Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 114]origineel

Onderzoek over onze
Aanmérkingen Over de critique spélkúnde Onzer Hóllandsche Spraake.

I.

+De Spélling onzer déftigste Schrijveren, voldoet beeter aan de waare úitspraak dan die bij éénig ander vólk mij beként, en schóón ze te méts in gevallen van kléin belang verschillig zij, ze hówd égter zó veel proeve, dat, eene úiterste volmaaking voor daaglijks gebrúik, zonder klém van eene agtbare hand, te willen invoeren, eenigsints rúikt na Drift tót wat Niews, óf na Ontijdige Néthéid. Om béiden te schuuwen bediene ik mij méést al van de Gewoonlijke. Het rówt mij nógtans niet dat de lúst tót beschaaving der gedagten mij wél-éér aandreef tót eene vrije naaspeúring onzer Klank-kúnde. Hoe ik het vond, dééle ik uu thans meê, op uuw verzoek. Het geene gij goed-keúrt, behówd voor uu; 't geene gij niet verstaat, vraag naader; 't geene gij kwaad vind, verwérp. Deeze Aanmérkingen zúllen ten minste uuwe gedagten kúnnen ophélderen, zóó weegens eene goede Uitspraak, die de grondslag is van Wélspreekendhéid, als weegens de teedere onderschéiding van sommige Klanken onzer beschaafde Gemééne-Lands-Spraake. Deeze worden alhier aangeweezen door Téékenen booven de Létters, aangezien, ter óórzaake dat wij méérder Klanken als Létters in gebrúik hébben, zonder dit behúlp, aan de Létterkúndige Critique verhandeling haar volleedig beslag niet te geeven was; nógtans bedoelde ik, om zó min moochlijk ware van 't Gewoonlijke af te gaan.

II.

+Alle de veréischte Klanken eener beschaefde Taele volmaektelijk en wiskonstig door Léttertéékenen úit te drúkken, is het onderwérp en óógmérk van de Naewkeúrige (Critique of Physique) Spélkúnst: dóg de Búrgerlijke, die tót het daeglijkse gebrúik behóórt, neemt de agtbaerste gewoonte tót haer voorbeeld.

III.

+Tót de volmaakte úitvoering van de Critique Spélkúnde is slégts één éénige

[p. 115]origineel

grondslag van nóóde, naamlijk, dat ijder bezondre Klank, zó korte als lange, zijn éigene Léttertééken hébbe, en dat gevólchlijk ieder bezonder Tééken, zonder overtóllighéid, in zúlk eene órde geschikt staa, gelijk élks veréischte Klanken in de beschaafde Spraak' agter één worden voortgebragt.

IV.

+Dóg zonder waere kénnis van het onderschéid onzer Klanken, en van ijders éigene Léttertééken, is 't onmoochlijk deeze Reegel te voldoen, van te Spéllen, gelijk men beschaefdelijk spreekt.

V.

+Om hier toe te geraeken, heb ik., onder eene vlijtige opmérking' in 't hóóren, mij bedient van twéé middelen. het éérste was een onderzoek van de onderschéidene Vórming der Klanken; en het andere strékte tót eene Toets en Proeve, óf de gestélde Léttertéikens, na élks éigene aert úitgesprooken zijnde, 't begéérde woord te saemen úitmaeken; deeze Proeve bestond in een' veelvówdige én ongewoone Léttergreep-snijding': als bij voorbeeld; het woord gebrúikelijk, zó het wél gespélt zij, lijd gééne verandering in de éigenschap zijner Klanken, schóón de Snijding verschillig valle;

als Ge-brúike-lijk

óf Geb-rúikel-ijk

óf Geb-rúik-e-lijk

óf Ge-brúik-e-lijk, enz:

mits dat men zig wagte van eene ongewoone óf te lamme tússenpóózinge in het saemenbinden der Léttergreepen, en, dat men, zóó bij dit woord, als bij alle anderen, gééne zagte e úitspreeke als de harde é, gééne zagte o als de harde ó, en géénen Kort-klinker lang, nógte Lang-klinker kort; nógte óók dat men éénig Dúbbeld-létter-téiken, 't wélk eenen waeren énkelen klank verbeeld (als daer zijn de oe, eú, ch, en wijders alle de verlangde Klinkers), in de Létter-snijding van-één schéide. Door behúlp van deeze Toetse vond ik misslaegen, die ik te vooren niet bedacht.

VI.

+In 't Onderzoek van de Klank-vórmingen doen zig op twéé gants onderschéidene soorten. Bij de ééne behówden de Klankèn, van 't begin tot het éinde, hoe zéér ze mogten verlangt wérden, een zúiver stérk-doorgaend en eevendragtig gelúid, welks Vórming geschied zonder éénige volkoomene toeslúiting' van Keel', Tong' of Lippen; deeze voeren den naam van KLINKERS (Vocales). De anderen lijden gééne zúivere óf héldere Verlanging', als bestaande alléén in een zeeker Sis-gelúid, dat voor óf naa de Klinkers, min óf méér hélder en snél, na maate van de onderschéidene trapsgewijze slúiting' van Tong' en Lippen, gevórmt word; deeze noemt men MEDEKLINKERS (Consonantes).

[p. 116]origineel

VII.

+In de Vórming der Klinkers bespeúre ik tienderléye kénnelijk-onderschéidene graeden van rúimte tússen Tong' en Verheemelte.

Uit den éérsten, bij wélken 't midden der Tong' zig opkrúlt langs 't Verheemelte, en in 't midden, op het hóógste, het zélve bijna aenraekt, ontstaet de zagte Lang-klinker, die men door ie úitbeeld, gelijk bij 't woord Die.

Wannéér de rúimte tot den twéeden graed overgaet, bij wélken de naeste naedering tússchen Tong' en Verheemelte wat agterwaerts wijkt (gelijk bij élken graeds-oovergang geschied) zó word daer úit gebooren onze schérpe Kort-klinker i, als bij Min; en deeze tót omtrent op het dúbbeld verlangt zijnde onze Lang-klinker y (óf ij), als bij Myn (Meus) en Lyden (pati), mits dat men y úitspreeke, vólgens Geméén-Landse Dialéct, dóg niet vólgens de Rijn- en Amstel-landse, waer in ze klinkt eeven als de twééklank éy (óf éi), nógt' óók niet als de plat-Rotterdamse, waer in ze bij na eeven ééns lúid als de ie. De Latynsche Y, schóón die van de Grieksche Ypsilon ontléént is, hébben onze Drúkkers seedert eenige jaeren het zélfde doen gélden als onzen Lang-klinker IJ. Ik twiste hier niet oover de Gedaente der Létters, maer handele van onze Klanken, en wélke Léttertéikens daar voor gangbaer zijn. 't Gebrúik geeft de Waerde zó wél aen de Characters als aen de Woorden.

Bij den dérden graad, al vérder voortzakkende, komt onze zagte Kort-klinker e, als bij de woorden te en de; en verlangt zijnde de ee, als Week (hebdomas). Indien men agter deeze zagte e onmiddelijk den Klank van onzen scharpen i liet vólgen, zó zów men een' Twéé-klank óf Dúbbel-klinker maaken, die in gelúid weinig verschillen zów van onzen boovengenoemden Lang-klinker y (óf ij).

Bij den vierden zakt de Tong nóg al vérder, en word onze héldre óf scharpe Kort-klinker é gevórmt, als in 't woord Bél; en verlangt zijnde de éé als bij Wéék (mollis). De Stigtenaers spreeken deeze éé eeven-ééns úit als 't Gebléét der Schaepen; de Maezenaers wat zagter, en minder van de zagte ee verschillende. Dat zélfde Gelúid van deeze Stigtse éé is bij ons in 't Algeméén óók in gebrúik omtrent sommige woorden, ten opzigte van welke de Spreeker óf Schrijver zijne keúre heeft, óf hij den klank van éé óf aa (óf ae) gelieve te neemen; als zwéérd en zwaerd (óf zwaard); Régtvéérdig en regtvaardig (óf regtvaerdig); enz.

Bij den vijfden vind ik onze Kort-klinkende a, als bij Man; en deeze verlangt zijnde onze aa (óf ae), als bij Maan (óf Maen).

Onder alle de Klinkers is de a, (vermits die nógte door Tong', nógte door Lippen belémmert word) de Kragtigst-klinkende, waerom ik onder de anderen in 't vergelijken, zúlk éénen Klinker den Héldersten óf Schérpsten óf Hardsten zal noemen, wélks vórming naest aen die van de a komt.

Tót dús vérre had men zig niet zéér te bekommeren met de Lippen, die vrij mogten oopen-staan, dewijl de Tong genoegsaam was voor de veréiste bepaaling' van rúimte, maar vérder gaande, moeten deeze zig allénskens slúiten,

[p. 117]origineel

zó de Toon-klank, in de Keel' gemaakt, in den Mond zijne bepaalde Léttervórming' érlangen zal.*

Bij de zésde verwijdering word de héldre óf harde Kort-klinkende ó gevórmt, als bij 't woord Slot; en, verlangt zijnde, onze óó, als bij Dóóp.

De zeevende graad bréngt de zagte óf doffe Kort-klinkende o voor den dag, als bij Bot (stupidè); en lang zijnde onze oo, als bij Door (per).

In den agtsten komt onze schérpe Lang-klinker , als bij Deún, en kort zijnde onze schérpe ú, als bij Dún.

Bij den neegenden onze zagte Lang-klinker uu (óf ue), als bij Zuur (óf Zuer.

En úit den laetsten graad ontsprúit onze Lang-klinker oe, als bij Zoet.

+Deeze Klanken en oe, (hoewél door dúbbel-leedige Téikens úitgebeeld) hébben de éigenschap van zúivere en volmaakte énkel-klinkers, want, hoe zéér ijder van, die verlangt wérde, hij zal in 't begin en éinde eevenééns lúiden, 't wélk bij géénen andren dan bij een' waaren énkel-klinker geschieden kan; derhalven is ijder van deeze Dúbbel-téékenen altóós als onverdèélt aen te mérken, en verdienen criticè húnne éigene plaetsen onder ons A-Bee; zonder dat men zig behoeve gebonden te hówden, óf te stóóten, aan ijders gewoonlijken naam, die bij misslag dúbbel-klankig genoomen is, ter óórzaeke van deezer Létteren gedaente. Voor omtrént één ééw gebrúikte men dikwijls ue voor onze teegenwoordige eu, en weederom eu voor onzen Lang-klinker ue; gelijk óók ou voor onze t' hans gewoonlijke oe; en voor omtrént 2, 3, ééwen schreef men óók oe in plaatse van oo. Ten opzigte van de naamen van onze eu en oe heeft men gééne anderen te zoeken, als zóó als ijder klinkt, eeven-gelijk bij alle onze andere énkel-klinkers geschied: die niewe naamen zúllen gééne dúisterhéid meedebréngen, dewijl zij de zaaken zélf úitdrúkken. 't Is óók nóódelóós dat men na andere Léttertéikenen tót deeze Klanken omzie, dan deeze van ooverlang gebrúikelijke; alzó niewighéid lastig valt, en deeze beként en zonder dúbbelzinnighéid zijn.

+Hoewél niet zonder misslag onze scharpe Kort-klinkende ú den zélfden naem voert als onze altóós-Lang-klinkende uu (óf ue), niettemin heeft onze ú den zélfden stand van Mond en Lippen, als onze , en is in gelúid niet anders als de op haer kortst úitgesprooken.

+De moeilijke voortdrijving van Klank, ter óórzaake van de gróóte rúimte in den Mond, en éngen doorgang tússen de Lippen, laet niet toe dat deeze Lang-klinkers uu (óf ue) en oe, gemakkelijk (gelijk de Hóllandse úitspraek de vloeyendheid bemint) en teevens kort wérden úitgesprooken: zóó belét óók de úitneemende éngte tússen Tong en Verheemelte, dat de Lange ie géén' éigen' Kort-klinker heeft.

+Wannéér één zélfde Léttertéiken nuu voor deezen dan voor dien Klank dient, zúlks is een gants verwérpelijk gebrék in 't Critique, dóg als twéé of méér

[p. 118]origineel

verschéidene Léttertéékens voor één' en den zélfden klank verstrékken, zulks kan nimmer deeren, zó min als dat twéé woorden éénen zin betéékenen. Op dien voet bedien ik mij onverschillig van aa óf ae, en van uu óf ue, vermits ik zó wél de ae als aa, en de ue als uu, eeven gelijk óók de ie, de oe, en , als ondéélbaare Téékens in deezen aenmérk, zóó dat aa en ae, bij mij één zélfden Klank bedúiden; zóó óók uu en ue: andersints ontkén ik niet, dat aa en uu onze éffene doorgaende úitspraek, en dat ae en ue en ie de eenigsints dúbbel-klankige van sommige Zúid-Hóllanders nétter schijnt úit te beelden. Men zówde 't óók daer voor konnen hówden, dat de Geméénen-landse Spraeke méér trékt na 't dúbbel-klankige, als óf deeze Klinkers op de korte e overrólden, en dat daerom onze vermaerdste Schrijvers van de voorige ééw, als die de éigenschap onzer Geméénelands-Spraeke bedoelden, niet ten onrégt zig van de Téékens ae, ie, en ue, bedient hébben: maer als men daer teegen overweegt, dat deeze dúbbel-klankige úitspraek thans bij de Steeden minder is als op 't platte land en dat de Steê-lieden van élk beschaefder van Tael geägt worden dan de Land-lúiden, en dat gevólchelijk de eevendragtighéid van Klank de beschaefthéid naeder aenwijst, zó zówden aa en uu wel den voorrang verdienen; maer alle deeze en andere twijffelingen van ooverwigt snijde ik af, als vrúgtelóós, vermits ik ijder deezer genoemde Téékens als ondéélbaer aenzie; dit is mij eeven gemaklyk als dat ik de Italiaense Schrijf-a, die úit o en i bestaet, als ondéélbaer aenmérken moet.

Wijders, wannéér in dezélfde Léttergreep géén Mede-klinker vólgt, zó is wel de mééste gewoonte der Geléérdsten, dat men alhoewél de verbeelde Klank lang zij, slégts de korte énkele a, en énkele zagte e en o, na den trant van veele andere Vólkeren stélt. Dóg dit kan niet voldoen in 't Critique, alwaar Lankhéid en Korthéid altóós (en derhalven zó wél in dit geval, dan wannéér een Meedeklinker de Léttergreep slúit) haare aanwijzing begééren.

Het kwam mij voor als iet mérkwaerdigs, 't geen ik onlangs bij Ericus Ericius Pontoppidanus in zijne Grammatica Danica p: 17, vond aengehaelt, dat rééds de ówde Latijnen de verdúbbeling van Vocalen ten téiken van Verlanging gebrúikt hébben, bewijzende zúlks met de getúigenisse van Victorinus ‘Afer, lúidende aldús: Naevius & Livius, cum longa Syllaba scribenda esset, duas Vocales ponebant, ut aara voocem, feelix. Sequuta aetas usurpavit pro geminatione Lineolam, quae superposita, ã, ẽ, õ, ũ; I +vero longiori figura produxit, ut VIvus AEdIlis.’

Gelijk het onderschéid van Spélling tússen de Langklinkende ee en éé, oo en óó, veeltijds bij de teegenwoordige Schrijvers word naagelaaten, zó word zélf het onderschéid in de Uitspraak bij ons, en de geenen die tússen Noord-Hólland en den Rijn woonen, niet waargenoomen, als gebrúikende alléén de zagte lange ee en oo; waar door wij niet alléén zondigen teegens de Gemééne-lands Dialéct, maar óók vervallen in een' Dúbbelzinnighéid van woorden; van 't wélke veele Zúid-Hóllandsche Steeden, en andren van onze Nederdúitsche Provintiën, die dit onderschéid in agt neemen, vrij zijn. De Volmaakthéid veréist onderschéid in de Klanken, en dit weederom onderschéidene Létter-Téékenen. De agtbaarste Schrijvers, in 't bloeyendste van de voorgaen-

[p. 119]origineel

de ééw', bedienden zig in de Gemééne Spélling van dit vólgende onderschéid, ‘Dat ze, wannéér in één zélfde Léttergreep' géén Meede-klinker vólgt, voor de zagte Lang-klinkende ee en oo eene énkele e en o, én voor de harde éé en óó, eene dúbbele ee en óó, gebrúikten, dús schreeven’ zij Weken (Hebdomadae), en Weeken (Mollire), en Hopen (sperare) en Hoopen (accumulare), dóg niet het ééne voor het andere. Zó lang men in 't Gemééne Gebrúik gééne Téékens booven de Létters plaetst, is dit onderschéid nóg het volmaaktste, waarom ik, búiten 't Critique, dat opvólg'; maar andersints is het vérre niet genoeg; want, behalven dat men dan niet altijd een lang-tééken gebrúikt daar de Klank lang is, en dat men daarenbooven, aan één en 't zélfde Tééken nuu eene verbeelding van een korten dan van een' langen Klank toeschrijft, zó schiet dat gebrúik óók te kort, om het onderschéid tússen ee en éé, en tússen oo en óó aan te wijzen, wannéér in dezélfde Silbe een Meede-klinker agteraankomt, 't wélk meenigmaal gebeúrt, zó dat in 't Critique de Téékens van nóóde zyn.

+Onze Amstel- en Ryn-landse Dialéct steekt óók verwart in de Uitspraek van y en ey óf ei, als spreekende onzen Enkel-klinker y verkéérdelijk zóódaenig úit, als onzen Dúbbel-klinker (Diphtongus) éi (óf éy): dús klinkt eeven ééns bij ons het woord Wyken (Cedere) en Weyken (Mollire), enz: waer door 't ons moeilijk valt désweegen in 't schrijven niet te dwaelen; want, schóón wij 't veréischte onderschéid in de úitspraek' missen, nóóit was 'er Schrijver van waerde onder ons, die dat in 't Spéllen zócht oover te slaen. De meeste Hóógdúitschers zijn niet alléén aen dat zélfde gebrék in de úitspraek' vast, maer hébben 't onderschéid in 't Schryven óók verlooren, gebrúikende overal ei; nietteegenstaende men in de Régt-óud-Dúitsche Schriften ij en ei altóós wél nét onderschéiden vind.

VIII.

+Als twéé onderschéidene Klinkers in ééne Léttergreep, dat is, in ééne aadem-blaezing' agter den ander vólgen, noemt men dezélve te régt Dúbbel-klinkers.

Alle onze Dúbbel-klinkers éindigen in onzen schérpen Kort-klinker i óf in y. Deeze i óf y, agter een' andren Klinker koomende zijn in 't Gelúid hier niet te onderschéiden, vermits ze weezendlijk, als hier voorn gezégt is, niet dan in lankhéid verschillen, mits dat men de y niet vólgens de Amstellandse, maer vólgens Gemééne-lands-Dialéct aanmérke; waerom ik dan die Spélling van i óf y in deezen óók als onverschillig stél.

Van de héldre é op i (óf y) overróllende vórmt men den Dúbbel-klinker, wélken men door het Dúbbeltééken éi (óf éy) úitdrúkt, als bij Leiden (óf Leyden) Ducere.

De aay (óf aey, óf aai, óf aei,) bestaet úit de Lange aa (óf ae) éindigende op i (óf y); als bij Kraay (óf Kraey) enz:

De ooy (óf ooi) is niet anders als de lange oo, op i (óf y) úitgaende; als bij Plooy (óf Plooi):

Bij de woorden op ooi óf ooy accénteerende spreeken de Brabanders en Zéé-

[p. 120]origineel

landers de zagte lange oo, dóg de, Rótterdammers de harde lange óó.

De úi (óf úy) bestaat úit den Klank, die door onze kort-klinkende ú verbeeld word, agtervólgt van i (óf y), als Dúif (óf Dúyf). De Maaslander maekt óók nóg onderschéid tússen eúy en úy, dóg door gééne agtbare Schrijvers vind ik zúlk gebrúik óf gewéttigt, óf, als tót des Gemééne-Lands Taale behóórende érként.

De oey (óf oei) onstaet úit onze oe op i (óf y) oovergaende, als bij Bloeysem (óf Bloeisem).

Wijders, ou en au hier onder de Dúbbel-klinkers te reekenen, kan mijnes agtens gééne proef hówden; gelijk in gevólge getóónt zal worden wannéér ik van de u in plaatse van w spreeke.

Dús vérre van de Klinkers.

IX.

+De Meede-klinkers ontfangen hún onderschéid úit de verschillige wérking' van Tong' en Lippen, en úit de verschéidenhéid van de plaats, alwaar de wérking geschied.

X.

+Het verschil der Wérking' beslaet in het volkoomen óf onvolkoomen toeslúiten van de Tong' teegen 't Verheemelte, óf van Lip op Lip óf Tanden.

+De Slúiting volkoomen zijnde, is des Meede-klinkers gelúid, óf (1) agtervólgt van een weederkéérige gonzing' in de Neús, als bij M, N, NG en NK, die men Neús-létters mag noemen, wélke men vind bij de woorden Dam, Ban, Zang, Dank enz; en van wélke NG en NK ik straks naeder bedúiding stae te doen; óf (2) bot-af-breekende, zonder éénig naegelúid, als bij D, T, B, P, en K, wélke vijf men Stomme noemt, om dat ze, ten éinde eener Léttergreep' koomende, géén de minste naesissing konnen laeten hóóren, gelijk blijkt bij de woorden, Gebéd, Lót, Rób, Op, en Ik.

+Dóg wannéér de Toeslúiting onvolkoomen is, sprúiten daar óók twééderléije soort van Meede-klinkers úit, als Schélle, en Héésche. De Schélle hébben een héldre trillende sissing', ter óórzaake van de hólle kromte en beweegbaaren stand van 't vrije déél der Tonge: deeze trilling is booven aan de Tonge bij de R, en ter weederzijde bij de L. Bij de Héésche vind men, van weege den onschúdbaeren stand van Tong óf Lippen, niet dan eene éffene Voor- óf Naa-sissing; gelijk de Voor-sissing bij de J (als Jaar), bij de Z (als Zóó), bij de S (als Som), bij de W (als Wat), bij de V (als Voor), bij de F (als Fy), bij de G (als Goed), bij de CH (als Christen); én de Naa-sissing bij de Z (als Vrééz'), bij de S (als Glas), bij de +W (als ééw), bij de F (als Laf) bij de G (als Wég), en bij de CH (als Lach).

Maer in béide gevallen, 't zij volkoomene óf onvolkoomene. Toeslúiting, doen zig zúlke Meede-klinkers op, die ten opzigte van húnne Vórming en úit-

[p. 121]origineel

spraak van den ander niet vérder verschillen dan in schérphéid van afsnijding': in zóó vérre koomen bij ons in aart overéén

de V en F;
de B en P;
de D en T;
de Z en S;
de G en CH.

van wélken de Voorsten de Zagte, en de agtersten de Schérpe zijn. Van de laatste CH staa ik in gevólge nóg iet naaders te zéggen.

+Voor omtrént één ééw was de Z bij ons nóg búiten gebrúik; de Létterkonstenaars érkénden wel dat 'er tót onze zagte en harde Uitspraak élk een bijzonder Léttertééken veréischt wierd; maar de ééne zag de Z aan op de Hóógduitsche wijze, als Schérp, en de andere op de Fransche, als Zagt; dús bleeven veele Geléérden nóg een wijl bij de ówde gewoonte van S in béide gevallen te gebrúiken; dóg éindeling drong het onderschéid van Z voor de Zagte, en S voor de Scharpe úitspraak stérk door, onder de Geléérdsten; zóó dat dit nútte gebrúik nuu als onder 't agtbaare mag getélt worden; immers in 't Critique is 't voor al niet te verzúimen: want onderschéid van Klank veréist onderschéid in Létters.

XI.

+De plaatsen van de Vórming der Meede-klinkers vond ik in deezer voege onderschéiden.

I.Tússen béiden de Lippen maakt men de W, M, B en P. 't Verschil van deezen bestaat hier in, dat de slúiting volkoomen is bij eP, eB, en eM: dog bij eP rad en schérp, bij eB bolder en traager, en bij eM, mét een +Neúsklank verzélt; daar en teegen is de slúiting onvolkoomen bij de We, óf eW en daar door mét een fijne sissing' gepaart.
II.Tússen Onderlip en Booventanden worden V en F gevórmt. De onvolkoomene slúiting bij deeze bréngt haar óók een' sissing toe, dóg wat groover +als bij eW : Radst en schérpst geschied ze bij eF, traag en bol bij eV óf Vc.
III.Voor de dérde plaats' neem' ik het pérk van de Booventanden tót een +wéinig opwaarts naa 't hóóge van 't Verheemelte toe. Daar worden gemaakt de R, L, N, S, Z, T en D. Voor zóó vérre verschillen deezen, dat bij D en T, en N een' volkoomene slúiting geschied, als rad en schérp bij eT, zagt en bol bij eD; zóó óók bij eN; dóg deeze heeft een Neúsklank bij zig, terwijle bij S en Z de slúiting onvolkoomen is; zagt en traag bij eZ, stérk en snél bij eS: de sissing, wélke úit de oopenhéid sprúit, is nóg fijnder als bij eF en eV; én, om die sissinge te hulp' te koomen, krúlt men 't midden der Tonge wat bol opwaarts: in teegendéél wannéér men 't zélfde midden wat hól laat zakken, en den púnt der Tonge voor opwaarts krúlt, zó slaat de klank-blaazing', wélke úit de Keel' komt, teegens den púnt der Tonge, en maakt alzóó de trilling', wélke bij de R geschied; dóg, wannéér de púnt onschúdbaar gehówden
[p. 122]origineel
word, zó slaat ze teegens de zijden der Tonge, die, tril-baar staande, eene dúbbelde trilling' óf snor-gelúid maaken, 't wélk bij de L gehóórt word. Bij R en L, en bij S en Z, voornaemlijk bij de éérsten, geschied de zétting van den púnt der Tong' ter óórzaake van gemélde kromming', een weinig vérder opwaarts naa 't Verheemelte, dan bij D, T, en N, bij wélken 't voorste van de Tong' óf Tand óf Tandvléésch raakt.
IV.+Omtrént het middelste van Tong' en Verheemelte word de J gevórmt, niet als te voorn, met den púnt óf rand der Tonge, maar mét het bolverheevene midden zonder volkoomene slúiting'.
V.+Agter in den Mond, digt bij de Keel', maakt men mét het agterste der Tong' de K en NK, de G, en CH, en NG. Het onderschéid van deezen is insgelijks, dat bij eK en eNK de slúiting volkoomen is; bij de éérste zonder, bij de laatste, mét een Neús-klank; terwijl bij eG en eCH en eNG de slúiting onvolkoomen geschied; zagt bij eG, en schérp bij eCH, én, mét een Neús-klank verzélt bij eNG. De Naa-sissing bij eG en eCH is de minst fijne van alle de Meede-klinkers.
VI.+De H is Klinker nógte Meede-klinker, maar bestaat alléén in een' schielijken ophéf, en scharpe úitblaazing' van aadem voor 't begin van een' Klinker.

+En, eeven gelijk de boovengemélde Bij-sissingen der Meede-klinkers verschillen in fijnte, na maate dat ze voor óf agterwaerts in den Mond gevórmt worden, zóó verschillen óók de trapsgewijze veranderingen van Klank, die úit de toeslúiting' in 't vórmen der Meede-klinkers ontstaat, na maate dat ze op deeze óf die plaatse gevórmt worden; naamlijk - minst fijn agter in de Keel', en fijnst voor aan den Mond. De éR en éL kúnnen bij haare trilling' eene bijzondere Naa-gonzing (óf Snor-gelúid) hébben, dóg de éL wel de grófste; béiden, ter óórzaake dat het opkrúllen der Tonge het sisgelúid, dat in de trilling doorbrak, voor, in 't hólle van den Mond, teegen Wang en Kaaken doet vallen. Gelijke Naa-gonzing kan 'er óók bij éW en éV tússen Tand en Lippen, als mede éénig sins bij éG en éCH in den Mond, blijven naaspeelen.

XII.

+De CH, NG, en NK, (die men CHe, Ing, en Enk mag noemen) worden in den rang van ons gewoon ABee niet getélt. De waan, úit haare gedaante opgevat, deed ijder als twéé-klankig doorgaan: Ik vond nógtans haar gelúid eeven zó énkel en éénvówdig als dat van G, M, óf N, waarom ik élk in 't Critiqúe A-Bee haare plaats toeschik; én, om niewe Létters te mijden, zie ik deeze gewoonlijken als ondéélbaer aan.

+Dat de Klank van onze CH (wélke mét de Griekse χ overéénkemt) éénvówdig, en dérhalven een' énkele Meede-klinker is, word kénbaar, als men opmérkt, dat hij op dezélfde plaats', en op dezélfde wijze als de G gevórmt word, verschillende niet dan in schérphéid, eeven gelijk de T schérper is als D. Men neeme slégts ten proeve de woorden Lach (Ride) en Lag (jace-

[p. 123]origineel

bat) als men téffens de overéénkomst in aart, en 't nétte onderschéid van schérpte tússen CH en G lúst te weeten.

+De twééleedige gedaante heeft sommigen van niewer tijd misléid gehad, om de CH te willen verbannen, vermits in den Klank, voor wélken CH dient, gééne dúbbelhéid, veel min C nógte H gehóórt word; waarom ze óók SG voor SCH (als Sgóón voor Schóón) zóchten in te voeren: Dóg, als men wél op 't veréiste gelúid lét, zal men de G veel te zagt in dit geval bevinden. Indien men zig ontslaat van dien verbijsterenden ówden naam van Ceha, en dit Léttertééken CHi óf CHe noemt, als dan zal de gelijk-aardighéid tússen G en CH zélf in naam en úitspraak blijken.

+Bij aldien óf NG óf NK in eene zélfde Léttergreep' (als bij Ding, Kling, en Dank, Klank, enz:) gevonden worden zo is ijders Geluid, ten minste zó als 't in beschaafd Hóllands zig laat hóóren, éénvówdig; men zégt niet Din-gen, Dan-ken, maar Ding-en, Dank-en: een Téiken dat NG en NK alhier onschéidbaar zijn in Klank, en derhalven gééne Dúbbele Meede-klinkers. Gehéél anders klinken N en G, wannéér die in bijzondre Létgreepen gestélt zijn, als bij In-genoomen, In-gang enz:. De Vórming is óók gants verschillig, want in 't maaken van de Klanken NG en NK bij de woorden Ding en Dank, geschied gants gééne Tong-zétting', die met N overéénstémt; aangezien de N voor in den Mond, met de tong' aan het Tandvlées geklémt, en eNG en eNK agter in de Keel' gevórmt worden, ter zélfder plaatse als de G en K: en van deeze verschillen ze niet dan dat altóós een' Neús-gonzing zó wél eNG als eNK verzélt, dat bij eG nógte bij eK niet geschied.

Deeze gelijkvórmighéid bewijst, dat onze NG en NK eeven zo zúiverlijk énkele Meede-klinkers zijn, als N en M; vermits éN van éD, en éM van éB, eevenééns verschillen als onze éNG van éG, en éNK van éK; gelijk bij de voorgaande afdééling te zien is.

XIII.

+Búiten de gemélde 17 Kort- als Lang-klinkers a en aa (óf ae), e en ee, é, en éé, i en y en ie, ó en óó, o, en oo, ú en en uu (óf ue), en oe, en 19 Meede-klinkers B, D, F, G, J, K, L, M, N, P, R, S, T, V, W, Z, CH, NG, en NK; waer bij men de scharp-úitbérstende H als een toevoegsel kan schikken, héb ik gééne andere éénvówdige Klanken bij ons konnen vinden; want C en X, schóón ze een bijzondere plaats beklééden onder ons gewoone AB, verbeelden bij ons gééne andere Klanken, dan die wij rééts hébben verhandelt; aangezien onze C eevenééns klinkt als onze S, gelijk het agterdéél van den naam ES-SE béiden naam en Klank van onze C vervat. Hier in verschillen wij van de Hóógdúitsen, en sommige andere vólkeren, die de Ce dúbbel-klankig úitspreeken, naamlijk omtrént als bij ons TSe. Van ówds, toen de Géestelijke Klérken 't gantsche bewind van schrijven in handen hadden, gebrúikte men bij ons op de Franse wijse voor A, O, en U, de C in plaats van K*: dóg dit ampt is rééds versleeten en óók voor ons ten éénemaal onnút.

De X**, die den Klank en naam voert van IKS, laat, bij de minste

[p. 124]origineel

opmérking' hóóren, dat ze bestaat úit eene K van eene S agtervólgt; zó dat óók dit tééken bij ons overtóllig is.

Dús staat het óók met de QU, bij wélke Q voor K, en U voor W verstrékt: Want, bij saamenvoeging' en úitspraak van KW worden de Klanken, door QU verbeeld, volmaaktelijk úitgedrúkt***.

XIV.

+Onder de Meede-klinkers is een' éigenschap, dat sommigen, zonder tússen-voeging' van éénigen Klinker, aan den ander kúnnen gehégt en verbonden worden. Wannéér de éérste een twééden meêsleept, in 't begin eener Silbe, éér hij tot een' Klinker komt, zó noem ik zúlks Drijven óf Voortdrijven: én, wannéér agter een' Klinker, ten éinde van een' Silb', de ééne Meede-klinker op den ander vólgt, zó noem ik zúlks Ooverróllen. Dús drijft dan de K de L in 't woord Klamp, en in 't zélfde woord rólt de M op de P oover

In deezer voege is het onze Tael' éigen, dat

B, G, P en V kúnnen voortdrijven L en R.
D en T, . . . . . . . . R en W.
F, . . . . . . . . . . . L, N en R.
CH en W, . . . . . . . . R.
K, . . . . . . . . . . . L, N, R, en W, voor wélke KW geméénlijk QU gebrúikt word.
S, . . . . . . . L, M, N, CH, P, T, en CHR en TR en PR en PL.
Z, . . . . . . . . . . . W.
En kúnnen ooverróllen onze
B, . . . . . . op D óf T en S en TST.
D en T, . . . op S en ST.
F, en G, en N, . . op S, D óf T, en ST en agter D óf T óók S en ST.
K en P en W, . . . op S en T, en ST en TST.
L. . . . . . . op D, F, G, K, M, P, S, T, V en Z, en agter F, G, K, M, en P, óók S en T; en agter D óf T, óók S en ST; en agter S óók T en ST, en agter PS óf PT óók ST.
[p. 125]origineel
M. . . . . . . op D, P, S en T; en DS, PS, PT, ST, TS, en TST.
R. . . . . . . op alles, als bij L; en daer en boven nóg op L, N, en W; en LS, LT; NS, NT; WS, WST; WT, en WTST.
S, . . . . . . op K, P, T en CH en PT.
CH, . . . . . op S en T.
NG en NK . . . op S en ST.

Als men in 't Rijmen om een Slúitwoord verleegen is, kan dit Lijstje van de Voortdrijvenden dienst doen, en één en ander Lijstje méér anderen dienst.

XV.

+Dat, om alle onze onderschéidene Klanken te verbeelden, niet nóódig is niewe Létters te verzinnen, blijkt úit het voor-verhandelde. Niewe Létters zijn van te gróót een' naasleep, éér ze kénbaar en van dienst konnen zijn. Ten gevalle van 't Critique héb ik bij de harde Klanken mij hier bedient van een schúin streepje booven sommige Létters, dóg van zúlk één, 't welk rééts bij 't Grieks, Latijns, Frans en andre Taalen, voor een Téiken van harder en schérper naadruk in de úitspraak beként is. Dit stélde ik booven onze harde é en ó; én, tot aanwijzing' van haare verlangingen, nam ik de verdúbbeling (als éé en óó)*, eeven gelijk altóós de verdúbbeling van onze zagte e en o gebrúikt word, wannéér die verlangt en téffens in dezélfde Silb' van een' Meede-klinker agtervólgt worden, als Veel, Door, enz:; zúlks dat ee en oo rééds in zúlke gevallen beként staan voor Lang-klinkers.

De Verschillen en zwaerigheeden, ontstaande úit de Dúbbelleedighéid van de gedaante der Lang-klinkers AE, IE, UE, EU en OE, als meede der Meede-klinkers CH, NG en NK, mééne ik af te snijden door een' bloote aanmérking' van ijders ondéélbaarhéid van Tééken. Dús behoeve ik óók hier toe in gééne niewighéid van Létters te vervallen. Verkiest men eevenwél, ten dienste van Vrémden, óf anders van de geenen die zig ligtelijk door den Naam en de Gedaente der dingen laaten verbijsteren, een kromhaakje booven óf onder ijder, ten téiken van élks onverdéélden Klank, te stéllen, als {ae}, {ie}, {ue}, {eu}, {oe}, {ch}, {ng}, en {nk}, zúlks zówde óók zijn' núttighéid kúnnen hébben.

XVI.

+De Klanken en húnne Téikens óf Létteren dús beként zijnde, zó word in de volmaakte toepassing' en 't gebrúik van de gestélde Léttertéékens niet anders veréist, dan dat men de voortgebragte Klanken wél onderschéiden aenmérke, en zóódaenig in órde stélle, dat élk Léttertéiken met zijn' waerlijk verbeelden Klank in kragt en plaets' overéénkoome; vólgens den gróndslag in onze III: af-

[p. 126]origineel

dééling' ter neêr gestélt. Dóg, schóón veelen, zélfs in 't daeglijkse gebrúik, zúlks op 't óóg' hadden, de ongelijke opmérking heeft hén eenig sints verschillige weegen doen inslaen; over wélke voornaemsten, die ik mij érrinnere, ik nóg iets te zéggen héb.

XVII.

+Het onderschéid tússen onze harde en zagte Meede-klinkers, wannéér ze ten éinde eener Silbe staan, als tússen eF en eV; eS en eZ; eT en eD; eCH en eG; en eP en eB, hoewél 't kléin is, en zonder proeve naawlijks te hóóren, (waarom 'er óók niet veel keúre in schijnt te weezen) word door middel van onzen voorgemélden Toets (§ V) voor het gehóór vrij kénbaar. Vólgens deezen zégt men in vloeijend Hóllands.

  Róó-v ophaalen, en niet Róó-f ophaalen;
Dóg Róóf toebréngen, en niet Roov toebréngen.
   
Weederom Ló-v en dank, en niet Ló-f en dank;
Dóg Lóf krygen, en niet, Lóv krygen.
   
Insgelijks Kaa-z eeten, en niet, Kaa-s eeten;
Dóg Kaas kóópen, en niet, Kaaz kóópen.
   
  Gla-z aanbréngen, en niet, Gla-s aanbréngen;
Dóg Glas stóóten, en niet, Glaz stóóten.
   
  Het Ra-da omdraayen, en niet, het Ra-t omdraayen;
Dóg Het Rat stúiten, en niet, het Rad stuiten.

In teegendéél,

Stra-f aanzien, en niet, Stra-v aanzien.
Een Ka-s opdoen, en niet, een Ka-z opdoen.
Den RA-Tb aangrypen, en niet, den Ra-d aangrypen.

Dús óók,

Straf sien, niet Straf zien, nóg minder Strav zien, schóón de natuurlijke Klank van Z bij 't woord Zien volkoomen zagt zij.

+In dit alles speelt de Trék tot een Gevallige Uitspraak (Euphonie) een' méésterlijken ról; als willende, dat een scharpe Meede-klinker, wannéér hij, zonder tússen-wijlinge, een' anderen zagten voor óf agter zig heeft, den zagten in een' schérpen doe verwandelen; als meede, dat een zagte Meede-klinker in éénen schérpen verwissele, wannéér hij onmiddelijk agtervólgt word van eenen andren Meede-klinker, wélken hij niet voortdrijven, óf op wélken hij niet ooverróllen kan. Dóg bij eenen van natuere scharpen Meede-klinker vond ik gééne gevallen die hem zagt deeden worden. Op deezen Léést schoeyen alle de boovengemélde veranderingen, die, búiten deeze aanmérkinge, gants in 't wilde schijnen te lóópen. En, om te weeten óf een' Silb' óf woord van natuure op een' zagten Meede-klinker stúite óf niet, kan men dúbbelde proeve neemen, naamlijk (1) mét eenen Klinker daar

[p. 127]origineel

op te laaten , als wannéér zijn natuerlijke aart een onbelémmerden gang heeft, óf, (2) met agt te geeven op het Méérvówd óf op de Verbúiging', óf op dészélfs Wérkwoord; want zó die Meede-klinker in de éérste proeve zagt is, zal hij 't óók in de laatste zijn. Dús wannéér het Méérvówd en de Verbúiging één óf méér harde Meede-klinkers veréischt, zó zal altóós in 't éénvówd die Meede-klinker scharp zijn; als Kas, Kassen; Straf, Straffen; Ratc, Ratten: dóg, zó in 't Méérvówd een' zagte Meede-klinker héérscht, als Glaz, Glaazen; Kaaz, Kaazen; Radd, Raaden; en Adjectivè Rade, Radde; als dan is die in 't éénvówd als een' natuerlijk zagten te reekenen, en zal zagt klinken, als een Klinker daar op vólgt, hoewél de Euphonie, in de boovengemélde gevallen, hém in een' scharpen kan doen oovergaan. Criticè is 't onnóódig en núttelóós, om door de spélling' te willen aanwijzen, wannéér de Verscharping' van Létter geschieden moet, dewijl de drang van de Euphonie de Tonge van zelf désweegen wel rigtsnoeren zal. De gewoone Spélling der Agtbaaren is wel, dat F en S de Silbe slúiten, en dat DT alhier voor D diene (als Brief, Kaas, Radt enz:) schóón de natuerlijke Klank zagt zij; dóg naast aan de natuerlijke kragt zówde de niewer Spélling van sommigen koomen, die altóós den Meede-klinker, die in het Méérvówd en in de Geslagt-búiging' zig laat vinden, in het éénvówd zétten; behalven dat de Afléiding en de Verbúiging zig dan gelijkdraadiger hówden, zó kan men óók veeltijds Dúbbel-zinnigheeden daar door verhoeden; als een Wét (Lex), en een Wéd' (Aquarium) enz:.

Men zówde moogen twijffelen óf niet V en Z, vermits de onvolkoomene slúiting in haare Klankvórming', te zagt en te zwak zijn, om voor een slót van een' Silb te dienen; dóg ons woord Wriv-velen óf Ver-gróv-ven kan ons 'er úit rédden; want Wrif-velen óf Ver-gróf-ven is rééds te scharp, en Wriffelen óf Ver-gróffen gelijkt niet-met-al na de behóórlijke Uitspraak; én, onze Z is niet zwakker als onze V.

Als men naaw lét op een' nétte úitspraak, zó geeven wij, zó 't mij toeschijnt, aan de Bijnaamen (Adjectiva) en Déélwoor den (Participia) op D óf T éindigende, wannéér ze Onbúig saam (Indeclinabilè) en Bijwoordelijk (Adverbialiter) gebrúikt worden, een scharper naazét, als anders: Dús zówde ik Criticè dan óók dit onderschéid bést hówden, dat men die, wannéér ze onverbúig saam waaren, mét eene T spélle, dóg anders mét een D; als De Béésten zyn verjaagt; dóg Een verjaagd Béést; eeven gelijk men zégt een verjaagde Wolf, enz.

XVIII.

+Het algemééne Gebrúik van U in steê van W, ten éinde eener Silbe, als Rou, Houden, Au, Laau, Eeu enz: in plaats' van Row, Hówden, Aw, Laaw, ééw enz:, kan, mijns bedúnkens, in 't Critique op vérre naa géén' proef úitstaan; gelijk óók onze Toets aanwijst, als Ho-úden, Ro-ú, enz: Want zó OU een Twéé-klank (Dipthongus) is, zó moet bij snijding' kunnen verdraagen. Dat de Klanken van Rów, How enz: op géénen Klinker éindigen, blijkt ontwijffelbaar, als men aanmérkt, dat dit woord, óf deeze Silbe, op het éinde gééne héldre en volstrékte verlanging' toelaat, 't wélk nógtans alle Klinkers lijden konnen: én, dat de Meede-klinker, op wélken de stúiting valt, een' W is, léért zó wél de aart van den Klank als de plaats en manier van de Vórming'. Het invoegen van de U tússen O en W, als Rouw, Houwden enz:, schóón minder schaa-

[p. 128]origineel

delijk als éénige andere Létter, is égter niet vrij van overtóllighéid; want onze drie Létters R, ó, W, voldoen alsints in schikking en kragt aan 't begéérde, als dúldende gééne andere úitspraak dan de veréiste. De Engelschen hébben deeze kragt van de W in zúlke gevallen óók lang geként, en schrijven daarom (Law Lex), enz.

XIX.

+E Er ik afbreeke heb ik nog eene aenmérking' meede te déélen, weegens de Létter N, wannéér die in de onzaakelijke úitgangen ten éinde van een woord, agter de korte zagte e, gevonden word, als Geeven, Ménschen enz.

Deeze N word méést ooveral in Hólland, bij aldien géén Klinker haer in 't vólgende woord ondervangt, in de úitspraak agtergelaeten, dóg nimmer in 't behóórlijk schrijven. Dit gebrúik heeft bij ons in gééne andre dan deeze Létter plaets. Veelen nógtans onzer Neederdúitsche Naebueren spreeken haer, zówél in deeze, als in andere gevallen, wél kénlijk úit, zó dat dit naelaeten niet tót de Algemééne Neederdúitsche Spraek' behóórende is.

Dit Gebrúik onzer Naebúeren voor een gebrék, en als minder beschaeft dan 't onze, aen te zien, alléén om dat wij zúlks op eene andere wijze gewoon zijn te doen en te hóóren (terwijl we zélfs deeze N in 't Méérvówd, en in den Onbepaelden tijd voor onze Tael' nóótzaeklijk agten tót onderschéid, en daerom in 't schrijven die niet verzúimen) zúlks waare gants niet wéttig. Dóg eene andere gewigtiger reeden is 'er, die ons de úitspraek van N in deeze gevallen, zó ik agte, heeft doen naelaeten; te weeten de Rólling en Lieflijke vloeying van Klank, op wélke de Hóllandse Tong zó kragtig gezét is: Want, hoewél wij bij de woorden Gaen, Staen, Slaen, Doen, Zien, en Zyn, en bij allen daer de Létter N aen het zaeklijke Déél gehégt is, die wel dúidelijk úitspreeken, en dat zélf zonder mérkelijke stóóting', zó is 't nógtans zeeker, dat deeze gevallen wéinig zijn in vergelijking van de anderen, én, dat de Vloeyendhéid bij de Onzaeklijke déélen, als die snél en zagt moeten doorschieten, allerbést past; en zeeker is het óók, dat de N, zig geplaetst vindende voor een vólgend woord, dat met B, D, F, G, K, L, M, P, R, S, T, V, W óf Z, begint, zéér stram van de Tong wil. Als ik dit overweege, dúrf ik mijne óóren van Voor-óórdéél, úit ongewoonte gesprooten, niet beschúldigen, wannéér ze de úitspraak onzer gemélde Nabueren, in dit stúk als verstramt aenmérken: eevenwél wil ik hén in dit geval den voorrang, van volleediger na de Létterkonst te spreeken, niet betwisten, laeten ze ons slégts den roem van vloeyender úitspraek niet benijden.

XX.

+Dit alles voor zó vérre zúlks het Critique betréft: dóg, ten opzigte van 't Gemééne gebrúik van Spélling', beslúit ik, gelijk ik begon, dat eene úiterste volmaaking, zonder klém van eene Agtbaere hand, te willen invoeren, mij toeschijnt te rúiken na drift tót wat niews óf ontijdige Néthéid.

Toegift.

Tót beknópter bevatting en te vaster indrúk van het voorverhandelde voeg ik hier op, als een Toegift, deeze mijne invallende bedénking, hoe men door de Léttertéékens I, E, A, O, U en OE, (óf anders door de Getal-Létters 1, 2, 3, 4, 5 en 6) onze zeeventien zó korte als Lange énkel-klinkers, en door de Létters B, V, D,

[p. 129]origineel

J, K, en H, (óf anders door de omgekéérde Nommers {1, 2, 3, 4, 5}, en {6}) onze neegentien Enkele Meede-klinkers, en de H daarenbooven, mits met behúlp van eenige wéinige Booventéikens, kort, klaar, en op eene Philosophische wijze die 't onderschéid van ijders Aart en Vórming aantóónt, kan úitbeelden: en dat alles met Téikens, die bij den Drúkker voor handen zijn.

Voor Húlp-téikens stélle men, Booven de Klinkers,  
Tót aanwijzing' van Lankhéid. -....... Schérphéid. /.} en deeze bij één zijnde 7.
En booven de Meede-klinkers,  
Insgelijks de schúine Schérpe /, en dan nóg, tót aanwijzing' van een verzéllende Neúsklank, v.} en deeze bij één zijnde v/.
.... van een' Voor- óf Naa-sissing', om de onvolkoomene slúiting,:... o.} en deeze bij één zijnde vo.
...... van de énkele Tong-trilling, (als bij R).  
...... van de dúbbele Tong-trilling, (als bij L)..  

Dús dan, vólgens de 6 hóófdplaetsen van de Klank-vórming der Klinkers, afdaalende van het Fijn tót het Gróf, ten opzigte van des Klanks aart, zó pas ik toe.

Aan de lange zagte ie, de ī óf anders j.
de korte scharpe 1, de í   .
de lange y (óf 1j), de ì.   {j}.
Aan de korte zagte e, de e,   2.
de lange zagte ee, de ē,   {2}.
de korte schérpe é, de é,   {2}.
de lange schérpe éé, de è,   {2}.
Aan de korte a, de a,   3.
de lange aa (óf ae) de ā,   {3}.
Aan de korte harde ó, de ó,   {4}.
de lange harde óó, de ò,   {4}.
dé korte zagte o, de o,   4.
de lange zagte oo, de ō,   {4}.
Aan de korte scharpe ú, de ú,   5.
de lange scharpe , de ù   5.
de lange zagte uu, (óf ue) de ū,   {5}.
Aan de lange doffe oe, de oe,   {6}.

[p. 130]origineel

Het begin der Meede-klinkers neem ik vólgens de órdre der Vórming', van de Lippen af na de Keel toe; dat is, van 't fijne na 't groove, ten opzigte van de Sissing; op dien voet stél ik dan, vólgens de 5 hóófdplaatsen van haare Vórming'

Voor de b, . . de b óf {?}.
  p, . . de {b} óf {?}.
  m, . . de {b} óf {?}.
  w, . . de {b} óf {?}.
Voor de v, . . de {v} óf {?}.
  f, . . de óf {?}.
Voor de d, . . de d óf {?}.
  t, . . de {d} óf {?}.
  n, . . de {d} óf {?}.
  z, . . de {d} óf {?}.
  s, . . de {d} óf {?}.
  r, . . de {d} óf {?}.
  l, . . de {d} óf {?}.
Voor de j, . . de {j} óf {?}.
Voor de k, . . de k óf {?}.
  nk, . . de {k} óf {?}.
  g, . . de {k} óf {?}.
  ch, . . de {k} óf {?}.
  ng, . . de {k} óf {?}.
en Wijders voor de h, . . de h of {?}.

Om eene proeve te hébben wat vertóóning deeze Philosophise Létters zówden maaken, héb ik tót onderwérp dit névensstaende Zeedenrijm, in 't wélke alle onze gemélde A-Bee-klanken begreepen zijn, zó kort en goed, als 't úit de pén wilde, toegestélt.

Einde.

N. Toen ik laestmael 't gelezene zag, was 'er deze Toegift niet bij.

 

L. Geen wonder, want-onlangs in 't overzien kreeg ik eerst dien inval. Zulke Philosophise kraem geef ik u niet hooger op dan voor een' speling van gedagten of voor een Hersen-schilderij; niet te min, of die vinding beknopter geschieden kan, laet ik anderen onderzoeken en oordeelen, zo ze slegts overwegens waerdig geagt mogt werden: Hoe vrugteloos dit onderzoek schijnen mogt, het toont nogtans aen, of niet de eerste Lettervinders hunne Leerlingen nog al beter waere hadden kun-

[p. t.o. 130]origineel



illustratie

[p. 131]origineel

nen opdissen, dan bij overlevering ons nagelaten is. Maar, om te vorderen, Mijn Heer, nu wagt ik al op 't voltrekken van uwe beloften.

 

N. De tijd is verloopen: 't is te veel, dat ik te vragen heb, en in te brengen: onze naeste bijeenkomst zal 'er Stof genoeg aen vinden; waerom ik deze verkies af te breken.