terug  begin  verderprepost
[p. 23]

Eerste scheppings-lied.
- De hemelsche heirscharen. -

1.
 
Een nieuwe waereld is geschapen,
 
De laatste en heerlijkste uit de Rij!
 
Nog moog' zij in heur windsels slapen,
 
De blijde ontwaking is nabij.
 
Gegroet, gij jonge Zusteraarde!
 
Bestemd tot zulk een hoogen rang,
 
Dat Englenhand de harp besnaarde
 
Ten allereersten wiegezang!
 
De Hemel slaat U peinzend gade,
 
Die straks het schouwtooneel zult biên
 
Van nieuwe werken van Genade,
 
Van Almachts-wondren, nooit gezien!
[p. 24]
 
Wij zullen eens in Uw landouwen
 
Der Liefde hoogste zegepraal,
 
De volle werklijkheid aanschouwen
 
Van Gods volkomenst Ideaal!
2.
 
Heil, God der goden! Eerste en Laatste!
 
U noemt geen naam, U looft geen lied,
 
Wien, schoon geen oog Uw oog weêrkaatste,
 
De aanbidding toch in alles ziet!
 
Gij zijt de Alhooge, Algoede, Almachte;
 
Wat was, of is, of ooit bestaat,
 
Is schaduwbeeld van Uw gedachte;
 
Uw woord is wet, Uw wil is daad!
 
Gij, zonder toekomst of voordezen,
 
Alom aanwezig en alwijs,
 
Vervult met Uw ondeelbaar wezen
 
Elk stofje' in 't Ruim, elk punt des Tijds!
[p. 25]
 
Gij leeft, en alle levens springen
 
Uit U, die wààr en wàt Gij schept,
 
Bron en bestemming aller dingen,
 
U-zelf tot doel en oorzaak hebt!
3.
 
Gij komt, o Heer! wie zal U keeren?
 
Gij gaat, wie houdt U? - Gij gebiedt,
 
Uw werken mindren of vermeêren,
 
Gij - meerdert of vermindert niet!
 
Slechts Gij zijt groot, en voor Uw zorgen
 
Is niets te groot, en niets te klein:
 
't Heelal is in Uw schoot geborgen!
 
Gij zijt geen Licht, maar Lichtfontein,
 
Geen middelpunt slechts aller deugden,
 
Maar cirkel der volkomenheid,
 
Met alle Krachten, Machten, Vreugden,
 
Begin- en eindloos uitgebreid!
[p. 26]
4.
 
Bekroon, o God, Uw Scheppingsdaden
 
Bij 't loflied van Uw cherubiem
 
En van de nieuwe myriaden,
 
U prijzende in hun wordings-kiem!
 
Of op de beê der Hemelchooren
 
Uw Amen 't godlijk zegel drukk':
 
Maak Uwer Almacht Jongstgeboren'
 
Tot Uwer Goedheid Meesterstuk!’
prepostterug  begin  verder