En God zeide: ‘Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tusschen den dag en tusschen den nacht; en dat zij zijn tot teekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren! En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! ’
En het was alzoo. God dan maakte die twee groote lichten: dat groote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.
En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde, en om te heerschen op den dag en in den nacht, en om scheiding te maken tusschen het licht en tusscheu de duisternis. En God zag dat het goed was.
Toen was 't avond geweest, en 't was morgen geweest: de Vierde Dag.
Genes. I : 14-19.