[p. 179]
Zesde scheppings-lied.
- Des menschen hymne. -
I.
Wie zijt Gij, Eeuwig-Onvolprezen'?
Dat onze mond U noemen moog'!
Wij, aan Uw voet uit stof gerezen,
Versmachten naar Uw Vaderoog.
Zien we op naar gindsche stargewelven,
Daar zweeft Uw heerlijkheid voorbij:
Wij vinden, keerende in ons-zelven,
Uw spoor te rug: ook dáár waart Gij!
[p. 180]
Tot U trekt iedere gedachte,
Voor U trilt elke harteklop.
Bij al wat 's Menschen ziel verwachte,
Wacht ze U, en zoekt ze Uw schaduw op.
Gij komt haar telkens, telkens nader,
Steeds grijpt zij naar Uw hand... Te vroeg!
Wij hebben U in alles, Vader!
En hebben U in niets genoeg.
Ons drijft een nameloos verlangen
Met heilig, onuitbluschlijk vuur,
U gànts te kennen, gànts te ontfangen,
Een erfgenaam van Uw natuur!
Zoo schreit geen rave naar zijn spijze,
Zoo keert geen bloeme naar heur zon,
Als 't hart tot U, Algoede! Al wijze!
Gij, Licht- en Liefde- en Levensbron!
[p. 181]
II.
mannen-choor
.
God en Vader!
Sla ons gade:
Uw nabijheid
Hoû de wacht!
Uit Uw ader
Stroomt genade. -
Hoogste Vrijheid!
Eeuwge Kracht!
Wil ons drenken
Aan Uw boezem!
Wil ons sterken
Door Uw tucht!
Van ons denken
U de bloezem!
Van ons werken
U de vrucht!
[p. 182]
Met Uw wapen,
Dat wij scherpen,
Wil ons leeren
Tred voor tred
Al 't Geschapen'
Te onderwerpen,
Te regeeren
Naar Uw wet!
Maak door lijden,
Strijden, streven,
Ter viktorie
Ons bekwaam:
Dat wij U, aan 't eind der tijden,
De Aarde, Uw leengoed, wedergeven
Vol der glorie
Van Uw naam!
[p. 183]
III.
vrouwen-choor
.
Albehoeder!
Hoor de bede
Voor ons eerste
Kindekijn!
Die het Moeder-
-harte kneedde,
Moet de teêrste
Liefde zijn!
Zie ons knielen,
Waar we samen
't Eden vonden,
Man en Vrouw!
Die twee zielen
Met Zijn Amen
Heeft verbonden,
Blijft getrouw!
[p. 184]
Liefdes lessen
Wèl te kennen,
Vriendlijk, vredig,
Rein en waar,
Als Priestressen
Ons te wennen
Aan het zedig
Huisaltaar:
U ter eere
't Kroost te kweeken
Tot een heerlijk
Volk van God:
D\`at, bij 't werk der Menschheid, Heere!
Waar geen enkle mag ontbreken,
Zij 't begeerlijk
Vrouwenlot!
[p. 185]
IV.
engelengroet
.
Hozanna! Zijt gezegend,
Gij koninklijk Geslacht,
Met broedergroet bejegend
Door 's Hemels Englenwacht!
Wij mochten 't welkom heeten,
Het
Leven
, in het diep,
Dat de eeuwenlange keten
Ontwikklingen doorliep;
Dat immer U bedoelde,
Hoe duizenvoud het scheen;
U zocht en voorgevoelde,
Door alle vormen heen!
[p. 186]
En nu - gij zijt gekomen,
Zoo lang verbeid, bereid,
Ver boven hoop en droomen
Der Schepping heerlijkheid!
De kroon des Aardschen Levens,
Gods afdruk in het slijk,
De vrucht en de éénheid tevens
Van Stof en Geestenrijk!
Hozanna! Gij, wien erflijk
Een dubbeld purper gordt:
In wien 't Vergankbre Onsterflijk,
Het Godlijk' Menschlijk wordt!
Nog zijt gij in den morgen
Der Kindschheid! Menig kracht
Ligt in uw geest verborgen,
Die op de ontwaking wacht.
[p. 187]
Hoe hoog u de Almacht plaatste,
Nog is in 't wijd verschiet,
Deez' glorie de allerlaatste,
Nog, de allerhoogste niet!
Bezit
, met al uw gaven,
U-
zelven
eerst geheel!
De knechts-soldij voor slaven!
Voor vrijen - 't kinderdeel!
En dan - u-
zelf gegeven
Dien
God
, wien 't Al behoort!
Dàt is, o Menschlijk
Leven
,
Uw zaalge weêrgeboort'!
Laat nu al 's Hemels kringen
En 't wentlend Waereld-Al
Hem 't driemaal Heilig zingen,
Die was en wezen zal!