
Het fort Zeelandia.
Van de vier jaren dienst had ik er thans twee en een half op posten doorgebragt en meende bij den aanvang van het jaar 1840, den gewonen tijd van aflossing, in garnizoen te mogen blijven. Doch ik had buiten den kommandant gerekend, aangezien ik bevelontving om naar den afgelegen post Armina te vertrekken, waarvan de geheele bezetting afgelost werd.
Ons detachement bestond uit den kommandant, zijnde een tweede luitenant der koloniale guides, eenen sergeant, eenen korporaal, 10 jagers en drie kanonniers. De huishoudster van den sergeant, (eene mulattin met haar kind) behoorde mede tot het gezelschap. Bovendien bevonden zich nog 10 matrozen van allerlei kleur benevens den kapitein aan boord van het schip, dat ons moest overvoeren. Dit was de schoener de Beschermer, dezelfde die vroeger op Nickeri als wachtschip gediend had en inzonderheid geschikt was, om hen, wier ligchaamsgestel tot zeeziekte overhelde, zoo ziek en ellendig mogelijk te maken.
Het ruim van het reeds op zich zelf kleine vaartuig was geheel en al opgevuld met levensmiddelen, die voor den post bestemd waren, en met de pakkaadje der officieren, zoodat er zelfs geene plaats was voor onze kisten en deze derhalve op het dek moesten blijven staan.
In het laatst van Januarij verlieten wij Paramaribo en hadden nog niet eens de monding der rivier bereikt, toen reeds de meesten onzer, en ik het allermeest, door de zeeziekte aangetast waren. Men hoorde niets dan klagen en steunen, en allen rolden door en over elkander heen. Aan eten en drinken werd, althans door mij, niet gedacht, en een aanhoudend braken verzwakte mij zoo zeer, dat zelfs de luitenant, die anders geen vriend van geven was, mij een kop koffij aanbood. Gelukkig was de reis niet van langen duur; want reeds den vierden dag 's morgens lagen wij in de monding der Marowyne voor anker.
Naauwelijks vernam men het bruisen van den vloed tegen de vele zandbanken, die deze rivier zoo gevaarlijk maken, of de kapitein gaf bevel de ankers te ligten, en zeilde onder gestadig peilen naar binnen. Nog hadden wij drie vadem water, als ter naauwernood eene minuut later de schoener met zulk een geweld op eene bank stiet, dat wij allen ten onderste boven vielen. Nu volgde
stoot op stoot, zoodat het roer uithaakte en de looze kiel losliet. De zaak liet zich gevaarlijk aanzien, want er openbaarde zich een belangrijk lek. Er moest aanhoudend gepompt worden; en in 't algemeen werden alle mogelijke middelen in 't werk gesteld, om het vaartuig wederom vlot te krijgen. Er bestond wel is waar geen dadelijk levensgevaar, daar wij ons allen gemakkelijk met de twee booten van den schoener konden redden, doch de lading kon ligtelijk verloren gaan. De in andere gevallen zoo bezadigde kapitein wist niet meer wat hij deed; gelukkig raakte het vaartuig met het opkomen van den vloed weder vlot, en onder aanhoudend pompen bereikten wij behouden den post Prins Willem Frederik, die in de verte het voorkomen van een half vervallen indiaansch dorp had.
Des avonds ten 5 uur zetten wij, met onze goederen beladen, voet aan wal; hier troffen wij den kommandant en den officier van gezondheid van Armina aan. Dadelijk maakte men toebereidselen om den schoener te ontladen, en bijkans den geheelen nacht waren wij bezig vaten met vleesch, meel en zout naar den post te sjouwen. Van wege de tallooze menigte van moskieten was er in 't geheel niet aan slapen te denken.
De post zelf was inderdaad nog oneindig slechter dan hij van het strand af gezien ons had toegeschenen; want hij bestond slechts uit drie hutten, waarvan de eerste, aan de rivier staande, den grootschen naam van kommandantswoning droeg. Eene andere heette kazerne; deze leunde onder eenen hoek van nagenoeg 40o tegen de bakkerij, die eene tegenovergestelde rigting had aangenomen. Alle waren van palissaden gebouwd, met bladeren der pina-palm gedekt en zoo volmaakt tegen den regen en de moskieten beschut, dat, wanneer deuren en vensters gesloten waren, de geiten door de openingen tusschen de
palissaden vrijelijk in huis konden komen. Wanneer het regende, bleef er ter naauwernood een plaatsje overig om de geweren droog te houden, en wanneer het hevig woei, nam men om gegronde redenen den wijk in de open lucht.
Een wijd veld voor eenen werkzamen geest, dacht ik, toen mij eenige dagen later de kommanderende korporaal, dien ik moest aflossen, den post overdroeg en den inventaris voorlas, waarbij hij mij met een deftig gelaat, even alsof het juweelen waren, de oude schoffels, harken enz. ter hand stelde. De gereedschappen waren over het geheel zoo oud en versleten, dat men te Amsterdam in de jodenbuurt moeijelijk slechtere zal vinden.
De tot aflossing van den post Armina bestemde soldaten werden dadelijk, daags na onze aankomst, met de groote boot van den post derwaarts gezonden. Wij ontvingen bevel den kapitein van den Beschermer bij de reparatie van zijn ongelukkig vaartuig behulpzaam te zijn. Daar de schoener, die als een voortreffelijk zeiler bekend stond, buigemeen scherp en diepgaande gebouwd was, het lek echter zich onder aan de kiel bevond, kostte het niet weinig moeite, het vaartuig zoo ver op het land te halen, dat men de schade kon verhelpen. Eindelijk was hij in zoover hersteld, dat men de kleine reis naar Paramaribo er mede durfde wagen.
In het laatst van Januarij ging de terugkeerende officier met zijne onderhebbende manschappen scheep, en ik dankte God voor de verlossing van eenen troep, waarvoor het, bij de slechte plaatselijke gesteldheid, daarenboven aan ruimte ontbrak. Ongelukkig stiet de Beschermer in den mond der rivier andermaal op eene bank, verloor het roer en kreeg zulk een lek, dat het slechts onder aanhoudend pompen mogelijk was de stad te bereiken. De reparatie van het vaartuig kostte meer dan 2000 gulden.
's Anderendaags nadat het detachement vertrokken was, begaven zich de luitenant en de officier van gezondheid mede op weg naar den hoofdpost. De eerstgenoemde laadde zoo veel mogelijk in zijne twee booten en zeilde af, terwijl ik hem van harte eene gelukkige reis wenschte.
Thans betrok ik de kommandants-woning, die insgelijks uit palissaden bestond, doch zich in eenen eenigzins beteren toestand bevond dan de kazerne. Gelukkig was er een genoegzame voorraad van spijkers en palissaden, zoodat ik met behulp mijner vijf manschappen mijn huis eenigermate herstellen en ten minste in dien staat brengen kon, dat de geiten er geenen vrijen toegang meer hadden.
Mijne bezigheden op den post waren zeer eenvoudig en tevens gering. De bezetting, uit eenen korporaal en vijf soldaten bestaande, waaronder een bakker was, had niets te doen, dan voor haar onderhoud te zorgen, en wanneer men in eene westelijke rigting een schip op zee ontwaarde, de hollandsche vlag te hijschen en deze, wanneer het voorbij gezeild was, weder te strijken. Bovendien echter moesten de levensmiddelen, die om de drie maanden met eenen schoener van Paramaribo herwaarts gezonden werden, zoo lang bewaard worden, tot men ze van tijd tot tijd van den hoofdpost Armina liet afhalen. Deze lag ongeveer achttien uren verder landwaarts in, en diende als verdedigingsplaats tegen de Bosch-negers. De bezetting daarvan bestond uit één officier, één sergeant, 13 blanke en 6 zwarte soldaten; behalve deze bevonden er zich nog 8 negers, tot onderhouding van den post en tot het vervoeren der levensmiddelen bestemd. Met de zorg voor het hospitaal waren een officier van gezondheid en een ziekenoppasser belast.
Hoe weinig wij nu ook op onzen post te doen hadden, zoo zouden wij toch een armoedig leven hebben moeten leiden, indien men ons niet van Armina bij elke gelegenheid bananen gezonden had; want de post zelf lag op eene
zandplaat, en de onvruchtbare bodem bragt slechts weinig awara-palmen voort, die een digt kreupelbosch vormden.
Achter den post bevonden zich moerassen, die slechts in het groote drooge jaargetijde toegankelijk waren, en langs het uit zand bestaande strand, waarop men tijdens de eb in eene westelijke rigting vijf uren ver gaan kon, liep eene strook met opgaande boomen, waaronder lokust-, wanna- en andere boomen van het hoogland gevonden werden. Hier achter strekten zich, evenwijdig aan de kust, moerassen van zoet water uit, die met biezen en gras begroeid waren. Langs het strand vond men op sommige plaatsen geheele groepen van toortsplanten (Cactus sexagonus), die somtijds 25 voet hoog en geheel en al met stekels bedekt waren. Aan deze groeiden eene menigte roode vijgen? ter grootte van eene vuist, die wel zoet van smaak, doch taai waren, en zelfs door de Indianen weinig geteld werden.
Na mijne woning zoo veel doenlijk in beteren staat gebragt te hebben, bestond mijn eerste werk in het herstellen van mijne slaapplaats. Er bevond zich namelijk in mijne kamer eene uit oude planken zamengestelde bedstede, waarvan de vier verlengde stijlen bestemd waren om er gordijnen aan op te hangen. Deze waren uit oude broeken en hemden mijner voorgangers te zamen gelapt, waarin zich zoo vele gaten en scheuren bevonden als er dagen in 't jaar zijn, hetgeen den moskieten eenen vrijen toegang gaf. Na twee dagen met knippen en naaijen bezig geweest te zijn, bevond de bedstede zich in den besten toestand, en er ontbrak niets meer in dan eene soort van stroozak, indien ik niet verkoos op de bloote planken te liggen. Doch tot het vervaardigen daarvan was de eene of andere stof noodig, en deze bezat ik niet; derhalve moest ik voor lief nemen
met op gedroogd gras en bladen mijne nachten door te brengen.
Van den luitenant had ik op crediet verscheidene geiten gekocht, die zijn voorganger hem achtergelaten had; hierdoor kon ik melk bij mijne koffij drinken, en bovendien had ik ook nog eenige hoenders. Ook lieten zich mijne vijf manschappen, wanneer zij gebrek aan dram hadden, tot het verrigten van een en ander gebruiken, en op die wijze was ik met mijne betrekking zeer wel tevreden.
De aanzienlijke rivier was over hare geheele uitgestrektheid, behalve de beide militaire posten, alleen door Indianen, en verder landwaarts in door den voornaamsten stam der Bosch-negers, door Aucaners, bewoond. Een vrij aanzienlijk dorp der Caraïben lag op slechts een kwartier uur afstands van den post, en de bewoners bezochten mij bijkans elken dag. Later zal ik breedvoerig de levenswijze, zeden en gewoonten dezer lieden beschrijven, en wil thans eene gebeurtenis vermelden, die gedurende mijn verblijf op den post Prins Willem Frederik eene belangrijke rol speelde, en waaruit ik een groot voordeel had kunnen trekken. Dat ik deze gelegenheid, waarbij mij de fortuin toevallig scheen te willen begunstigen, slechts angstvallig aangreep, en niet het voorbeeld van mijnen kommandant, die meer routine bezat, volgde, sproot juist niet voort uit overdreven eerlijkheid, maar gedeeltelijk vreesde ik voor straf, gedeeltelijk wenschte ik mij in deze zaak voordeelig te onderscheiden.
Ik bevond mij namelijk sedert het vertrek van den officier naauwelijks acht dagen vrij en onafhankelijk op mijnen post, toen wij in den vroegen morgen van den 7 September de boot van een groot schip, dat sinds twee dagen in de monding der rivier voor anker scheen te liggen, onzen post zagen naderen. De kapitein, benevens de geheele ekwipagie en twee passagiers bevonden zich daarin. Zij hadden
hun rijk geladen, naar Paramaribo bestemd schip, zijnde de hollandsche koopvaardijbrik Catharina Jacoba, verlaten, daar dit op eene bank der rivier gestrand was. Vooraf hadden zij te vergeefs beproefd het schip vlot te krijgen, en bij die gelegenheid beide ankers verloren. De kapitein en passagiers, wien het verlies hunner hoog geassureerde lading niet zeer veel scheen ter harte te gaan, begrepen spoedig, dat wij bij gebrek aan een vaartuig niets tot redding van het schip konden bijdragen. De eerstgenoemde gaf mij nogtans verlof om aan boord te gaan, en voor rekening der assurantie-maatschappij, die toch den geheelen, voor ƒ45,000 verzekerden inhoud moest betalen, af te halen wat mij aanstond.
Het was de eerste maal dat mij zoo iets voorkwam, en ik bevond mij te meer in verlegenheid, hoedanig in dit geval te handelen, daar in mijne instructiën, waarin het overigens geenszins aan minutieuse bepalingen ontbrak, met geen enkel woord over dergelijke voorvallen gesproken, werd. Derhalve vroeg ik den kapitein om raad; deze stelde mij het wetboek van koophandel ter hand, en liet aan mij de taak over, om de op dit geval betrekking hebbende artikelen op te zoeken. Spoedig had ik deze gevonden en wist nu wat mij te doen stond. Ik gaf dus den kapitein te kennen, dat ik met behulp der Indianen van de lading zoo veel mogelijk aan wal brengen, een inventaris er van opmaken en deze aan den Gouverneur zenden zou; dat ik bovendien door eenen bode het geval aan den kommandant op Armina melden en binnen twee dagen door Indianen over zee een extra-rapport aan den gouverneur zou doen toekomen. Daarna maakte de kapitein mij bekend met den inhoud der lading; deze bestond, behalve eene menigte fijne en gewone levensmiddelen, uit stukgoederen en meer dan 1200 kisten jenever.
Uit hoofde van de groote hoeveelheid verschillende wijnen
en geestrijke dranken kon ik op den bijstand der soldaten, die aartsdronkaards waren, niet rekenen; want de voorwerpen, die ik voornemens was van boord te halen, moesten, uit gebrek aan ruimte, onder den blooten hemel opgeslagen worden, en stonden bijgevolg aan elken aanval bloot. Evenwel sprak ik met mijne vijf manschappen, verzocht hen ten dringendste, zich niet dronken te drinken, mij in alles getrouw bij te staan, deelde hun tevens mede, welk voordeel wij uit dit ongeval konden trekken, en bezigde daarbij alle welsprekendheid, die mij ten dienste stond. Op een en ander ontving ik hunnerzijds de heiligste belofte, dat zij zich liever de tong wilden afbijten, dan eenen borrel drinken, ten einde deze voordeelen toch niet te verliezen.
De matrozen waren tegen den middag in hunne boot weggevaren, om, zoo als zij voorgaven, hunne achtergelaten kleedingstukken te gaan halen.
Vervuld met de gedachte aan rijkdom en eer, liep ik, ofschoon het bijna vol getij was en ik op sommige plaatsen tot aan den hals door het water gaan moest, naar het eerste dorp der Indianen, om nog dienzelfden avond zoo veel mogelijk van het schip te kunnen afhalen. Doch in het dorp was juist algemeene danspartij en in de grootste hut stond eene groote boot vol Tapana, tot lafenis der dansers. Ik zag dus dat het heden niet mogelijk was, hetzij door belooning hetzij door dreigementen, corjalen te krijgen. De Indianen lieten zich niet in hunne vreugde storen. Evenwel beloofde het opperhoofd mij, den volgenden morgen met goed bemande groote en kleine corjalen te zullen komen.
Reeds geloofde ik mijn voornemen, om nog dien dag naar boord te gaan, te moeten laten varen, toen een vreemd Indiaan aanbood mij in zijne kleine corjaal, die ter naauwernood twee menschen kon bevatten, naar het schip te brengen, dat, van den post gerekend, wel een uur ver in zee lag.
Gelukkig was het stil weêr en bij de ondertusschen ingetreden eb kwamen wij spoedig aan boord.
Niemand werd mij gewaar; want alle matrozen waren beneden deks, waar kisten en balen opengebroken en opengesneden werden, om zoo veel mogelijk te kunnen plunderen. Dat was een huishouden van Jan Steen! Hier werd eene kist met linnen, ginds eene met porselein opengebroken, en wat den ruwen kerels niet aanstond werd in stukken geslagen. Vaatjes met boter, die hun in den weg stonden, werden niet op zijde gezet, maar moedwillig verbrijzeld, zoodat de heerlijke boter, waaraan overigens de soldaten zich slechts zelden mogen vergasten, naar alle kanten heen spatte. Lampenballons, waarvan het stuk 4 tot 5 gulden kostte, ondergingen, eveneens als zoo menig voorwerp van waarde, hetzelfde lot.
Naauwelijks kreeg men mij in 't oog, of ik werd met een luid hoerah ontvangen, en door den bootsman met eene aan deze menschen eigene beleefdheid ten eten genoodigd. Hetgeen er opgedischt werd, was wel is waar niet warm, doch bestond uit geregten, die nooit op de keukenceêl van eenen korporaal voorkomen. Men had namelijk eene kist vol blikken, luchtdigt gesloten doozen gevonden, waarin zich gebraden patrijzen, ganzen, allerlei vleeschspijzen, zalm en andere lekkernijen bevonden, en men somde mij, onderwijl ik met een oud mes eene doos met patrijzen opende, al die kostelijkheden op, waarvan ik gebruik kon maken, en liet zulks gepaard gaan met de uitnoodiging om te eten, totdat ik barstte. Te gelijker tijd haalde een koksjongen witte beschuit en de stuurman opende eene kist met fijnen rijnschen wijn, waarbij de gedienstige bootsman nog tot dessert eene groote flesch met confituren voegde, waarvan men juist eene kist gevonden had.
Nadat zij zich overtuigd hadden, dat ik voorzien was
van alles wat tot eenen behoorlijken maaltijd vereischt wordt, gingen zij met hun onderzoek voort, terwijl ik bij eenen geduchten eetlust, daar ik sedert mijn ontbijt niets meer gegeten had, een voortreffelijk maal deed, niettegenstaande ik noch lepel noch vork had. Ik dronk echter slechts weinig wijn; want ik had mij vast voorgenomen in deze verwarring mijne vijf zinnen bij elkander te houden.
Ik had mijnen maaltijd pas geëindigd toen een vreugdegejuich, uit het benedenste ruim opstijgende, mij te kennen gaf, dat men eene aangename vondst gedaan had. Deze bestond in eene kist met zijden doeken en vestenstoffen, waarvan men mij een half dozijn foulards ten geschenke gaf. Dit, zoowel als menig ander voorwerp werd mij, helaas! door matrozen of soldaten uit mijne kist ontstolen, zoodat ik ten laatste van al die kleinigheden bijna niets overhield. Eindelijk hadden de matrozen hunne kisten vol gestopt, zooveel levensmiddelen en dranken medegenomen als zij bergen konden, en zeilden daarmede naar den post, terwijl mijne geheele lading, bij gebrek aan ruimte, slechts uit drie vaatjes boter bestond.
Bij mijne tehuiskomst vond ik allen reeds beschonken, en des nachts zag ik bacchanaliën, waarover ik verbaasd stond, ofschoon ik toch reeds menige dusdanige partij aanschouwd had. De kapitein, passagiers en stuurlieden waren in mijne woning gehuisvest; doch de matrozen, acht in getal, bij de soldaten in de kazerne, zijnde een vertrek van 16 voet lengte en 9 voet breedte, waarin thans twaalf personen moesten kamperen. Aan slapen werd natuurlijk bij den overvloed aan jenever niet gedacht, want ieder wilde van deze gelegenheid gebruik maken, om zijn hart eens weêr terdeeg op te halen. Allen plaatsten zich in eenen kring om een licht, dat elk oogenblik
uitging, omdat de wind van alle zijden door de wanden blies. Ten laatste zette men dit in eene leege jenever-kist, waardoor zich de helft der aanwezenden altijd in 't donker bevond. Twee open kisten met jenever en brandewijn, benevens acht groote flesschen met confituren waarvan ik reeds aan boord gegeten had, stonden ten dienste van het achtbaar gezelschap.
Liederen en stichtelijke verhalen wisselden elkander af, en om deze soirée nog belangrijker te maken, kleedde een der soldaten zich geheel uit, eensdeels om het gezelschap door allerlei gymnastische sprongen en standen te vermaken, anderdeels om aan de scheepsjongens, die over het steken der moskieten klaagden, te toonen, hoe weinig hij dit telde. Ik liet hen hun gang gaan en doen wat zij verkozen, omdat ik vast overtuigd was, dat het een of ander te verbieden weinig zou baten. Den halven nacht zat ik in de bakkerij, mij onledig houdende met het schrijven van een uitvoerig rapport aan den gouverneur-generaal; dit was echter bij de ontelbare menigte moskieten, die in digte zwermen om mij heen vlogen, geenszins eene gemakkelijke taak. Ten gevolge van tallooze steken waren mijne handen dan ook zoo ruw als eene rasp geworden en het papier met bloedvlekken als bezaaid. Gelukkig was dit echter slechts het concept, dat ik den volgenden dag in 't net schreef. Eerst na middernacht begaf ik mij naar mijne woning om daar eene slaapplaats te zoeken.
Het getier in de kazerne had opgehouden. De meesten lagen bewusteloos op den grond en voelden niets meer van het steken der moskieten; slechts de scheepsjongens, die nog geene zoo erge zuiplappen waren, liepen huilende en vloekende rond.
Ik had mijn bed aan den scheepskapitein, een reeds bejaard man, afgestaan; de beide passagiers hadden van mijne en de scheepsvlaggen eene soort van tent boven
hunne matrassen gemaakt, doch de stuurlieden en ik, wij lagen op den vloer in de antichambre, waar het niet mogelijk was van wege het gegons en steken dezer helsche insekten een oog te sluiten.
Vol verlangen zag ik den dageraad te gemoet. Plotseling drong een jammerlijk gekerm tot mij door; het scheen van de plaats te komen en ik haastte mij naar buiten te ijlen, om de oorzaak er van op te sporen. Een der scheepsjongens, die zich voor de eerste maal in een tropisch gewest bevond, kwam mij bevende te gemoet en verhaalde van een monsterachtig dier, dat onder een hoop planken zat, waar hij zich voor de moskieten had willen verbergen. Ik onderzocht nu den hoop en vond eene groote pad, die door haar dof geluid den armen jongen zooveel schrik aangejaagd had.
's Ochtends vroeg kwamen nagenoeg alle Indianen van het dorp met hunne corjalen, waarvan de grootste aan hun opperhoofd, Christiaan geheeten, toebehoorde en ten minste 50 voet lang en 5 voet breed was. Hij zelf, wiens nieuws-gierigheid was gaande gemaakt door het verhaal van den Indiaan, die mij daags te voren aan het schip bragt, had zijne drie vrouwen meêgenomen, van welke hij de jongste, die naauwelijks 16 jaar oud was, bijzonder scheen te beminnen.
Spoedig bevonden wij ons aan boord, en thans zag ik eerst hoe verschrikkelijk de matrozen hier 's avonds te voren hadden huisgehouden. In het ruim lag alles door elkander, en op de glas- en porselein-scherven hadden de Indianen het vooral niet verzien. Gelukkig vond ik eene mand met laarzen en schoenen, waarvan ik onder de mannen eene uitdeeling deed; de meeste waren echter veel te groot voor hunne nette voeten. Daarna haalde men voor den dag, hetgeen mij toescheen van belang te zijn, en zoo spoedig mogelijk werden alle cor-
jalen daarmede geladen. Het kostte inderdaad niet weinig moeite deze lieden in toom te houden en te zorgen, dat zij niet beschonken raakten. Hoe veel verschillende dranken en lekkernijen er ook aan boord waren, maakte toch niets op deze menschen eenigen indruk; slechts jenever, beschuit en stokvisch vonden zij naar hunnen smaak. Onverschillig laadden zij alles, wat ik hun aanbood, in hunne corjalen; doch toen ik toevallig eenige groote doozen met zijden dameshoeden, bloemen en linten vond, stormden allen op mij los en verzochten er om. Ik gaf hun den geheelen rommel, die toch weinig waarde had, en nu vielen zij als hongerige wolven er op aan en de voorsten, die het geluk hadden er meerdere van magtig te worden, zetten deze boven elkander op, terwijl zij die er geene kregen zich geenszins tevreden betoonden.
Onderscheidene blikken trommels met zoogenaamd sinter-klaasgoed, allerlei figuren, zooals stoombooten, dieren enz. voorstellende en met stukjes bladgoud beplakt, trokken evenzeer hunne aandacht en wel niet uit hoofde van den aangenamen smaak, want geen hunner wilde zelfs eens de proef nemen en er van eten, maar wegens de figuren, die zij zoo koddig vonden. Zij regen ze aan koorden en droegen ze zoo lang om den hals, totdat de koek, van zweet en water doorweekt, als brij langs hun ligchaam afdroop. Men verbeelde zich nu een paar dozijn roode, naakte menschen in laarzen en schoenen, met stapelsgewijs den een op den ander geplaatste en met bloemen opgetooide dameshoeden, behangen met halssnoeren van sinter-klaaskoek, bezig zijnde de masten en touwladders op en af te klimmen, kisten en vaten op te hijschen en in de booten af te laten enz., dan zal men zich waarlijk niets potsierlijkers kunnen voorstellen.
Terwijl wij allen vlijtig werkten, zat het opperhoofd met zijne meest beminde vrouw in de kajuit en dronk
de eene flesch voor, de andere na leeg. De vele soorten van drank, die zijn jeugdig vrouwtje gebruikt had, veroorzaakten haar zulk eenen roes, dat zij zonder beweging op den grond lag en met strak staande oogen als een schaap blaatte. Mistroostig zat de geheel en al beschonken oude man naast zijne dierbare echtgenoote, niet in staat zijnde haar te helpen.
De boot was ondertusschen geladen en de Indianen drongen op het vertrekken aan, omdat de vloed met geweld kwam opzetten en het daardoor gevaarlijk werd langer te vertoeven. Na meermalen te vergeefs beproefd te hebben om de vrouw weder bij te brengen, wreef ik haar gezigt met eau de Cologne, waarvan zich eene kist vol aan boord bevond. Misschien was haar er iets van in den neus gekomen, want zij begon verschrikkelijk te niezen en zette een gezigt, dat ik even grappig vond, als hare met sinter-klaaskoek opgesierde landgenooten. Met moeite daalde Christiaan eindelijk in de corjaal af en ontving zijn vrouwtje zacht in zijnen schoot. Wij hadden haar een touw om het lijf geslagen en even als een vat in de corjaal afgelaten.
De zee was ondertusschen zoo onstuimig geworden, dat ik voor de lading en zelfs voor mijn leven begon te vreezen; het weeklagen der vreesachtige vrouwen was ook geenszins geschikt om mij moed in te boezemen. De corjaal was bovenmatig zwaar geladen; want behalve 400 vaatjes boter, elk van 14 pond, 10 vaten Madera-wijn ter waarde van 1200 gulden, was er nog eene groote hoeveelheid anderen wijn en levensmiddelen, benevens ijzerkramerijen en veren bedden in opgestapeld. Daarenboven bevonden zich aan oud en jong zeker 40 personen in de boot. Eindelijk waren allen aan boord en reeds liet men het touw los om af te varen, toen eene golf de plank, waaraan bij groote indiaansche corjalen het roer bevestigd is, wegnam en het water als door
eene geopende sluisdeur in de boot stroomde. Er ging een angstkreet op; doch de stuurman had zich spoedig met zijn achterdeel in de opening geplaatst om het verder indringen van het water te beletten, terwijl een ander de plank en het roer weder vastmaakte en de reten met stukken van zijnen gordel stopte, en hiermede was de schade verholpen. Ik dankte God toen ik behouden aan wal stapte.
Hier werd nu alles in grooten haast gelost en op het strand nedergelegd. Voor het verder vervoeren en bewaren der medegebragte goederen moest ik echter alleen zorgen. Want, door mij met twee kisten jenever beschonken, voeren de Indianen naar hun dorp, om zich daar eens regt te goed te doen. Mijne soldaten hadden wederom zoodanig feest gehouden, dat zij naauwelijks op hunne beenen konden staan. Daar de matrozen sliepen, was ik genoodzaakt alles zelf te doen.
Over planken, die ik op het zand gelegd had, rolde ik de zware vaten opwaarts naar het midden van de plaats. Van groote, zware kisten vormde ik een vierkant, in het midden waarvan de kleinere voorwerpen, zoo als boteren wijnvaatjes, kisten van minderen omvang enz. geplaatst werden. Vervolgens overdekte ik alles met planken, om den regen en de brandende hitte der zon af te weren. Thans heerschte er een overvloed op den post, waarbij de soldaten paal noch perk kenden. Wat zij niet van de matrozen konden krijgen, zochten zij van de goederen, die ik medegebragt en waarvan ik een behoorlijken inventaris opgemaakt had, te ontvreemden. Zij kookten en aten gemeenschappelijk met de matrozen, en de vele, van het schip afkomstige levensmiddelen hadden hun de heerlijkste maaltijden kunnen opleveren; doch ten gevolge van het aanhoudend drinken droeg men weinig zorg voor de keuken. Zoo werd eens de geheele inhoud van een vaatje pekelworst, dat 10 pond woog, in den ketel gedaan,
waardoor het eten zoo zout werd, dat het niet te gebruiken was. Van kwaadheid wierp men alles de deur uit, waar de loerende roofvogels er heerlijk aan smulden en waarbij het grappig was te zien, hoe deze elkander aan de nog aaneengeregen worsten heen en weêr trokken.
Den anderen dag voer ik, met zoo veel corjalen, als te krijgen waren, op nieuw naar boord, en daar de groote corjaal door de beide passagiers, die den volgenden dag naar Paramaribo wilden vertrekken, gehuurd was, begaf ik mij des avonds andermaal naar het schip, om heden nog zoo veel mogelijk te bergen.
Van nu af gebruikte ik de voorzorg alle fijnere wijnen en kostbare lekkernijen in de voorkamer mijner woning te plaatsen, om ze op die wijze voor soldaten en matrozen te beschermen. Met dezen had ik echter veel te stellen, want zij waren niet meer tevreden met jenever en rooden wijn, waarvan hun een vat ten dienste stond, zoodat zij drinken konden, zoo veel zij verkozen, maar zij verlangden rijnschen wijn en madera, waarvan ik de vaten en kisten achter slot had. Daar ik hun te kennen gaf, dat ik niet bevoegd was over deze goederen te beschikken, als zijnde het eigendom der assurantie-maatschappij, en ik dus natuurlijk weigerde hun hetgeen zij begeerden te geven, besloten zij mij daartoe te noodzaken en het huis te bestormen. Dit zou nu juist niet moeijelijk te volvoeren geweest zijn; want behalve den bejaarden en ziekelijken kapitein en de twee passagiers, bevonden er zich slechts nog de beide stuurlieden in, welke laatstgenoemde echter geheime redenen hadden, om de partij van het scheepsvolk te kiezen. Zij kwamen dus met bijlen en sabels gewapend er op los, en eischten nogmaals rijnschen wijn! In plaats van eenig antwoord te geven, laadde ik mijne beide geweren en verklaarde kort en bondig, dat ik den eersten den besten,
die eenen voet over den drempel zette, zou overhoop schieten. De kapitein gebruikte al zijne welsprekendheid om zijn volk onder het oog te brengen, aan welke straffen zij zich door deze handelwijze zouden blootstellen. Onder allerlei redeneringen ten mijnen opzigte, trokken zij eindelijk af en dronken nu weder Schiedam's edel nat, dat zij kort te voren veel te slecht gevonden hadden. Bij dit tooneel waren de matrozen de belhamels geweest en hadden blijkbaar de soldaten er toe aangezet.
Den derden dag kwam Christiaan met zijne corjaal om de beide passagiers naar Paramaribo te brengen. Ik stond er op en verkreeg dan ten laatste ook, dat twee der ergste matrozen, die ik meende niet te kunnen vertrouwen, insgelijks medegezonden werden. De kapitein verkoos nog eenigen tijd te blijven, ten einde te zien, wat er van zijn schip zou worden. Zonderling kwamen mij de wetten of bepalingen der assurantie voor, omdat hij het niet waagde, iets van boord te halen. Eene groote barkas, waarmede men bij aanhoudend werken in 4-6 dagen gemakkelijk de geheele lading had kunnen bergen, stond ongebruikt op 't strand, en derhalve was ik verpligt zonder de minste hulp van den kant der ekwipagie, de goederen van tijd tot tijd aan wal te brengen.
De passagiers hadden zich belast met de bezorging van mijn rapport aan den gouverneur-generaal, waarbij ik een inventaris van alle tot heden aan wal gebragte goederen gevoegd had. Daags te voren had ik een ander rapport door Indianen aan den kommandant op Armina gezonden.
Na het vertrek der beide passagiers en matrozen was ik weder veel geruster, eensdeels omdat ik meende thans voor oproer op mijnen post beveiligd te zijn, anderdeels dewijl ik weder in mijne eigen kamer kon logeren.
Dagelijks voer ik met corjalen naar boord; doch doordien deze slechts klein waren, kon er telkens niet veel
van belang aan wal gebragt worden. Daar het schip op de zandbank elk geweld der golven scheen te trotseren, en er zelfs na verloop van zes dagen nog geen lek in te bespeuren was, hield ik mij vast overtuigd, dat, indien men ijverig werkzaam ware geweest, lading en schip hadden behouden kunnen blijven.
Acht dagen na het stranden van het schip kwam mijn kommandant van Armina, vergezeld van den officier van gezondheid aan. Hij was dadelijk na ontvangst van mijn schrijven op reis gegaan; want hij stelde zeer veel belang in de zaak en het speet hem slechts, dat ik de arme schipbreukelingen niet voldoende kon ondersteunen. Ook van de verwarring en het vrolijke leven, die op den post heerschten, was hij zoowel door mijnen brief als door den overbrenger er van genoegzaam onderrigt; daarom had hij, behalve eenige bossen bananen, niet het geringste medegebragt, dat tot ondersteuning dier arme lieden had kunnen dienen.
De doctor, die den kommandant vergezelde, bespeurde zoo goed als deze, dat er hier wat te verdienen viel. Zijne menschlievendheid was dus wel niet de voornaamste reden, waarom hij deze reis had gedaan, waarbij de kommandant hem slechts met tegenzin had meêgenomen en enkel omdat hij er volstrekt maar niet van had willen afzien. Terstond na de aankomst van den kommandant maakte ik hem het pligtmatig rapport, toonde hem den inventaris en gaf hem ook inzage van het concept der door mij aan den gouverneur-generaal gezonden mededeeling. Dit laatste keurde hij ten hoogste af, omdat ik als korporaal alleen aan hem had moeten verslag geven, en door mijne eigendunkelijke handelwijze een onverantwoordelijk vergrijp tegen de krijgstucht had begaan, weshalve deze ook ongetwijfeld eene ernstige berisping over zoodanigen onwettigen stap van gouvernementswege
ten gevolge moest hebben. Ik bekreunde mij hierover echter zeer weinig, omdat ik zeer wel begreep, dat het misnoegen van den luitenant over mijne aanmatiging uit eene geheel andere bron voortvloeide, dan uit een vergrijp tegen de krijgstucht.
Welk eenen onaangenamen indruk mijne zoogenaamde eigendunkelijke handelwijze ook op hem maakte, werd hij toch weldra wederom gerust gesteld bij het zien der menigte voorwerpen, die zich deels nog aan boord bevonden en te krijgen waren, deels na het verzenden van den inventaris, door mij van boord gehaald waren. Het gemeenschappelijke belang, dat wij bij de zaak hadden, vernietigde zoo tamelijk de scheidsmuur, welke tusschen mij als korporaal en de beide officieren bestond, en er heerschte eene gemeenzaamheid onder ons, alsof wij van denzelfden rang waren. Ondertusschen voeren de twee booten, door den kommandant medegebragt, dagelijks naar boord en haalden het grootste gedeelte der goederen af.
Het schip zonk later al dieper en dieper, zoodat bij vol getij de golven er over heen sloegen en spoedig het beneden-ruim vol water stond. Men was dus verpligt er eenige groote openingen in te hakken, opdat het water met de eb er weder uit kon loopen. Vele honderden manden met aardappelen en uijen stonden in het voorste gedeelte van het ruim: deze had ik laten staan, omdat ik ze van te geringe waarde achtte. Thans stonden zij aan het zeewater bloot en verrotten, waarbij zij zulk eenen ondragelijken reuk verspreidden, dat wij, wanneer de wind uit het noordoosten blies, zelfs op den post er hinder van hadden.
Eenige dagen na de aankomst van den kommandant werden de soldaten, die zich zoo slecht gedragen hadden, met uitzondering van eenen enkelen, van wien ik somtijds nog eenige dienst had gehad, naar den post Armina gezonden. Vooraf werden hunne kisten op de plaats door
den kommandant onderzocht en de jenever en brandewijn er uitgenomen, omdat onderweg gemakkelijk eenig onheil daaruit ontstaan kon.
Onder de vertrekkenden nu bevond zich een jonge man, die door schertsenden luim en door zijne grappen elkeen vermaakte. De luitenant had, om zijn gezag meer klem bij te zetten, de blinkende teekenen zijner waardigheid op zijne schouders hangen, en was juist met de kist van den grappenmaker bezig, toen deze achter den rug van den officier een afgrijsselijk mombakkes met eenen langen grijzen baard, dat hij waarschijnlijk van eenen matroos gekregen had, voordeed. De doctor, kapitein en ik zagen de grap aan, en de negers, indianen, matrozen en soldaten, om den kommandant staande, wachtten met gespannen aandacht het einde er van af. Eindelijk keerde de laatstgenoemde zich om, en tegenover hem stond de afschuwelijke gedaante van den spotvogel, die zich bovendien nog hoogst potsierlijk opgetakeld had. Verschrikt sprong de kommandant eenige passen achteruit, doch herstelde zich spoedig en achtervolgde den grappenmaker dadelijk, onder een schaterend gelach der omstanders, tot aan de savannen.
Na het vertrek van den kapitein, de matrozen en soldaten, was het gewoel en getier vervangen door eene bedaarde, aangename levenswijze, waardoor men in staat was alles naar behooren te onderzoeken, zonder gestoord te worden. Er waren vier negers achtergebleven, die met mij of met den doctor dagelijks naar boord voeren. Bij onze terugkomst verraste ons de kommandant, die een meester in de kookkunst was, met de keurigste maaltijden, welke onder zijn opzigt uit den overvloedigen voorraad bereid werden.
Eindelijk kwam de boot van Armina en bragt drie zwarte en een blank soldaat. Omstreeks denzelfden tijd verscheen een schoener met een schrijven van gouver-
nementswege aan mij, waarbij mij de bijzondere tevredenheid van den gouverneur werd kenbaar gemaakt over de door mij genomen maatregelen, behelzende tevens den last, om de geborgen goederen met den schoener te verzenden. Aan boord van dezen bevonden zich zes oorlogsmatrozen, om den kapitein, een' ouden, sluwen engelschman voor wien iets dergelijks niet nieuw was, behulpzaam te zijn. Thans blies de kommandant, na nog zoo veel slechts eenigzins doenlijk in zijne beide booten geladen te hebben, met den doctor den aftogt, zich alleen beklagende, dat men niet het geheele schip naar Armina kon vervoeren.
De kapitein begon dadelijk de tuigagie van het schip, zoo als zeilen, touwwerk enz. op zijnen schoener over te brengen en dien daarmede op te tuigen, zoo dat dit oude, bouwvallige vaartuig weldra een zeer statig voorkomen had en alle hoeken en gaten met bruikbare voorwerpen voor de toekomst opgevuld waren.
De oorlogsmatrozen hadden gedurende dien tijd vrijaf, en zij maakten van die vrijheid dan ook ruimschoots gebruik om zich te verlustigen. Juist had ik den dag van hunne aankomst bezoek gekregen van eene familie der Arrauwaken. Het meerendeel bestond uit vrouwen, die door de geestrijke dranken waren uitgelokt. De matrozen eigenden zich nu van de door mij geborgen en geïnventariseerde voorwerpen een paar kisten met brandewijn toe, en weldra lagen allen buiten westen op de savanne. De nacht behoefde juist haren sluijer niet over dit tooneel uit te spreiden; want de Indianen waren niet minder beschonken dan hunne vrouwen en dochters, zoo dat zij de mispassen van dezen niet eens konden opmerken.
Ik had mij in mijne woning opgesloten en lag reeds gerust te slapen, toen een vervaarlijk geschreeuw en een helsch geraas, dat uit de bakkerij scheen voort te komen, mij deden ontwaken. Met het licht in de hand ijlde ik
er terstond heen, om de oorzaak van dit nachtelijk rumoer te leeren kennen. Spoedig ontdekte ik deze. Er bevonden zich namelijk twee matrozen met twee indiaansche vrouwen. Deze waren, ten einde zich tegen het steken der moskieten te beschutten, in het bed van den bakker gekropen, die hun dit uit beleefdheid had afgestaan. Het, uit duigen van meelvaten aaneen gespijkerde, wormstekige meubelstuk, dat reeds sedert onheugelijke tijden de eene bakker aan den anderen had overgedragen en slechts voor één persoon bestemd was, bezweek onder zijnen last en viel er mede op de daaronder liggende meelvaten. Klaarblijkelijk had Joost hierbij de hand in 't spel; want deze laatste waren met den slaaptoestel eenige passen voortgerold en stieten tegen den bakoven, waarin, daar deze zich insgelijks reeds sedert lang niet in den besten toestand bevond, eenige scheuren ontstonden. De matrozen en hunne liefjes waren bij deze glijpartij er heelhuids afgekomen; doch de bakker, die zijn nachtverblijf in den trog genomen had, kreeg ten gevolge van den schok, het deksel op zijn hoofd dat hem eenige builen berokkende. Toen ik met het licht kwam, stonden allen nog te kijken alsof zij van Lotje getikt waren. Spoedig echter bragten de vrouwen haar toilet weder in orde, en de matrozen dronken voor den schrik met den bakker eenige glazen brandewijn.
Na een verblijf van bijna veertien dagen, in welken tijd de kapitein zijne wettige en niet wettige werkzaamheden verrigtte, vertrok ook hij met zijne matrozen. Thans was ik ten minste voor eenige weken tegen bezoeken gewaarborgd, en ik maakte van dien tijd gebruik, om dikwijls uitstapjes te doen naar mijne naburen, de Indianen, ten einde hunne zeden en gebruiken te leeren kennen.
Deze behoorden, zoo als de meeste Indianen, tot den stam der Caraïben; hun geheele dorp zal ongeveer uit
100 inwoners bestaan hebben. Het opperhoofd, een man van tusschen de 55 en 60 jaren, heette Christiaan. Bij verschillende vrouwen had hij ten minste 12 kinderen, van welke de meesten volwassen en gehuwd waren. Hij stond bij alle Indianen als Piaiman, d.i. geneeskundige of toovenaar, in groot aanzien, en werd, wanneer iemand ernstig ziek was, dadelijk geroepen. Later had ik gelegenheid zijne bezweringen met alle toebereidselen er voor bij te wonen en gade te slaan.
De levenswijze der Caraïben verschilt niet veel van die der Arrauwaken; deze laatsten zijn echter zachtzinniger van inborst. Ook zijn de gelaatstrekken der Arrauwaken, inzonderheid die der vrouwen, fijner en behagelijker en bezitten niet de harde uitdrukking van die der Caraïben. Omtrent de zindelijkheid hunner woningen en huns ligchaams zijn de Caraïben veel naauwgezetter dan de Arrauwaken, en ofschoon beide stammen in vriendschap leven, verachten zij toch elkander. De Arrauwaken zijn meerendeels goede jagers, daarentegen schijnen de Caraïben de vischvangst beter te verstaan; ook overtreffen deze de eerstgenoemden in het bouwen der corjalen en in het besturen er van bij stormachtig weder.
De Caraïben zijn een schoon, krachtvol menschenras; de mannen zijn zelden grooter dan 5 ½ voet, de vrouwen echter veel kleiner. Zij tatoueren zich niet, doch beschilderen tijdens hunne feesten, en vooral wanneer zij van eene reis terugkomen, hun ligchaam met het sap eener vrucht (Tabouriba), dat de eigenschap bezit van zich nergens door te laten afwasschen of uitbijten, maar dagelijks bleeker wordt en op den achtsten dag geheel verdwijnt. De kleur van dit sap is zwart en wordt door middel eener penneschacht op het ligchaam gebragt. Het beschilderen echter, waaraan zich zoowel vrouwen als mannen onderwerpen, is een langwijlig werk en ver-
eischt verscheidene uren, om welke reden men ook slechts weinige aldus beschilderde Indianen ziet; de meesten vergenoegen zich het sap op het ligchaam te spuiten en dit met de vrucht in te wrijven.
Het haar wordt met eene zalf van roucou (arnotta) en crapaat-olie ingewreven, en deze laatste bijna ter dikte van eenen vinger op het voorhoofd gesmeerd. De voeten en beenen worden insgelijks tot aan de knieën rood gekleurd. Op het gezigt worden met eene verf, crawarou genaamd, en vermengd met de aangenaam riekende hars arakasiri, lijnen en punten geteekend. Hoofdtooisels uit veêren vervaardigd, halssnoeren van apen-, pakir- of kaaimanstanden voltooijen den opschik.
Hunne vrouwen zijn zeer gemakkelijk van die der Arrauwaken te onderscheiden, want zij dragen in plaats van de nette, met koralen versierde schort, die bij de laatstgenoemden de eenigste bekleeding uitmaakt, eenen langen, donkerblaauwen doek, welke, aan eenen van apenhaar vervaardigden gordel bevestigd, tusschen de beenen door getrokken wordt en tot hetzelfde doel dient. Zij laten hetfraaije, zwarte, doch op het voorste gedeelte van het hoofd glad afgesneden haar meestal los, doch somtijds ook, tot staarten gevlochten, op de schouders afhangen. De onderlip is met groote naalden doorboord, waarvan de punten naar buiten uitsteken en die tevens als wapen kunnen dienen tegen hen, die zich eenige al te groote vrijheid zouden willen veroorloven. Menige caraïbische schoone draagt in de oorlelletjes een stuk hout of been, dat somtijds een duim dik is. Het opmerkelijkst echter zijn hare kuiten, die even als kleine tonnetjes uitsteken. De dikke, drie duim breede, katoenen banden, die bij kleine meisjes boven den enkel en onder de knie gebonden en nooit weggenomen worden, beletten den natuurlijken groei, en veroorzaken dat de kuiten dien wanstaltigen vorm aannemen.
De jonge meisjes zijn, wanneer men deze wanstaltigheid uitzondert, aanvallige schepseltjes; echter worden zij, in jaren vorderende, bovenmatig breed, plat als een koekenpan en hare borsten, waaraan somtijds kinderen, apen en jonge honden te gelijk zuigen, hebben, vooral op verder gevorderden leeftijd, vrij veel overeenkomst met van varkensblazen vervaardigde tabakszakken.
Hoe geheel anders daarentegen is eene jonge boschnegerin gebouwd! Welk eene evenredigheid, welk eene volheid der ledematen! De zwarte satijnachtige huid, de volmaakte evenredigheid van alle deelen des ligchaams zouden aan eenen beeldhouwer het zuiverste model eener schoone vrouw opleveren. Jammer maar dat deze zwarte beautés eenen reuk rondom zich verspreiden, dien de reukwerken van geheel Arabië niet vermogen te verdrijven, eene eigenschap, welke de Indianen niet bezitten.
In hunne huisselijke betrekkingen bestaat er tusschen de Caraïben en de Arrauwaken weinig onderscheid. De meesten houden zich met ééne vrouw tevreden; men vindt er echter ook, die er twee, drie of meer hebben; van dezen heeft elke eene afzonderlijke hut voor zich en hare kinderen. Komt nu de man, die dusdanigen harem bezit, t' huis, zoo wordt hem door zijne vrouwen zijn eten voorgezet; dit bestaat altijd uit cassave-brood en eene, uit tallooze specerijen gekookte saus, benevens wild en visch, indien hij dit heeft medegebragt. Ieder dezer vrouwen brengt haar eten aan den man, plaatst het voor hem en verwijdert zich dadelijk weder zonder een woord te spreken. Bijgevolg kan men uit het aantal schotels opmaken, hoeveel vrouwen een man heeft. Na den eten neemt elke vrouw hare schotels weder weg en nuttigt met hare kinderen het overschot in hare hut.
In zulke polygamische huwelijken vallen echter somtijds moorddadige tooneelen voor, en het gezag van den man
wordt, wanneer de dames eenmaal in toorn ontstoken zijn, weinig meer geëerbiedigd. Er bestaat onder hen volstrekt geene huwelijkstrouw, en het gebeurt dikwijls dat eene vrouw zich maanden lang bij eenen anderen Indiaan ophoudt, en naderhand tot haren man terugkeert. Eveneens is het niets zeldzaams, dat mannen hunne vrouwen en kinderen verlaten en zich op andere plaatsen gaan vestigen.
Er bestaat voorzeker geen onbestendiger volk dan de Indianen. De kleinste omstandigheid is in staat hen van denkwijze te doen veranderen en te bewerken, dat zij akkers en woningen, zelfs wanneer deze pas aangelegd en gebouwd zijn, zoowel als hunne familiën verlaten en zich liever met onuitsprekelijke moeite op andere plaatsen weder nederzetten, waar zij op verre na niet die voordeelen te verwachten hebben, welke de verlatene woonplaats hun opleverde. En zoo als de ouden zingen, zoo piepen de jongen. Want het is niets ongewoons, dat kinderen van 10-12 jaar van hunne ouders wegloopen, en zich naar andere, dikwijls zeer ver afgelegen dorpen begeven, waar zij kennissen hebben. Eene hangmat, pijl en boog, en somtijds nog een oud mes maken den geheelen rijkdom van dusdanigen kleinen vagebond uit, die de kunst verstaat, om uit elke hagedis, elken vogel of visch, dien zijn pijl bereikt, zijnen maaltijd gereed te maken.
Ouder- en kinder-liefde behooren tot de zeldzaamheden en ten aanzien van ouden en zieken schijnt men geheel gevoelloos te zijn. Zelfs lieten moeders, wier kinderen des nachts uit hare hangmat in 't vuur vielen en zich op de vreesselijkste wijze brandden, deze arme wichten kermen zonder hen te helpen, en dansten bij het Tapanafeest onbezorgd in de rijen der overigen. Zulke brandwonden komen menigvuldig voor, omdat de Indianen altijd vuur onder hunne hangmat branden en
menig kind, dat van zijne dronken moeder wegkruipt, in 't vuur valt.
De dorpen zijn zonder eenige regelmaat, meestal digt aan eene rivier of bevaarbare kreek aangelegd, en de huizen staan zonder de minste orde door elkander, daar waar de luim van den eigenaar die plaatste.
Elk huisgezin heeft zijne eigene hut, waarvan zij zoo lang gebruik maakt, totdat er zich geen plaatsje meer in bevindt, waar de hangmat tegen den regen beveiligd is. Deze hutten worden doelmatig en zeer eenvoudig gebouwd. Twee of drie, ongeveer 8 duim dikke palen van fraai regt hout worden zoo ver van elkander in den grond gegraven, als de lengte der hut zal bedragen. Zij zijn 10-12 voet hoog en dragen eenen zwaren dwarsbalk; deze is zoo lang als het huis en bestemd om het dak te dragen. Vier palen ter hoogte van ongeveer 4 voet zijn op de vier hoeken in den grond geheid, en dragen twee met den middelsten balk evenwijdig loopende en even lange balken. Aan dit lijstwerk wordt een zeker getal ligte staken met touw vastgebonden en in den nok van het huis aan de groote dwarsbalk bevestigd.
De bladen der groote heliconie worden in de middenrib zamengevouwen en met lianen aan elkander geregen. Nadat door het aaneenhechten van vele dezer groote bladen een aanzienlijk stuk van het dak gereed is, wordt dit met sparren en staken belast, en blijft zoo lang op den vooraf zorgvuldig gereinigden grond liggen, totdat de stijve bladen eenigzins slap geworden zijn en het geheele stuk zich laat oprollen. Daarna maakt men het eene einde aan den grooten dwarsbalk vast, en ontrolt het bekleedsel. Deze stukken zijn juist zoo lang als de bladen breed zijn, ongeveer 7-8 voet, en er worden er dus zoo vele van vervaardigd, als de lengte van het huis vereischt. Een weinig onder het eerste wordt het tweede,
en zoo vervolgens elk stuk gelegd, opdat de regen er niet kan indringen. Wanneer beide zijden van het dak op deze wijze belegd zijn, wordt de gevel met kunstig ineengevlochten cumunubladen bedekt. Dit alles wordt met lianen aan het lijstwerk vastgebonden. Hoe ligt deze daken ook zijn, kan de regen er toch niet doordringen. Eene zoodanige hut blijft 2-3 jaren in goeden staat en, wanneer zij niet te zeer aan den wind blootstaat is zij van nog langeren duur.
Werkzame Indianen plegen ook nog eene afzonderlijke slaapkamer te bouwen. In dit geval wordt de hut aanmerkelijk hooger, en ongeveer 6 voet boven den bodem worden over de geheele breedte zoogenaamde palissaden gelegd, die den vloer uitmaken. De zijden worden zorgvuldig met palmbladen gesloten, en slechts aan eenen kant wordt eene opening gelaten, die tot ingang dient; deze sluit men des nachts met eene, insgelijks uit palmbladen gevlochten deur. Tot dit slaapvertrek geleidt een, uit eenen boomstam ruw bewerkte trap. Ook hier heeft elk persoon een vuurtje onder zijne hangmat, en het is inderdaad onbegrijpelijk, dat er niet meer brand ontstaat. De palissaden worden tot dit oogmerk met potscherven bedekt, op deze wordt een weinig aarde geschud en daarop het vuur ontstoken. Het hout hiertoe voeren de vrouwen aan; deze zijn insgelijks belast met het aanmaken van het vuur.
Met het aanbreken van den dag verlaat iedereen zijne hangmat, om zich in de rivier te baden; daarna maken de vrouwen de hut schoon, bakken brood en koken het eten. De mannen gaan vervolgens op de jagt of op de vischvangst, of gaan ook wel weder in hunne hangmat liggen en bemoeijen zich in 't minst niet met het huishouden.
De vrouwen en dochters der Caraïben zijn zeer bekwaam
in het vervaardigen van kruiken, potten en groote troggen, waarin casiri en tapana gebrouwen wordt. Eveneens bezitten zij eene groote bekwaamheid in het vervaardigen van hangmatten. De potten worden nit eenen graauwen of roodachtigen, zeer vetten leem gemaakt, dien zij meestal van zeer ver afhalen. De leem wordt eerst van alle onreinheden gezuiverd en met het poeder van den tot kool verbranden bast van den kwepieboom vermengd en daarna met de handen zoo lang gekneed, totdat zich alles gelijkmatig vermengd heeft. De werktuigen voor dit pottebakkerswerk zijn zeer eenvoudig en bestaan alleen uit een plankje, waarop men hetgeen vervaardigd zal worden plaatst; uit eenige stukken van kalebassen, die de gedaante van eenen lepel of spatel hebben en tot het afkrabben van den overtolligen leem dienen, alsmede tot het glad maken van het werk, en eindelijk uit eene kalebas met water om het werk te bevochtigen.
Den leem rolt men tot dunne, lange reepen uit; op het plankje vervaardigt men den bodem, waaraan deze repen vastgekleefd en aanhoudend in de rondte met den spatel bewerkt worden. Is het werk gereed, dan zet men het op eene luchtige plaats om te droogen. - De schotels worden vervolgens van binnen met roucou en eene soort van vernis van copal bestreken, na vooraf met eenen rooden, naar jaspis gelijkenden steen, die in den Corantyn of den Maho gevonden wordt, gepolijst te zijn. - Wanneer de potten of kruiken droog genoeg zijn, legt men er een vuur rondom aan, en beschildert ze vervolgens, indien zij zich gunstig aan het oog moeten voordoen, met het vocht van zekeren kever, waardoor zij bruin gekleurd worden. - Deze waterkruiken zijn in de geheele kolonie in gebruik, en het water blijft er ook zeer koel in, omdat zij poreus zijn en altijd zweeten.
Eene andere belangrijke bezigheid is het vervaardigen
der hangmatten. - Katoen, dat zij gedeeltelijk zelven om hare hutten planten, gedeeltelijk op de plantagiën inruilen, wordt in ledige uren door haar gesponnen en daarna, wanneer eene genoegzame hoeveelheid, bijv. 10-15 pond garen voorhanden is, het weefgetouw opgeslagen. Aan twee overeindstaande paaltjes zijn twee andere zoo ver van elkander bevestigd, als de halve lengte der hangmat bedragen moet. Om deze paaltjes nu wordt de ketting of schering gewonden, de inslag, door de kettingdraden op te ligten, er doorgeschoven en met een glad lineaal van hard hout ineen geklopt. - Dat dit werk zeer langzaam vordert, is gemakkelijk na te gaan. Deze hangmatten zijn echter zeer digt en warm, en worden met 25-30 gulden het stuk betaald. De andere hangmatten worden uit koorden, die uit bladen der mauritius-palm gevlochten zijn, geweven, doch gelijken naar eene soort van netwerk en zijn niet duurzaam.
De vrouwen zijn insgelijks met het bebouwen der velden belast. De mannen vellen wel is waar de zware boomen met de bijl, doch de vrouwen moeten de kleinere struiken met houwers afslaan. Nadat nu in vier tot zes weken alles goed gedroogd is, steekt men den hoop aan de windzijde in brand. Wat niet verbrandt, wordt in kleinere stukken gehakt en op nieuw ontstoken, en hiermede gaat men zoo lang voort, totdat men eene genoegzame ruimte tot het planten der cassavestokken verkregen heeft. Op dusdanigen akker zijn op verre na niet alle boomen verbrand; zeer vele liggen nog door elkander ter plaatse, waar zij geveld werden, en daarom is eene wandeling op eenen indiaanschen akker zeer vermoeijend, omdat men nu eens over boomen klauteren, dan weder er onder door kruipen moet.
Wanneer de kleine regentijd eenen aanvang neemt, in het begin van December, wordt de akker met cassave
of maniok beplant. De knobbelige takken van dezen struik worden in 3-4 voet lange stukken gebroken, en twee of drie er van, eenige duimen onder den grond, kruiselings over elkander gelegd en met aarde bedekt. Binnen eenige dagen reeds loopen de stokken uit en groeijen zeer spoedig, zoodat, op eenen goeden grond, de wortels of knollen in negen maanden rijp zijn. Tusschen de maniok wordt maïs en ananas gepoot, ook yamswortelen en dergelijke, doch alles zonder eenige orde hoegenaamd. Wordt zoodanige akker niet vlijtig gewied, dan vindt men er na verloop van twee tot drie maanden meer onkruid dan vruchten op. Stekelige solaneën, brandnetels en snijdende grassoorten bedekken den grond en de gewassen, en slechts een Indiaan is in staat zich door zulk eene wildernis eenen weg te banen. - Het schoonhouden dezer akkers, een niet zeer gemakkelijk werk, is mede de taak der vrouwen, die ook de wortelen uitgraven en naar huis brengen. De manden, waarin deze veldvruchten, hout en andere voorwerpen gedragen worden, hangen op den rug en zijn met eene sterke liane om het voorhoofd vastgemaakt. Op het hoofd wordt niets gedragen, terwijl de negers de zwaarste lasten op het hoofd torschen.
De mannen zijn zeer ervaren in het maken van pagaals, eene soort van vierkante manden, waartoe zij den bast van zeker riet (Warimbo) gebruiken. In het deksel dezer manden worden verschillende figuren gevlochten. Daar zij uit een zeer digt vlechtwerk bestaan en den regen niet doorlaten, zijn zij overal in gebruik en maken het voornaamste handelsartikel der Indianen uit. Andere kleine manden, die tot het bewaren van krabben, maniokwortels en dergelijke voorwerpen dienen, noemt men kurikuri; deze zijn insgelijks uit warimbo gevlochten. Bogen, pijlen, corjaals en pagaaijen worden uitsluitend door de mannen
vervaardigd, en ondanks hunne onvolmaakte werktuigen zijn zij er zeer vaardig in.
De bogen worden uit 6 voet lange stokken van een hard, veerkrachtig hout, meestal boog- of wasceba-, somtijds ook letterhout of konordeppi, gesneden. In het midden hebben zij eene doorsnede van omtrent 1 ¼ duim, zijn half rond en loopen van het midden naar de uiteinden allengs spits uit. De meestentijds slappe pezen zijn uit het vlas der bromelie ineengedraaid. De ongeveer 3 voet lange pijlen worden uit eene soort van riet gemaakt. Aan het eene einde bevinden zich twee opengespouwen veêren, om de vlugt te regelen; aan het andere eene 1 ½ voet lange, uit zeer hard hout gemaakte punt. Pijlen, waarmede grootere visschen geschoten worden, hebben ijzeren punten; deze worden van oude hoepels, gebroken houwers en messen gevijld, zij zijn van twee weêrhaken voorzien en heeten Tokosi. Zij worden aan het houten verlengstuk van den pijl vastgebonden door middel van bromelie-vlas, dat men bestrijkt met eene soort van pek, Mani genaamd, zijnde de hars van den maniboom (Symphonia coccinea). Pijlen om tijgers, pakirs en groot wild te schieten, zijn insgelijks van ijzer, doch dikker, terwijl de pijlen voor vogels en kleinere visschen verscheidene, uiteenloopende punten van palmhout dragen.
De pijlen, die bijkans even lang zijn als de boog, worden met dezen in dezelfde hand gedragen, terwijl het jagtmes in den gordel steekt. Op de jagt maken de Indianen bij het gaan zoo weinig gedruisch, dat men hen ter naauwernood hoort, en hun gehoor en reuk zijn zoo fijn, dat zij bij de minste beweging in de struiken of op de boomen terstond weten, door welk dier deze veroorzaakt wordt. Met verwondering heb ik zulks menigmaal opgemerkt. Nooit, hoe scherp ik ook toezag, kon ik de
visschen gewaar worden, waarop zij schoten en, ofschoon ook niet altijd, toch dikwijls raakten.
Zeer zelden komt een Indiaan zonder iets geschoten te hebben te huis. Heeft hij ook al geen wild ontmoet, dan toch brengt hij hagedissen, anamu-eijeren (van Pesus serratus) of kabbis-wormen (Curculio palmarum) in zijne weitasch mede, en is hij dus niet verpligt de voor hem onmisbare pepersaus zonder wild te gebruiken. Veeltijds echter zijn zij te lui om te gaan jagen en blijven dagen lang achtereen te huis, waar zij zich met beuzelarijen bezig houden en den meesten tijd in hunne hangmat liggen.
Zoo als onder de vrouwelijke werkzaamheden bovenal het vervaardigen eener hangmat in de eerste plaats verdient genoemd te worden; eveneens is voor de mannen het bouwen eener corjaal het belangrijkste werk; daarom worden hangmatten en corjalen alleen in geval van den hoogsten nood vervaardigd.
Wanneer een Indiaan besloten heeft, eene corjaal te bouwen, zoekt hij eenen fraaijen, regten, zooveel mogelijk digt aan het water staanden wanaboom uit. In zijne nabijheid wordt nu tijdelijk eene hut opgeslagen en de boom geveld. Wanneer deze gezond is, geene scheuren en holten heeft, wordt het bruikbaarste stuk tot zulk eene lengte afgesneden, als de corjaal ontvangen zal. De werktuigen waarvan zij zich bedienen zijn eene bijl en een holle dissel. De boom wordt nu van buiten zoo gehakt, als de vorm der corjaal vereischt. Is men met de buitenste of onderste zijde klaar, zoo wordt er over de geheele lengte hout uitgehakt, en wanneer eene genoegzame holte ontstaan is, vuur daarin ontstoken. Nu draagt men zorg, dat de wanden der corjaal, nog voordat zij uiteen gedreven worden, eene behoorlijke dikte behouden. Is al dit werk verrigt, waarmede somtijds meerdere weken, ja maanden verloopen, dan worden de zijwanden der corjaal, die
thans nog veel overeenkomst heeft met een aan de einden in eene punt uitloopende rol, door stokken welke men er overdwars inperst, uiteen gedreven. Opdat nu door het met geweld uiteendrijven der wanden geene groote scheuren ontstaan mogen, wordt in en onder het vaartuig altijd vuur onderhouden. Gedurig worden er langere stokken ingeperst, totdat de corjaal de behoorlijke wijdte heeft verkregen. Deze laatste werkzaamheid vereischt groote oplettendheid en veel zorg; want ofschoon de corjaal daarbij altijd scheuren ontvangt, kan een deskundige het evenwel zoo aanleggen, dat deze op plaatsen vallen, waar zij minder nadeelig zijn. Is dit laatste werk afgeloopen en de boot in zoo ver voleindigd, dat zij te water gelaten kan worden, dan wordt er tot aan de rivier of de kreek een effen weg gemaakt; op dezen worden ronde stokken of rollen gelegd, en daarna wordt de corjaal door een genoegzaam aantal Indianen te water gebragt. De scheuren en reten worden met bijenwas of mani bestreken, en banken, dwarshouten enz. worden er met lianen in vastgemaakt.
Heeft eene familie nu eenen voorraad van schotels, kruiken, pagaals enz. vervaardigd, en is zij in het bezit eener boot, dan wordt eene reis naar Paramaribo of de plantagiën ondernomen. Daar deze meestal over zee gedaan wordt, bevestigt men aan beide zijden der corjaal lange, dunne planken, die uit het weeke hout van den trompetboom (Cecropia peltata) gehouwen zijn; deze dienen om de wanden wat te verhoogen en te beletten dat de golven er inslaan. Deze plankjes zijn zoo lang als de corjaal, doorgaans 6-12 duim breed, en door lianen en dwarshouten bevestigd. De voegen tusschen de plankjes en de corjaal worden met harsachtige vezels, die men uit zekeren boombast schaaft, en die de plaats van met teer doortrokken werk vervangen, digt gestopt.
Zeilen worden vervaardigd door de bladstelen van de
mauritius-palm te laten droogen, den uitwendigen bast er van af te trekken, en de mergachtige zelfstandigheid door middel van een bindtouw tot ¼ duim dikke, 1 ½ duim breede en 4 tot 6 voet lange repen te snijden. Deze, met bindtouw van bromelie-vlas zoo digt mogelijk aaneen bevestigd, leveren een goed en ligt zeil, zoo lang als men verkiest, en dat gemakkelijk kan opgerold worden.
Terwijl de man voor de uitrusting van het vaartuig zorgt, houden zich de vrouwen onledig met de toebereiding van spijs en drank. Er wordt eene groote hoeveelheid cassavekoeken gebakken en in de zon gedroogd; uitgeperste maniok in manden (Madappi) gepakt en verscheidene pullen (groote steenen kruiken) worden met tapana en casiri gevuld. Doch bij eene zeereis mag vooral één ding niet ontbreken, namelijk Sacura, eene soort van moes of pap, uit gekaauwd cassavebrood, gekookte yams en meer soortgelijke ingrediënten bestaande. Hiervan mengt men eene handvol in eene kalebas met water, dat de Indiaan bijkans nooit zonder eenig bijmengsel drinkt, en bereidt op deze wijze eene soort van soep; nooit heb ik het van mij kunnen verkrijgen deze te proeven.
Bevindt zich eindelijk het geheele huishouden: menschen apen, honden, papegaaijen, hoenders en schildpadden in de boot, zoo plaatst zich de eigenaar met groote deftigheid aan 't roer, en de mannen blazen op hunne fluiten, dat men er hoofdpijn van krijgt; daarna vaart men af.
Daar men den tijd zeer weinig telt, vorderen zoodanige reizen zeer langzaam. Wanneer het stil weder is, schieten de mannen op elken visch, die zich laat zien, en op de eerste gunstige plaats de beste wordt aangelegd en gekookt. Daar de kust zeer laag is en bij elken vloed onderloopt, zijn zij dikwijls verpligt, hunne maaltijden in de boot gereed te maken. Men haalt dan groote stukken modderige plaggen uit het water, spreidt die in de corjaal
uit en maakt er het vuur op aan. Somtijds worden ook in de lage takken der parca-struiken de plaggen en het hout zoo hoog opgestapeld, dat het water dit niet kan bereiken; indien nu de vloed komt opzetten, gebeurt het niet zelden, dat eene golf vuur en pot tevens wegspoelt, en men met eene hongerige maag verder moet trekken. Daarover bekommert zich de Indiaan echter weinig, en men moet er zich over verwonderen, dat honger en dorst zoo weinig invloed op zijne vrolijke gemoedsstemming uitoefenen. Ik heb menigmaal met Indianen gereisd, die 12 uren achtereen uit al hun vermogen pagaaiden, gedurende al dien tijd niets gebruikten, en toch vrolijk en opgeruimd bleven. Bij de sterkste dreigementen zou een neger dit niet doen, en men ontmoet zelden negers, die eenen vloed (6 uren) roeijen, zonder onder de hand iets genuttigd te hebben.
Heeft men nu de plantagiën bereikt, dan wordt bijkans alles tegen brandewijn verruild, en slechts zelden brengen zij nuttige voorwerpen, zoo als stoffen, bijlen, messen, enz. naar hunne woonplaats terug. Te Paramaribo vertoeven zij alleen eenige dagen, staan hetgeen voor hen ongewoon is zonder bijzondere deelneming aan te gapen, en loopen meestentijds beschonken in de stad rond.
Met dram, melasse en een weinig zout nemen zij de terugreis aan, die, omdat zij thans tegenwind en tegenstroom hebben, veel moeijelijker is dan de heenreis. Hier helpt nu geen zeil, men moet pagaaijen en vaart daarom ook meestal na middernacht, wanneer de wind is gaan liggen en de zee bedaarder is. Over dag ligt men op eene stille plaats voor anker, d.i. aan eenen stevig in den grond gestoken stok. Het ankertouw is gedraaid uit den bast van den tot het geslacht Hibiscus behoorenden struik Maho, die aan het zandige strand groeit; het beantwoordt voor korten tijd volmaakt aan het oogmerk. Wanneer men het pagaaijen moede is, loopen de mannen
somtijds halve dagen lang in het water en trekken de corjaal voort. Heeft men den zandigen oever der monding bereikt, dan wordt bij eb het vaartuig aan een lang touw door twee of drie mannen getrokken, terwijl er een aan 't roer zit en zorg draagt, dat de boot niet te digt aan den wal komt.
Bij de aankomst in het dorp wordt er natuurlijk beestachtig gedronken; evenwel worden er nog altijd eenigen gevonden, die bij beurten nuchter zijn. Alsdan ziet men allerwege dolzinnige vermakelijkheden en kloppartijen, en voor iemand die nuchter blijft, is het voorzeker belangrijk den invloed van den dram op de verschillende gemoederen gade te slaan. Men ziet dikwijls in dezelfde hut de vrouwen elkander bij de haren rondslepen en met brandende houten toetakelen, de mannen elkander met houwers meermalen gevaarlijke wonden toebrengen, geheel beschonkenen op den grond liggen en half beschonkenen in hunne hangmatten een lied op de fluit blazen. Bij deze muzijk komt nu nog het geschreeuw der beschonkenen (want zoo stil en bedaard zich de Indiaan in nuchteren toestand gedraagt, even zoo zeer tiert en raast hij, wanneer hij dronken is), het gehuil der kinderen, het gekrijsch der papegaaijen, het geblaf der honden, die van den eenen hoek naar den anderen vlugten, en het gejank der apen. Daar elk mannelijk deelgenoot der reis zijne waren zelf verruilt en niets in gemeenschap gekocht of verkocht wordt, onthaalt thans ook elk zijne vrienden afzonderlijk, zoodat de voorraad aan dram, hoe aanzienlijk ook, binnen weinig dagen verbruikt is.
Beleedigingen en vechtpartijen, in den roes voorgevallen, deze mogen ook nog zoo hoogloopend geweest zijn, worden naderhand niet meer geacht, en blijven vergeten door de eenvoudige verontschuldiging: ik was dronken; en hiermede is aan allen verderen twist de pas afgesneden
Een ander eigendommelijk vermaak bestaat in hunne dansen, waarbij men hen regt in hun volkskarakter, onvermengd met vreemde zeden, kan waarnemen. Deze dansof liever drinkvermakelijkheden worden hetzij door enkele familiën, die eenen grooten voorraad aan cassave hebben, aangelegd, hetzij door het geheele dorp, waartoe alsdan elk huisgezin het zijne bijdraagt. Is de dag bepaald, waarop een tapanafeest zal plaats hebben, dan wordt door de vrouwen eene genoegzame hoeveelheid maniokwortels van het veld gehaald. Deze worden nu fijn gewreven op plankjes, die Simari1) heeten, en waarin digt naast elkander harde puntige steentjes geslagen zijn, zoodat zij de plaats eener rasp vervangen.
De brij, hierdoor ontstaande, wordt in eene madappi uitgeperst, en het meel, dat thans van het vergiftige sap bevrijd is, ongeveer een duim dik op groote, ronde, ijzeren platen, waaronder vuur brandt, uitgespreid2). Het nog eenigzins vochtige meel kleeft door de hitte aaneen en er ontstaat een koek, dien men omkeert, wanneer hij aan eenen kant gebakken is. Tot gewoon gebruik worden deze koeken op een zacht vuur gebakken, om het aanbranden te voorkomen; tot den tapanadrank echter worden zij met opzet zoo lang aan het vuur blootgesteld, totdat zij aan beide zijden verbrand zijn.
Het sap van den maniokwortel of der bittere cassave, dat, zoo als ik reeds vroeger heb aangemerkt, vergiftig is, wordt tot op ongeveer de helft verkookt en daardoor onschadelijk. Men vermengt dit vocht met de zwart gebrande brooden of koeken en laat alles een of twee dagen gisten. Middelerwijl hebben de mannen in de grootste en beste hut van het dorp eene schoon geboende corjaal gebragt, en met water gevuld, opdat daarin de kostelijke drank kan gebrouwen worden.
Thans wordt eene menigte cassavebrood aan groot en klein in het dorp uitgedeeld, en oud en jong houden zich bezig met dit te kaauwen en in kalebassen uit te spuwen, die zij tot dat einde bij zich dragen. Zijn deze vol, dan wordt het appetijtelijke moes in de corjaal uitgeschud en op nieuw gaat men met kaauwen voort, totdat eene genoegzame hoeveelheid brood op die wijze bereid is, waarna de corjaal met palmbladen wordt gesloten, om daardoor, de spoedige gisting te bevorderen.
Hoe walgelijk deze toebereiding ook zij, smaakt deze drank, wanneer hij gereed is, nogtans aangenaam; hij kan echter niet lang goed blijven en, wanneer hij in groote hoeveelheid genoten wordt, veroorzaakt hij dronkenschap, even als eenige soorten van bier.
Op den morgen van den dag, waarop het feest zal plaats hebben, houden de mannen zich meerendeels bezig met de verbetering der wegen, die naar hun dorp geleiden, of met het verrigten van andere algemeen nuttige werkzaamheden. Tegen den middag begint het feest. Elkeen heeft zich daartoe naar zijnen smaak en vermogen toegerust. De mannen zijn, zoo als ik boven zeide, met roucou en tapourica beschilderd en hebben hunne langste en beste camisen omgedaan. Boog en pijlen, zoowel als eene vierkante knods van hard hout, abadou genoemd, mogen er niet bij ontbreken. Daarbij komen nog halssnoeren
van pakir-, apen- of kaaimanstanden, veêren hoofdtooisels in alle mogelijke kleuren en eene tallooze menigte glaskoralen. De vrouwen en inzonderheid de jonge meisjes hebben zich prachtig opgeschikt. Hare lippen steken vol naalden; het gitzwart haar is zorgvuldig gekamd en in plaats van met pomade, met crapaat-olie besmeerd. Roode vlekken en strepen geven aan het gezigt iets tijgerachtigs, en het door tapouriba zwart gekleurde ligchaam steekt scherp af bij de vuurkleurige, met roucou geverfde kuiten. Daarenboven zijn zij met glaskoralen van allerlei grootte en kleuren behangen, en niet zelden versieren zij haren hals met verscheidene kettingen, waaraan allerlei zilvergeld geregen is. Aan eene enkele heb ik meer dan 100 francs geteld.
Langs de zijden der hut bevinden zich lange, lomp uit cederhout gesneden banken, waarvan de uiteinden krokodillen- of tijgerkoppen voorstellen. Op deze banken plaatsen zich nu de hoofden der huisgezinnen, en de vrouwen scheppen den kostelijken drank in kalebassen of aarden schotels. Verscheidene vrouwen en meisjes omvatten elkander met de armen en vormen eenen halven cirkel om dengene, aan wien zij den drank aanbieden. Na een jammerlijk gezang, buigen zij op de maat hare knieën en bovenlijf, zonder overigens van de plaats te komen, en zingen nu op eenen weeklagenden toon eenige dozijn malen hetzelfde vers. Heeft hij, wien deze eer bewezen wordt, gedronken, dan komt de beurt aan een ander. Op groote, met herten- of pakirsvellen bespannen trommels, die aan lange koorden van de zoldering afhangen, wordt door jonge lieden de maat geslagen voor hunne gezangen, welke volmaakt dezelfde melodie hebben als die der vrouwen. Ook zij bewegen zich op dezelfde wijze, zonder van plaats te veranderen.
Het is ongeloofelijk, welk eene hoeveelheid van dezen
drank bij dusdanige danspartij gedronken wordt. Zoowel de daarmede gevulde boot, als ook de potten zijn des avonds gewoonlijk ledig. Indien er bij zulk een drinkgelag honderd personen, de kinderen er onder begrepen, aanwezig zijn, zoo houd ik mij overtuigd, dat er meer dan tien vaten, elk 320 flesschen inhoudende, verbruikt worden. Heeft de Indiaan zoo veel gedronken, dat hij de hem door de vrouwen aangeboden schotel niet meer ledigen kan, dan neemt hij een middel te baat om zich van het reeds genotene te ontlasten, ten einde op nieuw te kunnen drinken; en dit geschiedt niet in 't geheim, het maakt als 't ware een deel van het feest zelf uit, want hij staat niet eens van zijne zitplaats op. De vloer van het danshuis gelijkt dan ook naar eenen modderpoel, waarin men tot aan de enkels door tapana waadt.
Behalve de boven vermelde dansen, zag ik bij deze gelegenheid eenen anderen door twee mannen uitvoeren. Elk hunner heeft een uit leem vervaardigd, rood beschilderd blaas-instrument, dat naar twee op elkander geplaatste trechters gelijkt en aan beide zijden eene kleine opening heeft, waarin geblazen wordt. Met de zonderlingste wendingen en verdraaijingen van het ligchaam, terwijl zij zich nu eens van elkander verwijderen, dan weder tot elkander naderen, op hunnen buik gaan liggen, of op handen en voeten rondloopen, eindigt dit tooneel, na ongeveer een kwartier uurs geduurd te hebben, onder een uitbundig gelach der aanwezigen.
Des nachts is wel het feest geëindigd, doch den volgenden morgen vergast men zich aan het overschot, indien er namelijk nog iets is overgebleven.
Verscheidene jaren later zag ik eenen anderen dans.
De Piaiman Thomas was plotseling op eene reis naar de plantagiën overleden, en een jaar na zijnen dood gaf zijne weduwe ter herinnering daaraan eene danspartij.
Ik zag in hare hut wel cassave-bakken, tapana en casiri gereed maken, doch andere toebereidselen vonden niet plaats. De dag verliep zoo als gewoonlijk; de eene voor, de andere na begaf zich naar zijne hangmat, en nergens zag men het minste teeken van eenig feest.
In de grootste hut van het dorp hingen de hangmatten der ongehuwde personen door elkander, en alleen bij het schijnsel van het vuur, dat onder elk brandde, kon men vinden hetgeen men zocht. Plotseling klonken mij uit eenen hoek een jammerlijk huilen en weeklagen in de ooren. Ik liep er heen en zag de weduwe, even als eene schildwacht onbewegelijk in dien hoek staan, houdende in de hand boog en pijlen, alsmede eenen ouden stroohoed van haren overleden man. Bij het schijnsel van een brandend stuk hout, beschouwde ik haar aan alle kanten; zij liet zich hierdoor echter niet van haar stuk brengen, want zij bleef haar weeklagend gezang, onder gestadig snikken en eenen tranenvloed, voorthuilen. De Indianen verklaarden mij de beteekenis harer woorden nagenoeg aldus: ‘Het is niet goed, dat gij mij verlaten hebt; uw zoon is nog te jong om voor mij te jagen en visch te vangen, enz.’
Nadat dit gehuil bijna een half uur zonder ophouden geduurd had, kwam er eene kleine pause, waarna in eenen anderen, even donkeren hoek een ander oud wijf verscheen, dat een zoo jammerlijk gehuil aanhief, alsof de overledene haar man of naaste bloedverwant geweest ware. Nadat dit gehuil even langen tijd als dat der altijd nog onbewegelijk in den hoek staande weduwe geduurd had, huilden beide te zamen als bulhonden. Doch gelijk aan alles eenmaal een einde komt, eveneens was ten laatste ook de tranenbron van beide vrouwen opgedroogd, en men ging tot eenen geheel bijzonderen dans over, waartoe langzamerhand verscheidene vrouwen en kinderen ver-
schenen waren. Allen plaatsten zich in eenen kring en sloegen de armen om elkanders hals; daarna werd weder een lied op hunne eigendommelijke zangwijze aangeheven, de kniëen en het bovenlijf werden her- en derwaarts gebogen, en ten laatste liepen allen snel achter elkander in den kring rond. Hierbij heerschte eene uitzinnige vrolijkheid, en ook de woorden, waarvan ik nogtans de beteekenis niet verstond, schenen niets treurigs uit te drukken. In dit gezang werd meermalen van mij melding gemaakt; ook plaatste ik mij in den kring en danste mede, waarover men zich algemeen vrolijk maakte. Onder den dans, die bijna tot aan den morgen duurde, maakte men gebruik van de toebereide dranken.
In de keuze van hun voedsel uit het planten- en dierenrijk, dat de wateren en bosschen opleveren, zijn de Caraïben niet zeer naauwgezet, daar zij bijna alles, slechts weinige dieren uitgezonderd, eten. Slangen en groote zeeschildpadden zijn wel is waar van hunne tafel verbannen, daarentegen worden pipa-padden, boomkikvorschen, maskers van wespen, mieren, larven van verschillende snuitkevers, zoowel als de kevers, die de bloemen der waterlelie afknagen en alle soorten van eijeren met groote graagte genuttigd.
Lekkerbekken zijn de Indianen juist niet, en ofschoon zij aan zekere geregten de voorkeur geven, is het hun tamelijk onverschillig, of bijv. het vleesch half of geheel gaar, met te veel of zonder zout gekookt is, indien het slechts de maag vult en met de tanden verscheurd kan worden. Tot hunne voorname lekkernijen behoort inzonderheid de leguan (Lacerta iguana, Linn.). Ik ben er dikwijls over verwonderd geweest, hoe zij dit dier tusschen de digte bladen op de boomen ontdekken, en het heeft mij meermalen geërgerd, wanneer zij ondanks mijn verzoek en dreigen jagt maakten op dit onschuldige dier en daardoor de reis vertraagden,
niettegenstaande er overvloed aan vleesch en visch in de boot was. Eene andere lekkernij voor hen zijn de haaijen, die zij op ondiepe plaatsen der zee schieten, en kleine kaaimans, die of aan den oever der rivieren en kreken liggen, of den snuit boven het water uitsteken.
Bij de vischvangst bedienen de Indianen zich nooit van netten, maar altijd van hoeken; ook schieten zij de visschen of bedwelmen ze met het hout van den stinkboom. - Kleine visschen worden op de gewone wijze met hengelroeden gevangen; doch groote met werplijnen, zijnde ongeveer 100 voet lange, van bromelie-vlas gevlochten, dikke lijnen, aan wier einde zich een stuk lood bevindt, en digt daarbij drie tot vier kortere lijnen, waaraan de hoeken bevestigd zijn. Het touw wordt uit eene boot of van het land uitgeworpen, en het andere einde zoo lang in de hand gehouden, totdat men bespeurt, dat een visch aangebeten heeft. Eene andere soort van hengels zijn de springhengels, bestaande uit eenen sterken, veerkrachtigen stok, die in het water stevig in den grond wordt gestoken, en waaraan een lang touw met den hoek hangt. Deze stok wordt naar beneden omgebogen en door middel van een, in het midden van het touw bevestigd houtje, op de wijze eener kram, aldus gespannen gehouden. Wanneer een visch aan den hoek bijt, gaat de kram los en de stok springt in zijnen natuurlijken stand terug; tevens wordt daardoor de visch halverwege uit het water getrokken. Doch dikwijls vindt de visscher alleen de koppen, omdat op het gespartel van den visch de kaaimans en voornamelijk de vraatzuchtige peris (Sciurus viridis) toeschieten, en er zoo veel afbijten, als zij kunnen bereiken. De wijze waarop met maschoas gevischt wordt, is vroeger (Dl. I. bladz. 105, noot) reeds beschreven. Met stinkhout echter heb ik voor het eerst aan de Marowyne zien visschen. De Indianen gebruiken, voor zoo ver mij bekend is, drieërlei plan-
ten, door het sap waarvan de visschen bedwelmd worden.
De eerste en gewone is eene, in de hooge bosschen groeijende liane, somtijds ter dikte eener dij, die tot net geslacht der papilionaceën (Linchocarpus) behoort. De tweede is de tot de euphorbiaceën behoorende conamistruik (Phyllanthus conami), die men om de huizen plant en waarvan de bladen en bloesem tot eene brij gestampt worden. De derde is het roerkruid (Gunapalium); dit behoort tot de senecionideën, heeft hartvormige bladen, en is waarschijnlijk verwant met de jatropha's. Ook deze wordt om de huizen geplant, en mij is niet met zekerheid bekend of zij hier inheemsch is. De zeer melkrijke bladen en takken worden insgelijks gestampt en even als die der conami met het water vermengd.
Tijdens den vloed, die zich in de Beneden-Marowyne 8-10 voet verheft, trekt de riviervisch naar de bogten en beken waar hij, totdat de eb begint, zijn voedsel zoekt, dat gedeeltelijk in boomvruchten, die in 't water gevallen zijn, gedeeltelijk in wormen en andere visschen bestaat. Wil men nu met het stinkhout of de beide andere planten visschen, dan wordt, zoodra de vloed het hoogste punt bereikt heeft, eene geschikte kreek afgesloten, zoodat aan den visch de terugweg naar de rivier is afgesneden. Dit geschiedt met eene zoogenaamde paarl, die uit ongeveer 8 voet hooge palen van de stelen der palmbladen bestaat; deze worden door middel van lianen zoodanig met elkander verbonden, dat tusschen elken paal eene opening ter breedte van 1 duim overblijft; dit vormt eene soort van rasterwerk, waardoor het water eenen vrijen afloop heeft. Wanneer het water nu merkelijk gevallen is, begeven zich eenige mannen met groote stukken stinkhout, dat men vooraf door het met hard hout te slaan gekneusd en losgemaakt heeft, naar het
boveneinde der kreek, waar men door gestadig wrijven en slaan in 't water, alle vergiftige deelen der plant er aan mededeelt. Na verloop van weinig minuten bespeurt men reeds de uitwerkselen bij de waterbewoners. Kleine vischjes drijven op den rug rond; krabben en kreeften nemen de wijk op den oever en waggelen heen en weêr, terwijl dan hier, dan daar, een visch uit het water opduikt of er den kop boven uitsteekt. Alle mannen staan op zekere afstanden langs de kreek en schieten met pijlen op de visschen, die zich boven water vertoonen. Vrouwen en kinderen waden in den modder rond, om de bedwelmde visschen er uit te halen. Alles wat leven heeft, sterft in het vergiftigde water en wordt eene prooi der Indianen. Deze zeggen, dat in zoodanige kreek in langen tijd niet meer gevischt kan worden, omdat de vergiftigde reuk zich aan de in 't water liggende boomstammen en zelfs aan den modder mededeelt en ook slechts langzaam weder verdwijnt.
Bij het visschen met conami en gunapalium wordt de brij met het water vermengd en dit heeft volmaakt dezelfde uitwerking. Deze wijze van visschen wordt ponsen genoemd; zij is in ieder geval nadeelig, omdat ook eene menigte kuit en jongen daardoor vernield worden.
Bij het begin van het regensaizoen, wanneer de visschen uit de rivieren en grootere kreken naar kleinere beken en moerassen trekken, damt men deze gewoonlijk met paarls en pinabladen af. De visschen, hierdoor in hunne vaart gestuit, trachten over het beletsel heen te springen en vallen alsdan in eene met dat oogmerk er achter geplaatste corjaal. Wanneer de visch regt aan 't trekken is, kan men er des morgens honderden in de corjaal vinden.
Is de vischvangst zoo voordeelig, dat men voor meerdere dagen voorraad heeft, dan wordt de visch gebarbakot, d.i. gerookt. Daartoe neemt men alleen de ingewanden er uit en legt ze ongezouten op eene soort van
rooster, die van stokken gemaakt is. Onder dezen onderhoudt men zoolang vuur, tot dat de visch gebraden en gedroogd is. Doch juist om die reden, blijven zij slechts weinige dagen goed en wemelen dikwijls van wormen, die evenwel den Indiaan zijnen eetlust niet benemen.
In den regentijd (Mei en Junij) leggen de roode ibissen, hier onjuist flamingo's genoemd, zoowel als andere tot het geslacht der reigers behoorende vogels hunne eijeren in het houtgewas aan het lage zeestrand, en broeijen. Eijeren en jongen worden door de Indianen bijzonder op prijs gesteld, en daarom zien zij niet op tegen eene reis naar de legplaatsen. Op zekeren dag kwamen er twee groote corjalen van mijne naburen aan den post, om op zulk eene eijer-expeditie uittegaan. Men beloofde, nadat ik de manschap met brandewijn verkwikt had, voor mij ook eene mand vol eijeren te zullen medebrengen. Eenige dagen later keerden beide corjalen terug, volgeladen met eijeren en eene menigte jonge vogels, die er zeer mager uitzagen. Ik ontving nu een honderdtal van deze eijeren, die groen en zwart gespikkeld en zoo groot als kleine kippeneijeren waren. Dadelijk maakte ik toebereidselen om eene eijerkoek te bakken, ontdekte echter tot mijne spijt, dat er slechts één versch ei onder was. Alle overige waren of doorgelegen en bedorven of bevatten reeds bijna ontwikkelde vogels, die zich nog bewogen. Daarom geloofde ik, dat men met opzet dit geschenk voor mij uitgezocht had. Daar ik nu echter volstrekt eijerkoek wilde eten, voer ik terstond in mijne corjaal naar het dorp, waar ik in elke hut de vrouwen met het koken van eijeren bezig vond. Doch deze waren eveneens als de mijne. In eene soep van doijers dreven vogels uit alle broeitijdperken, rijkelijk gekruid met spaansche peper, en dit geregt werd met ware gulzigheid verslonden.
Het ware geenszins te verwonderen, indien bij dusdanige
levenswijze gevaarlijke ziekten ontstonden; doch dit is niet het geval, en slechts zelden ontmoet men ziekelijke personen. Behalve lijders aan de hier te land heerschende verschrikkelijke ziekten, zoo als melaatschheid en elephantiasis, vindt men hoogst zelden gebrekkigen, hetzij kreupelen, hetzij gebogchelden; en indien men aan de naakte ligchamen wonden of likteekenen waarneemt, zijn het altijd eervolle teekens van eenen strijd of van een, hun in dronkenschap overkomen ongeval. Bij tijden woedt onder hen dysenterie; ook komen dikwijls tusschenpoozende koortsen voor. Zij kennen overigens eene menigte plantaardige geneesmiddelen, waarvan de uitwerking meestal heilzaam is. Is de ziekte van eenen meer ernstigen aard, dan wordt een bekwaam geneesheer of piaiman geraadpleegd. Voor den zieke wordt in zijne hut eene soort van tent uit camisen en andere doeken gemaakt, en zijne hangmat er in opgehangen. In eene andere dergelijke tent zit de piaiman, met de onmisbare Maraka bij zich. Deze bestaat in eene ronde, holle kalebas, door wier midden een hout steekt, waarvan het boveneinde met ravenvederen versierd is; in de kalebas zelve zijn kleine ronde voorwerpen, zoo als erwten en ronde Marowyne-steentjes vervat. Hier houdt hij gesprekken met den boozen geest, die de ziekte veroorzaakt heeft. Zijne taal is dan smeekend, dan dreigend, dan brullend en dan weder met snikken en weenen vermengd. Hoe zwaarder de ziekte is, des te meer moeite geeft zich de piaiman om door zijne dreigementen den geest vrees aan te jagen.
Men zou er haast aan moeten twijfelen, dat één persoon in staat is, zoo vele verschillende stemmen te kunnen nabootsen; want op alles wat de piaiman tot den boozen geest zegt, antwoordt hij zelf met eene veranderde stem. Daarbij ratelt hij onophoudelijk met de maraka, waarvan het geluid overeenkomt met het geratel van erwten in eene drooge blaas.
Het piaiën duurt nachten achtereen onophoudelijk voort; alleen blaast de doctor den zieke van tijd tot tijd tabaksrook in 't gezigt, of verrigt zijne bezweringen bij de hangmat zelve. Als voornaamste geneesmiddel in hoogst moeijelijke gevallen dient het sap van den Dakiniboom, dat zeer zeldzaam schijnt te zijn. Tot het verkrijgen hiervan, heeft de piaiman de vergunning noodig van de geesten, die den boom bewonen, en eerst na verscheiden gesprekken met hen gehouden te hebben, hakt hij in den boom de opening, waaruit het sap vloeijen moet. De lijder drinkt dit nu als laatste middel, en het spreekt van zelf, dat bij het gebruik van zulk een belangrijk geneesmiddel de piaiman den ganschen nacht bij den zieke doorbrengt en de geesten bezweert. Doch deze houden zich ook niet stil, maar laten zich in verschillende geluiden, nu eens als poweezen, agamis, dan weder als apen en tijgers hooren.
Dergelijke genezingswijzen heb ik nog nooit bijgewoond, doch reeds menige nacht in dorpen doorgebragt, waar mij de piaiman belette te slapen.
In artsenijmiddelen der Europeanen stellen de Indianen weinig vertrouwen; somtijds gebruiken zij die, doch, indien er niet dadelijk een gunstig uitwerksel door verkregen wordt, nemen zij terstond weder hunne toevlugt tot hunne huismiddelen. Nogtans hebben zij groote achting voor de chinine, omdat deze zoo spoedig de koorts verdrijft.
In het karakter van den Indiaan liggen niet veel ondeugden, maar ook weinig deugden opgesloten. De hoofdtrek, dien de Caraïben met de Arrauwaken gemeen hebben, is onverschilligheid. Hij laat zich door eenen oogenblikkelijken invloed besturen, en slechts dan behartigt hij zijn belang, wanneer dit met zijne gemoedsstemming overeenkomt. Even als een kind wenscht hij den eenen oogenblik dit, den volgenden weder iets anders te bezitten, en
hij ontziet geene moeite, om in het bezit daarvan te geraken. Van woordhouden heeft hij geen begrip en men kan zich daarom niet op hem verlaten. Evenmin weet hij wat waarheid is, en liegt wanneer zijn belang het medebrengt.
Daar zij slechts weinig behoeften hebben, tellen zij hun eigendom weinig; wanneer zij zich bijv. maanden lang afgesloofd hebben om een lang stuk salemporis (blaauw geverfde boomwollen-stof) te verdienen, dan wordt dit of tot een zeil gebruikt, indien zij geen ander hebben, of aan flarden gescheurd, om de corjalen er mede te stoppen. Wantrouwend zijn zij geenszins; zij verlaten dagen achtereen hunne hut, zonder hun eigendom weg te sluiten of te verbergen; diefstal komt zelden voor, doch dranken en eetwaren zijn voor hen niet veilig; ook laten zij somtijds andere voorwerpen, die van hunne gading zijn, denzelfden weg gaan. Over het algemeen zijn zij lui, en daarom vindt men er slechts weinige, die bemiddeld zijn.
Hunne zucht tot reizen is zeer groot en voor de onbeduidendste zaken ondernemen zij verre togten. Vroeger pleegden zij uit het land der Makusis aan de Rupuni en Maho, in het binnenland van Guyana, slaven te halen; doch tegenwoordig schijnt dit niet meer te geschieden. Ik heb nog een zoodanig slavenmeisje gekend, die aan Christiaan behoorde.
Wanneer men hunne geneigdheid tot den drank uitzondert, zijn hunne hartstogten veel minder hevig dan die der Indianen van Noord-Amerika; daarom twijfel ik ook of de beschaving wel ooit groote vorderingen onder hen maken zal. Van onzen kant wordt echter ook volstrekt niets gedaan, om hen tot eenen hoogeren trap van beschaving te brengen; doch ook bij onze naburen, de Franschen, die deze zaak zeer ter harte nemen, en de Indianen in scholen laten onderwijzen, bespeurt men geenen grooteren
vooruitgang. De eenigste magneet, waardoor zij aangetrokken worden, is helaas de brandewijn, en de borrelflesch mag nooit leêg worden, wanneer zij eenige dienst zullen bewijzen. Wie hun te drinken geeft is hun vriend. Voor andere diensten en weldaden zijn zij gevoelloos; dankbaarheid is hun vreemd. Ook beleedigingen worden vergeten, en nooit heb ik bespeurd, dat twisten en gewelddadigheden voorvielen, indien de algemeene rustverstoorder, de brandewijn, de gemoederen niet verhit had.
Ofschoon hunne zintuigen waarschijnlijk evenzeer ontwikkeld en even fijn zijn als die der noord-amerikaansche Indianen, schijnen zij toch in 't algemeen bij dezen achter te staan, hetgeen voorzeker mede voor een groot gedeelte aan het zachte klimaat is toe te schrijven, waardoor zij zonder groote inspanning in al hunne behoeften kunnen voorzien, terwijl de Noord-amerikaan onder een zuiverder luchtgestel zich al zijne levensbehoeften met moeite en arbeid moet verwerven.
Mijn detachement, dat uit den bakker en twee zwarte soldaten bestond, werd andermaal afgelost en door vier blanken vervangen; de bakker bleef en was de vijfde; derhalve bevond zich de bezetting weder op den ouden voet.
Tot heden had ik te vergeefs alle moeite aangewend, om van de Indianen eene corjaal te koopen, ten einde zelf kleine togten te water te kunnen doen; want, hoeveel ik ook voor eene bood, zij konden er geene missen. Eindelijk vond ik toevallig eene fraaije, 18 voet lange corjaal van cederhout, die door den stroom van een of ander indiaansch dorp medegesleept, en door den vloed op 't strand geworpen was. Over de geheele lengte waren er drie ontzaggelijk groote scheuren in, en het kostte derhalve veel moeite het vaartuig weder bruikbaar te maken. Bij eenen aanhoudenden arbeid van twee dagen slaagde ik hierin echter volkomen. De reten had ik
met stokjes, die met werk omwoeld waren, gestopt, deze bepikt en daarover in de geheele lengte aan weêrszijde lange strooken geslagen ijzer gespijkerd. Eene proefvaart naar de overzijde der rivier overtuigde mij van de deugdelijkheid van mijn werk.
In het laatst van Maart schreef mij de kommandant van Armina, dat de schoener andermaal onderweg was, om het restant der geborgen goederen af te halen, en dat hij zijne vrouw, de huishoudster, er mede verwachtte. Tevens verzocht hij mij, deze dame vriendelijk te behandelen, en hem terstond van hare aankomst te verwittigen.
Ik had dit vrouwtje nog nooit gezien en verwachtte derhalve in haar eene mulattin of mestieze te zullen ontmoeten; want zoodanige nemen meestal het huishouden van ongehuwde officieren waar, vergezellen hen naar de posten en matigen zich somtijds meer gezag aan, dan eene wettige vrouw. Zulke missi's verkochten (ik spreek van lang verloopen tijden) op de posten gewoonlijk alles op krediet, wat de soldaat als vrijgezel noodig heeft, zoo als: suiker, koffij, tabak, boter, kaas, zeep, enz. Het bedrag echter werd door den kommandant van de soldij ingehouden, telkens wanneer deze van Paramaribo ontvangen werd. Gaat er een vaartuig naar de stad, dan heeft de korporaal, die meêgaat, te Paramaribo duizend boodschappen te verrigten, en gaat hij hierbij niet met genoegzamen ijver te werk, zoo weet de missi het hem later wel te doen ontgelden. Dikwijls echter doet de dame zelve de reis mede, om bekende plantagiën te bezoeken en zich daar van suiker, koffij, dram enz. te voorzien en hare overige benoodigdheden in de stad tegen zeer billijke prijzen in te koopen. Het grootste gedeelte der soldij wandelt dan, vooral indien zij onder de hand ook nog eenen borrel verkoopt, wat echter de kommandant natuurlijk niet mag weten, in hare geldlade. Eene zoo-
danige dame dacht ik insgelijks op den schoener te zullen ontmoeten, en voer uit groote galanterie dien te gemoet. Ik heette de beminde van mijnen kommandant in 't negerengelsch welkom, dat ik toen ter tijd uiterst slecht sprak; doch de dame maakte zich aan mij terstond als eene hollandsche bekend, waardoor ik van de verpligting ontheven werd, om mij in de armzalige creolentaal uit te drukken.
Onmiddellijk schreef ik aan den kommandant, dat zijne huishoudster - na rijpe overweging, kwam mij dit woord echter te aanstootelijk voor en veranderde ik het in madame - benevens den doctor aangekomen was. Ten einde hem deze heugelijke tijding zoo spoedig mogelijk te doen geworden, zond ik de geheele bezetting, behalve den bakker, er mede af. Daar ik echter slechts eene enkele pagaai bezat, moesten drie der meêgaande soldaten tot aan het naaste dorp der Arrauwaken met de zaaddoozen der maripa-palm roeijen; daar konden zij van mijne vriendin, het opperhoofd des dorps, drie pagais te leen krijgen.
Vier dagen later kwam de kommandant van Armina aan, om zijne beminde af te halen. Deze had onder anderen een ontzaggelijk groot vat ordinairen tabak medegebragt, en het detachement kon dit tegen betaling in rook veranderen. Echter had zij helaas ook verscheidene voorwerpen te Paramaribo gekocht, die door den rijken zegen van het strand thans gemist konden worden en daarom den kommandant menige zucht afpersten. De huishoudster verhaalde dat het vat tabak ruim 700 pond woog, en dat zij, niet zoo zeer om haar voordeel, als wel in 't belang der soldaten, aan dezen het pond er van voor ƒ1,50 zou verkoopen.
De kommandant, de doctor en de huishoudster zeilden met gunstigen wind naar Armina, en ik was Goddank weder voor langen tijd van dergelijke bezoeken verschoond.
De schoener had het restant der geborgen goederen geladen, en er schoot dus niets meer over dan het wrak, dat met den vloed vol water liep, en waarin haaijen en andere roofvisschen de overblijfselen der verrotte aardappelen, uijen en kaas doorsnuffelden.
Thans was het de legtijd der groote zeeschildpadden, die des nachts hare wandelingen langs het zandige strand volvoerden en op den hooger liggenden oever, waar deze zich boven den hoogsten waterspiegel van den vloed verhief, hare eijeren begroeven. Meestal bij maanlicht en tijdens het eerste en laatste kwartier kruipen deze logge dieren tegen het strand op, wroeten in het zand eene ruimte van soms 200 vierkante voet om, en ondermijnen de dikste wortels, totdat zij eene geschikte plaats gevonden hebben. Vervolgens wordt met de achterpooten een gat gegraven van omstreeks 2 voet diep en 8 duim in omvang en hierin 100-200 ronde, met een pergamentachtig vlies overtrokken eijeren ter grootte van eenen kleinen biljartbal gelegd. Het gat wordt met zand gevuld, en het dier keert naar de zee terug. In het zand ontwaart men het diepe, golfswijze spoor der pooten en van den staart, dat door het op- en afkruipen ontstaat.
Indien men eene schildpad bij het leggen aantreft snuift en blaast zij, doch gaat bedaard met haar werk voort, tenzij men beproefd haar op den rug te leggen, in welk geval zij woedend om zich heen slaat. Een sterk man kan bij eenige ondervinding haar gemakkelijk op den rug werpen, ofschoon zij menigmaal 500 pond zwaar zijn. Omgekeerd zijnde, slaan zij met alle vier de pooten op het borstschild en zouden in staat zijn, hem die onvoorzigtig te werk gaat, zwaar te verwonden. Men bindt alsdan hare voorpooten vast en laadt ze in de corjaal. Zij hebben een zeer taai leven, en de Indianen, die haar dikwijls ten verkoop naar de plantagiën brengen, laten ze somtijds
14 dagen op den rug liggen; doch dan moet men oppassen dat zij niet door de zon beschenen worden.
Gewoonlijk bevatten zij, ofschoon reeds eijeren gelegd hebbende, nog eene groote menigte dojers, en velen zijn zoo vet, dat men uit eene enkele 2-3 gallons (1 gallon = 4,543 Ned. kan) olie smelten kan. Het vet is, zoo als bekend is, groen en het vleesch levert de beroemde schildpadsoep, die men te Londen en in andere zeeplaatsen zoo duur betaalt. In Suriname wordt het niet geacht en ik vind het ook niet smakelijk; want het is grof en vezelig en het vet heeft eenen eigendommelijken, tranigen reuk. Doch de eijeren zijn goed te gebruiken en deze waren gedurende den legtijd een voorname schotel op onze tafel. Het wit dezer eijeren, dat nooit hard wordt, werpt men weg. Men kookt ze in water met zout, en eet de dojer met peper en citroensap; ook kan men er goede pannekoeken van bakken. Om ze langen tijd te bewaren, rookt men ze, waarbij echter het wit geheel indroogt. De mannetjes zijn doorgaans vetter dan de wijfjes en van dezelfde grootte; hun staart is echter nagenoeg 2 voet lang. Zij komen nooit op het land en worden daarom zelden gevangen.
De paartijd valt in Februarij in, en omstreeks het midden dier maand vindt men de eerste eijeren, de meeste worden echter in Mei gelegd en in het laatst van Julij komen de jongen te voorschijn. Deze kruipen gemeenlijk des nachts naar zee. Uit één nest komen er somtijds 30-40. De overige eijeren bederven. Zij hebben overigens veel vijanden en vooral zijn de aasgieren er zeer op gesteld. Waar eene schildpad gelegd heeft, steekt men met eenen pijl of gladden stok hier en daar in de omgewoelde plaats; de plek, waar de pijl gemakkelijk en zonder wederstand te ontmoeten in den grond dringt, graaft men op en vindt daar de eijeren. Reeds zitten meerdere aasgieren in de nabijheid en wachten alleen, totdat men heengaat, om de met
den pijl doorboorde eijeren, die men laat liggen, op te vreten. Zijn zij hiermede gereed, zoo vliegen zij vooruit naar eenen nieuwen hoop, om ook daar hun vindersloon te ontvangen en te verslinden.
In Mei en Junij komen kleinere zeeschildpadden van eene andere soort te voorschijn, die men Varana noemt. Deze worden slechts 80-100 pond zwaar en leggen kleinere doch smakelijker eijeren. Des avonds, wanneer de maan schijnt, loopen zij bij dozijnen op het strand rond en wel, zoo als het schijnt, niet alleen om eijeren te leggen, maar ook om zich te verlustigen. Zij zijn op verre na niet zoo log als de groote, maar kunnen ook niet zoo lang in 't leven gehouden worden. Somtijds, doch zeer zelden, komt ook de caret-schildpad op 't strand. Zij is kleiner dan de reuzen-schildpad en haar spoor is kenbaar aan het indruksel van haren kop, dien zij door het zand schijnt te slepen. De zeeschildpadden worden, behalve door den mensch, alleen door den jaguar aangetast, die haar met zijne scherpe klaauwen behendig weet uit te hollen. De twee mij bekende soorten leven van wieren en zeegras. De zonderlinge matamatta (Chelys infibriata) is in Suriname niet inheemsch; zij komt echter dikwijls aan den Oyapok voor en wordt van daar naar Cayenne ter markt gebragt.
De groote regentijd was begonnen, en ofschoon aan zee de stortregens minder zwaar zijn dan in 't binnenland, was zij toch hoogst onaangenaam voor ons, omdat in de gemeenlijk stille nachten eene ontzaggelijke menigte moskieten alle levende schepselen plaagden. Over dag sleepten wij groote, door de zee aangespoelde stukken hout bijeen, en maakten daarvan 's avonds een groot vuur aan, waartoe menigmaal meerdere vademen verbruikt werden. Bij dit vuur plaatsten wij ons zoodanig, dat de rook ons bestreek, en mijne geiten, die zeer wel bespeurden wat tegen het steken der moskieten beveiligde, drongen zoo
digt mogelijk tegen ons aan. Bij dit wachtvuur onderhielden wij elkander met soldaten-geschiedenissen, die overal wel over dezelfde leest zullen geschoeid zijn. Wanneer het vuur uitging en men poogde te slapen, begon het vloeken en weeklagen. Elk middel werd beproefd; zelfs begroeven sommigen zich letterlijk in het zand en lieten alleen eene kleine opening over om adem te halen, enkel en alleen om eenige uren rust te kunnen genieten.
Wanneer het helder weêr was, liepen wij uren ver langs het strand en vermaakten ons met de zeeschildpadden. Somtijds gingen wij met ons drieën op eene zitten, en niettemin liep zij met ons in zee. Vonden wij er eene in de nabijheid van den post, dan slagtten wij ze wel eens, doch met degene, die wij verder op ontmoetten, gaven wij ons zooveel moeite niet.
Op zekeren avond zat ik in mijne kamer; op eens hoorde ik hard tegen den drempel kloppen. Daar op mijn roepen niemand antwoordde, opende ik de deur en vond eene groote zeeschildpad, die bezig was onder den drempel een nest te graven. Ik rolde haar op den rug en den volgenden morgen slagtten wij haar.
Wanneer wij van onze nachtelijke wandelingen te huis kwamen, waren wij zoo mat en vermoeid, alsof wij in geene drie nachten geslapen hadden. Het geheele ligchaam was op zulk eenen marsch in aanhoudende beweging, en men bevond zich als 't ware in eenen dampkring van moskieten, waartegen men voortdurend moet slaan en zich verweren. Aan stilstaan of zitten was niet te denken, en wanneer wij eenen oogenblik wilden uitrusten, liepen wij gemeenlijk in zee en staken alleen het hoofd boven het water uit. Brak nu de morgen aan, dan haastte zich ieder, om, na ontbeten te hebben, de ontbeerde nachtrust in de hangmat in te halen. Doch wij konden noch des nachts noch over dag slapen; want zoodra het warm werd,
vertoonde zich eene geheel bijzondere soort van driekante vliegen of bremsen, die in het overige gedeelte der kolonie niet voorkomen, en hen die sliepen dikwijls op zulk eene onbarmhartige wijze wekten, dat deze menigmaal van kwaadheid den post en zich zelven op de Mokerheide wenschten.
Tegen het einde van April kwam onze kommandant andermaal, om de levensmiddelen, die iederen dag verwacht werden, voor het tweede kwartaal in ontvangst te nemen. - Bijna te gelijkertijd verscheen er eene visschersboot met vier blanken, die bij de openbare veiling der van het gestrande schip geborgen goederen, het wrak voor 100 gulden gemijnd hadden. Zij waren vergezeld van vier negers, met wier hulp zij alles afbraken en ten verkoop naar de stad wilden brengen. Zij hoopten aan den inventaris van het schip nog vrij wat te verdienen, doch vonden zich in hunne verwachting bitter teleurgesteld. Veertien dagen waren zij onderweg geweest, hadden door storm en regen veel geleden en kwamen, van alles ontbloot, bij ons aan.
Zij gingen nu volijverig aan 't werk, onderzochten het wrak en beijverden zich gedurende de eb om alles, wat aan koper, lood enz. nog eenige waarde had naar den post te brengen. Hun ijver verflaauwde echter reeds na verloop van eenige dagen; want behalve dat de regen hen in hun werk belemmerde, waren zij bijkans alle dagen dronken en geraakten onderling in twist, waaruit gewoonlijk kloppartijen ontstonden. Des nachts lieten de moskieten hun geen rust; dan werd deze, dan gene hunner negers ziek; de bananen en de rijst, waarvan de kommandant hen voorzien had, waren vrij spoedig verbruikt, en onze karige rations met die acht menschen te deelen, was niet mogelijk. De luitenant besloot derhalve, van Armina, werwaarts de boot teruggekeerd was, nog eenige dozijnen bossen bananen te laten
komen. Daar ik den stroom, dien ik nog nooit bevaren had, wenschte te leeren kennen, vertrok ik met mijne corjaal, twee negers en eenen Indiaan, dien ik op eigen kosten meênam, er heen. Vooraf echter raadde mij de kommandant, een paar dozijn fleschjes pomade en reukwater, die hij met zijne lynxoogen in mijne kist ontdekt had, als geschenk voor zijne beminde mede te nemen, ofschoon deze reeds ver boven de jaren was, waarin deze middelen van het toilet met vrucht gebezigd worden.
Met een zeil op mijne ligte corjaal, voer ik den 2 Mei niet gunstigen wind af, en spoedig hadden wij de eerste groep, uit vijf, met opgaande boomen en lage struiken bewassen eilanden bestaande, bereikt, en landden bij het eerste dorp der Arrauwaken aan de hollandsche zijde, dat Woman Country (vronwendorp) genoemd werd. Het opperhoofd daarvan was eene bejaarde vrouw, Saantje, die mij, nadat ik haar eene flesch jenever, haar geliefkoosde drank, gegeven had, met casiri, cassave en ananassen beschonk.
Aan de overzijde der rivier lag een dorp der Caraïben, waarvan het opperhoofd insgelijks eene vrouw was en Anna heette.
De rivier, die boven het eerste eiland tot op de helft harer vroegere breedte afneemt en slechts nog een half uur breed is, vormt bijna zonder eenige kromming eene acht uren lange bogt, waarin eene menigte eilanden liggen, en waarvan het zuidelijk einde weder enkel uit water schijnt te bestaan. In de verte is eene reeks van hooge heuvelen zigtbaar; de oever prijkt aan beide zijden met de schoonste boomen, wier verschillende bloesems verwonderlijk fraai bij het donkere groen der verschillend gevormde bladen afsteken. Inzonderheid valt de heerlijke Caracalla, caraïbisch Knopojorogorli (Naranthea guianensis), met haren scharlaken rooden, 1-2 voet langen, aarvormigen
bloesem in 't oog. Met dezelfde kleur schitteren de bloemtrossen van den Maniboom (Symphonia coccinea), waaruit de Indianen eene pekachtige hars weten te winnen.
Aan beide zijden ziet men verscheidene indiaansche dorpen; de grond, waarop deze gebouwd zijn, is meerendeels eene roode, ijzerhoudende aarde. Wij overnachtten in een dezer dorpen, waarvan het opperhoofd Jan zich langen tijd te Cayenne opgehouden had, en daarom beschaafder was dan de overigen. Het aanhoudend gekef der honden, aan wie ik vreemd was, en het geluid der trommels, waardoor de booze geest Jorka moest verdreven worden, lieten mij bijna geen oog digt doen. Men beweert elders, dat de zuid-amerikaansche honden niet blaffen; ik heb meer dan mij lief was het tegendeel ondervonden; want in de dorpen der Bosch-negers en Indianen zijn de honden bij de aankomst van eenen vreemdeling niet tot bedaren te brengen. In de vroegte verlieten wij ons nachtkwartier en voeren tot aan Kibido-Country, een dorp der Caraïben, dat op de zuidelijke punt van een lang eiland ligt. Hier kookten wij onder eenen hevigen regen ons middageten. Daar de vloed op den, door hevige stortregens gezwollen stroom geenen invloed meer uitoefende, huurde ik nog eenen jongen Indiaan.
Een klein uur hooger op ligt het laatste dorp der Caraïben. Hier ontmoetten wij eene menigte Bosch-negers, die van Armina gekomen waren, en zich naar Paramaribo begaven. Voor ergerlijke tooneelen beducht, wilde ik hier, ondanks het verzoek mijner negers en Indianen, niet den nacht overblijven, ofschoon zij mij verzekerden, dat zich in de nabijheid geen kamp meer bevond en wij dus onder den blooten hemel zouden moeten overnachten. De waarde van dergelijke verklaringen en uitvlugten kennende, liet ik mij niet bepraten, en met tegenzin voeren zij verder.
De oever aan beide zijden is steil en bestaat uit kleine
bergen, die onafgebroken tot aan Armina voortloopen. De avond viel en het geschreeuw der papegaaijen, die doorgaans op de eilanden in de rivier slapen, en, wanneer het te voren geregend heeft, een waarlijk helsch concert uitvoeren, had opgehouden. Groote vledermuizen en nachtzwaluwen fladderden om ons heen, en in de schemering kon men nog slechts flaauw de omtrekken van een klein eiland onderscheiden, waarop eenige hutten moesten staan en werwaarts wij nu vol hoop koers zetteden. Het was reeds donker toen wij de monding der Siparawini bereikten, die, van het oosten komende, zich in de Marowyne ontlast, en wij moeste