En God zeide: ‘De aarde brenge levende zielen voort, naar haren aart, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijnen aart!’ En het was alzoo. En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijnen aart, en het vee naar zijnen aart, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijnen aart. En God zag dat het goed was.
En God zeide: ‘Laat ons menschen maken, naar ons beeld, naar onze gelijkenis! Eu dat zij heerschappij hebben over de visschen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de geheele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.’
En God schiep den mensch naar Zijn beeld, naar het beeld van God schiep Hij hem: Man en Vrouw schiep Hij ze. En God zegende hen, en God zeide tot hen: ‘Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en
vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de visschen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het gedierte dat op de aarde kruipt!’
En God zeide: ‘Zie, ik heb ulieden al het zaad zaaiende kruid gegeven, dat op de gantsche aarde is, en alle geboomte, in 'twelk zaadzaaiende boomvrucht is: het zij u tot spijze! Maar aan al het gedierte der aarde, en al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin eene levende ziel is, [heb ik] al het groene kruid tot spijze [gegeven].’
En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.
Toen was 't avond geweest, en 't was morgen geweest: de Zesde Dag.
Genes. I : 24-31.