De dagboeken van Wim Kan 1968-1983. De televisietijd (ed. Frans Rühl)


auteur: Wim Kan


editeur: Frans Rühl


bron: Wim Kan, De dagboeken 1968-1983. De televisietijd (ed. Frans Rühl). Uitgeverij Balans, Amsterdam 1989  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 282]

Slotwoord

Als de zaal aan het eind van de avond tot het absolute kookpunt is geraakt, zijn zeshonderd theaterbezoekers zelfs bereid tot de revolutie over te gaan, als de man op het toneel daartoe op dat moment zou oproepen. ‘Wij willen wat anders, maar buiten staan de mensen die niet willen; en dan te bedenken dat u morgenavond weer buiten staat!’ Wim Kan overziet vol plezier de rumoerige massa. ‘Jongens, als we niet uitkijken wordt het een zooitje.’ De zeven levensgrote spiekborden met de conference ontspannen onder zijn arm geklemd. De voorstelling nadert zijn einde. Op de achterkant van het laatste spiekbord trof Kan gespeeld toevallig nog wat verdwaalde grappen van een oud programma. Recht toe recht aan grappen die hij, zoals geen ander dat kan, als een laatste salvo op de zaal heeft afgevuurd. Op dat hoogtepunt gaat Kan in de laatste minuten van het programma over tot wat hij zelf noemt het gladstrijken van de zaal. Wat filosofisch mijmeren onder de ongemerkt ingezette piano-improvisatie van begeleider Ruud van Veen. Nog een laatste sterke grap en het slotliedje zet in: ‘Nu gaan overal op de wereld alle voordoeken weer dicht, van Londen tot Maastricht, daar doven ze het licht.’

Die achtste september 1983 staan meneer Van Liempt en ik 's avonds op de ziekenhuisgang van het St. Radboud in Nijmegen. Wim Kan is overleden. Zo wilde hij het onder deze omstandigheden. Binnen in de kamer neemt mevrouw Kan afscheid van haar man. Van Liempt en ik zwijgen. Misschien denken we wel dezelfde beelden. Nog eenmaal wachten wij op de gang, zoals wij dat samen al zoveel jaren deden. In elk theater wachtend voor de kleedkamerdeur na afloop van de voorstelling. Dan het bevrijdend ‘joepie’ en de na bespreking begon. ‘Wat zeien ze.’ Kan enthousiast, ogenschijnlijk in het geheel niet moe na de inspannende krachtmeting, in het midden van zijn kleedkamer gretig luisterend naar de goede berichten die Van Liempt bij de uitgang van het theater had opgevangen van het wegstromende publiek, om daarna tevreden zelf naar huis

[p. 283]

te gaan. De twijfel sloeg meestal pas de volgende ochtend weer toe. Hadden we gedacht dat het ooit voorbij zou gaan. De kleine onbenaderbare familie waartoe wij behoorden, wordt uit elkaar gerukt in een onvoorspelbare ontknoping. Corry Vonk tien jaar ouder en een jaar eerder nog getroffen door een attaque, overleeft haar man. Het altijd bewust gekozen isolement keert zich nu tegen haar. In de viereneenhalf jaar die zij in het houten huisje diep in de bossen van de Veluwe nog doorbrengt voor zij op 30 januari 1988 overlijdt, komen er nauwelijks mensen op bezoek.

Af en toe kom ik meneer Van Liempt nog wel eens tegen. Zoveel theaters zijn er tenslotte niet in Nederland. In Utrecht in de schouwburg bij voorbeeld. Hij komt er nieuwe voorstellingen verkopen, ik ‘sta’ er met een Amerikaanse balletgroep die 's avonds voor negenhonderd mensen de reconstructie van de Bauhausballetten zal dansen. Van Liempt en ik hebben beiden nog altijd diezelfde fascinatie voor uitverkochte theaters. Hoewel we het niet willen, haalt de schouwburg herinneringen op. Even maar. Van Liempt, de koele zakenman, raakt geëmotioneerd. Hij kijkt weg. We moeten er maar niet meer over praten.

Anderen doen dat na Kans dood des te meer. De kranten staan plotseling vol van de vrienden van Wim Kan. ‘Beste vaders’ mocht de een schrijven, ‘Wim’ mocht de ander zeggen. Iedereen bleek wel een persoonlijke relatie met hem te onderhouden. In overijver draafden mensen hun eigen bewondering voor Kan voorbij. Ze lieten een slechte banketbakker geoefend in marsepeinen figuren een onooglijk beeld op het Leidseplein neerzetten; een belediging voor Marten Toonder misschien, maar in niets gelijkend op Wim Kan en Corry Vonk. Was de fontein op de boulevard in Scheveningen niet een historisch betere plek geweest? Trouwens Wim Kan hield helemaal niet van standbeelden.

Elke Nederlander bewaart bij de naam Wim Kan zijn eigen herinneringen. Vaak zijn die opgebouwd uit heel persoonlijke momenten; een ontvangen blauwe bedankbriefkaart van Wim Kan, een eenmalige ontmoeting op het strand, een kortstondige samenwerking. Dat enkele moment wordt gekoesterd en draagt bij tot de legende.

De dagboeken van Wim Kan geven een eerste en enig werkelijk beeld van Nederlands grootste cabaretier. Evenals in ‘De radioja-

[p. 284]

ren’ ben ik bij de selectie van de fragmenten uit de zestig delen die nu tot mijn beschikking stonden, uitgegaan van de Wim Kan zoals ik hem kende. Na zestien jaar intensief met hem te hebben opgetrokken is mijn beeld van hem redelijk volledig. De keuze van elk fragment werd door mij wel overwogen. Met aarzelen, twijfelen, het zoeken naar de perfectie ben ik opgegroeid. Vluchtige stemmingen achtte ik niet geschikt voor publikatie. Meningen die Kan in dit boek over personen te berde brengt, kwamen dan ook nooit eenmalig uit de lucht vallen; meerdere dagboekpassages moesten die meningen in de gekozen fragmenten onderschrijven. De echte Wim-Kan-taal, Kan creëerde voor alles eigen benamingen en begrippen (‘rustig Tammo Siepkes’ bij voorbeeld), heb ik voor zover het niet onbegrijpelijk en verwarrend werkt, zoveel mogelijk gehandhaafd. Ook afwijkende spelling is bewust ongecorrigeerd. Af en toe ontkwam ik er niet aan ter verduidelijking tussen vierkante haken een toevoeging mijnerzijds te plaatsen. Nergens heb ik voor zover wettelijk toelaatbaar personen in bescherming genomen. Maar naarmate Wim Kan zich door de jaren meer afzondert, komt de buitenwereld verder op afstand te liggen. Naast de literaire erfenis die Kan mij naliet, gaf hij mij een artistiek testament ter ondersteuning van de vele gesprekken die wij hadden over wat te doen met zijn honderdtien dagboeken. Hij wilde absoluut dat ze werden uitgegeven. Zelf had hij ook al eens een poging ondernomen. Met behulp van een fotokopieerapparaat probeerde hij tot een selectie te komen, want een op de drie pagina's was volgens hem voor publikatie geschikt. Zijn titelsuggestie ‘Hoog boven de bomen kijk ik terug’ heb ik niet overgenomen.

Nu met het voltooien van de selectie ruim ik mijn eigen persoonlijke herinneringen op. Alles gaat weer richting kluis. Brieven, dozen vol brieven altijd ondertekend met het onnederlandse ‘Your friend forever’. Stapels geschenken. Een boekje dat ik kreeg als straf kort na de voorstelling waarin wij al te veel schmierden: ‘Voor Frans opdat het lachen hem zal vergaan!’ Want dat was de basis van onze vriendschap; lachen, plezier maken, kwajongensachtig het serieuze doorbreken. ‘Moesten jullie op het toneel nou echt zo lachen?’ Ja! Vaker dan af en toe goed was voor het ritme van de voorstelling. Een van de vele scènes die wij door de jaren heen samen speelden, heette ‘Kort is de roem’. Het wegzakken in de

[p. 285]

vergetelheid was Wim Kan's eigen kameel op het behang. Als oude visser zat hij in de scène dan op een bankje op de Wim Kankade en de interviewer stelde hem in het jaar 2000 de vraag: Weet u nog wie dat was die Wim Kan? En met een variatie op een van zijn andere antwoorden: Nou reken maar!

 

maart 1989