[p. 387]

III. Liederen uit het maatschappelijk en huiselijk leven.

In een vorig hoofdstuk zagen wij, tot hoeveel liederen de adel stof gaf door zijne menigvuldige liefdesavonturen, zijne onderlinge veeten en door geheel zijn dagelijksch leven. Tevens merkten wij op, dat ook reeds mannen en vrouwen van den derden stand die ridderwereld waren binnengedrongen en in het lied weldra de plaatsen van ridders en edelvrouwen zouden innemen.

Onder de heerschappij van het Bourgondische huis en gedurende de geheele 15e eeuw konden vele poorters zich in rijkdom en aanzien met den adel meten en verheugden de lagere standen zich in eene steeds klimmende welvaart. Ook aan de burgers en boeren kwam nu de beurt om in liederen bezongen te worden.

In tal van liederen wordt ons die maatschappij van het laatst der 14e, van de 15e en de eerste helft der 16e eeuw voor oogen gevoerd; vooral de lagere standen zijn het, wier handel en wandel zoowel in huis als buitenshuis geschetst worden. Die liederen zullen wij in dit hoofdstuk beschouwen, en wel het eerst diegene, welke ons in het openbare leven verplaatsen.

Ruiters en boeren, landsknechten en monniken, doorbrengers en pelgrims, molenaars, jagers, bakkers, wevers, brouwers, gehuwde en ongehuwde vrouwen, weduwen en jonge meisjes - geheel die onbezorgde menigte zal in die liederen geteekend worden. Wij zullen hen vergezellen in hunne liefdesavonturen en in

[p. 388]

hunne twisten; wij zullen hunne feesten bijwonen en de drinkliederen hooren, die aangeheven worden en van tijd tot tijd zullen wij ons uit de woelige buitenwereld naar lang niet altijd kalme en stille binnenhuizen wenden en een blik slaan in het huwelijks- en huiselijke leven. Op die wijze zal ik de liederen zelf op de geleidelijkste wijze kunnen bespreken.

Onder de verschillende standen, welke ons geschetst worden, nemen de ruiters en landsknechten eene eerste plaats in. De langdurige binnenlandsche oorlogen, welke ons land teisterden gedurende de 14e, 15e en de eerste helft der 16e eeuw, maakten het onderhouden van huurtroepen noodzakelijk. Die troepen deels vreemdelingen (voornamelijk Duitschers) deels Nederlanders vochten voor den meestbiedende, waren gedurende den oorlog eene plaag voor de ingezetenen of zwierven na afloop daarvan plunderend en roovend het land rond. Men denke slechts aan de wandaden van den beruchten Zwarten Hoop, aan de ruwe soldeniers van Maarten van Rossum of aan eene ruiterbende als die van Perrol met de roode hand, door den vroeggestorven Oltmans zoo verdienstelijk geschilderd. Van den anderen kant laat het zich echter begrijpen, dat er stof tot menig lied zou worden gevonden in het leven dier ruwe gasten, overgegeven aan ‘wijntje en Trijntje’ en zorgeloos van de hand in den tand levende, omdat zij wisten hoe licht een eind kon worden gemaakt aan dat wilde leven. En zoo treffen wij hen dan ook gewoonlijk aan op de bierbank of in de armen hunner liefjes, platzak in het wijnhuis, berooid in de schuur, waar zij een nachtverblijf hebben gezocht, of knielende voor het zwaard van den scherprechter 1)  . Zoo vinden wij drie schamel gekleede ruiters voor eene herberg.

 Si quamen voor eender waerdinnen huys,
 Al daermen tapte den wyn,
 Waerdinne! wi droncken so gaerne, ja gaerne
 Wi en hebben gheen gheldekyn.
 1)  Vgl. b.v. A.L. no. 13, 34, 58, 61, 79, 119, 129. H.B. II no. 41, 65, 73, 75, 77, 78. Willems no. 88 en H.O.L. bl. 96.


[p. 389]

De waardin heeft weinig lust den haveloozen gasten te borgen, maar het dienstmeisje springt voor hen in de bres:

 Doen sprack dat jonckwyf van den huys:
 Nu tappet den ruyters den wyn;
 Al dat sî verteren, ja teren
 Daer sal ic u borghe voor zyn.

Het innemende voorkomen van den jongsten ruiter heeft haar tot die mildheid bewogen. Openhartig bekent zij dan ook: ‘Ic woude die joncste ruyter ware myn’. En welk eene verrassing wacht haar:

 Die ioncste ruyter tooch ut zyn net 1)  
 Ende worpt inder maghet scoot,
 Daer stont die edel ruyter, ja ruyter
 In een wambeys van goude root.

De ruiter blijkt een edelman te zijn 2)  .

Geheel hetzelfde verhaal, hoewel in een anderen vorm, treft men aan in een ander lied, dat eerst in eene verzameling uit den aanvang der 18e eeuw voorkomt 3)  . Wenschte het meisje in het vorige lied, dat zy met den jeugdigen ruiter mocht

 ........ gaen wandelen, ja wandelen
 Van Straesborch tot op den rijn.

hier komen

 .............. drie landsknechten
 Van Stralenburg over den Ryn.

In dit lied maakt de jongste ruiter zich bekend als de zoon des ‘hertogs van Traveerne’ en het blijkt dan, dat het dienstmeisje zijne zuster is. Waarschijnlijk is dit eene herinnering aan de eene of andere ridderromance. Ik zou niet durven vaststellen, dat de beide liederen oorspronkelijk Nederlandsch zijn; in het Duitsch heb ik ze niet kunnen terugvinden, maar vermoed toch, (ook om de plaatsbepaling) dat zij daar wel bestaan zullen hebben. Het eerste is ‘een out liedeken’ en zeker uit de 15e eeuw, het

 1)  bedelaarskleed.
 2)  A.L. no. 58.
 3)  Zie H.B. II, no. 73.


[p. 390]

tweede kan in de 16e eeuw bewerkt zijn en vertoont, dunkt mij, eene Duitsche tint niet zoozeer in de taal als wel in de wijze van behandeling. Dat een hertogszoon als ruiter voorkomt, zal te min verwondering baren, indien men weet, dat vele liederen, waarin oorspronkelijk een edelman hoofdpersoon was, later op landsknechten of ruiters werden toepasselijk gemaakt 1)  . Het duidelijkst zien wij dat wel in ‘Een nyeu liedeken’ 2)   waar een meisje 's avonds in den maneschijn uitgaat. Een ridder komt tot haar en al spoedig klinkt het:

 Och maechdelyn woudi met mi gaen?
 Ic soude u leyen daer rooskens staen,
 So verre aen gheender groener heyden,
 Daer schaepen ende lammeren weyden.

Ofschoon nu van een ridder gesproken is (‘Met dien quam daer een ridder ghereden’) zegt het meisje toch:

 Ic wilt mynder moeder vraghen,
 Oft ic metten lantsknecht magh waghen.

En daar de moeder er tegen is en de deur sluit, helpt de dochter zich zelf

 Dat maechdelyn spranck ter veynster ut
 Si wilde den lantsknecht haven.

Ditzelfde lied kwam ook in het Duitsch voor 3)  . De bewerking verschilt echter aanmerkelijk en die verschillen kunnen m.i. alleen uit eene mondelinge overdracht verklaard worden; vormen als ‘tsoheyme’ en ‘haven’ wijzen dan ook op Duitsche afkomst.

Elders heeft een door eene regenbui overvallen ruiter nachtverblijf in de schuur van een boer verkregen. Maar het is koud en hij heeft niets om zich mede te dekken. Hij roept dus:

 1)  Zoo wordt H.B. II no. 12 een gravenzoon later ruyter genoemd en dan weer een ridder; in no. 56 is een ruiter hoofdpersoon, terwijl men in de Deensche bewerking uog leest ‘Jeg veed saa rig en ridder.’
 2)  A.L. no. 61.
 3)  Uhland no. 109.


[p. 391]

 Och lieve heer waert! decket mi!
 Die schuer is cout, seer vrieset mi.

En deze leent een gunstig oor:

 Die waert sprac zynder dienstmaecht toe:
 ‘Gaet, decket den ruyter met haverstroe’.

Het meisje durft niet weigeren, maar op nieuw blijkt dan de waarheid van het ‘vuur en stroo dient niet alzoo’.

Een nachtelijk bezoek wordt ons in een ander ‘nyeu liedeken’ 1)   geschetst.

 Hi clopte voor haer cleyn vensterkyn:
 ‘Staet op, myn lief ende laet mi in,
 Ic heb hier so langhe ghestanden,
 Mi dunct, dat ic vervrosen ben’.
  
 Dat meysken schoot aen een hemdeken,
 Si liet in den ruyter fyn,
 In haren blancken armen
 Hiet si den ruyter wellecoem zyn.

Elders 2)   vraagt een meisje hare moeder raad in een moeilijk geval.

 Och moeder, seyde si, moeder,
 Nu geeft mi goeden raet;
 Mi vrydt een lantsknecht seere,
 Hi volcht mi altyt na.

Goede raad is hier niet duur. ‘Sla uwe oogen neder’ zegt de moeder ‘en laat hem zijns weegs gaan’. Maar zoo had de dochter het niet bedoeld.

 Och moeder, seyde si, moeder,
 Dien raet en ben ic niet vroet,
 Ick hebbe dien lantsknecht liever
 Dan alle myns vaders goet.

‘Dan moge God medelijden met mij hebben’ antwoordt de moeder en niet zonder reden zegt zij dat, gelijk uit het vervolg van het lied blijkt.

 1)  A.L. no. 79.
 2)  A.L. no. 129.


[p. 392]

Dat de liefde dezer zwervelingen niet diep gaat en alleen zinnelijk zal zijn geweest, zou men wel van te voren vermoeden. En ook zelfs, waar men eene langere verbintenis aantreft, blijft de opvatting der liefde zeer luchtig. Zoo wordt ons verhaald van een paartje, dat reeds drie en een half jaar verkeerd heeft 1)  . Ten laatste

 Hy bootse de trouw en de minne was soet,
 Als sy malcander saghen - schoon lief!
 Veranderde beiden haer bloet.

Maar spoedig keert het blaadje. Het meisje wil haren minnaar beduiden, dat zij hem nog wel wat vaker zou willen zien en half schertsend, half coquet, zegt zij: ‘ik hoor, dat gij eene andere lief hebt; ga gerust uws weegs’

 Ghy comter my veel te selden - schoon lief!
 Daerom laet ickcr jou gaen.

Wel was het slechts minnelijke scherts (‘soete woorde’) maar de vrijer heeft die niet kunnen of willen vatten; onmiddelijk is hij gereed met zijn:

 Een ander lief wil ick vryen,
 De werelt is wyt en breet.

En daarmede geeft hij zijn paard de sporen en te vergeefs tracht het meisje hem te weerhouden. (‘De vrysters, die vryen myn’).

In een ander lied 2)   vinden wij het minnende paar in het tegenovergestelde geval. De ruiter heeft in de kroeg zitten pochen op de gunsten, die hij van zijn liefje geniet; ongelukkig wordt hij daarbij door haar beluisterd en te vergeefs klopt hij nu ouder gewoonte den volgenden avond aan het raam van hare kamer. ‘Hadt gij gisteravond wat beter gezwegen’ zegt zij, ‘ik zou u binnenlaten; rijd nu maar heen’. En of hij al stampvoet van toorn - het baat hem weinig. Ook dit lied moet hier te lande door mondelinge overdracht uit

 1)  H.B. II, no. 65.
 2)  H.B. II, no. 77.


[p. 393]

Duitschland tot ons zijn gekomen. Reeds in 1530 kwam het op losse blaadjes gedrukt in het Duitsch voor 1)   en zal waarschijnlijk niet lang daarna ook hierheen zijn weg gevonden hebben, al werd het in geene oude verzameling opgenomen en al komt het eerst voor op losse blaadjes uit deze eeuw De toestand, sommige strofen, woorden en uitdrukkingen zijn door den Nederlandschen bewerker geheel overgenomen; andere zaken begreep hij niet of hij gaf er eene andere wending aan. Het zou te veel plaats vereischen, zoo ik dit uitvoerig wilde aantoonen; als geheel is het lied echter beneden zijn voorbeeld gebleven. Ook in andere liederen trekt de ruiter aan het kortste eind. Zoo b.v. in een bij Willems 2)   voorkomend lied, waar ‘een loose stoute ruyter’ door een jong meisje van zijn paard wordt beroofd - een toestand, die meer in de liederpoëzie voorkomt. Elders wordt de stoute ruiter, die een meisje verkracht en daarna verlaten heeft, gepijnigd en onthoofd 3)  . Dit lied moet te onzent reeds in de 16e eeuw bekend zijn geweest. In het Duitsch was het zeker ook in dien tijd bekend, al heb ik er geene vroegere opteekening van gevonden dan in Simrock's ‘Volkslieder’ 4)   welke alle nu nog gezongen worden.

Eene gezellin, die ook door den oorlog niet werd afgeschrikt, maar met het leger medetrok, werd onder de eerste behoeften van den landsknecht gerekend. Zoo lezen wij dan ook in het bekende, Duitsche lied, waarin het leven der landsknechten geschilderd wordt 5)   ‘Erstlich muss er ein weib und flaschen haben’. Maar menig meisje, ook al was ze voor geen kleintje vervaard, zal toch teruggeschrikt zijn voor dat ruwe kampementsleven. Zoo gaat het ten minste het aardige, bruinoogige Margrietje, waarvan een lied ons verhaalt 6)  . De ruiter wil haar met zich voeren

 1)  Vgl. Böhme. Altd. Liederb. no. 75.
 2)  no. 88.
 3)  H.B. II, no. 78.
 4)  no. 53.
 5)  Böhme no. 416a. Landsknechtorden.
 6)  A.L. no. 119.


[p. 394]

 Mergrietken! woudy met mi gaen?
 Ic soude u leyden al voor Terwaen.

Het meisje heeft er echter weinig trek in.

 Al voor Terwaen daer is groot noot,
 Men slater die vrome landsknechten al doot,
 Cleyn ende groot
 Te voet en oock te paerde.

zegt zij en wat de ruiter ook môge aanvoeren, zij blijft bij hare weigering.

Williger dan zij is een ander Margrietje, dat met den schrijver naar het leger trekt 1)  . Zij kleedt zich zoo, dat haar vader haar niet zal herkennen.

 Wat trock sy aen? een keursje
 Van syde camelot
 En daer op een swart lakens lyfje,
 Dat wasser met coorden geboort.

De ‘incarnaete kousen’ strikt zij vast met zijden kousebanden, bedekt de blonde haren onder een grauwen hoed met pluimen en vertrekt. Maar al te goed heeft zij zich vermomd, want zelfs haar eigen vader herkent zijne dochter niet.

 Hy schonc haer eens te drinken
 De coele wyn uit een glas,
 Doe begost hy eerst te denken
 Oft oock syn dochterken was.

Hij rijdt dus naar huis en verneemt daar, dat zijne dochter het leger gevolgd is. Bij zijne terugkomst vindt hij haar dan ook onder de soldaten. Wel wil hij haar nu terughouden, maar het baat weinig.

 Och vader, seide si, vader,
 Daer ben ick wel in gherust,
 U te volghen met uw soldaten,
 Dat isser myn hoochste lust.
 1)  H.B. II, no. 41.


[p. 395]

Ook in dit lied bespeurt men herinneringen van de ridderromance. ‘De schrijver’ b.v. doet dat al dadelijk, want een ‘clerc’ of schrijver werd alleen door adellijke heeren gehouden Wij lezen:

 De schryver sei: ‘goelyc 1)   meisje,
 En wilt ghy met my gaen?

Juist dat hier van ‘de schrijver’ wordt gesproken, bevestigt mij in mijn vermoeden. Men weet daardoor onmiddelijk, wie bedoeld wordt, denkt de dichter. Zoo lazen wij reeds vroeger in eene ridderromance 2)  : ‘die clerc stont in haer behaghen’ en iets verder: ‘dat ghi metten schriver gaet’ enz. Ook wordt in str. 13 van ons lied gesproken van eene valbrug, die toch bij een kasteel moet behoord hebben.

 Maer doe hy op de valbruch
 Al op de valbruch quam.

In het ‘Haerlems Oudt Liedboeck 3)   komt een ‘oudt Liedeken’ voor, dat nergens anders is opgenomen en waarin de lotgevallen van eene dergelijke soldatenvriendin verhaald worden. Eerder dan haar lief is, wordt zij van hare eer beroofd en zij beklaagt zich dus bij den ‘Capiteyn’ dat men haar geweld heeft aangedaan. ‘Zoudt gij hem wel kennen, als gij hem zaagt’ (den schuldige nl.) vraagt deze en op haar toestemmend antwoord laat hij de trom roeren.

 De Capiteyn liet de trommel slaen
 De trommel slaen, ja trompetten blasen.
  
 Daer quamen sy drie aen drie
 Drie aen drie quamen sy marcheren.

Nu blijkt, dat de vaandrig de schuldige is en hij moet zijn misdrijf aan de galg boeten. Geene klacht komt over zijne lippen, aan geen toorn tegen de bewerkster van zijn dood geeft hij

 1)  d.i. mooi (Eng. goodly).
 2)  A.L. no. 152.
 3)  ald. bl, 96.


[p. 396]

lucht, maar zijn soldatenhart komt in verzet tegen de smadelijke wijze, waarop hij zal sterven Zijn laatste woord tot zijne kameraden is dan ook:

 Seg niet, dat ick gehangen ben,
 Maer dat ick ben ghebleven voor Ostend.

Men treft dit lied ook in het Duitsch aan 1)  . Alleen de feiten zijn dezelfde; van letterlijke overeenkomst is geene sprake en men kan dus slechts vaststellen, dat ook dit lied gemeen eigendom was van beide volken. En hoeveel liederen zullen dat geweest zijn in die dagen, toen Nederlandsche en Duitsche ruiters en landsknechten voortdurend met elkander in aanraking kwamen en bleven. Hoe menig lied zal door een Duitscher of Nederlander gezongen zijn bij het wachtvuur of in de kroeg, dat onthouden werd door een kameraad en later door hem in zijne eigene taal werd weergegeven. Ook liedjeszangers zullen daarin hun aandeel hebben gehad. Alleen door mondelinge overdracht laat zich m.i. het bestaan verklaren van die Duitsche en Nederlandsche liederen, welker inhoud zoo geheel dezelfde is en die toch in de bewerking der stof, in de volgorde der gedachten en in bijzonderheden zoozeer verschillen.

Na de ruiters noemde ik de boeren. Echter niet omdat deze twee standen zoo innig met elkander verbonden waren; integendeel - zij leefden in voortdurende vijandschap. Aan dien wederzijdschen afkeer hebben wij het echter te danken, dat ons een beeld is bewaard gebleven van den boerenstand der 14e eeuw, zij het ook, dat eene vijandige hand de lijnen trok. In de meergemelde Oudvlaemsche liederen der 14e en 15e eeuw komt namelijk een lied tegen de ‘kerels’ voor; dat waarschijnlijk door een ruiter gedicht werd 2)  .

Het lied schijnt afkomstig uit de jaren 1320-1330, toen een

 1)  Ik vond het in ‘Des Knaben Wunderhorn’ I, 358.
 2)  no. 85. Het komt ook voor in van Vloten's ‘Nederlandsche Geschiedzangen bl. 34 en in de ‘Bloemlezing’ van Verwijs 3, 129.


[p. 397]

boerenoorlog geheel Vlaanderen in opstand bracht 1)  . Dat ook hier de vijandschap tusschen ruiters en boeren zich lucht geeft, zien wij al dadelijk uit de eerste strofe:

 Wi willen van den kerels zinghen,
 Si zyn van quader aert,
 Si willen de ruters dwinghen

en dat het lied waarschijnlijk door een ruiter werd gedicht, zou ik opmaken uit de laatste strofe, waar de dichter zich zelf noemt onder de strijdende partijen:

 Wi willen de kerels doen greinsen
 Al dravende over 't velt;

Overigens wordt van het ruwe, ontembare boerenvolk eene verdienstelijke schildering gegeven.

 Si draghen enen langhen baert,
 Haer cleedren die zyn al ontnait,
 Een hoedekin op haer hooft ghecapt,
 Tcaproen staet al verdrayt,
 Haer cousen ende haer scoen ghelapt,
 Wrongle, wey, broot ende caes,
 Dat heit hi al den dach;
 Daer omme es de kerel so daes,
 Hi hetes meer dan hys mach.

Maar ook het dagelijksch leven der boeren wordt door den dichter geteekend: Als de kerel wil gaan ploegen, ziet men hem reeds met een groot stuk roggebrood in de hand; dan komt zijne morsige, slordig gekleede vrouw te voorschijn en maakt hem zijne ochtendpap gereed. Gaat hij ter kermis en drinkt hij wijn - dadelijk is hij dronken en beeldt zich dan in, dat de geheele wereld hem toebehoort. Komt hij beschonken bij zijne vrouw thuis, dan vloekt en scheldt zij op hem, maar met een stuk zoeten koek 2)   is de vrede weer gemaakt. En zoo gaat het voort, steeds op denzelfden toon van diepe verachting, welke de

 1)  Men leze daarover: Verwijs ‘Van Vrouwen ende Van Minne’ Inl. XIX en XX.
 2)  ‘lyfcouk’ en niet ‘lyscouk’ zooals de tekst heeft. Vgl. Kiliaen i.v.


[p. 398]

kerels als niet veel beter dan wilden deed beschouwen. In de 15e eeuw werd de verhouding tusschen soldaten en boeren natuurlijk niet beter, want steeds kwamen zij in vijandige aanraking met elkander. Werd dus ooit een boer soldaat, dan zal hij het zeker zwaar te verantwoorden hebben gehad en zijne onhandigheid eene welkome gelegenheid hebben aangeboden tot spotternijen van allerlei aard. Een ‘oudt liedeken’ dat waarschijnlijk uit de 15e eeuw dateert, verhaalt ons van een boerenzoon, die den ploeg met de piek verwisselt 1)  . Ik houd dit lied echter niet voor oorspronkelijk; m.i. is het vertaald of liever bewerkt naar Duitsche voorbeelden. Uhland deelt twee Platduitsche liederen mede, die dat allerwaarschijnlijkst maken 2)  . Alleen A. geeft een volledigen tekst; van B is slechts de eerste strofe over. Nu komt echter juist die eerste strofe overeen met de eerste van het Nederlandsche lied; men vergelijke slechts:


Uhl. no. 171 B. A.L. no. 13.
Bistu ein krigesman edder ein bur? Bistu een crygher oft bistu een boer?
Wo süstu ut diner kappen so sur? Hoe siedy ut uwer cappen so soer?
Wultu nu ein krigesman werden Wildy een crychsman zyn,
So nim hundert gulden! So neemt vyfhondert gulden met u,
Den krig wil ick di leren. Den crych sal ic u leren.

 

Blijkbaar spreekt hier een werver tot een boerenzoon. In A. zijn het integendeel de boer en zijne vrouw, welke tot hunnen knecht spreken. Reeds uit de eerste strofe blijkt dat. Niemand anders dan de boer zelf kan zeggen: (A.)

 Henneke knecht, wat wultu don?
 Wultu verdeinen dat ole lon,
 Over sommer bi meck bliven?
 eck geve deck en par nier scho,
 den plog kanst du wol driven.

Hij wil zijn knecht Henneke blijkbaar weer inhuren. Maar niet alleen hierin verschilt het Nederlandsche lied van dezen tekst

 1)  A.L. no. 13.
 2)  no. 171 A. en B.


[p. 399]

A. Een overzicht van den inhoud der twee liederen moge dat duidelijk maken. Het Duitsche lied gaat aldus voort: Henneke wil niet bij zijn meester blijven, hij wil matroos worden.

 eck wil nenen buren deinen vort,
 solk arbeit wil eck haten;
 eck wil meck geven up de se,
 des hebb' eck gröter baten.

Te vergeefs trachten de boer en de boerin hem daarvan af te brengen; hij koopt zich eene uitrusting en gaat naar Bremen. Daar biedt hij een schipper zijne diensten aan

 ...... schipper, leve here!
 will ji meck vor en schipknecht han,
 Vor enen roderere?

De schipper maakt eerst bezwaar, omdat hij twijfelt aan de geschiktheid van den boer, maar Henneken zweert bij hoog en laag, dat hij knap genoeg is en zoo wordt hij dan aangenomen. Maar zoodra men in volle zee is, begint zijn ongeluk. Hij wordt zeeziek, kan geen woord uitbrengen en meent, dat zijn laatste uur geslagen is. Zoo staat hij treurig met het hoofd tegen eene plank geleund en klaagt over zijn lot. Op zijne klachten wordt hij ten laatste weer naar ‘Sassenland’ teruggebracht.

Gaan wij nu het Nederlandsche lied na, dan zien wij een aanmerkelijk verschil. Op het verschil van den aanvang der twee liederen wees ik reeds. Hier wil Hansken ook geen matroos worden, maar ruiter, zooals blijkt uit de tweede en derde strofe:

 Hansken swoer enen dieren eet:
 Al waert myn vader en moeder leet,
 Den crych wil ick niet laten;
 Ick wil gaen ruyten, roven, stichten brant
 Al op des heren straten.
  
 Hansken dede syns selfs raet,
 Hi vercocht caf ende haversaet,
 Hi woude al na den cryghe;
 Corte cleyderen dede hi aen
 Al na die ruytersche ghyse.


[p. 400]

Den eersten regel der tweede strofe vinden wij (ofschoon in een geheel ander verband) terug in A. str. 8, 1.

 Henneke schwor enen düren ed:

De derde strofe komt vrij wel overeen met de vierde van A. Men vergelijke:

 Henneke wort bi seck to rat,
 hei kofte vor sine haversat
 en armborst goet van prise,
 kort kler let hei seck schnien an
 recht na der krieger wise.

Verder is de afloop van het Nederlandsche lied gelijk aan dien van het Duitsche, wat de feiten betreft, letterlijke overeenkomst is slechts hier en daar in een enkelen regel op te merken. Zoo b.v.


str. 5, 3. str. 11, 3.
   
Dat water was ongeduere dat mer ganz ungehüre.
   
str. 7, 4-5. str. 11, 4-5
   
Hadde ick den ploechsteert metter hant hed eck den plog in miner hand
Myns vadersacker soude ick wel bouwen. den wol eck wol balde stüren.

 

Ook het woord ‘schipman’ (A.L. no. 13, str. 4, 1.) vind ik in een ander verband in het Duitsch terug (str. 3, 3.) Wat er verder met Hansken gebeurt, vernemen wij in de Nederlandsche bewerking niet, ook niets van zijne lotgevallen als krijgsknecht, terwijl van den anderen kant volstrekt niet blijkt, wat hij eigenlijk op het water te doen heeft (in str. 4 ‘'t water’ en in str. 6 ‘ter halver see’) Ook is Hansken in het Nederlandsche lied ‘een ryck boermans sone’ en spreekt hij steeds over zijne ouders, terwijl Henneke in het Duitsche lied (A.) een knecht en bovendien gehuwd is (in str. 10 spreekt hij over zijne vrouw). De geheele beschrijving der zeeziekte, in den Duitschen tekst A. op hare plaats, omdat het daar iemand geldt, die matroos wil worden, past weinig bij de drie eerste strofen van het Nederlandsche lied, waar steeds sprake is van het dienst nemen onder de ruiters.



[p. 401]

Wat zullen wij nu uit deze gegevens opmaken? Ik geloof, dat wij hier weer een voorbeeld hebben van een geval, dat ons reeds dikwijls is voorgekomen en stel mij de zaak aldus voor: Er hebben twee Duitsche liederen bestaan: het eene behandelde de geschiedenis van een boerenknecht, die matroos wil worden, maar na eene mislukte zeereis aan wal terugkeert: het andere die van een rijken boerenzoon, die door een werver wordt meegetroond. De Nederlandsche bewerker heeft beide liederen gekend; hij heeft den aanvang van het eene lied (B.) overgenomen en (bewust of onbewust) samengesmolten met het laatste gedeelte van het andere lied (A.) Die bewerking getuigt echter niet van talent of zelfs van vaardigheid.

In een ander lied wordt de boer tegenover den ruiter en den landsknecht geplaatst en wel door het meisje, naar wier hand alle drie schijnen te dingen. De boer moet ook hier weer het onderspit delven. Vooral dat hij liever ‘botermelc’ drinkt dan den edelen wijn, wordt hem voor de voeten geworpen.

 Boeren dat zyn boeren,
 Sy drincken so selden den wyn,
 Si drincken liever botermelc,
 Dan den hueschen coelen wyn 1)  .

In de Duitsche liederen is de haat der landsknechten tegen de boeren nog veel feller 2)  . Zoo vertelt Hoffmann v. F. ons over de landsknechten sprekende: ‘Bei diesen war der Trommelschlag: top top topp topp topp und das Volk sang dazu:

 Hüt dich, Baur ich komm!
 Mach dich bald davon! u. dgl. 3)  

Woorden, die het volk (zeker niet ten onrechte) den landsknechten en ruiters in den mond gaf. Ook te onzent vindt men dat rijmpje terug. In een Geuzenliedje, waar over Mars gesproken wordt, lees ik nl.

 1)  A.L. no. 213.
 2)  Men leze no. 186, 188, 190 en 191 in Uhlands Verzameling.
 3)  Vgl. H.B. II bl. 301.


[p. 402]

 Hy begint vast op te rommelen
 En te trommelen om end' om
 Luyster, wachtje boer! ick kom! 1)  

Wel is waar, werd dit lied eerst bij het eindigen van het 12 jarig bestand gedicht, maar dat verhindert niet aan te nemen, dat het bedoelde paar versregels ook vroeger hier bekend zal zijn geweest.

Eene scherpe tegenstelling met al die vijandschap en vervolging vormen een paar liederen, die beide ‘Vanden edelen Landtman’ gewagen: 2)   Beide bevatten eene reeks van loftuitingen op de verdiensten van den boer, afgewisseld door klachten over al de moeielijkheden, waarmede hij te worstelen heeft. ‘Indien ik de geheele wereld rondzie’ dus vangt de eene dichter aan, ‘dan gaat toch niets boven den landman. Pausen, Koningen, Graven, Prinsen moeten van zijn werk leven - en toch! hoeveel moeite en zorg heeft hij. De mollen doorgraven zijn land, minnende paren achten zijn korenveld een zacht bed, de vogels pikken de aren uit, de geestelijken moeten hunne tienden hebben, de ruiters berooven, de molenaars bedriegen hem en toch is hij zoo hoog te achten. Christus zelf immers eert hem ‘Soot daghelicx blyct inder kercken’, want

 Het lichaem Gods, hoe dat ict mercke
 Comt vander terwe, dats waerhede.

Het andere lied bevat niet alleen dezelfde gedachten, maar ook denzelfden gedachtengang; alleen de vorm is verschillend. Beide zijn blijkbaar rederijkersproducten en ik acht het dus niet onwaarschijnlijk, dat deze liederen vervaardigd werden door twee leden eener Kamer (die der Violieren?) op een door den Factor opgegeven onderwerp.

Noemden deze dichters onder de rampen, welke den boer troffen de tienden der geestelijkheid, de geestelijken zelven gedroegen er zich niet naar om die lasten gewillig te doen opbrengen. Te

 1)  Zie het Geuzenliedboek van v. Lummel no. 188.
 2)  A.L. no. 176 en 201. De titel van no. 201 is ‘Vanden Landtman’.


[p. 403]

beginnen met het geestige tooneeltje in den Reinaert wordt in onze letterkunde voortdurend strijd gevoerd tegen de vele geestelijken, welke hunne plichten verzaakten en door hunne levenswijze aanstoot gaven. In menige uitnemend vertelde sproke, in menige ruw-komische boerde of sotternie worden zij deswege over den hekel gehaald; geen wonder dus, dat ook in de liederen menig voorbeeld van dien aard zal worden aangetroffen.

Ook hier zal waarschijnlijk reeds in de 16e eeuw het spotlied bekend zijn geweest, dat tegen de inzamelingen der geestelijkheid gericht was 1)  . Hoffmann v. F. zegt er van: ‘Het is een spotlied op de inzamelingen der geestelijken. Op vaste tijden als Nieuwjaar, Driekoningen of Vastenavond placht de pastoor in gezelschap van den koster de belasting te innen. Deze bestond grootendeels in levensmiddelen als; brood, eieren, kaas, spek, ham, worst, allerlei gevogelte en soms wijn.’ In Duitschland zijn dergelijke liederen reeds in den aanvang der 16e eeuw aan te wijzen. Ons lied komt eerst voor in eene verzameling uit het begin der 18e eeuw, maar bij de vele spotliederen tegen de geestelijkheid, welke in het midden der 16e eeuw in omloop waren, zal ook dit zeker spoedig eene plaats hebben gekregen.

Het lied is eene samenspraak tusschen den priester en den koster, terwijl een koor het refrein zingt. Het zou mij niet verwonderen indien bleek, dat men het later ook wel als gezelschapslied gebruikt heeft. De inhoud komt hierop neer: De Priester begint den koster te vragen: ‘Waar bistou, Lambert mijn knecht?’ en deze antwoordt: ‘Hier ben ik, heer, uw getrouwe knecht.’ Daarop de priester:

 Gaat in 't westen, gaat in 't zuiden,
 Wat brengen ons de kerkeluiden?

Deze vragen worden telkens herhaald, telkens noemt de koster weer iets anders, dat door de parochianen gegeven is en de priester herhaalt den naam der nieuwe gift en voegt daar steeds de andere reeds genoemde achter.

 1)  H.B. II no. 164.


[p. 404]

Daarop zingt het koor.

 Een belletje klincklancklorum
 Ora pro nobis! morgen eten wy stokvis,
 Overmorgen labberdaan,
 Zondag zullen wij te gast gaan.

Maar de inhaligheid der geestelijken was niet het eenigste noch het ergste, waarover het volk zich vroolijk maakte en dat de dichters gispten of bespotten. De vertrouwelijke omgang tusschen monniken en nonnen leverde ook stof tot menig dartel spotlied. Reeds onder de Oudvlaemsche liederen der 14e eeuw vinden wij daarvan een voorbeeld 1)  . De dichter, die 's avonds een wandelingetje in den maneschijn doet, ziet door eene half openstaande schuurdeur een monnik en eene geestelijke zuster, die daar hun spel spelen. Juist wanneer zij willen overgaan tot het opsmullen der medegebrachte lekkernijen, roept hij uit zijne schuilplaats:

 ...... ic wils gheselle zyn;
 Want daer ghebreict een derde accort.

Een panische schrik bevangt het arme paar, dat sprakeloos wegvlucht en den rustverstoorder bij de flesschen achterlaat. Met zijn schalksch refrein:

 Peinst om mi, zuster Lute,
 Gherne, broeder Lollaert.

is het een dartel, geestig liedje, dat echter door Böhme ongetwijfeld tot de ‘Schamperlieder’ zou gerekend worden. Een dergelijk lied als het voorgaande werd door H. v. F. niet onaardig ‘Stunden der Andacht’ betiteld 2)  . Ook daar treffen wij een monnik in gezelschap van eene non aan. De monnik zal haar onderrichten:

 Hi nam se bi der witten hant,
 Hi leidese al om den ommeganc,
      Vaer hen!
 1)  ald. no. 86.
 2)  H.B. II no. 48.


[p. 405]

 
 Hi leidese achter dat outaer,
 Hi leerde haer den souter daer.
      Vaer hen!

Het nonnetje waant den hemel geopend te zien en besluit met de woorden:

 Ende sulwi dus te hemele varen,
 So moet ons god die siele bewaren.
      Vaer hen!

Onder den titel: ‘Nonnetjes vreugd’ treffen wij nog een ander lied van deze soort aan in een paar 18e eeuwsche liederboeken 1)  , dat volgens zijn vorm en inhoud ongetwijfeld minstens tot de 16e eeuw behoort.

 Te Gent daer staeter een klooster klein,
 Daer alle de fijne nonnen in zyn.
 Van voren, van voren.
      enz.

Uit een drietal andere liederen blijkt, dat ook de verhouding tusschen de geestelijkheid en de burgerij soms zeer innig was. Zoo lezen wij in het Antwerpsche Liederboek 2)   een liefdesavontuur. ‘Vanden regulier moninck’ met een naaistertje.

 Doen hi totter naeyerssen quam,
 Hi wert daer seer wel ontfanghen,
 Si nam hem in haren witten arm
 Ende si aten met malcander.
  
 Doent was aen die middernacht,
 Si hoorden dat clocxken clincken,
 Staet op! staet op, goet reghulier moninck!
 Die metten moet ghi singhen.

Ongelukkig echter komt hij bij zijne terugkomst den abt in den ‘ommeganc’ van het klooster tegen en daar zijn avontuur bekend is geworden, spreken de andere monniken af hem te verbannen. Maar dat is onnoodig. Reeds heeft hij zelf de kap op den tuin gehangen en is op weg naar zijn liefje. Men vindt dit

 1)  Thirsis Minnewit III, 55 en Scheltema's Verzam. bl. 181.
 2)  A.L. no. 57.


[p. 406]

lied ook in het Duitsch, waar het reeds in de 15e eeuw bekend was 1)  . De overeenkomst tusschen beide liederen is te groot, dan dat hier geene sprake zou zijn van invloed door een der twee op het andere geoefend. Het is echter m.i. niet uit te maken, welk der twee het oorspronkelijke lied is.

Elders 2)   treffen wij een kapelaan in gezelschap eener schippers-vrouw (‘een oudt liedeken’). Ook de nonnen laten zich niet onbetuigd. In het ‘Nieu Amstelredams Lied-boeck 3)   komt een aardig liedje voor, dat gesteld is: ‘Op de Wyse ‘Het vryden een Boer ut Waterlandt’ en dat aldus aanvangt:

 Een nonnetgen ionck was hier omtrent,
 Haer vryden een ionck man stoute,
 Totdat hy by nacht quam int convent
 Sohay! doe sliep hy in haer bouten.
  
 Dat duerde tot die dach aenquam,
 Die Metten zou werden begonnen,
 Dat hyse noch in zyn armen nam,
 Sohay! dit saghen al de Nonnen.
  
 Zy riepen: Truy! zyt ghy van sinnen berooft?
 Wat maeckt ghy, malle slingher?
 Elck smeet de handen voort voorhooft,
 Sohay! sy keken door de vingher.

Een hunner vertelt het aan de abdis. Snel dekt deze haar hoofd met de wijle en maakt zich op. In hare haast heeft zij er niet op gelet, welke kleedingstukken zij gegrepen heeft, toen zij hare kamer uitsnelde. Had zij het slechts geweten!

 D'abdis die sette een wiel (wyle) opt hooft,
 Daer onder een wieledoecke,
 T'een was myn heers hemd', Godt sy gelooft,
 Sohay! maer 't ander des Paters broecke.

Zoo uitgedost komt zij voor de schuldige non en berispt haar in scherpe bewoordingen, maar de aangevallene behoeft slechts even op 's Paters broek te wijzen om den storm tot zwijgen te brengen.

 1)  Böhme no. 481. Mönch und Nähterin.
 2)  A.L. no. 70.
 3)  ald. bl. 72.


[p. 407]

Ook zij, die zich voorbereidden tot den geestelijken stand en de studenten, de ‘clercken’ zoeken gaarne eens afleiding van de studie. Reeds in vorige hoofdstukken zagen wij het een en ander van hen. Zoo b.v. de ‘veertien clercken’ die een jong meisje ten doode toe mishandelden en elders wees ik op het fraaie minnelied ‘Het wayt een windeken coel uten oosten,’ waarin een ‘clercxken’ dat van het rechte pad is afgedwaald, zich verdiept in droevige gepeinzen over de dagen van voorheen. Willems deelt ons een ander, in dien tijd zeer bekend lied, mede, waarin ook een ‘clercxken’ optreedt 1)  .

 Het was een clerxken, dat ghinc ter scolen,
 Syn ierste lesken en const hy niet wel,
 Syn jonge dom herteken viel in dolen:
 Syn alderliefste en woude niet wel.
  
 Het ghinc dat gheselleken tsavonds uyt vryen,
 Des avonts in den manescyn;
 Hy clopte voer syns lievekens doere,
 Hy woude daer ingelaten syn.

Maar hij klopt aan doovemans deur.

Willems geeft geene enkele inlichting over dit lied. Wij kunnen het echter met behulp van Hoffmann's lijst van ‘Liederanfänge’ minstens tot de helft der 16e eeuw brengen; de aanvangsregel immers kwam reeds in 1540 als ‘wys’ voor 2)  . Dat in het refrein van een ruiter gesproken wordt (‘Maer ruyters gheselle, ten mach niet syn’) wijst misschien aan, dat dit oorspronkelijk bij een ander lied behoorde.

Gelukkiger dan dezen laatsten minnaar gaat het een Leuvenschen studiebroeder, over wien in ‘een nyen liedeken’ 3)   gesproken wordt. Het vrolijke ‘clercxken’ heeft een meisje lief, dat hij dikwijls te zien en te spreken krijgt, maar dat is hen nog niet voldoende.

 Si hadden malcander lief;
 Al sprack hise menich reysken,
 Dat en bluste noch niet haer gerief.
 1)  no. 77.
 2)  Vgl. H.B. II, XXVII.
 3)  A.L. no. 92.


[p. 408]

Het meisje weet nu hare ouders wijs te maken, dat zij 's nachts gekweld wordt door een geest, die niet eer van haar zal aflaten, voordat hij alleen met haar op den voorzolder is geweest. De al te lichtgeloovige ouders schrikken op die tijding en haasten zich beneden te gaan slapen, terwijl zij hunne dochter bidden toch alles, wat de geest haar zal aandoen ‘paciencelic te verdragen.’ En wanneer zij dan ook 's avonds laat geraas boven zich hooren, roepen zij vol medelijden:

 Lief kint, lydt al wat u geschiet!
 Geeft goet erve, arbeit mede,
 Al wat hi u beveelt,
 Consenteert hem al tzynder vrede,
 Op dat ghyt langer niet en bequeelt.

Eens staan de belangstellende vrienden en magen 's morgens aan het bed van het arme, door den geest gekwelde meisje. Haar uiterlijk doet voor een der bloedverwanten een nieuw licht opgaan en als zij weer begint te klagen over de geledene kwelling, kan hij zich niet langer bedwingen;

 Ut die vrienden sonder wederleggen
 Spracker eenen boerdelic, onversaecht:
 Cosyn! dorstic, ic sout seggen:
 U dochter, myn nicht en is geen maecht.

Bewust of onbewust heeft de dichter van dit lied juist gehandeld door het tooneel, dat op die woorden gevolgd moet zijn, aan de verbeelding zijner hoorders over te laten. Indien men het al te ongerijmd acht, dat er zoo domme ouders zouden kunnen zijn, dan houdt men misschien geene rekening met het bijgeloof dier dagen, dat nog diep geworteld moet hebben in de gemoederen des volks. Men bedenke, hoeveel Balthazar Bekker nog in het laatst der 17e eeuw te doen vond. Het geloof aan de nachtmerrie, waarvan wij in dit lied een staaltje zien, was in de 16e eeuw zeker nog lang niet uitgestorven. De nachtmerrie toch was volgens het volksgeloof een duivel, die de menschen in hunnen slaap kwelde. Broeder Thomas, een schrijver der 13e eeuw vertelt ons o.a. ‘In twerehande manieren soe bedrieghen die duvel

[p. 409]

den mensche in sinen slaep: die een maect hem ghelyc eenen man ende bedrieghet den wiven in hueren slaep; die ander maect hem ghelyc enen wive ende bedrieghet den mannen in hueren slaep.’ 1)   En ook hier hebben wij blijkbaar nog een staaltje van dat bijgeloof over.

Ofschoon bedevaarten in vroegeren tijd volstrekt niet tot de zeldzaamheden behoorden en deze al licht stof tot een lied konden leveren, treffen wij toch weinig pelgrimsverhalen onder de liederen aan. In het A.L. alleen vinden wij ‘een liedeken van St. Jacob.’ 2)   Daar wordt ons verhaald van een vader en zijne twee zoons, die samen eene bedevaart naar het bekende San Jago di Compostella doen. Onderweg overnachten zij in eene herberg en de dochter van den waard, die verliefd raakt op den jongsten zoon, verbergt 's nachts een gouden beker in des vaders reiszak. Als de bedevaartgangers nu den volgenden morgen willen vertrekken en de schijnbare diefstal ontdekt wordt, stelt de zoon zich borg voor zijn vader en moet dus achterblijven. De verliefde maagd bereikt echter haar doel niet, want de jonge man wordt opgehangen. De vader en de oudste zoon trekken verder en komen tot St. Jacob. De heilige schenkt den jongsten zoon het leven weder en de pelgrims komen op hunne terugreis in dezelfde herberg. Door een wonder wordt nu de ware toedracht der zaak ontdekt, de valsche waard opgehangen en de dochter levend begraven. Andere en hooggeboren pelgrims treffen wij in ‘een oudt liedeken aan.’ 3)  . Het zijn de heeren van Kleef, Hoorn en Batenburg, welke gezamenlijk naar het heilige land trekken.

Hunne lotgevallen behooren echter eer onder de Geschiedzangen vermeld te worden 4)  .

Onder de neringdoende standen treden de molenaars wel het meest op den voorgrond. Reeds in de voorafgaande hoofdstukken ontmoetten wij hen meermalen. En geen wonder! Want er is

 1)  Aangehaald in v.d. Bergh's Mythol. Woordenboek bl. 156. Men vergelijke over die nachtelijke bezoeken ook Dunlop's History of Fiction bl. 68.
 2)  no. 21.
 3)  no. 109.
 4)  Daaronder heeft Dr. v. Vloten ze dan ook terecht opgenomen (I, 83.)


[p. 410]

in een molen en zijne bewoners iets aantrekkelijks, dat hen van ouds dikwijls onder de aandacht van schilders en dichters heeft gebracht.

Hoeveel poëzie kan er schuilen in den schilderachtigen watermolen met zijn ruischend rad en heldere molenbeek! Men behoeft er Hobbema niet voor te kennen om te genieten van het gezicht op zoo menigen Gelderschen molen aan den overkant van een water tusschen zwaar geboomte gelegen. En wie, die niet veroordeeld was op te groeien in eene groote stad, heeft in zijne jongensjaren niet dikwijls met eerbiedig ontzag in de geheimzinnige diepten van den windmolen gestaard, waar de geweldige steenen raderen elkander in statigen gang achtervolgden en de reusachtige stampers gestadig op en neêr gingen? En welk eene werking kunnen deze met riet gedekte, langarmige, steenen reuzen in ons landschap doen! Wie het niet wist, moge het gaan zien op een der zwaarmoedigste tevens een der heerlijkste stukken van onzen Ruysdael of het vernemen van den fijngevoeligen de Amicis.

En de bewoners van den molen?

Heel veel goeds hebben de middeneeuwsche dichters niet van hen te vertellen. Steeds verwijten zij hen: het stelen van koren, dat door hen gemalen moet worden en den overlast, dien zij vrouwen en meisjes aandoen, wanneer deze het koren komen brengen. Reeds Chaucer vermeldt diezelfde gebreken, als hij ons zijnen breedgeschouderden, hardhoofdigen molenaar teekent:

 He was a jangler and a goliardeis,
 And that was most of sinne and harlotries.
 Wel coude he stelen corne and tollen thries 1)  .

en dat onder de Oudfransche liederen menig dartel, geestig molenaarsliedje voorkomt, werd vroeger vermeld 2)  . Van de koren-diefstallen der molenaars weten ook onze liederen te verhalen; in de twee laatstgenoemde liederen op den landman lezen wij b.v.

 1)  Canterbury Tales, Prologue vs. 562-564.
 2)  Zie: Alte französische Volkslieder von K. Bartsch bl. 207-213.


[p. 411]

 Den landman trect, men moet wel weten
 Ter moelen. Wat baet, dat ict hele?
 Die moelenaers hem niet en vergeten,
 Si nemen redelycke van den mele 1)  .

en

 Den molenaer van den mele,
 Als hi ter molen doet,
 Schept diepe, God weet hoe vele
 Van den edelen lantman goet,
 Daert al by velen moet 2)  .

Maar voornamelijk worden hunne liefdesavonturen in de liederen vermeld. De molenaars en alles, wat tot hen in betrekking staat, worden zoozeer vereenzelvigd met het begrip van zinnelijk genot, dat in een ‘nyen liedeken’ de ‘meelbuydel’ als eene figuurlijke uitdrukking voor liefde voorkomt. Zoo lezen wij o.a.

 Daer isser soo vele bestoven,
 Metten meelbuydel ghequelt.

en

 Wilt u metten meelbuydel bestrycken,
 Ende slaept metten molenaer 3)  .

Reeds eens ontmoetten wij den jongen molenaar, die zich beklaagt, dat hij niet meer mag ‘hillebillen’ met de andere jonggezellen en zich troost met de herdenking van een in den molen doorgebracht uurtje in gezelschap van een vriendinnetje 4)  . In een ander lied wordt ons verhaald van een molenaarsknecht, die heimelijk getuige is van eene afspraak tusschen een ruiter en zijn liefje om dien nacht samen te komen; het is de laatste, dien de ruiter in het land zal doorbrengen. Als bewijs zijner trouw geeft hij haar reeds nu zijn ring. Zij scheiden; de slimme luistervink maakt zich het gehoorde ten nutte en komt 's nachts in een blank harnas voor de deur van het meisje,

 Hi tooch aen een harnas blanck;
 Hi clopte so lyselyck aen den rinck,
 Hi worde daer in gelaten.
 1)  A.L. no. 176, 7.
 2)  ald. no. 201, 8.
 3)  A.L. no. 50. str. 3 en 6, Ook str. 2, 4 en 7.
 4)  A.L. no. 21.


[p. 412]

Eenigen tijd daarna komt de echte minnaar, maar hij klopt te vergeefs en moet weer heengaan De dageraad ontdekt het meisje de ware toedracht der zaak:

 Dat meysken maecte so groten misbaer,
 Si wranck haer handen, si tooch haer hayr:
 ‘Heere God! wien hebbe ic in gelaten?

De molenaar belooft te zullen zwijgen en tracht haar te troosten. Reeds schijnt de zon overal, wanneer de teleurgestelde minnaar terugkomt, zijn ring opeischt en haar verlaat, want ‘die minne was hem verganghen.’ 1)  

Een Brunswijkschen Don Juan vinden wij in ‘een nyeu liedeken van Claes Molenaer.’ 2)   Deze heeft alle vrouwen betooverd en dus alle mannen tegen zich in het harnas gejaagd. Eens terwijl hij met een zijner laatste liefjes bij den beker zit te minnekoozen, overvallen hem sombere voorgevoelens en hij spreekt tot zijne Heile:

 Die valsche tonghen die wroeghen mi,
 Ick sorghe, si sullen mi dooden.

En werkelijk komt kort daarna de boodschap tot hem ‘dat hi voor die heren soude comen.’ De overheid acht te recht de algemeene zedelijkheid in gevaar, zoolang de onweerstaanbare Claes Molenaer in het land vertoeft; zij geven hem dus reisgeld en verbannen hem uit ‘Bruynswyc.’ Dien nacht wil hij echter nog bij zijn liefje doorbrengen en - onvoorzichtig genoeg - laat hij zich daarover uit. Zoo is het dan ook zijne eigene schuld, als zijne vijanden hem dien avond betrappen en hem in triomf de stad binnenvoeren.

 Als hi te Bruynswyc binnen quam,
 Hoe weenden die vrouwen! hoe loegen de mans!
 Hoe wee was hem te moede!

Nu hij echter weet, dat zijn lot beslist is, herneemt hij al ras de oude luchthartigheid en kan niet nalaten ‘met sinen lachenden

 1)  A.I. no. 62.
 2)  A. no. 15.


[p. 413]

monde’ den schout zelf de onaangename tijding mede te deelen, dat ook diens drie dochters onder zijne liefjes hebben behoord. Zelfs wanneer hij reeds geblinddoekt op de ladder staat, hoort men hem nog zegevierend zeggen:

 In alle Bruyningen en staet niet een huys,
 Daer en gaat een jonge Claes molenaer uyt,
 Oft een vrou molenarinne.

Ofschoon er geen Duitsch lied bekend is, dat tot voorbeeld gestrekt kan hebben aan het Nederlandsche, maakt de naam ‘Bruynswyc’ het toch onwaarschijnlijk, dat het lied hier te lande zou zijn ontstaan. Overigens herinnert niets aan die vreemde afkomst; of doen de rijmen: huys , uyt (haus , aus) dat misschien? De naam Klaas schijnt aan de molenaars eigen te zijn. In het ‘Haerlems Oudt Liedboek’ troffen wij immers reeds een ander lied ‘Van Claes Moolenaer’ aan 1)   en nog in Scheltema's Verzameling 2)   lees ik in ‘een kluchtigh Lied , van d'oude Jan Symonsz en Tryn Jans’

 Jan Symonsz reedt soo lachende uyt ,
 Al om te halen Klaes Meulenaer syn bruyt.

Ook de vrouwelijke bewoners van den molen springen gaarne eens uit den band. In eene der romances maakten wij reeds kennis met het molenarinnetje, wier ridderlijke minnaar zich in een meelzak verbergt om zoo tot haar te komen. Een ander molenarinnetje zien wij tol eischen van een voorbijgaanden visschersknaap. Ik zal het guitige liedje hier laten volgen 3)  .

 Des winters als het reghent,
 Dan syn de paetjes diep, ja diep,
 Dan comt dat lose visschertjen
 Visschen al inne dat riet
      met sine ryfstoc, met sine strycstoc,
      met sine lapsac, met sine cnapsac,
      met sine lere, van dirre dom dere
      met sine lere laersjes aen.
  
 Dat lose molenarinnetje
 Ghinc in haer deurtje staen, ja staen
 1)  ald. bl. 50.
 2)  bl. 1149.
 3)  H.B. II no. 53.


[p. 414]

 
 Omdat dat lose visschertje
 Voor bi haer heen sou gaen.
      met sine ryfstoc enz.
 Wat heb ic jou misdreven?
 Wat heb ic jou misdaen, ja daen?
 En dat ic niet met vreden
 Voor bi jouw deur mach gaen?
      met mine ryfstoc enz.
  
 Ghi hebt mi niet misdreven,
 Ghi hebt mi niet misdaen, ja daen
 Maer ghi moet mi driemael soenen
 Eer ghi van hier meucht gaen.
      met uwe ryfstoc enz.

Van een ander lied aanvangende met de woorden:

 Ic weet een molenarinneken
 Van herten also fyn

is ongelukkig slechts eene strofe over.

De overige door mij genoemde standen treden slechts van tijd tot tijd in de liederpoëzie op. Zoo hooren wij van een huisknecht (‘cnape vanden huyse’) voor wien de dochter des huizes, de kamenier en de meid even teedere gevoelens koesteren. Die liefde heeft voor alle drie even noodlottige gevolgen en de heer des huizes acht het (evenals de Brunswijksche magistraat tegenover Claes Molenaer) raadzaam den knecht te verwijderen. De dochter volgt den banneling echter en nu wordt de Landdeken, die van het geval heeft gehoord, zoo toornig, dat hij den knecht wil dwingen eene (welke?) weduwe te trouwen. Daar hij dat weigert, wordt hij op den Steen gevangen gezet 1)  . De gang van het verhaal is mij niet geheel duidelijk. Misschien moet men echter in aanmerking nemen, dat dergelijke liederen gedicht werden voor een publiek, dat dikwijls aan een half woord genoeg had, omdat het op de hoogte was van de feiten.

In het voorgaande hoofdstuk vermeldde ik het lied van den bakker, die door zijne vrouw en zijn buurman bedrogen wordt 2)  

 1)  A.L. no. 218.
 2)  A.L. no. 189.


[p. 415]

dat van den slotenmaker 1)  , van den dokter 2)  , van den marskramer 3)  ; elders treden de wever 4)  , de brouwer 5)   en de visscher 6)   op. Den inhoud der nog niet behandelde liederen deel ik later in dit hoofdstuk mede.

Zelden troffen wij tot dusverre mannen of jongelingen (het waren dan ruiters, boeren of monniken) alleen aan; gewoonlijk waren zij in gezelschap van vrouwen of meisjes en het wordt tijd die gezellinnen eens van naderbij te beschouwen en die liederen te bespreken, waarin zij meer op den voorgrond treden. Evenals wij in de romancen hebben waargenomen, zoo is ook hier het leven der gehuwde vrouwen verre van onberispelijk. Den indruk, welken wij van hen uit de liederen 7)   ontvangen, kan men gedeeltelijk weergeven met deze woorden van een 14e eeuwsch schrijver:

 En es cume so sconen wyf,
 Si en hout te cope haer lyf
 Den ghenen, die hem ghelt wilt geven.
 In scanden ende in sonden leven
 ............
 Dit doen si, moghen si hebben ghelt 8)  .

Maar hebzucht is niet de eenige oorzaak van hun zedeloos leven; het verlangen naar zinnelijk genot is eene andere. Menige vrouw, die geen behagen schepte in haren man, omdat zij jong en hij oud was, of die zich schadeloos wilde stellen voor de van hem ondervondene verwaarloozing, zocht troost bij een ander. Wij zagen daarvan reeds hier en daar een enkel voorbeeld. Daar zijn er echter wel meer.

Dikwijls worden de vrouw en haar minnaar door den huiswaarts keerenden echtgenoot betrapt. Zoo zien wij het b.v. in het lied van den visscher. Juist terwijl hij bezig is met de vrouw te smullen, komt de man thuis.

 1)  ald. no. 191.
 2)  ald. no. 193.
 3)  Oudvlaemsche Liederen en Gedichten no. 27.
 4)  A.L. no. 214.
 5)  ald. no. 216.
 6)  ald. 71.
 7)  Vgl. over het huwelijksleven b.v. A.L. no. 5, 26, 70, 71, 85, 90, 144, 185, 188, 189, 198, 208. H.B. II no. 46, 51, 122. Willems no. 117.
 8)  Jan de Weert in zijn ‘Nieuwen Doctrinael’ aangehaald in Jonckbloet's Gesch. der Mnl. Dichtk. III, 283.


[p. 416]

 Doen docht die loose visscher
 Hoe come ick nu van dan?

Maar de vrouw weet raad en laat hem uit een raam springen, waardoor hij nog tijdig kan ontvluchten.

 Dat vrouken was behendich,
 Si goot haer vischsop ut,
 Doen spranc die loose visscher
 Ter hoochster veynstren ut. 1)  

Elders wordt een lichtgeloovig man door zijn knecht Symonet bedrogen en als hij, ooggetuige van een vertrouwelijk tooneeltje, den verstoorder van zijn huiselijk geluk toeroept: ‘O wat maect ghi, lieve knape myn?’ antwoordt deze kalm: ‘Meester, ic doe dat ghi behoort te doene’ 2)  .

Eene hebzuchtige of liever pronkzieke vrouw, die voor eenige fraaie kleederen minnaars bij zich ontvangt, treffen wij aan in een ander lied. 3)  

's Morgens vroeg houdt zij zich ziek. Haar man gaat aan zijn werk en twee minnaars, waarmede zij afspraak heeft gemaakt, hebben dus ruim baan. Een rood keursje is het toegangskaartje van den een, een nieuw hoofdkleed dat van den ander. De eerste komt te acht uur in den morgen en vertoeft een paar uren. Om tien uur klopt de tweede. ‘Daar is mijn man’ roept de vrouw, ‘berg je op den zolder!’ En haastig stelt hij zich daar in veiligheid om zijn opvolger te laten binnentreden. Twee uren daarna laat de echtgenoot werkelijk de ijzeren ring op de deur vallen en de tweede minnaar wordt in eene kist weggestopt. De ongelukkige, bedrogen man vindt niets te eten en geeft zijn toorn op gevoelige wijze aan zijne vrouw te kennen.

Een ander lied verhaalt van een bedelaar, die zich kreupel houdt om het medelijden op te wekken en zoo voor eene herberg komt.

 Als hy aen het weerdinnenhuis kwam,
 Hy klopte op de deure:
 Weerdinne locht, van zinnen zoet,
 Staet op en laet mi inne! Sa.’
 1)  A.L. no. 71.
 2)  A.L. no. 144.
 3)  A.L. no. 188.


[p. 417]

Maar weigerend klinkt het antwoord:

 'k En sta niet op, 'k laet u niet in,
 De lakens zyn hier zoo diere.
 ‘Weerdinne locht, van zinnen zoet,
 'k Zal slapen by den viere. Sa.’

Dat verzoek wordt hem toegestaan; het koesterende vuur maakt echter andere gedachten in hem wakker en

 's Nachts, 't was omtrent middernacht,
 Den kreupele begon te weenen:
 ‘Weerdînne locht, van zînnen zoet,
 Ik slaep zoo noô alleene. Sa.’

Dat verwondert het waardinnetje in het minst niet en dus verwisselt hij van slaapplaats. Als 's morgens vroeg de waard thuiskomt, springt de gewaande kreupele het raam uit en laat zijne krukken hangen:

 Maar als hy in den velde quam,
 Begonst hy gaen te zingen:
 ‘En als den weerd niet thuis en is,
 Dan slaep ik by de weerdinne’ 1)  .

Tot dezelfde klasse behoort een lied, dat waarschijnlijk naar Duitsche voorbeelden werd bewerkt, gelijk ik zal aantoonen. De eerste en grootste helft van dit lied vond ik namelijk terug in een Duitsch lied; men vergelijke:


H.B. II. no. 46. Uhl. no. 285. 2)  
1. Hei, wie wil horen singhen 1. So wöl wirs aber heben an
Van vruechden een nieu liet? von einem reichen kargen man
Van een so losen boerman, er hat ein frewlein hübsch und fein
Die syn vroutjen in dolen liet. vor dem beschloss er brot und wein,
  das heia ho!
   
2. De boer ghinc nae de kerke 2. Es gab sich einmal auf ein zeit,
Syn tresoortje 3)   dat hi toe sloot, dass der reich, karge man ausreit,

 

 1)  H B. II, no. 51.
 2)  Böhme no. 46.
 3)  fr. dressoir. Spinde, etenskast.


[p. 418]


In alle so corten wilen der reich man was geritten aus,
So quam daer een calis om broot. ein betler kam im für das haus.
  dag heia ho!
   
3. ‘Ic heb jou niet te gheven’ 3. Er bat die fraw wol umb ein gab
Sprac daer dat vroutje fyn, durch des lieben herren Sanct Clas:
‘Dan een nachtje bi myn te slapen, ach fraw! möcht ich ein almus han
Maer het moster verholen syn’. so wolt ich darnach fürbaas gan.
  das heia ho!
   
4. ‘Och mocht mi dat gebeuren’ 4. Ach betler! du bitst mich umb ein gab:
Sprac daer die lantscnecht stout, Vor mir ist beschlossen wein und brot,
‘Ic souder niet voor willen kiesen ich bin meins guts ein armes weib,
Jouw silver ende root gout’. ich teil mît dir mein stolzen leib.
  das heia ho!
   
5. Si ghinc naer haer slaepcamer, 5. Ich weiss nit was er ir verhiess
De lantscnecht volchde haer naer dass sie den rigel dannen stiess;
  Si stiess den rigel an ein eck
  und legt den bettler an ir bett.
  das heia ho!

 

Hier houdt echter de gelijkenis op.

Het Duitsche lied vertelt verder, dat de bedelaar 's morgens den inhoud zijner knapzak met de vrouw van den rijken man deelt, dat deze daarop zelf thuis komt, het gebeurde verneemt en de sleutels der spinde voortaan in de handen zijner vrouw laat, opdat zij niet weer gedrongen worde dergelijke gasten in te laten.

Het Nederlandsche lied heeft een geheel anderen afloop, maar dien wij in hoofdzaak terugvinden in een ander Duitsch lied 1)  . Dat lied verhaalt van een doorbrenger, die op vertrouwelijken voet staat met de vrouw van den man, in wiens huis hij bezig is te eten en te drinken. Hij moet ten laatste bij gebrek aan geld zijne kleeren verpanden en nu blijkt dat hij een rozenkrans van de waardin gekregen heeft. Bezorgd over de eer van zijn

 1)  Uhland no. 212.


[p. 419]

huis geeft de waard hem zijne kleeren terug en verzoekt hem te willen zwijgen. Zoo raakt de doorbrenger veilig ter deur uit, maar als hij in het vrije veld komt, kan hij zich niet langer bedwingen, en dicht een lied op hetgeen hem wedervaren is. Uit eene vergelijking van de andere helft van het Nederlandsche lied met een paar strofen van dit Duitsche lied zal blijken, dat ook hier punten van overeenkomst bestaan.


  Uhl. no. 212.
5. Si troc hem van haer mans cleren aen.  
En daermede so liet si hem gaen.  
   
6. De lantscnecht over der heide ghinc, 9. Wol über ein freie strasse
Hi hief op en sanc een liet wol auf ein grone heid;
Van een soo losen boerman, do hub er auf und sang
Die syn vroutjen in dolen liet. dass es im wald erklang
  das heia ho!
  got grüss mir dem wirt sein freulein
  das löset meine pfant.
   
7. De boer lach in de biesen,  
Hi hoorde de woorden oprecht:  
‘Wat hebje van myn te singhen?’  
Sprac de boer tot den lantscnecht.  
   
8. Ic heb van jou niet te singhen,  
Van jouw vroutjen en weet ic niet,  
Een also leiden mare  
Is te nacht in myn drome geschiet.  
   
9. Is also leiden mare 7. Do sprach sich der wirte:
Te nacht in jouw drome gheschiet? du magst mar wol ein klafferman sein
So gaet en drinct, coel isser de wyn das heia ho!
En melter dats niemand niet. geschicht dir wol etwas gute
  Von hübschen freulein fein,
  da gehort sich schweigen zu,
  du soltes doch niemant sagen,
  das heia ho!
  enz.

 

Zooals men ziet, is noch in het eerste noch in het laatste deel van het Nederlandsche lied sprake van eene vertaling. Hoffmann v. F. nam het over uit twee 17e eeuwsche liedboeken 1)   en m.i.

 1)  Het Oud Amsterdamsch en Haarlemsch Oud Liedboek.


[p. 420]

is het niet ouder dan de 16e eeuw; daarentegen werd deze stof in Duitschland reeds zeer vroeg bewerkt. Böhme geeft een tekst uit de 15e eeuw en waarschijnlijk was het verhaal reeds in de 14e tot een Duitsch lied verwerkt 1)  . Ik vermoed derhalve, dat beide Duitsche liederen hier door mondelinge voordracht bekend zijn geworden en door een volksdichter (reeds de aanhef, maar ook de geheele toon wijst dat aan) tot één lied zijn samengesmolten.

Wij behoefden overigens waarlijk niet bij onze naburen aan te kloppen om liederen van deze soort. Er waren oorspronkelijke genoeg en niet van de minste. Talrijk zijn b.v. de klachten van jonge vrouwen, die met oude mannen getrouwd zijn. Zoo hooren wij eene jonge vrouw bij den aanvang des winters, als de nachten lang worden, klagen: 2)  

 Myn jonge juecht is nu in saysoene,
 Myn man en is niet wel myn vrient.
 Ey! out grisaert, al sliept ghi totter noene
 Ghi en hebt niet, dat mi dient.

Te vergeefs tracht de oude man haar te troosten met het vooruitzicht op zijn goud en zilver. Dat is niet, wat zij begeert. Had zij slechts papier, pen en inkt, dan zou er spoedig een briefje geschreven zijn

 Aan die liefste prince bekent,
 Dat hi soude comen tot zyn vriendinne.

En zeker zal de minnaar wel niet lang uitblijven. In een ander dergelijk lied beklaagt eene jonge vrouw zich bij eene vriendin over haar huwelijksleven. Hare stiefmoeder heeft haar aan een rijken, ouden man gepaard en zij zelve heeft zich door het gulden vooruitzicht laten verleiden; nu moet zij er de wrange vruchten van plukken 3)  .

 1)  Vgl. t.a.p. bl. 129.
 2)  A.L. no. 26.
 3)  A.L. no. 85 ‘een oudt liedeken.’ 't Is minstens uit de 15e eeuw, want de aannangsregels werden met een gering verschil in dien tijd reeds als Wijs gebezigd. Zie H.B. II, XXIX.


[p. 421]

In een onbekend liederboek van het laatst der 17e eeuw 1)   trof ik een aardig lied aan, waarin ook een jong vrouwtje voorkomt, dat met een ouden man is getrouwd; zij zoekt heul en troost bij den Pater en vindt die ook. Maar de dichter moge zelf spreken:

 Het was er een vrouwtje van Amesfoort,
 Een vrouwtjen bovenmaten,
 Sy hadder een oude Man ghetrouwt,
 Sy wouder niet by gaen slapen;
 Sy stuerden hem uyt om hoy (bis)
 Sy stuerden hem uyt om hoy en stroy,
 Soo verre van huys ist moy.

De goede sukkel gaat heen. Zijn plaatsvervanger is spoedig gevonden.

 Sy hadder een kleyn Dochtertjen,
 Dat stuerdese na de Pater,
 Och Pater, seydc sy, Domine
 Komt by myn moedertje slapen;
 Myn vader is uyt om hoy. (bis.)
 Myn vader is nyt om hoy en stroy
 Soo verre van huys ist moy.

De Pater laat zich niet lang bidden en weldra zien wij hem op huisbezoek en bezig het menu voor dien avond vast te stellen.

 Och Pater, seyde sy, Domine!
 Wat sullen wy t'avont eten?
 Hoenders en kapoendertjes
 Gebraden aen de speten.
 Myn Man is uyt om hoy. enz.
  
 Och Pater, seyde sy, Domine!
 Wat sullen wy t'avont drincken?
 Rinse Wyntje alsoo klaer,
 Dat in ons hertje sal sincken.
 Myn Man is uyt om hoy enz.
 1)  ‘Een Nieuw Liedt-Boeck genaemt het Enchuyser Bot-schuytjen zynde het derde Deel van 't Enchuyser Haringh-boot.... den eersten Druck. Tot Enchuysen, gedruckt by Jan Palensteyn, Boeckdrucker.... 1681. (Coll. Lenshoek.) Dit liederboek heeft geene pagineering; ons lied komt daar voor onder het opschrift: ‘Een Nieuw Liedt van een Jonge Vrouw, die een out Man getrout had. Stemme: alst begint. Dat het lied ‘nieuw’ wordt genoemd, doet niets ter zake, gelijk ik reeds dikwijls aantoonde. Het is alleen eene vrij gebruikelijke ‘réclame.’


[p. 422]

Als eindelijk over het nachtverblijf van den Pater beraadslaagd en op nieuw vermeld wordt, dat de man uit is om hooi en stroo, kan deze, die ondertusschen is teruggekeerd, zich niet langer weerhouden. Onverwachts neemt hij deel aan het gesprek en het refrein neemt eene andere wending:

 Ick bender soo verre van huyse niet,
 Ick legh achter de gordijnen;
 Het spelletje, dat je spelen wilt,
 Dat doet myn hertje quynen.
 Ick gader niet meer om hoy (bis)
 Ick gader niet meer om hoy en stroy,
 Soo dichte by huys ist moy.

En zijne vrouw tracht hem wel van dat gevoelen af te brengen, maar het helpt haar weinig. Ook het tegenovergestelde van dergelijke verhoudingen: een jong man, die met eene oude vrouw bezocht is, treft men wel eens aan. Zoo smeekt een jeugdige echtgenoot God om verlossing:

 Ic ghinc wel hen ter kerken,
 Ic claechde god myn noot:
 Help, rike god van hemel,
 Och, waer dat out wyf doot!

En zijn gebed wordt, naar het schijnt, verhoord, want bij zijne terugkomst is de oude vrouw gestorven en vroolijk maakt hij een ritje naar het kerkhof om zich te verlustigen in den aanblik van haar graf 1)  . Ditzelfde lied vindt men ook in het Duitsch, waar echter nog vijf strofen volgen. Andere liederen bevatten weer klachten der vrouwen over hunne mans of omgekeerd of wel wederzijdsche klachten.

Een voorbeeld van het laatste geval vinden wij in ‘een nyeu liedeken’ van het Antwerpsche Liederboek 2)  . Het lied bevat eene samenspraak of liever een twistgesprek tusschen man en vrouw; beiden beklagen zich, dat zij ooit in het huwelijk zijn getreden

 1)  H.B. II no. 122.
 2)  A.L. no. 5.


[p. 423]

en beginnen dan elkanders zondenregister op te lezen. Zoo zegt de man:

 Myn wyf is vermaert voor een clappeye,
 Commeren volghen haer een groot ghetal,
 Eens ter weecken lotert haer de keye,
 Men vinter meer, maer ic en kense niet al;
 Dan maectse sulken gheschal,
 Het schynt, datsi trecken sal een knyf
 Door sulcken corosyf.
 Aen elck oore hanget een wyf.

Zijne wederhelft blijft hem het antwoord niet schuldig.

 Myn man is ledich, selden werct hi geerne.
 Hem grouwelt, dat hi mi bi hem siet of hoort,
 Hi loopt met syn dronkaerts in de taveerne,
 Den lesten penninc moet daer springen voort.
 Dan coemt hi so versmoort,
 Tot miwaert seer verstoort hi dan.
 Mi dunct door sulc ghespan:
 Aen elck oore hanget een man.

En in dien geest gaan zij voort. Gewoonlijk echter trekt de man aan het kortste eind. Dat is reeds dikwijls gebleken en blijkt ook uit een tweetal andere liederen 1)  . In het eene zien wij eene vrouw, die haren man om den vinger windt. Als zij maar geld thuis brengt, is hij tevreden en vraagt niet, van waar het komt. Van haren kant wil zij daarin ook wel berusten.

 Ic loope rincketten aen elcken cant,
 En ic doe myn keelken klincken,
 Ic gheve myn man eenen penninc in de hant,
 Daerme so gaet hi sitten drincken.
 Als ic gelt thuis brenge, cust hi myn;
 Dan segt hi: een vrou van eeren suldi syn.

Geheele nachten zit zij in de kroeg en wel gaat zij over de tong, maar heur echtvriend verdedigt haar dapper, zoodra zij hem slechts een paar kousen geeft. Zoo leeft zij dus lustig voort, overtuigd dat zij niet de eenige is, want

 1)  A.L. no. 198 en no. 208.


[p. 424]

 .... men vinter noch meer bekent
 Van sulcken aerde in alle hoecken
 In Vlaendren, Brabant, te Brugh, te Gent.

die zich niettemin voor vrouwen van eere uitgeven. Ook in het andere lied zien wij een man, die onder den pantoffel staat. Hij dankt den hemel, dat hij eens voor eenige uren vrijaf heeft gekregen, maar hij heeft er zijne vrouw dan ook op zijne knieën om gesmeekt. En wel mag hij eens ontslagen worden van dergelijke werkzaamheden. Wat doet de ongelukkige al niet! Hooren wij hem klagen:

 Ick wassche, ick backe, ick vage den vloer,
 Ick doe dat werc al vanden huyse,
 Ick sette dat kint op mynen schoot,
 Dan vraghe ick vanden gruyse 1)  .
 Als ick dat doe, dan eest al goet,
 Dan segt si: man van eeren weest ghegroet.

Verder moet hij soep koken, zijne vrouw ter kerke geleiden, haar van tijd tot tijd behulpzaam zijn, als zij zich kleedt enz. ‘Het verwondert mij dan ook niet’ zegt hij

 Al gae ick al siende met smalle caken,
 Fortune en biet mi gheen gheluck,
 Aen tvoore woonen en can ick niet geraken.

‘De duivel moge haar met zich voeren’; met dien christelijken wensch besluit hij zijne klacht. Als tegenhanger van dit lied kan een ander gelden, waar juist de vrouw slaaft en zwoegt om het haren verwenden man naar den zin te maken. Reeds vroeg is zij bezig voor hem te koken en te braden. 's Morgens moet hij bier en brood (de bekende ‘koude schaar’) hebben, 's middags een gebraden hoentje, in wijn gezoden peertjes, geroosterd brood in malvezy gedoopt en gebraden kastanjes, bovendien eene stoop wijn, die zij zelve moet gaan halen. Daarop doet hij zijn middagslaapje en begeeft zich dan naar zijne vrienden in de kroeg enz.

Evenals de vrouw in het vorige lied, erkent ook deze echtgenoot

 1)  d.i. zemelen.


[p. 425]

de verdiensten zijner wederhelft en herhaalt steeds zijn ‘Sulc wyf is veel eeren weert’ maar bij deze erkenning van hare waardij blijft het dan ook 1)  .

Behalve de opgenoemde zullen er zeker wel meer liederen van deze soort geweest zijn, want dergelijke stof was zeer in trek. Van een enkel verloren lied vond ik de sporen terug. In Dirc Potter'sMinnen Loep 2)   toch lezen wij het verhaal

 Wat t'Schyedam eens geschiede,
 Dat weten noch wel sommighe lyede:
 Hoe dair voer een eerbair wyff,
 Die manne vryede die maghet styff,
 Soemen van Roseboem plach te singhen.

De uitgever merkt terecht op, dat hiermede het bestaan van een lied over dit voorval bewezen is, waarin zekere Roseboom de hoofdrol speelde. Maar ook elders bewerkte men deze stof gaarne. Dat men er onder de Duitsche liederen verschillende voorbeelden van vindt, zagen wij reeds. Hoffmann v. F. heeft bij verschillende Nederlandsche liederen gewezen op overeenkomstige Duitsche en ook onder de Oudfransche liederen treft men ze aan. Bartsch zegt o.a.: ‘Namentlich der alte Mann, den die junge Frau gegen ihren Willen heirathen musste, ist ein Lieblingsge-genstand des Spottes ...... selten ist es, dass die Frau trotzdem dass ihres Mannes Eifersucht ihr das Leben verbittert, nicht wagt ihm Hörner auf zu setzen’ 3)  . En niet alleen in de liederen vindt men deze stof.

Uit verschillende voorbeelden bleek reeds vroeger en zal nu verder blijken, dat men in de middeleeuwen in verschillende landen dikwijls dezelfde stoffen gebruikte en die verwerkte tot een lied, eene sotternie, boerde, sproke, novelle of iets anders. In het hoofdstuk over de verhalende liederen is ons daarvan het een en ander gebleken, maar er vallen nog meer voorbeelden aan te wijzen. In het lied van Claes Molenaer zagen wij een Don Juan,

 1)  A.L. no. 185.
 2)  IV vs. 1971 vlgg.
 3)  t.a.p. Einleitung XXIX en XXX.


[p. 426]

die door de vrouwen werd onderhouden, totdat de heeren van den gerechte er zich mede bemoeiden en hem verbanden, terwijl zij zelf hem het noodige reisgeld gaven. De drie dochters van den schout, die hem later veroordeelt, ontsnappen hem echter niet. Een tegenhanger van dit verhaal vinden wij in de tweede der door Verwijs uitgegeven ‘X Goede Boerden’. Ook daar wordt een schoon jonkman te Dordrecht door liefhebbende vrouwen gekoesterd. Eindelijk spreekt de Baljuw, die niet begrijpt, waarmede de kostbaar gekleede jonge man zijn kost verdient, hem op straat aan. De ‘cnape’ zegt hem de waarheid en beweert zelfs

 Dat hi soude XX pont
 Winnen op enen nacht.

De baljuw is verlangend te weten, hoe hij dat zal aanleggen. Hij bemerkt het echter maar al te spoedig, als hij op een morgen, na de wacht te hebben gehouden in de stad, in zijne slaapkamer komt en daar een hem welbekenden, door zijne echtge-noote genoodigden gast ontdekt. Bovendien moet hij zelf den ‘cnape’ de door dezen bedongene XX pond geven. Slechts een verzoek richt hij tot den rustverstoorder:

 De baeliu sprac: ‘Doet mi ghene scande,
 Des biddic u, in desen lande,
 XX pont salic u gheven,
 Maer noit en gavic in myn leven
 Gelt, dat mi dede soe wee.

De eerste der X Goede Boerden ‘Van enen man, die lach gheborghen in enen scrine’ vindt men geheel terug in het lied van den Bootsman 1)  . Het lied van het ‘vrouwtje van Amesfoort’ vertoont veel overeenkomst met de Cluyte van Playerwater en dezelfde stof als in deze klucht wordt behandeld in een Duitsch lied ‘Der Mann im Korbe’ 2)   Zoo zagen wij, dat het verhaal van Pyramus en Thisbe verwerkt werd tot eene sproke en ook

 1)  Scheltema's Verzameling bl. 370.
 2)  Uhland no. 287.


[p. 427]

tot een lied. Het lied van de abdis en de non, waar pot en ketel elkander gegronde verwijten doen, vindt men onder andere vormen ook bij Boccaccio 1)  . Het lied van Roseboem en zijne dienstmaagd vindt men met eenige verandering terug in Breêroo's Klucht van den Meulenaer, gelijk Leendertz opmerkt en diezelfde stof vond ik ook behandeld in een 18e eeuwsch volksliedboek’ 2)  .

Na de liederen, waarin getrouwde vrouwen optreden, mogen die volgen, waarin wij kennis maken met het jongere geslacht.

In menig gezin zullen de jonge meisjes eene voor dien tijd degelijke opvoeding hebben ontvangen, daar aan behoeft men m.i. niet te twijfelen, maar van dergelijke eerbare, zedige dochters hooren wij in de liederen niet dikwijls. Even als wij vroeger onder de romancen weinig liederen aantroffen, waarin de vroulijke deugd uitblonk, zoo zijn dergelijke liederen ook hier schaarsch. Het schijnt, dat men slechts zelden aanleiding vond om liederen daarover te dichten. Zeker zou men verkeerd doen zich alleen uit deze liederen eene voorstelling van het volk en de verschillende standen te willen vormen, maar van den anderen kant moet men bij de verklaring van het bovengenoemde verschijnsel toch ook rekening houden met de hooge mate van zedeloosheid in de 15e en ook (ofschoon niet zoo zeer) in de eerste helft der 16e eeuw.

In gezinnen waar man en vrouw leefden en handelden, gelijk wij hiervoor gezien hebben, daar zal het ‘Soo d'ouden songhen, soo pypen de jonghen’ zeker wel van kracht geweest zijn. Wat jonge meisjes soms in huis te hooren en te zien kregen, lezen wij b.v. in een lied, dat zeker tot de 16e eeuw behoort, zoo het al niet ouder is 3)  . Wij hooren daar een gesprek van een aan

 1)  Giorn. I. Novella 4. ‘Un monaco caduto in peccato degno di gravissima punizione, onestamente rimproverando al suo abate quella medesima colpa, si libera dalla pena.'
 2)  De vermakelyke Utrechtze Min-stroom (1767) bl. 45. ‘Een vermakelyke klugt van een kuyper met zyn Vrouw en een jonge Dochter’.
Over dat terugkeeren derzelfde stoffen leze men overigens nog, wat Liebrecht zegt op bl. XVII van de Voorrede zijner uitgave van Dunlop's History of Fiction.
 3)  Ik vond het lied in den ‘Nieuwen Jeucht-Spiegel bl. 182 “Een nieu Liedeken, Alst begint”. Ook in “Venus Minnegift” bl. 97. Stem: Al eer men komt ter eeren’. Beide liedboeken zijn uit de 17e eeuw, maar de aanvangsregel van het lied: ‘Soumer sulcken Koopmanschap doen’ komt reeds als wijs voor in ‘Sommighe Nieuwe Schriftuerlycke Liedekens .... door F.v. Str. 1599; ook in K.v. Manders Gulden Harpe. Het lied was dus zeker in de 16e eeuw goed bekend.


[p. 428]

tafel gezeten huisgezin. De dochter des huizes vangt woorden op, die hare verbeelding en hare nieuwsgierigheid prikkelen.

 Het vrouken aen de tafel sat,
 Aen de tafel was sy gheseten,
 Een nieujaer van haer Man sy badt
 Seer heymelick in 't secreten.
 De Man die loech,
 De Man die loech,
 Een goet Nieu jaer sal ick u geven
 Eer morgen vroech.

De dochter gaat aan het nadenken en sluipt stil de slaapkamer der ouders binnen. Den volgenden morgen is haar besluit genomen; de hartstochten zijn ontwaakt en in het ouderlijke huis wil zij niet langer blijven

 's Morgens vroech, den Dach bekent,
 De Vader sou hem kleyden,
 De Dochter maecte haer moy en jent
 Van haer Vader wou sy scheyden;
 Sy sprac so bout
 Sy sprac so bout:
 Alleen te slapen sou my verleyden,
 De nachten syn cout.

Als de vader haar vraagt, hoe zij tot een dergelijk plan gekomen is, blijkt dat al spoedig en hij roept den raad zijner vrouw in om te voorkomen, dat hunne dochter onder den voet gerake en haar te behoeden tegen de aanslagen van soldaten en jonggezellen. Niet te verwonderen is het zeker, dat meisjes, die in eene dergelijke omgeving werden opgevoed, snakten naar het oogenblik, waarop zij niet langer tot het ‘eensaem volck der Jonck-vrouwen’ zouden behooren. Ik gebruik het woord snakken niet zonder reden, want geen zachter woord past voor het onverbloemd realisme, waarmede dergelijke verlangens worden voorgesteld. Zoo lezen wij in een lied het volgende gesprek:



[p. 429]

 Moeder, lieve moeder!
 Nu gheeft mi enen man,
 Die mi desen couden winter
 So warmkens decken can;
      Alle myn leden beven, beven
      Alle myn leden beven mi!
  
 Och dochter, lieve dochter,
 Ghi wacht nog wel een jaer!
 Moeder, lieve Moeder,
 Het valt mi veel te swaer;
      Alle myn leden beven, beven
      Alle myn leden beven mi!

De dochter houdt steeds aan, de moeder matigt haar. ‘Wacht nog eene maand’ zegt zij; maar de dochter weigert. ‘Eene week dan!’ - ook dat wordt afgeslagen. En eindelijk

 Och dochter, lieve dochter,
 Nu wacht die maeltijt uit!
 Och moeder, liefste moeder,
 Hoe gherne waer ic die bruit!
      Alle myn leden beven, beven
      Alle myn leden beven mi.

Het verlangen laat zich niet bedwingen.

Het verdient opmerking, dat dit onderwerp ook in de Italiaansche volkspoëzie dikwijls voorkomt. Een kenner dezer poëzie deelt ons een liedje mede uit een der blijspelen van den beruchten Pietro Aretino, (+ 1557) waarvan de laatste regels luiden:

 Cara madre, maridemi,
 Che non posso più durar;
 Caro padre, maridemi
 Ch'io la sento.....

Tot toelichting voegt de uitgever er bij, dat dit ‘een der gewone liederen is van meisjes, wien de maagdelijke staat verdriet’.

Dat dergelijke liederen, welke een greep in het volksleven doen en waarin zulk een algemeen menschelijke karaktertrek geschilderd wordt, groote levenskracht zullen hebben, laat zich wel denken. Dat ook ons lied tot die categorie behoort, kunnen wij  1)  

 1)  Vgl. d'Ancona, la Poesia popolare Italiana’ bl. 96.


[p. 430]

bovendien bewijzen, want nog heden wordt het met verschillende wijzigingen gezongen van de zuidelijke grenzen van Belgie tot in het noorden van ons land en nog komen verschillende strofen van dergelijke liederen overeen met die, welke voor minstens drie eeuwen in Duitschland en zeker ook te onzent gezongen werden. Ik zal hier eenige dier strofen laten volgen, uit welker vergelijking men dat moge zien. De eerste tekst is die, welken ik te Zwolle dikwijls heb hooren zingen, de tweede werd in het midden dezer eeuw te Duinkerken opgeteekend 1)  , de derde is ontleend aan het Ambraser Liederbuch van 1582. (bl. 303)


no. 1 (Zwolle) no. 2 (Duinkerken) no. 3 (Ambr. L.)
Och Moeder; geef mij toch een man Moeder, ik wil hebben een man Ach mutter, gib mir einen Mann
Van Violi! Warmergarnas 2)  , smory! Halt die kanna feste
Och Moeder, geef mij toch een man, Die my den kost wel winnen kan Der mir die weil vertreiben kann
Die den kost voor mij verdienen kan Warme garnars, garnars, garnars Bey nachte, feyn sachte,
Van violi, van viola! Warme garnars, smory! Halt die kanna, schön bas' Anna
    Halt die kanna feste!
     
Och kind, gij zijt nog veel te klein Wel mijn dochter, gij zijt te jong Ach tochter, du bist viel zu klein
Van violi! Warme garnars smory! Halt die kanna feste,
Och kind, gij zijt nog veel te klein, Gij mcet nog wachten een jaer rond Du schleffst noch wohl ein jar allein
Gij moet nog eerst wat ouder zijn Warme garnars, garnars, garnars, Halt die kanna, schön bas' Anna,
Van violi, van viola! Warme garnars smory! Halt die kanna feste!
     
Och moeder, ik ben al oud genoeg Moeder, ik ben al oud genoeg Ach mutter, ich bin eben gerecht
enz. enz. enz.

 

Is eenmaal de eerste stap gedaan, dan gaan zij op dien weg voort en er komt een geest van loszinnigheid over hen, die dikwijls tot losbandigheid overslaat. Tot dat dartele en lustige geslacht, dat nog aan het begin van den breeden weg staat, behooren

 1)  Vgl. Snellaert's Oude en Nieuwe Liedjes bl. 89.
 2)  ‘garnars’ beteekent: garnalen.


[p. 431]

b.v. ‘de meiskens van Kieldrecht’ welke ons in een alleraardigst liedje geschetst worden:

 Te Kieldrecht, te Kieldrecht
 Daer zijn de meiskens koene:
 Zy vrijen tot den middernacht
 En slapen tot den noene,
 Ik maey, is dat niet fraei?
 En slapen tot den noene.
  
 Als ze opstaen, als ze opstaen,
 Dan kyken ze in de wolken;
 Zy zeggen: wel hoe laet ist al?
 Myn koe staet ongemolken.
 Ik maei, is dat niet fraei?
 Myn koe staet ongemolken.
      enz. 1)  

Men moet het hebben hooren zingen om er al de schalksche dartelheid van te kunnen begrijpen. Een stap verder zijn diegenen, welke wij in een volgend lied leeren kennen: zij, die des avonds uitgaan en

 des morghens als den dach comt aen
 den dach comt aen, den dach comt aen,
 So comen sy wederom thuis.

De moeder ontvangt hare terugkeerende dochter niet vriendelijk, want zij heeft gehoord; dat het meisje hare eer verloren heeft. En als de dochter zich tracht te verontschuldigen door te zeggen:

 Soud ick een kindeken draghen,
 Moy meisje sonder man!
 De coele wint uit den oosten,
 De coele wint uit den westen,
 Die waeyter gheen kindeken an.

Dan antwoordt de moeder haar terecht:

 De coele wint uit den oosten
 Die heeft het jou niet ghedaen,
 Maer jouw dansen en jouw springhen,
 1)  Hor. Belg. II no. 136.


[p. 432]

 
 By de jonghe vryers singhen
 En jouw avontspelen gaen,
 Dat heeft het jou ghedaen 1)  .

Ook onverzeld wagen zij zich op het glibberige pad; zoo b.v. in een paar liederen, waarover wij vroeger reeds spraken 2)  . Nu is ook de tijd aangebroken, dat zij nachtelijke bezoeken ontvangen en verscheidene liederen verhalen ons van dergelijke samenkomsten 3)  . Onder vele vermeld ik slechts als een staaltje het dartele liedje van den minnaar, die zich onwetend houdt.

 Waar staat jouw vaders huis en hof,
 Adelyn, bruin maagdelyn,
 Mooi meisje fijn?
 ‘Aen geen groen heyde, aen geen groen lof
 Daer staat myn vaders huis en hof.
 Zwijgt al stil! ei lieve, laat uw vragen zijn.’
  
 Hoe kom ik op uw kamerkyn,
 Adelyn, bruin maagdelyn,
 Mooi meisje fijn?
 ‘Neemt jouw toffeltjes in jouw hand,
 Kousvoeteling maakt zoo zoeten gang!
 Zwijgt al stil! ei lieve, laat uw vragen zijn’.
      enz. 4)  .

Een merkwaardig lied, waarin van een nachtelijk bezoek verhaald wordt, vinden wij in eenige liederboeken der 17e en 18e eeuw. Ofschoon men het bedoelde lied niet vroeger dan in de 17e eeuw kan aanwijzen, houd ik het er toch voor, dat het hier reeds in de 16e eeuw bekend zal zijn geweest, zoowel om den inhoud als omdat het gelijkluidende Duitsche lied, dat waarschijnlijk als origineel diende, reeds in het Ambraser Liederbuch van 1582 en op losse blaadjes van 1570 voorkomt 5)  . Ook door Uhland zijn drie teksten van dit lied opgenomen 6)  . Daar het Nederlandsche

 1)  ald. no. 137
 2)  A.L. no. 199 en H.B. II no. 41.
 3)  b.v. A.L. no. 79, 94. H.B. II no. 125, 126, 128, 129, 148, 153, 154, 155 enz.
 4)  H.B. II no. 153.
 5)  Zie Uhl. II bl. 1028.
 6)  no. 260 A.B. en C.


[p. 433]

lied nergens anders voorkomt en weinig bekend is, laat ik het hier volgen met die strofen van het Duitsche, welke er mede overeenkomen.


Enchuyser Lied-Boecxke