[p. 47]
Tweede scheppings-lied.
1.
Dit is uw schepping, God der Goôn!
Wat is zij schoon!
Wat is zij schoon!
Overal hebt Ge Uw schaduwbeeld
Haar ingeweven,
Uw Godlijk leven
Haar meêgedeeld.
2.
Wonderen zaait Gij zonder tal
Door 't groot heelal,
Door 't groot heelal,
[p. 48]
Boven, in 't blaauwende luchtgewelf,
In 't diep daaronder,
Maar 't grootste wonder;
God! zijt Gij zelf.
3.
Loof Hem, gij 's waerelds Englenwacht,
Die dag en nacht,
Die dag en nacht
Boven de schoone slaapster zweeft;
Wek haar met psalmen,
Tot ze op uw galmen
Een weêrklank geeft!
4.
Loof Hem, gij, wijde, blijde zee!
En jubel meê!
En jubel meê!
[p. 49]
Ga in den heiligen reidans vóór,
En laat uw baren
Heur maatslag paren
Aan 't Scheppings-choor!
5.
Schitter van 's Heeren aangezicht,
Bezielend Licht!
Bezielend Licht,
Dat Gods glimlachende liefde zijt,
De kleurenmengster,
De vreugdebrengster,
Die 't Al verblijdt!
6.
Meld, o gij wandlend Wolkenzwerk!
Zijn handenwerk!
Zijn handenwerk,
[p. 50]
't Zij ge den regenmantel plooit,
Of paerels sprengelt,
Of vlokken mengelt,
Als dons gestrooid!
7.
Maakt Hem, o Winden! op vlugge wiek
Een lofmuziek!
Een lofmuziek -
Tot er de gantsche lucht van trilt,
Terwijl gij wappert
En vleugelklappert
Waarheen gij wilt!
8.
Mengt Hem, gij Donders! uw orgelklank
Tot prijs en dank,
Tot prijs en dank -
[p. 51]
En laat uw vliegende bliksemstift
Waar de onweêrs drijven
Gods glorie schrijven
In vlammend schrift!
9.
Alle Gods schepslen! looft alom
In 't Heiligdom,
In 't Heiligdom,
Totdat - uw Opperste Priester komt,
Om in 't Heilge der Heilgen te wonen,
En uw Lied met een Amen te kroonen,
Waarbij de Engel van eerbied verstomt!