terug  begin  verderprepost
[p. 189]

Zevende tafereel.

Alzoo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heir.
Als nu God op den Zevenden Dag volbracht had zijn werk dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den Zevenden Dag van al Zijn werk dat Hij gemaakt had.
En God heeft den Zevenden Dag gezegend en dien geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van Zijn werk, hetwelk God geschapen had om te volmaken.
Genes. II : 1-3.
[p. 191]
 
Het Scheppings-drama heeft zijn allerlaatst tafreel
 
Vertoond. Nog éénmaal daalt op 't groote schouwtooneel
 
Rondom des Hemels tolk 't Profetiesch duister neder;
 
Nog ééns ziet hij de zon van 's waerelds jonkheid weder,
 
Die met heur purperstraal hem de oogleên open kust.
 
't Is of geheel Natuur in heilige' aandacht rust.
 
In 't klare luchtruim heerscht een onverbroken zwijgen,
 
Eerbiedig suizend. Van de bergaltaren stijgen
 
De zilvren nevels als een offerdamp omhoog.
 
Van vreugdedroppen blinkt het helder bloemenoog,
[p. 192]
 
En 't geurig bloemenhart stort zijn welriekendheden.
 
De bosschen buigen en gefluisterde gebeden
 
Gaan door hun takken. Ook de dartle zefiers slaan
 
De glazen toetsen van de beekjens zachter aan.
 
't Schijnt, al het schepsel schorst den arbeid, om den Gever
 
Van alle goed vereend te danken. Zelfs de bever
 
Vergeet te bouwen, en de vogel vlecht niet voort
 
Aan 't half-voltooide nest...
 
 
 
Daar ruischt het Godlijk Woord,
 
Als op de vleuglen van de stilte voortgedragen:
 
Dit is mijn sabbats-feest! gij zevende der dagen,
 
u wijd en heilig ik!’
 
En als de Godsprofeet
 
Zich 't voorhoofd sluiert in de plooien van zijn kleed,
 
Vervolgt de Roepstem:
 
‘Maar mijn liefde en almacht staken
 
Heur zorgen niet. O mensch! uw vorming te volmaken,
 
Ziedaar mijn sabbats-werk, dat ook het uwe zij!’aant.
[p. 193]
 
En nu - de Droom heeft uit: de geest der Profecy
 
Vaart henen. Amrams zoon, tot in de ziel bewogen,
 
Blikt twijfiend rond: en ja, daar keeren voor zijn oogen
 
De Horeb, Midian, de kudde die hij weidt,
 
De rook uit Jethroos schouw - heel de oude werklijkheid!
 
Al peinzend daalt hij neêr, nog gloeiende om de slapen
 
Van geestdrift, biddend straks en wachtend bij zijn schapen,
 
Totdat - zijn sabbat luidt en hij Gods werk aanvaardt:
 
Één Volk te vormen tot een zegen voor heel de Aard'!
 
 
 
Geen Zevende' Avond heeft de Godsman neêr zien varen,
 
Al rekte zich zijn baan.
 
Des Heeren Sabbats-dag telt zesmaalduizend jaren,
 
En houdt nog immer aan.
 
Des Heeren Sabbats-werk, bij dagen noch bij nachten
 
Verpoosd, is niet voltooid:
 
Het duurt, als de asch van dit en talloze geslachten
 
Reeds eeuwen is verstrooid;
[p. 194]
 
Het duurt, zoolang één traan uit menschenoogen paerelt
 
In dit ontwikkingsoord;
 
En, breekt hier 't laatste hart, dan nog, in Beter Waereld,
 
Gaat de arbeid eeuwig voort.
 
De Sabbat heeft geen eind; want alle Zeedlijk Leven,
 
Door alle sfeeren heen,
 
Zingt zijn: ‘excelsior!’ en blijft naar Hooger streven.
 
- Volmaakt, is God-alleen!
 
 
 
Wie nu wijst den later Dichter
 
een verkoren plekjen aan,
 
Om, als van een ander Horeb,
 
't Sabbatswonder gâ te slaan?
 
O mijn Alpen! hooge Jungfrau!
 
'k zie u in den geest weêrom:
 
'k Stijg weêr langs uw reuzentrappen
 
tot uw opperst Heiligdom.
 
Met de waereld aan mijn voeten,
 
wil ik peinzen aan heur lot,
[p. 195]
 
Wil ik staren op de gangen
 
van een albesturend God!
 
Nu geen steenen der getuignis
 
uit het ingewand der Aard,
 
Maar de diepste erinneringen,
 
Menschdom! uit ù w hart vergaârd!
 
 
 
Aan het blind Instinkt ontwassen,
 
door de Reden voortgeleid,
 
Heeft de Mensch de wieg verlaten
 
van de kindsche onnozelheid.
 
Méér dan zinlijk zelfgenieten,
 
is de roeping die hem wacht,
 
Méér dan 't volgen der natuurwet
 
van een dwingende Overmacht.
 
Op den bodem van zijn harte
 
lag zijn hemelsche adelbrief:
 
Vrijheid was de Konings-waarde,
 
die hem boven 't stof verhief.
[p. 196]
 
Daarom kon de kroon des Konings
 
in haar vollen zonneschijn,
 
Slechts de Vrije Wederliefde
 
voor de Hoogste Liefde zijn.
 
Bij de hachelijke keuze
 
tusschen Gods en eigen wil,
 
Aarzlend voor den Boom der Kennis,
 
staat hij op den tweesprong stil.
 
Zelfverloochening en Zelfzucht
 
voeren tweestrijd in zijn ziel:
 
De eerste worstling was zijn voorrecht,
 
werd zijn neêrlaag, en - hij viel!
 
 
 
Daar brengt nu de Zonde de scheiding in 't leven,
 
Daar gaapt nu de wond der onsterflijke smart!
 
Daar zwerft nu de zoon, door zich-zelven verdreven,
 
Het vaderhuis uit, met zijn vijand in 't hart!
 
Daar eischt nu het kind, dat zich mondig verklaarde,
 
De ontzachlijke taak des zelfstandigen mans!
[p. 197]
 
Hij-zelf gaf het sein: mede oproerig, acht de Aarde
 
Den staf van heur herder de roede eens tyrans.
 
De bodem verdedigt met distlen en doornen
 
Zijn vrijheid; de lusthof verwaarloost zijn pronk;
 
De leeuw toont zijn tanden, de buffel zijn hoornen,
 
De cherub zijn zwaard, en het graf zijn spelonk.
 
Zie 't kroost des verneêrden, zijn ballingschap deelend,
 
Maar Eden vergetend, hoe verder het dwaalt!
 
Zie 't Kwade, uit zijn zaaisel zich-zelve herteelend,
 
En d' Afval, gestaâg en - vermeetler herhaald!
 
Twee worstlende Machten betwisten elkander
 
't Bezit van den Mensch, in steeds heftiger strijd:
 
Het eene vergrijp volgt gevleugeld het ander -
 
Gods beeld in de ziel, 't Hoogaltaar, ligt ontwijd.
 
De zee breekt haar sluizen om de Aard te verzwelgen,
 
De zwavelvlam blaakt de misbruikte Natuur:
 
Maar 't doodelijk vonnis moog' zondaars verdelgen,
 
De zonde, ongedeerd, rijst uit water en vuur!
 
Heur adem verdierlijkt het Menschelijk Harte:
 
't Verheimlijkt niet langer, 't aanbidt straks zijn kwaad,
[p. 198]
 
Zijn wulpsche Begeerte in een schaamteloze Astarte,
 
In Baäl zijn eigen schuimbekkenden Haat.
 
Het Schoone is misvormd, en de Waarheid verbasterd,
 
De God dien men mint, in een schrikbeeld verkeerd,
 
Dat m' aanroept en tuchtigt, bewierookt en lastert,
 
Zelf beitelt en bootst, en toch - knielend vereert!aant.
 
Ja, duizend vijandige Goden doorzwermen
 
De vier elementen, gevloekt legioen,
 
Dat de Onschuld verkracht, en uit moederlijke armen
 
Den zuigeling wegrukt, der wrake ter zoen!
 
Waar is nu die Koning, gezalfd uit den hoogen?
 
Gij vindt hem terug - ter galeibank gesleept,
 
Den tredmolen drijvend, in 't ploegjuk gebogen,
 
Gekoppeld als vee naar de marktplaats gezweept!
 
Gij ziet hem op 't slagveld, in 't staal tot de tanden,
 
Ter moordende jacht als een bloedhond gehitst;
 
Den broeder verscheuren en smetten de handen
 
Met gruwzamen lijkroof, den gieren betwist!
 
Ge ontmoet hem op 't feest, met de bekers rinkinkend,
 
Een nevel voor 't oog en de furie in 't bloed,
[p. 199]
 
In alkohol-stroomen zijn ziele verdrinkend,
 
Gewenteld in 't slijk, en verschupt met den voet!
 
Ge ontmoet hem op 't ziekbed, door kwalen verslonden,
 
Van honger versmachtend in kerker en kot,
 
In 't hok van den waanzin met ketens gebonden,
 
Of wanklend den trap op van 't roode schavot!...
 
Ge vindt hem op de aarde in zijn onrust alomme;
 
In rust onder de aard vindt ge alomme hem weêr:
 
Dáár kust hem de Ontbinding, de blinde, de stomme...
 
Wat rest van den Koning? - 't Geraamte, niets meer!
 
 
 
Maar de som van zoo veel levens,
 
als de Levens-kroon ontstaan,
 
Maar de Mensch, uit God geboren,
 
kan aldus niet ondergaan!
 
Met barmhartigheid bewogen,
 
ziet de Vader 't arme kind,
 
Dat zijn eerste schrede voorwaards
 
met een diepen val begint.
[p. 200]
 
Ook die val moet verder brengen,
 
zij het onder schande en pijn,
 
En die schijndood zal de sluimer
 
vóór een grootsch ontwaken zijn!
 
 
 
Met de middlen, met de wegen
 
Van Zijn wijsheid, van Zijn macht,
 
Komt de Algoede Zijn geslacht
 
Op den bangen dwaalweg tegen,
 
En daar straalt een spoor van zegen
 
Door de wanorde en den nacht.
 
Wat al kreeten Hem bestormen,
 
Door den wanldank ongestoord,
 
Werkt de Vader liefdrijk voort,
 
En in duizendvoude vormen
 
Kleedt Hij Zijn welsprekend Woord.
 
Leesbaar staat het aan dien Hemel,
 
Met zijn ongerimpeld blaauw
 
Lovend de Onbezweken Trouw,
[p. 201]
 
Met zijn vonklend stargewemel
 
Prijzend als op d' eersten dag
 
't Eenig en Alhoog Gezag.
 
Hoorbaar klinkt het uit de stroomen,
 
Uit de velden, uit de boomen,
 
In een eindloos lofchoraal.
 
Want het schepsel al te maal
 
Houdt niet op zijn God te roemen.
 
Ieder in zijn eigen taal
 
Wil den naam des Scheppers noemen.
 
Lente schrijft hem op de bloemen
 
Met een gouden zonnestraal;
 
Zomer kranst hem met festoenen,
 
Vol van blozende' overvloed;
 
En als knop noch bot meer groenen,
 
Weeft de winter voor uw voet
 
In zijn sneeuwkleed: ‘God is goed!’
 
‘God is goed en - groot!’ herhalen
 
Alle heuvlen met hun dalen,
 
Alle bergen die daar staan,
[p. 202]
 
Als voor de eeuwigheid geschapen,
 
Aan wier borst de wolken slapen,
 
Aan wier voet gelijk de blaân
 
Volken komen en vergaan!
 
's Heeren stem is op de waatren,
 
Die Hij van Zijn vingertop
 
Sprenkelde als een regendrop;
 
En wanneer de diepten schaatren,
 
't Bliksemvuur de wolken deelt,
 
En de zee heur psalmen speelt
 
Onder 't loeiend donderklaatren,
 
Dan ontblooten zelfs Gods haatren
 
Met een huivring 't schennig hoofd,
 
En - de twijfelaar gelooft!
 
 
 
En anders nog weêr vormt de almachtige God
 
Zijn kind in de school der ervaring:
 
Hij predikt met feiten. Elk Leven en Lot
 
Zijn woorden der Groote Openbaring!
[p. 203]
 
Geen toeval verbreekt ooit het heilig verband
 
Van Schuld en Ellend, Deugd en Zegen;
 
Verrassend komt immer de onzichtbare Hand,
 
Om beide in heur schalen te wegen.
 
De Nijd heeft zijn worm, en de Vrekheid haar vrees,
 
De Wellust zijn martelaarssponde;
 
De Zonde, overal, is de prikkel van 't vleesch,
 
De Dood, steeds de prikkel der zonde!
 
Maar 't Goede, gezaaid waar de Plicht het beveelt,
 
Lokt graan uit de onvruchtbaarste klippen;
 
En elke dronk waters, uit liefde gedeeld,
 
Verkwikt nog de stervende lippen!
 
De honden van Achab zijn vaardig om 't bloed
 
Van offers en beulen te menglen -
 
De gasten van Abrâm gaan rond met hun groet,
 
En steeds wie ze ontfangt, herbergt Englen!...
 
Zoo de enklen, zoo allen! - Gods weg is in 't Licht,
 
Al de eeuwen vertellen Zijn glorie:
 
De Waereldgeschiednis is 't Waereldgericht,
 
Vergelding, de wet der Historie!
[p. 204]
 
Zij wijst op een Macht, die verdrukkers verdrukt,
 
Tot knechten vernedert van knechten,
 
Die volkrenverwoesters den moker ontrukt,
 
Om nu ook hùn haardsteê te slechten.
 
Als Kanân de maat van zijn gruwlen vervult,
 
Staat Isrêl gereed op den drempel;
 
Als Isrêl ten slotte verstokt in zijn schuld,
 
Steekt Rome de vlam in den tempel:
 
En als voor dat Rome, verbasterd, verslapt,
 
De val in Gods raad is besloten,
 
Dan komt de Barbaar, die zijn hoogmoed vertrapt,
 
Dan volgen de Hunnen de Gothen!..
 
Maar steeds blijft de wolk der Gerechtigheid Gods
 
Omzoomd met het goud der Genade:
 
Één Rijk houdt zich staande en braveert op zijn rots
 
Den wassenden springvloed van 't Kwade;
 
Één Rijk breidt zich uit, niet te vuur of te zwaard,
 
Maar diep in den geest der gemoedren,
 
En rijpt tot een Godsrijk, dat hemel en aard
 
Voor eeuwig te saam' zal verbroedren!
[p. 205]
 
Dáárom spreekt de Hemelvader
 
niet maar uit Zijn stargewelf,
 
Niet maar uit de menschen-waereld,
 
maar in 's menschen wezen-zelf.
 
Wondervol instinkt der Schaamte,
 
die de siddring jaagt door 't bloed,
 
En de ontroerde ziel weêrspiegelt
 
in uw donkren rozengloed!
 
Zijt gij 't avondrood der onschuld,
 
reine zon die lang verdween?
 
Of de straal eens beetren morgens,
 
blozend door de neevlen heen?
 
Onbegrijpelijk Geweten!
 
zijt gij niet de stem der Plicht,
 
Die den wil betoomt en regelt,
 
de innerlijke onwaarheid richt?
 
Bleeft gij niet de ontfanklijke akker,
 
waar 't beginsel kiemen zal
 
Van een eeuwige herstelling
 
uit een tijdelijken val?
[p. 206]
 
En de Zorg, die u behoedde,
 
hoedt zij en bewaart zij niet
 
Evenzoo de Godsgedachte,
 
die de Menschheid nooit verliet?
 
Ook de zonäanbidder huldigt,
 
vallende op zijn aangezicht,
 
Onbewust der Lichten Vader,
 
't eeuwig, ongeschapen licht;
 
Ook de vuurgloed der altaren,
 
opgaande in den Heidennacht,
 
Spreekt van honger naar verzoening
 
met een onbekende Macht;
 
Ook de Hindo, die zich neêrwerpt
 
voor de kar van Juggernaut,
 
Toont een zucht die voor d' Alhooge
 
't leven niet te heilig houdt!
 
 
 
En wat sluimert in het binnenst',
 
ordloos of belemmerd werkt,
[p. 207]
 
Wordt door 's Vaders Geest verwakkerd,
 
vrijgemaakt, bestemd, versterkt.
 
En die Geest, alomme vonklend,
 
stijgt bij enkelen ten top
 
Als een hemelvlam: want de Eeuwge
 
voedt door menschen menschen op.
 
Ziet dat Isrêl, 't uitverkoorne!
 
niet door krijgs- of kunstnaarsroem, -
 
Door den Genius der Godsdienst
 
aller volkren eêlste bloem,
 
Aller volkren schatbewaarder,
 
door het toebetrouwd kleinood:
 
Kennis van den Eenig-Eenen,
 
driemaal heilig, goed en groot!
 
Onder ballingschap en lijden
 
wordt het als een graan gedorscht,
 
Steeds de Heilbelofte koestrend
 
aan de raauwgeslagen borst,
 
En verstrooid door àlle naties,
 
maar verzelvigd met niet één,
[p. 208]
 
Toch de Natie, Waarheids fakkel
 
dragend door de Waereld heen!
 
 
 
Aan u de roem, dat ge, aan Gods voet gezeten,
 
Getrouw waart in Zijn Huis, groote Amrams zoon!
 
Die 't schrift, verbleekt in 't menschelijk geweten,
 
In 't marmer grift tot eeuwge Godsgeboôn!
 
Aan u de dank, gewijde Sionieten!
 
Wier melody de kille borst ontsteekt,
 
En, 't zij ge roept tot lijden of genieten,
 
De moedertaal van 't Menschlijk Harte spreekt!
 
U, Davids Harp, vooral! die de Aard doet galmen
 
Van hymnen, of gelijk een boetling weent,
 
Die balsemdaauw neêrdruppelt uit uw psalmen,
 
En 't heimwee naar den Hemel woorden leent!
 
Aan u de lof, gezalfde Godsverkondren!
 
Die, naar het Oost des Grooten Dags gekeerd,
 
De richtbazuin in 's Dwinglands oor doet dondren,
 
En - 't rouwend Volk den Redder profeteert!
[p. 209]
 
U, zone van Hilkia! 't zwaarste dragend
 
Als waart ge uit erts gesmeed, toch met de stem
 
Eens nachtegaals uwe elegiën klagend
 
Op 't rookend puin van uw Jeruzalem!
 
U, eerst en laatst, Jezaïa! uitgevlogen
 
Op aadlaarswiek voorbij de grens des tijds,
 
Nù zingend naast de Serafîm gebogen,
 
Dàn hupplend door 't herwonnen Paradijs!
 
Gij allen hebt door leeren en ontbeeren
 
De ruwe baan der Menschheid meê bereid:
 
Gij hadt uw deel aan 't Sabbatswerk des Heeren -
 
Gij hebt uw deel aan 's Heeren heerlijkheid!
 
 
 
Allen zijt gij de eêlste kindren
 
van het eerste Godsverbond,aant.
 
De alleroudste Evangelisten,
 
die 's Messias Rijk verkondt!
 
't Is de hoop op Zijn verschijning,
 
die door uwe orakels speelt;
[p. 210]
 
In het lot van uw Profeeten,
 
schaduwt gij Zijn levensbeeld;
 
In den arbeid uwer Priesters
 
wordt Zijn aanstaand werk vertoond;
 
In de glorie uwer Vorsten,
 
de eer die eens Zijn scepter kroont!
 
't Heilig lijden is gemeenschap
 
aan hetgeen Hij lijdt eenmaal:
 
Elk verwinnaar geeft het voorspel
 
van Zijn groote zegepraal;
 
En alle overwonnelingen
 
zijn bewijs en onderpand,
 
Dat Zijn Rijk zich uit zal breiden
 
tot het verste waereldstrand.
 
Zoo dan kweekt ge, in Sems geslachte,
 
dat van heilbegeerte blaakt,
 
Een Verhevene Gedachte,
 
die een Volk onsterflijk maakt!
[p. 211]
 
Maar ook buiten de enge palen
 
van één, afgezonderd Volk,
 
Blaast de vrije Geest des Heeren,
 
gaven strooiende uit de wolk.
 
Zie dat Hellas, 't lang verdeelde!
 
door de zangen van Homeer
 
En der Perzen kamp hereenigd
 
tot een machtig Heldenheir!
 
Ook zijn tempels zijn gebeden,
 
zwevende op der zuilen vlucht;
 
Ook de Olympische oefenspelen,
 
scholen van een heilge tucht!
 
Ook het Schoone, dat hij huldigt,
 
is van 't Goede een wederglans.
 
In zijn mythen slaapt de Waarheid
 
met een bonten bloemenkrans.
 
Hem zijn Hoop, Geloof en Liefde
 
nog als Gratiën vermomd,
 
En zijn Psyche zoekt en jammert
 
tot de Godlijke Eros komt!
[p. 212]
 
Als een vriendlijke Geleidster
 
Daalt de Kunst uit Beter kring,
 
Meêverkoren wegbereidster
 
Tot de Hoogste ontwikkeling!
 
Laat de menschenstem zich paren
 
Aan den klank van 't zangrig hout,
 
Aan de trilling van uw goud,
 
Welgestemde citersnaren!
 
Vrede ritselt van uw wiek,
 
Reine, hemelsche Muziek!
 
Hebt gij leeuw en slang doen luistren,
 
Stroomen in hun vaart geschorst, -
 
't Wilde dier in 's menschen borst
 
Slaat gij in onzichtbre kluistren,
 
En der driften dwarrelvloed
 
Effent gij in 't bruischend bloed.
 
Evenwicht van Hart en Leven,
 
Harmonie van Woord en Daad,
 
Kalme rhyhtmus, vaste maat,
 
Eischt de wet, door U gegeven!
[p. 213]
 
En wat de Kunst begon met hóórbre akkoorden,
 
Dat zet zij voort in kleur en vorm en lijn.
 
Haar scheppingen zijn onuitspreekbre woorden
 
Die naklank uit een reiner waereld zijn!
 
De Schoonheid zweeft in zielvolle idealen
 
Heur oog voorbij, nog lang van 't Licht verblind.
 
Dien droom getast! dat beeld moet nederdalen,
 
Van geest en stof, twee Rijken, 't wonderkind!
 
Nu, Regenboog! ontbind uw Zeven Kleuren,
 
Zoo word' door u het doode doek bezield!
 
Gij Godheid, wil den steenen mantel scheuren,
 
Het marmerblok, dat u gevangen hield!
 
't Geschiedt! daar stort een Eden, heerlijk glansend,
 
Apelles-zelf een hemel in 't gemoed;
 
En Phidias, zijn Jupiter bekransend,
 
Werpt onbewust zijn lauwer aan Gods voet!
 
 
 
Nu bestraalt gij hoofd en harte,
 
Wijsbegeerte en Poëzy!
[p. 214]
 
Zustrenpaar, den gang besturend
 
van een breeden Priestrenrij!
 
Man van Samos! Zedenkweeker,aant.
 
Jonglings-mentor, Kindervrind,
 
Die in God, als in d' ‘Algoede,’
 
's Menschen toonbeeld wedervindt;
 
Die den vrede wilt doen heerschen
 
ook in elke levens-sfeer,
 
Als de harmonie der heemlen
 
alomvattend, rein en teêr!
 
Naar de Bron van àlle Waarheid
 
leidt ùw waarheidsvorsching heen:
 
De edelsten uws volks bezielt gij,
 
jaren, eeuwen, achteréén. -
 
Sokrates! uw eigen leeraar,
 
eer gij die van andren werdt!
 
Wijze onwetende! ernstig schertser!
 
stout bespieder van het Hart!
 
Uit den keisteen slaat gij vonken;
 
uit het ijdel luchtgewelf
[p. 215]
 
Lokt gij 't onderzoek naar binnen,
 
met uw vruchtbaar: ‘Ken u-zelf!’
 
Trouw aan God en uw geweten,
 
bleeft gij ook in ketens vrij:
 
Zóó wordt u de dood genezing,
 
zóó de gifkelk artsenij! -
 
En gij, goddelijke Plato!
 
zoekt gij niet met smachtend oog,
 
Balling voor een wijl op aarde,
 
't ware Vaderland omhoog?
 
In de donkere spelonkeaant.
 
wijst gij op het schaduwbeeld
 
Van de onsterfelijke Schoonheid,
 
dat daar langs de wanden speelt.
 
Al het Goede is u Herinnringaant.
 
uit een zalig Geestenrijk;
 
Liefde preêkt gij; want de Liefde
 
maakt den mensch zijn Goôn gelijk!
[p. 216]
 
En de Dichters al te samen
 
Groote gaven, eedle namen,
 
Heffen hun gezangen aan,
 
Achter U, Maeoonsche zwaan!
 
Om het Menschlijke uit te spreken,
 
Op te heffen, aan te kweeken,
 
Om de taal te doen verstaan
 
Van de Deugd en 't Mededoogen,
 
Van den Glimlach en den Traan,
 
Menglend steeds in menschen-oogen
 
Bij des waerelds wel en wee,
 
Als in de uwe, Andromaché!
 
Bij genieten of verlangen,
 
Door den juichtoon en de klacht,
 
Klinkt de grondtoon àller zangen:
 
‘'t Menschdom is van Gods geslacht!’aant.
 
En de fiere Treurspelmuze,
 
Wandlende aan de spits van 't Choor,
 
Houdt der Schuld het schrikbeeld voor
 
Der versteenende Meduze;
[p. 217]
 
Wijst den zwakke in 't lijdensuur
 
Op een eeuwig Albestuur,
 
Dat de teugels houdt der tijden,
 
Op een hooge en heilge Wet,
 
Ook den Koningen gezet,aant.
 
Doodlijk wie haar ooit ontwijden!...
 
En wanneer bij al de ellend
 
Van dit wisselziek Beneden,
 
't Hoofd zich troostloos zijwaards wendt,
 
Met de Olympiërs te onvreden,
 
Ziet! Prometheus op zijn rots,
 
Voelende al des Menschdoms nooden,
 
Spelt den ondergang der Goden
 
Door den pijl des Nieuwen Gods!
 
 
 
Die Goden veroudren! zij wanklen! zij vielen....
 
't Is al voor de Hoogste Openbaring bereid.
 
‘Een nieuwe vertroosting!’ zóó zucht uit de zielen
 
Een hoop tegen hoop, die een wonder verbeidt.aant.
[p. 218]
 
Zij roept om een andwoord op de eerste aller vragen:
 
Wie eindlijk den Mensch met den balsem bedeelt
 
Voor de erflijke wond, veertig eeuwen gedragen,
 
In allerlei windsels gehuld, niet geheeld?
 
Zij roept om den God, wel gezocht, niet gegrepen;
 
Vermoed, niet gekend; nu onmisbrer dan ooit,
 
Nu ze ophield, verblind met een fabel te dweepen,
 
Bont kleed, om het drogbeeld der waarheid geplooid!
 
Zij roept om een Heiland, uit allen verkoren
 
Voor allen: een Zoon uit Gods vaderlijk hart,
 
Maar Menschen-zoon ook, uit de tranen geboren
 
Der reinste begeerte, der edelste smart!
 
En - 't wonder geschiedt! Daar verschijnt de Verwachte,
 
Die 't licht is der Heidnen en Israëls eer.
 
Hij komt haar volvoeren, de Sabbats-gedachte:
 
God-zelf, in de krib, legt Zijn rijkssleutel neêr!
 
Hij komt; en 't Nieuw tijdperk van 't Menschelijk Leven
 
Vangt aan - als de Idylle: in een groene vallei,
 
Waar starrenglans schittert, en lofzangen zweven,
 
Bij herders en englen, in feestlijken rei,
[p. 219]
 
Waar de eeuwige liefde van d' Allesbehoeder
 
Heur laatst, heerlijkst werk met een glimlach begint,
 
Die speelt om de lippen van 't heiligste Kind,
 
Aan 't hart van de zaligste Moeder!
 
 
 
Gegroet, Voleindiger van 't Godlijk Vrederijk,
 
Gij Jezus! wel een mensch, den broederen gelijk,
 
Uit aardschen moederschoot gelijk zij-zelf genomen,
 
Maar ook de Mensch, de ware, onzondige, volkomen
 
Des Scheppers Ideaal, Zijn vleeschgeworden Woord! -
 
Tot wiens gelijknis door een Hemelsche geboort',
 
Herschepping uit Uw geest, die andren klimmen moeten!
 
Al wat wij heerlijkst ooit in Adams kroost begroeten,
 
Verbrokkeld onder vele, en met getaanden glans,
 
Ciert U, vereenigd tot een vollen stralenkrans!
 
De Mensch van alle stam en natie, alle tijden
 
En oorden, iedere aart en vorming, kunt Gij wijden
 
Tot zijn bestemming, die, o Gods volwassen Zoon!
 
In U verwerklijkt werd. Gij zijt de wonderkroon,
[p. 220]
 
De keurbloem, die den stam des Levens voor alle eeuwen
 
Voltooit! De vroomheid, eens de volksdeugd der Hebreeuwen,
 
De schoonheids-aandrift en natuurzin van den Griek,
 
De geestvlucht des Germaans, op onvermoeide wiek
 
't Gebied doorvorschend der diepzinnige gedachten,
 
Zij zijn àl' de uwen, bij een evenwicht van krachten
 
En gaven, dat noch aard noch helle storen kan!
 
Het teêr gevoel der Vrouw, de sterkte van den Man,
 
De eenvoudigheid van 't Kind, de wijsheid van den Grijze,
 
Doormenglen zich in U op onnaspeurbre wijze
 
Tot één persoonlijkheid! - In uw gemeenschap leert
 
De machtigste monarch hoe hij zijn volk regeert,
 
En de armste herder, met wat trouwe hij zal waken
 
Voor 't schamel kuddeke. In blijmoedig zelfverzaken
 
Kunt Gij de moeder, die bij 't schommlend wiegjen zucht,
 
Al zacht beschamen, en in louterende tucht
 
Den zwakken, vader uw beschamend voorbeeld toonen!
 
En wederom leert Gij aan dochteren en zonen,
 
Wat kinderliefde heet, tot in den dood getrouw!
 
Bij Uw verschijning sluipt een bitterzoete rouw
[p. 221]
 
In 's Menschen ziele, haar bekrompenheid en kleinheid
 
Zich over U bewust. Uw vlekkeloze reinheid
 
Ontdekt haar vlekken, en uwe onschuld al haar schuld.
 
Zij ziet haar trotschheid door uw needrigheid onthuld,
 
Haar boosheid door uw deugd, haar muitend tegenstreven
 
Door uw gehoorzaamheid. Zóó leert gij wat het Leven
 
Der kranke Menschheid werd; maar, tevens, wat het wordt,
 
Als God genezing in haar dorrende aadren stort!
 
Gij zijt het toonbeeld van het wonderbaar vereenen
 
Van God en Mensch: uw Stof wordt van den Geest doorschenen:
 
Gelijk het lamplicht schijnt door 't sneeuwwit alabast.
 
Wie U ziet, ziet den Mensch! en weder, die U tast,
 
Raakt God aan, 't Eeuwige in den brozen vorm gegoten
 
Van 't Eindige! - Gods licht, in stralen uitgevloten,
 
Vonkt uit uw oogen, uit uw woorden, uit uw werk!
 
Gij, zwakker dan een worm, zijt alle Macht te sterk,
 
Den haat der Waereld, de betoovering der Zonde,
 
Den prikkel van den Dood! Gij gaat den nacht in 't ronde,
 
Gelijk de maan, die al het schijnsel, dat ze spreidt,
 
D' onzichtbre zon ontleent. In uw gerechtigheid
[p. 222]
 
Weêrkaatst de luister van de Heiligheid des Heeren,
 
In uw verstand een straal dier Wijsheid, die de sfeeren
 
In 't wentelen bestuurt en allen nood vervult.
 
Uw goedheid is verwant aan 't Eindeloos Geduld,
 
Uw giften dragen 't merk van Hemelsche Genaden;
 
En de Eeuwge Liefde, die de ziel is uwer daden,
 
Weêrspiegelt zich tot in uw tranen, in uw bloed...
 
Nog eens, Voleinder van Gods Vrederijk, gegroet!
 
 
 
Gij, tusschen kindren
 
Ter-neêr-gezeten,
 
Wie der Profeten
 
Komt U nabij?
 
Heeft ooit de gave
 
Der Taal getooverd
 
En 't hart veroverd,
 
Wie sprak als Gij?
 
Hoe heet het Heilge,
 
Daar wij U hooren?
[p. 223]