begin  verder
[p. π1r]

Zes jaren in Suriname.
Eerste deel.

[p. I]



illustratie
Paleis van den Gouverneur-Generaal te Paramaribo (van de rivier zijde)

[p. III]

Voorrede van den schrijver.

Het belang, dat velen tegenwoordig in Hollandsch en Fransch Guyana stellen, de verschillende gevoelens, die over slavernij heerschen, en de slechte dunk ten aanzien van den gezondheids-toestand dier beide koloniën, spoorden mij aan, mijne ondervindingen en lotgevallen gedurende een zesjarig verblijf in Suriname langs dezen weg mede te deelen.

Deze behooren wel is waar niet tot den laatsten tijd; want, ofschoon ik zeventien jaren Suriname bewoonde, heb ik evenwel de krijgsdienst reeds sedert elf jaren verlaten, en mijne tegenwoordige betrekkingen, hoewel veel belangrijks opleverende, laten geene andere waarnemingen meer toe over natuur- en plaatselijke gesteldheden, die buitendien toch geene verandering ondergaan hebben.

Er bestaan onderscheidene reisbeschrijvingen over Suriname, doch geen der schrijvers, Stedman misschien uitgezonderd, heeft zich in toestanden bevonden, zoo als ik, is, gelijk ik, aan de hitte der keerkringsgewesten en hunne stortregens blootgesteld geweest, heeft de plaag der moskieten ondervonden, lange nachten doorwaakt of mede aangezeten aan den nederigen soldatendisch; daarom hebben zij bij het bekoorlijke, dat de natuur tusschen de keerkringen oplevert, de schaduwzijde over het hoofd gezien, of althans haar niet uit ondervinding be-

[p. IV]

schreven. Ondanks de berigten der reizigers, die, overeenkomstig de waarheid, gunstig over deze koloniën oordeelden, bleven Suriname en Cayenne ter kwader naam en faam staande gewesten. Men geloofde, dat de heete lucht in de moerassen van Suriname alleen moskieten en kruipend gedierte uitbroeide, en dat aanstekende ziekten en koortsen elkander onafgebroken opvolgden. Het gevoelen aangaande de slavernij, waaronder de arme Zwarten zuchten, had eene nog onaangenamer werking op de verbeeldingskracht, die zoo dikwerf het ware en waarschijnlijke verwerpt, en zich daarentegen aan het fabelachtige en ongeloofelijke hecht. Dit werd somtijds nog vermeerderd met de overdreven berigten van roomsch-katholieke en protestantsche zendelingen, die in het belang hunner congregatiën en missiën de toestanden schilderden, of hunne daden opsmukten, om aan vrome zielen afgrijzen in te boezemen, hun medelijden op te wekken en tot milde bijdragen te bewegen; kortom men was afkeerig van beide genoemde koloniën, en alleen zij, die op eene erfenis loerden, waren harer in hun gebed gedachtig.

Bij het zamenstellen dezer bladzijden, heb ik alleen mijne eigene ondervinding geraadpleegd, niet die van anderen: mijne berigten echter zijn naauwkeurig en overeenkomstig de waarheid, en ik vermeen mijn doel, om namelijk door deze schetsen tot de kennis van den maatschappelijken toestand en de natuur-historische gesteldheid van Suriname bij te dragen, daarmede te zullen bereiken.

 

Stuttgart, Junij 1853.

 begin  verder