[p. 78]
Derde scheppings-lied.
1.
Wien wacht gij? Wat verheven gast
Bereidt gij naar den eisch
Het Koninklijk Paleis?
Gij Aarde! die daar wordt en wast,
Geboren uit het golvend ruim,
Nog bigglend van zijn schuim?
2.
Uw bergen klimmen uit de kolk,
En zenden van hun top
Den witten waassem op,
Als outers in een wierookwolk;
Uw dalen rollen, groen van kruid,
Hun prachttapeeten uit.
[p. 79]
3.
Uw wouden menglen tot één Woud,
En strenglen welf en boog,
En bouwen hemelhoog
Een kerk van ongekorven hout,
Waar Englen op den drempel staan,
En luistrend gadeslaan.
4.
Daar wandelt door uw heiligdom
Een ongeziene Macht,
Een goddelijke Kracht:
Ze gaat als door heur werkplaats om,
Ze schept, herschept, bewerkt, bereidt:
't Is - de Alvoorzienigheid!
[p. 80]
5.
Zijt ons gezegend, Groote God!
Uw zorg, Uw raad, Uw hand,
Schikt alles in verband;
Elk leven met zijn levens-lot,
Elk Heden met zijn jongst Verleên,
Elke Eeuw met Eeuwigheên!
6.
Uw Zee, die waerelddeelen scheidt,
Biedt straks gedwee den rug,
En spant de waterbrug,
Die volkren tot elkander leidt,
En aardsche' en geestlijke' overvloed
Met woeker ruilen doet.
[p. 81]
7.
Uw Bergen zoogen aan hun borst
En wiegen in hun sneeuw
De stroomen eeuw aan eeuw,
Waarnaar Uw groote Lusthof dorst;
En houden 't Steenen Boek bewaard,
De
Genesis
der Aard'!
8.
Uw Bosschen - werp ze neêr in 't slijk!
Verander hun natuur!
Der Toekomst voorraadschuur
Ontbrak nog aan Uw wonderrijk.
Bouw, Eeuwge! bij ons jubelchoor
Uw warmte- en lichttrezoor!
[p. 82]
9.
Hij komt, die eens Uw schat ontsluit:
De Mensch, van Uw geslacht!
Daar opent hij den nacht:
Daar vliegen zij hun kerker uit,
Die geesten, eeuwen achtereen
Gebannen in den steen!
10.
Zij dragen Wetenschap en Kunst,
Weêrlichtend langs hun spoor,
De wijde waereld door.
Zij zijn des Menschen, door Uw gunst!
Maar hij - is de Uwe, en werpt zijn kroon
Aanbiddend voor Uw troon!
[p. 83]
11.
Want al wat is of worden zal,
O Oppermajesteit!
Macht, kracht, of heerlijkheid,
En aller hemelen heelal,
Is U tot eenige, eeuwige eer;
Hozanna! Looft den Heer!