En God zeide: ‘Dat de wateren van onder den hemel in ééne plaatse vergaderd worden, en dat het drooge gezien worde!’ En het was alzoo. En God noemde het drooge Aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij Zeën. En God zag dat het goed was. En God zeide: ‘Dat de aarde uitschiete grasscheutkens, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijnen aart, welks zaad daarin zij op de aarde!’ En het was alzoo. En de aarde bracht voort grasscheutkens, kruid, zaadzaaiende naar zijnen aart, en vruchtbaar geboomte, welks zaad daarin was, naar zijnen aart. En God zag dat het goed was.
Toen was 't avond geweest, en 't was morgen geweest: de Derde Dag.
Genes. I : 9-13.