[p. 675]

IX. Verdere lotgevallen der oude liederen.

Is het mij gelukt den lezer in de voorafgaande bladzijden eene juiste voorstelling te geven van een deel des rijken liederschats, dien ook ons volk eens bezeten heeft? Een ander moge dat beslissen. Maar ook indien ik daarin niet geslaagd ware, dan nog zou mij eene belangrijke vraag ter beantwoording overig blijven - de vraag: wat gebeurde er verder met dien schat en wat is er ons nog van gebleven? Eerst wanneer ik die vraag zal hebben beantwoord, kan ik de door mij gekozene taak als volbracht beschouwen. Ik zal daarom in dit hoofdstuk de verdere lotgevallen der oude liederen nagaan. Ik zal trachten aan te toonen, dat zij reeds gedurende de laatste helft der 16e eeuw door andere liederen worden verdrongen, ofschoon zij nog in aller herinnering blijven leven; dat zij in de 17e eeuw meer en meer vergeten worden en in de 18e, op weinige uitzonderingen na, nog slechts bij het volk bekend zijn; dat in de 19e eeuw ook het volk die oude liederen uit het geheugen verliest en dat zij binnen kort zullen zijn weggestorven voor immer, indien zij niet herboren worden door de wetenschap en de kunst van onzen tijd.

De bloeitijd dezer oude liederen duurt tot het midden der 16e eeuw. In de laatste helft dier eeuw werden zij naar alle waarschijnlijkheid zelden meer gezongen, ook al kende elk ze nog. De reden daarvan is niet ver te zoeken.



[p. 676]

Tot dusver had het jonge, krachtige en weelderige volk, dat deze landen bewoonde, geene zware rampen gekend, immers geene onder welker druk zijn karakter moest veranderen. Het genoot zijn leven en zong zijn lied. Wel had de zucht tot kerkhervorming zich ook hier te lande reeds doen gelden en had deze soms scherpe vervolging uitgelokt, wel zien wij haren invloed ook in de geestelijke liederen, waarmede vrome mannen reeds in 1539 en 1540 de ‘sotte, vleescelike liedekens’ wilden te keer gaan, maar niettemin verscheen vier jaren later het Antwerpsche Liederboek. En welke stemmen klinken ons daaruit tegen? Meer dan de helft dier liederen is gewijd aan de liefde. Tal van minnaars storten hunne klachten uit over ontrouwe liefjes, verlangen naar heur bijzijn, vermeien zich in liefelijke herinneringen, wekken de uitverkorenen met zang en snarenspel, zien aan hunne zijde den nacht voor den dag wijken of zijn in minnelijk onderhoud met hen samen. En in andere liederen wordt verhaald van ridders en jonkvrouwen, van helden uit vroegeren tijd, van roovers en ongelukkige gelieven. Elders schertst en lacht het volk over zijne eigene en eens anders dwaasheden, bezingt de ‘chronique scandaleuse’ van den dag en vertelt met beminnelijke openhartigheid van zijne liefdesavonturen, zijne drinkgelagen, zijne huiselijke aangelegenheden en zijne feesten. Een klein getal historische liederen verplaatst ons in ruimer kring en doet ons een blik werpen ook buiten de grenzen van ons land en op de belangen van andere volken; maar ook deze liederen verwijlen meerendeels bij het oogenblik of bij het tegenwoordige. Zoekt men naar een ander, een hooger element, dan vindt men na lang zoeken onder de 221 liederen, welke hier verzameld zijn, slechts 4 geestelijke liederen.

Dit eenvoudige feit is natuurlijk niet voldoende om een beeld van dien ganschen tijd te geven, maar toch geeft het eenige trekken daarvan aan. De groote menigte stemde in met den jongeling, die in één dier geestelijke liederen tot een hem vermanend leeraar zegt:



[p. 677]

 Ic wil gebruycken dat leven myn
 Met dansen en met springhen;
 Si moeten sterven, die veyghe zyn,
 Laet ons gaen drincken den coelen wyn,
 God sal ons wel ghehinghen 1)  .

En dit geestelijk lied zelf is blijkbaar eene omwerking van een wereldlijk lied. In den aanvangsregel: ‘Hoe luyde sanc die leeraer opter (l. opten) tinnen’ is de ‘leeraer’ klaarblijkelijk voor den vroegeren ‘wachter’ in de plaats gekomen; de tinnen van een kasteel toch waren nooit bekend als de standplaats van leeraars, maar aan zulke tegenstrijdigheden stoorde het vrome gemoed zich niet. Uit den ijver, waarmede eene kleine schare te velde trekt tegen de wereldlijke liederen dier dagen en ook uit de vele omwerkingen daarvan kan men eenigszins opmaken, hoezeer men den slechten invloed dier liederen vreesde en uit die liederen zelf blijkt gedeeltelijk, welke de levensopvatting was van het volk, dat ze dichtte en zong.

Die levensopvatting was min of meer eene vrucht der tijden en kwam voor een deel voort uit de algemeene welvaart, die overal - uit de overmatige weelde, die in de meeste deelen des lands heerschte. Men leze Motley's fraaie schildering van den maatschappelijken toestand dezer landen vóór den aanvang des oorlogs, ook zijne beschrijving van de voornaamste onder al die bloeiende steden, de weelderige Scheldestad 2)   en men zal het begrijpelijk vinden op het titelblad van sommige liederboeken met naïeven trots vermeld te zien ‘gheprint in die triumphelike coopstadt van Antwerpen.’

Maar hoe spoedig zal dat verkeeren - met Antwerpen in de eerste plaats! Weldra is het met dat triomfeeren gedaan en hoort men klaagliederen, waar vroeger de lach van onbezorgde vroolijkheid weerklonk. Reeds in 1565 luidt het in een Geuzenlied:

 Antwerpen arm,
 O desolate stede,
 1)  A.L. no. 55.
 2)  Rise of the Dutch Republic p. 43-49.


[p. 678]

 
 Met swaer ghekarm
 Vergaet nu uwen vrede,
 U hooghen moet,
 Die leyt nu heel in 't assen;
      enz.

En een geestelijk liederboek van lateren tijd vangt aan met ‘een schoon Lied van de heerlicke stadt Antwerpen’ en beklaagt haar treurig lot:

 Antwerpen schoon, eertyts vol Goets,
 Tot den hemel schier verheven:
 Vol weelden, wils ende hoochmoets
 Geheel wellustich int Leven,
 In overvloet van alle goet
 En schoone costelicke waren,
 Die ghy gheraept hebt end' gheschraept,
 Och waer is dat al vervaren? 1)  

En niet met Antwerpen alleen was dit het geval, Weldra zijn al deze landen in den opstand betrokken, hetzij als voor- of tegenstanders; aller gedachten worden ingenomen door de groote worsteling en wie het volle hart lucht wilde geven in een lied, dien konden de oude liederen niet meer bevredigen. Immers, hoe zouden zij ook? Waar de hoofden van de edelsten in den lande vielen onder het beulszwaard, waar steden werden uitgehongerd en uitgemoord, waar aller oogen zich vestigden op de stoute daden der Watergeuzen en op den Prins van Oranje, waar de eene aangrijpende gebeurtenis de andere verdrong, dáár had men iets anders te doen dan minneliedjes te zingen of naar ridderromancen te luisteren of elkander in liederen met een lach de waarheid te zeggen. En zoo weerklinken dan in de eerste plaats de liederen der Geuzen. Geen feit van eenige beteekenis of het wordt in een lied breed verhaald. Nu eens hoort men klaagliederen over den treurigen toestand des lands en de onderdrukking en vervolging, die men van de Spanjaards te lijden had, dan weer triomfliederen na een behaald voordeel; nu eens liederen vol troost en bemoediging tot de zwakken en dan weêr uitdagende,

 1)  Sommighe nieuwe schriftuerlicke Liedekens door F.v. Str. (1599).


[p. 679]

overmoedige spot- en schimpliederen tegen de paters, die om hunne abdissen en hunne kapoenen treuren en tegen de Spaansche ‘Godts vyanden.’ En van den anderen kant waarschuwde men tegen ‘die Geusen met hunne leusen’ en bespotte de nieuwe, godsdienstige secten en verhaalde van de diefstallen en rooverijen, die de prins van Oranje met zijne troepen in het Luiksche land hadden bedreven en vermeide men zich reeds van te voren in ‘der Geuzen Hellevaert 1)  .’

Groot moet de invloed zijn geweest van deze politieke en andere half politieke, half geestelijke liederen, welke in deze dagen van strijd bij honderden - ik mag wel zeggen - bij duizenden verschenen. behalve de eigenlijke ‘Geuzenliederen’ waren daaronder klaagliederen van gevangenen ‘geschreven int duyster met arm gereetschap,’ zooals een van hen eenvoudig maar roerend zich uitdrukt of gedicht in een kerkerhol, waar de duisternis ook zelfs het schrijven niet toeliet en het lied ‘int herte moeste blyven’ totdat de dichter tijd en gelegenheid kreeg het op te teekenen. Elders leest men ‘de belydinghe van een teeder Meysken, geheeten Elisabeth, die een Baghynken hadde gheweest’ en een ander vangt aan: ‘Het is gheschiet ter tyt, doen de vier vrienden opgheoffert waren (daer ic dat Liedt af ghemaect hebbe) ende hadse sien verbranden....’ En sommige dier liederen weerklonken in de sombere kerkers en hunne tonen drongen dan door de muren heen en strekten anderen lotgenooten tot troost en opbeuring. Zoo lezen wij in ‘een brief van Jeronimus Segerszoon

 1)  Werden de Geuzenliederen slechts gezongen? Het is niet waarschijnlijk. Vele liederen van dien tijd waren zeker ook bestemd om gelezen te worden. Zoo draagt no. 111 van ‘van Lummel's Geuzenliedboek’ dezen titel. ‘Een nieu liedeken van affscheydt der Spaengiaerden mispresen , die niet singhen kan, mach het lesen.’ Ik vestig hierop de aandacht, omdat men ook boven het voorbericht van vele 17e eeuwsche liederboeken vindt: ‘totten sangher ofte leser’ en ‘tot de sanghers ende lesers.’ Ook de uitdrukking: ‘ghy, die dit singht of leest’ komt niet zelden voor. Kamphuyzen schrijft in het voorbericht der ‘Stichtelijke Rijmen’ (Pantheon-uitgave XXXI) ‘nadien doch alle Rym ofte Gedicht (na oud gebruyk en ook aard van de zake) behoort zo wel lezelyk als zingelyk en zo wel zingelyk als lezelyk te zyn.’ En in een gedicht van A. Godart ‘op de Uytspanningen van den heer Jodocus van Lodensteyn’ lezen wij: ‘Verwerp deez' Lied'ren niet: maar Leest en Zingt-ze tog.’ Echter maakt Valerius in de voorrede van zijnen ‘Gedenckclanck’ bepaaldelijk onderscheid tusschen ‘liedekens’ ende ‘dichten.’


[p. 680]

geschreven aen grooten Henrick, die oock aldaer ghevanghen lach int jaer 1551’ deze woorden: ‘Ende als ghy luyde singhet, soo hoore ick u wel. Ende ick dancke den Heere, dat hy u noch so veel crachts gevende is, dat ic u noch hoore singen 1)  .’

Andere liederen gewagen weer van troost en bemoediging, wekken op tot berouw en inkeer tot zich zelven, bevatten klachten en gebeden om kracht en geloof, schilderen innerlijken strijd, zingen Gode lof of behelzen slechts omwerkingen van een deel des bijbels. En deze liederen bleven niet op de plaats, waar zij gedicht werden, maar zwierven het geheele land door evenals de Geuzenliederen. Men zond ze aan veraf wonende geloofsgenooten, dikwijls aan eene geheele gemeente of ook wel aan geheel onbekenden 2)  . Men voorzag ze aan den kant van bijbelteksten, opdat men de in het lied bedoelde plaatsen nog eens in den bijbel zou kunnen nalezen en er dus te meer door gesticht worden. Duidelijk zien wij dan ook het ontstaan van vele liederen dier dagen verklaard in de voorrede van een 16e eeuwsch liederboek. In die ‘voorreden totten Lesers ende Sanghers deses Liedenboecks’ lezen wij nl.: Ende den sentbode Jesu Christi Paulus ons leert: Dat wy malcanderen sullen vermanen met Psalmen ende geestelicke liedekens (Eph. 5, 19. Col. 3, 16.) so hebbe ick dan na de cleyne gave, die my die Heere gegeven heeft (in mynder swacheyt) ter eeren Gods ende tot stichtinghe myns Naestens, dese naervolghende Liedekens gedicht, beschreven, gegeven, ende gesonden, aen diversche Persoonen op hare aenhouden ende begeeren, oock ut goede geneghenheyt van my, op datter sommighe tot yver ende aendacht mochten ghebracht worden den Heere te vreesen ende syn woort lief te crygen 3)  .’ Dergelijke ‘zendliederen,’

 1)  Al deze aanhalingen zijn ontleend aan de bekende verzameling van Martelaarsverhalen en- liederen, getiteld: ‘Het Offer des Heeren....’ (Deze druk is van 1599; daar zijn er echter ook van 1542, 1562, 1578, 1580, 1589 en 1595.) De door mij aangehaalde plaatsen vindt men achtereenvolgens op fol. 44, 49, 24, 31, 70.
 2)  Vgl. ‘Sommighe andachtighe ende leerachtige Gheestelicke Liedekens t'Amstelredam, by Nicolaes Biestkens (1597) f. 38. ‘Susterken goedt, my onbekendt enz.’
 3)  Vgl. ‘Veelderhande Schriftuerlycke Nieuwe Liedekens ... door L.(enart) K.(lock) (zie fol. 508) Gedruct t'Utrecht .... Anno 1593.


[p. 681]

zooals ik ze zou willen noemen, treft men ook reeds in de eerste jaren van den opstand aan.

Soms moeten die liederboeken, waaruit de ouders kracht en troost hadden geput, vóórdat brandstapel of worgpaal een einde aan hun leven maakten, in het bezit zijn gekomen van hunne kinderen. Zoo lezen wij in een ‘testament van Joos de Tollenaer’ o.a. het volgende: ‘Myn kint Betgen, so ick sterve, so wilde ick wel, dat u Moeder u gave tot een eewighe Memorie, een Testament, ende een Dierick Philips fundament Boeck, ende een Liedekens Boeck ende een Boecxken van Jacob de Keersgieter ende wilt daer inne veel lesen, want daer staen veel schoone vermaningen in’ 1)  .

Hoe anders dan ons moet het zulk een meisje te moede zijn geweest bij het lezen in die boeken of het zingen dier liederen en zeker niet zij zal bezweken zijn in den moeilijken strijd tusschen levenslust en geloof, waarvoor de inquisitie zoo velen stelde.

Dat dus de oude liederen moesten wijken, waar zulke gebeurtenissen aller hoofd en hart vervulden, is niet meer dan natuurlijk. Zelfs werd het lied ‘vanden ouden Hillebrandt’ omgewerkt tot ‘een oorloff-lied van Duckdalve’, waarin men den gehaten ‘ouden Grys’ bespotte.

Maar al zong men de vroegere liederen niet meer, men vergat ze daarom nog niet. Hoe ware dat ook mogelijk geweest? Integendeel, elk kende ze nog; dat blijkt meer dan voldoende uit de liederboeken van dien tijd. Onder de ‘wyzen’, waarop die nieuwe liederen gesteld werden en die ieder dus geacht werd te kennen, treft men de aanvangsregels van de meeste ons bekende en vele onbekende oude liederen aan en dat blijft zoo tot in den aanvang der 17e eeuw.

Maar ook alleen daaruit kan men opmaken, dat die liederen nog algemeen bekend waren, want, voor zoover mij bekend is, werden er in de laatste helft der 16e eeuw geene meer herdrukt

 1)  In ‘Het Offer des Heeren’ op de laatste bladzijde


[p. 682]

noch afzonderlijk noch in liederboeken. In het eerst zal men dat nagelaten hebben uit vrees voor de censuur en daarna omdat ze niet verkocht zouden worden; want wie zou ze gelezen hebben?

In het jaar 1588, het stichtingsjaar onzer republiek, begon echter het licht door de wolken te breken. De moeilijkste tijd was achter den rug en ofschoon het pleit nog lang niet gewonnen was, namen de zaken echter eene gunstige wending. Een deel der oude vroolijkheid keert weer in de harten terug en zoo laat het zich dan ook verklaren, dat drie jaren later weer eens een wereldlijk liederboek verschijnt onder den titel: ‘Nieu Amstelredams Liedboeck, vol Amoreuse Nieu Jaren, Mey Lieden, Tafel Lieden ende veelderhande vrolycke ghesangen, nu op nieu vermeerdert........ Anno 1591’. In deze verzameling is reeds te bespeuren, welke richting de liederpoëzie in het vervolg zal kiezen.

De oude liederen, welke in het Antwerpsche Liederboek zulk eene eervolle plaats innemen, zijn hier verdwenen. De minneen Meiliederen, die in dit liederboek voorkomen hebben al de eigenschappen van die uit de eerste helft der 16e eeuw in het A.L., maar in nog hoogere mate en de invloed der renaissance is daarin nog duidelijker zichtbaar. Hier vinden wij reeds overvloedige staaltjes van de mode-poëzie, de fatsoenlijke poëzie om zoo te zeggen, welke vooral in de 17e eeuwsche lyriek zoo op den voorgrond staat. Hoe het in die eeuw met de oude liederen ging, zullen wij nu trachten te schetsen.

Elk weet, dat met den aanvang der 17e eeuw een nieuw tijdperk in de geschiedenis van ons volk aanbreekt. De dageraad der vrijheid, die zich reeds in 1588 vertoonde, is tot dag geworden, al is het nog geen volle dag. Hoort den geschiedschrijver der ‘Tien jaren uit den tachtigjarigen oorlog’ hierover! Na een blik te hebben geworpen op den hachelijken toestand, waarin ons land zich in 1588 bevond, roept hij uit: ‘En tien jaren later? Hoe is alles veranderd! De noordelijke gewesten, de roemrijke Zeven, zijn voor goed bevrijd, voorspoedig te land en

[p. 683]

ter zee; de regeering is eensgezind en door het volk geëerbiedigd het leger volgzaam en uitmuntend aangevoerd; de schatkist voortdurend gevuld door gewillig opgebragte belasting. Spanje daarentegen, dat zich reeds meester had gewaand van de muitende gewesten is moegestreden en uitgeput en weet geen ander middel om niet al de Nederlanden te verliezen, dan ze als zelfstandigen staat af te scheiden van de Spaansche monarchie’. Een tiental jaren later zou Spanje dan ook reeds met ons onderhandelen als met een onafhankelijken staat. Ondertusschen zijn Noord- en Zuid-Nederland steeds verder uiteengegaan en hiermede moet in de geschiedenis onzer letterkunde steeds rekening worden gehouden. Het 17e eeuwsche Noordnederlandsche geslacht verschilt in menig opzicht van het algemeen Nederlandsche type der middeleeuwen in Noord- en Zuid-Nederland. Op een paar punten van verschil, die ook in de letterkunde waarneembaar zijn, zal ik hier wijzen. Mede daardoor moge duidelijker worden, waarom de oude liederen juist in Noord-Nederland zoo snel op den achtergrond geraakten. Ook vroeger, reeds in de middeleeuwen, zal er m.i. ongetwijfeld verschil hebben bestaan tusschen het volk boven - en het volk beneden de rivieren, zooals men dat wel eens uitdrukt, tusschen Friezen, Hollanders, Zeeuwen, Utrechtenaars, Gelderschen ter eene en Vlamingen, Brabanders enz. ter andere zijde. De Zuidnederlanders geraakten vroeger dan de Noordelijken tot stoffelijke welvaart, bij hen deed zich de behoefte aan geestelijke genietingen eerder gevoelen; ook waren zij ontvankelijker van gemoed en minder kalm dan hunne Noordelijke broeders. Bij hen had, meen ik, het verstand niet zulk een overwicht op het gemoed als bij de Noordnederlanders.

Maar hoeveel meer punten van overeenstemming dan van verschil zijn er tot het midden der 16e eeuw in Noord- en Zuidnederland aan te wijzen: Tot dien tijd waren bijna alle bewoners dezer landen Katholiek; ook in het Noorden heeft de mystiek een grooten invloed geoefend, kunstzin werd in beide deelen des lands in hooge mate aangetroffen, al volgde het Noorden het Zuiden gemeenlijk op den voet. En eindelijk was aan alle bewoners

[p. 684]

dezer landen gemeen: zin voor de werkelijkheid, gave van opmerking, dartele levenslust voortkomende uit maatschappelijke welvaart, vroolijkheid, die licht tot ruwheid en losbandigheid oversloeg.

Ook in de liederpoëzie hebben wij meermalen blijken van die nauwere eenheid tusschen Noord en Zuid aangetroffen. Slechts op eenige punten van verschil en overeenkomst kon ik hier wijzen en ik gevoel zelf, hoe gebrekkig deze parallel is; trouwens om haar juist te kunnen trekken, zou men tevens in staat moeten zijn eene geschiedenis der ontwikkeling van ons volk te schrijven. Mijn doel was alleen aan te toonen, welke ongeveer de gronden zijn, waarop ik steun bij de volgende onderstelling: ondanks het verschil, dat in de middeneeuwen tusschen Noord- en Zuidnederland moge bestaan hebben, heeft men toch vrij wat meer recht die beide deelen des lands op eene lijn te stellen, dan later, toen tachtigjarige oorlog en onafhankelijkheid en Kalvinisme eene scherpe afscheiding tusschen hen gemaakt hadden.

Ook in de liederpoëzie blijkt dat, allereerst in de geestelijke. Want ook na eene oppervlakkige beschouwing zal men getroffen worden door het verschil tusschen de middeleeuwsche geestelijke lyriek van Noord en Zuid met de Noordnederlandsche der 17e eeuw; tusschen de eerste met hare kinderlijke vroomheid, die soms de grenzen van het komische nadert, hare dwepende vereering van de liefelijke gestalte der Moedermaagd, haar verlangen om tot het schouwende leven te komen, hare hemelschildegen en het mystieke waas, dat over hare bevallige vormen ligt - en de andere met hare schilderingen van het door innerlijken strijd verdeelde of verscheurde gemoed, met eene even innige maar dieper en meer zelfbewuste vroomheid, met haren zin voor het praktische, haar individualisme en de mindere schoonheid harer vormen.

Maar ook in andere opzichten is verschil waar te nemen. Den opgewekten zin voor het natuurleven, de vatbaarheid voor onbevangen natuurgenot, welke wij in de middeleeuwsche liederen aantroffen, zoekt men in de 17e eeuwsche Noordnederlandsche

[p. 685]

lyriek zeker niet geheel te vergeefs, maar beide eigenschappen zijn toch in veel geringer mate aanwezig en het natnurgevoel heeft veel van zijne vroegere frischheid verloren. Ook hier heeft het nuttigheidsbeginsel schade gedaan aan de kunst.

Wat ik hiermede bedoel, zal den lezer duidelijker worden, indien hij het onderstaande lied uit een 17e eeuwsch liederboek leest en het vergelijkt met hetgeen wij vroeger over het natuurgevoel in de middeleeuwen vernamen. Het lied bevat de indrukken van een bejaard man op eene morgenwandeling in Haarlem's heerlijke omstreken. Ik deel het voornaamste er van hier mede:

 
 Stem: Adieu Lissebon schoone.
 1.
 Ick ginck op eenen morgen
 Al door den Aerdenhout,
 Daer sagh ick onverborgen
 Godts werken menichfout,
 De vogelen songen en maeckten vreugt,
 De konyntjens liepen in 't wilde,
 Myn hert was seer verheught.
  
 3.
 Ick sagh de Duynen hooghe
 Daer voor de Zee ghestelt;
 O Godt! door u vermogen
 Beletten zy 't ghewelt
 Al van de baren woestigh verstoort,
 Ghy hebt ghestelt haer palen,
 Dat zy niet komen voort.
  
 4.
 Langs Duyn ging ick spanceeren
 So voort na Overveen
 En sach na myn begheeren
 Godts wercken groot en kleen:
 Erwten en boonen stonden daer groen,
 Oock Taruw en Rog by desen
 Om ons daer mee te voên.


[p. 686]

 
 5.
 Ick sach dat Vlas met blomen,
 Dat stont seer fraey en net,
 Daer 't Lynwaet af moet komen,
 Langs Duyn soo maecktmen 't wit.
 .............
 ..........
      enz.

en verder nog:

 Ick quam aen een riviere,
 Daer men dat water haelt,
 Daermen van brouwt het biere,
 So dat het niet en faelt.
      enz. 1)  

Hier spreekt een man, die geen grooten dichterlijken aanleg heeft, maar evenwel niet zonder gevoel voor de natuur is. Toch beschouwt hij alles van zijn nuttigheidsstandpunt; ziet hij de duinen - hij verheugt er zich over, dat God ze daar geplaatst heeft als zeewering; laat hij zijn blik weiden over graanvelden - hij denkt aan het brood, dat hem zal voeden; aanschouwt hij een vlasveld - hij waant het linnen reeds op de bleek te zien liggen; valt zijn oog op een water - hij ziet de brouwersknechts het reeds naar de brouwerij vervoeren.

Elders treffen wij een dergelijk voorbeeld aan.

 Ik gink eens op een Morgen
 Al in myn eenigheyd spanceere,
 Dog waar dat ik myn oogen sloeg,
 Het diende my tot leere
 Al in het wonderwerk des Heere.
      enz. 2)  

De dichter van dit gebrekkige lied was maar een eenvoudige

 1)  Nieu dubbelt Haerlems Lietboeck ghenaemt den Laurier-krans der Amoreusen.... Den sevenden Druck. Tot Haerlem. Ghedruckt by Vincent Casteleyn..... Anno 1643. IIe Deel, bl. 44.
 2)  Vlaardings Vissers Lied-boek (z.j. maar waarschijnlijk c. 1670.) II, 16.


[p. 687]

visscher, doch men meene daarom niet, dat die verandering in het natuurgevoel ook niet bij meer ontwikkelden te bespeuren zij. Bij den geleerden en ontwikkelden Spieghel immers vinden wij dergelijke beschouwingen terug 1)  . De duistere dichter van den ‘Hertspieghel’ had overigens een levendig gevoel voor de natuur, zooals op verschillende plaatsen van zijn hoofdwerk blijkt, maar bijna altijd gaan zijne indrukken gepaard met bespiegelingen over het nut, over Gods grootheid, met opsomming van bloemsoorten of vruchtboomen; zelden of nooit treft men het onvermengde, onbevangen natuurgenot bij hem aan 2)  . Soms voeren die beschouwingen hem tot wansmakelijke voorstellingen. Zoo lees ik in het 74e der ‘Lieden op 't Vader ons’:

 Dus spreekt de matelieve:
 Hier sta ik op het veld;
 Eet my tot zyn gerieve
 De koe, terstont ik smelt
 Tot mis 3)   en valt die neder
 Hierby in 't groene gras,
 Daarna word ik licht weder
 Een mateliefken teder,
 Zo ik te voren was.

Zeker, men mag Spieghel geen onrecht aandoen, men mag hem niet alleen met 19e eeuwschen maatstaf meten, men mag niet eischen, dat het natuurgevoel bij hem zoo ontwikkeld zou zijn als in onzen tijd. Maar wel mag men aannemen, dat het natuurgevoel verre van onvermengd was in den man, die dit liefelijke, zedige bloempje zulk een onsmakelijken kringloop liet volbrengen om daardoor de wijsheid des Scheppers aan te toonen.

 1)  Ik weet wel, dat S. katholiek gebleven is. Dit feit zou aanleiding kunnen geven tot de opmerking, dat ik hem niet mag aanhalen, nadat ik 80-jarigen oorlog en Kalvinisme genoemd heb onder de oorzaken der scherpere afscheiding tusschen Noord- en Zuidnederland. Maar men vergete niet, dat S. behalve katholiek (die hervorming in de kerk wenschelijk achtte) ook Humanist, man van den nieuweren tijd en echt Noordnederlander was. Ik meen daarom recht te hebben zijne zienswijze tegenover de middeleeuwsche te plaatsen.
 2)  Vgl. o.a. den aanvang van het 2e, 4e, 5e, 7e boek en passim.
 3)  d.i. mest.


[p. 688]

De wandelaar in den Aardenhout, de Vlaardingsche visscher en Hendrik Laurensz. Spieghel gevoelden m.i. niet anders dan velen hunner tijdgenooten. Treft men dan in de 17e eeuw geen zin voor natuurschoon, geene waardeering der natuurschoonheid aan? Niemand, die slechts oppervlakkig bekend is met onze dichters en schilders zal dat beweren. Wie zou dien zin en die waardeering niet gaarne erkennen in het beroemde ‘Aendachtigh Liedt’ van Breêroo ‘'t Sonnetjen steeckt syn hoofdjen op’? Wie zal niet toegeven, dat ook Hooft zijn ‘hayryck Gooilandt’ lief had, dat hij genoot, wanneer het windje door elzetakken en ‘leuterigh riet’ speelde of oog had voor de rivier ‘die met tragen stroom tusschen weelderige akkers en altijdgroene velden glijdt en tot spiegel strekt voor de lage boomen aan zijn grazigen oever’. En dat de dichterlijkste onzer dichters, dat Vondel de natuur liefhad, blijkt overal in den rijken schat zijner werken. In de liefelijke schildering van den morgenstond in den Palamedes, in de bevallige tooneeltjes uit de Leeuwendalers, in zijn Rijnstroom, zijne beekzangen en op tal van andere plaatsen. Niet het minst in zijne liefde tot de vogels, die men hier en daar zoo duidelijk kan waarnemen. Hij verstond ‘wat het vroolijk vogelkijn zong, dat in den boomgaard zat’ en zal in de Amsterdamsche keienzee dikwijls gesmacht hebben naar de ruischende eiken van het buiten der Hinlopens en naar de vijvers, bosschen en groene tuinen van het liefelijk Scheibeek. Dat Ruysdael, Hobbema, Wynants, Jan van Goyen en zoovele anderen de natuur moeten hebben lief gehad en begrepen, zal evenmin iemand ontkennen.

Maar dit alles kan den bewijsstukken, die ik eerst te berde heb gebracht, hunne kracht niet ontnemen; deze toch zijn even goed openbaringen van den Nederlandschen geest en in verband met andere zaken geven zij mij de overtuiging, dat het levendige natuurgevoel en de opgewekte zin voor het natuurleven, die in de middeleeuwen aan Noord en Zuid eigen waren, bij de meeste Noordnederlanders der 17e eeuw voor een deel werden verdrongen door hunnen overheerschenden zin voor het nuttige en het praktische.

[p. 689]

In de middeleeuwen gevoelde de mensch zich meer als een deel der hem omringende natuur en als zoodanig genoot hij van het samenzijn met haar. In den nieuweren tijd veranderde dat; hij genoot van de natuur, maar niet meer zoo onbevangen en onbewust als vroeger, hij nam haar daarentegen scherper waar, was zich bewust van de indrukken, die hij ontving en wist deze beter te onderscheiden, te verklaren en weer te geven.

Ik heb slechts op een paar punten gewezen, waarin m.i. de Noordnederlander der 17e eeuw afweek van het algemeen Nederlandsche type der middeneeuwen. Het bestek van dit boek laat niet toe die vergelijking verder voort te zetten, maar in hoofdzaak kan men, naar ik geloof, dit vaststellen: het is eene bijdrage tot de kennis van het karakter onzer 17e eeuwsche voorouders, dat de oude liederen hen niet meer konden bevredigen.

Tot verhalen uit de ridderwereld konden de vrije burgers eener machtige republiek zich niet in de eerste plaats aangetrokken gevoelen, vooral niet, daar deze verhalende liederen in zoo eenvoudigen, onopgesmukten stijl gesteld waren; ook kan het zedelijkheidsgevoel van velen beleedigd zijn geworden door de in hun oog zedelooze toestanden, die daar voorkwamen. De oudere minneliederen zullen hen te sentimenteel zijn geweest (altijd, zoo ze in dien tijd nog bekend waren, wat ik betwijfel) en de liederen aan huiselijk en maatschappelijk leven ontleend waren niet meer toepasselijk op hunnen tijd. Ook mag men een gewichtigen factor - de voorliefde voor alles, wat nieuw was - niet buiten rekening laten.

Duidelijk blijkt ons dat haken naar het nieuwe in het voorbericht van een 17e eeuwsch liederboek. De uitgever zegt daar tot de Haarlemsche ‘nymphjes’: ‘ende voorts lettende op U.E. affectie, die ghy altydt draghende zyt in de liefde der nieuwe voysjes, soo heb ick verscheyden nieuwe wysjes met veel nieuwe Deuntjes......’ enz. 1)  . En in het bekende Haarlemsch Oud Liedboek lezen wij eveneens: ‘Men siet de Jeugt doorgaens

 1)  Zie: Sparens Vreugden-Bron (1646) IIe Deel.


[p. 690]

begeerig na spick-spelder nieuwe Deuntjes, daer door de oude niet alleen uit gedachten geraken, maer oock uyt de Liedt-Boecken in het herdrucken gelaeten worden.....’ 1)  .

Maar welke veranderingen ook in het volkskarakter mochten gekomen zijn, dat volk was welvarend en levenslustig en wilde zijne liederen hebben. En die werden hen dan ook in overvloed geschonken. Ik zal trachten in hoofdtrekken een beeld te schetsen van die liederen, welke de oude zangen - zoo al niet geheel, dan toch grootendeels - vervingen. Men moge daardoor een denkbeeld krijgen van de stoffen, welke men in de 17e eeuw gaarne in liederen bezong en tevens daardoor beter begrijpen, waarom de oude liederen niet meer aan de behoeften van den tijd konden voldoen.

Behalve de talrijke geestelijke liederen, waarover ik reeds met een enkel woord sprak, vindt men ook vele historische liederen, vooral in de volksliederboekjes, maar ook elders. Hunne dichterlijke waarde is gewoonlijk niet groot, al zijn er uitzonderingen. Voorts zijn er tallooze minne- en herdersliederen. Dikwijls bevatten deze slechts onschuldigen, onbeteekenenden minnekout, dikwijls ook zijn zij plat en vies. Verder treffen wij allerlei klassieke stoffen aan, tooneeltjes uit het volksleven, bruiloftsen drinkliedjes, kraamvisites, buurpraatjes, kermisliederen. Ook moraliseerende liederen als: vóór en tegen het huwelijk, over het goud, de gierigheid enz. Dan zijn er vele liederen van Hooft, Starter, Vondel, Breêroo, Krul en van een aantal mindere dichters 2)  . Eindelijk vindt men nog vele Fransche en sommige Duitsche, Engelsche en Italiaansche liederen.

Vooral in de minne- en herdersliederen blijkt, hoezeer het klassicisme onze letterkunde beheerschte en hoezeer mythologische opsmuk en ‘concetti’ tot het wezen der fatsoenlijke poëzie van

 1)  Aangehaald in het 2e Deel der H.B. XVIII.
 2)  Ik noem onder velen slechts: Stribee, Ooyevaer, Dubbels, Schellincx, Veerder (?) v. Asten, Ducens (?), Liever (A. Janssen) Nooseman, Serwouters, J. Soet, Wittenoom, Colevelt, v. Douselaer, Seep, Vlooswyck, le Bleu, Metael, D.P. Pers, R. Busschof, van Westbusch, Soeteboom. J.v. Veen, Dullaert, Fortuyn, Blasius, Catharina Questiers.


[p. 691]

die dagen behoorden. Zelfs in liederen voor visschers gedicht, door een visscher samengesteld lezen wij regels als:

 's Morgens als den alwaarden
 Zonne zyn rassche Paarden
 Al voor hem heene zend. 1)  

en uitdrukkingen als: ‘de brand van uwe slaven’ (tot een meisje), ‘Auroor met hare kaakjes rood’, ‘Titus (sic) schoot’, ‘Phebus wagen’ enz. 2)  . Men kan denken voor hoevelen dergelijke uitdrukkingen louter zinlooze klanken moeten zijn geweest. Met den voorraad ‘concetti’ en anderen opsmuk ons door de renaissance uit Italië en Frankrijk aangebracht moet het dikwijls evenzoo zij gegaan. Een vermakelijk maar krachtig bewijs daarvan vind ik in een lied, waar de dichter (of de uitgever) dergelijke uitdrukkingen vervangen heeft door andere ‘in margine’, die als verklaringen moesten dienen. Ongetwijfeld koesterde hij de rechtmatige vrees, dat de lezers en zangers het lied anders niet zouden begrijpen. En derhalve staat dit lied op deze wijze gedrukt:

 Ik (tot lieve lust getergt)
 Drukte duizendmaal de tippen
 Van het koralyn gebergt, +  
 Waar door alabaste klippen, +  
 Ambrozyne geurtjes slippen:
 Wyl myn hart in lusjes swom,
 Liet myn Dageraat de dekken
 Van haar zonnetjes +   vertrekken
 En riep vriend'lyk wellekom. 3)  

Het grootste deel der opgesomde liederen (ik zonder die onzer voorname dichters uit) heeft slechts eene middelmatige waarde, al zijn zij dikwijls los en vloeiend van stijl. Niet zelden treft men een bevallig lied aan, maar ook dikwijls liederen van eene buitengewone

 1)  Zie: Vlaardings Vissers Liedboek (c. 1670) I, 48.
 2)  Zie t.a.p. II, 27.
 +  lippen.
 +  tanden.
 +  ogen.
 3)  Vgl.: Pieter Dubbels' Helikon (1645) bl. 64. In den ‘Amsterdamzen Kordewagen’ (1662) bl. 138 evenzoo: ‘korale sluyse = lippen’ enz.


[p. 692]

platheid en viesheid. Dit weinige moge voldoende zijn om den lezer ten minste eenig denkbeeld dier poëzie te geven. Wenden wij ons nu weer tot de oude liederen.

Vergeten waren zij nog niet; dat blijkt weer uit de aanvangsregels, welke boven de 17e eeuwsche liederen geplaatst werden om de wijs er van aan te geven. In de geestelijke en wereldlijke liederboeken van dien tijd treft men nog altijd de aanvangsregels van oude liederen aan, maar reeds in veel mindere mate dan in de laatste helft der 16e eeuw en wederom in de laatste helft der 17e minder dan in de eerste. Mag men dus al aannemen, dat men die liederen nog kende, zij werden zeker toch zelden meer gezongen onder de gegoede standen en bleven voornamelijk bij het volk bewaard. De liederen van het Antwerpsche Liederboek worden dan ook zelden of nooit in de 17e eeuwsche liederverzamelingen opgenomen, al vindt men in sommige een enkel oud lied, dat niet in het Antwerpsche Liederboek is opgenomen. Het bevreemdt mij wel eenigszins, dat ook de verhalende liederen, die immers het best bekend waren, niet talrijker in de volksliederboekjes der 17e eeuw vertegenwoordigd zijn. Misschien achtte men het wegens de algemeene bekendheid onnoodig, misschien ook werden zij slechts op losse blaadjes gedrukt, die voor ons verloren zijn gegaan. Tweemaal werd eene poging aangewend om de oude liederen ook onder de gegoede standen weer in zwang te brengen en voor zoover men er over kan oordeelen, slaagde men wel in die onderneming. Omstreeks 1648 werd namelijk te Haarlem door Vincent Casteleyn een liederboek uitgegeven, waarin onder vele nieuwe, ook verscheidene oude liederen waren opgenomen 1)  .

Van de 107 liederen in deze verzameling behoorde een veertigtal tot lang verleden tijden 2)  . Dit liederboek moet opgang gemaakt

 1)  De titel dezer verzameling is: ‘Haerlems Oudt Liedtboeck inhoudende veele historiale ende Amoreuse liedekens oock Tafel Bruyloft ende Scheydtliedekens. Tot Haerlem by Vincent Casteleyn’ (z.j.). Waarschlk. dateert deze eerste druk van 1648. Men verg. daarover Dr. Ekama's Cat. van boeken en geschriften betrekking hebbende op Haarlem.
 2)  De meeste daarvan vermeldde ik reeds vroeger en verwijs daarvoor naar vroegere hoofdstukken, vooral naar dat over de verhalende liederen.


[p. 693]

hebben, gelijk ten duidelijkste blijkt uit het groote aantal drukken er van; in 1716 toch verscheen de 27e 1)  . Moet dit worden toegeschreven aan de opname der oude liederen? Ik durf het niet beslissen, maar onaangenaam kunnen zij den lezers en zangers dier dagen toch niet geweest zijn.

In eene andere verzameling van het laatst der 17e eeuw, het ‘Oud Amsterdamsch Liedboek’ werden eveneens vele oude liederen opgenomen, zooals men bij H. v. F. kan nagaan 2)   In beide gevallen werd eene poging gedaan, die niet geheel mislukte. Moge men over het algemeen de voorkeur hebben gegeven aan andere liederen, men behoeft daarom niet afkeerig geweest te zijn van die oudere zangen, welke men misschien beschouwde als niet onaardige ‘antiquiteiten,’ die men wel in één bundel bijeen wilde hebben. Want gelijk ik reeds opmerkte komen ze nergens anders voor, worden hunne aanvangsregels in vergelijking met die van andere liederen slechts zelden onder de ‘wijzen’ waargenomen en wordt er niet dikwijls over gesproken. Tot de geliefkoosde liederen, welke in de 17e eeuw onder de gegoede standen gezongen werden, behoorden zij zeker niet.

Toch bleven zij niet zonder invloed op de letterkunde dier eeuw. Nu eens worden wij rechtstreeks aan een oud lied herinnerd, dan weer kunnen wij in een 17e eeuwsch lied nagaan, dat een oud lied den dichter voor den geest moet hebben gezweefd en elders komen weer enkele klanken uit vroegere tijden tot ons over, die altegader bewijzen, dat de invloed der oude liederen zich nog deed gelden. Vooral de 17e eeuwsche kluchtspelen zijn ons hier van nut. In die stukken is nog menig oud lied te vinden, dat blijkbaar aan een ieder bekend was. Zoo lezen wij in de klucht van ‘Lichte Wigger 3)  :’

 1)  Zie: H.B. II, XVIII.
 2)  Ik heb dit liederboek zelf niet in handen kunnen krijgen en verwijs dus voor verdere inlichtingen naar H.B. II, XVII, XVIII en passim (bij verschillende oude liederen).
 3)  De komische letterkunde der 17e eeuw is zoo rijk, dat ik mij tot de bekende bloemlezing van dr. van Vloten (Het Nederlandsche Kluchtspel) heb moeten beperken. Er schuilt in dezen tak onzer letterkunde zeker nog wel meer van dien aard.
De aangehaalde regels vindt men aldaar II, bl. 68.


[p. 694]

 Sing op de bruits suster, daer's de kan in jou hand,
 Een nieu lietje van den ouwen Hillebrant,
 Off wat aêrs, wat je wilt......

In de klucht van ‘Lichthartige Joosje 1)  ’ zingt deze met zijn drinkgezel Kees het lied ‘van ien soo loosen boerman, Die der syn vroutjen in dolen liet.’ Elders zingt ‘Gerritje de ketelboeter’

 Het sou een kuypertje kuypen
 Soo veer in genen lant,
 Hy vanter niet te kuypen,
 Van hey soo hey
 Dan een ôu turrifmant.

dat, gelijk uit het Duitsch blijkt, een oud lied moet zijn 2)  .

In de ‘Klucht van de Oneenige Trouw’ zingt eene vrouw aan haar spinnewiel zittende:

 Och moeder, zey sy moeder,
 Sy moeten myn geven raet;
 Myn volght noch alle dagen,
 Rampiere koele messe,
 Seuve, negen dikke duytse dolle,
 En korte geweere,
 Soo hupsen lantsknecht nae.

Blijkbaar zijn deze regels eene verbastering van een 16e eeuwsch lied, dat ik vroeger vermeldde 3)  . In de ‘Klucht van Kees Louwen ofte den geschoren boer’ zingt deze het lied ‘van den Frieseman’ en maakt later eene toespeling op het lied ‘van Gerrit van Raephorst 4)  .’ Ook het lied ‘van Gerrit van Velsen’ wordt gezongen in de ‘Klucht van Krijn Onverstant of Vrouwen-Parlament 5)  .’ In een dichtstuk van het midden der 17e eeuw

 1)  T.a.p. II, 136.
 2)  T.a.p. II, 172. Men vindt het naar alle waarschijnlijkheid overeenkomstige lied bij Böhme (no. 477-478).
 Ez fuor ein büttenaere
 vil verre in fremdiu lant enz.
 3)  Zie t.a.p. II, 188 en in dit boek bl. 391.
 4)  T.a.p. III bl. 11 en 12.
 5)  T.a.p. III, 108.


[p. 695]

leest men o.a.;

 ... hoe den ouden Hillebrant
 Trock weder in syn eygen landt
 En hoe hy daer syn eenich kindt
 Syn eygen soon ter heyden vindt 1)  .

En datzelfde bekende lied werd door een 17e eeuwsch Amsterdammer, M.P. Voskuyl, verwerkt tot een ‘bly- einde spel op den Regel: Om veel te versoecken vaeck elck wel gemoet is, doch eyndelyck pooght yder weer te zyn, daer hy gebroet is 2)  .’ Dat ook het lied ‘van twee Koningskinderen’ in de 17e eeuw niet vergeten was, blijkt uit het volgende. In den ‘Amsterdamschen Pegasus’ (1627) treffen wij een viertal liederen aan, waarin de geschiedenis van Hero en Leander wordt bezongen 3)  .

In die liederen is duidelijk te bemerken, dat het middeleeuwsche lied der ‘twee conincskinderen’ den dichter voor den geest zweefde. Zoo zegt de visscher tot Hero:

 Hoe nu, wat wil dit wesen? ach edel koninckskint
 Het kriecken van den dage maer even eerst begint,

en Hero antwoordt:

 Heeft u (mijn vaders visscher) pas over midder nacht
 De wint een droevigh kermen niet herwaerts aengebracht.

In het oude lied lezen wij herhaaldelijk ‘myn vaders visscherkyn,’ ‘myn vaders visscher’ enz.

Zoo lees ik in het 17e eeuwsche liederboek in Hero's ‘lyckklacht’ de woorden:

 Och montje kost ghy spreken, met eene bevall'ge vont,
 Ghelyck ghy placht voor desen, ach waert ghy doch ghesont!

en in het oude lied:

 1)  Zie ‘Deughdenspoor’ van Pieter Baardt bl. 39 aangehaald in het Belgisch Museum VIII, 462.
 2)  Amsterdam 1663.
 3)  Ald. bl. 166-175. Een dezer liederen werd gezongen op de stemme: ‘Het daghet inden Oosten.’


[p. 696]

 Och mondelinc, cost ghi spreken!
 Och hertje, waart ghyder ghesont!

In het liederboek:

 Vaert wel vader en moeder, ghy haters van ons min

en in het lied zelf:

 Adieu myn vader en moeder
 Myn vriendekens alle ghelyc.

Mij dunkt, dat mijne bewering geene verdere toelichting behoeft. In een ander 17e eeuwsch liederboek 1)   noemt een minnaar zijne liefste: ‘myn daget uit den Oost.’

 Myn daget uit den Oost,
 Slaat Lammert oom niet heel of.

Elders 2)   vind ik in een volksliederboekje ‘Een Nieuw vermaekelijk Liedt van een Bedelaer en een Koopmans Vrouw tot Amsterdam. Stem: De Hondt sit achter de Haes.’ Blijkbaar dacht de maker van dit lied aan verhalen, als die welke men in het tweede deel der Hor. Belg. no. 51 en no. 46 aantreft. Vooral het laatste lied moet hij gekend hebben, want sommige regels van het zijne vindt men daar terug, terwijl ook de inhoud der beide liederen in hoofdzaak overeenkomt. Ook hier vraagt de bedelaar om brood, evenals men in het oude lied leest:

 In alle so corten wilen
 So quam daer een calis om broot.

En zoo leest men vrij wel gelijkluidende regels als:


V. Buysman. H.B. II no. 46, 3.
Ik heb u niet te geven Ic heb jou niet te gheven,
Sprak daer het vrouwtje fyn Sprac daer dat vrouwetjen fyn.

 

en:

 1)  P. Dubbels' Helikon (1645) bl. 48.
 2)  ‘De vermakelijke Buysman’. De 9e druk is van 1703. De overige drukken behooren dus zeker tot de 17e eeuw.


[p. 697]


Het vrouwtjen dat gink vooren Si ghinc naer haer slaepcamer,
De Bedelaer volgde naer. De lantscnecht volchde haer naer;

 

Levendig worden wij ook aan den geest der oude liederen herinnerd door een lied, dat wel der mededeeling waard is.

Ik vond het in het H.O.L. bl. 9 en neem het daaruit hier over.

 
 Stem: O scheyden, bitter scheyden.
 Int dichtste van de linde op een hups slotelyn
 So veer aen gheen groen heyde plag Rosemond te zyn;
 Langst d'oever van een beeckje wast dat zy nam haer gangh,
 En songh van reyner minne soo menighen soeten sangh.
  
 Het beeckjen, dat zyu armen rontsom het slootjen schiet,
 Versuymde naer te stroomen en luysterde nae 't liedt,
 De Nachtegael, die 't bosjen met zijn geslacht bewoont,
 Heeft nergens meer met singen als daer zyn konst getoont.
  
 De winden sweghen stille op 't hemelsche gheluyt,
 Mits repte tac noch lover, noch bloem, noch eenig kruyt;
 Waer zyn nu dichte linden, of beeck, of slotelyn,
 Of vogel of groen heyde, daer Rosemond mocht zyn?
  
 'k Hoor slechts de felle winden, min nu als dan beleeft,
 Die roeren locht en water, dat schip en schipper beeft,
 Die wentelen mijn scheepje en kaetsent als een bal,
 En weynigh weet de liefste, waer ick vervaren sal.

Blijkbaar werd dit lied onder den invloed der oude liederen gedicht. Het slotelyn dat ver op de groene heide tusschen de linden ligt, met de rivier, die het omstroomt en de nachtegaal, die er nestelt en dat in het vervolg van het lied plotseling verdwenen schijnt te zijn, herinnert levendig aan het wonderbare slot in Oostenrijc, waarover wij vroeger spraken 1)  , aan den boomgaard, die voor elk gesloten was en daar niemand dan de fiere nachtegaal vrijen toegang had en aan de ook in de oude liederen zoo talrijk voorkomende linden, waarin nachtegalen zingen. Ook zweefden den dichter bij den laatsten regel ongetwijfeld de bekende regels uit ‘het daghet inden Oosten’ voor den geest:

 1)  Zie bl. 362.


[p. 698]

 hoe luttel weet myn liefken
 Och waer ic henen sal.

Hetzelfde lied vond ik ook in een ander liedboek uit dezen zelfden tijd 1)  ; het is daar onderteekend met den naam: Brosterhuizen. Waarschijnlijk is dit dezelfde, die zoo verlangend was naar het uitkomen van Huygens' gedichten en die daarom door den schertsgragen Constantijn een beetje in de maling genomen werd in het vroolijke stukje:

 Waerom gaept ghy, Brosterhuysen
 Als de waterlandsche sluysen
 Naer een vingerhoed vol nats
      enz. 2)  

Zoo hij de dichter is van dit welluidende, zangerige lied, dan moet het ons leed doen, niet meer van hem over te hebben. Men kan het echter nog niet voor zeker houden, dat hij werkelijk de maker is. In het H.O.L. draagt het lied geene onderteekening; in ‘Sparens Vreughden-Bron’ wordt hij als de dichter genoemd. Het eerste feit bewijst niets tegen het auteurschap van Brosterhuyzen, want ook liederen van Hooft, Vondel, Starter, Breêroo e.a. zijn soms zonder de namen der dichters in verschillende liedboeken opgenomen. Het tweede feit maakt dat auteurschap wel zeer waarschijnlijk doch niet zeker, want het gebeurt ook, dat b.v. een lied van Hooft, op naam van Anna Roemers gesteld is 3)  .

Eene herinnering aan de liederen der gildekens vind ik (in het H.O.L. bl. 81) in een ‘Klaeghliedt van de Qua-neeringh. Stem: van den Gardiaen. Het is het Klaaglied van een Sparendamsch wever over de vermindering der loonen. Zoo zegt hij o.a.

 1)  ‘Sparens Vreughden-Bron’ (1646 II, bl. 12. Op de wyse van ‘Het daegden uyt den Oosten.’
 2)  Koren-Bloemen, t'Amstelredam, by Johannes v. Ravesteyn 1672 I, 469.
 3)  In de ‘Haerlemsche Duyn-Vreucht etc.’ door C.P. van Westbusch. Tot Haerlem Ghedruckt by Thomas Fonteyn.... (Anno 1636.) 9e druk (1648) bl. 31. Stem: Rosemond hoort ghy spelen enz. ‘Amaril had ick hayr uyt enz.’


[p. 699]

 Waer ick eeus ryck........
 ...............
 In stee van Paerdeboonen,
 Dan mocht ic eten ham, ick wou te Sparendam
 Niet langher blijven wonen.

Vooral deze zijne laatste woorden herinneren ons aan de gildekens.

 Oorlof hiermee voor een besluyt,
 Wy moeten al vergaren
 In 't schuytjen van Sinte Reynuyt
 Om nae Kalis te varen,
 Myn heer van Bystervelt, sal ons nu voor 't gewelt
 Van Bacchus wel bewaren.

Andere voorbeelden leveren ons een paar 17e eeuwsche kluchten. Zoo zingt een dronken boer: ‘op de wyze: wy willen noch t' avont ons schonken doen rooken.’

 Ick wilder noch 't avont myn buyckjen vol drincken,
 Al soud 'ick geldeloos thuyswaert hincken,
 Hier buyten der stadt,
 En vollen het buyckjen ut dit soet kruyckjen
 Van 't Delfsche nat.
  
 Van herten moet ick er meer vreuchden bedryven,
 Al soude myn broeck en paltrock blyven,
 Non fortse wie leeft;
 Dus moet men dan veghen het bierken te deghen.
 So langhe men 't heeft 1)  .

En in eene klucht van denzelfden schrijver (G. Hz. van Breughel) waar ons een gezelschap van ‘twee soldaten, een oude boer met een jonge boerin zyn wyff, ende een aerdige waerdin’ ter taveerne gezeten wordt voorgesteld, zingt het ‘weerdinneken:’ ‘op de wyse: Soudt men die edele gilden, Niet dienen om haar geldt’ de volgende regels:

 Ghy gilden vol geneuchden
 Die veel te biere gaet,
 1)  T.a.p. II, 14. Ik heb deze strofe geplaatst in twee helften en de regels eenigszins anders verdeeld, waardoor m.i. de oorspronkelijke vorm beter uitkomt.


[p. 700]

 
 Gheniet ghy duysent vreuchden
 Van nonkens delicaet,
 Draecht niet als die ondeuchden
 Daer roem aff over straet 1)  .

Aan de ‘dageliederen’ herinneren ons strofen als de volgende, welke in een volksliederboek van 1681 voorkomen:

 Ryst wt den slaep schoon Herderin!
 Aurora, die komt ons ontwecken,
 Ryst wt den slaep, myn schoon vriendin,
 Wy moeten saem in 't veldt gaen trecken

en verder:

 Ach Coridon, waer wilt ghy gaen?
 Ick sie de lucht is noch vol sterren;
 Wat maeckt ghy soo vroech op de baen?
 Want den dagh is noch veel te verre 2)  .

en in een ander lezen wij:

 Laten wy eens samen gaan
 Al onder dese groene Linde

en

 Souden wy treden
 Door het nat bedaude gras? 3)  

En in dien trant is er meer te noemen, dat aan de oude liederen herinnert en aantoont, dat zij niet zonder invloed zijn gebleven ook op de volkspoëzie, waarvan zij trouwens in dezen tijd nog deel uitmaakten.

En welke was de verhouding onzer voorname dichters tegenover de oude liederen?

Dat mannen als Coornhert, Spieghel, R. Visscher en anderen ze moeten gekend hebben, is duidelijk ook zonder betoog.

Immers zij, vooral Coornhert, hadden ze in hunne jeugd dikwijls hooren zingen, waarschijnlijk wel meegezongen. In Coornherts

 1)  T.a.p. bl. 17.
 2)  Nieuwe Princesse Lietboeck, bl. 24.
 3)  't Haagse Lap-Mantje etc (c. 1660-70?) bl. 48.


[p. 701]

Liedboek treft men dan ook verschillende liederen aan, die gesteld zijn op wijzen als: ‘Het waren twee ghespeelkens goet,’ ‘Een out Man sprack een Meysken aen,’ ‘Hoe luyde sanck de Leeraer opter Tinnen,’ ‘Het was een klercxken dat ghing ter scolen.’ En in zijne ‘Wellevenskunst’ lezen wij: ‘Reeds de Ouden verstonden, dat de Liefde een reine, de Min een onkuische tocht des herten is. Dezelfde opvatting heerscht in oude neêrlandsche gedichten en liedekens’ 1)  . En Spieghel spreekt in het 4e boek van den ‘Hertspieghel’ over het lied ‘Van den boerman’ op eene wijze, die toont hoe algemeen bekend dit lied was 2)  . De dichter wil de menschen er toe overhalen steeds hun verstand te gebruiken en geene zaken te doen, waarover zij spoedig berouw zouden krijgen en hij zegt dan:

 Wat heerscht in u? zegt mensch, wat isser aars als reden,
 Of reenberaads besluyt? dat recht zich na 't verstand.
 Want valter wat te doen, dit is terstond ter hand,
 Stiert u besluyt, en heet u iet te doen of laten.
 Is dat nu recht of valsch, ghegrond of uyter maten?
 Z'ist 3)   werk òf nut òf 't quetst op 's boermans domme zin,
 Zo voer hy dolkens voort: so schaft hy zyn gewin:
 Al vilt scha onder-haud: doe anderd hy van zinne,
 't Docht hem doe by zyn wyf zo zoet als opter tinnen.

En een eindje verder nog eens: 4)  

 Wat port den dommen boer te waghen ros en waghen?
 Wast onbedwinglikheid? of wast zyn groot behaghen
 In Joffermin?

Blijkbaar onderstelt Spieghel, dat elk het lied kende en zeker niet ten onrechte. Ook zijn een paar zijner liederen gesteld op oude wijzen als: ‘Aenhoort al myn geclach 5)  ’ en ‘Het was een klercxken.’

Maar ook zij, die een geslacht jonger waren dan Spieghel en

 1)  Dirck Volckertsen Coornhert en zijne Wellevenskunst door Dr. J. ten Brink bl. 9.
 2)  T.a.p. vs. 302.
 3)  Zoo ist.
 4)  T.a.p. vs. 349.
 5)  Komt reeds in 1540 voor. Zie H.B. II, XXII.


[p. 702]

Roemer Visscher, onze groote dichters der 17e eeuw, hebben de oude liederen gekend. En wie zou ze wel beter gekend hebben dan de geniale Breêroo? Hij, die ons volk, vooral den kleinen burgerstand en de laagste standen overal had waargenomen en die hen zoo goed begreep. Breêroo moet nog vele oude liederen hebben opgevangen van straatjongens, als Constant en Joosje, die hij beluisterde, van de boeren ten platten lande, wier feesten hij bijwoonde, in de achterbuurten, waar Robbeknol thuis hoorde, van het ‘klootjes-volck’ dat hij bij naam en toenaam kende, op drinkgelagen van schutters, op de ochtendmarkten te Amsterdam, in kroegen als die van Giertje van Vrieslandt ‘in het Zwarte Paerd’, en in de bordeelen, waar Tryn Jans en Bleecke An hunne nering dreven.

Verschillende zijner liederen zijn dan ook gesteld op wijzen als: ‘Het daghet inden Oosten’, ‘Nachtegael kleyn wilt vogelken’, ‘Hansje sneedt dat kooren was langh’.

Maar ook elders in zijne werken blijkt, hoezeer hij vertrouwd was met die liederen, waarvoor hij ook zeker sympathie zal hebben gevoeld.

Zoo zinspeelt hij blijkbaar op een bekend lied in zijne Klucht van de koe. De domme boer, die door een gauwdief is overgehaald zijne eigene koe buiten zijn weten te verkoopen, komt met den ontvangen koopprijs terug in de herberg ‘het Zwarte Paard’. De gauwdief zit hem daar in gezelschap van ‘Joosje d'Optrecker’ en de waardin, het ‘goelycke Giertje’ op te wachten. Zoodra de dief het geld in handen heeft, zegt hij tot Giertje:

 ‘Waerdinnetje, ick hebt, daer icket me betalen sel.

en zich tot den boer wendende:

 Laet ons nou een reys: ‘Wie wil hooren singhen van vreughden een nieuw Liedt
 Van een soo loosen boerman’, wel hy, en ken gy dat niet?

Maar de boer heeft geen lust tot zingen; het is hem nog te vroeg.



[p. 703]

Eene andere vermelding van een oud lied treffen wij aan in den ‘Stommen Ridder’. Het is in het tooneel, waarin Aerdige aan den steeds zwijgenden Palmeryn hare liefde verklaart; zij gaat hem daarna vóór in het paleis en ‘Amoureusje’ dat ziende haalt spottend de regels van een oud lied aan, zeggende:

 ‘De vrou ging na haer kamer, de Lantsknecht volghde na’ 1)  .

Indien die regel niet aan een algemeen bekend lied ontleend ware, dan zou de aardigheid haar doel gemist hebben en daarvoor kende Breêroo zijn volkje te goed. Van een ander lied, dat ongelukkig niet tot ons is gekomen, wordt melding gemaakt in den ‘Spaenschen Brabander’. Jerolimo is in minnelijk onderhoud met de twee lichtekooien en wij hooren hem zeggen:

 'k He daer een nieuw lieken, maer 't is my wat te hoogh.
      An
 Ey lieve, laet eens zien, of wy er wys op vonden.
 ...................
      (Sy singhen: Betteken voer na Maryemont.)

Het is natuurlijk niet zeker, dat wij ook hier een 16e eeuwsch lied voor ons hebben, maar ik zou het toch wel denken; Breêroo zal waarschijnlijk wel een ‘oudt liedeken’ hebben gekozen 2)  . Ook verwerkte hij nog de romance ‘het daghet inden Oosten’ tot het treurspel van denzelfden naam. Hierin schoot hij echter te kort. Hoffmann von F. heeft zeker gelijk, waar hij beweert, dat Breêroo het schoone lied niet begreep en het op prozaïsche wijze opvatte 3)  .

Het ‘meisken’ uit het oude lied heeft in Breêroo's stuk een naam (Margariet) en bovendien een slechten naam; zij houdt er

 1)  Vgl. Hor. Belg. II no. 46, 5:
 Si ghinc naer haer slaep camer
 De Lantscnecht volchde haer naer.
 2)  De Sp. Brab. werd in 1617 voltooid; het stuk moest echter niet den tijd van Breêroo ‘maar eenen vroegeren, eenen ten minste twintig of meer jaren verledenen, voorstellen’. (Zie de uitgave van Verwijs. Inl. XXII.) Het lied kan dus zeer wel tot de 16e eeuw behooren.
 3)  H.B. II bl. 68.


[p. 704]

ten minste vier minnaars op na en aan twee er van verleent zij de meest mogelijke vrijheid. Daarop volgt eene uitdaging en een gevecht tusschen die twee enz. Uit dit stuk blijkt m.i. voldoende, dat onze geniale blijspeldichter niet voor deze taak berekend was, maar juist dat feit bevestigt, wat ik vroeger reeds beweerde, dat nl. de oude liederen niet meer voor de 17e eeuw pasten. Breêroo had niet Breêroo moeten zijn, indien hij dit fijnbewerkte lied met zijne herinneringen aan het hoofsche ridderwezen had kunnen vatten en waardeeren. Daarvoor was hij te nuchter, te weinig fijngevoelig, te weinig beschaafd van geest. En zooals hem moet het velen zijn gegaan; vooral de ridderromances konden door de Noordnederlandsche burgers, hoevele uitnemende eigenschappen zij ook mochten hebben, niet meer begrepen worden.

In de klucht ‘van Symen sonder soetigheydt’ vinden wij nog melding gemaakt van een blijkbaar oud lied, dat ongelukkig voor ons verloren is gegaan, gelijk zoovele andere.

Terwijl de zuinige Symen bezig is zijn huisraad te poetsen en te schuren, zegt hij:

 Nou ick mach een Lietje singhen, dat ick lierde in myn jonghe jeucht:
 Het gingher ien Meysje dolen onder de Lynde, Het ginger enz.
 Soo langh maer datse swaer was, heer ionck heer,
 Soo langh maer datse swaer was met kynde.

De aangehaalde voorbeelden toonen, dunkt mij, voldoende, hoezeer Breêroo met de oude liederen vertrouwd was. De aan het ridderwezen ontleende, verhalende liederen moge hij niet altijd gevat hebben, de overige zeker wel en hij bewijst dat ten duidelijkste door zijne eigene liederen, waarin nu eens een feest van boersche gildekens geschilderd, dan weer een schuttersdrinkgelag beschreven wordt, waar oude mannen en oude bestjes vergeefsche aanzoeken doen bij jonge meisjes en jonggezellen, waar dikwijls een minnend paar in samenspraak voor ons oog wordt gebracht of twee gespelen elkander vertrouwelijke mededeelingen doen en waaronder ten slotte zoo menig gevoelvol, bevallig minnelied gevonden wordt. Vele zijner liederen verdienen

[p. 705]

dan ook eene plaats nevens de goede liederen van dien aard uit vroegeren tijd.

Een tweede dichter, bij wien men kennis der oude liederen zou verwachten is Starter.

Hij toch was met Breêroo een onzer beste liederdichters en in veel opzichten een geestverwant van dezen; en toch zal men zich in die verwachting bedrogen zien. Ik ten minste heb in den ‘Frieschen Lusthof’ niets kunnen vinden, dat mij ook maar in de verte aan de oude liederen herinnerde. Men moet hierbij echter wel in aanmerking nemen, dat Starter van Engelsche afkomst was en eerst in den aanvang der 17e eeuw in ons land kwam. Hij zal toen wel niet zoo spoedig vertrouwd zijn geraakt met de oude liederen, welke in die dagen nog werden gezongen. Verder vertrok hij reeds spoedig naar Friesland, waar men de oude liederen gedeeltelijk ook wel gekend zal hebben, maar waar ze toch zeker niet zoo algemeen bekend waren als in Holland en andere provinciën.

Ondanks dit alles blijft het mij echter bevreemden geen zijner liederen op den aanvangsregel van een oud lied gesteld te vinden. Ook in zijne Kluchten rept hij er (voor zoover ik weet) nergens van.

Beter dan hij zal Coster met de oude liederen vertrouwd zijn geweest. Deze immers was evenals Breêroo een echt Amsterdammer. Als jongen kan hij veel gehoord en gezien hebben en zeker zal hij zich ook toen reeds ‘overal thuys’ gevoeld en zijne scherpe oogen dikwijls hebben laten rondgaan over Amsterdam's straten en grachten; op die omzwervingen moet hij nog menig lied hebben opgevangen. Welk eene juiste voorstelling hij had van de wijze, waarop vele liederen ontstonden, van volkszangers en volksdichters zagen wij reeds in een vroeger hoofdstuk. De klucht ‘van Teeuwis den Boer’ kan ons veel daaromtrent leeren. Verder putte hij de stof van twee zijner kluchten uit een paar oude verhalende liederen.

De zooeven genoemde klucht ‘van Teeuwis den Boer en Mejuffer van Grevelinckhuysen’ werd bewerkt naar het reeds door

[p. 706]

ons behandelde lied ‘Van den Boerman’ en het spel ‘Van Tiisken van der Schilden’ naar de romance van dien naam voorkomende in het Antwerpsche Liederboek. Indien men die beide stukken vergelijkt, dan moet het elk in het oog springen, dat het eene als kunstwerk boven het andere staat. De klucht van Teeuwis den Boer is een stuk waar het frissche leven in tintelt en met uitnemend geschilderde karakters. Hoe voortreffelijk komt de looze boer in zijn platten eenvoud uit tegenover den verwaanden, belachelijken Jonker van Grevelinckhuysen! Zelfs Breêroo zou Coster deze schildering niet verbeterd hebben. En hoe goed zijn ook de overige personen uit deze omgeving getroffen: de fiksche Anne Wane Wouters, die ‘de kaes met wanten wringt’; de dartele Juffer van Grevelinckhuysen, en hare welbespraakte kamenier Bely, de slimme advocaat Meester Bartelt en de vroolijke Jan Soetelaar, Kryn de knecht, Keesjen, de bedelaars, kortom allen zijn naar het leven geteekend.

Zeker - ook het stuk van Tiisken van der Schilden heeft verdiensten, maar hoeveel minder dan het eerstgenoemde stuk.

De hoofdpersoon zelf is nevelachtig. Hij is half rooverkapitein, half oplichter en een persoon, voor wien men (ik ten minste) bezwaarlijk eenige sympathie kan koesteren. Hij bedriegt eene waardin voor een paar vaantjes bier, een waard ontsteelt hij een paar kolfstokken en loopt weg zonder zijne vertering te betalen. De verhouding tot zijne vrouw is niet recht duidelijk, maar zeker weinig aantrekkelijk; ook noemt ‘vrou Onbescheyts’ de waardin hem een ‘bordeelbrock’. Hij laat zich ten slotte op onnoozele wijze door een boer bedriegen. Deze weet hem zijn degen te ontfutselen en de roover wordt door gerechtsdienaars gevangen genomen; van een strijd bij die gelegenheid vernemen wij niets. Dat alles is niet geschikt om eenige sympathie voor hem op te wekken. En dat was toch waarlijk niet onmogelijk. Of zou men die in zekere mate niet mogen koesteren voor Robin Hood, Jack Sheppard, Rinaldo Rinaldini, Cartouche en welke ridderlijke roovers ooit de harten beurtelings met schrik en bewondering hebben vervuld? Maar aan de stof schortte het niet.

[p. 707]

Het oude lied in het Antwerpsche Liederboek geeft ons ook geene scherp geteekende gestalten; integendeel - Thysken van der Schilden en zijne liefste zijn bijna als bladen onbeschreven papier, maar Coster had er heel wat op kunnen schrijven. De toestanden in het lied zijn slechts in losse omtrekken aangegeven, maar toch was er, dunkt mij, meer te maken geweest van den adellijken roover en zijne liefste, die op de tinnen ligt uit te zien naar de terugkeerende bende en na de noodlottige tijding fluks haar paard doet zadelen en naar het hooge huis te Delder rijdt. En het lied had licht nog een anderen indruk kunnen te weeg brengen dan dien, welke op het titelblad van Coster's stuk is weergegeven in het huisbakkene ‘spreeckwoordt’:

 Luy, Lecker en veel te meughen
 Dat zyn drie dinghen, die niet en deughen.

Dat alles had aldus kunnen zijn, indien Coster niet de man geweest ware, die hij was: echt Noordnederlander en kind der 17e eeuw, voor wien het ridderwezen en wat er mede samenhing vrij wel een gesloten boek was. Coster strandde in de bewerking van dit stuk op dezelfde klip als Breêroo in de bewerking van ‘Het daghet inden Oosten’ ook al kwam hier niet zooveel fijn gevoel te pas. Een uitnemend tooneel uit het volksleven schilderen - dat verstond de geestige dokter zoo goed als Teniers en Brouwer en Ostade en dat was niet het eenigste, maar eene ridderromance tot een goed stuk te verwerken, daarvoor miste hij de noodige vereischten. En hoe zouden deze ook te vinden zijn geweest in den zoon van een Hervormd timmerman, die aan den beeldenstorm te Amsterdam had deelgenomen en bij Heiligerlee in de gelederen der Geuzen had gestreden?

Zachtjes aan zijn wij in den Muiderkring geraakt. Zoo ergens, dan ware hier, op het ‘hooghe huys’ te Muiden, in de groote ridderzaal of in het ‘torentje’ in den boomgaard de plaats geweest, waar men de oude liederen had moeten hooren. Hoe gaarne zou men zich de bevallige Tesselschade voorstellen ‘het daghet in den Oosten’ of ‘Ic stont op hoghe berghen’ zingende.

[p. 708]

Maar daarvoor is toch zeer weinig grond. In den Muiderkring werden vele Fransche en Italiaansche liederen gezongen en ook wel Nederlandsche van Hooft zelf en anderen. Zoo lezen wij in een brief van Tesselschade aan den Drossaart: ‘Ondertusken soo send ik hier een drenckliettje van den eerwaerden P(h)oet Brosterhuyse ende het ander ‘van bestemoer’ is van myn geringheit, alsoe ick daertoe versoght wiert, om daerna op noeten gestelt te werden; wy sullen koomen hooren, hoe het Ue. al aenstaet’ 1)  .

Slechts éénmaal vond ik een oud lied vermeld.

In een brief van den bovengenoemden Brosterhuizen aan Huygens lezen wij nl.: ‘Morghen, op Sondagh, hoop ick naer Amsterdam te trecken en van daer nae Muyden....... De Juffrouwen Tesselschae en Francisca sittender al en quinckeleren “aen gheen groen heyde”’ 2)  . Waarschijnlijk is dit hetzelfde lied, waarop Huygens doelt in een brief aan Hooft van eenige jaren vroeger en dat ik straks zal bespreken. Mogelijk wordt er nog van een enkel ander oud lied melding gemaakt, maar de oogst zal, meen ik, gering zijn.

Toch kan de Drossaart zelf niet onkundig zijn geweest van het bestaan der oude liederen. Sommige zijner bevallige ‘sangen’ zijn gesteld op wijzen als: ‘De traentjes die sy weende’ 3)  , ‘Och legdy hier verslaghen’ 4)  , ‘Aenhoort doch myn geclach ghy Ruyters’ 5)  , maar veel meer zijn er toch niet; deze drie zijn de eenige, die ik vond. In Hooft's overige werken is echter meer, dat ons aan de oude liederen herinnert. Zoo heeft hij het volkslied over den moord van Floris V gekend en het gebruikt in zijn treurspel ‘Geraert van Velzen’; eene omwerking van die romance vindt men in de ‘Rey van Amstellandsche Jofferen’.

 1)  Vgl. P.C. Hooft's Brieven (Uitgave van v. Vloten) II, 318. Ik denk, dat de titel van het lied vervat is in de woorden, die ik tusschen aanhalingsteekens plaatste.
 2)  t.a.p. bl 323. (De brief van B. is van 1633.)
 3)  Ged. I, 104. (Uitg. v. Leendertz.) Dit is een regel uit een lied dat men o.a. vindt in de H.B. II, no. 73.
 4)  Ged. I, 45. Een regel uit: ‘Het daghet inden Oosten’, str. 6, 1.
 5)  Ged. I, 86. Zie: H.B. II, XXII. (1540.)


[p. 709]

Op zich zelf is deze reizang m.i. een schoon gedicht en des dichters taal en voorstelling blijven niet beneden het onderwerp. Trouwens, zoo iemand van onze dichters, dan ware de ridderlijke Drossaart met zijn hoog gevoel van eer en zijne neiging tot wat men in de middeneeuwen ‘hoveschede’ noemde, zoo iemand dan ware hij de man geweest om zijnen tijdgenooten een beteren blik op het ridderwezen te geven. Hooft heeft slechts de acht eerste strofen van het volkslied gebruikt en deze dijden in zijn ‘Rei’ tot achttien uit. Natuurlijk is het verhaal bij hem dan ook niet zoo uitsluitend hoofdzaak als bij den volksdichter: in de ‘Rei’ treedt de dichter zelf op den voorgrond, moraliseert van tijd tot tijd en maakt gevolgtrekkingen uit den loop der zaken, die hij verhaalt; in het volkslied daarentegen bemerken wij niets van den persoon des dichters, zooals dat in de romance past, en gaat het verhaal zonder door iets te worden afgebroken zijn snellen gang.

Ook Hooft's liederen doen mij hier en daar denken, dat hij de oude liederen gekend moet hebben. Zoo zien wij de uit het paleis ontvluchte prinses Granida zich bij het krieken van den dag naar het bosch begeven, waar zij den herder Daifilo bescheiden heeft. De dauw ligt nog op de frissche bloemen en de blozende rozen beginnen nog maar even uit hunne groene mantels te kijken. Tranen van vreugde bevochtigen de wangen der wachtende en vallen op de nog ongerepte kruidjes en het gras. Zoo staat zij daar onder de schaduwmilde boomen en smeekt de morgenster den geliefde met hare stralen te wekken en draagt daarna diezelfde bede voor aan de kleine zangers van het woud, aan den nachtegaal in de eerste plaats. ‘Vrolycke vogeltjens’ zoo spreekt zij ten slotte (want tot nu toe gaf ik de woorden terug, die Hooft haar in den mond legt)

 Vrolycke vogeltjens, die nu 't begint te dagen
 Met uytgelaten sang het stille woud ontrust,
 Ghy nachtegael voorheen, vlied ut de bootscap draghen,
 Dat hy sich haest, ick wacht alhier myn lieve lust.

Is ook hier de nachtegaal geen liefdesbode, gelijk in de oude

[p. 710]

liederen en draagt deze geheele samenkomst niet hetzelfde karakter als die in de oude liederen, welke wij vroeger besproken hebben? 1)  

Ook een door Hooft gedicht ‘dagelied’ herinnert ons aan die, welke wij vroeger behandelden. Het is dat fijne, fraaie lied, waar Galathea en heur minnaar den dageraad te hunner schade aan den hemel zien verschijnen 2)  . Elders staat de wachtende minnaar 's morgens voor Rozemond's venster en onder snarenspel klinkt het:

 Rozemont, hoordy speelen noch singen?
 Siet den daegheraedt op koomen dringen

of

 De Min met pricken van zyn strael
 Weckt op den fieren nachtegael.

Beide welluidende, bekoorlijke liederen schilderen toestanden, die men ook in de oude liederen aantreft 3)  . Een ander lied brengt ons weer de nachtelijke samenkomsten voor den geest, die ook vroeger niet zelden in een lied bezongen werden 4)  . Ook bij Hooft kan Venus, ‘die ieders hart in handen heeft’ bedeesden maagden moed geven en

 Dan leeren sy ten sachten bed utstyghen
 En in een ondersiel ten venster vaeren
      Op sang en snaren.
  
 Dan leeren sy, om d'oudelien te mompen,
 Haer voetjens setten, dat het niemandt luister
      Alleen by duister.
  
 Dan leeren sy ter sluick haer boel in laeten,
 En vloecken 't kraecken van de deur en trappen,
      Die 't willen klappen. 5)  
 1)  Vgl. in dit boek bl. 345.
 2)  Ged. I, 19.
 3)  Ged. I, 188 en 202 en hier bl. 290.
 4)  Vgl. bl. 432.
 5)  Ged. I, 168.


[p. 711]

Zoo treffen wij ook onder deze 17e eeuwsche minneliederen samenspraken 1)   tusschen twee gelieven aan in den trant der oude liederen en nog in 1621 zond de galante Drost een Meiboom aan de dochters van Roemer Visscher 2)  , gelijk dat in vroegere eeuwen de gewoonte was.

Een Meiboom zond ook Vondel met een fraai gedicht aan Joan de Wolf en Agnes Block, toen zij in Bloeimaand huwden 3)   en hij eindigt het met een regel

 ‘'s Winters, somers even groen’

dien hij zich waarschijnlijk uit een oud lied herinnerde 4)  .

Ofschoon ook Vondel evenals Starter zijne eerste jeugd niet hier te lande doorbracht, waren de oude liederen hem toch niet zoo onbekend als dezen. Zoo was het bekende spotlied ‘Een Otter in 't Bolwerck’ gesteld op de wijze ‘Betteken voer na Mariemont 5)   en zijn ‘Lofzang der Geestelyke Maagden’ op die van ‘Het daghet inden Oosten 6)  . En in zijne ‘Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunst’ lezen wij de volgende merkwaardige plaats: ‘In oude Hollandsche liederen hoort men nog een natuurlijke vrypostigheid, vloeyendheid en bevalligen zwier; maar het gebrak den eenvoudigen Hollander aan opmerking en oefening om zyn geestigheid uit een natuurlyke ader vloeyende, krachtig op te zetten en te voltooyen’.

Welk een juist oordeel en vooral voor een man der 17e eeuw zooveel minder gewend zich in vroegere toestanden te verplaatsen dan wij. Vondel heeft gevoeld, dat er ware poëzie school in deze liederen, al keurde hij het af, dat de dichters zich niet meer geoefend hadden.

Iets moet hierbij zeker geschoven worden op rekening van den slechten toestand, waarin dergelijke liederen zich waarschijnlijk

 1)  b.v. I, 37.
 2)  Ged. I, 192.
 3)  Vondels Werken uitgeg. door Dr. J.v. Vloten II, 50.
 4)  In 1577 toch komt deze regel reeds als wys voor. Vgl. H.B. II, XXXII.
 5)  t.a.p. I, 286.
 6)  II, 313.


[p. 712]

bevonden, toen Vondel er kennis van kreeg. Ook hij zal wel eens eenige op losse vellen gedrukte liedjes en daaronder ook oude in handen hebben gekregen, want wij weten, dat hij zich dikwijls onder het volk begaf om zijn taalschat te verrijken met de woorden, die bij de verschillende neringen en ambachten gebruikelijk waren 1)  .

In elk geval staat het vast, dat de grootste onzer dichters oude liederen heeft gekend en gewaardeerd.

Of men die waardeering ook bij een ander onzer 17e eeuwsche dichters, bij den geestigen Huygens zal vinden, betwijfel ik. Maar ten minste heeft hij ze gekend; dat blijkt ons b.v. uit een brief aan Hooft ‘by de toezending zyner Speelreyse’. In een naschrift zegt hij: ‘U.E. en keure dese voddige dichten niet ten scherpste; sy hebben nec secessum nec otia te baet gehadt, als meest op de coets geboren onder allerley quaet. Soo moeten se onder 't getal en de waerde van de Wagenliedjes door: Een ridder uyt jagen etc. 2)  . Waarschijnlijk bedoelt hij hiermede het lied, dat wij reeds in de 15e eeuw aantreffen en waarvan de aanvangsregels luiden:

 Het reet een ridder jaghen uit
 Aen gheenre heiden groene. 3)  

of van een ander uit de 16e eeuw (mogelijk hetzelfde) aanvangende:

 Het reet een ruiter uit jagen 4)  

en dat wij naar alle waarschijnlijkheid in zijn geheel vinden opgeteekend in Willems' Oude Vlaemsche Liederen

 Het voer een ridder jaghen
 Jaghen aen dat wout
      enz. 5)  
 1)  Brandt's Leven van Vondel (Uitg. v. Verwys) bl. 100.
 2)  Vgl. P.C. Hooft's Brieven II, 459.
 3)  Vgl. H.B. II, XXVI.
 4)  t.a.p. XXVII.
 5)  Ald. no. 61.


[p. 713]

In elk geval heeft Huygens ten minste van het bedoelde en andere wagenliedjes een uiterst gering denkbeeld. Van een paar andere liederen wordt in ‘Hofwyck’ melding gemaakt. Dikwijls kwamen daar gasten, die zich dan in de kegelbaan onder de iepen vermaakten. En als dan eindelijk het groote licht begon te dalen, dan maakte men zich gereed tot den terugtocht en werd niet zelden een lied aangeheven. Maar hooren wij den dichter liever zelven:

 .... En van dat onderhout en raect men niet ten end,
 Voordat de keers uyt gae, de groote keers der werelt,
 En dat de Somer-dauw de kruytjens overpeerelt,
 En dat den Hagenaer naer koets en schuyten vraeght,
 Om veiligh t'huys te zyn, eer dat de dagh ontdaeght.
 Dan berst het oude lied van ‘scheiden, bitter scheyden
 Uyt d'een of d'ander keel en klinckt door wegh en weiden,
 En 't andere: ‘Wat sal men op den avond doen’,
 En 't slot is: veel danc hebs, versegelt met een soen. 1)  

Welk lied met den laatstgenoemden aanvangsregel bedoeld wordt, weet ik niet. Den eerstgenoemden regel treft men vooral in de 17e eeuw niet zelden aan om eene wyze aan te geven; waarschijnlijk maakte deze regel deel uit van een oud lied (d.w.z. van een lied, dat minstens tot de 16e eeuw behoort). Liederen waarin de smart van het scheiden bezongen wordt, waren onder de oude liederen zeer talrijk, gelijk wij vroeger zagen 2)  . Ik heb den bewusten regel echter niet in dien tijd kunnen terugvinden, maar in lateren tijd meer dan eens. Zoo vond ik in een 17e eeuwsch liedboek een lied aanvangende:

 O scheyden, droevigh scheyden
 Als 't immers wesen moet,
 Komt en wilt my geleyden
 Tot aen de bracke vloet. 3)  

En in de later te bespreken verzameling van volksliedjes uit den

 1)  Korenbloemen (1672) VI, bl. 371.
 2)  Vgl. in dit boek bl. 325.
 3)  Dubbelde Haerlemsche Duyne-Vreughd I, bl. 9. Het is een afscheidslied van iemand, die naar Indië vertrekt.


[p. 714]

aanvang der 18e eeuw, komt een lied voor, dat ook door Hoffmann von Fallersleben werd opgenomen 1)   en waarvan de laatste strofe aanvangt:

 O scheiden, bittere scheiden,
 Als het immers wesen moet,
 Hoe noo ist dat wij scheiden
 Al van dat 's herten bloed!
 Hei! hoe noo is 't dat wy scheiden van de liefste!

Een ander lied uit het laatst der 18e eeuw 2)  , hoewel overigens geheel verschillend vangt aan met denzelfden regel:

 Scheyden, bitter scheyden, als het wezen moet.

Blijkbaar was deze regel dus ontleend aan een lied, dat eens algemeen bekend moet zijn geweest en waarschijnlijk wel tot de 16e eeuw behoort.

Dat Huygens zelf het een ‘oud lied’ noemt wijst daar ook wel op, al bewijst het dat niet.

Ook het volkslied van Geraert van Velzen heeft Huygens waarschijnlijk gekend. In zijn ‘Hofwyck’ lezen wij immers, dat een boer zegt:

 Ic weet raet tot en krots met spickers deur 'et leer,
 Als Gert van Velsens Ton gehackelt min noch meer. 3)  

Het komt mij voor, dat het oude lied den dichter hierbij voor den geest zweefde. Dat dit de eenigste liederen zullen zijn geweest, welke H. kende, is m.i. niet aannemelijk. Immers bij al zijne beschaving en geleerdheid had hij toch ook een open oog voor het volksleven. Zoo dikwijls zat hij onder het lommer der Iepen, welke den Vliet beschaduwden, te luisteren naar de praatjes der voorbijvarende schippers of naar de liedjes van het jagertje, zoo dikwijls bespiedde hij het boerenvolkje en zag hoe Trijn met wangen zoo rood als eene lijsterbes naar Kees stond te luisteren

 1)  H.B. II, no. 113.
 2)  In ‘de Vroolyke Jonkman’ een volksliedboekje uit dien tijd.
 3)  Zie: Korenbloeman I, bl. 361


[p. 715]

of hoe Jan Govertze met de Vrouw 's Maandags ter markt kwamen en zich ergerden aan ‘'t kostelicke Mal van 't Steedsche velerhand’; en zoo menigen avond, als dauw en donker aan 't zakken waren, had hij de burgerpaartjes in 't Voorhout beluisterd. Ook zijne zedenprinten, waarin hij den boer, den soldaat, den waard, den bedelaar en den matroos even goed teekent als den koning, den hoveling en den gezant en zijne Trijntje Cornelis bewijzen om het zeerst, hoe weinig de hoofsche Secretaris van den Prins vervreemd was van het volk, waar hij door beschaving, ontwikkeling en verstand zoo hoog boven stond.

Nog een paar 17e eeuwsche dichters toonen ons, dat ook in het laatst dier eeuw de oude liederen nog bekend waren. Zoo zegt niemand minder dan de wetgever op den Parnas, Andries Pels in zijn ‘Gebruik en Misbruik des Tooneels’:

 En dag'lyks zingt men op der oude Barden trant
 Noch liedekens van de oude en jonge Hillebrand,
 Van Velzen, Rypelmonde 1)   en Raephorst en van Gelder 2)  
 En Heeroom Knelis, by de boeren, klaer en helder
 Luidkeels ter borst uit met een bly of droef gelaat
 En vreugd of aandacht na de stof daar 't lied op slaat. 3)  

En in Asselyn's Stiefmoêr zingen een drietal ‘Moffen’ een dansliedje aanvangende:

 Door gink er so hupsen moogdelin fyn
 So verre dullen aen genne grun heiden
 En landesknecht sprak ......
      enz. 4)  

Met Asselyn naderen wij reeds de 18e eeuw. In de voorafgaande bladzijden zagen wij, dat de oude liederen gedurende de laatste helft der 16e eeuw in den maalstroom der politieke beroeringen werden medegesleurd en van de oppervlakte verdwenen,

 1)  Waarschijnlijk het lied, waarvan de aanvang door Mone wordt opgegeven (Ueb. bl. 232): ‘Ghy heeren van Rypelmonde, Sidy nu niet thuys’ -
 2)  Zie Willems no. 229 ‘Van den hertog van Gelder’.
 3)  Zie Willems, Inl. XXXIII.
 4)  Zie: Asselyn's Werken (Uitgeg. door Dr. A. De Jager) bl. 324.


[p. 716]

terwijl alleen de aanvangsregels boven andere liederen aanwezen, hoezeer ze nog in aller harten leefden.

Daarna zagen wij ze in de 17e eeuw weer verschijnen, maar onder andere omstandigheden. Stonden de oude liederen nog in de eerste helft der 16e eeuw hoog aangeschreven in Noord- en Zuid-Nederland, in de 17e eeuw konden zij de Noordnederlanders ten minste niet meer uitsluitend bevredigen. Hier was een ander volk met andere behoeften. Zoo werden dan de oude liederen grootendeels verdrongen door stroomen nieuwe liederen. De fatsoenlijke standen kenden ze gedeeltelijk nog wel en zongen ze misschien ook wel van tijd tot tijd en ook onze dichters waren er mede bekend, maar voornamelijk daalden ze af tot het volk.

En het volk moet dien schat getrouw bewaard hebben, daar wij in den aanvang der 18e eeuw nog een aantal oude liederen in volksliederboekjes aantreffen.

Wij zagen tevens, dat de oude liederen in de laatste helft der 18e eeuw veel minder genoemd werden dan in de eerste. Dat ook het volk gaandeweg meer en meer verloor van die erfenis zijner vaderen, zal ons blijken, wanneer wij nu de lotgevallen der liederen in de 18e eeuw nagaan.

Voordat ik daartoe overga, nog ééne opmerking.

Ik heb tot dusver steeds gesproken over Noord-Nederland. En dat had zijne reden: Voor de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde in de 17e eeuw zijn de Noordelijke provinciën veel gewichtiger dan de Zuidelijke. Echter zijn ook deze laatste overwaard om er zich mede bezig te houden. Dat ik dit hier niet meer heb gedaan, ligt hoofdzakelijk aan het gemis der noodige hulpbronnen. Zoo heb ik mij slechts eene oppervlakkige voorstelling kunnen vormen van den inhoud en het aantal der liederboeken, die gedurende de 17e eeuw in België uitkwamen en dat had ik in de eerste plaats moeten weten, wilde ik eene schets geven van de lotgevallen der oude liederen in Zuidnederland gedurende de 17e eeuw. Het zal mij lief zijn, zoo deze gaping in mijn werk later door mijzelf of een ander zal aangevuld worden; nu kan ik slechts dit weinige zeggen. Ongetwijfeld werden er

[p. 717]

gedurende de 17e eeuw in Zuidnederland veel minder liederboeken gedrukt dan in het Noorden; het verschil der maatschappelijke toestanden maakt dat licht verklaarbaar. Van die liedboeken zijn zeker de helft geestelijke, misschien wel de grootste helft. Ook hier werden de oude liederen verdrongen door nieuwe, die in vele opzichten overeenkomst vertoonen met de Noordnederlandsche lyriek, waarvan ik hiervoor een kort overzicht gaf. Echter - en dat is het voornaamste van 't geen ik wilde zeggen - echter zijn de oude liederen in Zuidnederland zeker veel langer en veel algemeener in zwang gebleven dan in de Noordelijke provinciën. Ik heb dit niet kunnen nagaan uit hun veelvuldig voorkomen in de 17e en 18e eeuw, maar wel uit het feit, dat zij nog in deze eeuw in zoo grooten getale aangetroffen en door geleerden als Willems, De Coussemaeker, Snellaert en anderen uit den mond des volks opgeschreven werden. Ik kom op dien tegenwoordigen toestand later nog terug en wijs er nu slechts op, dat uit dit feit noodwendig volgt, dat die oude liederen daar ook in de 17e en 18e eeuw bekend waren en naar alle waarschijnlijkheid niet alleen die, maar nog vele anderen bovendien.

Maar ook al wist men dit niet, dan zou men toch reeds kunnen vermoeden, dat het aldus moest geweest zijn. De redenen toch, welke de oude liederen in Noordnederland zoo spoedig op den achtergrond deden geraken, bestonden in het Zuiden niet. Dáár bleef men Katholiek en afhankelijk. Al werd de maatschappelijke welvaart minder, het volkskarakter onderging toch niet zulke groote veranderingen, als wij in het Noorden konden waarnemen door den invloed van tachtigjarigen oorlog en onafhankelijkheid en Kalvinisme.

Het karakter der 17e en 18e eeuwsche Zuidnederlanders behield derhalve, naar mijne zienswijze, meer trekken van het algemeen Nederlandsch type der middeneeuwen, dan dat der Noord-nederlanders van diezelfde eeuwen. Vandaar dan ook, dat de oude liederen, die bovendien niet voor het minste deel in Zuidnederland waren ontstaan, daar ook langer bewaard bleven.



[p. 718]

Keeren wij na dit uitstapje in het Zuiden naar Noordnederland terug en naar de eeuw, aan welker ingang wij zijn blijven staan. Na den dood van Willem III waren de Staten, nog onder den indruk zijner grootsche politiek, in de door hem aangegeven richting voortgegaan en hadden zij den strijd tegen Lodewijk XIV voortgezet. Ons kleine land had zich echter in dien strijd overspannen en er moest noodwendig eene reactie volgen. Na den vrede van Utrecht begon men zich dan ook angstvallig terug te trekken. De uitgeputte geldmiddelen geboden dat in den eersten tijd maar toen niet lang daarna rijkdom en welvaart weer terugkeerden, bleef men in die politiek volharden. Eene algemeene verslapping vertoonde zich bij ons volk, dat steeds rijker werd en bij hetwelk de weelde steeds klom.

Ook hier bleken de beenen niet sterk genoeg om die weelde te dragen. Men daalde af van het hooge standpunt in de 17e eeuw ingenomen en die daling was ook in de letterkunde te bemerken, ook in de liederpoëzie. Was ook al de zanglust niet verminderd, het gehalte der liederen zelve wel. Ook nu vindt men als in de 17e eeuw vele geestelijke liederen, ofschoon hun aantal wel verminderd is. Verder zeer veel historische liederen; er zijn zelfs verschillende liederboekjes, welke alleen historische liederen bevatten. Dikwijls zijn dit volksliederboekjes en de dichterlijke waarde dier liederen is in 't algemeen zeer gering. Evenals in de 17e eeuw treft men ook nu nog tallooze minne- en herderszangen aan; ‘sangen’ aan Kloris, Phillis en andere ‘ongevoelige juffrouwen’ waarvoor verliefde Damon's, Titer's en Coridon's meenen te blaken. Verder moraliseerende liederen, veel drinkliederen, klassieke verhalen als de geschiedenis van Ariadne, Penelope, Daphne en Apollo enz. Dan verscheidene liederen van Poot: Het bekende ‘Hier heeft my Rozemond bescheiden’ komt tallooze malen voor, maar ook zijn gezang op Het Onweer, Akkerleven, De Maan by Endymion, Vliegende Min e.a. In lateren tijd treft men nu en dan de ‘Economische liedjes van Wolff en Deken of die van de Maatschappij t.N.v. 't A. aan. Fransche en Duitsche liederen vertoonen zich in veel grooter aantal dan

[p. 719]

in de 17e eeuw; in een enkel liederboek (‘Clio's Maes-zangen’ b.v.) zijn zelfs meer vreemde dan Nederlandsche liederen. Ook vallen liederen, welke een mengelmoes van Fransch en Duitsch of Fransch en Nederlandsch vertoonen zeer in den smaak. Liederen of ‘Airs’ (zooals men toen reeds algemeen zeide) uit Opera's komen vooral in de laatste helft der 18e eeuw niet zelden voor.

Eenige opmerkingen van algemeenen aard over die liederen mogen hier volgen. Het Klassicisme wordt meer en meer misbruikt. Allerlei mythologische en andere klassieke opsierselen zijn reeds lang gemeen goed geworden, waarvan ook het volk in zijne liederen rijkelijk gebruik maakt. Zoo vinden wij in eene onbeholpen rijmelarij uit den aanvang dezer eeuw 1)  , dat een minnaar zijn liefje aanspreekt op de volgende wijze:

 Beeld eens Pigmalion, U oogjes elk een zon
 Die lichte met haer stralen in dees koele bron.

Die zelfde minnaar heeft een schilder Apolles ontdekt:

 Lief, een Apolles (sic!) kon nooit met zyn penceelen
 Volmaeckter beeld gaen prenten op panneelen.

En welk een wanklank zijn regels als deze in den mond van Jaep, die tot Lysje spreekt:

 Lief eer zal weer Febus zyn waeghen
      .............
      Opnieuws met Faeton hollen.

In een liederboek voor de gegoede standen uit het midden dezer eeuw 2)   lezen wij in een Meilied:

      De Nimphjes ziet men door de Bossen dolen
 Tot haar plaisier ieder met een Galant.

Men stelle zich voor: eene ‘nimf’ met een ‘Galant!’

 1)  In een volksliederboek, ‘den Nieuwen Hollandschen Bootsgesel ofte Bataviers Heldenstuk’ (1704.)
 2)  Apollo's Vastenavondgift, (1745) bl. 23. Het uiterlijk wijst dikwijls reeds aan of men al dan niet met een volksliederboek te doen heeft; maar de inhoud natuurlijk nog meer. Liederboeken als het bovengenoemde kostten in die dagen f 0.60 à f 0.70.


[p. 720]

Overigens wordt er nog altijd ruim gebruik gemaakt van ‘brand,’ ‘vlammen’ enz. In ditzelfde liederboek leest men b.v. ook een ‘Gezang op de brand der wangen van Leonida.’

Wie nu meenen mocht, dat het Klassicisme in onze letterkunde daarmede zoo laag mogelijk gedaald en op de onwaardigste wijze misbruikt was, vergist zich. Nog onwaardiger was de zoogenaamd ‘boertige’ behandeling, waarmede later Fokke Simonsz zulk een opgang maakte, en die reeds in het midden der 18e eeuw ook in de liederen wordt aangetroffen. Een enkel staaltje uit de Opdracht van een liedboek dier dagen 1)   moge hier volgen en den lezer niet de haren te berge doen rijzen bij eene dergelijke boertigheid. De schrijver spreekt over ‘eene der zusters’ (op den Parnas, die ongeveer als een bestjeshuis wordt voorgesteld) ‘die zig vrij wat moeilijk had gemaakt’ en vervolgt daarop aldus:

‘Thalia terstond toeschietende tot haar hulp, bevond dat haar citse onderrok, in plaats van met linnen met deeze gezangen gevoerd was, die zij knaphandig daar uit tornde en ze aan den Rymelbaas presenteerde om van hem geapprobeert te worden. Apollo de Historie verstaan en de gezangen geleezen hebbende, liet acht dagen lang de trom roeren en daarby op straffe van ongenade ordonneeren, dat alle de zangnimphen geen uitgezonderd dezelve van 't begin tot het end van buiten moesten leeren en in Jaar en dag geene andere als deze zingen.’

In dit liederboek zijn dan ook verschillende klassieke verhalen in dezen trant tot liederen verwerkt; boven een daarvan staat nog ten overvloede: ‘Grappig.’ Elders vindt men dergelijke liederen; zoo b.v. een, dat aanvangt op deze wijze:

 ‘Apoll' had nauwelyks zyn broek’
      enz.

Al genoeg om aan te toonen, tot welk een laag peil de smaak van velen gezonken was.

Herdersliederen waren, gelijk wij zagen, ook zeer in trek;

 1)  ‘Apollo's kermis-gift’ III Deel (1746).


[p. 721]

hunne onnatuurlijkheid overtreft echter die van de vorige eeuw nog. Van hun inhoud kan men zich een denkbeeld vormen uit de Opdracht van ‘de Tempel der Zanggodinnen,’ (1750) geschreven in den gezwollen toon dier dagen. In de uiteenzetting van hetgeen het liedboekje alzoo bevat, lezen wij o.a. ‘Eindelyk schoone kuysche en lieftalge nederlantsche Juffers aan wien dezen tempel der zanggodinnen wort opgedragen, in dit werkje zult gy vinden in het klyn al hetgeen een oneindig getal van gezangboeken in het breede uitmeeten. Hier ziet ge een Minnaar, als een andere Orfeus of Apollo, de ontmenste wreetheid van zyn Dafne met zielroerende woorden, vermengt met heete tranen en bange zuchten, die eer de groene planten, boomen, wat zegge ik planten en boomen, ja zelfs eer de harste bergen doorgrieven dan het hart van zyn geliefde vyandinne. ('t Woord beklagen of iets dergelyks is blykbaar vergeten). Daar hoort men een herder gezeten onder de schaduwe van eenen hemelhooge wilge, de gaven, lieftalge inborst, en de gadelooze schoonheid van zyn nooit ontaarde zielsvoogdes op het zevenmondig herdersspeeltuyg, weleer door den boxpoot uitgevonden tot aan het starrendak pryzen. Aan de andere kant verzengt bruine Fillis of blonde Laura of Kloris den boesem van haren jongen Minnaar en doet hem vlammen om in het ryk genot der zaalige aarsche wellusten te deelen, willende zyn geluk staat niet dan ruylen voor een gouden kroon, ryk bezaait met diamanten van den grootsten ryksmonarg der werelt. Terwyl een ander Minnaar gezeten op het malsche klaver, in een heerlyk bloemprieël van bloemen zonder tal, aan de zyde van zyn Venus, strant op de korale lipjes van haren rozenroode mond. Tot dat hy zich door wellust doortintelt, neervlyd in de poesele armen van zyne medogende schoonheid.’

Eene uiterst zonderlinge vermenging van klassieke herinneringen en herderspoëzie lees ik een volksliederboekje 1)  . Men vindt

 1)  De Nieuwe Domburgsche Speelwagen (5e druk, z.j. maar waarschlk. c. 1800) bl. 24.


[p. 722]

daar namelijk de geschiedenis van Pyramus en Thisbe op naam van Coridon en Silvia. Stem: ‘van de kwesels.’ Silvia voert gedurende Coridon's slaap zijne schaapjes weg; hij vindt haar niet bij zijn ontwaken en doorsteekt zich met zijn zwaard. Daarop keert zij terug, vindt het lijk en doodt zich ook.

Het verdient opgemerkt te worden, dat de liefde voor de natuur zich vooral in de laatste helft der 18e eeuw ook in deze liederen met meer kracht openbaart. Dat verschijnsel staat niet op zich zelf, maar hangt samen met den terugkeer tot natuur en eenvoud op allerlei gebied, welke eene der karaktertrekken van deze eeuw uitm