Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

VIII. Hoofddeel.
Van de Onregelmatige Verba.

DE vorige gedaene Rangschikkingen maeken, dat deze overige Werkwoorden weinig zijn geworden, welken nog merkelijk minder zouden zijn, als men dezelven aenzag in hare oude Gedaente, Wij zullen dezen in tweederhande soort afdeelen; eerstelijk in zulken, die door de Oudheid verloopen zijn, en ten anderen in zulken, die tot Hulpwoorden van andere Verba gebruikt worden.

I. Van de Verloopenen.

No: 1.A. DEUGEN (oul: Dogen) Valere.. DOGT.. GE-DOGT; is die van de V. CL: gelijk, uitgenomen dat de O in Imperf: en 't Praet: Partic: zagt komt, in steê van hard. Thans neemt men ook wel Deugen, Deugde, Ge-deugt, als die van de I. CL:. Wijders ons Doogen, perferre, is altoos van de I. CL:.
[p. 570]origineel
No: 2.A. DOEN (oul: Daden) facere.. DEED.. GE-DAEN (oul: † Gedaden.)
No: 3.A. DURVEN, DORVEN, DÉRVEN en DÉRREN, audere... DORST.. GE-DORST; dog Durven en Dérven worden nu ook veeltijds als die van de I. CL: gebruikt; als Durfde en Dérfde, Ge-durft, en Ge-dérft.
No: 4.A.
{HÉFFEN (oul: Heven) HIEF ....GE-HEVEN}
{VERHEFFEN..... VERHIEF.. VERHEVEN}
elevare, sustollere.
Was eertijds een soort van de III. CL:.
No: 5.A. WETEN, scire.... WIST.... GE-WETEN.
No: 6.A. WÉRKEN, laborare.. WRÓCHT.. GE-WRÓCHT; is aen die van de V. CL: gelijk, uitgezondert de plaets-ruiling van de R. Dit Wérken conjugeert men nu ook veeltijds als die van de I. CL: naemlijk, Wérkte, Ge-wérkt.
No: 7.A. WILLEN, velle.. WILDE.. GE-WILT, is volkomentlijk aen die van de I. CL: gelijk, uitgenomen, dat de 3. Pers: Sing: van 't Praesens geene T agter zig heeft; als Hy WIL, dog niet Hy Wilt, welke eigenschap ook bij ons Konnen, Mogen, en Zullen plaets heeft, als Hy KAN, MAG, en ZAL. Wijders had men ook oul: Wollen in Infinit: waer van nog overig en zeer gemeen is het Imperf: Woude (voor Wolde) contr: Wou'.
No: 8.A. ZIEN (oul: Zichen) videre.. ZACH.. GE-ZIEN (oul: Ge-zichen). Zo mede † Ge-schichen, † Ge-schach, † Ge-schichen (accidere), dog nu Ge-schieden, I. CL.
NB. De Verandering der Terminatien in 't Conjugeren is,
Bij No: 1. 3. en 6. even als bij die van de V. CL:.
Bij No: 4. en 5. als bij de II. CL:.
Bij No: 2. en 8. mede als bij de II. CL:, uitgezondert dat die Verkorting of insmelting, welke bij den Infinit: en 't Praet: Partic: zig opdoet, ook in 't Praesens Indic: & Subj: en in Imperat: en 't Praes: Partic: plaets heeft: naemlijk
in Indicat: {Ik DOE, en ZIE.
{Gy, Hy, en Gyl: DOET, en ZIET.
{Wy, en Zy DOEN, en ZIEN.
in Subj: {Ik en Hy DOE, en ZIE.
{Gy en Gyl: DOET en ZIET.
{Wy en Zy DOEN en ZIEN.
[p. 571]origineel
in Imperat: 2. Pers: {Sing: DOE, en ZIE.
{Plur: DOET, en ZIET.
Praes: Partic: DOENDE, en ZIENDE.

Gelijke Inkorting gebruikt men ook bij ons GAEN, SLAEN, en STAEN, die onder onze III. CL: gevoegt zijn.

II. Van de Hulpwoorden, als

No: 1.A. HEBBEN (oul: Heven, Haven, en Heben, Haben, allen toen van de I. CL:) habere; nu in Imperf: HADDE, bij inkort: HAD (oul: Hevede, Havede, contr: Hafde, Héede, Habde, per Euph: Hadde); en in Praet: Partic: GE-HAD (oul: Ge-hébd, Ge-haved, Ge-hafd, Ge-habed, Ge-habd, per Euph: Ge-had). Van deze Oudheid komt het dat onze 3. Pers: van 't Praes: Indic: in Sing: is, Hy HEEFT, dog niet, Hij hebt, schikkende zig andersints in zijne verdere Uitgangen als de Verba van de I. CL:. M-G, Haban / Habida / Habiths. Hoogduitsch Haben / Hatte / Gehabt. A-S, Haefan / Habban / & Haebban / in Imperf: Haefde. F-TH, Havan / Haban / in Imperf: Hafde & Hadde. Ysl: Hafa / in Imperf: Haffde (enz:) habere.
No: 2.N. KOMEN (oul: en nu ook nog wel KOMMEN) venire.. QUAM (oul: ook Kam).. GEKOMEN (oul: en nu ook wel GEKOMMEN). In zijne Uitgangen volgt het den trant van de II. en III. CL:. Thans heeft het Praesens Indic: bij de 1. & 3. Pers: Sing: gelijk ook bij de 2. Pers: Plur: de korte, in steê van de lange zagte O, als,
in Praes: Indic: Ik KOM, Gy en Hy en Gyl: KOMT, Wy en Zy KOMEN, hoewel ook Gyl: KOOMT.
in Praes: Subj: Ik en Hy KOME, Gy en Gyl: KOOMT. Wy en Zy KOMEN.
in Imperf: Ind: Ik en Hy QUAM, Gy en Gyl: QUAEMT. Wy en Zy QUAMEN.
in Imperf: Subj: Ik en Hy QUAME, voorts als in Indic:.
No. 3.A. KONNEN of KUNNEN (oul: ook Kénnen) posse; in Imperf: KONDE, KON, en KOST, in Praet: Partic: GEKONNEN, GEKUNNEN, en GEKOST.
Ons KONNEN, KONDE, GEKONNEN, heeft de Gedaente van de VI. CL:.
[p. 572]origineel
KENNEN, KON, GEKONNEN, als die van de II. CL:.
en KONNEN, KOST, GEKOST, zweemt na die van de V: CL:.
Gelijk ook ieders Vervoeging der Tijden met hare Uitgangen die Classes opvolgt; alleenlijk uitgezondert, dat het Praesens Indic: in Sing: bij de 1. en 3. Pers: zijn Wortelvocael voor de A verruilt, als Ik en Hy KAN: en daerenboven dat deze 3. Pers: geen T agter aen heeft.
No: 4.A. MOETEN, debere.. MOEST.. GE-MOETEN: In de Verandering der Terminatien volgt dit den trant der Ongelijk-vloeyende Verba.
No: 5.A. MOGEN, posse, & licere.. MOGT.. GE-MOGEN, of GE-MOGT.
In steê van de Lange zagte O gebruikt men ook wel in de Daeglijksche Spreektael de EU, als MEUGEN, enz:. Wijders MOGEN.. MOGT.. GEMOGEN, heeft de Gedaente als die van de VI. CL:.
en MOGEN.. MOGT.. GEMOGT, als die van de V. CL:. wordende ook eveneens als die geconjugeert, uitgenomen in de 1. & 3. Pers: van 't Praes: Indic:; zijnde, Ik en Hy MAG, op gelijke wijze als bij Konnen.
No: 6.A. & N.
{ZYN}
{WEZEN}
esse. WAS en WAER.. GEWEEST (oul: ook Ge-wezen).
Wanneer we 't Praeterit: Partic: als een Adject: gebruiken, blijft nog alleenlijk het oude plaets houden; dus zeggen we De GEWEZENE man van, enz:, maer nooit de Geweeste Man.
Bij Melis Stoke (in Hr: Alkemade's Druk) vind ik niet alleen voor 't Praeter: Partic: GEWEZEN, maer ook GEZYN: dus
p: 109. Dat hi met rusten had gewesen.
en p: 114. Al had hi ghesyn haer Vader.
en p: 121. Dat si te Romen hadden ghesyn.
Vorders, dat ook in Infin: eertijds Binnen of Bénnen voor ZYN gebruikt zij geweest, geeft niet alleen ons Praes: Indic: te kennen, als Ik BEN, en volgens de Praettael ook Wy en Zy Bénnen of Binnen, en Gy Bént, en Bint, maer
[p. 573]origineel
ook 't A-S, Beon (esse), & Ic Beo (sum), thu Bist (es), he Bith (est), en Ic / thu / & he Beo (sim, sis, sit), & We / ge / hi Beon (simus, sitis, sint); als mede 't Hedendaegsch Engelsche To Be (zijn), en Been (geweest), en Be ye (zijt): Zulks dat dit ons Verbum een mengsel van velerhanden is, en uit dien hoofde 't allerongeregelst loopt van alle de Verba; naemlijk aldus.

Indicat:.

Praes: Ik BÉN, Gy en Gyl: ZYT, Hy IS, Wy en Zy ZYN.

Imperf: Ik en HY WAS of WAER, Gy en Gyl: WAERT, Wy en Zy WAREN.

 

Subjunct:.

Praes: Ik en Hy ZY, voorts als in Indicat:.

Imperf: Ik en Hy WARE, voorts als in Indicat:.

 

Imperat:.

2. Pers: Sing: WEES: Plur: ZYT of WEEST.

 

Voorts tot het Perfect: & Plusquamperf: komt HÉBBEN of ZYN tot Hulpwoord voor 't Praet: Partic:, gelijk bij de andere Verba, als

 

Indicat:.

Perf: Ik BÉN of HÉB GEWEEST, enz:.

Pl: Perf: Ik WAS of HAD GEWEEST, enz:.

 

Subj:.

Perf: Ik ZY of HÉBBE GEWEEST, enz:

Plusq: Perf: Ik WARE of HADDE GEWEEST, enz:.

 

Bij 't Futurum komt ook ZULLEN voor den Infin: als,

 

Ik en Hy ZAL, Gy en Gyl: ZULT, Wy en Zy ZULLEN WEZEN of ZYN; en zo mede Ik en Hy ZOUDE (contr: ZOU) WEZEN of ZYN, enz:

 

Eindelijk No: 7. ZULLEN, ontleent van 't verouderde Schullen (debere) heeft bij ons geen ander gebruik als tot een Hulpwoord, het welk in 't Conjugeren geschikt word voor de Infinitiva der Verba tot aenwijzing van iet Toekomende: als

 

Ik en Hy ZAL, Gy en Gyl: ZULT, Wy en Zy ZULLEN; dit loopt ten dienste van 't Futurum.

[p. 574]origineel

Ik en Hy ZOUDE contr: ZOU, Gy en Gyl: ZOUD, Wy en Zy ZOUDEN, die plaetst men bij 't Futurale Imperf: Subjunct:.

 

ZULLEN en TE ZULLEN, als mede ZULLENDE, zijn ten dienste van den Infinit: & 't Partic: der Verba.

 

EINDE

 

Der Regelmaet en Rangschikking

 

onzer

 

NEDERDUITSCHE WERKWOORDEN.

 

1714 2/m.