[p. 251]

II. Minneliederen.

Reeds zeer vroeg wordt melding gemaakt van de minneliederen onzer Germaansche voorouders. Zoo lezen wij b.v. in het voortreffelijke werk van Uhland 1)  : ‘De eerste sporen van Duitsche minneliederen (volksliederen wel te verstaan) treft men aan in het verbieden en afkeuren van wereldsche liederen. Reeds Bonifacius verklaart reien van leeken en liederen van meisjes in de kerk voor ongeoorloofd. Een Capitulare van Karel den Groote uit het jaar 789 bepaalt, dat de nonnen geene ‘winelieder’ 2)   mogen schrijven of zenden.’ Uhland haalt nog meer bewijsplaatsen aan, die ik echter achterwege zal laten in de meening dat het bovenstaande voldoende is om den ouderdom van het minnelied te staven; wie nadere inlichtingen verlangt, kan ze t.a.p. vinden. Men zal het wel met mij eens zijn, dat wij deze liederen overigens kunnen laten rusten; ten eerste is er zeer weinig uit die vroegste tijden overgebleven en ten andere kunnen die uiterst schaarsche overblijfselen niet tot de Nederlandsche letterkunde gerekend worden. Van eigenlijke lyriek is daar eerst later sprake. Gedeeltelijk geldt m.i. ook voor ons wat Wackernagel van de Duitsche lyriek zegt; dat nl. deze zich eerst kon ontwikkelen

 1)  Abhandlung bl. 383.
 2)  Wine beteekent: vriend, gezel en in de Glossen wordt winelied verklaard als wereldlijk volkslied. Uit de plaats in de Capitulariën schijnt het nagenoeg zeker, dat hier minneliederen bedoeld worden. Men zie de latijnsche teksten bij Uhland.


[p. 252]

‘in dem Zeitalter des Ichs, der Gemüthlichkeit’ en onder den invloed der Fransche letterkunde. Daarom was de lyriek in den beginne eene hoofsche poëzie, die eerst later tot het volk kwam’ 1)  .

Dat onze oudste minneliederen werkelijk onder den invloed van Frankrijk ontstonden en dat zij door edelen werden vervaardigd, blijkt duidelijk, wanneer wij bedenken, dat de oudste, die wij kunnen aanwijzen, door Vlaamsche edelen in het Fransch werden gedicht.

De trouvères hadden de Provencaalsche lyriek zich tot voorbeeld gekozen en beoefend; wat was natuurlijker dan dat het machtige Vlaanderen - in de 12e eeuw de meeste Fransche gewesten in rijkdom en weelde overtreffend - Frankrijk zou navolgen? En zoo zien wij dan ook, dat mede in het Vlaamsche land de Noordfransche lyriek haren hoogsten bloei bereikte. ‘Die Lyrik’ zegt een kenner dezer poëzie ‘schränkte sich beinahe gänzlich auf zwei Provinzen ein: Flandern und die Champagne’; en verder: ‘fast alle berühmtere Namen fallen mit Bestimmtheit dem oder jenem der beiden Länder zu’ 2)  . Van Vlaanderen mag dit ten minste met zekerheid gezegd worden, want van de 12e tot de 14e eeuw treffen wij eene menigte Zuidnederlandsche edelen aan, die met meer of minder geluk als dichters optraden. De Brabantsche hertog Hendrik III († 1260) ging hen voor en verscheidene edelen uit Brabant, Vlaanderen, uit het Doorniksche, uit Artoys en andere streken volgden zijn voorbeeld 3)  , mochten er ook al in

 1)  Vgl. Gesch. der deutschen Lit. II. Abth. bl. 225. ‘Aus sich selbst und unter Einflüssen, die ihren Quell in der frischlebendigen Gegenwart hatten ....... konnte der deutsche Geist die Lyrik erst auf der Entwickelungsstufe bilden, die er jetzt betrat, erst in dem Zeitalter des Ichs, der Gemüthlichkeit, des litterarischen Verkehrs mit Frankreich. Deshalb auch erscheint die Lyrik von vorn herein als eine hoefische Kunst und bekleidet mit allen Merkmalen der Kunstdichtung: an das Volk ist sie erst nach und nach und eigentlich erst dann recht gelangt, als überhaupt die Poesie denEdlen aus den Händen fiel.’
 2)  Zie ‘Altfranzösische Lieder und Leiche enz. von W. Wackernagel’ bl. 189.
 3)  Men vergel. Trouvères Belges du 12e au 14e siècle, Chansons, jeux-partis etc. par Quenes de Bethune, Henri III duc de Brabant, Gillebert de Berneville ......... etc. publiés par M. Aug. Scheler. Bruxelles 1876.
Ook: Serrure, Letterk. Gesch. v. Vlaanderen Ie Deel. Ie Hoofdstuk.


[p. 253]

het eigenlijke Vlaanderen niet zooveel gevonden worden als in het overige België. Indien echter eenigen van hen zich er op hadden willen toeleggen de Fransche lyrici in het Vlaamsch na te volgen, welk een invloed ten goede zou dat voorbeeld dan kunnen gehad hebben, welk eene aanwinst voor onze letterkunde zou dat geweest zijn!

Hebben die edelen dat dan in het geheel niet beproefd? zal men vragen. Ik durf die vraag niet met een beslist neen beantwoorden. In Maerlants Wapene Martijn immers komt eene merkwaardige strofe voor, die mij ten minste tot voorzichtigheid noopt. Wij lezen daar: 1)  

 Martyn, ic bem des wel berecht;
 Het seget al, eist here, eist knecht,
 Vrouwen ende joncfrouwen
 In sange ende in rime slecht,
 Dat si met minnen syn verplecht,
 Ende men cans niet gescouwen.
 Mi dinke, dat al die wereld vech
 Jegen der reinre minnen lecht
 Ende volgen ontrouwen.
 Menich seget nu ende echt:
 ‘Myn sin es so ane u gehecht
 Dat ic wane bedouwen.’
 Achter maecsi die mouwen.

Maerlant spreekt hier blijbaar over minneliederen (‘in sange ende in rime slecht’) daaraan is m.i. geen twijfel. Maar welke minneliederen? Ik wijs er in de eerste plaats op, dat M. slechts het oog heeft op den adel; hij spreekt slechts van ridders, knechten (schildknapen) vrouwen ende joncfrouwen.’ Waren deze minneliederen in het Fransch of in het Nederlandsch geschreven? Beslissen kan ik niet, maar ik geloof, dat alles aanwijst, dat het Fransche liederen zullen zijn geweest. Fransch toch was toen de modetaal voor den adel en dat de Nederlandsche lyriek zich toen reeds zóózeer zou hebben ontwikkeld, dat elkeen liederen in het Dietsch dichtte, is minstens zeer onwaarschijnlijk. Ook zullen

 1)  Jacob van Maerlant's Stroph. Ged. door Dr. E Verwijs. I. 35.


[p. 254]

de edelen de taal der ‘kerels’ daarvoor te gemeen hebben geacht en een onwaardig voertuig voor hunne gedachten.

In elk geval waren de liederen, welke Maerlant bedoelt, gedicht in den trant der Fransche lyrici; dat blijkt voldoende uit hetgeen hij zegt over den inhond dier liederen en den geest der dichters.

Keeren wij tot de Zuidnederlandsche trouvères terug.

Ondervonden wij alzoo reeds in de 12e eeuw in het zuiden van ons land den invloed der Fransche lyriek, in het laatst der 13e eeuw komt zij langs een omweg op nieuw en nu van het oosten binnen. Ook de Duitsche lyriek immers, wij zagen het reeds, ontwikkelde zich onder den invloed der Provencaalsche, zij het ook dat in Duitschland toen reeds eene zelfstandige lyriek bestond. Die Fransche invloed begint zich in de 12e eeuw te doen gelden en blijft ook in de 13e eeuw machtig. In die eeuw zijn het vooral de edelen, welke als dichters optreden, gelijk wij bij Wackernagel lezen. Na te hebben gesproken over het ontwikkelingstijdperk der Duitsche lyriek vervolgt hij aldus: 1)   ‘In solcher Art schon zu festerer Gestalt erwachsen kam die höfische Lyrik der Edlen von dem zwölften an das dreizehnte Jahrhundert, von der vorbereitenden Jugend an das Blütenalter der Literatur.’ Valt dus de bloeitijd der Duitsche lyriek in de 13e eeuw en deed de Fransche invloed zich voornamelijk in westelijk Duitschland gevoelen (zooals wij straks zullen zien), dan is het niet te verwonderen, dat wij in de laatste helft dier eeuw den hertog van het naburige Brabant Jan I als dichter onder dienzelfden invloed zien. Brabant en Vlaanderen immers maakten gelijk Uhland zich uitdrukt ‘ein Weg der Vermittlung’ uit tusschen Frankrijk en Duitschland en hij noemt dan ook Jan van Brabant met Heinrich von Veldeke en Friedrich von Husen onder de ‘vermittelnde Minnesänger.’ 2)   Van Jan I zijn ons negen minneliederen bekend, welke in de bekende Manessische Verzameling voorkomen en dus

 1)  t.a.p. bl. 230.
 2)  Abhandlung bl. 465. Vlg. ook de 22e noot, waar bewijsplaatsen te vinden zijn.


[p. 255]

in het Middelhoogduitsch zijn opgesteld 1)  . Dat het Hoogduitsch dier liederen slecht is, daarover zijn de geleerden het eens. Men heeft daaruit opgemaakt, dat zij oorspronkelijk in het Vlaamsch zijn gedicht en later ‘verhochdeutscht’ werden, zooals Gervinus zich uitdrukt. Maar wanneer en door wien?

Het is waar, dat men overal in die liederen het Vlaamsch ziet doorschemeren 2)  , maar is daarmee bewezen, dat ze oorspronkelijk in het Vlaamsch werden gedicht? Ik althans kreeg den indruk, dat hertog Jan getracht heeft de Hoogduitsche dichters na te volgen in hunne taal, gelijk de andere Zuidnederlandsche dichters het de Noordfransche trouvères deden. Nu is het mogelijk, dat de dichter die liederen eerst in het Vlaamsch opgesteld en later vertaald heeft, maar daardoor zou de zaak toch een ander aanzien verkrijgen en het ons doen betwijfelen of Willems en Hoffmann v. F. wel in 's hertogs geest gehandeld hebben, toen zij die negen liederen in het Vlaamsch vertaalden en ze dus tot den h.i. oorspronkelijken vorm terug brachten 3)  . Het ware, dunkt mij, wel wenschelijk, dat iemand dit vraagstuk eens nauwkeurig onderzocht, de taal der bedoelde liederen vergeleek met die van den St. Servaes en van andere gelijksoortige werken om dan met meer zekerheid, dan ik hier doen kan, zijne meening mede te deelen. In elk geval kan men van deze liederen zeggen, dat zij geheel in den trant der ‘Minnesinger’ gedicht zijn en bijgevolg weinig nationaals in

 1)  Vgl. ‘Manessen's Sammlung von Minnesingern von v.d. Hagen. Zürich 1758.’ bl. 7.
 2)  Ik noem maar enkele voorbeelden: ‘Juncfrouwe edel guoter diren, kusche smal, Ach arm ich pense, ich bin dot sunder wân, Ic sach noit so roden munt noch ouch so minlich ougen, Dog leve ic in hougen, Si mag mis bettern san, Het ich die kur von allen frouwen, das diu schone ist mir geve enz.
 3)  Mone maakt bezwaar om van twee liederen te erkennen, dat zij oorspronkelijk in het Vlaamsch zouden zijn gedicht nl. van no. 1 en no. 8. Hij zegt (Ueb. bl. 194) ‘Es sind 9 Lieder, wovon No. 2, 4 bis 7 u. 9 durch ihre niederländischen Formen ihren Ursprung deutlich anzeigen; in no. 1 und 8 stehen aber Reime die der niederländischen Mundart widerstreiten....’ Hij maakt daaruit de gevolgtrekking: ‘Entweder gehören diese zwei Lieder nicht dem Herzog an oder er hat auch hochteutsch gedichtet.’ Ook hij kan zich dus voorstellen, dat Hertog Jan zijne krachten zou hebben beproefd in het dichten van Duitsche liederen.


[p. 256]

zich hebben. De meeste bestaan evenals de Duitsche liederen uit drie strofen; daar zijn er echter ook welke een of twee strofen tellen.

Jan van Brabant stierf in 1294, maar ook na hem zullen wij den Duitschen invloed op onze letterkunde kunnen waarnemen. Toen in het midden der 14e eeuw het Beiersche stamhuis in deze landen kwam, moesten ook onze taal en letterkunde de gevolgen daarvan ondervinden.

Reeds werd aangetoond, hoezeer die invloed zich aan het grafelijke hof maar later ook elders deed gevoelen. Voor Albrecht van Beieren lieten zich niet zelden Westfaalsche en andere Duitsche sprekers hooren en dat wij bij Augustynken van Dordt, bij Willem van Hillegaersberch en bij Dirc Potter zooveel Hoogduitsche woordvormen aantreffen, laat zich gereedelijk verklaren uit den invloed van het halfduitsche hof der graven uit het Beiersche huis 1)  .

Zeer duidelijk zien wij dien Duitschen invloed in een handschrift uit dien tijd 2)  . Uit eenige opmerkingen over den inhoud daarvan zal misschien kunnen blijken, hoezeer in die dagen het Hoogduitsch en het Dietsch in deze landen tot elkander waren genaderd en hoe moeilijk het dikwijls is de grenzen te trekken. Naar het mij voorkomt, was dit H.S. het repertoire van een spreker en wel van een Duitschen spreker, die onder de regeering der Beiersche graven hier in het land was gekomen. Overal (vooral in de eerste helft) kan men zien, dat hij moeite doet eene Hollandsche tint aan zijn Duitsch te geven; soms is zijne taal zuiver Duitsch. Het H.S. bevat van alles; zelfs ook een paar Fransche gedichten 3)  , een lied van Walther von der Vogelweide 4)  , spreuken, sproken en moraliseerende gedichten. Sommige gedichten en liederen zijn in veel zuiverder Hollandsch geschreven

 1)  Vgl. Gesch. der Mnl. Dichtkunst III, 317, 395, 403.
 2)  No. 721 van de Kon. Bibl. te 's Hage.
 3)  b.v. fol. 20 vo. en fol. 42 ro.
 4)  b.v. fol 14.


[p. 257]

dan andere. Copieerde de schrijver die misschien van een anderen spreker?

Het komt mij voor, dat zoowel Duitsche als Nederlandsche sprekers den tekst hunner sproken en andere gedichten wel gewijzigd zullen hebben met het oog op hunne toehoorders. Een Duitscher zal zich moeite hebben gegeven voor een Nederlandsch (of wil men Dietsch?) 1)   auditorium meer Nederlandsch te spreken en een Nederlander zal (vooral aan het grafelijk hof) licht eenige Duitsche woorden hebben opgenomen. Later zullen die Duitsche woorden veel algemeener zijn geworden en men zal ze gebruikt hebben, geheel op dezelfde wijze, waarop men tegenwoordig zijne taal met Fransche woorden doorspekt. Deze zienswijze berust o.a. op een paar gedichten, die ik in het bedoelde handschrift aantrof. Het eerste is ‘Ein Jammerliche clage’ over den dood van graaf Willem IV en vangt aldus aan:

 Eyns nachts in eynem meyen tzyt
 Waende ich alre zorgen quyt
 Sin, die mich ye in hertzen dwanck,
 Dar ich us minem slaephe ontspranck
 Van eynem visione zwar,
 Sodat mich al die lede dar
 Verscricten und worden cranck 2)  .

Is dit niet de taal van een Duitscher, die Nederlandsch wil spreken? Ik houd het voor zeer waarschijnlijk. Misschien ook werd het gedicht oorspronkelijk in het Hollandsch opgesteld en later zoo goed mogelijk in het Duitsch overgebracht, toen men het (mogelijk voor graaf Albrecht of een Duitsch edelman) wilde voordragen. Sprekender nog is het andere gedicht 3)  . Hier is de

 1)  Ik weet wel, dat men eigenlijk geen recht heeft in de middeneeuwen van ‘Nederlandsch’ te spreken, omdat er toen nog geen sprake was van één land: Nederland. Maar dit adjectief heeft toch vóór, dat het ons eene vrij duidelijke voorstelling geeft van de streken, waar middelnederlandsch werd gesproken; onder nederlandsch verstaan wij tegenwoordig immers ook de taal van Vlaanderen en Brabant. Men vergelijke overigens over het woord ‘dietsc’ het keurige artikel van Verwijs in de ‘Taalkundige Bijdragen I, 217.
 2)  fol. 22 ro.
 3)  fol. 37 ro.


[p. 258]

taal weer half Duitsch half Nederlandsch, maar - merkwaardig genoeg - vinden wij hetzelfde gedicht in zuiver Nederlandsch terug in het bekende Hulthemsche handschrift.

Blijkbaar heeft dus een Duitsch spreker het van een Nederlandschen overgenomen of de laatste heeft zelf getracht zijn stuk in het Duitsch over te brengen, ten minste er eene Duitsche tint aan te geven. Om te doen zien hoe gering het verschil is, dat in dien tijd bestond tusschen Nederlandsch en verduitscht Nederlandsch, zal ik de beide teksten hier nevens elkander plaatsen.


Hulth. H.S. Haagsche H.S.
(Mone, Ueb. 141.)  
Een hoege geborne maget rike Eyn hoghe gheboren maghet rike
Sag ic sitten verweendelike Zach ich sitten wonnentlike
Gesiert in hare kemenade Ghecyert in eere kemenaden
Met dieren costeliken gewade; Mit duren costelich ghewaden
Fluwelen clederen had si an Flueelsche cleeder had si an
............ ............
............ ............
Ende wert van vrouwen ghemint nochtan Mennich is ghemint nochtan
Omdat hi dansen ende reyen kan, Omdat hi reyen, dansen kan,
Selc oec omdat hi ryc si. Mennich omdat hi rîke si.
Hier mach men nu die minne bi Hîr mach men die minne by
Best verwerven ende gecrigen, Best ghewinnen ende vercrigen;
Dies vintmer noch, mer ic wil swigen Hets ghenoech ende ic wil zwigen
Ende hiermet end-ic mine worde Ende corten mine woert,
Het es messelyc wie-t node horde. Lichte oft yemant node hoert.

 

Men ziet hoe dicht de beide teksten elkander naderen.

Dat het Haagsche H.S. waarschijnlijk aan een adellijk heer toebehoorde of aan den spreker, die in zijne dienst was, zou ik opmaken uit een den dorpers vijandigen geest, die ons hier en daar treft. Zoo lees ik b.v. (fol. 38Vo.)

 Der vrouwen recht is datsi selen
 Mit ridder onde knechte spelen
 Onde vrulich cortsyn hem den tsyt;
 Al hebben dies de dorpers nyt,
 Daerom en sullen siis nie laten;
 Goet spel is goet ende dat te maten.


[p. 259]

En elders (fol. 8Vo.) deze alleenstaande strofe:

 Ten es lewe, lybart noch ander dier
 So overmodich noch so fier,
 So die kcrel als hy ryct
 En hi ziet datmen hem wyct.

In mijne meening, dat dit handschrift aan een of anderen Duitschen spreker zal hebben toebehoord, word ik nog versterkt door hetgeen Dr. Verwijs ons reeds vroeger mededeelde over een ander H.S., dat door hem onder den titel ‘Van vrouwen ende van minne’ werd uitgegeven. Verwijs stelt dit H.S. ongeveer in de eerste helft der 15e eeuw; ook daarin treft men verscheidene sterk Duitsch gekleurde stukken naast zuiver Hollandsche aan en ook daar geeft de haat tegen de ‘kerels’ zich lucht 1)  .

Volgens den uitgever heeft ook deze verzameling ‘misschien haar ontstaan te danken gehad aan den een of anderen spreker, die juist niet op een hoogen trap van ontwikkeling stond, en ...................... misschien voor 't meerendeel uit zijn geheugen de gedichten opschreef of ze uit zeer slechte H.s.s. putte’ 2)  .

Indien uit al het voorgaande gebleken zij, dat de Duitsche invloed op onze letterkunde van de laatste helft der 14e en een deel der 15e eeuw niet gering is geweest, dan zal het ons ook niet verwonderen, zoo wij in de laatste helft der 14e eeuw een groot aantal minneliederen aantreffen, welke geheel en al in den trant der ‘Minnesinger’ gedicht en daarbij dikwijls zoo sterk Duitsch gekleurd zijn, dat men niet weet, welke der beide talen men voor zich heeft. Zoo treffen wij dus eene eeuw na den dood van Jan van Brabant op nieuw (of nog?) den invloed van den Duitschen ‘Minnesang’ aan. Gelijk ik reeds vroeger mededeelde, werden deze liederen door de zorg der ‘Vlaemsche Bibliophilen’ uitgegeven 3)  ; in de inleiding dier uitgave lezen wij: dat

 1)  Zie de Inleiding XVIII-XXII en XXXIII.
 2)  Vgl. de Inleiding XXXII.
 3)  Onder den titel: ‘Oudvlaemsche Liederen en andere Gedichten der XIVe en XVe eeuwen’ (2e Serie - no. 9).


[p. 260]

het H.S., waaruit deze gedichten werden overgenomen, waarschijnlijk toebehoorde aan Heer Lodewijk, een lid van het machtige Brugsche geslacht der Gruythuyses. ‘Het oude opschrift van het H.S. was: Rhetorycke ende ghebeden-bouck van Mher Loys van den Gruythuyse, prince van Wincestre, ridder van den Gulden Vliese, dict de Bruges, ofte van Brugghe enz.’ Echter moet hierbij in aanmerking worden genomen, dat deze titel er door eene latere hand op geplaatst is, hoewel waarschijnlijk naar den oorspronkelijken titel 1)  . Het belangrijkste deel van het boek zijn zeker de 145 liederen met hunne melodieën en het zijn die liederen die wij hier zullen bespreken. Slechts zeer weinige daarvan zijn in zuiver Middennederlandsche geschreven en die behandel ik later; verreweg het grootste gedeelte is gedicht in den trant en in de taal, welke ik zoo even met een enkel woord aanduidde. Uit de volgende beschouwingen moge blijken hoeveel punten van overeenkomst er bestaan tusschen deze zoogenaamd Middennederlandsche liederen en de poëtische voortbrengselen der ‘Minnesinger’, welk een mengelmoes van Duitsch en Nederlandsch de taal, waarin zij geschreven zijn, dikwijls vertoont en hoe weinig gepast de naam ‘Oudvlaemsche liederen’ derhalve is voor het meerendeel dezer gedichten.

Onder den titel ‘Des Minnesangs Frühling’ werd door Lachmann en Haupt eene bloemlezing uit de voortbrengselen der ‘Minnesinger’ van de 12e en 13e eeuw in het licht gegeven. Daarin zijn oudere zangers als: ‘der von Kürenberc’, Dietmar von Eist en Meinloh von Sevelingen vertegenwoordigd en ook de jongere dichters, die meer dan zij onder den Franschen invloed stonden 2)  ; onder de laatsten telt men in de eerste plaats ‘Her Friderich von Husen’, dan ook Grave Ruodolf von Fenis, Her Hartwic von Rute, Her Bligger von Steinach, Her Uolrich von Guotenburc en vele anderen.

 1)  Zie daarover de Inl. II.
 2)  Men vergelijke over dit verschil tusschen de oudere ‘altheimische’ en de westduitsche, meer ‘romanisierende’ lyriek het zesde hoofdstuk van Reinhold Becker's boek: ‘Der altheimische Minnesang’ getiteld: ‘Der innere Gegensatz der westdeutschen und der altheimischen Lyrik.’


[p. 261]

Deze dichters behooren bijna zonder uitzondering tot den adel en hunne poëzie is eene hoofsche poëzie, waarin de vrouwendienst ten top wordt gedreven. Hooren wij hoe een van de beste kenners der Duitsche letterkunde die poëzie karakterizeert 1)  .

‘Evenals van Anakreon's lier, zoo klinken ook van de hunne slechts tonen der liefde. Maar geene liefde vol gloeiende begeerte en van verterende kracht, ook geene lichtzinnige liefde, welke het alleen om onbekommerd genot te doen is, maar eene liefde, die hoofdzakelijk bestaat in geestige praatjes op rijm. Het lyrische gedicht wordt hier een gekunsteld huldebetoon, vol aandringen en smachten, vleierijen en eerbewijzen. Wij treffen derhalve minder de taal van het gemoed dan een spel van den geest aan, minder gevoel dan spitsvondigheid’ 2)  . Hierbij zijn nog vele andere trekken te voegen, welke ons in het vervolg onzer beschouwingen voor oogen zullen komen.

De poëzie der ‘Minnesinger’ is hoofsch, zeide ik en dat ook de bedoelde Nederlandsche liederen dien stempel dragen, blijkt al dadelijk uit de verachting, waarmede over de ‘kerels’ wordt gesproken als geheel onvatbaar voor de edele minne. Reeds in de ridderpoëzie wordt meermalen gezegd, dat de dorper niet in staat is in de genietingen der liefde te deelen. Maar ook hier lezen wij:

 Maer altoos es in vruechden ryc
 Lief bi lief in trouwen reyn.
 Een kerel ghert der vruechden gheyn,
 Hi mint den scat, spise ende wyn;
 Want elc ende elc neemt gerne tsyn 3)  .
 1)  Scherer in zijne Gesch. der Deutschen Literatur. bl. I54.
 2)  Vgl. ook ‘der Altheimische Minnesang’ bl. 192.
Ik heb mijne voorbeelden niet uitsluitend aan die zoogenaamd ‘romanisierende’ dichters, maar hier en daar ook aan de oudere ‘Minnesinger’ en Walther von der Vogelweide ontleend. Het spreekt echter van zelf, dat ik noch den innig gevoelvollen, zinrijken Walther noch b.v. Hartmann von Aue op dezelfde lijn stel als de anderen. Indien ik soms ook hunne gedichten aanhaal, dan is dat alleen om een voorbeeld te geven van eene gedachte of uitdrukking, die ik bij uitgebreider kennis van de poëzie der ‘Minnesinger’ ook wel elders had kunnen vinden; d.w.z. in de poëzie dergenen op wie Scherer's woorden toepasselijk zijn.
 3)  t.a.p. bl. 56.


[p. 262]

Elders 1)   wordt ‘een kerel grys’ als minnaar door den dichter bespot en in een ander lied leest men weer:

 Want ich di diene in trauwen rein
 Niet als vilein,
 Die helt met allen winden 2)  

Een voorname karaktertrek van de poëzie der ‘Minnesinger’ is, dat de liefde daarin geheel als eene eeredienst wordt opgevat; de minnaar staat tot zijne geliefde als de dienaar tot zijne meesteres. Zoo lezen wij in den ‘Minnesangs Frühling’ 3)  

 Mich kunde niemen des erwenden
 in welle ir wesen undertân

en

 mac ich der guoten minne
 mit mîme dienste nicht bejagen. 4)  

en onophoudelijk wordt over dien dienst gesproken 5)  . Datzelfde begrip, diezelfde verhouding vinden wij in onze liederen terug. Men vergelijke b.v. uitdrukkingen als: ‘Ic diene haer waerlic openbaer’ (IV); ‘Sonder verganc, sal ic di dienen minnentlych’ (id.); ‘Ic blive haer eighin minnentlyc’ (IX); ‘Ic blive dyn eighin vry allein’ (X); ‘Sonder fraude of malengien, willic eewich haer dienre syn’ (XII) en nog vele andere plaatsen, waar de minnaar zich steeds den ‘eighyn’, den lijfeigene zijner minnares noemt. Vernedert hij zich zelf dus tot haren knecht, zij zelve wordt door hem verheven tot zijne koningin, zijne keizerin zelfs. Zoo lees ik in het Duitsch: ‘In einem wilden walde er sach, sîns herzen küniginne’ en ‘Neinâ küniginne, daz mîn dienest sô iht sî verlorn!’ 6)  . In het Nederlandsch op dezelfde wijze en nog sterker: ‘Nu blyft ghecroont, myn coninginne’; ‘myn ‘hoochste souvereine’; ‘soete, lieve souvereine’; ‘Myns hertzen keyserinne’

 1)  t.a.p. no. 48.
 2)  t.a.p. no. 76.
 3)  bl. 51, 23.
 4)  bl. 76, 30.
 5)  b.v. 53, 12; 69, 1; 78, 7; 79, 12; 81, 3; 84, 19; 93, 24; 123, 13; enz.
 6)  M.F. 73, 14; en 93, 24. Zie ook nog 150, 27.


[p. 263]

enz. 1)   Een blik van haar geldt den getrouwen dienaar ook meer dan schatten 2)   en in het Nederlandsch lezen wij evenzoo:

 Selver, gout ende dierbaer steine
 Jeghen een wivelic aenzien
 Dat prisic zeker al te cleine 3)  

Voor zinnelijke liefde is in deze lyriek geene plaats. Terecht zegt Becker: ‘Nie ist von bîligen, umbevangen oder auch hur von guoter naht die Rede.’ 4)   In den ‘Minnesangs Frühling wordt dan ook steeds gesproken van ‘reiniu wîp’ en evenzoo kennen de Nederlandsche liederen slechts ‘reine minne.’ Zoo b.v. ‘Een onrein dincken ic niet en mein’ 5)   en elders:

 De hoochste staet der vroylicheit
 Om jolizelyc te leven:
 Dats minne vul der reinicheit 6)  .

Reeds de herinnering aan de geliefde ‘verslaet alle onrein ghedachte’ 7)   en hare eer gaat hem boven alles:

 Want in wil niet, dat soe yet doet,
 Haer eere ne si behouden 8)  .

De eerbied, dien men voor zijne meesteres koestert, verplicht den minnaar om voor geen prijs haren naam te melden of zich op hare gunsten te beroemen. Een ‘beroemech’ minnaar - wij zagen het vroeger reeds - begaat eene misdaad tegenover het vrouwelijk geslacht. Zoo prijst in den ‘Minnesangs Frühling’ een meisje haren minnaar, omdat:

 Sîn suezer munt des ruomes nie gepflac
 dâ von betrüebet iender wurde ein saelic wîp.

en Walther von der Vogelweide deelt dikwijls scherpe berispingen uit aan de ‘schamelôsen’ die hem telkens en telkens weer naar den naam zijner schoone vragen 9)  . Zoo zegt hij b.v.

 1)  Oudvl. Lied. no. 61, 117, 70, 50.
 2)  M.F. bl. 133, 1.
 3)  t.a.p. bl. 56 (1, 5.)
 4)  t.a.p. bl. 194.
 5)  Oudvl. Lied. no. 30.
 6)  no. 126.
 7)  no. 141.
 8)  no. 29.
 9)  Vgl. Walther von der Vogelweide ed. Pfeiffer. no. 19.


[p. 264]

 Vil maneger frâget nâch der lieben wer si sî
 der ich diene und allez her gedienet hân.
 sô des betrâget mich........ 1)  .

en elders 2)   roept hij uit; ‘Waz touc zer werlte ein rüemic man?’

Zoo lezen wij ook in een der Nederlandsche liederen, dat geheel handelt over het verzwijgen van den dierbaren naam voor de ‘wroughers:’ ‘Wie zo es, dan seggic niet.’ 3)   En in een ander lezen wij:

 Maer wie ich meyn
 Wil ich niemen doen ghewach
 Dan huer allein....... 4)  

Slechts een enkele maal laat hij zich overhalen den beginletter van heur naam te noemen 5)  . De waarlijk ‘hovesce’ minnaar moet eene heimelijke liefde koesteren en die zorgvuldig voor het oog der wereld verborgen houden. Wij vinden dan ook in het Duitsch uitdrukkingen als: ‘Tougen minne diu ist guot.’ 6)   Wie zich de gunst van edele vrouwen wil verwerven, moet: ‘senelîche swaere tragen, verholne in dem herzen’ 7)   en ‘der dâ wol helen kan, der hat der tugende aller meist.’ 8)   Evenzoo vangt een liedje in de Nederlandsche verzameling aan met de woorden: ‘Helen es int herte myn.’ 9)   Als de liefste verre is, slaakt de getrouwe minnaar de bitterste verzuchtingen Hij smelt weg van verlangen; nu eens klaagt hij, dat zijne liefde onbeantwoord blijft, dan weer dat de booze twijfel hem geen rust laat 10)  . En wordt hem eindelijk de zoo vurig verlangde nabijheid vergund, dan kan hij er nog niet van genieten, want haar aanblik brengt hem in eene soort van bedwelming. Zoo spreekt een minnaar:

 So ich bî ir bin, mîn sorge ist deste mêre,
 als der sich nâhe biutet zuo der gluot;
 ...............
 So ich bî ir bin, daz toetet mir den muot 11)  .
 1)  ald. no. 35, 25.
 2)  t.a.p. no. 56.
 3)  t.a.p. no. 109,
 4)  no. 134.
 5)  no. 43, 44, 50.
 6)  M.F. 1, 12.
 7)  ald. 12, 6-8.
 8)  ald. 14, 22. Vgl. ook nog bl. 124, 8.
 9)  bl. 279.
 10)  Vgl. M.F. 45, 22; 173, 6; 174, 14; en in de Oudvl. Lied. no. 105, 122, 124, 127, 128, 131, 137, 138.
 11)  M.F. 82, 12.


[p. 265]

Wanneer hij voor haar staat, kan hij niet spreken, zoodat zij hem uitlacht 1)   en als hij haar slechts hoort spreken

 So ist mir alse wol
 daz ich gesitze
 vil gar âne witze
 nochn weiz war ich sol 2)  .

En evenzoo lezen wij in eene samenspraak tusschen twee vrienden in de Nederlandsche verzameling:

 A. So sprec huer an!
 B. Ich wil, in can.
      Eer icse zie
      So hueghes mie;
      Comicker bi, mi vreeses dan 3)  .

De liefde van den waren minnaar blijft echter onwankelbaar en aan de lofzangen op zijne eigene gestadige, trouwe liefde (‘diu staete’) komt dan ook geen einde 4)  .

Ook in andere zaken merken wij nog overeenkomst op. Zoo b.v. in het zenden der liederen: in het Duitsch lezen wij uitdrukkingen als: ‘dar zuo send ich in disiu liet’ 5)   en

 Sît ich des boten niht enhân
 Sô wil ich ir diu lieder senden.

Verschillende nieuwjaarsoverpeinzingen in de Nederlandsche verzameling werden waarschijnlijk ook in den vorm van brieven gezonden. Zoowel in de Duitsche als in de Nederlandsche liederen worden de minnaars altijd belaagd door afgunstigen, benijders en lasteraars (in het Duitsch ‘merkaere’ genoemd 6)  . Alleen een droom van het geluk, waarnaar zij over dag smachten, kan hen des nachts van tijd tot tijd schadeloos stellen. Zoo lezen wij in het Duitsch:

 1)  ald. 135, 19-35.
 2)  ald. 141, 33. Vgt. ook ‘W.v.d. Vogelweide's: ‘Schüchterne Liebe’ t.a.p. no. 51.
 3)  ald. no. 91.
 4)  Vgl. M.F. 47, 33 (unstaete) 52, 13; 81, 4; 81, 14; 154, 27; 211, 35; 212, 1-35. Oudvl. Lied. no. 84, 87, 102, 103, 110, 112, 115.
 5)  M.F. 48, 19.
 6)  ald. 50, 32; 7, 24; 13, 14; 16, 19.


[p. 266]

 Minne diu der werlde ir freude mêret
 seht, diu brâhte in troumes wîs die frouwen mîn 1)  

en in het Nederlandsch vinden wij ook de beschrijving van zulk een gelukkigen droom:

 Een droom haet mir tze vruechden bracht
 Das mir di nacht
 Tze balde dus overlidet.
 Myn gheist en ruste nye zo zacht 2)  
 ............

In de uitdrukking der weinige en steeds terugkeerende gedachten treft men in beide talen dikwijls dezelfde beelden en dezelfde sporen van valsch vernuft aan.

Zeer geliefd is de voorstelling, waarin de minnaar zijn hart vergelijkt bij een juweelkistje en het beeld der liefste bij den schat, die daarin bewaard wordt. Zoo b.v. in het Duitsch:

 Mîn herze muoz îr klûse sîn
 al die wîle ich habe den lîp 3)  .

En hetzelfde beeld treft men aan in het allerliefste liedje, dat aan het hoofd der naamlooze liederen in den ‘Minnesangs Frühling’ prijkt.

 Du bist mîn, ich bin dîn:
 des solt dû gewis sîn.
 du bist beslozzen
 in mînem herzen:
 verlorn ist daz slüzzelin:
 dû muost immer drinne sîn 4)  .

In de Oudvlaemsche Liederen wordt dat beeld ook niet zelden gebruikt. Zoo b.v.

 In mire hertzen scryn
 So leicht die minne dyn
 In also groter werde 5)  .

Op die wijze kan de oprechte minnaar dan ook tegelijk van

 1)  M.F. 145, 9.
 2)  Ovl. Liedb. no. 116.
 3)  M.F. 42, 19.
 4)  Vgl. ook nog. M.F. 127, 1-10; 194, 21-25
 5)  Oudv. Lied. no. 7.


[p. 267]

zijne geliefde scheiden en toch bij haar blijven. Zijn hart immers blijft bij haar en hij voert het hare met zich. Zoo lezen wij in het Duitsch:

 Nu muoz ích varn und doch bî ir belîben
 Von der ich niemer gescheiden en mac 1)  

en in de Oudvlaemsche liederen:

 Al sceidic van dir int gezicht
 Myn hertze en sciet nie, vrauwe, van dir,
 Hoe verre ich anders van dir bin;
  
 Tzwaer, in bin sonder hertze nicht,
 Draghic int sceiden tdyn met mir 2)  .

Ten slotte krijgen de oogen dikwijls de schuld van alles; zij hebben het eerst de geliefde aanschouwd, door hen is haar beeld binnengedrongen en heeft des minnaars hart ingenomen. Daarom klaagt hij; ‘mir habent diu ougen vil getân ze leide’ 3)   en daar deze hem al zijn leed berokkend hebben, zou hij ze gaarne willen missen:

 daz tuont mir dougen mîn:
 der wolte ich âne sîn.

En elders lezen wij deze voorstelling:

 der enzwei gebraeche mir das herze mîn
 der möhte sie
 schône drinne schouwen.
 si kam her
 dur diu ganzen ougen
 sunder tür gegangen 4)  .

Evenzoo lezen wij in de ‘Oudvlaemsche Liederen’ eene vergelijking tusschen het hart en de oogen, die ten nadeele der laatsten uitvalt:

 Een oghe upslaen es wandelbaer
 Maer als tghesichte wil bliven staer,
 Ende laten inwaert vlieghen,
 So moet daer therte segghen waer;
 Want zoe en can niet lieghen 5)  .
 1)  M.F. 114, 35.
 2)  Oudv. Lied. no, 104.
 3)  M.F. 47, 15.
 4)  M.F. 127, 1-10. Vgl. ook nog 194, 18 en 25.
 5)  ald. no. 95.


[p. 268]

Uit hetgeen ik gaandeweg heb aangehaald van de bedoelde Vlaamsche liederen, heeft men kunnen zien, dat verscheidene er van Duitsch gekleurd zijn. Ik zal daaraan nog een paar sprekende voorbeelden toevoegen, Zoo b.v.:

 No hier, no daer, waer ich belende
 Ne vindic vruecht no troost, no heil;
 Ach ware des tzwivels, vrou, een hende
 Ende ich der hofen creighe een deil,
 So ware myn hertze in vreuchden gheil;
 Wes ich nu doe, dats jeghen spoet 1)  .

en

 Dat saltu seker vinden waer
 Dattu mich haes in dir ghewald
 Daertzoe groetich di duzentfald 2)  .

Ook enkele uitdrukkingen als: ‘troutzalich’ en ‘troutzaerte’ wijzen op Duitschen invloed.

Ik meen dus met recht te kunnen beweren, dat men de hier behandelde minneliederen slechts met voorbehoud onder de ‘oudvlaemsche’ kan rangschikken. De uitgever schijnt trouwens zelf ook van die meening te zijn. Hij zegt immers: ‘Het geheele H.S. schynt het werk niet te zyn van een' en denzelfden schryver; sommige van de honderd vyf en veertig liederen, indien wy ze naer de tael oordeelen, zou men eenen Limburger of Klevenaer kunnen toeschryven.’ 3)   Deze gissing schijnt mij wel aannemelijk; alleen zou ik de vraag willen stellen: of al die Duitsch getinte liederen wel door één dichter zouden zijn vervaardigd. Het is mogelijk, maar ik acht het toch niet waarschijnlijk, omdat het mij voorkomt, dat het eene lied veel meer Duitsch gekleurd is dan het andere.

Overigens treft men ook menig schoon lied aan in deze verzameling. Ik wijs b.v. op dat, waarin het scheiden bezongen wordt:

 Sceiden, onverwinlic leit,
 Onvruechdelyc es dyn begin
 Dat nemic waerlic up myn heit;
 Ten brinct gheen dinc meer lidens in.
 1)  no. 131.
 2)  no. 118.
 3)  Inl. III.


[p. 269]

 
 Sceiden, du dwinx herte ende zin,
 So langher tyt, so meer verdriet,
 Sceiden, dune ghenouchs mi niet 1)  .
      enz.

Op een ander aanvangende met deze strofe:

 Neemt das vor goet,
 Lief beilde zoet,
 Das ich dir gheve
 Sin, hertze ende moet
 In dyn behoet
 De wile ic leve 2)  

vooral op het liefelijke gedicht, waarin de leeuwerik bezongen wordt en dat ik hier in zijn geheel wil overnemen:

 Aloëtte, voghel clein!
 Dyn nature es zoete ende rein,
 So es dyn edel sanc;
 Daer dienstu met den here allein
 Te love om sinen danc.
  
 Daeromme ben ic met di ghemein;
 Ander voghel willic ghein
 Dan di myn leven lanc.
 Aloëtte, voghel clein!
 Dyn nature es zoete ende rein,
 So es dyn edel zanc.
  
 Nider boos, onreine, vilein!
 Die rouc die es wel dyn compein,
 Neimt dien in uw bedwanc,
 Laet minlic hertzen syn bi eyn
 Sonder loos bevanc.
  
 Aloëtte, voghel clein!
 Dyn name es zoete ende rein 3)  .
      enz.

Ook moge hier plaats vinden het fraaie lied tegen de kwellende gedachten, die den minnaar rust noch duur laten:

 1.
 Vaer wech, ghepeins, God gheve dir leit
 Dattu ye quaems in myn ghedacht;
 1)  no. 96.
 2)  no. 107.
 3)  no. 125.


[p. 270]

 
 Du bist vortan van mi ontseit,
 Ende ic ontsegghe al dyn gheslacht.
 Vaer wech!
 Vaer wech ende vliet van mi ghereit,
 Dune laets mi rusten dach no nacht.
  
 2.
 Du aens ghebrant met onbesceit
 Myn hertze ende al myns zinnes cracht;
 Mi dwinct so zere dyn aerbeit,
 In haen no vruecht, no vruechden macht.
 Vaer wech!
 Vaer wech ende doe van mi ghesceit,
 Dune laets mi rusten dach no nacht.
  
 3.
 Ach groen nu zi myn ommecleit,
 Want ich mi nie so moede en vacht,
 Helpstu mir niet, soot mir nu steit,
 So werdic zaen ghevanghen bracht.
 Vaer wech!
 Vaer wech, helf God om vroilicheit,
 In can gherusten dach no nacht 1)  .

Reeds herinnerde ik met een enkel woord aan de overige liederen in deze verzameling. Ze zijn ongeveer veertig in getal en in zuiver Vlaamsch geschreven. Allerlei genres zijn vertegenwoordigd, van het ridderlijke minnelied tot het schimpdicht tegen de kerels, van het philosophische en moralizeerende lied tot het luchtige danslied en de soms al te dartele liefdesavonturen van monniken en poorters.

Wij zullen die liederen gedeeltelijk in dit, voor een ander deel in volgende hoofdstukken behandelen. Als den dichter dier liederen noemt de uitgever zekeren Jan van Hulst, die van edele afkomst was en de zonden zijner vroolijke jeugd later met het priesterkleed zocht te bedekken. Uit die liederen blijkt dus, dat wij in de laatste helft der 14e eeuw oorspronkelijk Nederlandsche liederen hebben aan te wijzen. Zeker zijn echter dergelijke voortbrengselen als de hier behandelde Duitsch gekleurde liederen niet zonder invloed geweest op de vorming van dat deel der Nederlandsche lyriek. Uit die liederen toch zullen degenen, die ze hoorden

 1)  no. 140.


[p. 271]

of lazen, hebben kunnen leeren, hoe men de taal behandelen moest en wat men er mede doen kon.

Gaan wij nu de ontwikkeling onzer lyriek nog eens in 't kort na, dan zien wij, dat Wackernagel's woorden, die ik vroeger aanhaalde, vrij wel bevestigd worden.

In het eerst staat onze lyriek onder Franschen invloed; tal van Zuidnederlandsche edelen, met den hertog van Brabant, Hendrik III, aan het hoofd, volgen de Noordfransche trouvères na. In de laatste helft der 13e eeuw zien wij een anderen hertog van Brabant den blik richten op het ook onder Franschen invloed staande Duitschland, waar het minnelied zijne schoonste triomfen reeds had gevierd; dat voorbeeld zal zeker niet zonder navolging zijn gebleven, al kan ik dat niet bewijzen. Ik houd het echter voor zeer waarschijnlijk, dat menig Brabantsch edelman zal zijn gevolgd, waar zijn hertog hem voorging. Limburgsche en Kleefsche edelen, die het beschaafde middelhoogduitsch misschien niet goed machtig waren en wier taal toch ook veel dichter bij het Duitsch stond, zullen in de 14e eeuw minneliederen gedicht hebben in hunne eigene taal, die den overgang vormde tusschen Duitsch en Nederlandsch. Onder die liederen moeten m.i. worden gerangschikt de Duitsch getinte liederen, welke wij hierboven beschouwd hebben. Deze kunnen den Brabantschen en anderen Nederlandschen edelen, zooals ik reeds zeide, den weg hebben gewezen, toen zij in hunne eigene taal als dichters wilden optreden.

Tot dusver sprak ik steeds van edelen, maar reeds in de 14e eeuw zullen de voorname poorters hen ook hierin wel hebben nagevolgd. En bij de steeds aangroeiende welvaart en ontwikkeling zal ook de middenstand zich weldra niet meer onbetuigd hebben gelaten. Zóó zag het volk de kunst ten laatste van de edelen af en begon haar zelfstandig te beoefenen. Voordat die beweging zich echter aan het geheele volk kon mededeelen, moest een graad van algemeene ontwikkeling bereikt zijn, welke wij te onzent eerst in de 15e eeuw aantreffen. In die eeuw immers bereikten de bloei en de welvaart dezer landen eene vóór dien tijd ongekende hoogte. De machtige hertogen van Bourgondie spreidden

[p. 272]

eene ongeloofelijke pracht ten toon en ook bij hunne onderdanen heerschten overvloed en weelde. Dat bij eene dergelijke maatschappelijke welvaart ook de kunsten bloeiden, is niet te verwonderen en wat al schoons zijn wij aan de 15e eeuw verschuldigd!

Hoe menig bevallig stadhuis met slanken toren en fraai beeldhouwwerk, hoe menig sierlijk woonhuis in warmen, rooden steen, harmonieus afgezet door gele of witte sluitsteentjes, werden in dien tijd gebouwd.

De ‘van Eycken’ schilderden hunne ‘Aanbidding van het Lam Gods,’ dat overweldigende stuk, waarin men niet weet, wat meer te bewonderen: het stoute genie der schilders, die zulk eene gedachte dorsten verwezenlijken of de harmonie der rijke, glanzige kleuren of de onvergelijkelijke schoonheid en fijnheid der uitvoering. Memling wrocht zijne juweelige ryve van St. Ursula; Rogier van der Weyden, Hugo van der Goes, Gerard van Oudewater, en Jan van Maubeuge zijn zooveel andere lichtende sterren aan dezen kunsthemel. De muziek had een zoo hoogen trap van ontwikkeling bereikt, dat een uitnemend geschiedschrijver de laatste helft dezer eeuw in de muziekgeschiedenis naar de Nederlanders zou willen noemen 1)  . En daar nu de kunst voldoen moet aan de behoeften des gemoeds, waaruit zij ook ontsproten is, zoo mogen wij veilig aannemen, dat de Nederlanders dier dagen een rijk en ontwikkeld gemoedsleven hebben gehad. Voor een deel blijkt dat ook uit de letterkundige gewrochten dier eeuw, allereerst uit het proza. De machtige beweging der mystiek, die zich aan het geheele beschaafde Europa had medegedeeld, deed zich ook te onzent gevoelen. De vrome prior van Groenendael, Jan van Ruysbroeck was reeds in de 14e eeuw haar wegbereider geweest; in het begin en het midden der 15e eeuw volgden hem de Windesheimer monnik Hendrik Mande en Dionysius Carthusianus en schreef de kluizenaar van den St. Agnietenberg in de stille cel, die hij zoo liefhad, het gulden boekske der ‘Navolging’.

 1)  ‘Das Jahrhundert von 1450 bis 1550 verdient in der Musikgeschichte recht eigentlich den Namen des Jahrhunderts der Niederländer.’ (Ambros. Gesch. d. Musik III, 3).


[p. 273]

De diepe en fijne kennis des gemoeds en de dikwijls aangrijpende waarheid der opmerkingen van Thomas à Kempis verrassen te meer, als men zich kort te voren verkwikt heeft aan de frischheid en onnavolgbare naïveteit van zoo menige kloosterlegende in denzelfden tijd opgesteld.

Maar niet al de mannen van die dagen gelijken op de ernstige monniken van Memling, op wier bleeke gezichten en in wier sprekende oogen het geheele kloosterleven te lezen staat en niet alle vrouwen hebben de bovenaardsche uitdrukking van gelaat, welke men zoo dikwijls bij de oude meesters bewondert. Niet allen wenschen de ‘gracie der schouwing’ deelachtig te worden om na een zalig verscheiden in blinkend witte kleederen en met palmtakken in de handen op de gouden straten van het hemelsch Jerusalem te mogen wandelen; grooter was voorzeker het aantal van hen, die nog met hart en ziel aan de wereld en hare begeerlijkheden verknocht waren en van wier luchtige levensbeschouwing men zich slechts een onvolkomen denkbeeld kan vormen uit Dirk PottersMinnen Loep’. Had het gemoedsleven zich dus in zoo verschillende richtingen ontwikkeld, waar zou men dat dan duidelijker kunnen waarnemen dan in de lyriek, die bij uitnemendheid de poëzie van het gemoed is?

En als wij het oog richten op den rijken 15e eeuwschen liederschat, dan zullen wij dat vermoeden tot zekerheid zien worden. De geheele mystieke levensbeschouwing vindt men terug in de geestelijke liederen van dien tijd. Ook daar treft men dat innige, naïeve geloof aan, dat vurige verlangen om van dit aardsche ontslagen te worden, dien afkeer van de wereldsche genietingen en die verheerlijking van het leven hiernamaals, dat inkeeren in eigen gemoed en dat harde zelfverwijt. Maar ook de wereldlingen doen hunne stemmen hooren. Nevens de schoone, geestelijke liederen staan even schoone minneliederen; hier kent men geen afkeer van de wereld, noch beschuldigt men er zich zelf, maar hoort men de uitingen van een levenslustig, jong volk, krachtig en overmoedig door zijn voorspoed; hier wekt men op tot onbezorgde vroolijkheid, hier wordt gedanst en gezongen bij

[p. 274]

kan en viool, hier wordt gevrijd en gekust en dikwijls de leer der zinnelijkheid gepredikt in liederen - dartel tot onbeschaamd wordens toe.

Op het minnelied door Uhland zoo juist ‘die Blume der Lyrik’ genoemd, zullen wij nu onze aandacht vestigen. Zooals ik reeds vermeldde, behooren sommige dier liederen nog tot het laatst der 14e eeuw, vele andere zijn minstens uit de 15e eeuw en weer andere kunnen met groote waarschijnlijkheid tot dienzelfden tijd gebracht worden. Die der eerste soort komen namelijk voor in de meergemelde O.V.L. 1)  , de aanvangsregels van andere dienden reeds in de 15e eeuw om de melodie van een geestelijk lied aan te geven en deze moeten toen dus reeds zeer bekend zijn geweest; nog andere worden in tegenstelling met de overige liederen steeds ‘oude liedekens’ genoemd. Van sommige hunner kan men bewijzen, dat zij tot de 15e eeuw hebben behoord en gelijkheid van taal en vorm geeft recht hen alle over een kam te scheren; nog weer andere werden afgeschreven uit 15e eeuwsche handschriften 2)  .

De bloeitijd van het minnelied valt dus in de 15e eeuw en deze bloei bleef voortduren tot het midden der 16e. Het aantal liederen, dat ons uit die laatste eeuw overgebleven is, overtreft dat der 15e eeuwsche verre; men moet daaruit echter niet afleiden, dat er in de 16e eeuw betrekkelijk meer minneliederen gedicht werden dan in de 15e. De oorzaak van het feit, dat er ons niet meer uit laatstgenoemde eeuw zijn overgebleven, ligt m.i. in den aard dier liederen zelf, die spoediger vergeten werden dan de verhalende liederen en sneller dan deze plaats moesten maken voor nieuwe. Er zijn voorzeker punten van verschil op te merken en aan te geven tusschen de minneliederen der 15e en die der 16e eeuw en ik zal daarbij van tijd tot tijd stilstaan. Grooter

 1)  Ik zal deze afkorting gebruiken voor: Oudvlaemsche Liederen.
 2)  Bij vele der 15e eeuwsche liederen is door Hoffmann von F. en Willems het H.S. aangegeven, waaruit zij zijn overgenomen; van andere vindt men de aanvangsregels reeds in de 15e eeuw, gelijk uit de door H. v. F. verzamelde ‘Liederanfänge blijkt; van nog andere heb ik hier en daar den tijd zooveel mogelijk bepaald.


[p. 275]

is echter de overeenkomst, welke er tusschen beide soorten bestaat: zoowel in de stoffen, die zij behandelen als in de wijze, waarop zij die stoffen verwerken. Ik zal dus trachten een beeld van het minnelied te schetsen, dat in hoofdzaak de beide eeuwen weergeeft en daarna eenige bijzondere trekken noemen, die men zou moeten toevoegen of weglaten, al naar gelang men zich de eene of andere eeuw wil voorstellen.

Om het overzicht gemakkelijker te maken, zal ik alle minneliederen in twee groote afdeelingen rangschikken. De eerste zal die liederen bevatten, welke min of meer een dramatisch karakter vertoonen; de tweede: diegene, welke zuiver lyrisch zijn. Tot die eerste afdeeling behooren dus alle samenspraken, ook de zoogenaamde Wachter- en Meiliederen en wij zullen deze nu naar het vervolg behandelen.

Samenspraken vindt men zoowel in de 15e als in de 16e eeuw, misschien zelfs waren zij in de eerste nog talrijker 1)  . Dikwijls is de minnaar ongeduldig; zijne getrouwe liefde heeft hem nog niet mogen baten en verwijtend zegt hij tot zijne gezellin: 2)  

 Ic claghe, en mach mi baten
 Niet een vingherlyn;
 Verlangen doet mi pyn!

En met dien laatsten regel besluit hij elke hernieuwde klacht. Maar zijne vroede en hoofsche gezellin vermaant hem geduld te hebben.

 Si sprac: ghi sult u houden
 Vroilic ende verbouden
 In der minnen gloet.

en tegenover zijn telkens terugkeerenden slotregel stelt zij den hare: ‘Quaet (h)aeste es al onspoet’. Elders verkrijgt hij wel het gewenschte antwoord op zijne vurige beden, maar het schalksche

 1)  Vgl. (15e eeuw) O.V.L. no. 53; A.L. no. 131, 141, 165; H.B. II no. 98; Willems no. 135; (16e eeuw) A.L. no. 1, 42, 43, 64, 133, 194; H.B. II no. 103.
 2)  O.V.L. no. 53.


[p. 276]

meisje geeft zich niet zoo dadelijk gewonnen. Haar vrijer smeekt: 1)  

 Schoon lief, ic sou u vraghen:
 (Woudyt in duechden verstaen)
 Sal ic noch langer jaghen,
 Eer ic sal connen ghevaen?
 Ic hebbe u utvercoren
 Al in dat herte myn;
 Segt mi, salt zyn verloren,
 Druc moet myn eyghen zyn.

‘Lieve gezel’, antwoordt het meisje, ‘ik ken u nog niet genoeg, maar mocht u misschien eens een gunstbewijs van mij ten deel vallen, dan zeg ik u: wees bescheiden’ (‘weest huesch in uwen mont’). En hij put zich uit in betuigingen: hoorde hij maar eens een enkel vriendelijk woordje, het zou in zijn hart besloten blijven, daarvan kan zij zeker zijn. Maar zij is of schijnt ten minste nog niet overtuigd:

 Men mach u niet betrouwen,
 Dat segghic u goet ront.

En weer voegt zij er dartel bij:

 Begheerdy wil van vrouwen,
 Syt huesch in uwen mont.

‘Ach! gij schertst zeker,’ herneemt hij, ‘maar ik geef de hoop daarom niet op; de kans zal nog wel eens ten goede keeren.’ Dat is haar weer wat te boud gesproken en zij houdt zich boos:

 Gheselle, ghi sout u scamen,
 Dat ghi mi dus dic vermaent,
 Ghi gaet al door die bramen,
 Den wech is onghebaent,
 Die ghi beghint te treden.
 Och, wiste ick uwen gront!
 Ic waer noch bat te vreden,
 Waerdi huesch in uwen mont.

Weg is het beetje moed, dat hij zoo even nog bezat! ‘Hoe dikwijls heb ik om u gezucht, als wij elkander zagen op straat en

 1)  A.L. no. 141.


[p. 277]

in de kerk! Is dat dan alles te vergeefsch geweest?’ vraagt hij op neerslachtigen toon. En nu krijgt zij toch medelijden met den armen minnaar, wiens liefde haar werkelijk niet ongevallig is; zij zal hem hare hand dan schenken, maar - ook nu nog niet alle vingers tegelijk. Zij steekt hem een vinger toe, overtuigd, dat hij de geheele hand wel zal nemen, want plaagziek klinkt het:

 Gheselle! u soete woorden,
 Die gaen int herte myn.
 Mer oft also gebuerde,
 Dat water worde wyn
 Ende ghi myn minne cost crighen,
 Waer u dat niet een vont?

Als ik eens: ja, zeide. Hoe zou u dat lijken? En voor alles:

 Soudy wel connen swyghen
 Ende huesch zyn in uwen mont?

Op zijne hernieuwde betuigingen geeft zij zich ten laatste over en droefheid en druk zijn vergeten, nu de bloem van alle vrouwen hem voor zijne trouw beloonen zal.

Even plaagziek en dartel is een ander meisje, dat wij met haren minnaar buiten zien wandelen. Zij plukt viooltjes, vlecht er een krans van, siert er hare lokken mede en komt voor hem staan: 1)  

 Steet hi mi wale?
 Draghiken wale?
 Dunct hi u goet?

Alsof zij het niet wist! Hij strekt de hand reeds uit om den krans, die haar hoofd gedrukt heeft, te mogen verwerven. ‘Neen’ zegt zij plagend, ‘dien krans heb ik bestemd voor mijn liefste:

 Den hoet sal draghen myn minnekyn,
 Dat ghi mi bidt gheeft mi onmare;
 Te biddene sone hebdi ghenen spoet.
      Steet hi mi wale?
      Draghiken wale
      Dunct hi u goet?
 1)  Willems no. 135.


[p. 278]

En weer smeekt hij: ‘geef mij den krans; mijne oprechte liefde verdient dat loon wel.’ Maar het meisje hecht geen geloof aan zijne woorden. ‘Gij spreekt de waarheid niet’, zegt zij. ‘Laat eens hooren, wie is uw liefje?’ En de geduldige minnaar antwoordt op die vraag naar den bekenden weg en hij voegt er bij, dat hij nog zal sterven, als die krans niet in zijn bezit komt. Nu weigert zij niet langer en vroolijk wandelen zij verder.

Elders 1)   zien wij een minnend paar in het smartelijk scheidingsuur. Geen beter aandenken weet hij haar te laten dan eenige droppels van zijn bloed en zij zal die steeds op heur hart dragen. Maar de woorden willen haar nauwelijks over de lippen en tranen rollen langs hare wangen. Hij wil het kort maken, haalt een mesje uit en als het bloed te voorschijn komt, spreekt hij:

 Hout van den bloede myn!
 So waer dat ghi comt in enech lant,
 Dat u ghedinke, waeraf dat si.
      Och ghedinc myns!

Weenend reikt zij hem den afscheidsdronk en beveelt hem in de hoede van St. Jan 2)  . Nog even steekt zij hem een ring aan den vinger en kort daarna heeft hij haar verlaten.

Stoutmoediger dan de vorigen is een minnaar, dien wij in het Antwerpsche Liederboek 3)   aantreffen.

 Een jonck herteken, goet van pryse
 Ghinck voor een joncfrouwe staen.
 Hi seyde: joncfrouwe, met goeden avyse
 Mochte ic in uwen boomgaert gaen.
 Ick soude vanden bladerkens plucken
 Ende die rooskens laten staen.

De beeldspraak is duidelijk, ook voor haar.

 Si seyde: jonckheere, dat is wel verstaen,
 Mer ten sal also niet zyn;
 Daer en is maer een alleyn,
 Die van mynen boomkcn reyn
 Plucken sal een bladekyn.
 1)  H.B. II, no. 98.
 2)  St. Jan was de patroon der reizigers gelijk St. Geerte hunne patrones.
 3)  no. 42.


[p. 279]

Dan weet hij er iets anders op.

 Hi seyde: wel overschoone joncfrouwe!
 Laet mi in uwen boomgaert gaen
 Ende ic sal van die rooskens plucken
 Ende die bladerkens laten staen.

Maar hij krijgt hetzelfde antwoord. Spijtig herneemt hij: ‘ik heb wel hooger bergen zien vallen dan het torentje, waarvoor ik nu sta’. ‘Ik geloof het gaarne’, zegt het meisje:

 Mer ten sal also niet zyn
 Daer en is mer een alleyn
      enz.

Als hij ziet, dat deze pogingen niet baten, tracht hij haar te verteederen:

 Moechdy mi nu gheen troost gheven,
 So blyve ic van trouwe doot.

Maar zij is hem te slim:

 Si seyde: joncheere, ghi en hebt gheen noot,
 Ghi verlieset uwen tyt.
 Daer en is mer een alleyn,
 Die van mynen boomken reyn
 Plucken sal een bladekyn.

En zoo moet hij onverrichter zake aftrekken.

Soms vallen er ook harde woorden in dergelijke samenkomsten, zooals blijkt uit een paar der volgende 16e eeuwsche liederen.

Een meisje is door haren minnaar verlaten; eenigen tijd later komt zij hem tegen en op hare klachten antwoordt hij koeltjes: ‘Kies een ander’,

 Hebdy u boel verlorèn,
 Wat schaden hebdy daervan?
 Ick seyt u van te voren,
 Een ander had ic vercoren
      enz.

Toornig valt zij uit: ‘Wat het mij schaadt, vraagt gij? Zooveel als de nachtvorst den rozen, gij schurk! Gij bracht mij het eerst

[p. 280]

in 't ongeluk; maar gelukkig zijn er nog wel anderen dan gij

 Een edel man te peerde,
 Een ryckaert, diet wel vermach,
 Die vryt mi nacht ende dach.

En het antwoord luidt ruw genoeg:

 Vryt u een man teenen boele
 Een ruyter oft een baroen?
 Wacht u, dat hi niet en coele,
 Want ghevoelde hi, dat ick ghevoele,
 Hi en sou niet gaen aendoen
 Eens anders mans oude scoen.

En na nog eenige liefelijkheden van dien aard draait hij haar den rug toe.

Een ander minnaar is hoffelijker. 1)  

 Hoe coemt dat bi, scoon lief, laet mi dat weten,
 Dat ghi mi nu vol drucx laet ongemeten
 ................
      Seer opstinaet sidy van uwen sinne,
      Oft quaden raet is u ghegheven inne;
      Dus sterve ic ut liefden door u minne.

En de ootmoedige dienaar bidt zijne godin onder bloedige tranen hem voor zijn getrouwen dienst te willen beloonen en zijne ‘doloreuse wonden te salven’. Die bede blijft dan ook niet onverhoord, want zij vangt aldus aan:

 O mannelick greyn, mi deert u lamenteren,
 Myn liefde reyn moet ic bedwongen regeren;
 Menighen vileyn, fenynich int hanteren
 Soude certeyn onser beider liefde blameren.

In dien gezwollen trant gaat zij voort. Zij zou wenschen met hem te sterven en daar dat niet zijn kan, legt zij de gelofte af hem tot het einde zijner dagen te zullen beweenen.

Minder zacht wordt een derde bejegend, die in den vroegen morgen een minneliedje hoort zingen door eene hem welbekende

 1)  A.L. no. 64.


[p. 281]

stem. Hij richt zijne schreden derwaarts en ziet zijn liefje bij eene bron zitten. Maar zijne verschijning jaagt haar slechts schrik aan, het lied verstomt en zij vreest dat hare eer gevaar loopt.

 Ay, seyde si, wel vuyl cockyn,
 Wilt ghi myn vruecht versmaden?
 Ic meende hier alleyne te zyn,
 Mi dunct, ic ben verraden.

Vruchteloos verzekert hij haar, dat hij niets kwaads in den zin heeft, vruchteloos wil hij er zijne trouw onder verpanden.

 Si seyde: gaet wech, vuyl serpent,
 U tonge heeft seer gelogen,
 Het fenyn is in u present,
 Mi dunct, ic ben bedroghen.

Men zal uit deze staaltjes kunnen opmaken, dat deze soort minneliederen er met den tijd niet op heeft gewonnen; in de 15e eeuw was de toon kiescher, de vorm fijner en beschaafder dan in de 16e.

Hetzelfde dramatische element, dat wij in de samenspraken aantroffen, vinden wij terug in eene reeks van liederen, welke wij nu zullen behandelen. In de eerste plaats zien wij het in de zoogenaamde: Wachterliederen 1)  .

De inhoud dezer liederen is (met grooter of kleiner afwijkingen) deze: De nachtelijke samenkomst van een minnend paar loopt ten einde; de morgen breekt aan en de wachter, die in het geheim is, blaast den horen of zingt zijn lied om den minnaar tevens te waarschuwen, dat hij moet vertrekken. Zij kunnen niet gelooven, dat hun geluk nu reeds weer ten einde is en eerst na eene herhaalde waarschuwing verwijdert de minnaar zich. De naam ‘wachterlied behoeft geene verdere toelichting; ik moet echter aanmerken, dat ik deze benaming niet in de oude liederen heb aangetroffen, wèl den anderen naam ‘dagheliet’. Het lied

 1)  Vgl. A.L. no. 72, 74, 82, 96, 140. H.B. II no. 63; A.L. no. 14, 19, 75, 77, 86, 102, 161; H.B. II no. 56 (str. 2 en 3), 129.


[p. 282]

heette natuurlijk aldus, omdat de wachter het bij het aanbreken van den dag zong en de naam werd daarna toegepast op het lied, waarin dergelijke samenkomsten werden beschreven 1)  . Het ‘dagheliet’ zal in de werkelijkheid natuurlijk slechts uit eenige woorden hebben bestaan, waarmede de wachter het aanbreken van den dag aan de kasteelbewoners verkondigde. Zoo lezen wij; (A.L. no. 72).

 De wachter opten tinnen lach;
 Hi hief op een liet, hi sanck.

Wat hij zingt, volgt niet. Blijkbaar waren dit de weinige woorden, die ik bedoel. Dat men deze woorden een lied noemde, laat zich begrijpen. Vele dergelijke signalen immers worden op luiden, half zingenden toon uitgegalmd; men zou zulk een wachterlied kunnen vergelijken bij de enkele woorden, waarmede de nachtwakers vroeger aankondigden: ‘welk uur de klok had’ of bij het langgerekte: ‘allèèèèèèè..... s wèl!’ dat de om eene gevangenis geplaatste schildwachten elkander door den donkeren, stillen nacht toeroepen. Later zal de naam echter zijn overgegaan op het geheele lied.

De Nederlandsche wachter- of dageliederen zijn deels uit de 15e deels uit de 16e eeuw. De zes eerste der door mij opgenoemde liederen behooren minstens tot de 15e eeuw; zij worden dan ook alle ‘oude liedekens’ genoemd, maar er zijn ook nog andere bewijzen. No. 72 kwam reeds in de 15e eeuw voor om eene wijs aan te geven 2)   en moet toen dus reeds zeer bekend zijn geweest. No. 74 komt reeds in een H.S der 15e eeuw voor, zooals ik straks zal aantoonen; taal en vorm der anderen geven recht ze tot dienzelfden tijd terug te brengen. De overige wachterliederen zijn waarschijnlijk uit de 16e eeuw en heeten dan ook ‘nyeuwe’

 1)  Ik lees b.v. A.L. no. 74, 7, dat een wachter zegt: ‘Ic moet myn dagheliet singhen’ en no. 140, 9 ‘Die wachter sanck syn dagheliet.’ Waarschijnlijk is dit eene vertaling van de Provencaalsche benaming voor deze soort van liederen: ‘alba’ (aube, aubade).
 2)  Vgl. H.B. II, XXVII


[p. 283]

of ‘amoreuse’ liedekens. De oudste wachterliederen bestaan niet slechts uit eene samenspraak tusschen het minnende paar, of tusschen een van beiden en den wachter, maar zij geven gewoonlijk ook nog eene schildering van hetgeen aan de samenkomst voorafgaat; dat zet aan het lied nog meer handeling bij, maakt de voorstelling nog dramatischer. Zoo zien wij in een der oudere liederen 1)   een jonkman 's avonds voor het venster der geliefde staan; hij fluistert:

 O lieffelyc ombevanghen!
 Staet op ende laet mi in,
 Na u staet myn verlanghen,
 By dy so wil ick zyn.

Die bede wordt verhoord. Het meisje laat hem binnen en snel vliegen de uren van verboden genot voorbij. Dáár hoort hij reeds het lied van den wachter, dat hem tot scheiden noopt. Maar hoe moeilijk valt die scheiding! Hij zou den wachter wel gaarne beloonen, indien deze slechts wilde zwijgen en slechts noode vertrekt hij van daar. Dezelfde inkleeding vinden wij in een ander oud lied 2)  . Dit is echter slechts gedeeltelijk een ‘wachterlied.’ De drie eerste strofen namelijk vormen een op zich zelf staand Meilied en zóó komt het dan ook bij Uhland 3)   voor; de vier laatste strofen, waarbij mogelijk eene andere aanvangsstrofe heeft behoord, vormen een wachterlied. Ook hier wordt eerst beschreven, hoe het meisje haren minnaar inlaat, hoe snel de uren voorbijvliegen en hoe het lied van den wachter hen wekt:

 Die wachter opter mueren
 Hief op een liet, hi sanck:
  
 5.
 Och isser yemant inne,
 Die schaf hem balde van daen,
 Ic sie den dach opdringhen
 Al in dat oosten opgaen.
 Nu schaft u balde van henen
 1)  A.L. no. 74.
 2)  ald. no. 82.
 3)  A.L. no. 72.


[p. 284]

 
 Tot op een ander tyt,
 Den tyt sal noch wel keeren,
 Dat ghi sult zyn verblyt.

Te vergeefs tracht de minnaar hem tot zwijgen te brengen:

 Swighet, wachter, stille
 Ende laet u singhen staen;
 Daer is soo schoonen vrouwe
 In mynen arm bevaen;
 Si heeft myn herte genesen,
 Twelc was so seer doorwont,
 Och, wachter goet gepresen!
 En makes niemant condt.

Maar deze blijft volhouden:

 Ic sie den dach opdringhen,
 Tscheyden moet immer zyn.
 Ic moet myn dageliet zingen,
 Wacht u, edel ruyter fijn!
 Ende maect u rasch van henen
 Tot op een ander tyt,
 Den tyt sal noch wel comen,
 Dat ghi sult syn verblyt.

En zoo moet hij dan scheiden. Zooals men in dit lied kan waarnemen, hebben de dichters aan het oorspronkelijke wachterlied een ander karakter gegeven. De wachter is hier de vertrouwde van het minnende paar en toont dat in zijn lied. Een ander 15e eeuwsch lied is slechts eene gebrekkige vertaling van een Duitsch wachterlied, dat ik in het ‘Ambraser Liederbuch’ aantrof. Men vergelijke slechts een paar strofen:


Ambras. L.B. Antw. L.B.
no. 179. no. 82.
1. Der tag wol durch die wolcken drang, 2. Den dach al door die wolcken dranc,
die nacht wil uns entweichen, Die nacht en woude hem niet wycken,
Die sonn mit jhrem klaren schein, Ut sinen edelen glase ontspranck
scheint über alle reichen, Al ouer allen aertrijcken,
Vom Orient ist ausgesendt Wt orienten ons ghesant
uber alle land, dem armen als dem reichen. Ouer alle tlant, den armen als den rijcken.

 



[p. 285]


Ambras. L.B. Antw. L.B.
no. 179 no. 82.
2. Ein trewer warner der das thut, 3. Die vaert die ic op trouwe doe,
leit jemand hie verborgen, Leyt hier yemant verborghen,
Der heb sich auff in aller frü, Die schieden of ic maect hem vroet,
das er nicht kom in sorgen, So en coemt (g)hi niet in sorghen,
Wenn kommen ist des tages schein, Nu ligghe ick hier op dezer vaert
scheint her der helle morgen. Tlichtet so schoon den claren dach, den morgen.
   
4. Das frewlein schrey not wol uber not 6. Die cnape sprack, hoe wee mi doet,
mus ich mich von dir scheiden, Dat ic van di moet scheyden,
Viel lieber wolt ich leiden den todt, Scheyden dat is mi een bitter doot,
das ich dich hertzlieb mus meiden, Mi en schiede noyt dinck so leyt.
Gleich heut als ferd, auff dieser erd Och hnden meer dan morghen vroech,
und der mir liebt, den las ich mir nicht leiden. Ten leeft geen man, die minen boel sal ontleiden.

 

Op diezelfde wijze komt str. 3 van het Duitsch overeen met str. 4 van het Nederlandsch, str. 5 met str. 5, str. 6 met str. 1; str. 7 van het Duitsche lied, waar de dichter over zich zelf spreekt, komt niet voor in het Nederlandsch. De vertaler had slechts eene gebrekkige kennis van het Duitsch, vandaar dat hij soms onzin schreef (al kan ook de drukker hier en daar schuld hebben). De volgorde der strofen werd in de vertaling geheel veranderd, maar deze verandering wordt door niets gerechtvaardigd; het is dus waarschijnlijk, dat de vertaler het lied slechts hoorde. Of kreeg de uitgever dezen tekst misschien van een volkszanger en moet aan dezen de slechte toestand van het lied geweten worden?

In de overige liederen treft men dezelfde voorstelling aan: in een enkel heeft het dramatisch element zelfs de overhand op het lyrische. Eerst zien wij den jongeling voor het venster der liefste. Het meisje hoort zijnen zang:

 Die joncfrou niet so vaste en sliep,
 Si hadde verhoort den jonghelinck;
 Seer haestelyck si ter veynster liep,
 Si bant een coordeken aen den rinck;
 Daerna niet lanck,
 Doen si dat coordeken dalen liet,
 Den rinck die clanck.


[p. 286]

Maar dat geluid treft het oor van den waakschen wachter.

 Die wachter niet so vast en sliep,
 Hi hadde verhoort des rinxs gheluyt;
 Seer haestelyck hi ter tinnen liep,
 Hi stack zyn hooft ter venster uyt.
 Hi sprac: wie is daer?
 Die jonghelinc neder ter aerden viel
 Van grooter vaer.

Te vergeefs tracht het meisje den wachter om den tuin te leiden. Het zijn de vensterharren, die hij hoort knarsen. Maar waarom opende zij het venster dan? Het antwoord is gereed: zij keek uit om te zien of de lichtende dageraad zich reeds begon te vertoonen. Zoo dom is de wachter echter niet en schertsend zegt hij:

 Den lichten dach, daer ghi na siet,
 Dat is die alderliefste dyn.

Toch wil hij de gelieven niet tegenwerken, zooals blijkt uit het vervolg van het lied:

 Die jonghelinc sprac: och wachter goet!
 Wilt ons niet melden door uw doecht,
 Daer mocht af comen groot onmoet.
 Wat schadet, dat wi twee syn verhuecht?
 Hi sprac: ic sal;
 Nu gaet, aldaer die liefste begheert,
 Maect gheen gheschal.
  
 Al inden rinck sette hi sinen voet,
 Ghelyck hi dicwils hadde ghedaen,
 Si haelde hem op al metter spoet,
 Seer vriendelyck was hi daer ontfaen.
 In corter stont
 Si custe hem meer dan duysentwerven
 Aen sinen mont.
  
 Och willecome, seyt si, soete lief;
 Mi en quam myn daghen noyt liever gast,
 Nu laet ons met ghenoechte syn,
 Wi willen gaen drincken den coelen wyn,
 Wi worden ghewacht;
 Die wachter sal sinen horen blasen,
 Als coemt den dach.


[p. 287]

 
 Een corte wyl en was daer niet lanck,
 Die wachter sanck zyn dagheliet,
 In sinen armen dat hyse nam,
 Het scheyden was hem een groot verdriet.
 Och leyder dach!
 Ghi doet mi vander liefster scheyden,
 Die ic oeyt sach.

Een merkwaardig en fraai wachterlied werd door Hoffmann v. F. afgeschreven uit een Zutfensch handschrift van het jaar 1537, dat te Weimar berust 1)  . Er bestaat echter nog een andere tekst van dit lied, die zeer merkwaardig is voor de geschiedenis van onze liederen en onze verhouding in dezen tot Duitschland. Die tekst komt nl. voor op een los blad, dat in Hanau gevonden werd. Dr. Frommann, die het lied uitgaf 2)  , zegt nl. ‘Dasselbe steht von einer Hand des 15. Jahrh. deutlich geschrieben und nach je vier langzeilen regelmässig abgetheilt auf der einen Seite eines sonst leeren Blattes in kl. 2, welches in Hanau, wo noch heute eine Gemeinde niederländischer Emigranten besteht, aufgefunden würde.’ Ook uit dit feit blijkt dus weer, wat ook reeds in het vorige hoofdstuk aangetoond werd, dat de Nederlandsche en Duitsche liederen wederkeerig door beide volken van elkander werden overgenomen, al achtten wij het steeds zaliger te ontvangen dan te geven. Ik zal beide teksten hier naast elkander plaatsen om de veranderingen van eene eeuw te doen opmerken (zij zijn trouwens niet groot) en tevens te doen zien, hoe er al spoedig een Duitsch tintje kwam over een Nederlandsch lied, dat (waarschijnlijk door Nederlanders) tot in het hartje van Duitschland werd gebracht.


Zutf. H.S. (H.B. II, no. 63) H.S. te Hanau 3)  .
1. De winter is verganghen, 1. Der wynter ys verganghen,
Ic sie des meien schyn, Ons compt des meyens tyet,
Ic sie die bloemkens hanghen, Ic sie die loeffer hanghen
Des is myn hert verblyt. Die bloemkens spruten daer wt.

 

 1)  Zie H.B. II, XVI.
 2)  In den ‘Anzeiger f. kunde der deutschen Vorzeit. 1870, no. 7.’
 3)  In den ‘Anzeiger f.K.d.d.V.’ staat dit lied gedrukt in 4 regelige strofen: wegens plaatsgebrek deel ik die lange regels echter in tweeën.


[p. 288]


Zutf. H.S. (H.B. II, no. 63) H.S. te Hanau.
So ver aen ghenen dale Soe veer yn ghenen dalen
Daer ist ghenoechlic syn, Daer ys soe genuchelick syen
Daer singhet die nachtegale, Daer synck frou nachtegale
Also menich woutvoghelkyn. En soe mennych fogelkyn.
   
2. Ic wil den mei gaen houwen 2. Ick wyl die mey gaen halen
Al in dat groene gras Al yn dat groene walt
Ende schenken myn boel die trouwe, Und sceynken myn buul myn trowen
Die mi die lieveste was, Die myn hart bevanghen haet
Ende bidden, die si wil comen En vraghen of hie wold commen
Al voor haer vensterken staen All voor myn kleyn feensterlyng staeu
Ende ontfanghen den mei met bloemmen, En ontfanghen die mey myt bloemmen
Hi is so wel ghedaen. Sye ys (so) scoen gedaen.
   
3. Ende doe die suiverlike 3. En doe die suverlixste
Syn reden hadde ghehoort, Die klacht oeck haet gehoert,
Doe stont si trurentlike; Doe stont sye trurenlycke;
Met des sprac si een woort: Myt deen sprack sye een woert:
‘Ic heb den mei ontfanghen ‘Wye wyllen die mey ontfanghen
‘Met groter eerwaerdicheyt.’ ‘Myt groter eerwirdicheyt.’
Hi cust si aen haer wanghen; Hie druckten sye aen oer wanghen;
Was dat niet eerbaerheyt? Was dat nyet eerberheyt?
   
4. Hi nam si sonder truren 4. Hi naem sye sonder truren
Al in syn armkens blanc. Al yn syen armkens blanck,
Die wachter op der muren Die wechter upter muren,
Die hief op een liet ende sanc: Die hief up ende lude sanck:
‘En is daer ieman inne, En ys daer ymant ynnen,
‘Die mach wel thuiswaert gaen, Die mach wael toe huyswart gaen,
‘Ic sie den dach opdringhen Ick sie die dach up klymmen
Al door die wolken claer.’ Al doer die wolken klaer.
   
5. Och wachter op der muren! 5. Och wechter upter muren!
Hoe quelstu mi so hart? Waer om en swychtu nyet?
Ic ligghe in swaren truren, Ick lych yn swaren truren
Myn herte dat lidet smert. Yn soe mennych swaer verdriet,
Dat doet die alre liefste, Ghy queylt my alsoe sure,
Dat ic van haer scheiden moet, Ghy kreynck my myennen muut,
Dat claghe ic god den here, Des klach ick got den heren,
Dat ic si laten moet. Dat ick van oer sceyden muut.
   
6. Adieu myn alreliefste, 6. Adde myn rose bloemme,
Adien schoon bloemken fijn, Adde myn suute lieff!

 



[p. 289]


Adieu schoon rosebloeme, Wees 1)   dat ick weder comme
Daer moet ghescheyden zyn; Und blyeff altyet bye die,
Hent dat ic wedercome, Soe muut u got bewaren,
Die liefste sult ghi syn, Unde sparen u lanck gesont,
Dat herte in minen live Wees dat ick weder commen
Dat hoort jo altyt dyn. Unde cussen voer uwen roder mont.
   
  7. Wat toech hie van den handen?
  Van golden een vyngerlyng.
  Holt daer scoen lief myn trowe(e)
  Daer bie gedencket my,
  Wylt my daer bie gedeencken,
  Als ghy my nyet en syet,
  Wees dat ick weder commen
  Unde blyeff altyet bye die.

 

De twee eerste strofen der beide teksten vertoonen weer eene sterke gelijkenis met de 2e en 3e strofe van A.L. no. 74. Ik geloof, dat ook deze strofen oorspronkelijk tot een meilied hebben behoord en ik word in die meening versterkt door een derde lied, dat ik onder de plano-drukken der Gentsche bibliotheek aantrof. Dat lied telt nl. 5 strofen, waarvan 4 vrij wel met die dezer twee teksten overeenkomen (str. 1, 2, 4 en 5 met no. 63, str. 1, 2, 3 en 6). Het bedoelde lied vangt aan:

 Het winterken is ons verganghen
 En het somerken komter ons aen,
 Men sieter die looverkens hanghen
 En die bloemkens staen ontaen,
 Soo verre aen eender dale,
 Daer ist ghenoeghlyck om syn,
 Daer singht den fieren Nachtegale
 En soo menigh wilt voghelkyn.
      enz.

De samenkomst van het minnende paar wordt hierin niet vermeld en het is dus alleen een Meilied, zooals het trouwens ook genoemd wordt (‘Een Nieu Mey-Liedeken, op de wyse: alsoo 't

 1)  Waarschijnlijk ontstaan uit eene verwarring van: ‘weet’ en ‘weiss’.


[p. 290]

begint’). Hier staan dus de beide bedoelde strofen op hunne plaats; in de andere liederen zijn zij m.i. overgenomen, al misstaan zij daarin niet zoozeer. Bij Uhland komt nog een wachterlied voor, dat van belang is voor de kennis van den wederzijdschen invloed der Duitsche en Nederlandsche liederpoëzie. Van dit lied bestaan twee teksten, een zuiver Nederduitsche (Uhl. no. 79 A.) en een andere, overgenomen uit een geschreven liederboek der hertogin Amelia van Cleeff († 1586) volgens U. ‘in niederrheinischer Schreibung.’ no. 79 B.) Dit lied is, voor zoover ik kan zien, oorspronkelijk in het Nederlandsch gedicht; duidelijker dan ergers anders kan men hier de overgangsperiode waarnemen, welke sommige liederen zullen hebben doorloopen, alvorens geheel Duitsch of geheel Nederlandsch te worden. De meeste 16e eeuwsche wachterliederen onderscheiden zich weinig van de oudere.

Ook daar zien wij den minnaar voor de deur van zijn meisje staan, terwijl hij smeekt om te mogen binnenkomen 1)  . Elders 2)   weer dezelfde toestand. De jongeling wekt het meisje. Als zij slechts op den, wachter kan vertrouwen, is zij veilig, zegt hij. Aldus luidt zijn lied:

 Het daghet inden Oosten,
 Het lichtet overal;
 Wie verholen wilt vrien,
 Die en slape(t) niet te lanc.
  
 Wie verholen wilt vrien
 Op goeder ghestadecheyt,
 Hout twachterken te vriende,
 So en schiet hem ja gheen leyt.

Zij komt buiten en beiden begeven zich naar een stil plekje in de nabijheid, waar zij ongestoord kunnen genieten.

 Hi namse in sinen armen,
 Hi swanckse al in dat gras,
 Daer lagen si twee verborghen,
 Tot dat scheen den lichten dach.
 1)  A.L. no. 14.
 2)  A.L. no. 75.


[p. 291]

Weldra maken de tonen uit 's wachters hoorn een einde aan hunne zaligheid. Het meisje verneemt het sein en fluistert haren metgezel toe:

 Wi twee wi moeten sceyden,
 Het moet gesceyden zyn,
 Die wachter blaest sinen horen,
 Ick sie den dach int scyn.

Hoe zwaar valt hem de scheiding van haar, die hij lief heeft.

De vijf eerste strofen van dit lied komen ook voor in een Duitsch wachterlied 1)  , hoewel de bewerkingen nog al van elkander afwijken; het slot der beide liederen is ook geheel verschillend. Als geheel staat het Nederlandsche lied m.i. vrij wat hooger dan het Duitsche. Ook in een ander lied wekt de minnaar zijne liefste met gezang. In het bekende Ambraser Liederbuch vond ik een lied, dat hiermede geheel overeenkomt, zooals uit eene vergelijking duidelijk moge worden.


A.L. no. 77. Ambras. Liederb. no. 201.
1. Het vlooch een so cleinen wilt vogelken 1. Es fleugt ein kleines waltvögelein
Tot myns liefs venster in: Der lieben zum fenster ein,
Staet op myn alderliefste, Es klopfet also leise
Staet op ende laet mi in! Mit seinem schnebelein:
Ic hebbe te uacht gevloghen Steh auf, herzlieb und las mich ein,
Al door die wille van dyn. Ich bin so lang geflogen
  Wol durch den willen dein.
   
2. Hebdi te nacht gevloghen 2. Bistu so lang geflogen
Al door die wille van mi, Wol durch den willen mein,
So coemt ter halver middernacht, Kom heint umb halber mitternacht,
Ic wil u laten in, So wil ich dich decken also warm,
Ic wil u decken warme Ich wil dich decken also warm,
Met mynen sneewitten arme Ich wil dich freundlich schliessen
  An meine schneeweisse arm.
   
3. Ende dat verhoorde een wachter goet, 3. Und das erhört ein wechter,
Op hooger tinnen lach; Der an der zinnen stund,
Ic waen, ghi waert een huebsce Ich meint du werst ein jungfraw rein,
  So hastu gelassen ein,

 

 1)  Zie Ambras. Liederb. no. 41


[p. 292]


Een huebsce maechdelyn, So hastu dir eingelassen
Ende si had in ghelaten Den reuter auf freyer strassen
Die lantsknecht vander straten. Den allerliebsten dein.
   
4. Och willet, wachter, swighen 4. So schweig, gut wechter, stille,
Laet dat verholen syn, Es gilt dir ein newes gewandt,
So wil ic u schinken Von rotem gold ein fingerlein
Van goude een vingherlyn, An deine schneeweisse hand,
Daertoe een schoon cranselyn; Von silber auch ein halsband;
Och here god van den hemel! Hilff reicher Christ vom himmel!
Hoe is den dach so lanck! Wie ist mir der tag so lang.
   
5. Den dach en is so langhe niet, 5. So ist kein tag so lange nit
Het wert wel wederom nacht, Es wirt wol wider nacht,
Mi heeft so huebscen maechdelyn Hat mir ein braunes megdelein
Een bislapen toeghesacht; Ein schlaffen zugesagt,
Och mocht ic bi haer slapen, Das megdelein das ist hübsch und fein
Myn trueren soudic laten Solt ich heint bey ir schlafen
Ende hebben eenen vryen moet; Das wer der wille mein.
Om alle lantsknechten wille  
Verteer ic myn gelt, myn goet.  
   
6. Mer dat ghi bi mi slapet 1)  , 6. Sollt ich heint bey ir schlaffen
Dat es die wille van mi, Hertzlieb, möcht es gesein
Och willet lansknecht swigen, Mein trawren wolt ich lassen,
Ghi sult die liefste syn, Wolt frisch und frölich sein,
Daerop een so huebscen moet, Wolt haben einen guten mut,
Om alle lantsknechten wille Durch meines bulen willen
Verteer ic myn gelt ende goet. Verzehret ich all mein gut.
   
7. Die ons dit liedeken eerstwerf sanck 7. Und der uns dieses liedlein sang
So wel gesongen heeft, Von newen gesungen hat,
Dat heeft ghedaen een vrome lantsknecht Das hat gethan ein reutersknab,
God gheve hem een vrolic jaer; Gott geb ihm ein selig jahr,
Hi hevet so wel ghesongen, Er hats so frey gesungen,
God sceynde alle niders tongen, Er hat gar gros verlangen
Hi hevet enen vrijen moet, Nach der allerliebsten sein.
Om alle lantsknechten wille  
Verteer ic myn gelt ende goet.  

 

Blijkbaar is het Nederlandsche lied eene bewerking van het Duitsche. Ik maak dat op uit de rijmen of liever uit het ontbreken van rijmen, dat op enkele plaatsen slechts met het Duitsch

 1)  In den tekst: ‘slapen’.


[p. 293]

er naast verklaard kan worden, zoo b.v. in str. 1, 2 en 6; verder uit vormen als ‘toeghesacht’ (str. 5) en uit de twee telkens terugkeerende regels:

 Om alle lantsknechten wille
 Verteer ic myn gelt ende goet.

die blijkbaar eene vertaling moeten zijn van de twee laatste regels in str. 6 van het Duitsche lied. Deze geven daar een goeden zin; in het Nederlandsch zijn zij achter de 5e, 6e en 7e strofe gevoegd, ofschoon de vorm der strofen reeds aanwijst, dat zij er niet behooren te staan.

Het Nederlandsche lied is echter corrupt, gelijk zooveel andere in het Antwerpsche Liederboek.

Ook in een ander 16e eeuwsch wachterlied wekt de minnaar zijne liefste.

 Dat meysken schoot aen een hemdeken wit,
 Ter dueren dat si ghinck,
 In haren blancken armen
 Dat si haer liefken omvinck.

en hij fluistert:

 Nu weset wellecom
 Myn lief, myns herten bruyt!
 Wi willen ghenoechte hanteren
 Ende maken gheen gheluyt.

Toch heeft de wachter de komst des jongelings bemerkt en deze kan zijn stilzwijgen slechts met ‘een gouden vingherlyn’ koopen. Spoedig snelt de tijd voorbij en treurig zit het meisje na haars minnaars vertrek weder alleen; in een lied moet zij zich lucht geven:

 Dat meysken hief op een liedeken
 Ende si sanck:
 Ryc god, here van den hemel!
 Waer den nacht noch eens so lanck.

Twee der jongere wachterliederen komen in zooverre dichter bij de Provencaalsche en de meeste Duitsche ‘tagelieder’ dat het dramatische element er zich minder in vertoont. Bij den aanvang

[p. 294]

van het lied ligt het minnende paar in zoete rust en de wachter schrikt hen daaruit op. Zoo vangt het eene 1)   aan met deze woorden des wachters:

 Den dach en wil niet verborghen zyn.
 Het is schoon dach, dat duncket mi;
 Mer wie verborghen heeft zyn lief,
 Hoe noode ist datsi scheyden.

Wat zou zij, die de ongelukstijding reeds lang verbeidt, niet geven, zoo de wachter wilde zwijgen en de geliefde nog eenige oogenblikken aan hare zijde mocht vertoeven. ‘Laat hem slapen’ smeekt zij

 Een vingherlinck root sal ic u schincken,
 Wildy den dach niet melden.

Maar de wachter herinnert aan het gevaar, dat het leven van den beminde dreigt, indien hij nog langer toeft en zoo laat zij hem dan noode vertrekken. Hij bestijgt zijn paard en rijdt heen. Lang oogt zijne minnares hem van de tinnen na en als zij ziet hoe overal ‘de dag door de wolken dringt