse blaadjes 1) en zelfs in het laatst dier eeuw was het misschien nog bekend. Iu een volksliederboekje van 1795 2) vond ik onder den titel ‘het vermakelijk Nagtspook’ de geschiedenis van een meisje, dat 's nachts door een knecht uit de buurt wordt bezocht. Hij geeft zich dan steeds uit voor den duivel. Het meisje vraagt hem ten laatste eens naar zijn eigenlijken naam en hij antwoordt:
En zij weer:
Is hier niet eene laatste herinnering aan het ‘Ic wil te lande riden, sprac meester Hillebrant’? Ik kan eene dergelijke vasthoudendheid bij het volk niet anders verklaren dan door aan te nemen, dat in het 15e eeuwsche lied slechts werd opgeschreven, wat velen reeds kenden, omdat zij het hadden gehoord van ouders, wien het weer door hunne ouders was overgeleverd. Maar bestond die overlevering ook in een lied? Dat is eene vraag, die ik niet kan beantwoorden. Dat de mogelijkheid bestaat, zou ik echter volstrekt niet willen ontkennen, in aanmerking nemende, dat er in de 13e eeuw een hoogduitsch lied was en dat dit door de snelle verbreiding van liederen door Opper- en Nederduitschland en de |
1) O.a. voorkomende in Scheltema's verzameling bl. 1100.
2) ‘De vrolyke Openhartige Minnaar’ bl. 68.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Nederlanden reeds zeer vroeg hier te lande bekend kan geweest zijn. De Jager uit Grieken 1) . J. Grimm ontdekte het merkwaardige lied van ‘den Jager uit Grieken’ in volksliedboekjes 2) en maakte het bekend. Het lied verhaalt van een jager, die in het woud ondanks de waarschuwingen van een gebonden grijsaard door eene reuzin gevangen wordt genomen.
Zoo gaat het voort over berg en dal, totdat zij aan de plaats hunner bestemming komen, waar er reeds twee gezoden liggen en een derde aan het spit gebraden wordt. Als de reuzin verneemt, dat de jager uit Grieken (Griekenland) afkomstig is, wordt zij zachter gestemd, want ook haar man hoort daar te huis. Reeds ziet zij in haren gevangene een geschikten echtgenoot voor hare dochter, wier lof zij hem verkondigt. Hare dochter is jong en stout, zegt zij, en met haren diadeem van paarlen op het hoofd is zij koningen waardig en meer dan dat, de Booze zelfs is bevreesd voor de lelie en het zwaard, die zij op haren boezem draagt. De jager drukt den wensch uit de reuzendochter eens te mogen zien; hij zou haar dan ‘heimelijk 3) kussen en bieden haar goeden dag’. De reuzin geeft gehoor aan dien wensch: zij laat hem het tooverpaardje bestijgen om hem in staat te stellen hare dochter te gaan zoeken, maar wordt bedrogen door haren gevangene. Schimpend rijdt hij weg en is weldra buiten het bereik van de knots, waarmede zij in machtelooze woede de boomen beukt dat het woud er van davert. Ter verklaring van het lied kan ik niet beter maar ook niet veel meer doen dan Grimm's woorden aan te halen, welke ook |
1) Hor. Belg. II, No. 13.
2) Aldus H. v. F. maar hij deelt niet mede welke. Ik vond het o.a. in ‘de Oost-Indische Theeboom’ bl. 69 (ao. 1818.)
3) d.i. vertrouwelijk, innig.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
in de Hor. Belg. werden opgenomen. Wij lezen daar het volgende: ‘Dit schoone en zeker oude lied, dat in verscheidene hollandsche volksliedboeken is opgenomen, staat in verband met de oud-duitsche poëzie; naar den vorm te oordeelen moet het vroeger ook bij ons in zwang geweest zijn. De achtste strofe zou zelfs beter vorm verkrijgen door de hoogduitsche wending: ‘So ist mein Vater genennt’ 1) ; andere rijmen zou men echter niet gemakkelijk uit het neder- in het hoogduitsch kunnen overbrengen. Van meer beteekenis is het, dat de geheele toon die der duitsche en deensche heldenliederen is. Wolfdietrich trekt ook uit Griekenland en ontmoet in de wildernis zijne reusachtige moei Rumy of Kuny, die twee runderhuiden noodig heeft om zich te schoeien, hem herkent als haren bloedverwant, hem in hare woning bij zeven andere reuzinnen brengt en hem ten laatste met zijn paard, als ware het een eekhoorntje 22 (72) mijlen ver over de bergen draagt. De samenhang is niet te miskennen, ofschoon dáár niet gerept wordt van het aanbieden der dochter en van den naam Margaretha (Mergart?) en hier niets van de zeven reuzinnen; ofschoon men hièr in vrede, daàr met list en in toorn van elkander scheidt.
Het verhaal van het volkslied staat veel hooger, is vollediger en vertoont meer mythische trekken dan dat van het ‘Heldenbuch’. De oude reeds door de reuzin geboeide man, die voor in het bosch staat en den held waarschuwt, komt ook elders in sprookjes voor; ook de list, waardoor de jongeling het tooverpaard bestijgt en dan in zijn overmoed zijne booze vijandin bespot, terwijl zij niets meer op hem vermag, wordt in andere sagen aangetroffen.’ Het is opmerkelijk, dat het nederlandsche lied zoo weinig verandering |
1) Deze luidt nl. aldus:
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
schijnt te hebben ondergaan, nl. in hoofdzaak; de vormen zijn natuurlijk gemoderniseerd. Anders dan b.v. in het Halewynlied schijnt hier geene enkele interpolatie te zijn 1) , alles volgt onmiddelijk op elkander, de feiten worden op de eigenaardig korte, zaakrijke wijze medegedeeld, er is gang in het lied. In de 13e eeuw werd de sage van Wolfdietrich tot vier maal toe in Duitschland bewerkt 2) en het is dus zeer wel mogelijk, dat ons lied dagteekent uit een tijd, toen de afzonderlijke liederen nog niet tot een groot episch gedicht waren vereenigd. Reeds Grimm merkte op, dat er in het duitsch niet van des jagers moeder Margaretha gesproken wordt. Men moet hier toch niet aan Margaretha van Limborch denken? Zooals men weet, huwde zij volgens het verhaal met Echites, den zoon des graven van Athene, zoodat wij ons ook hier in ‘Grieken’ verplaatst vinden. Natuurlijk zou die naam er later ingevoegd moeten zijn. Dat het lied uit Duitschland tot ons gekomen zij, is, dunkt mij, vrij waarschijnlijk, hoewel geene duitsche vormen of woorden ons daarop wijzen. Maar welke was dan de tekst, die aan ons lied ten grondslag ligt? Hierop kan ik geen antwoord geven. Ook over den ouderdom van deze bewerking durf ik mij slechts weinig uitlaten; ik zou meenen dat eene dergelijke stof minstens in de 14e eeuw, misschien nog vroeger te huis behoort. Dat ik hier zoo zeer weifel, heeft zijn reden. Immers bij de schaarschte van gegevens is het uiterst moeilijk uit te maken, in hoeverre de bewoners dezer landen bekend zijn geweest met de Oudgermaansche heldensage. Heeft men ook hier eens gezongen ‘von heleden lobebaeren, von grôzer arebeit’ en van ‘küener recken strîten’? Als wij zien welk een levendig belang onze naburen, de Nederduitschers, in die verhalen stelden, dan zou het zeker zoo vreemd niet zijn, indien ook te onzent, vooral bij de Saksen, die liederen nog lang bekend waren gebleven. Twee fragmenten eener vertaling van het Nibelungenlied zijn tot ons gekomen |
1) Over die interpolaties spreek ik in het hoofdstuk ‘Over den vorm en de samenstelling der liederen’.
2) Zie Dr. W. Scherer, Gesch. der deutschen Literatur bl. 131.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
en ‘Uit de omstandigheid, dat men het Nevelingenlied uit het Hoogduitsch vertaalde, mag men opmaken, dat de Duitsche heldensage hier te lande nagenoeg was uitgestorven.’ Aldus Prof. Jonckbloet in zijne Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde 1) . Terwijl die fragmenten waarschijnlijk in de 13e eeuw tehuis behooren, blijkt aan het eind dier eeuw uit den Spieghel Historiael, dat ‘Diederik van den Berne’ voor Maerlant geen onbekend persoon was. Ook in het gedicht ‘de Vier Heeren wenschen’, waar Hagen, Gunther, Rudeger en Geernout optreden, vinden wij eene herinnering aan de heldensage 1) . Of men nu uit het vervaardigen eener vertaling, van welker geschiedenis ons weinig of niets bekend is, mag opmaken, dat ‘de duitsche heldensage hier te lande nagenoeg was uitgestorven’ zou ik zeer betwijfelen. Zou het volk zoo weinig meer van die verhalen geweten hebben? Als men Maerlant's vermelding van Diederik van Bern en het gedicht van ‘de Vier Heeren wenschen’ voegt bij hetgeen wij over het Hildebrandslied en dat ‘van den Jager uit Grieken’ in het midden hebben gebracht, wanneer men daarbij in aanmerking neemt, dat de betrekking van deze landen, vooral van het Oosten tot het overige Nederduitschland inniger moet zijn geweest, naar mate men verder teruggaat, dan zou ik eer denken, dat verschillende dier oudgermaansche sagen hier vroeg bekend zijn geworden en lang bekend zijn gebleven. |
1) Ald. I, 87.
1) Ald. I, 88.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Gudrun.Maar al waren ook de overblijfselen der duitsche sagen hier te lande nog geringer dan zij nu zijn, welke naam had dan volgens onze berekening langer moeten blijven leven op de tongen der menschen dan die van Gudrun? In deze landen toch was eens het tooneel dier germaansche odyssee. Hier kampten de ridderlijke Hartmuot en de koene Herwig om de schoone bruid, hier werd de Koningsdochter door de booze Gerlint tot slavendiensten gedwongen, aan het strand van onze Noordzee zag zij de redders naderen en niet ver van
daar werd zij door den grimmigen Wate en zijne metgezellen verlost. Dat werkelijk deze landen het tooneel van het heldengedicht zullen hebben uitgemaakt, zien wij o.a. aangetoond door den genialen Müllenhoff 1) en ook de latere uitgever van het epos Martin is van die meening 2) . Is het dan wel aan te nemen, dat onder de bewoners dezer landen geen spoor van die verhalen zou zijn overgebleven en heeft men niet het recht ook uit weinige gegevens op te maken, dat de sage hier ook in lateren tijd bekend moet zijn geweest, juist omdat men daarbij op Nederlandschen bodem staat? Ik meen: ja. En ik geloof, dat ik die weinige gegevens ontdekt heb in een merkwaardig lied, dat nog in Vlaanderland gezongen wordt. In de reeds genoemde liederenverzameling der heeren Lootens en Feys 3) komt onder den titel ‘Mi Adel en Hir Alewyn’ een lied voor, dat tot de zoogenaamde ‘tellingen’ 4) behoort en 246 verzen telt. Het lied vangt aldus aan:
Hij huwt haar dan ook en vertrekt daarop voor zeven jaren |
1) In zijne uitgave van het gedicht bl. 110 lezen wij o.a. ‘Das local der Sage selbst, wie schon bemerkt ward, ist an deu Mündungen der Schelde und des Rheins’ en bl. 111 opnieuw: ‘Dass nun diese Sagen, die einst die ganze Küste der Nordsee umgaben, in rheinischen Gegenden im letzten Viertel des 12. Jahrh. im Umlaufe waren und dort von jenen Spielleuten verarbeiteit warden’ enz.
2) In diens uitgaaf. Einleitung XLV.
3) ‘Chants populaires Flamands’ bl. 66.
4) Ziehier de verklaring van het woord in het ‘Avant-propos V: “Le mot “telling” veut dire à la fois récit, sens qu'il a encore en anglais et aussi compte, supputatiou. .............................. Les “tellingen” servaient à supputer les nombres des mailles faites par les dentellières dans la confection de la dentelle, dite “annouwsel” très en vogue à la fin du siècle dernier et aussi au commencement du siècle actuel. Pendant le temps nécessaire à la récitation d'un vers la dentellière faisait une maille et la maintenait par une épingle. Le nombre des vers déterminait ainsi le nombre des mailles on des épingles. Dans les écoles de fileuses, les “tellingen” étaient pareillement chantées pour régler sans doute les divers mouvements du rouet; mais dans les écoles de coûture et de tricot, ils servaient de distraction pendant le travail.’
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
naar het heilige land. Voor zijn vertrek stelt hij zijne jonge vrouw onder de hoede zijner moeder en draagt haar op ‘Mi Adel’ alle eer te bewijzen. De moeder echter, die afgeschilderd wordt als eene booze vrouw, behandelt de jonggehuwde zoo hard mogelijk, laat haar wasschen, bedden opmaken, bakken en brouwen, vuur aanleggen enz. Na zeven jaren komt Alewyn terug en hervindt zijne geliefde jonge vrouw bij eene fontein, waaruit zij water moet putten. Samen keeren zij nu terug en zetten de booze moeder (nadat de mishandelde Adel haar tegen Alewyn's wraak beschermd heeft) in een klooster. Ziedaar in het kort den inhoud van het blijkbaar zeer oude lied. Dat het in geene betrekking staat tot een ander oud lied 1) , waarvan ook eene ‘Adel en Alewyn’ de hoofdpersonen zijn en dat ik later bespreken zal, lijdt geen twijfel en blijkt reeds uit de inhoudsopgave. Daarentegen komt het mij voor, dat wij hierin de weinige overblijfselen hebben der Gudrun-sage. Ook daar toch zien wij twee Koningskinderen: Hartmuot en Gudrun, die samen op een burg vertoeven, ook daar is de Koningszoon de minnaar, al wordt zijne liefde niet beantwoord, ook daar vertrekt hij uit het land en stelt zijne geliefde onder de hoede zijner moeder en ook daar mishandelt deze de haar toevertrouwde. Ook daar wordt het mishandelde meisje na zeven jaren door haren minnaar (echter niet denzelfden) verlost en ook daar ontgaat de booze moeder hare straf niet. Daarmede is nog slechts aangetoond, dat de gang van beide verhalen in hoofdzaak overeenstemt, maar ook in sommige bijzonderheden komen zij overeen, terwijl aan den anderen kant voor eenige afwijkingen eene m.i. natuurlijke verklaring kan worden gegeven. Alvorens daartoe over te gaan merk ik op, dat in het nederlandsche lied slechts dat deel van het epos zou zijn behandeld, waarin de geschiedenis van Gudrun zelve verhaald wordt. En dat deel is volgens de duitsche critici vroeger een afzonderlijk |
1) Hor. Belg. II, no. 11. Het bevat het verhaal eener geroofde Koningsdochter, die door haren minnaar verstooten wordt, maar door de zelfopoffering harer zuster weer tot eere komt.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
zonderlijk gedicht geweest, dat ook weer uit verscheidene liederen was ontstaan 1) . Ook dit lied zal dus tot ons gekomen zijn in den tijd, toen de afzonderlijke liederen nog niet waren samenverbonden tot een geheel of misschien nog voortleefden in den mond des volks, terwijl ze reeds door een middel-hoogduitsch dichter tot een epos waren verwerkt. Zeker zal het niet dikwijls zijn voorgekomen, dat een gedicht van dergelijken omvang als de Gudrun weergevonden wordt in een lied van 246 regels, maar ten eerste vergete men niet, dat in het H.D. talrijke en lange interpolaties zijn gevoegd 2) en bovendien zou zulk een geval niet het eenige zijn. Zoo treffen wij een duitsch volkslied op Hendrik den Leeuw van 104 strofen aan, naast eene bewerking der ‘Meistersänger’, die er slechts 9 telt en toch ook volledig is 3) . En nu tot de punten van verschil en overeenkomst. Allereerst merken wij op, dat de verhouding der hoofdpersonen in beide gedichten geheel en al verschillend is. Gudrun wil Hartmuot niet huwen, terwijl Mi Adel en Alewyn gehuwd zijn, zooals uit het lied blijkt:
|
1) Zoo zegt b.v. Müllenhoff t.a.p. bl. 5. ‘Die untersuchung geht aus von der Bemerkung, dass drei immer sehr geschiedene Sagen in unserm Gedichte vertunden sind: die von Hagens Jugend, die von Hilde oder von Hetel und die van Kudrun.’ En Scherer in zijno Gesch. der D.L. bl. 134: ‘Der Verfasser der Gudrun hat seinen stoff in zwei Liedern behandelt, deren erstes die Werbung um Hilde, das zweite ungleich längere die Geschichte Gudruns erzählt.’
2) Müllenhoff oordeelt, dat van de 1705 strofen van het gedicht slechts 414 tot den oorspronkelijken kern behooren. En dien kern verdeelt hij weer in twee deelen, waarvan het eene 92 strofen telt en de geschiedenis van Hilde behandelt, zoodat dus voor het eigenlijke Gudrunlied slechts 322 strofen zouden overblijven.
Ik ben niet bevoegd een oordeel te vellen over deze schifting, maar meen toch dat de zienswijze van dezen onderzoeker der sage hier eenig gewicht in de schaal legt. 3) Vgl. Böhme t.a.p. bl. 31 en 32.
4) Dat de personen hier sprekend worden ingevoerd, ligt in den aard der ‘telling.’ In eene noot op het lied lezen wij: ‘Cette pièce est chantée par trois dentelières, qui se distribuent les rôles de la manière suivante: L'une d'elles élève trois fuseaux; celle qui choisit le mieux garni parle au nom de hir Alewyn, le fuseau moyen a le rôle de mi Adel; le moins garni commence, c'est le rôle de la mère.’
Dit dient ook in 't vervolg bij de aanhalingen in 't oog te worden gehonden. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Om deze afwijking te verklaren wijs ik op het feit, dat in het nederlandsche lied voor den haat der moeder tegen de geliefde haars zoons geene enkele reden wordt genoemd, terwijl diezelfde haat in het mhd. epos eene zeer natuurlijke reden heeft: Gudrun immers wil Hartmuot den zoon der booze Gerlint niet huwen. In het nederlandsche lied komt slechts één minnaar voor; in het epos zijn er twee, waarvan een de begunstigde is. Wat zal er dus gebeurd zijn? M.i. dit: de nederlandsche dichter heeft in zijne beknopte bewerking der sage één minnaar in de plaats gesteld van de twee, welke hij in het oorspronkelijke verhaal a |