En God zeide: ‘Dat de wateren doen uitkrielen een gewriemel van gedierte dat den adem des levens heeft; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels!’ En God schiep de groote zeemonsters, en alle levende wemelende ziel, welke de wateren overvloedig voortbrachten, naar haren aart; en alle vliegend gevleugelte naar zijnen aart. En God zag, dat het goed was. En God zegende ze: zeggende: ‘Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren inde ze\:en, en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!’
Toen waa 't avond geweest, en 't was morgen geweest: de Vijfde Dag.
Genes. I : 20-23.